CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003742] Bijlage 1 behorende bij 24bb003750 over ontwerpbestemmingsplan Windwinning Hoeksebaan

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 2 juli 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting40.193 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Gemeente Rotterdam

BESTEMMINGSPLAN

Windwinning Hoeksebaan ontwerp

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging plangebied

5

1.3

Geldende bestemmingsplannen

6

1.4

Juridisch kader

7

1.5

Leeswijzer

10

Beleid

11

2.1

Mondiaal en Europees beleid

11

2.2

Rijksbeleid

12

2.3

Provinciaal beleid

15

2.4

Regionaal beleid

19

2.5

Gemeentelijk beleid

20

Huidige situatie

23

3.1

Functionele structuur

23

3.2

Landschappelijke structuur

27

Planbeschrijving

31

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

4.1 Onderbouwing project binnen locatie voor windenergie uit de provinciale omgevingsverordening

31

4.2

Beschrijving van het plan

33

Onderzoek

37

5.1

Uitgangspunten

37

5.2

Geluid

38

5.3

Slagschaduw

44

5.4

Veiligheid

50

5.5

Natuur

70

5.6

Landschap

76

5.7

Cultuurhistorie en archeologie

87

5.8

Waterhuishouding

89

5.9

Overige aspecten

95

Toelichting op het juridische plangedeelte

109

6.1

Algemeen

109

6.2

Bestemmingsregels

109

6.3

Artikelsgewijze toelichting bestemmingsregeling

111

Uitvoerbaarheid

113

Economische uitvoerbaarheid

113

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7 7.1

2

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

113

Bijlagen bij toelichting (apart bijlagendocument) Bijlage 1

Onderzoek akoestiek en slagschaduw

Bijlage 2

Onderzoek externe veiligheid

Bijlage 3

Natuurtoets Windwinning Hoeksebaan

Bijlage 4

Ecologische beoordeling stikstof

Bijlage 5

Cumulatie meeuwen

Bijlage 6

Landschappelijke beoordeling

Bijlage 7

Visualisaties

Bijlage 8

Beoordeling archeologie BOOR

Bijlage 9

Toetsing LVNL

Bijlage 10

Toetsing ILenT

Bijlage 11

Radarverstoringsonderzoek

Bijlage 12

VGB Defensie radarverstoring

Bijlage 13

Controle explosieven

Bijlage 14

Participatieplan

Regels

122

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

123

Artikel 1

Begrippen

123

Artikel 2

Wijze van meten

127

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

128

Artikel 3

Bedrijf - Windturbinepark

128

Artikel 4

Waarde - Archeologie - 1

130

Artikel 5

Waarde - Archeologie - 2

132

Hoofdstuk 3

Algemene regels

134

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel

134

Artikel 7

Algemene aanduidingsregels

135

Artikel 8

Overige regels

136

Overgangs- en slotregels

137

Hoofdstuk 4

Artikel 9

Overgangsrecht

137

Artikel 10

Slotregel

138

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Eneco Wind BV en FMT BV hebben het voornemen twee windturbines te realiseren met het project Windwinning Hoeksebaan in de gemeente Rotterdam. Deze windturbines zijn een nieuw project (zie ook Kader 1.1) in de nabijheid van het bestaande windpark Nieuwe Waterweg. De windturbines zullen een bijdrage leveren aan de gemeentelijke, provinciale en rijksdoelstelling voor windenergie op land. Het initiatief omvat twee windturbines met een gezamenlijk vermogen tussen de 9 en 18 MW. Naar verwachting leveren de windturbines een jaarlijkse productie van circa 40 miljoen kilowattuur (kWh). Dit is genoeg windenergie om circa 11.000 huishoudens te voorzien van elektriciteit uit wind. De beoogde windturbines kunnen niet gerealiseerd worden binnen het geldende bestemmingsplan van de gemeente Rotterdam. Dit bestemmingsplan "Windwinning Hoeksebaan" zorgt voor de juridisch-planologische verankering van de twee windturbines en is de basis voor omgevingsvergunningverlening (zie ook kader 1.1 en Hoofdstuk 6). De initiatiefnemers vragen een omgevingsvergunning aan op grond van artikel 2.23a, lid 1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Kader 1.1 Samenhang met windpark Nieuwe Waterweg en toepassing Activiteitenbesluit en -regeling Het project Windwinning Hoeksebaan wordt juridisch gezien als een nieuw windproiect en geen uitbreiding van het bestaande windpark Nieuwe Waterweg (zie verder ook paragraaf 1.4 onder 'Geen ēēn inrichting Wet milieubeheer (samenhang met windturbines windpark Nieuwe Waterweg)' alhoewel er visueel wel enige samenhang is. Voor ëėn of twee windturbines, zoals in onderhavig project liet geval is. zijn de windturbine regels uit het Activiteiten besluit en -regeling nog steeds van toepassing, zo bevestigt ook de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat in haar Kamerbrief over de 'uitspraak Delfzijl van 7 juli 2021. Er is dus geen noodzaak om lokale/projectspecifieke normen te stellen voor het project Windwinning Hoeksebaan (zie ook paragraaf 5.1.2). In paragraaf 5.2. 5.3 en 5.4 wordt dus nog steeds getoetst aan normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid uit het Activiteitenbesluit en -regeling.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied voor de windturbines ligt op het bedrijventerrein ten oosten van Hoek van Holland. Het plangebied wordt globaal begrenst door de woonkern Hoek van Holland aan de westzijde, aan de noordzijde door kassen en een poldergebied, aan de oostzijde door het Nieuw Oranjekanaal en aan de zuidzijde door de provinciale weg N233 (Hoeksebaan), die ten noorden van en parallel aan de Nieuwe Waterweg loopt. Het plangebied ligt nabij de Nieuwe Waterweg met de Maeslantkering. Verder naar het zuidwesten ligt het Rotterdamse havengebied Europoort met tal van grote zware industriële bedrijven, opslagen en aangemeerde zeeschepen.

5

Figuur 1.1 Luchtfoto van het plangebied met globale posities van de windturbines [bron: Google Earth]

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Bestemmingsplan "Hoek van Holland-Bedrijventerreinen" Ter plaatse van het westelijke deel van het plangebied geldt het bestemmingplan "Hoek van HollandBedrijventerreinen" (vastgesteld d.d. 22 oktober 2014) met de enkelbestemming 'Bedrijf - Nutsbedrijf en dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. De gronden met de bestemming 'Bedrijf - Nutsbedrijf zijn bestemd voor voorzieningen ten behoeve van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, met een capaciteit van maximaal 110.000 inwonersequivalenten met een maximale bouwhoogte van 8 meter. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' geldt dat, naast de voorkomende bestemming, deze bedoeld is voor de bescherming van archeologische waarden. Voor (bouw)werkzaamheden met een diepte groter dan 1 meter onder NAP én een oppervlakte groter dan 200 meter geldt een onderzoeksplicht voor archeologie. Bestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" Ter plaatse van het oostelijk deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" (vastgesteld d.d. 17 juni 2021) met de enkelbestemming 'Bedrijf 4' zonder bouwvlak met en dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie 1'.

De gronden met de bestemming 'Bedrijf 4' zijn bestemd voor een composteringsbedrijf, met het daarbij behorende voorzieningen en bedrijfsactiviteiten ten behoeve van recycling en afvalverwerking tot en met milieucategorie 4.1. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' geldt dat, naast de voorkomende bestemming, deze bedoeld is voor de bescherming van archeologische waarden. Voor (bouw)werkzaamheden met een diepte groter dan 4 meter onder maaiveld én een oppervlakte groter dan 200 meter geldt een onderzoeksplicht voor archeologie.

6

Direct ten zuiden van de geprojecteerde windturbines geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' en gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat -Waterkering' zijn naast de voorkomende enkelbestemming mede bestemd voor waterkering. Het belang van de waterkering wordt hiermee beschermd. De voor 'vrijwaringszone - dijk' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor onderhoud, bescherming of mogelijkheden voor versterking van de waterkerende functies van de dijk. Er mag dan ook geen onevenredig afbreuk worden gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de waterkerende functies van de dijk.

l. 4

Juridisch kader

Hieronder wordt ingegaan op de procedurele context voor dit plan en samenhang met de procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.). Bestemmingsplan Omdat het planvoornemen niet past in het geldende bestemmingsplan is een planologische procedure benodigd om het plan mogelijk te maken. Onderliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van de windturbines met bijbehorende voorzieningen juridisch-planologisch mogelijk. Relatie met de milieueffectrapportage De bouw van een nieuw windturbinepark (zie ook in deze paragraaf onder kopje 'Samenhang met bestaande windturbines windpark Nieuwe Waterweg') is aangewezen in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) dat een AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) is bij de Wet milieubeheer (Wm) als categorie D22.2. Voor windparken met drie of meer, en minder dan tien, windturbines en met een gezamenlijk vermogen van minder dan 15 MW dient door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldingsnotitie) onderbouwd te worden of er al dan niet een formele m. e.r.-(beoordeling) doorlopen dient te worden voor de omgevingsvergunning en het ruimtelijk plan. Het bevoegd gezag dient hier vervolgens een besluit over te nemen. Kader 1.2 Geen uitbreiding van bestaande windpark in de zin van het Besluit m.e.r.

Voor de vraag of er sprake is van één windturbinepark in de zin van de m.e.r.-regelgeving is bepalend of aan het zogeheten samenhang- en voorzienbaarheidscriterium is voldaan. Dat critenum geeft, kort en goed, aan dat bij een bepaalde samenhang tussen de windturbines en het windpark, plus als voorzienbaar is dat deze windturbines en het windpark binnen afzienbare tijd na elkaar worden gerealiseerd, sprake is van één windturbinepark. Als voor verschillende windturbines, die gezamenlijk één windturbinepark vormen, meerdere m.e.r. plichtige besluiten worden voorbereid, bijvoorbeeld verschillende omgevingsvergunningen voor verschillende windparken, dan kan het nodig zijn dat het eerste m.e.r.-plichtige besluit een milieueffectrapport (‘‘MER”) bevat voor alle windturbines die samen één windturbinepark vormen. Het niet uitvoeren van dat MER kan dan worden aangeduid als het opknippen van één m.e.r.-plichtige activiteit, wat een ongeoorloofde ‘salamitactiek’ kan zijn om onder de MER-plicht uit te komen. Op basis van huidige inzichten is de conclusie dat de windturbines en het huidige Windpark niet één windturbinepark in de zin van het Besluit m.e.r. vormen. Daarvoor is doorslaggevend dat er ten tijde van de besluitvorming het huidige windpark in 2014 geen plannen waren om binnen afzienbare tijd de windturbines te realiseren.

Het enkel opgenomen zijn van de locatie aan de Nieuwe Waterweg als potentiële locatie voor de ontwikkeling van windenergie in de provinciale omgevlngsverordening, de gemeentelijke structuurvisie en het Convenant van de Stadsregio is daarvoor onvoldoende. Kortom, voor de windturbines geldt geen m.e.r.(beoordelings)plicht en daarop zijn de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de -regeling onverkort van toepassing.

7

Voor dit project is er sprake van twee windturbines, en dus niet van een 'windpark' volgens het Besluit m.e.r. Er is ook geen sprake van een uitbreiding van het bestaande windpark Nieuwe Waterweg (zie Kader 1.1). Het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling (nemen van een m.e.r.beoordelingsbesluit) is niet noodzakelijk. In het kader van de Elektriciteitswet 1998 is er overigens wel sprake van een 'windpark' omdat deze wet een andere begripsbepaling gebruikt. Bevoegd gezag Primair is de gemeenteraad op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevoegd gezag voor het vaststellen van een bestemmingsplan en burgemeester en wethouders voor het afwijken van het bestemmingsplan, hiervoor is wel een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad benodigd. Voor een windpark met een omvang tussen de 5 en 100 MW zijn Provinciale Staten op basis van artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 (Ew 1998) bevoegd gezag voor het vaststellen van een inpassingsplan en het verlenen van de omgevingsvergunning.

Artikel 9e lid van de Elektriciteitswet bepaalt: "Provinciale Staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen." Artikel 9f, Lid 6, sub a bepaalt vervolgens dat Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat het eerste niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, indien: "in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden". De provincie Zuid-Holland heeft de bevoegdheid voor het nemen van de betreffende besluiten gedelegeerd aan de gemeente Rotterdam. De gemeente Rotterdam is daarmee het bevoegd gezag in deze. Coördinatieregeling Door de initiatiefnemer is een verzoek gedaan tot toepassing van de coördinatieregeling als bedoeld in paragraaf 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening.

Door coördinatie worden besluiten die met elkaar samenhangen, in deze in ieder geval het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor bouw van de windturbines, gelijktijdig in procedure gebracht en worden daarover gegeven zienswijzen en ingestelde beroepen gelijktijdig afgehandeld. Er is dus geen aparte bezwaarprocedure bij het bevoegd gezag en beroepsprocedure bij de rechtbank. Alleen rechtstreeks beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Wel kunnen tegen de ontwerpbesluiten door een ieder zienswijzen worden ingediend bij gemeente Rotterdam. Crisis- en herstelwet Hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) gaat over het stroomlijnen en versnellen van procedures voor besluiten van ruimtelijke en infrastructurele projecten, zoals omgevingsvergunningen op basis van de Wabo. Het stroomlijnen van procedures houdt onder meer in dat er een versnelde afhandeling door de Raad van State geldt en het vereiste om direct inhoudelijke beroepsgronden in te dienen. Op basis van artikel 1.1.

lid 1 Chw geldt de stroomlijning van procedures voor besluiten ter verwezenlijking van drie type projecten: » projecten die vallen onder de categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd in Bijlage I; » projecten van Bijlage II; » projecten op basis van de bijzondere voorzieningen uit Hoofdstuk 2 Chw, te weten ontwikkelingsgebieden (afdeling 1, hoofdstuk 2 Chw) en "Lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis" (afdeling 7, hoofdstuk 2 Chw). De realisatie van de windturbine valt onder projecten, zoals bedoeld in Bijlage I van de Chw, onder 1.2: "aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998", waardoor hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. Omdat er tijdsdruk zit achter de energietransitie is het zeer wenselijk de procedure te stroomlijnen met gebruikmaking van de Chw. Dit brengt onder meer met zich mee dat: » de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, na afloop van de beroepstermijn, een termijn van 6 maanden heeft voor het doen van een uitspraak op een beroep;

8

»

dat het beroepschrift meteen de gronden van beroep moet bevatten (het indienen van een pro­ forma beroepschrift is niet mogelijk) Het van toepassing zijn van de Chw dient vermeld te worden in bekendmaking, publicatie en besluitvorming. Geen één inrichting Wet milieubeheer (samenhang met windturbines windpark Nieuwe Waterweg) Nabij de geplande windturbines staan zes bestaande windturbines langs de noordzijde van de Nieuwe Waterweg, direct ten oosten van de Maeslantkering. Alhoewel Eneco ook eigenaar is van het windpark Nieuwe Waterweg is er op inrichtingsniveau volgens de Wet milieubeheer geen sprake van één windpark (zie ook Kader 1.3). Windwinning Hoeksebaan dient dan ook, onder andere in relatie tot de m.e.r.-regelgeving en de omgevingsvergunning, beschouwd te worden als nieuw te realiseren windpark en derhalve als een nieuwe aparte inrichting. Kader 1.3 Géén technische, organisatorische en functionele samenhang met bestaand windpark Om te beoordelen of er sprake is van één inrichting moet gekeken worden naar de nabijheid, technische-, organisatorische- en functionele samenhang tussen beide inrichtingen (het bestaande en het nieuwe windpark) op basis van de Wet milieubeheer: *

Er zijn geen gemeenschappelijke voorzieningen voor de twee inrichtingen. Beide sluiten separaat aan op liet elektriciteitsnet (de oostelijke windturbine van Windwinning Hoeksebaan wordt waarschijnlijk v:el via een cablepooľ overeenkomst aangesloten op de netaansluiting van Windpark Nieuwe Waterweg) en daarnaast is er geen sprake van andere gezamenlijke voorzieningen, zoals bijvoorbeeld de elektriciteitsvoorzieningen en de opslag van afvalstoffen of riolering. Er wordt ook geen gebruik gemaakt van dezelfde toegangsweg. Er is daarom geen sprake van een technische binding tussen beide inrichtingen.

*

De bedrijfsvoering van beide wind parken zal verschillend zijn gezien het verschil in leeftijd van het windpark, type windturbines en de daarbij bijhorende beheers-, onderhouds-, en administratieve organisatie. Er is derhalve geen sprake van een organisatorische binding tussen beide wind parken.

*

Er is geen sprake van enige uitwisseling van goederen, diensten, personeel of bedrijfsmiddel en tussen beide inrichtingen. Er is derhalve geen sprake van een functionele binding tussen beide inrichtingen.

*

Ook moeten de windturbines, indien sprake is van een organisatorische en technische of functionele binding, in eikaars on middel lijke nabijheid zijn gelegen, wil sprake zijn van ēēn inrichting. Hier zijn echter geen strikte normen voor en is er geen eenduidige afstand af te leiden wanneer hieraan is voldaan.

Op basis van de huidige inzichten is de conclusie dat er niet zodanige bindingen tussen de windturbines en het windpark aanwezig zullen zijn dat sprake is van ėėn inrichting. Belangrijk is daarbij dat de windturbines en het huidige windpark door verschillende rechtspersonen wonden geëxploiteerd, waarbij niet ēēn rechtspersoon zeggenschap heeft over alle activiteiten die plaatsvinden. Ook is van belang dat beide rechtspersonen financieel zelfstandig functioneren. Verder is van belang dat de windturbines en het windpark een eigen aansluiting op het elektriciteitsnet krijgen en dat de windturbines en het windpark eigen personeel, middelen en testprogramma's hebben. ''cablepooling s Bi. cablepool rg de en verschi lende zonne- er/of windparken [dus niet deel uitmakend van cezelfde in richt rgį ėėn elektriciteilsaansluitrg. Dat leverl al erisi voordelen op zoals be1ere benutting var ce [aansluiting op) het elsktrcitetsnet. er gaat minder energie verloren en de energievoorziening wordt stabieler.

9

1.5

Leeswijzer

Dit hoofdstuk geeft de inleiding tot het project. In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader geschetst. In hoofdstuk 3 komt een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied en omgeving aan de orde, hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het planvoornemen. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten beschreven. Hoofdstuk 6 geeft ten slotte een toelichting op de financieel-economische uitvoerbaarheid van dit plan en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

10

Hoofdstuk 2

Beleid

Dit hoofdstuk beschrijft beleid en wet- en regelgeving specifiek op het gebied van duurzame (wind)energie en ruimtelijke ordening. Ook wordt ingegaan op nut en noodzaak van windenergie.

2.1

Mondiaal en Europees beleid

2.1.1

Mondiaal klimaatakkoord

Klimaatverandering is een mondiale uitdaging en vereist dan ook een mondiale respons. Deze respons kwam in december 2015 toen op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21)1 195 landen, waaronder Nederland, instemden met een klimaatakkoord. Hieronder de belangrijkste punten uit het akkoord: »

de gemiddelde temperatuur op de aarde mag niet meer dan 2 graden Celsius stijgen. Landen streven er naar de temperatuurstijging zelfs te limiteren tot maximaal 1,5 graden Celsius; » de partijen zullen zo snel mogelijk hun best doen om de uitstoot van broeikasgassen en schadelijke stoffen te verminderen in combinatie met de beschikbare techniek van dat moment. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen landen; » er is extra inzet nodig om negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te pakken en de hoeveelheid broeikasgassen terug te brengen zonder dat dit de voedselproductie in gevaar brengt; » alle partijen moeten financieel bijdragen aan het verlagen van de hoeveelheid broeikasgassen en onderzoek doen naar klimaatbestendige ontwikkelingen; » voor de klimaatconferentie van 2025 moeten de partijen van de klimaatovereenkomst van Parijs zich samen ten doel stellen elk jaar minstens 100 miljard dollar (91 miljard euro) ter beschikking te stellen aan armere landen die economisch moeite hebben de klimaatdoelstellingen te halen. Het geld zou vanaf 2020 beschikbaar moeten zijn; » het verdrag is bindend en de landen verplichten zich het na te leven. Zes jaar na het Akkoord van Parijs is tijdens de zesentwintigste klimaatconferentie van Glasgow (COP26) de balans opgemaakt en zijn nieuwe afspraken vastgelegd.

Hieronder de belangrijkste punten: In lijn met de temperatuurdoelstelling van Parijs (beneden +2 graden en indien mogelijk +1,5 graden) moeten de deelnemende landen uiterlijk eind 2022 met aangescherpte klimaatdoelen voor 2030 komen; » Er wordt een oproep gedaan om de inspanningen op te voeren in het geleidelijk verminderen van het steenkool gebruik en een einde te maken aan subsidies voor fossiele brandstoffen; » Er gaat meer geld naar de ontwikkelingslanden om klimaatverandering tegen te gaan, vanuit de EU alleen al C100 miljoen; » Er wordt afgesproken de ontbossing tegen 2030 te stoppen en om te keren; » Er wordt afgesproken methaanuitstoot te verminderen; » Er zijn regels afgesproken die voortvloeien uit het Akkoord van Parijs, waaronder het opzetten van een mondiaal handelssysteem voor CO2-emissierechten. In november 2022 heeft de zevenentwintigste klimaatconferentie van Sharm-el-Sheikh (COP27) plaatsgevonden. Het belangrijkste resultaat is dat de landen zijn het eens geworden over de oprichting van een wereldwijd fonds voor landen die kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering. De in 2015 in Parijs vastgestelde doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graad is overeind gebleven, maar nadere afspraken om hem binnen bereik te brengen zijn niet gemaakt. 2.1.2

Europese Klimaatwet

Ook op Europees niveau zijn doelstellingen geformuleerd en vastgelegd om klimaatverandering tegen te gaan. Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (EU) hebben op 28 juni 2021 de Europese Klimaatwet vastgesteld. Met de vaststelling is de doelstelling om in 2030 4007o minder CO2 uit te stoten dan in 1990 verhoogd naar 550Zo. Ook is vastgelegd dat de EU in 2050 klimaatneutraal moet zijn.

11

Voor de productie en bevordering van duurzame energie uit hernieuwbare bronnen is algemeen beleid vastgelegd in de richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG). Het vereist dat de EU tegen 2030 ten minste 320Zo van haar totale energiebehoeften met hernieuwbare energie vervult en bouwt voort op de reeds geboekte vooruitgang, waaronder de verwezenlijking van de EU-doelstelling van 20Zo hernieuwbare energie in 2020. Het tussendoel voor 2020 lijkt te zijn behaald met een aandeel van 21,30Zo.

2.2

Rijksbeleid

2.2.1

Nationale Klimaatwet

Om conform het Klimaatakkoord van Parijs de wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken heeft Nederland op 2 juli 2019 de Klimaatwet vastgesteld. In de Klimaatwet staan drie doelen: » een vermindering van 490Zo (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2030; » een vermindering van 950Zo (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2050; » 100Z broeikasgas-neutrale elektriciteit in 2050. Ter uitvoering van de Klimaatwet heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat op 1 april 2020 het Klimaatplan vastgesteld. Dit Klimaatplan bevat de hoofdlijnen van het nationale klimaatbeleid voor de komende 10 jaar (2021-2030). Daarnaast gaat het Klimaatplan, conform de Klimaatwet, in op de laatste wetenschappelijke inzichten over klimaatverandering, technologische ontwikkelingen, internationale beleidsontwikkelingen en de economische gevolgen. De inhoud van het Klimaatplan is voor een belangrijk deel bepaald door de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord, dat in juni 2019 tot stand is gekomen met betrokkenheid van meer dan 100 maatschappelijke (publieke en private) partijen. In het klimaatakkoord staan afspraken tussen de overheid en vijf betrokken sectoren (elektriciteit, industrie, bebouwde omgeving, landbouw en transport). Deze afspraken moeten er voor zorgen dat in 2050 de doelen, zoals opgenomen in de Klimaatwet worden gehaald.

Afspraken over de opwek van duurzame energie, waaronder windenergie, zijn vastgelegd in het hoofdstuk 'Elektriciteit'. Zo is afgesproken dat in 2030 70Z van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komt. Dat gebeurt met windturbines op zee, op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken. Voor wind en zon op land is afgesproken dat in 2030 minimaal 35 TWh geproduceerd moet worden. De beoogde windturbines dragen bij aan deze doelstelling voor 2030. 2.2.2

Monitor Wind op land

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert in opdracht van het Kernteam Wind op Land (kernteam) jaarlijks de Monitor Wind op Land uit. De Monitor Wind op land 2022 is in mei 2023 verschenen.2 Doel van de monitor is om een zo compleet, nauwkeurig en objectief mogelijk inzicht te geven in de voortgang van de oorspronkelijk afspraken tussen IPO en Rijk uit het Energieakkoord uit 2013 over de nationale opgave om in 2020 6.000 MW opgesteld vermogen aan windenergie op land operationeel te hebben. Aanvullend is in bestuurlijk overleg tussen Rijk en IPO in mei 2018 afgesproken, vanuit de verwachting dat de doelstelling waarschijnlijk niet tijdig zou worden gehaald, dat het deel van de 6.000 MW opgave dat niet in 2020 is gerealiseerd, uiterlijk in 2023 ingehaald zal worden met wind op land en techniekneutraal verdubbeld zal worden. Eind 2020 stond in Nederland 4.177 megawatt (MW) aan operationeel windvermogen opgesteld. Dit was goed voor bijna 70Z van de nationale doelstelling. Volgens de Monitor Wind op Land 2022 stond er eind 2022 6.045 MW aan windvermogen op land. Hiervan is 759 MW in 2022 gerealiseerd. Met de projecten die nu in aanbouw zijn kan het totale windvermogen eind 2023 oplopen tot 6.880 MW. De doelstelling van 6.000 MW aan wind op land is dus uiteindelijk voor 2023 behaald. Dit betekent echter niet dat alle doelen zijn behaald.

In 2019 werden de nieuwe afspraken uit het Klimaatakkoord vastgelegd in de Klimaatwet en deze vervingen het Energieakkoord uit 2013 (zie verder paragraaf 2.2.1).

12

2.2.3

Windenergie ten opzichte van andere duurzame energiebronnen

Volgens het Rijksbeleid zijn de belangrijkste vormen van hernieuwbare energie in Nederland windenergie en zonne-energie. In de toekomst komen daar technieken bij die nu nog verder doorontwikkeld moeten worden, zoals aardwarmte, restwarmte en groene waterstof. Hoewel grijze energie uit fossiele energiebronnen in de komende decennia nodig blijft, zal hernieuwbare energie een steeds groter onderdeel gaan uitmaken van de energiemix. Vier duurzame energiebronnen leveren daarbij de belangrijkste bijdrage voor Nederland: bio-energie, zonne-energie (met name elektriciteit uit zon-PV), wind op land en wind op zee. Bio-energie levert een belangrijk bijdrage aan de energievoorziening maar alsnog vrijkomende CO2-emissie en de beschikbaarheid hiervan (of van grondstoffen met de gewenste herkomst) beperkt de potentiële bijdrage. Zowel voor zonne-energie, wind op zee als wind op land wordt een grote bijdrage verwacht. Deze opgave is, gezien de huidige stand van zaken en de hoogte van de ambities, dermate groot dat de realisatie in de vorm van zon of wind op zee geen alternatief vormt voor het project. Er is een energiemix nodig waarbij alle vormen van duurzame energie, en windenergie in het bijzonder, een steeds belangrijker aandeel zal krijgen. Onderhavig initiatief voorziet in het behalen van een dergelijke duurzame energiemix.

Noodzaak van een mix is ook het ongelijktijdig zijn van zon en wind (over de dag en over de seizoenen). Opwekking van elektriciteit met windenergie is gewenst vanwege de elektriciteitsproductie in de winter. Juist in dat seizoen neemt de toekomstige elektriciteitsvraag toe. Onder andere doordat we onze woningen steeds meer met warmtepompen gaan verwarmen en ook collectieve warmteoplossingen nodig hebben. Ook voor de netaansluiting is windenergie beter. Uit een analyse van de netbeheerders blijkt dat windenenergie in het algemeen beter en tegen lagere (maatschappelijke) kosten is in te passen in het elektriciteitsnetwerk dan zonne-energie. Dit komt omdat een windturbine meer uren per dag draait dan dat een zonnepaneel zon vangt. Bij wind rekenen we in dit deel van Nederland met 3.000 vollast-uren per jaar (tijdsduur waarin de energiebron effectief op vol vermogen energie heeft geproduceerd) en bij zon met 950 vollast-uren per jaar. Dit zijn gemiddelden, bij beiden is dit maatwerk en verschilt dit per opstelling, locatie en model. Zonne-energie heeft voornamelijk pieken terwijl windenergie een constantere bron is. Hoe meer zonne-energie, hoe groter de netcapaciteit dus moet zijn. Het net moet zo worden gebouwd dat op piekmomenten alle stroom terug geleverd kan worden aan het net. Hierdoor blijft een groot gedeelte van het netwerk onbenut wanneer de zon niet schijnt (piekt).

Dit is bij wind anders omdat dit een constantere bron is. 2.2.4

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI is op 11 september 2020 door het Rijk vastgesteld als structuurvisie onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (WRO). Zodra de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden, wat naar verwachting op 1 januari 2024 zal gebeuren, geldt deze structuurvisie als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De "Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte" (SVIR, maart 2012), die in de tijd voor de NOVI de 'kapstok' voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties was en waarin onder ander windenergie eveneens was aangemerkt als een nationaal belang, komt door de NOVI te vervallen. De strategisch relevante delen van de SVIR gaan op in de NOVI. De NOVI is gericht op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu door (a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede leefomgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Klimaatadaptie en de energietransitie vormen een van de vier prioriteiten van de NOVI, naast een duurzaam en economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied. De NOVI is erop gericht om voor deze vier prioriteiten de nationale strategische beleidskeuzes te formuleren en hanteert daarbij als afwegingsprincipes dat combinaties van functies voor enkelvoudige functies gaan, dat kenmerken en identiteit van een gebied centraal staan en dat afwentelen wordt voorkomen.

13

De NOVI ziet het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening (die in 2050 CO2-arm is) en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur als een nationaal belang. Ook windenergie speelt hier een belangrijke rol op zowel de Noordzee als op land. Ten aanzien van het behalen van de doelstellingen voor windenergie op land gaat de NOVI, naast de doelstellingen uit het Nederlandse Klimaatakkoord en vervolgens de RES-en, uit van de Structuurvisie Windenergie op land (SvWOL) uit 2014. Het Programma Energiehoofdstructuur zal de SvWOL opvolgen en wordt verwacht in 2023. Het programma hanteert als tijdshorizon 2030-2050 met de ambitie om tijdig te zorgen voor voldoende ruimte voor een nationale energiehoofdstructuur die in balans staat met andere opgaven en belangen en een goede leefomgevingskwaliteit. De NOVI geeft als algemeen beleidskader voor de realisatie van hernieuwbare energie op land het streven naar zuinig en zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik, waarbij vraag en aanbod van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit zoveel mogelijk dicht bij elkaar worden gebracht. Daarnaast moet er zoveel mogelijk worden aangesloten bij de gebiedsspecifieke ruimtelijke kwaliteit en gaat de voorkeur uit naar grootschalige clustering van duurzame energie. 2.2.5

Structuurvisie Windenergie op Land

De Structuurvisie Windenergie op land (SWOL)3 is een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte die inmiddels is vervangen door de NOVI. De doelstelling van het SvWOL is zodanige ruimtelijke voorwaarden te scheppen dat in 2020 een opwekkingsvermogen van ten minste 6.000 MW aan windturbines op land operationeel zou zijn. De SWOL heeft betrekking op gebieden die geschikt zijn voor grootschalige opstellingen van windenergie van minimaal 100 MW en gaat uit van bundeling in gebieden die geschikt zijn voor het plaatsen van grootschalige windenergie. De keuze voor locaties is gemaakt door gebieden te selecteren binnen de 'kansrijke gebieden' uit het SVIR in overleg met de provincies, rekening houdend met het provinciale beleid (anno 2012). Provincies hebben gebieden aangewezen op basis van hun ruimtelijke mogelijkheden. Deze selectie van gebieden is onderzocht in een planMER en Passende Beoordeling. Op basis van de bestuurlijke afspraken tussen het kabinet en de provincies en de inhoudelijke informatie uit het planMER zijn 11 gebieden in de structuurvisie opgenomen (zie Figuur 2.1). Dit zijn de gebieden Eemshaven, Delfzijl, N33, Drentse Veenkoloniën, Wieringermeer, IJsselmeer Noord, Noordoostpolderdijk, Rotterdamse Haven, Goeree-Overflakkee, Krammersluizen en Flevoland.

Het plangebied valt binnen het gebied 'Rotterdamse Haven' en de beoogde locatie sluit daarmee aan bij de voorkeur van het Rijk om te komen tot grootschalige clustering van duurzame energie. Figuur 2.1 Gebieden voor grootschalige windenergie

14

2.2.6

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)4 voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Bij de vaststelling van een ruimtelijke plan voor de ontwikkeling van een windturbine dient rekening gehouden te worden met de regels die het Barro stelt. Van belang voor het plangebied zijn de volgende nationale belangen: 1. Defensie; 2. primaire waterkeringen buiten het kustfundament. Defensie In het Barro zijn regels opgenomen ten aanzien van militaire radarstations, beperkingen rondom een radarstation, als ook beperkingen in verband met militaire laagvliegroutes jacht- en transportvliegtuigen. De beoogde windturbine valt binnen de toetsingsvlakken van radarstations Woensdrecht, Wemeldinge, Herwijnen en TAR Schiphol West. De beoordeling van gevolgen van de windturbine vindt plaats in hoofdstuk 5. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de Nieuwe Waterweg, welke door middel van een primaire waterkering van het plangebied wordt gescheiden. In het Barro is vastgelegd dat door de realisatie van een plan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de primaire waterkering.

De beoordeling van gevolgen van de windturbine vindt plaats in paragraaf 5.4.

2.3

Provinciaal beleid

2.3.1 Totstandkoming windenergiebeleid in Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte Het windenergiebeleid van provincie Zuid-Holland is op 30 januari 2013 verankerd in de provinciale structuurvisie en de verordening ruimte (actualisering 2012). Daarmee hebben zij de basis gelegd voor het provinciaal ruimtelijk kader voor de realisatie van de Zuid-Hollandse windenergieopgave: vanuit ruimtelijke kwaliteit wordt gezocht naar een concentratie van windturbines op betekenisvolle plekken in het landschap. Indien mogelijk wordt daarbij aansluiting gezocht bij recent gebouwde bestaande opstellingen en worden windturbines zo geplaatst dat ook eventuele latere uitbreidingen landschappelijk inpasbaar zijn. De provincie heeft daarbij een voorkeur voor locaties die aansluiten bij grootschalige infrastructuur, grote bedrijventerreinen of op grote scheidslijnen tussen land en water. In 2014 zijn vervolgens met de vaststelling van de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en bijbehorende Verordening ruimte de eisen vanuit windenergie en de voorwaarden vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit afgewogen en met elkaar in balans gebracht. Gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn, worden uitgesloten.

Er is gekozen om zoveel mogelijk in te zetten op concentratie in geschikte gebieden en daarmee de versnippering over de hele provincie te voorkomen. Het havengebied van Rotterdam is in de VRM aangewezen als concentratiegebied voor windenergie. In de jaren na de inwerkingtreding van de VRM heeft een nadere uitwerking van de concentratiegebieden plaatsgevonden. De provincie heeft aan de hand van een planMER 45 locaties, waaronder de locaties uit de convenant 'Realisatie Windenergie Stadsregio Rotterdam' (zie paragraaf 2.2.3) en zo ook de locaties Nieuwe Waterweg en verlenging Nieuwe Waterweg/Stenaterrein, nader onderzocht. Dit onderzoek was input voor de partiële herziening van de VRM die op 19 januari 2018 in werking trad. In deze partiële herziening heeft de provincie de locaties langs Nieuwe Waterweg definitief aangewezen als ontwikkellocaties voor windenergie (zie locaties 'R' en 'AA' in Figuur 2.2).

15

Figuur 2.2 Locaties windenergie partiele herziening VRM 2014 (2018) [bron: provincie Zuid-Holland]

Voor de partiële herziening van de VRM voor de windenergie gebieden is ook een planMER gemaakte ter onderbouwing van de vastgelegde locaties. De planMER bestaat uit een aantal delen: » Deel A: Algemeen bevat drie hoofdstukken over de aanleiding, de procedure, de afbakening van de locaties en het beoordelingskader (hoofdstuk 1 t/m 3); » Deel B: Beoordeling onderzoeksgebieden bevat per onderzoeksgebied een hoofdstuk (hoofdstuk 4 t/m 51) met de beoordeling van de milieueffecten; » Deel C: Samenhang en conclusies bevat een hoofdstuk waarin de kansrijkheid per thema is aangegeven en de conclusies over welke gebieden geschikt zijn voor de ontwikkeling van windenergie (hoofdstuk 52); » Deel D: Proces voorkeursalternatief (VKA) bevat de beoordeling van verschillende sets van locaties (hoofdstuk 53 t/m 55) en van het voorkeursalternatief VKA (hoofdstuk 56). De locatie wordt beoordeeld in hoofdstuk 37 van deel B (locatie 32; locatie 'Verlenging Nieuwe Waterweg Z Stenaterrein'). De locatie wordt geschikt geacht voor maximaal 4 windturbines. Uit de beoordeling komen een aantal belangrijke aandachtspunten voor het gebied. Dit betreft vooral de mogelijk ecologische effecten (verstoring) van het Natuurnetwerk Nederland (de Nieuwe Waterweg is onderdeel van het NNN).

Er is landschappelijke versterking mogelijk met het vergunde windpark van Windpark Nieuwe Waterweg, deze is vergund binnen locatie 31 'Nieuwe Waterweg'. Deel B geeft aan: "Voor locatie 31 geldt dat op deze locatie inmiddels een windpark van acht turbines is vergund (Windpark Nieuwe Waterweg) en om die reden in dit MER niet als onderzoeksgebied is meegenomen. Omdat locatie 31 en 32 deels overlappen, wordt het deel van locatie 31 dat geen onderdeel uitmaakt van Windpark Nieuwe Waterweg, bij het onderzoeksgebied van locatie 32 meegenomen. Dit onderzoeksgebied krijgt in dit MER de naam ‘Verlenging Nieuwe Waterweg í Stenaterrein’." Voor onderzoeksgebied 32 worden per thema, ook mogelijke mitigerende maatregelen weergegeven. » Leefomgeving: Mitigatie voor geluid en slagschaduw is mogelijk door het ontzien van de westzijde van het onderzoeksgebied, vanwege de kern Hoek van Holland. » Landschap: Door de lijn van de onderzoeksgebieden langs de Nieuwe Waterweg in samenhang te ontwikkelen, is een optimale opstelling te realiseren (lange lijn). » Veiligheid:Voor de afstand tot waterkering en hoogspanningsleiding kan op basis van een specifiek turbinetype de effectafstand worden berekend, waarmee de benodigde afstand mogelijk kunnen worden verkleind. Hiermee ontstaat meer ruimte aan de oostzijde en in het midden van het onderzoeksgebied.

» Elektriciteitsopbrengst: Voor dit onderzoeksgebied geldt dat met een grotere ashoogte een

16

grotere elektriciteitsopbrengst te behalen is. De windsnelheid is op bijvoorbeeld 120 meter ashoogte 8,0 m/s. 2.3.2 Huidig windenergiebeleid in Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland De Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte zijn inmiddels opgevolgd door de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. In deze visie en verordening is het windenergiebeleid van de provincie Zuid-Holland uit het VRM beleidsneutraal geïntegreerd. Dit betekent dat windturbines alleen kunnen worden gebouwd op gronden binnen de 'locaties windenergie' die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Het Haven- en industrieel gebied, ten noorden van de Nieuwe Waterweg, waaronder de locatie Verlengde Nieuwe Waterweg/Stenaterrein maar ook het bestaande windpark Nieuwe Waterweg, is in het provinciaal beleid aangewezen als 'locatie windenergie' (zie Figuur 2.4). Het plangebied valt hier voor een deel in en voor een deel ligt het in de nabijheid. Binnen dit havengebied was een opgesteld vermogen van 300 MW in 2020 beoogd, als onderdeel van de doelstelling voor een totaal opgesteld vermogen van 735,5 MW in 2020. Op grond van het meest recente coalitieakkoord is deze doelstelling doorgelegd naar 2023. De provincie verwacht van de betrokken gemeenten dat het plaatsen van windturbines binnen deze 'locaties windenergie' mogelijk wordt gemaakt.

Bij de plaatsing van windturbines dienen op projectniveau effecten ten aanzien van onder meer natuur, flora en fauna, bescherming van waardevol cultureel erfgoed, geluid, externe veiligheid, slagschaduw, lichtschittering, vaarwegen en waterstaatswerken, landschappelijke inpassing, watertoets en archeologie te worden onderzocht. Het voorgaande dient in een MER en/of een bestemmingsplan te worden vastgelegd. In onderhavig bestemmingsplan wordt aandacht besteed aan bovengenoemde onderwerpen. Ruimtelijke kwaliteit Belangrijk basisuitgangspunt voor de provincie is het sturen op ruimtelijke kwaliteit. Sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent richting en ruimte geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit, Figuur 2.3 geeft hier een overzicht van. Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert voor het kwaliteitsbeleid een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie.

Soorten ruimtelijke ontwikkelingen Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: 1. een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid, 2. hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. In dat licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 3. inpassen. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied; 4. aanpassen. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. 5. transformeren.

Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat.

17

Figuur 2.3 Uitsnede Omgevingsverordening Zuid-Holland - kaart 14: ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën

De realisatie van de windturbines is aan te merken als een ontwikkeling 'aanpassing'. Het is namelijk niet zo dat door de komst van de Windwinning Hoeksebaan een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten ruimtelijke kwaliteit kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Beschermingscategorieën De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding van deze waarden vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van de specifieke waarden naast de generieke bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Het gaat om gebieden met beschermingscategorie 1,2 en 3. Het plangebied van Windwinning Hoeksebaan is in de omgevingsverordening aangeduid als windenergiegebied (zie Figuur 2.4).

18

Figuur 2.4 Uitsnede Omgevingsverordening Zuid-Holland - kaart 16: windenergie

2.4

Regionaal beleid

2.4.1

RES Rotterdam Den Haag

Een uitvloeisel van het Klimaatakkoord is dat 30 regio's in Nederland een Regionale Energie Strategie (RES) opstellen. In de RES-en wordt per regio inzicht geven in het regionale bod voor grootschalige opwek van zonne- en windenergie dat bijdraagt aan doelstelling van 49/ CO2-reductie in 2030 en concreet zorgt voor een opwek van 35 TWh hernieuwbaar op land. Gemeente Rotterdam is onderdeel van de RES-regio Rotterdam Den Haag. Binnen deze energieregio werken 23 gemeenten (waaronder gemeente Rotterdam), 4 waterschappen, 1 provincie, betrokken netbeheerders en maatschappelijke organisaties samen aan de doelstellingen. Op 27 mei 2021 heeft de gemeenteraad van Rotterdam ingestemd met het definitief bod (RES 1.0). In regio Rotterdam Den Haag zien ze kansen om 2,8-3,2 TWh duurzame elektriciteit op te wekken. Daarmee dragen ze 8 á 9 /o bij aan de nationale opgave uit het Klimaatakkoord. In de RES 1.0 wordt er al van uitgegaan dat de windturbines in Windwinning Hoeksebaan worden gerealiseerd omdat ze onderdeel zijn van het convenant van de Stadsregio Rotterdam en het Havenconvenant. 2.4.2

Convenant Realisatie windenergie stadsregio Rotterdam

In 2012 hebben 15 gemeenten, de stadsregio Rotterdam, de provincie Zuid-Holland, het Havenbedrijf Rotterdam, de Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland (NMFZH) en de Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA) de convenant 'Realisatie Windenergie Stadsregio Rotterdam' ondertekend. Doelstelling was een gezamenlijke bijdrage te leveren aan de doelstelling van het Rijk en de provincie aangaande de realisatie en opbrengst van duurzame energie middels windturbines. Daarbij is onderscheid gemaakt in te realiseren locaties, potentiële locaties en studielocaties. Voor de te realiseren locaties en potentiële locaties is een inspanningsverplichting opgenomen van tenminste 100 MW in 2020. Voor de studielocaties is een additionele inspanningsverplichting opgenomen van tenminste 50 MW in 2020. Een zone langs de Nieuwe Waterweg is als gebied 'Hoek van Holland' in de convenant opgenomen als potentiële locatie.

19

Het convenant liep op 31 december 2020 af. Daarom is het convenant in 2020 verlengd. Er is ingestemd met een verlenging tot eind 2025. Met deze verlenging hebben de gemeenten in de voormalige stadsregio meer tijd gekregen om de 150 MW aan windturbines te realiseren.

2.5

Gemeentelijk beleid

2.5.1

Omgevingsvisie Rotterdam

Op 2 december 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam de nieuwe omgevingsvisie 'De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen' vastgesteld. De omgevingsvisie geeft op hoofdlijnen de voorgenomen ontwikkeling van de gemeente weer en bevat de hoofdzaak van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. Centraal staan de volgende vijf hoofdkeuzes: 1. Rotterdam zet in op prettig leven in de Delta; 2. Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden; 3. Rotterdam zet in op vitale wijken; 4. Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie; 5. Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen. Deze vijf hoofdkeuzes geven richting aan het handelen van het stadsbestuur en bieden houvast aan mensen, organisaties en bedrijven die iets willen doen in de stad. Ze zijn flexibel genoeg om invulling te geven aan nieuwe ideeën en ontwikkelingen. Ze maken de impact van grote trends, beleid en initiatieven op de fysieke leefomgeving inzichtelijk. En ze maken de ruimtelijke impact van plannen en keuzes vergelijkbaar. Plannen en initiatieven worden zo beter bespreekbaar, gemakkelijker te beoordelen en eenvoudiger om samen te verbeteren. De beoogde ontwikkeling valt binnen de hoofdkeuze 'Rotterdam zet de schouders onder de energieen grondstoffentransitie'.

Daarbij wordt uitgegaan van de concrete ambitie voor windenergie van 350 MW opgesteld vermogen in 2025 zoals ook opgenomen in het Rotterdams Duurzaamheidscompas (zie paragraaf 2.1.6). Ten behoeve van de 350 MW is het gebied ten westen van de Maeslantkering in de omgevingsvisie aangewezen als zoeklocatie voor windenergie op land (zie Figuur 2.5). 2.5.2

Rotterdams Klimaatakkoord

Op 22 november 2019 ondertekenden 150 partijen in de stad het Rotterdams Klimaatakkoord. Deze partijen vormen samen de Rotterdamse Klimaat Alliantie. Het Rotterdams Klimaatakkoord bestaat op dit moment uit 49 klimaatdeals. Deze klimaatdeals moeten ervoor zorgen dat Rotterdam in 2030 de helft minder CO2 uitstoot. In 2022 moet de jaarlijkse stijging van CO2-uitstoot al veranderd zijn in een daling van de uitstoot. Vanuit vijf thematische klimaattafels werken de aangesloten partijen aan de klimaatdeals. Ze werken ook aan het sluiten van nieuwe deals met nieuwe partijen. Rotterdam wil een slim en betrouwbaar energiesysteem, dat gevoed wordt door schone energie (zoals uit zon, wind, warmte uit de bodem en het water). De klimaattafel 'Schone energie' heeft in beeld gebracht hoe de opwek van schone energie gegarandeerd kan worden om te voldoen aan de groeiende vraag naar een duurzame energievoorziening in het stedelijk en het havengebied. Dit heeft geleid tot 9 klimaatdeals, waaronder de klimaatdeal 'Ontwikkelen van productie van duurzame energie uit de haven'. Bedoeling van deze klimaatdeal is nieuwe mogelijkheden te verkennen om wind- en zonne-energie te ontwikkelen. De ontwikkeling van twee nieuwe windturbines nabij de Nieuwe Waterweg sluit aan op deze klimaatdeal uit het Rotterdams Klimaatakkoord.

20

Figuur 2.5: Uitsnede Omgevingsvisie Rotterdam [bron: https://www.rotterdam.nl/wonen-leven/ omgevingsvisie/]

LEGENDA:

SCHOUDERS ONDER DE ENERGIE­ ËN GRONOSTOFFENTRANSITTE

2.5.3

Rotterdams Duurzaamheidscompas

Het Duurzaamheidskompas (december 2020) geeft een overzicht van alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam. De ambitie voor windenergie is om in 2025 352 MW aan windvermogen binnen de gemeentegrenzen te realiseren, waarvan 274 tot 306 MW in het havengebied en 46 MW daarbuiten. Het Rotterdams Duurzaamheidscompas gaat niet specifiek in op de realisatie van het project Windwinning Hoeksebaan.

21

2.5.4

Leidraad Windenergie

De gemeente Rotterdam heeft in 2021 de vernieuwde leidraad windenergie opgesteld. Deze leidraad borduurt daarmee voort op de Leidraad Windenergie 2016. In de Leidraad Windenergie worden de randvoorwaarden geschetst die de gemeente hanteert voor het ontwikkelen van windenergie initiatieven. Specifiek wordt hierin ingegaan op de manier waarop ontwikkelingen, met name in de nabijheid van woonomgevingen, kunnen worden ingevuld. Betrokkenheid van de relevante stakeholders is hierbij essentieel. Met de vernieuwde Leidraad Windenergie geeft gemeente Rotterdam antwoord op de vraag wat je mag verwachten en welke rol je kan hebben bij windenergieontwikkeling. Het is geschreven voor bewoners, bedrijven, ontwikkelaars, exploitanten belangorganisaties en overheden. Met de Leidraad Windenergie biedt de gemeente handvatten voor de ontwikkeling, inpassing en impact van windturbines. Het uitgangspunt voor de vormgeving van windturbines is deze zo rustig, terughoudend en neutraal mogelijk te houden en aansluiting te zoeken bij de omgeving. Verder geldt als basis: »

Windturbines staan in ruimtelijk heldere opstellingen - lijn of cluster - waarbij binnen één windproject alle turbines gelijk zijn qua type, kleur, hoogte en rotordiameter (gestreefd wordt om solitaire ^ 1 of 2) windmolens te voorkomen). » Terughoudend kleurgebruik; alleen gebruik maken van wit- of lichte grijstinten. » Reclame- of bedrijfsuitingen op windturbines zijn veelal ongewenst. » Vermijden van verrommeling rondom de voet van de windturbine en nadrukkelijke aandacht voor de vormgeving van de voet. » Nachtbeeld is rustig en weinig in het oog springend. » Openbare ruimte (en met name bomen en groenstroken) worden zoveel als mogelijk gespaard. » Veranderingen in de omgeving worden zoveel mogelijk tot een minimum beperkt. Voor aanleg en onderhoud worden zoveel mogelijk bestaande wegen gebruikt. » Windturbines verstoren geen belangrijke zichtlijnen in het (stedelijke) landschap. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op de Leidraad. 2.5.5

Conclusie

De ontwikkeling van twee windturbines langs de Hoeksebaan past in Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid om duurzame energie te stimuleren. Op de Leidraad wordt nader ingegaan in paragraaf 5.6. De windturbines leveren daarmee een bijdrage aan het realiseren van duurzame ambities en doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie.

22

Hoofdstuk 3 3.1

Huidige situatie

Functionele structuur

Bedrijvigheid Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit bedrijfsterreinen. De westelijke windturbine is geprojecteerd op terrein van de rioolwaterzuivering (RWZI) Nieuwe Waterweg en de oostelijke windturbine op terrein van afvalrecylingbedrijf Renewi. Er liggen diverse andere bedrijven direct omheen en op grotere afstand. Ten zuiden van de Nieuwe Waterweg ligt het Rotterdamse havengebied Europoort met tal van grote zware industriële bedrijven, opslagen en aangemeerde zeeschepen. Ten noorden van het plangebied (ter hoogte van de geplande westelijke windturbine), tussen Kulkweg en Dwarshaak, maar ook tussen Haakweg en rand Hoek van Holland, liggen kassencomplexen. Ten noordoosten van de oostelijk geprojecteerde windturbine is gras- en akkerland gelegen in de Bonnenpolder. Woningen De dichtst bij het plangebied gelegen woningen zijn vooral gesitueerd ten noorden van het plangebied aan de Dwarshaak op een kortste afstand van circa 430 meter, ten westen van het plangebied aan de Haakweg/Kulkweg op een kortste afstand van circa 470 meter en aan de oostzijde aan het Nieuw Oranjekanaal op een kortste afstand tot de dichtstbijzijnde windturbine van circa 500 meter. Dit zijn alleen verspreid liggende woningen, voornamelijk bedrijfswoningen bij kassencomplexen en andere bedrijven. Ten westen van het plangebied ligt op een afstand van ruim een kilometer de woonkern Hoek van Holland.

Ten zuidoosten langs de Nieuwe Waterweg ligt op een afstand van ruim 4 kilometer de rand van de kern van Maassluis. De kern Maasdijk ligt ten oosten van het plangebied op een afstand van ruim 2,5 kilometer. De kern Heenweg ligt op een afstand van ruim 2 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Uitbreiding woningbouw Hoek van Holland Ten oosten van Hoek van Holland, aansluitend op de bestaande woonwijk, is een uitbreiding van woningbouw in de woonwijk Krimsloot (circa 1.500 woningen) beoogd, globaal tussen de rand van bestaande bebouwing en de Haakweg. De daar nu nog aanwezige kassen gaan daarmee verdwijnen. De woningbouwlocatie is nog niet vastgelegd in een bestemmingplan en daardoor geen autonome ontwikkeling maar er wordt zo mogelijk wel rekening mee gehouden. De beoogde uitbreiding komt minimaal op ruim 600 meter van de dichtstbijzijnde geplande windturbine te liggen. Infrastructuur De zuidzijde van het plangebied wordt globaal begrenst door de provinciale weg N223, ook wel genaamd de Hoeksebaan. De N223 is de voornaamste ontsluitingsweg van de kern Hoek van Holland en het Stenalineterrein, waar de veerboot naar Engeland vertrekt. In de nabijheid van het plangebied zijn verder vooral lokale wegen aanwezig. Parallel aan, en verder ten zuiden van de provinciale weg, is de hoofdvaarweg Nieuwe Waterweg gelegen.

De Nieuwe Waterweg is de verbinding van een deel van de havens van Rotterdam, maar ook de binnenlanden van Nederland, met zee. De Nieuwe Waterweg biedt ruimte aan grote zeeschepen naar het Botlekgebied en verder landinwaarts. Parallel aan, en tussen de Hoeksebaan en de Nieuwe Waterweg in, is een metrolijn gelegen. Ten oosten van het plangebied loopt het Oranjekanaal, in noord-zuidrichting, dat uitkomt in de Nieuwe Waterweg. Het Oranjekanaal heeft alleen nog een recreatieve en ecologische functie. In de nabijheid van het plangebied is een ondergrondse buisleiding van de NAM gelegen, op een afstand van ruim 300 meter van de meest oostelijke windturbine. Ook is in de omgeving van het plangebied, tussen beide windturbines is een hoogspanningsverbinding gelegen die aansluit op een hoogspanningsstation direct ten noordwesten van de Maeslantkering.

23

Maeslantkering Nabij het plangebied is de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg gelegen. De Maeslantkering werd gebouwd tussen 1991 en 1997 en is onderdeel van de Deltawerken. Het bouwwerk is volledig automatisch gestuurd en vormt samen met de verderop gelegen Hartelkering en de dijkverbreding Rozenburg, de Europoortkering. De Maeslantkering is een voorliggende kering, wat betekent dat hij de eerste klappen opvangt bij hoogwater vanuit zee. Hiermee beschermt de stormvloedkering de inwoners van Zuid-Holland. Op het terrein van de waterkering is het Keringhuis gelegen, een publieks- en informatiecentrum over hoogwaterbescherming in Zuid-Holland en over de Maeslantkering. Figuur 3.1 Ligging bestaande windturbines ten opzichte van geprojecteerde windturbines

Bestaande windturbines Aan de noordzijde van de Nieuwe Waterweg (en de rivier Het Scheur) staat windpark Nieuwe Waterweg. Dit windpark bestaat uit 6 windturbines van ieder circa 3 MW. De windturbines hebben een ashoogte van 119 meter, een rotordiameter van 112 meter en een maximale tiphoogte van 175 meter. Het windpark bestond oorspronkelijk uit 8 windturbines. De eerste meest oostelijke windturbine nabij Maassluis is niet gerealiseerd en direct ten noordwesten van de Maeslantkering, aan de zeezijde van de kering, was de achtste windturbine van windpark Nieuwe Waterweg geprojecteerd. Deze windturbine is ook uiteindelijk niet gerealiseerd. Op de Landtong, aan de zuidzijde van de Nieuwe Waterweg staan meerdere windturbines opgesteld aan weerszijden van de Maeslantkering. Natuur Natuurnetwerk Nederland Ten noorden van het plangebied is Natuurnetwerk Nederland (NNN) gelegen langs het Oranjekanaal en de watergang De Rel, ten noorden van de Bonneweg. Ook een deel van de Bonnenpolder en het Staelduinse Bos, verder naar het noorden, maakt deel uit van de NNN.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=b9eaa1fd-887a-404e-96ed-80ef7a875bfa