CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003176] Bijlage 1 behorende bij 24bb003189 over ontwerpbestemmingsplan Colosseumweg

Gemeenteraad 11 juli 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Colosseumweg.30.200 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Als de plot Rosestraat wordt ingevuld, heeft de bebouwing een afschermende werking en daalt de geluidsbelasting van de doorgetrokken Colosseumweg bij de plot Colosseumweg. » Met behulp van raildempers kan op de gevels een geluidreductie van circa 2 dB gerealiseerd worden, benodigde minimale lengte 700 meter voor elk spoor (in totaal vier sporen). Met toepassing van deze maatregel voldoet de geluidsbelasting op alle gevels van het gebouw nog niet aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder en ook niet aan de maximaal toelaatbare waarde van 68 dB. » Afschermende voorzieningen leiden alleen op de laagstgelegen bouwlagen tot een geluidreductie. Daarnaast is het op grote schaal toepassen van schermen in een stedelijke omgeving ongewenst.

58

Gemeentelijk ontheffingenbeleid Dove gevels en vliesgevels

Vanwege de geluidsbelasting door het wegverkeer op de Laan van Zuid/ Varkenoordseviaduct en door het railverkeer zijn dove gevels of vliesgevels noodzakelijk. Bij toepassing van dove gevels is toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder niet aan de orde. Daarbij wordt in het ‘Rotterdamse ontheffingsbeleid Wet geluidhinder’ het uitgangspunt gehanteerd dat dove gevels onderbroken mogen worden door afsluitbare loggia’s, waaraan eisen worden gesteld in het kader van geluidwerendheid en buitenluchtkwaliteit. Een vliesgevel biedt mogelijkheden om de geluidsbelasting zelfs op de meest belaste locaties op de achterliggende gevel terug te brengen tot onder de voorkeurswaarde. In de vliesgevel moeten wel zodanige openingen zitten dat de achterliggende ruimten ook gespuid kunnen worden.

Geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte

Het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en buitenruimte vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk ontheffingsbeleid. Geluidluw wil zeggen: de cumulatieve geluidsbelasting door het wegverkeer is niet hoger dan 53 dB (na aftrek) en de geluidsbelasting door het railverkeer is niet hoger dan 55 dB. Als geen buitenruimte aanwezig is, wordt volgens het beleid met de aanwezigheid van een geluidluwe gevel voldoende kwaliteit gerealiseerd. Het ontheffingsbeleid biedt ruimte om in uitzoneringssituaties af te wijken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om situaties waarin buitenruimtes aan de geluidsbelaste zijde zijn gesitueerd of om woningen die geheel op een geluidsbelaste zijde zijn georiënteerd. Om geluidhinder zoveel mogelijk te voorkomen, moet in dat geval gezocht worden naar alternatieve oplossingen, bijvoorbeeld in de vorm van een gemeenschappelijke buitenruimte die wel geluidluw is gelegen.

Stedenbouwkundig ontwerp Colosseumplot

In het akoestisch rapport is beoordeeld (op basis van de doorrekening van een voorlopig ontwerp) in hoeverre sprake is van geluidluwe gevels. In het voorlopig ontwerp is gekeken naarde mogelijkheden om het aantal geluidluwe gevels te vergroten door voor de onderste bouwlagente kiezen voor een (bijna) gesloten bebouwing ten opzichte van het Varkenoordseviaduct. De achterliggende gevels zijn daardoor voor een groot deel geluidluw op lagere bouwdelen. Op grotere hoogte van de woontorens zijn de meeste gevels niet geluidluw waardoor voor de woningen niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk ontheffingsbeleid. In het definitieve ontwerp worden bouwkundige maatregelen aan de gevels opgenomen om de geluidsbelasting zodanig te reduceren zodat op achterliggende delen te openen delen mogelijk zijn. Per woning worden voorzieningen getroffen waarmee een geluidluwe gevel gerealiseerd wordt en het akoestisch woon- en leefklimaat van de gebruiker geborgd wordt. Hiervoor kan onder andere gedacht worden aan plaatselijke afscherming en toepassing van geluiddempende lamellenroosters. Waar mogelijk wordt gestreefd naar een geluidluwe buitenruimte per woning en als dit vanwege de hoge geluidsbelasting niet mogelijk is, voorziet het ontwerp in een gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte.

Omdat niet in alle gevallen kan worden voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid met betrekking tot geluidluwe gevels en buitenruimtes, dient voor een deel van de toekomstige woningen te worden afgeweken van het gemeentelijke ontheffingenbeleid. Daarbij wordt compensatie gezocht in gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimtes en afsluitbare loggia’s. Per woning dient minimaal 1 m2 aan buitenruimte te worden gerealiseerd, met een minimum van 100 m2 per gemeenschappelijke buitenruimte. Indien woningen worden voorzien van loggia's dient voorzien te worden in een afsluitbare loggia waarbij in gesloten toestand achterliggende gevel geluidluw is. De akoestische eisen zijn vastgelegd in het hogere waardenbesluit. In de planregels is geborgd dat wordt voldaan aan het hogere waardenbesluit en de daarmee samenhangende randvoorwaaren en maatregelen.

59

Conclusie Omdat de berekende geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde en geluidmaatregelen op bezwaren stuiten, zijn hogere waarden nodig. De gemeente Rotterdam stelt in haar geluidbeleid voorwaarden voor het vaststellen van een hogere waarde: hierin is opgenomen dat nieuwe woningen moeten zijn voorzien van een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte. Gebouwmaatregelen (bijvoorbeeld in de vorm van loggia's) zijn nodig om te voldoen aan deze voorwaarden. Voor de gevels van het plan waar de geluidbelasting hoger is dan de maximale ontheffingswaarde geldt dat dient te worden voorzien in een dove gevel of vliesgevel. Op grond van het gemeentelijke geluidbeleid mag een dove gevel worden onderbroken door een te openen loggia.

Gezien de optredende geluidbelastingen kan ook met gebouwgebonden maatregelen in sommige gevallen niet worden aan de voorwaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid. Dat hangt samen met het feit dat volgens het gemeentelijke geluidbeleid de loggia's in geopende toestand dienen te worden getoetst. Dat betekent dat de loggia's ter plaatse van de meest belaste delen van het bouwplan in veel gevallen niet geluidluw zijn. Ter compensatie kunnen collectieve geluidluwe buitenruimtes worden gerealiseerd. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning bouwen toont de ontwikkelaar aan dat en op welke wijze hij aan de voorwaarden uit het geluidbeleid van de gemeente voldoet of de voorwaarden opgenomen in het besluit hogere waarden om hiervan af te wijken. 5.3.4

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen.

Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: » er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; » de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft;

60

» » »

er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

Rotterdams beleid

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.

Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 m vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 m vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van woningen en een aanvullend programma. De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer van 1.618 mvt/etmaal, waarvan 24 zwart mvt (1,507o). In de NIBM-tool (versie 23-04-2022) is, overeenkomstig met het stikstofonderzoek, 2023 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 1,12 pg/m3 en van fijnstof van 0,26 pg/m3 (figuur 5.5). Beide toenames zijn onder 1,2 pg/m3. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

1618

Aandeel vrachtverkeer

1,5*

NO2 in pg/m1

1,12

PM 10 in pg/m1

0,26

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

Grens voor "Niet In Betekenende Mate” in pg/m1

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 5.5. Resultaten van berekening met de NIBM-tool

61

Uit de NIMB-tool blijkt dat de verkeerstoename niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM (https://data.rivm.nl/apps/gcn/). Uit de GCN en GDN blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof in het plangebied blijken ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen circa 23 pg/m3 voor N02, 19 pg/m3 voor PM10 en 11 pg/m3 voor PM25. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie De luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer staan aan de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Ter plaatse van de binnen het plangebied beoogde gevoelige functies is sprake van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Ook wordt voldaan aan de gemeentelijke Beleidsregel buitenklimaat.

5.3.5

Water

Watertoets en waterbeheer De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder(s) over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Zoals hieronder nader wordt beschreven ligt het plangebied binnen het beheergebied van Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, en binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat. Ook de gemeente Rotterdam is als rioleringsbeheerder aan te merken als waterbeheerder. De Rijkshavenmeester is de bevoegde autoriteit voor het nautisch beheer op de Nieuwe Maas.

Bij het tot stand komen van dit plan is overleg gevoerd met de waterbeheerders over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerders zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

De situering van het plangebied in de rivier (Nieuwe Maas) en op het land maakt dat het plangebied onder het beheer valt van zowel Waterschap Hollandse Delta als Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat is waterbeheerder van de Nieuwe Maas, het Zuiddiepje, maar ook van de buitendijkse gebieden, ook als daar de vergunningplicht voor de Waterwet onderdeel gebruik van het waterstaatswerk niet van toepassing is.

Uit de kaart bij de Waterregeling blijkt dat de gronden direct naast de Nieuwe Maas vrijgesteld zijn van de 'vergunningplicht gebruik waterstaatswerken'.

62

Figuur 5.6. Vrijstelling vergunningsplicht Rijkswaterstaatswerken. (Bron: Kaart bij de Waterregeling, kaartblad 159)

Uit de Legger rijkswaterstaatswerken blijkt daarnaast dat de Nieuwe Maas is aangewezen als Rijksvaarweg.

63

Figuur 5.7. Begrenzing rijksvaarweg Nieuwe Maas. (Bron: Legger Rijkswaterstaatswerken, Rijkswaterstaat)

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen járen beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap, de gemeente en Rijkswaterstaat nader wordt behandeld. Europees: » Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: » Nationaal Waterplan (NW); » Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); » Waterwet. Provinciaal: » Provinciaal Waterplan; » Provinciale Omgevingsvisie; » Provinciale Omgevingsverordening. Rijkswaterstaat

Rijkswaterstaat is volgens de Waterwet bevoegd voor zover het Rijk die bevoegdheden uitdrukkelijk in het Waterbesluit of waterregeling heeft toegedeeld. Voor het maken of behouden van werken, het plaatsen van vaste substanties of voorwerpen en het uitvoeren van werkzaamheden op of in rijkswateren, anders dan in overeenstemming met de functie, is een watervergunning vereist. Op de

64

vergunningplicht bestaat een flink aantal uitzonderingen (zie artikel 6.12 Waterbesluit). De volgende handelingen zijn niet vergunningplichtig: » het bouwen van bouwwerken, voor zover de oppervlakte daarvan niet meer dan 30 m2 bedraagt; » het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding; » het uitvoeren van onderhoud, aanleg, wijziging of overig gebruik van waterstaatswerken door of in opdracht van de beheerder; » het maken van werken om oeverafslag tegen te gaan; » het permanent afmeren van woonschepen of andere drijvende objecten in andere Rijkswateren dan de grote rivieren; » ontgrondingen; » aangewezen activiteiten in de waterregeling die van ondergeschikt belang zijn voor de veilige en doelmatige functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk (artikel 6.11 Waterregeling). Deze niet-vergunningplichtige activiteiten zijn in het algemeen wel meldingsplichtig op grond van artikel 6.14 van de Waterregeling. Als het gebruik van rijkswaterstaatswerken niet vergunningplichtig is, geldt er wel een zorgplicht. Deze algemene zorgplicht is vastgelegd in artikel 6.15 Waterbesluit.

De zorgplicht houdt in dat handelingen zo moeten worden uitgevoerd dat: 'er geen vermijdbare nadelige gevolgen optreden voor het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam overeenkomstig de daaraan toegekende functies, voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam en voor het kustfundament er geen feítelijke belemmering optreedt voor vergroting van de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam, en de waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik zo klein mogelijk moet zijn of gecompenseerd moet worden'.

In artikel 6.8 tot en met 6.10 en van de Waterregeling is deze zorgplicht verder uitgewerkt in algemene regels. Voorbeelden van die algemene regels zijn: » de stabiliteit van oeverconstructies mag niet in gevaar worden gebracht; » zichtlijnen voor de scheepvaart mogen niet worden gehinderd. Voor bepaalde aspecten van het gebruik kan de minister maatwerkvoorschriften stellen, ter specificatie van de algemene regels. Zo is het mogelijk om bij maatwerkvoorschriften te bepalen in welke periode werkzaamheden worden uitgevoerd, of dat het mogelijk moet zijn om het werk te verplaatsen door hoogwater.

Basisnet De Regeling Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen bevat risicoplafonds voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, in dit geval de Nieuwe Maas.

Richtlijnen Vaarwegen 2017 Voor het (verkeerskundig) ontwerp van vaarwegen heeft Rijkswaterstaat de 'Richtlijn Vaarwegen 2017' opgesteld. Dit is een kaderstellende richtlijn, welke richtlijnen bevat voor de afmetingen en de vormgeving van vaarwegen. Daarnaast bevat de richtlijn de zonering die nodig is om het profiel van de vaarweg te borgen.

Rivierkundig Beoordelingskader (RBK) Het Rivierkundig Beoordelingskader (RBK) voor ingrepen in de Grote Rivieren beschrijft hoe Rijkswaterstaat bij de vergunningverlening rivierkundige effecten van voorgenomen ingrepen in de rivier bepaalt en beoordeelt. Het RBK is nodig als een vergunning in het kader van de Waterwet wordt aangevraagd of een projectplan Waterwet wordt opgesteld. Het toepassingsgebied van het RBK betreft de grote rivieren in Nederland die in beheer zijn van het Rijk. De vigerende en voorgeschreven versie van het rivierkundig beoordelingskader is versie 4.0, 23 januari 2017.

65

Beleidslijn Grote Rivieren In het kader van de Waterwet is voor elke activiteit in het rivierbed een vergunning nodig. Daarnaast is een goede afweging in het ruimtelijk spoor (streekplannen en bestemmingsplannen) noodzakelijk om te voorkomen dat er bestemmingsplancapaciteit ontstaat voor activiteiten die niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden, zijn toegestaan. Een goede doorwerking van het beleid vereist een adequate coördinatie tussen de ruimtelijke ordening en de toepassing van de Waterwet. De Beleidslijn Grote Rivieren vormt het instrument dat hierin voorziet. De Beleidslijn grote rivieren vormt de opvolger van de Beleidslijn ruimte voor de rivier en bevat vanuit rivierkundig en ruimtelijk oogpunt een kader voor het beoordelen van de toelaatbaarheid van nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren. Het uitgangspunt van de beleidslijn is het waarborgen van een veilige afvoer en berging van rivierwater onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden.

Waterschap Hollandse Delta

In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016-2021) staan de doelen van het Waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. In de keur van het waterschap zijn regels op genomen voor onder meerde bescherming van de waterkering.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan, is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m2 of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10o7o van de toename van verharding.

Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: » nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; » nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; » nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Gemeentelijk beleid

Het beleid van de gemeente Rotterdam staat beschreven in drie documenten, welke hieronder elk kort worden toegelicht.

Herijking Waterplan 2 Rotterdam Waterplan 2 Rotterdam beschrijft hoe de gemeente Rotterdam, Waterschap Hollandse Delta en de hoogheemraadschappen van Delfland en van Schieland en de Krimpenerwaard de komende járen willen omgaan met het water in de stad. Dit is vastgelegd, omdat de klimaatverandering ook voor Rotterdam grote gevolgen kan hebben. Om de stad 'waterproof te maken, moet er een nieuwe aanpak komen voor waterberging, waterkwaliteit en bescherming tegen het water.

Herijking beleid uitqiftepeilen in buitendijks gebied Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitendijks gebied is de gemeente Rotterdam verantwoordelijk voor de afweging van overstromingsrisico's. Deze risico's worden beheerst en getoetst middels het

66

zogeheten 'uitgiftepeilenbeleid'. In de huidige situatie is het uitgiftepeilenbeleid - naast risicocommunicatie - een van de weinige instrumenten die de gemeente tot haar beschikking heeft om de overstromingsrisico's te beïnvloeden.

Gemeentelijk riolerinqsplan Rotterdam 2016-2020 Naast de zorgplicht voor hemelwater, zijn gemeenten ook verantwoordelijk voor de afvoer van afvalwater en voor de stand en kwaliteit van het grondwater. De manier waarop een gemeente invulling geeft aan deze plichten, wordt weergegeven in het GRP, het gemeentelijk rioleringsplan dat gemeenten verplicht moeten opstellen.

Regelgeving hemelwater Voorde bescherming van Rotterdam zijn er 2 regelingen opgesteld: » Voor bestaande bouw geldt de Hemelwaterverordening voor het afkoppelen van de verharding. » Voor nieuwbouw geldt de eis dat er minimaal 50 mm waterberging moet worden aangelegd. Deze eis kan teruggevonden worden in de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam (VBOR). Huidige situatie Het plangebied is aan de weerzijden van de Colosseumweg gelegen en bestaat momenteel uit een autoweg, een fietspad en parken. Het gebied is overwegend onverhard.

Bodem en grondwaterhuishouding

Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging van het plangebied in de bebouwde kom van Rotterdam is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten oosten van het plangebied bestaat de bodem uit klei (poldervaaggronden) en is er sprake van grondwatertrap IV. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) maximaal 75 cm onder maaiveld bedraagt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt dieper dan 139 cm onder maaiveld. In de huidige situatie zijn geen aanwijzingen voor grondwateroverlast.

67

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied is in de kern- en beschermingszone gelegen van de primaire waterkering, zie figuur 3. De waterkering biedt bescherming tegen hoog water in de Nieuwe Maas. Binnen de kern- en beschermingszone gelden conform de Keur van Waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouw- en aanlegwerkzaamheden en voorschriften ter bescherming van het waterstaatswerk. Voor bouwen binnen deze beschermingszones dient de noodzakelijke vergunning te worden aangevraagd.

Oppervlaktewaterkwantiteit

Binnen het plangebied is, behalve de Maas, geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied is derhalve niet in de beschermingszone van een watergang gelegen.

68

Figuur 5.9. Uitsnede Legger wateren en kunstwerken. De oranje lijnen vormen de watergangen behorende tot type 'overig water' (Bron: Waterschap Hollandse Delta)

Atvalwaterketen en riolering

In de huidige situatie is het plangebied niet aangesloten op het rioleringssysteem.

Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft woningen met een aanvullend programma van 3.900 m2 bvo.

Bodem en grondwater

Binnen de ontwikkeling wordt een ondergrondse parkeergarages gerealiseerd. Een tijdelijke grondwaterbemaling kan noodzakelijk zijn om de garage te kunnen aanleggen. Op grond van artikel 3.6 van de Keur van Waterschap Hollandse Delta is het verboden zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren. Ten behoeve van de aanleg van de ondergrondse parkeergarage moet zodoende een watervergunning worden aangevraagd.

De bodem is in grote delen van Rotterdam zettingsgevoelig. De drooglegging (afstand maaiveld tot oppervlaktewaterpeil) en de ontwateringsdiepte (afstand maaiveld tot grondwaterstand) worden daardoor kleiner. Zowel in de openbare ruimte (wegen, riolering e.d.) als op particulier terrein (niet-gefundeerde bebouwing, lage tuinen e.d.) kan dit nadelige gevolgen hebben. » Bouwen en inrichten volgens "uitgiftepeil binnendijks" beperkt de benodigde onderhoudsophogingen. Dit uitgiftepeil wordt bij nieuwbouw en herstructurering bepaald met de vuistregel "oppervlaktewaterpeil volgens peilbesluit t.o.v. NAP + 1,20 m". De 1,20 meter noemen we drooglegging. Dit kan conflicten opleveren met bestaande objecten in de buitenruimte. In dat geval zijn maatwerkafspraken nodig. » Hoogteverschillen met aangrenzende gebieden overbruggen binnen projectgrenzen.

69

De gemeente Rotterdam eist dat er een minimale ontwateringsdiepte van 80 cm moet zijn ter plaatse van de bebouwde omgeving en 50 cm ter plaatse van openbaar groen. Indien dit niet gegarandeerd kan worden, is het nodig om maatregelen te nemen (zoals drainage of verhoging van het vloerpeil). Op basis van de meetgegevens van peilbuizen rondom Feyenoord fase 1, en één peilbuis binnen fase 1, bedraagt de ontwateringsdieptes bij al deze peilbuizen minimaal 80 cm. De gemeente Rotterdam heeft recentelijk twee extra peilbuizen geplaatst naast het Colosseumplot. Deze peilbuizen worden met de hand gemeten en zijn operationeel sinds eind 2019. Ook bij deze peilbuizen is in het voorjaar van 2020 de minimale ontwateringsdiepte gehaald. De voorlopige conclusie van de metingen is dat er geen maatregelen nodig zijn om de ontwateringsdiepte te vergroten.

Waterkwantiteit

Op basis van artikel 3.3 van de Keur van Waterschap Hollandse Delta is het verboden zonder watervergunning neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Daarnaast dienen conform de beleidseisen van de gemeente Rotterdam maatregelen te worden genomen waardoor de beoogde ontwikkeling bestand is tegen extreme regenval. Indien sprake is van versnelde afvoer van hemelwater wordt op grond van de Keur van Waterschap Hollandse Delta een watervergunning aangevraagd. Verder zal het hemelwater worden afgekoppeld. Voor het plangebied zijn maatregelen nodig om bestand te zijn tegen extreme regenval, dit betekent dat het ontwikkelgebied klimaatbestendig moeten worden ontworpen.

Compensatie-eisen Waterschap Hollandse Delta » Het waterschap eist een compensatie van ICF/o open water voor de toename in verharding om ervoor te zorgen dat het huidige watersysteem niet zwaarder wordt belast. » De compensatie dient zo dicht mogelijk bij de locatie en in hetzelfde peilgebied gerealiseerd te worden. In de plots is het niet mogelijk om zelf open water te creëren. Het waterschap heeft daarom gekeken naar andere mogelijkheden zoals compenseren in een lager peilgebied of alternatieve berging. In de overleggen met de gemeente is er aangetoond dat compensatie in hetzelfde peilgebied mogelijk blijkt te zijn. » Bij leegloop van de bergingsvoorziening mag er maximaal 2 l/s/ha worden geloosd op het watersysteem (direct of via de riolering). Infiltratie is slechts in geringe mate mogelijk in het plangebied vanwege de ongunstige bodemsamenstelling. Gemeente Rotterdam » De gemeente heeft een nieuw Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) vastgesteld. Hierin is opgenomen dat bij nieuwbouw en herontwikkelingen een bui van 50 mm neerslag in korte tijd op eigen terrein kan worden geborgen. Hiervoor moet gerekend worden met het gehele verharde oppervlak van de plots. De gemeente eist dit om te voorkomen dat bij extreme neerslag schade door wateroverlast optreedt bij woningen en in de openbare ruimte. » De voorziening hiervoor moet binnen 48 uur na de bui weer beschikbaar zijn.

Wat betreft de waterberging moet worden uitgegaan van de strengste geldende norm. Het waterschap heeft reeds aangegeven dat een overschrijding van de leegloopnorm bespreekbaar is. Dit dient nader te worden afgestemd.

De gemeente Rotterdam heeft als nadrukkelijke wens dat waterberging binnen de plotgrenzen wordt gerealiseerd. Binnen de plots kan waterberging worden gecreëerd op de daken en/of in de ondergrond. Omdat er in de nabijheid van het plangebied geen open water of gescheiden riolering aanwezig is, is een ledigingsvoorziening op de gemengde riolering aan de oostkant van de plot (nabij de Slaghekstraat) op dit moment de enige optie. In samenwerking met de gemeente Rotterdam wordt er nagedacht om op de korte termijn alsnog een leegloopvoorziening te realiseren zonder het gemengde riool te belasten. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door aan te sluiten op een (nieuw) afkoppelproject in de wijk Hillesluis of door een klimaatbestendige herinrichting van het Varkenoordsepark.

70

Er heeft een studie naar hemelwaterberging voor de plots Rosestraat en Colosseumweg plaatsgevonden, zie bijlage 10. In onderstaande tabel is de bergingsopgave voor beide plots weergegeven. Op basis van het beleid van de gemeente Rotterdam moet er 775 m3 waterberging worden aangelegd als compensatie voor het bebouwen van de plots Colosseumweg en Rosestraat. De compensatie voor het waterschap bedraagt 700 m2 in de vorm van open water of 700 m3 in de vorm van wadi's. Indien ook rekening wordt gehouden met de afwatering van de Verlengde Colosseumweg, is het nodig om 335 m3 extra waterberging aan te leggen om te zorgen voor 50 mm waterberging.

Berekening waterbergingsopgave

Rosestraat

Colosseumweg

Verhard oppervlak toekomstige situatie

5.725 m2

9.787 m2

Balans verhand oppervlak

* 1.966 m2

* 5.Ũ29 m2

Waterc om pen satie waterschap Hollandse Delta

197 ms

503 m2

Waterberging gemeente Rotterdam

286 m3

489 m3

Binnen de grenzen van de bebouwingsplots is nauwelijks ruimte om waterberging aan te leggen en bovendien is het hier niet mogelijk om open water te creëren. Hierdoor is in het bredere plangebied van Feyenoord City gezocht naar geschikte waterbergingsmaatregelen om de bergingsopgave van de gemeente en het waterschap in zijn geheel in te vullen. Er zijn 3 scenario's onderzocht. Er wordt geconcludeerd dat in alle scenario's wordt voldaan aan de gestelde bergingsnormen van het waterschap en de gemeente. Daarnaast voldoen alle ontwerpen aan de hydraulische uitgangspunten indien de riolering die is ontworpen door de gemeente Rotterdam iets wordt vergroot om rekening te houden met de afwatering van de plots.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De primaire waterkering, waarvoor Waterschap Hollandse delta (WSHD) verantwoordelijk is, loopt in de 2e Rosestraat. Deze primaire kering dient ter bescherming van Rotterdam Zuid tegen hoogwaterstanden op de Nieuwe Maas. Primaire keringen hebben een wettelijke kernzone en daaromheen een beschermingszone waar, zonder vergunning van het waterschap, geen werkzaamheden mogen plaatsvinden, om de functie waterveiligheid blijvend te kunnen bieden. Het Colosseumplot ligt gedeeltelijk in de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering.

De ontwikkelaar is voornemens een berekening uit te laten uitvoeren om te onderzoeken wat er mogelijk is qua bouwen in de kernzone van de primaire waterkering. Het ontwerp van de bebouwing zal door de ontwikkelaar te allen tijde besproken moeten worden met WSHD. Het advies daarbij is om dit in een zo vroeg mogelijk stadium te initiëren. De ontwikkelaar is verantwoordelijk voor het verkrijgen van een vergunning van het Waterschap voor het bouwen nabij de waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

71

» » » »

hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Vuilwater kan worden aangesloten op het bestaande gemengde riool aan de oostkant van de plot. De bestaande hoofdriolering onder Colosseumplot moet hierbij worden omgelegd. De riolering kan worden bereikt via een leiding onder de eigen plot.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Voor de beoogde ontwikkeling dient zodoende op basis van de Keur een watergunning te worden aangevraagd ten behoeve van het (tijdelijk) onttrekken van grondwater, bouwwerkzaamheden binnen de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering en het versneld afvoeren van hemelwater door nieuw verhard oppervlak.

Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

5.3.6

Bodemkwaliteit

Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische of aardkundige waarde, energieopslag, waterberging of drinkwaterwinning. Deze functies worden voor zover relevant elders in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal.

Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen, bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

Onderzoek In het MER voor Feyenoord City is bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er verontreinigingen zijn met hoofdzakelijk immobiele stoffen (zware metalen en PAK). In figuur 5.10 zijn de locaties weergegeven van eerder bodemonderzoek waaruit dat is gebleken. De stippen zijn uitgevoerde boringen, de rode kleur duidt op sterke verontreiniging.

72

Figuur 5.10. Overzicht verontreinigingen in en in de omgeving van het plangebied

Er zal grond gesaneerd moeten worden om de locaties geschikt te maken voor de toekomstige functie (wonen). Hierbij kan gekozen worden om de bodemkwaliteit te verbeteren door de verontreinigingen (deels) te verwijderen. Daarnaast zijn er opties om de verontreinigingen af te dekken, echter zal dit geen kwaliteitsverbetering opleveren. Het uitgangspunt voor herinrichting is dat bodemkwaliteit binnen het plangebied wordt voorzien van een leeflaag. Deze leeflaag zorgt voor isolatie tussen de verontreiniging en het gebruikersoppervlak. Voor het aanbrengen van een isolatielaag zal verontreinigde grond afgegraven moeten worden en vindt een positieve verandering in de bodemkwaliteit plaats. Nader onderzoek is nodig om de specifieke locaties in beeld te brengen.

Conclusie De bodemkwaliteit binnen het plangebied is op hoofdlijnen in beeld gebracht op basis van bureauonderzoek. Voor fase 1 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal in het kader van de omgevingsvergunningaanvragen aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om een actueel beeld te geven van de bodemkwaliteit. Daar waar de bodemkwaliteit niet voldoende is voor de beoogde functie zijn (sanerings)maatregelen noodzakelijk. Verder is vanwege de zettingsgevoeligheid bouwen op palen noodzakelijk.

73

5.3.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet beschrijven het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie Zuid-Holland in de provinciale omgevingsverordening een veiligheidszone vastgesteld, waarbinnen in principe geen bebouwing is toegestaan (in verband met piasbrandrisico's). Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

Rotterdams beleid

De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is, wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het GR als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

74

Onderzoek

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe risicobronnen mogelijk. Wel zijn in (de omgeving van) het plangebied verschillende risicovolle inrichtingen gelegen. Verder worden in (de omgeving van) het plangebied gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor, het water, de weg en door buisleidingen.

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn ten aanzien van externe veiligheid onderzoeken uitgevoerd, zie bijlage 5.

Risicovolle inrichtingen

In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen waarvan de PR-contour of invloedsgebied over het plangebied is gelegen (figuur 5.11). Nader onderzoek noodzakelijk is derhalve niet noodzakelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor

In de omgeving van het plangebied worden over twee spoortrajecten gevaarlijke stoffen vervoerd: het spoortraject Rotterdam Lombardijen-Rotterdam Centraal en het spoortraject Barendrecht Vork-Waalhaven ZO (zie onderstaande tabel). Beide spoortrajecten vallen onder het Bevt en maken onderdeel uit van het Basisnet.

75

Transportroutes gevaarlijke stoffen over het spoor

risicobronnen

wet- en regelgeving

invloedsgebied [m]

afstand tot plangebied [m]

relevant

1.

Spoorlijn R'dam Bevt Lombardijen-R'da m Centraal

> 4.000

64

ja

2.

Spoorlijn Barendrecht Vork-Waalhaven ZO

> 4.000

2.600

ja

Bevt

Het spoortraject Rotterdam Lombardijen-Rotterdam Centraal bevindt zich op circa 64 meter ten oosten van het plangebied. De PR-contour (PR s 10"6Zjaar) van het spoortraject ligt op 1 tot 7 m, gemeten vanaf het midden van de spoorlijn. Verder is voor het spoortraject sprake van een plasbrandaandachtsgebied (PAG) dat reikt tot 30 m vanaf de buitenste spoorstaaf. De contour en het plasbrandaandachtsgebied reikt daarmee niet tot het plangebied, waardoor het PR geen beperkingen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. In verband met het vervoer van zeer toxische vloeistoffen reikt het invloedsgebied van het spoortraject tot meer dan 4.000 m. Het plangebied valt in zijn geheel binnen het invloedsgebied. In verband met de ligging van het plangebied binnen 200 m van de transportroute is berekening van het GR noodzakelijk. Uit de berekening blijkt dat wanneer enkel het planvoornemen Colosseumweg ontwikkeld wordt, het groepsrisico toeneemt van 0,57 naar 0,70 maal de oriëntatiewaarde. De Colosseumweg maakt de aanwezigheid van veel personen relatief dichtbij de spoorlijn mogelijk, vandaar dat het groepsrisico met meer dan 10o7o toeneemt. Het groepsrisico blijft wel onder de oriëntatiewaarde. Uit de berekening blijkt verder dat vanwege het BLEVE scenario er binnen 140 meter van het hart van de spoorbaan geen zeer kwetsbare objecten toegestaan.

In het onderzoek externe veiligheid wordt nog een woonzorgcomplex op de Colosseumplot benoemd, hiervan wordt gelet op het voorgaande afgezien.

Ook de spoorlijn Barendrecht Vork - Waalhaven ZO heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter is gelegen, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel dient een beknopte verantwoording te worden opgesteld waarin nader wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid.

Transport van gevaarlijke stoffen over het water

Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water vindt plaats over de Nieuwe Maas. De rivier valt onder de werkingssfeer van het Bevt en is onderdeel van het Basisnet. Over de Nieuwe Maas worden toxische gassen vervoerd. Conform de regeling Basisnet is voor de Nieuwe Maas een PR 10"6Zjaar-contour vastgesteld van 0 m. De contour reikt daarmee niet tot het plangebied, waardoor het PR geen beperkingen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Het invloedsgebied van de Nieuwe Maas reikt tot een afstand van 1.070 m. Het plangebied is op ruim 200 meter van de oever gelegen en valt daarmee in zijn geheel binnen het invloedsgebied. Vanwege de ligging van het plangebied buiten de 200 m van de transportroute kan er worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico.

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg

Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg vindt plaats ten zuiden en ten oosten van het plangebied, over de autosnelwegen A15 en A16. Beide wegen vallen onder het Bevt en maken onderdeel uit van het Basisnet. De A16 ligt circa 2.000 m ten oosten van het plangebied en de A15 circa 3.700 m ten zuiden van het plangebied. Beide wegen kennen een invloedsgebied van meer dan 4.000 m, waarmee het plangebied binnen het invloedsgebied valt van beide wegen. Het plangebied ligt buiten 200 m van de transportroutes A16 en A15, waardoor berekening van het GR niet noodzakelijk is. Wel is een (beknopte) verantwoording van het GR noodzakelijk. Gelijk aan de situatie

76

bij het spoortraject Barendrecht Vork-Waalhaven ZO betekent dit dat gesignaleerd wordt dat als gevolg van een incident op beide wegen mogelijk een toxische wolk het plangebied kan bereiken. Echter, deze situatie is niet anders dan elders in de gemeente Rotterdam en vereist geen specifieke maatregelen in het plangebied.

Transportroutes gevaarlijke stoffen over de weg

risicobronnen

wet- en regelgeving

invloedsgebied [m]

afstand tot plangebied [m]

relevant

1.

Autosnelweg A16

Bevt

> 4.000

2.000

ja

2.

Autosnelweg A15

Bevt

> 4.000

3.700

ja

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Ten oosten van het plangebied is een hoofdaardgastransportleiding (W-530-02) gelegen. Op dit moment zijn de voorbereidingen gaande voor het verplaatsen van het gasverdeelstation. In de toekomst zal er daarom geen sprake meer zijn van een leiding in het plangebied. Voor dit bestemmingsplan wordt daarom ervan uitgegaan dat er sprake is van een gasleiding.

Verantwoording groepsrisico Het plangebied Colosseumweg ligt in het invloedsgebied van risicobronnen; het spoortraject Rotterdam Lombardijen Rotterdam Centraal, de A16 en de Nieuwe Maas. Alleen voor het spoor geldt een volledige groepsrisicoverantwoording. Gelet op de hoogte van het groepsrisico en de maatregelen is sprake van een aanvaardbare risicosituatie. De volledige verantwoording is in bijlage 12 toegevoegd. Hierin is tevens de gezamelijke verantwoording van de locaties Rosestraat, Colosseumweg en Mallegat toegevoegd.

De mogelijkheden tot de voorbereiding op de bestrijding van en de beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Omqevinqsmaatreqelen Rondom de te realiseren gebouwen in het plangebied wordt gezorgd voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven.

Bouwkundige maatregelen Binnen de 100o7o letaliteitscontour van het BLEVE-scenario (140 meter vanuit het hart van de spoorbaan) van het spoortraject Rotterdam Lombardijen Rotterdam Centraal wordt geen (her)ontwikkeling van zeer kwetsbare bestemmingen mogelijk gemaakt.

Voor de bouwwerken gelegen binnen het zogeheten plasbrandaandachtsgebied (30 meter vanaf de buitenste spoorstaaf van het spoor), geldt dat zij dienen te voldoen aan artikel 2.4 tot en met 2.9 van de Regeling Bouwbesluit 2012. Hieraan dient de eerste 30 meter gevel vanaf maaiveld van de uitwendige scheidingsconstructie en de daarbij behorende constructieonderdelen te voldoen.

De gebouwen worden zodanig geconstrueerd dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen.

77

De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet

Er wordt zorg gedragen voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit.

Personendichtheden door het plan

Spoorlijn Rotterdam Lombardiien - Rotterdam Centraal Het planvoornemen Colosseumweg maakt ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Rotterdam Lombardijen -Rotterdam Centraal. Dit zorgt voor een toename van de populatiedichtheid langs het spoor. Het berekende groepsrisico neemt toe van 0,57 tot 0,70 maal de oriëntatiewaarde na realisatie van het planvoornemen. De drie planvoornemens Mallegat, Colosseumweg en Rosestraat tezamen zorgen voor een toename van het groepsrisico tot 1,45 maal de oriëntatiewaarde. Hierdoor wordt conform het groepsrisico-beleid van de gemeente Rotterdam een zware verantwoording uitgevoerd.

Groepsrisico en bijdrage plannen

Voor de relevante risicobronnen zijn risicoberekeningen uitgevoerd. In de berekeningen zijn de bijdragen van de verschillende bestemmingsplannen individueel en gezamenlijk beoordeeld.

Resultaten groepsrisicoberekeningen spoorlijn Aantal slachtoffers (personen) 1661

Faal frequentie (1/jaar)

Huidige situatie

Hoogte groepsrisico tov oriëntatiewaarde 0,57

Toekomstige situatie (alle plots) Toekomstige situatie (Colosseumweg)

1,45 0,70

2065 1852

1.2*10-9 1,0*10-9

Situaties

1,2*10-9

De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst

Afweging bronmaatregelen spoorlijn Rotterdam Lombardijen - Rotterdam Centraal Uit overleg met Prorail gevoerd ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Feyenoord City blijkt dat een snelheidsbeperking specifiek voor het vervoer van gevaarlijke stoffen niet mogelijk is. Ook het verminderen van de wissels is niet mogelijk, dit heeft te veel impact op het logistieke proces. De maatregel tot vernieuwen van het ballastbed leidt naar mening van Prorail niet tot een verkleining van de gevolgen van een ongeval waarbij gevaarlijke vloeistoffen vrijkomen. De vloeistofplas verkleinende werking van het huidige ballast is afdoende. Het toevoegen van greppels/goten ten behoeve van afvoer vloeistoffen acht Prorail niet effectief gelet op de sporenbundel ter plaatse.

De voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico De gemeente Rotterdam heeft een grote woningbouwopgave. Door de ontwikkelingen in het deelgebied Colosseumweg niet uit te voeren wordt de beoogde bouwopgave van de gemeente Rotterdam onvoldoende gehaald.

78

Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Rotterdam Lombardijen-Rotterdam Centraal, de A16, de A15 en de Nieuwe Maas. Gelet op de hoogte van groepsrisico en de maatregelen is sprake van een aanvaardbare risicosituatie.

5.3.8

Ecologie

Toetsingskader De Europese Unie heeft richtlijnen opgesteld om de biodiversiteit te behouden. Nederland heeft hieraan uitwerking gegeven in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt specifieke gebieden (Natura 2000) op basis van Europese richtlijnen: Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Wetlands. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voorde natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.

De Wet natuurbescherming regelt ook de soortbescherming en geldt voor heel Nederland. Voor alle in het wild levende planten en dieren geldt een algemene zorgplicht. Tevens is een lijst van kracht met beschermde soorten. De bescherming van deze soorten is nader uitgewerkt in verbodsbepalingen.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan dient rekening te worden houden met de gevolgen van het plan voor de natuur. Gekeken dient te worden often gevolge van het plan, of bij de uitvoering van het plan geen blijvende schadelijke effecten zullen optreden aan gebieden en soorten. Dit moet 'op voorhand in redelijkheid' worden ingeschat via een deskundigenrapport (zgn. natuurtoets of ecologische toets).

Als er mogelijk effecten zijn, moet aannemelijk worden gemaakt dat daarvoor een ontheffing Wet natuurbescherming kan worden verkregen en/of dat met zorgvuldig handelen schade kan worden voorkomen. Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een vergunningplicht. Als een vergunning nodig is, dan moet, om de uitvoerbaarheid voor het bestemmingsplan aan te tonen, aannemelijk worden gemaakt dat een vergunning kan worden verleend, zo nodig met mitigerende maatregelen, of door middel van compensatie.

Onderzoek Gebiedsbescherming

Natura 2000 Het plangebied ligt op grote afstand van Natura 2000-gebieden. De Boezems Kinderdijk liggen op ruim 8 km, de Oude Maas op ongeveer 7 km afstand, de Biesbosch is het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied op een afstand van ongeveer 19 km. Op deze afstanden kunnen siginificante negatieve effecten voor de meeste beoordelingscriteria (zoals verstoring of gevolgen voorde waterhuishouding) worden uitgesloten. Uitzondering vormen de eventuele gevolgen voor de stikstofdepositie. Er is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd om de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, zie bijlage 7. De bebouwing wordt volledig voorzien van elektrische verwarming (aardgasvrij). De installaties van het plan veroorzaken daarom geen emissie van stikstof. De potentiële effecten tijdens de gebruiksfase worden alleen bepaald door de emissies die samenhangen met de verkeersgeneratie. Er zijn vier berekeningen uitgevoerd: * gebruiksfase plot Colosseumweg * bouwfase * gebruiksfase aanpassing Colosseumweg * combinatie bouw- en gebruiksfase

79

Uit de berekeningen volgt dat het plan Colosseumweg in geen van de berekende situaties leidt tot een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. In geen van de berekende situaties ontstaat een toename van de stikstofdepositie die groter is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van de resultaten kunnen significante negatieve effecten worden uitgesloten.

Toetsing Omqevinqsverordeninq Provincie Zuid-Holland NNN Conform het NNN-toetsingskader dienen ingrepen die binnen het NNN plaatsvinden getoetst te worden op effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Het plangebied ligt niet binnen het NNN en ligt op ruime afstand van NNN. Negatieve effecten op NNN als gevolg van het voornemen zijn daarom uitgesloten. Er is daarom ook geen sprake van compensatieplicht of eventuele andere vervolgstappen ten aanzien van het NNB.

Soortenbescherming

Voor de ontwikkeling is ook een natuurtoets uitgevoerd, zie bijlage 6. In de toets is een beknopte voortoets in het kader van Natura 2000 gedaan, heeft een quickscan soortenbescherming plaatsgevonden en zijn de houtopstanden en planologisch beschermde Natuurnetwerk Nederland beoordeeld.

Wetteliik beschermde soorten Voor de ontwikkeling is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd. Het plangebied en de directe omgeving daarvan voorziet op grond van de geraadpleegde verspreidingsgegevens en de aanwezige habitats niet in leefgebied van krachtens de Wnb beschermde vaatplanten, vissen, reptielen en ongewervelden. Het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soortgroepen is daarom uitgesloten. Het uitvoeren van nader onderzoek en het aanvragen van een ontheffing voor het voornemen is niet noodzakelijk. In het plangebied en de directe omgeving hiervan komen mogelijk wel grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, broedvogels en amfibieën voor. Voor zowel algemeen voorkomende zoogdieren als amfibieën geldt dat ze door de provincie Zuid-Holland zijn vrijgesteld van ontheffingsplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel dienen negatieve effecten op deze soorten als gevolg van het voornemen voorkomen of zo veel mogelijk beperkt te worden door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het plangebied is daarnaast ook minimaal geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Er zijn voldoende alternatieven in de omgeving. Mogelijk komen daarnaast algemene broedvogels voor in het plangebied.

Negatieve effecten op deze soorten, en daarmee het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wnb, dienen te worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen zoals het werken buiten het broedseizoen. De voorzorgsmaatregelen moeten worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

Voorzorgsmaatregelen en algemene zorgplicht (ex. Artikel 1.11 van de Wnbj Er zijn voorzorgsmaatregelen voorgesteld voor soorten waar (mogelijk) negatieve effecten op te verwachten zijn. Daarnaast wordt beschreven of aanvullend onderzoek noodzakelijk is en in welke vorm dit dient te gebeuren. Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht. Onderstaand wordt een aantal maatregelen beschreven om aan de algemene zorgplicht te voldoen: » De werkzaamheden worden zoveel als mogelijk overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Bij nachtelijke werkzaamheden wordt aangepaste verlichting gebruikt die gericht is op de bouwplaats en niet op het omringende landschap. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht; » In de groene delen van het plangebied wordt (indien betreden nodig is) één richting opgewerkt, zodat kleine (zoog)dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek of richting drukke infrastructuur) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben;

80

»

»

De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden en ontziet daarbij plaatsen met begroeiing en/of beplanting zoveel mogelijk. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten voorkomen; Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog.

Broedvogels Ontheffing voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het nemen van maatrelen om (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen te voorkomen noodzakelijk is. Het verstoren van broedgevallen van vogels met en zonder jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door: » Buiten het broedseizoen te werken, of; » Te zorgen dat buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen gewerkt wordt. Aanvullend geldt voor algemeen voorkomende soorten dat er in het broedseizoen gewerkt kan worden indien voorafgaand aan het broedseizoen de broedbiotoop voor vogels ongeschikt gemaakt wordt en/of; » De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een, voor zover mogelijk, constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen. Het grote voordeel van deze methode is, dat de verstoringsafstand “automatisch” bepaald wordt: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand. Nadeel is dat de constante intensiteit (zowel in tijd als in ruimte) lastig te realiseren is. » Een ecoloog kan het plangebied vrijgeven. Voorafgaand aan de werkzaamheden kan een erkend ecoloog het plangebied inspecteren op broedgevallen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=7f6ab3a5-0814-46bf-b41d-0c1f06421012