CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003067] Bijlage 1 behorende bij 24 24bb003074 - Ontwerpbestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 4 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting21.587 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Mitigerende maatregelen worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol waarin staat omschreven welke maatregelen getroffen moeten worden om negatieve effecten op beschermde flora en fauna tijdens werkzaamheden te voorkomen. 4.4.3

Conclusie

Natura 2000 De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van de Natura 2000-gebieden omdat het plangebied niet wordt gerealiseerd in een Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Stikstof Er zullen geen negatieve invloeden zijn betreft stikstof in zowel de aanleg- als gebruiksfase op Natura 2000 gebieden. Soortenbescherming Middels maatregelen voornamelijk tijdens de aanlegfase zal het voorliggend bestemmingsplan minimale impact hebben op de ecologie van het gebied. De maatregelen zullen ervoor zorgen dat de soorten minimaal verstoord kunnen worden.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 30 van 84

Algemene conclusie Indien de juiste maatregelen genoemd in paragraaf 4.4.2 tijdens de aanlegfase worden genomen vormt het aspect ecologie geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1

Kader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen en inrichtingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) respectievelijk het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. 4.5.2

Plangebied

Voor voorliggend bestemmingsplan is betreft externe veiligheid de Bevi van toepassing en is de Bevb niet van toepassing. Voorliggende ontwikkeling gaat om de bouw van een waterstoftankstation (Bevi) en niet om een buisleiding (Bevb). In voorliggend hoofdstuk zal verder ingegaan worden op de externe veiligheid van deze ontwikkeling. Voor het plangebied is een onderzoek gedaan naar de veiligheidsaspecten en is een risico-analyse opgesteld, een samenvatting is hieronder te lezen. Verdere details zijn te vinden in Bijlage 4 (veiligheidsaspecten) en Bijlage 5 (QRA). Allereerst zal het veiligheidsaspecten onderzoek behandeld worden en alvorens de risico-analyse met de QRA (Quantitative Risk Assessment). Na deze paragraaf volgt een overall conclusie van de gehele externe en interne veiligheid op voorliggende ontwikkeling. 4.5.2.1 Veiligheidsaspecten In het veiligheidsaspecten onderzoek is ingegaan op verschillende thema's omtrent de veiligheid van het gebied, deze thema's zullen hieronder één voor één behandeld worden. Uit het veiligheidsaspecten onderzoek blijkt het volgende: Geluidsemissie De geluidsemissie maakt onderdeel uit van de veiligheidsaspecten onderzoek en is hier kort omschreven. Een uitgebreid onderzoek van de effecten van akoestiek is beschreven in 4.3 Geluidhinder. Directie geluidsemissie is aanwezig bij de compressorinstallatie.

Deze is hydraulisch aangedreven, waarbij de hydraulische pomp en compressor zelf een bron van geluid is. De compressorinstallatie is in een geluidsisolerende omkasting geplaatst met coulisse dempers bij de aanzuigopeningen. De gemeten waarden ligt op minder dan 75 dB(A) op 1 meter. Tevens is de installatie zodanig opgesteld dat het geluid niet ver draagt naar de directe omgeving. Algemene beveiliging van de installatie

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 31 van 84

De installatie is voorzien van verschillende gasdetectie systemen op specifiek vastgestelde locaties en temperatuursensoren die een vooralarm genereren en/of een noodstop activeren. Tevens is door het gebruik van juiste componenten en apparatuur op locaties waar een explosiegevaarlijke omgeving heerst of kan ontstaan, het gevaar op brand of explosie tot een minimum beperkt. Naast de voorgeschreven veiligheidsvoorzieningen is de installatie voorzien van additionele maatregelen die het veilig gebruik garanderen. Zo is de installatie voorzien van lekdetectie op basis van drukverloop, die de installatie in veilige modus brengt. Dit is ook het geval bij de vulslang aansluiting alvorens met het daadwerkelijke vulproces wordt begonnen. De lay-out van de installatie en de route van leidingen is zodanig gekozen dat deze beschermd is tegen eventuele aanrijdingen. De installatie is, met uitzondering van de afleverzuil en bediening, niet toegankelijk voor onbevoegden. Bovenal zijn de interne veiligheidsafstanden zodanig gekozen dat installatie onderdelen geen invloed hebben op elkaar en de omgeving in geval van calamiteiten. Bedrijfsnoodplan Fountain Fuel zal gezamenlijk met stakeholders zoals beheerder, beveiliging en leveranciers het bedrijfsnoodplan opstellen en deze afstemmen met de lokale overheden.

Het bedrijfsnoodplan zal onder andere de gedetailleerde veiligheidsmaatregelen en configuratie, alarmering, organisatie en taken bevatten. Actualisatie van het noodplan is gereed voordat het tankstation in gebruik wordt genomen en zal worden gedeeld met het bevoegd gezag. Interne veiligheid De interne veiligheid van het tankstation wordt bepaald door onder meer de ATEX-zonering (explosieve atmosfeer), explosieveiligheid en interne veiligheidsafstanden op basis van warmtestraling. Het tankstation is beveiligd middels waterstof-, temperatuur- en druksensoren. Wanneer door de sensoren abnormale waarden worden geconstateerd, kan het station door middel van het Emergency Shutdown Systeem (ESD) elektrisch en mechanisch worden geïsoleerd. Brandbestrijding wordt gewaarborgd door adequate blusvoorzieningen.

Het vulstation kent een aantal veiligheidsvoorschriften voor gebruikers en beheerders, deze luidt als volgt: » Roken en open vuur verboden; » Gebruik van elektronische apparaten zoals telefoons verboden rond afgifte zuilen en onder de luifel; » Tanken alleen door bevoegde personen, gewaarborgd middels tankpas of code; » De opstelplaats en directe omgeving van het vulstation worden voorzien van waarschuwingstekens; » De technische installatie is alleen toegankelijk voor bevoegden voorzien van persoonlijke beschermingsmiddelen zoals veiligheidskleding en met toestemming van de beheerder; » Gebruikersinstructie en instructie ongewone voorvallen bij de afleveringszuil. Verder wordt betreft de interne veiligheidsafstanden vaste afstanden in acht genomen. De afstand van de 200/300 bar batterijwagen (transporttrailer) tot het dichtstbijzijnde onderdeel van de installatie is meer dan 6 m. In het opgeschaalde scenario wordt een cilindertrailer onderdeel van de installatie en valt als zodanig binnen de systeemgrens. Voor een mobiele opslag geldt een interne veiligheidsafstand. In alle gevallen blijft het trekkende voertuig ruim buiten de geldende ATEX-zone 2. De waterstofinstallatie en de transformator compact station en een aantal zogenaamde Power Cabinets staan opgesteld. De transformator staat opgesteld in een betonnen behuizing.

De Power Cabinets zijn onderdeel van de snel laadinstallatie voor elektrische voertuigen (EV) en hebben als functie de wisselstroom uit het net naar gelijkstroom op juiste spanning voor EV’s om te zetten. De Power Cabinets zijn voorzien van weerbestendige behuizingen en aangesloten op het ESD-systeem, in geval van een noodsituatie kunnen de cabinets automatisch of handmatig worden afgeschakeld. Zowel transformator en Power Cabinets staan opgesteld buiten de ATEX-zone van de waterstofinstallatie. Fountain Fuel is voornemens in de zuidwestelijke hoek van de inrichting een gebouw van 250 m2 ten behoeve van nevenactiviteiten te realiseren. Dit gebouw zal zich buiten de maximum effectafstand bevinden en ruimschoots buiten de bepaalde interne afstanden voor kwetsbare objecten. Aanvoeren van waterstof Waterstof wordt in gasvorm met een trailer aangevoerd. De route die deze trailers afleggen

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 32 van 84

naar het waterstoftankstation is vanaf de A13 > N209 > Vliegveldweg > Rotterdam Airportbaan > Zaventembaan. Voor deze installatie is gekozen voor een aanrijroute waarbij alleen in voorwaartse richting gereden behoeft te worden. Dit vergroot zowel de veiligheid tijdens aanrijden en manoeuvreren als ook de efficiëntie. De opstelplaats is zodanig uitgevoerd dat twee trailers naast elkaar opgesteld kunnen worden. Voor de beginsituatie is één opstelplaats beschikbaar, om te waarborgen dat de interne afstand van transporttrailer tot installatie voldoende groot is. In opgeschaalde vorm is de opstelplaats geschikt voor twee trailers als zijnde mobiele opslagtank. De mobiele opslagtank blijft in deze situatie staan en wordt onderdeel van de installatie en het proces. Pas als de trailer (bijna) leeg is wordt deze uitgewisseld. Een volle trailer wordt dan op de opstelplaats naast de lege trailer geplaatst en op de installatie aangesloten, terwijl de lege trailer wordt afgesloten en ontkoppeld, vervolgens wordt de lege trailer uitgereden. De vulpunten staan overzichtelijk en zonder belemmering opgesteld en de vulslang is niet langer dan 5m. De opstelplaats is afgeschermd door een robuuste en voldoende hoge wand met aan de inrij­ en uitrijzijde van de opstelplaats hoge hekken. Op deze wijze is de opstelplaats afgesloten voor onbevoegden maar ook tegen aanrijden beveiligd.

Aanlevering van waterstof zal worden uitgevoerd door ADR gecertificeerd personeel en materieel. Een aanleverprocedure en/of werkinstructie zal in samenwerking met beheerder en de waterstofleverancier opgesteld worden. Een overzichtelijke werkinstructie wordt bij het vulpunt geplaatst. Ophopen van waterstof Accumulatie van waterstof in afgesloten ruimtes en onder dak- en kapconstructies, moet worden voorkomen. Weersgevoelige apparatuur staat opgesteld in goed geventileerde containers. De technische installatie is niet overkapt. De luifel boven de 700 bar afleverzuilen wordt uitgevoerd met een hoek van 5 graden en de onderzijde is glad zodat waterstof onbelemmerd op natuurlijke wijze wordt weggevoerd. Bovendien is in het midden van de luifel een grote opening van 2 meter doorsnede, hetgeen ventilatie sterk bevorderd. De verlichting onder de luifel wordt explosieveilig uitgevoerd. Explosieveiligheid Waterstof kent een zeer lage ontstekingsenergie, het is daarom van belang dat een elektrostatische oplading of zwerfstromen direct vereffend kunnen worden. De installatie wordt voorzien van vereffeningsleidingen. Daar waar, na een lekkage, mogelijk ophoping van waterstof zou kunnen optreden worden detectiesensoren geplaatst, zoals onder de luifel, in de afleverzuil en in de container met compressor.

Drukapparatuur Waterstofgas heeft als natuurlijke eigenschap een laag soortelijk gewicht en moet daarom gecomprimeerd worden om een gewenste energiedichtheid te verkrijgen. Om deze redenen kent de waterstofinstallatie een groot aantal onderdelen en componenten die moeten voldoen aan de Pressure Equipment Directive (PED) en Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. De PGS 35 heeft een aantal maatregelen opgenomen, waarvan sommige wettelijk bepaald, om te waarborgen dat de installatie is afgestemd op het bevatten van (hoge) drukken. Voordat de installatie in gebruik wordt genomen, worden drukhoudende onderdelen met stikstof getest om te verifiëren dat installatie ook op maximale druk geheel drukhoudend is. De installatie zal tegen overdruk beveiligd worden door drukregel- en drukveiligheidskleppen en sensoren. In het geval van een overdruk situatie zal waterstofgas via een speciaal geïnstalleerde afblaasleiding afgevoerd worden via een vent-stack naar een veilige locatie. Onderhoud Het waarborgen van betrouwbaarheid en veiligheid van de installatie is van essentieel belang voor eigenaar, beheerder en gebruikers van de waterstofinstallatie. Onderhoud kan alleen worden uitgevoerd door deskundig en door de fabrikant geautoriseerd personeel.

Toegang tot de technische installatie kan alleen in opdracht of met medeweten van installatiebeheerder en met in acht name van de geldende veiligheidsmaatregelen. Dit zal ook worden opgenomen in het bedrijfs- en onderhoudsplan. De installatie zal op afstand door zowel de fabrikant van de compressor alsook de beheerder worden gemonitord op correct en veilig functioneren. Personeel van de beheerder zal tijdens de oplevering van de installatie worden opgeleid in het

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 33 van 84

gebruik, reinigen en om basisonderhoud uit te voeren. De beheerder zal in samenwerking met leveranciers een onderhoudsplan en -register opzetten.

Conclusie Uit de onderzochte veiligheidsaspecten blijkt dat voldoende is nagedacht over: » Geluidsemissie; » Algemene beveiliging; » Bedrijfsnoodplan; » Interne veiligheid; » Aanvoeren van waterstof; » Ophopen van waterstof; » Explosieveiligheid; » Drukaparatuur en » Onderhoud van de installatie. Deze aspecten vormen zoals beschreven geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling omdat er met voldoende veiligheidsaspecten rekening gehouden is. Het rekening houden met deze veiligheidsaspecten zorgt voor een uitvoerbaar plan. 4.5.2.2 Risico-analyse In voorliggende paragraaf wordt ingegaan op de risico-analyse en de QRA. Met de Quantitative Risk Assessment (QRA) is bepaald wat de externe veiligheidsrisico’s zijn. Daarmee is vastgesteld wat het groepsrisico (GR) en het plaatsgebonden risico (PR) is. In voorliggende paragraaf wordt eerst ingegaan op het plaatsgebonden risico en vervolgens het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Plaatsen met een gelijk risico worden door risicocontouren op een kaart weergegeven.

Het plaatsgebonden risico van 1.0 10-6 /jr dient volgens het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) gehanteerd te worden als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Figuur 4.1 toont de plaatsgebonden risicocontouren. De contour voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico van 1.0 10-6 /jr (zoals beschreven volgens Bevi) ligt gedeeltelijk buiten de inrichting. Het gebied binnen deze contour, maar buiten de inrichting is bestemd voor Bedrijf - Waterstoftankstation volgens het vigerend bestemmingsplan. Er liggen hier geen (beperkt) kwetsbare objecten en worden hier niet meer mogelijk gemaakt. Conform de Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient voor een waterstoftankstation een afstand van 35 m rond het vulpunt aangehouden te worden. Het gebied binnen deze contour buiten de inrichting is bestemd voor Bedrijf - Waterstoftankstation. Er liggen hier geen (beperkt) kwetsbare objecten en worden hier niet meer mogelijk gemaakt. De technische installatie, waaronder de compressor, opslagtank, hoge- en mediumdruk buffers, staan opgesteld binnen de terp constructie. Daardoor is het aannemelijk dat in de praktijk de bovengenoemde contour in noordelijke, oostelijke en zuidelijke richting aanzienlijk kleiner is.

Het rekenmodel geeft geen mogelijkheid brandwerende muren of andere beperkende (mitigerende) maatregelen te analyseren, daardoor kan het positieve effect van de terpconstructie niet gekwantificeerd worden. Er liggen binnen de bestemming Bedrijf Waterstoftankstation waar de contour overheen komt geen (beperkt) kwetsbare objecten, gezien dit ook niet mogelijk is binnen de bestemming en door middel van deze risicocontour worden deze objecten ook niet meer mogelijk gemaakt. Dit in verband met de veiligheid. De waterstof-installatie veroorzaakt geen groepsrisico. Buiten de risicocontouren zijn er geen effecten. Groepsrisico Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de inrichting verblijft, bepaald daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Uit de QRA blijkt het volgende betreft het groepsrisico:

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 34 van 84

»

De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is gelijk aan 10-3 I N2, dat wil zeggen een frequentie van 10-5/jr voor 10 slachtoffers, 10-7Ijr voor 100 slachtoffers en geldt vanaf het punt met 10 slachtoffers. Binnen het invloedsgebied zullen onder normale bedrijfsvoering niet meer dan tien personen aanwezig zijn. Het tankstation veroorzaakt hierdoor dan ook geen groepsrisico.

4-10450

440400

----- 1E-5 l Jaar ----- 1E-6

Jaar

IE-7 I Jaar

440350

----- IE-81 Jaar J Bkl veiligheidsafstand 35m rondom vulpunt 88950

89000

89050

89100

Figuur 4.1 Risicocontouren rondom de waterstof installatie.

Conclusie Bij het opstellen van de QRA is gekeken naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmeringen omdat binnen de bestemming Bedrijf-Waterstoftankstation geen (beperkt) kwetsbare objecten zijn toegestaan en door de veiligheidscontour ook niet meer mogelijk worden gemaakt. Het groepsrisico vormt ook geen belemmering omdat onder de normale bedrijfsvoering niet meer dan tien personen aanwezig zullen zijn. 4.5.3

Conclusie

Men is voornemens aan de Zaventembaan een waterstof-installatie op te richten. Uit het veiligheidsaspecten onderzoek blijkt dat voldoende rekening is gehouden met verschillende veiligheidsvoorschriften. Ook wordt er voldaan aan deze veiligheidsvoorschriften. Er is hierin onderzoek gedaan naar: » Geluidsemissie; » Algemene beveiliging; » Bedrijfsnoodplan; » Interne veiligheid; » Aanvoeren van waterstof; » Ophopen van waterstof; » Explosieveiligheid;

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 35 van 84

Drukaparatuur en Onderhoud van de installatie. Verder is gekeken naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico in de QRA. Uit de QRA blijkt dat de contour van de grenswaarde van het plaatsgebonden risico van 1.0 10-6 /jr van de waterstof-installatie gedeeltelijk buiten de inrichting ligt. Het gebied binnen deze contour is bestemd voor Bedrijf. Er liggen hier geen (beperkt) kwetsbare objecten en deze worden hier ook niet meer mogelijk gemaakt. Conform de Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient voor een waterstoftankstation een afstand van 35 m rond het vulpunt aangehouden te worden. Het gebied binnen deze contour buiten de inrichting is bestemd voor Bedrijf - Waterstoftankstation. Er liggen hier geen (beperkt) kwetsbare objecten omdat dat ook niet mogelijk is binnen de bestemming en worden hier niet meer mogelijk gemaakt. De waterstof-installatie veroorzaakt geen groepsrisico. Buiten deze contouren is er geen risico. Uit de QRA blijkt dat binnen het invloedsgebied zullen onder normale bedrijfsvoering niet meer dan tien personen aanwezig zijn waardoor het tankstation geen groepsrisico veroorzaakt. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de veiligheidscontour planologisch mogelijk gemaakt. Hierdoor kunnen binnen deze zone geen (beperkt) kwetsbare objecten gebouwd worden en is deze zone veilig.

Voor het aspect externe veiligheid is rekening gehouden met veiligheidsvoorschriften en een risico-analyse met QRA waarin het plaatsgebonden risico en het groepsrisico geborgd wordt. Ook wordt er een veiligheidscontour gewaarborgd. Hierdoor is er voldoende rekening gehouden met de Externe veiligheid van het waterstofstation, hierdoor vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.

4.6

Bodemkwaliteit

4.6.1

Kader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 36 van 84

4.6.2

Plangebied

In het kader van bodemkwaliteit is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). Uit dit verkennend bodemonderoek blijkt dat op het zuidelijk deel van de ontwikkelingslocatie sprake is van verontreinigingen in grond en grondwater. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met lood, zink, olie en PCB aangetroffen. De gemeten gehalten overschrijden de Achtergrondwaarden. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater bleek sprake van een matige verontreiniging met lood (overschrijding Tussenwaarde) en lichte verontreinigingen met barium, koper, molybdeen en nikkel. Opgemerkt moet worden dat de Tussenwaarde geen formele status heeft en dat het loodgehalte formeel als licht verhoogd beschouwd zou moeten worden. Op basis van de bevindingen in het verkennend bodemonderzoek is er een Aanvullend en nulsituatie bodemonderzoek uitgericht (Bijlage 7). Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Omdat in de grond en het grondwater overschrijdingen van de tussen- en/of interventie-waarde zijn aangetoond, is geconcludeerd dat de locatie verdacht is.

Op basis van de uitkomsten van het onderzoek dient er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien voor grondverzet rekening te worden gehouden bij eventuele ontgraving ter plaatse van en rondom boring 9 (zie figuur 4.3). Uit de analyseresultaten blijkt namelijk dat in de bovengrond van boring 9 (0 tot 0,5 m -mv) een sterke verontreiniging met zink is aangetoond en een matige verontreiniging met nikkel. Hier kan aanvullend onderzoek en een melding klein grondverzet of een BUS-melding met ontgraving onder milieukundige begeleiding benodigd zijn, afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden. Aan het toekomstige gebruik van de locatie als waterstof tankstation hoeven geen beperkingen te worden gesteld. Omdat ter plaatse van de verontreiniging geen verblijfgebouw wordt gerealiseerd en er dus ook geen ontgraving plaatsvindt.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 37 van 84

Figuur 4.3: Boorplan Fountain Fuel 4.6.3

Conclusie

Zoals beschreven in het bodemonderzoek hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het toekomstige gebruik van de locatie als waterstof tankstation. Er wordt voldaan aan het besluit ruimtelijke ordening en hierdoor rekening gehouden met de bodemgesteldheid van het gebied. Hiermee vormt het aspect bodem geen belemmering voor voorliggend plan.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 38 van 84

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1

Kader

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan die geldt totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. 4.7.2

Plangebied

Er ligt een dubbelbestemming Waarde - Archeologie op het plangebied zoals beschreven in paragraaf 1.4. Hierdoor is er voor voorliggend bestemmingsplan een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit archeologisch onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen gevonden zijn voor intacte landschappen waarvan bekend is dat deze aantrekkelijke vestigingslocaties zijn geweest voor de mens in de vroege prehistorie. Zo ontbreken aanwijzingen voor de aanwezigheid van (lage) rivierduinen, boreale dalen en vroeg-holocene stroomgordels. De kans op het aantreffen van archeologische resten is daarmee klein. Het voorkomen van verschillende intacte bodemniveaus in het laat-pleistocene en vroeg-holocene landschap laat echter wel zien dat in deze omgeving de lithologische opbouw uit deze periode zeer goed bewaard is gebleven. De dichtheid aan gearchiveerde boorgegevens in het omringende gebied is dermate laag dat onvoldoende greep bestaat op de genoemde kansrijke landschapsvormen. Afwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen, aardewerk en verbrande klei betekent niet dat er sprake is van afwezigheid van menselijke activiteit, zeker wanneer het gaat om vroeg-prehistorische vindplaatsen. 4.7.3

Conclusie

Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt de archeologische verwachting voor alle perioden in het plangebied bijgesteld naar laag. Hierdoor is er geen vervolgonderzoek nodig. De rapportage is voorgelegd aan het bevoegd bezag de Gemeente Rotterdam. Het bevoegd gezag heeft het onderzoek beoordeeld en concludeert het volgende: Het areaal van het plangebied ‘Zaventembaan Rotterdam The Hague Airport’ kan worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkeling; er hoeft geen vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. De kans dat er bij de bouwwerkzaamheden waardevolle archeologische resten worden aangetast, wordt als zeer klein ingeschat. Voor eventuele toekomstige ingrepen in het plangebied wordt de archeologische dubbelbestemming uit het gebiedsbestemmingsplan RTHA gehandhaafd. De werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder verdere archeologische bemoeienis. In Bijlage 9 is de rapportbeoordeling Archeologie van de gemeente Rotterdam opgenomen. Er wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor voorliggend bestemmingsplan. De archeologische verwachtingen zijn laag en het bevoegd gezag geeft aan dat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zonder verder archeologische bemoeienis. Het aspect archeologie vormt daarom geen belemmering voor voorliggend plan.

4.8

Waterparagraaf

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 39 van 84

4.8.1

Kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De nieuwe ontwikkeling dient geen belemmering te veroorzaken voor de waterhuishouding. Voor het toetsen van de waterhuishouding zijn een aantal beleidskaders geraadpleegd. Hieronder zijn het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027, het Waterbeheerprogramma HHSK en de Keur en legger HHSK beschreven. Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 De Omgevingswet bepaalt dat de provincie een regionaal waterprogramma vaststelt. Daarin moet in ieder geval staan wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen: » Kaderrichtlijn Water; » Grondwaterrichtlijn; » Drinkwaterrichtlijn; » Richtlijn Overstromingsrisico’s; » Zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het Zuid-Hollandse regionaal waterprogramma ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland.

Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de ZuidHollandse Omgevingsverordening. Waterbeheerprogramma HHSK In het waterbeheerprogramma van HHSK staan de plannen en ambities van de komende jaren. Hieronder zijn thema’s gedefinieerd: een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving, voorbereid op de verandering van het klimaat, een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen en water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Ook zijn de taken van het waterschap uitgewerkt: wettelijke taken, veilige dijken, voldoende en schoon water, afvalwater zuiveren, veilige wegen en regels en toezicht. Keur en legger HHSK De uitgangspunten over hoe om te gaan met oppervlaktewater, zijn beschreven in de Keur. De Keur is een verordening met verbods- en gebodsregels ter bescherming van waterstaat- en waterhuishoudkundige werken en voorzieningen om de water aan- en afvoer, waterberging en de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast zo goed mogelijk te kunnen garanderen.

Door de regels in de Keur worden ook de ecologische kwaliteit van wateren en waterkeringen en de daarmee verbonden natte natuurwaarden zo goed mogelijk beschermd. De legger beschrijft de locatie van wateren, dijken en kunstwerken met de daarbij behorende eisen, onderhoudsverplichtingen en verdeling van verantwoordelijkheden.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 40 van 84

4.8.2

Plangebied

Voor voorliggend bestemmingsplan is een watertoets opgesteld. Deze toets is gecontroleerd door HHSK. De watertoets is bijgevoegd in Bijlage 10. In deze toets wordt verder ingegaan op de aspecten waterkwantiteit, waterkwaliteit en klimaat. In deze toets zijn het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027, het Waterbeheerprogramma HHSK en de Keur en legger HHSK geraadpleegd. Waterkwantiteit De compensatie-eis voor het verharde oppervlak is uitgerekend op 507 mz De compensatie-eis wordt opgelost door het opgevangen met halfverharding en bezinkbakken. Hiermee wordt er goed omgegaan met het water en wordt er geen oppervlakte water gecreëerd. Ook zorgt halfverharding voor een lokale infiltratie wat bijdraagt aan het bergen van de waterkwantiteit. Ook zorgt halfverharding niet voor een vogelaantrekkende werking wat voor belang is gezien de ontwikkeling gerealiseerd wordt naast een vliegveld. Waterkwaliteit Aangezien het water onder normale omstandigheden kan infiltreren in de halfverharding en opgenomen wordt door het groene dak, wordt geen invloed op de waterkwaliteit verwacht van het oppervlak van het asfalt of van nutriënten van het groene dak. Tijdens hevige neerslag is het van belang het water niet direct op het oppervlaktewater te lozen van eventueel verontreinigde oppervlakken. Er zal hiervoor een tussenliggende maatregel in het ontwerp moeten worden opgenomen.

Deze maatregel wordt afgestemd tussen de opdrachtgever en/of Sweco en HHSK. Watergangen De ontwikkeling kruist geen watergang. Er worden geen watergangen omgelegd of permanent gedempt als gevolg van de ontwikkeling. Hierdoor heeft voorliggende ontwikkeling geen invloed op de watergangen van het waterschap. Waterkeringen Op basis van de waterschap legger bevinden zich geen dijklichamen en/of waterkeringen in het plangebied. Dit geldt zowel voor primaire-, regionale- en lokale waterkeringen. Hierdoor vormt voorliggende ontwikkeling geen probleem met de dijklichamen en waterkeringen in de nabije omgeving. De ontwikkeling heeft geen invloed op een primaire-, regionale- en lokale waterkering. Klimaat Gezien het in acht nemen van de bovenstaande thema’s van de waterkwaliteit en -kwantiteit, worden de klimaateffecten die een link hebben met water, hevige neerslag en droogte, gemitigeerd. Het waterstoftankstation wordt ook klimaatadaptief ingericht met het oog op hittestress, bodemdaling en biodiversiteit. Met het oog op de huidige groenblauwe structuren past het ontwerp binnen het gebied. Regionaal waterprogramma Zuid-Holland Het regionaal waterprogramma Zuid-Holland vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling. Dit waterprogramma focust vooral op zoetwatervoorziening, wateroverlast en de beheer van vaarwegen.

Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van een waterstoftankstation. Deze ontwikkeling heeft geen invloed op de zoetwatervoorziening, eventuele wateroverlast en vaarwegen. Hierdoor vormt dit waterprogramma geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling. Waterbeheerprogramma HHSK Het waterbeheerprogramma focust vooral op thema's zoals 'veilige en aantrekkelijke leefomgeving'. Voorliggende ontwikkeling is in lijn met het waterbeheerprogramma. Er is nagedacht over om het waterstoftankstation er aantrekkelijk uit te laten zien, er is nagedacht over duurzaamheid omdat de ontwikkeling een duurzame ontwikkeling betreft maar ook omdat er is nagedacht over groene daken en halfverharding waardoor het regenwater lokaal kan infiltreren.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 41 van 84

Keur en legger HHSK De keur en legger over 'Regels voor sloten, plassen en singels' is geraadpleegd. Voorliggende ontwikkeling komt niet in aanmerking met de keur en legger. Verder zijn de onderdelen benoemd in de keur en legger niet relevant voor voorliggende ontwikkeling. Het betreft de realisatie van een waterstoftankstation. Er wordt hierdoor enkel wat verharding toegevoegd . 4.8.3

Conclusie

Het voorliggend bestemmingsplan voldoet aan het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 omdat voorliggende ontwikkeling geen invloed heeft op de zoetwatervoorziening, eventuele wateroverlast en vaarwegen. Het voorliggend bestemmingsplan voldoet aan het Waterbeheerprogramma HHSK omdat het waterstoftankstation zo is ontworpen dat het er aantrekkelijk uitziet en het een duurzame ontwikkeling betreft, wat positieve effecten heeft voor het klimaat. Ook is er nagedacht over groene daken en halfverharding waardoor regenwater lokaal kan infiltreren en de waterkwantiteit op verharde delen afneemt. Het voorliggend bestemmingsplan voldoet aan de Keur en legger HHSK omdat de ontwikkeling niet in aanmerking komt met de keur en legger. waterkwantiteit, waterkwaliteit, watergangen, waterkeringen, klimaat behandelen. Het voorliggend bestemmingsplan voldoet aan de eisen van het thema water als er een tussenliggende maatregel wordt opgenomen in het ontwerp voor het lozen van water op verontreinigde oppervlakken tijdens hevige regenval. In dat geval vormt het onderwerp water geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

4.9

Duurzaamheid

4.9.1

Kader

Rotterdams Duurzaamheidskompas De doelstellingen van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn onder te verdelen in ambities op vier thema’s. De thema's zijn: Energietransitie, Circulair, Klimaatbestendig en Gezonde leefomgeving. De vier ambities zijn van grote invloed op elkaar. Door de uitdagingen die er liggen binnen de vier thema’s zo veel mogelijk te verbinden, versterken ze elkaar in de uitvoering. Zo creëren we een robuust pad naar een gezond en groen Rotterdam met een duurzame toekomst. Sustainable Development Goals Rotterdam De gemeente Rotterdam is aangesloten bij de VNG-campagne 'Gemeenten 4 Global Goals'. Hierbij worden de 17 globale sustainable development goals gebruikt als gemeenschappelijke taal. De sustainable development goals zijn: 1. Geen armoede 2. Geen honger 3. Goede gezondheid en welzijn 4. Kwaliteitsonderwijs 5. Gendergelijkheid 6. Schoon water en sanitair 7. Betaalbare en duurzame energie 8. Eerlijk werk en economische groei 9. Industrie, innovatie en infrastructuur 10. Ongelijkheid verminderen 11. Duurzame steden en gemeenschappen 12. Verantwoorde consumptie en productie 13. Klimaatactie 14. Leven in het water 15. Leven op het land 16. Vrede, justitie en sterke publieke diensten

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 42 van 84

17. Partnerschap om doelstellingen te bereiken Relevant voor dit project en voor de gemeente Rotterdam zijn: Klimaatactie en Innovatie en duurzame infrastructuur. Klimaatactie Rotterdam heeft de klimaatambties van Parijs vertaald in de volgende Rotterdamse doelstellingen: » In 2022 is de jaarlijkse Rotterdamse uitstoot van CO2 omgebogen naar een dalende trend » In 2030 is de Rotterdamse uitstoot van CO2 490Zo lager ten opzichte van 1990 » In 2050 is Rotterdam klimaatneutraal Innovatie en duurzame infrastructuur Rotterdam draagt bij aan de verduurzaming van de mobiliteitsmiddelen door de mobiliteitsgroei op te vangen met modaliteiten en vervoerssystemen die schoner en stiller zijn, minder ruimte claimen en voor iedereen toegankelijk zijn. Dit betekent het bevorderen van: wandelen, fietsen, openbaar vervoer en elektrificatie van motorvoertuigen en schone logistiek in de stad. We bevorderen actief de innovatie in voertuigtechniek en stimuleren deelmobiliteit in de stad. We werken samen met bewoners aan wijkgerichte oplossingen zoals mobiliteitshubs en met werkgevers aan oplossingen voor zakelijke mobiliteit. Gelijktijdig verduurzamen we het gemeentelijk wagenpark en is de gemeente koploper op het gebied van innovatieve voertuigtechniek met een kolkenzuiger op waterstof, elektrische vuilniswagens en elektrische veegmachines. 4.9.2

Plangebied

Rotterdams Duurzaamheidskompas Het voorliggend bestemmingsplan voorziet de realisatie van een waterstoftankstation. Dit waterstoftankstation draagt bij aan het thema energietransitie van het Rotterdams Duurzaamheidskompas gezien er gebruik wordt gemaakt van waterstof, wat een duurzame brandstof is. Sustainable Development Goals Rotterdam Ook past voorliggend bestemmingsplan binnen de de VNG-campagne 'Gemeenten 4 Global Goals', omdat het plan bijdraagt aan ten minste twee sustainable development goals vertaald naar de gemeente Rotterdam. Hierbij gaat het om klimaatactie, gezien het rijden op waterstof en elektriciteit bijdraagt aan de reductie van CO2 uitstoot. Ook gaat het om het doel Innovatie en duurzame infrastructuur omdat het waterstoftankstation een stap is in de verduurzaming van de infrastructuur in Rotterdam. Algemeen gezien wordt er bij voorliggend plan gebouwd conform de nieuwste duurzaamheidseisen. De gebouwen en bouwwerken zijn BENG, er wordt geen aardgas gebruikt en er zijn zonnepanelen aanwezig om elektriciteit op te wekken. Dit zorgt voor een aanzienlijke vermindering van CO2-uitstoot. Het materiaalgebruik is duurzaam en circulair, zo is er in het ontwerp gekozen voor hout en er wordt een sedum (groen) dak aangelegd op de kiosk. Het gebied om het nieuwe gebouw is ingericht met veel groen en veel onverharde ruimte.

Het water wordt opgevangen doormiddel van halfverharding op eigen terrein. 4.9.3

Conclusie

Het voorliggend bestemmingsplan draagt in positieve zin bij aan duurzaamheid, zoals beschreven in het Rotterdams Duurzaamheidskompas en de Sustainable Development Goals Rotterdam, dus vormt het thema duurzaamheid geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.10 Bedrijven en milieuzonering 4.10.1 Kader

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 43 van 84

Milieuzonering betreft het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe voor “nieuwe situaties I ontwikkelingen” dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). Een nieuwe situatie Z ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen Z in nieuwe situaties dient twee doelen: » Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; » Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen.

Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. Zoals hiervoor al is aangegeven, is het ordeningsprincipe van milieuzonering bedoeld voor nieuwe situaties Z nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van “bestaande situaties” waarbij bestaande Z gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan. Via het zogenaamde 'milieuspoor' van de Wet Milieubeheer (Wm) is het functioneren van bestaande bedrijven (inrichtingen) geregeld. 4.10.2 Plangebied In relatie tot het beschreven kader is de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' geraadpleegd.

Hieruit blijkt dat waterstoftankstations momenteel nog niet zijn opgenomen in de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. Er bestaat nog geen consensus over de aan te houden milieucategorie voor waterstof tankstations. Dit vanwege dat het een relatief nieuwe ontwikkeling in de markt is. In de nabije toekomst wordt niet meer uitgegaan van milieucategorieën. Voor het aspect veiligheid (risico) wordt gebruik gemaakt van de veiligheidsafstanden zoals die in het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving zijn opgenomen. Voor de toets voor de beoogde ontwikkeling geldt de milieucategorie als beoordelingskader. Op basis van vergelijkbare inrichtingen wordt gemotiveerd waarom het waterstof tankstation binnen de bestemde milieucategorie valt. Omschrijving

Maximale afstand

Milieucategorie

Busremise

100 meter

3.2

Tankstation

30 meter

2

Gasontvangverdeelstation

50 meter

3.1

Compressorstations voor pijpleidingen

30 meter

2

Tabel 4.2 Vergelijkbare functies met bijhorende milieucategorieën Omdat het waterstoftankstation vergelijkbaar is met bovengenoemde punten past deze functie

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 44 van 84

binnen de toegestane milieucategorie 3.2. Voor een worst-case benadering wordt uitgegaan van de maximale richtafstanden. De maximale richtafstand van categorie 3.2 bedraagt 100 meter. Wanneer wordt voldaan aan deze richtafstand tussen de inrichting en de dichtstbijzijnde milieugevoelige functies (woningen, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie) vormt het aspect bedrijven milieuzonering geen belemmering voor de ontwikkeling. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie (vrijstaande woning Achterdijk) ligt op een afstand van circa 120 meter en vallen hiermee buiten de richtafstanden. Omdat een waterstoftankstation een redelijk nieuwe ontwikkeling is wordt ook ingegaan op de verschillende aspecten (geur, stof, geluid en gevaar). De richtafstanden kunnen op verschillende aspecten van belang zijn (geur, stof, geluid en gevaar). De aspecten geur en stof zijn bij het waterstoftankstation niet aan de orde. In paragraaf 4.3 wordt het aspect geluid beschreven en in paragraaf 4.5 wordt het aspect gevaar beschreven. 4.10.3 Conclusie Er zijn op een afstand van 100 meter van het plangebied geen gevoelige functies aanwezig of bestemd want er is gekeken naar de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering editie 2019. Hieruit blijkt dat er geen gevoelige vuncties in de omgeving aanwezig of bestemd zijn.

Het dichtstbijzijnde gevoelig object ligt namelijk op 120 meter afstand en betreft een vrijstaande woning aan de Achterdijk. Dit aspect vormt derhalve hierdoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1 Plangebied In het kader van een uitvoerbaar bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de verkeersafhandeling van het gebied. Het omliggende wegennetwerk dient immers de verkeersaantrekkende werking aan te kunnen. Bovendien dient er voldoende parkeergelegenheid te zijn voor de beoogde ontwikkeling. Voor voorliggend initiatief is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Het verkeersonderzoek bevindt zich in Bijlage 11. In het onderzoek wordt onderstaand benoemd. Het plangebied van het energiestation bevindt zich ten westen van het RTHA en wordt ontsloten via de Zaventembaan. Vanuit het noorden kan men over de N209, Vliegveldweg en de Rotterdam Airportbaan het energiestation bereiken. Via het zuiden kan het verkeer dit via de Achterdijk en vanuit het oosten via de Fairoaksbaan. De Zaventembaan, Vliegveldweg, Rotterdam Airportbaan en Fairoaksbaan zijn allen gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom. De Achterdijk is een erftoegangsweg. De route N209- Vliegveldweg-Rotterdam Airportbaan-Zaventembaan vormt naar verwachting de voornaamste route van en naar het plangebied. Naar verwachting zal 700Zo van het verkeer hier gebruik van maken. Het resterende verkeer zal naar verwachting uit het zuiden en het oosten komen, met 150Zo vanuit de Achterdijk en 150Zo vanuit de Fairoaksbaan.

Op het plangebied worden in totaal 16 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 8 parkeerplaatsen tevens een elektrisch oplaadpunt krijgen door middel van 4 laadpalen, deze parkeerplaatsen zijn allemaal voor autovoertuigen. Ook komen er 8 parkeerplaatsen voor bezoekers/shopmedewerkers/monteurs van de kiosk. Hiermee wordt parkeren opgelost op de locatie zelf.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 45 van 84

vliegveldweg

Zaventembaan

Fairoaksbaan Rotterdam Airportbaan

Acnterdijk

Figuur 4.3 Overzichtsituatie ontsluiting

Uit het onderzoek blijken de volgende conclusies: ^ Het energiestation geneert in een werkdag etmaal naar verwachting 84 motorvoertuigbewegingen in het openingsjaar 2024, wat oploopt naar 1.356 motorvoertuigbewegingen in het jaar 2035. ^ Naar verwachting zal 700Zo van dit verkeer worden ontsloten via de N209. ^ Door de komst van het energiestation stijgt de werkdag etmaalintensiteit van de N209 in 2024 met 30Zo van 35.528 naar 35.646 autovoertuigbewegingen en de intensiteit in het drukste uur (16:45-17:45) met 0,2oZo naar 3.248. ^ Tot het jaar 2035 stijgt de etmaalintensiteit met 832 autovoertuigbewegingen per etmaal en 35 autovoertuigbewegingen in het drukste uur. 4.11.2 Conclusie Op basis van de resultaten van het verkeersonderzoek kan worden geconcludeerd dat de komst van het waterstoftankstation beperkt effect heeft op de totale intensiteit van de N209 gezien het waterstoftankstation zorgt voor etmaalintenstiteit stijging van maar 30Zo en tijdens het drukste uur maar 0,20Zo en dat het bijkomende verkeer naar verwachting kan worden afgewikkeld omdat het aandeel van de stijging minimaal is. Er is voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Hierdoor wordt parkeren opgelost op het eigen terrein. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 46 van 84

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. In de toelichting wordt van de verschillende bestemmingen kort toegelicht wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

5.2

De bestemmingen

De regels moeten in samenhang met de verbeelding worden gelezen, waarbij een bestemming op de verbeelding verwijst naar het corresponderende artikel in de regels. In het bestemmingsplan komen de volgende enkelbestemmingen voor: » Bedrijf - Waterstoftankstation Ook komt de volgende dubbelbestemming voor: » Waarde - Archeologie

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 47 van 84

5.2.1

Bestemmingsvlak, bouwvlak en hoogtebeperkingen vanwege de luchtvaart

Elke bestemming bestaat doorgaans uit twee facetten: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Het bouwvlak is een gebied waarvoor in de planregels de mogelijkheden om te bouwen zijn aangegeven. Buiten bouwvlakken zijn gebouwen in beginsel niet toegestaan. Bouwvlakken worden op de verbeelding (plankaart) doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Zo bevat het plan aanduiding met maximale bouwhoogten. Deze bouwhoogte neemt de obstakelvlakken die gelden rond de start- en landingsbaan in acht. In aanvulling daarop gelden hoogtebeperkingen die nodig zijn voor de luchtvaartveiligheid (toetsingsvlakken) (artikel 6.1 Bouwverbod toetsingsvlakken): een figuur met deze hoogtebeperkingen is opgenomen als bijlage bij de regels. Van deze hoogtebeperking kan worden afgeweken na advies van de Luchtverkeersleiding Nederland (verklaring van geen bedenkingen). Indien de bouwhoogte op grond van de toetsingsvlakken hoger is dan op grond van de bouwregels in bestemmingsartikel 3.2 is toegestaan, geldt de lagere bouwhoogte uit dit artikel. 5.2.2

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In hoofdstuk 1 staan de inleidende bepalingen van de regels beschreven. Artikel 1: Begrippen Artikel 1 geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend. 5.2.3

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de bestemmingen die in het plangebied van deze bestemmingsplanwijziging voorkomen. Het artikel bevat de regels welke direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemming. Bij de indeling van de bestemmingsregels is conform de SVBP 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van de bestemmingen in dit plan zijn als volgt opgebouwd en benoemd (niet alle onderdelen komen voor): ^ bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); ^ bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); ^ nadere eisen (eisen die het college van burgemeester en wethouders bij vergunningverlening kan stellen aan de bebouwing); ^ afwijking van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); ^ omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunningplicht: hiermee worden grondwerkzaamheden aan een vergunning gebonden). Hieronder worden de verschillende bestemmingen inhoudelijk toegelicht. Artikel 3 Bedrijf - Waterstoftankstation Deze bestemming voorziet in de mogelijkheid om een waterstoftankstation met bijbehorende kiosk te realiseren en te exploiteren. De bestemming maakt het oprichten van bebouwing mogelijk.

Inhoudelijk wordt verder aangesloten op de systematiek uit bestemmingsplan Rotterdam The Hague Airport.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 48 van 84

Bij deze bestemming wordt de veiligheidscontour gerealiseerd die essentieel is in dit bestemmingsplan. De veiligheidscontour creëert een zone waarin het niet mogelijk is om gevoelige bestemmingen te bouwen. Dit wordt gedaan om zo de veiligheid in het gebied te waarborgen en de bouw van het waterstoftankstation mogelijk te maken. Onder de bestemming Bedrijf - Waterstoftankstation komen de volgende functie aanduidingen voor: » specifieke vorm van bedrijf - kiosk Deze functieaanduiding maakt enkel de realisatie van de bijbehorende kiosk bij het waterstoftankstation mogelijk. » specifieke vorm van bedrijf - 1 Deze functieaanduiding maakt enkel de realisatie van de 700 bar waterstofdispenser en de luifel mogelijk. » specifieke vorm van bedrijf - 2 Deze functieaanduiding maakt enkel de realisatie van de opstelplaats voor vrachtwagens die waterstof aanleveren mogelijk. » specifieke vorm van bedrijf - 3 Deze functieaanduiding maakt enkel de realisatie van de waterstofinstallatie voor het waterstoftankstation mogelijk. » specifieke vorm van bedrijf - 4 Deze functieaanduiding maakt enkel de realisatie van de 350 bar waterstofdispenser voor vrachtwagens mogelijk » specifieke vorm van verkeer - verkeer waterstof Deze functiaanduiding maakt enkel de realisatie van een dispenser voor waterstof mogelijk.

Artikel 4 Waarde - Archeologie Deze bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Rotterdam The Hague Aiport. De bestemming voorziet in een waarborg dat geen archeologische waarden worden aangetast. 5.2.4

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Antidubbeltelregel Dit artikel bevat een standaard regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Artikel 6 Algemene bouwregels In artikel 6.1 zijn hoogtebeperkingen opgenomen die voortvloeien uit regels die gelden op het gebied van luchtvaartveiligheid. Op en rondom Rotterdam The Hague Airport staan diverse apparaten opgesteld voor de communicatie met en ten behoeve van de navigatie van de vliegtuigen. Om een storingsvrije werking van deze apparatuur te waarborgen zijn toetsingsvlakken voor Communicatie en Navigatie Systemen (CNS) gedefinieerd. Dit zijn hoogtevlakken waaronder op een veilige wijze bebouwing kan worden gerealiseerd zonder de apparatuur te beïnvloeden. Zodra de hoogte van deze vlakken echter “overschreden” wordt dient getoetst te worden dat de hogere bebouwing het functioneren van de apparatuur niet negatief beïnvloed. In dat geval kan door de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) een verklaring van bezwaar worden afgegeven. Een indicatie van de toetsvlakken (ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan) zijn opgenomen in Bijlage 1 bij de regels en daarmee geborgd in dit bestemmingsplan. Door wijziging in de geplaatste apparatuur kunnen deze toetsvlakken in de loop der tijd wijzigen.

Indien de bouwhoogte op grond van de toetsingsvlakken hoger is dan op grond van de bouwregels in de bestemmingsartikelen (artikel 3 t/m 7) is toegestaan, geldt de lagere bouwhoogte uit de bestemmingsartikelen. Dat betekent dat feitelijk voor alle bouwplannen getoetst moeten worden door de LVNL.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 49 van 84

Omdat naast de verstoring van de toetsingsvlakken ook aspecten zoals windhinder en vogelaantrekkende werking de veiligheid van het vliegverkeer kunnen beïnvloeden, dient ook voor deze aspecten een verklaring van geen bezwaar te worden afgegeven. Deze verklaring wordt afgegeven door de luchthavenexploitant. Ook deze eis is daarom opgenomen in deze regeling. De Inspectie Leefomgeving en Transport (inspectiedienst van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu) is daarbij de toezichthouder zowel ten opzichte van de luchthavenexploitant als de luchtverkeersleiding. Artikel 7 Algemene aanduidingsregels Ter plaatste van de aanduiding 'veiligheidszone - waterstoftankstation' zijn nieuwe en is uitbreiding van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten niet toegestaan. Binnen de geluidzone zijn geen geluidgevoelige objecten aanwezig of geprojecteerd. Ter plaatse van geluidgevoelige functies (aanwezig en geprojecteerd) wordt dan ook voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Er is sprake van een aanvaardbare geluidsituatie waarbij voldaan wordt aan de normen uit de Wet geluidhinder. 5.2.5

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht. Artikel 8 Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van bouwen neergelegd. Uitbreiding van de bebouwing is slechts mogelijk met omgevingsvergunning voor het afwijken.De eerste drie leden van dit artikel betreffen de (reducerende) overgangsregels met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Hiervan is uitgezonderd strijdig gebruik dat al in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan en waartegen wordt of alsnog kan worden opgetreden. Dit sluit aan bij de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat, indien de gemeente strijdig gebruik gewraakt heeft, er geen beroep op het overgangsrecht mogelijk is. Artikel 9 Slotregel Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.

5.3

Procedure bestemmingsplan

Voor dit bestemmingsplan wordt de volgende procedure doorlopen. Ten eerste vindt er vooroverleg plaats met instanties ex artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening. Daarna is het ontwerp plan opgesteld. Daarop is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat het ontwerp gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Zienswijzen kunnen dan door een ieder worden ingediend. Vervolgens beslist de gemeenteraad over de vaststelling van de partiële herziening van het bestemmingsplan en tegen de vaststelling staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bestemmingsplan Waterstoftankstation RTHA Pagina 50 van 84

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geldt onder bepaalde voorwaarden de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan gelijktijdig met het vaststellen van een bestemmingsplan. Het exploitatieplan is een instrument voor de gemeente gericht op kostenverhaal in het kader van de grondexploitatie. Ruimtelijke ontwikkelingen gaan in de regel gepaard met gemeentelijke investeringen in gemeenschappelijk te gebruiken voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, waarvan de gemeente de kosten kan en mag verhalen op de ontwikkelaar(s). In afdeling 6.4 van de Wro wordt de verdeling van kosten en opbrengsten bij de ontwikkeling van een bouwlocatie geregeld in het geval dat de gemeente niet de ontwikkelende partij is. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via locatie-eisen regels te stellen ten aanzien van bijvoorbeeld de fasering van bouwactiviteiten en de wijze van bouw- en woonrijpmaken. Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Rotterdam over het kostenverhaal een anterieure overeenkomst heeft gesloten met de initiatiefnemer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=78411f3f-6515-49c2-8016-f72a3049317c