CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003052] Bijlage 1 behorende bij 24bb003051 - Ontwerpbestemmingsplan Dynamoblok - Fase 1

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 4 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting22.633 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.2

Bedrijven en milieuzonering

Beleidskader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Rotterdam heeft de VNG-uitgave vertaald naar haar eigen situatie. Hiervoor is de gemeente Rotterdam verdeeld in vijf gebiedstypen, te weten:

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

20

• •

• • •

‘rustige woonwijk’; de woonvlekken zijn gescheiden van de werk-, winkel- en verkeersgebieden. In deze gebiedstypering zijn activiteiten toegestaan tot en met milieucategorie 2; ‘gemengde wijk’; het gaat hier om een bepaalde mate van functiemenging. Er is geen strikte scheiding tussen woon-, werk-, winkel- en verkeersgebieden. In deze gebiedstypering zijn activiteiten toegestaan tot en met milieucategorie 3; ‘industriegebied I’; dit zijn gebieden met overwegend lichte en middelzware bedrijven. In deze gebiedstypering zijn activiteiten toegestaan tot en met milieucategorie 4; ‘industriegebied II’; gebieden met overwegend middelzware tot zware bedrijven. In deze gebiedstypering zijn activiteiten toegestaan tot en met milieucategorie 5; ‘industriegebied III’; overwegend zware bedrijven voeren binnen deze gebieden de boventoon. In deze gebiedstypering zijn activiteiten toegestaan tot en met milieucategorie 6.

Naast de gebiedstypen die bepaald worden door de mate van menging van bedrijfsactiviteiten en wonen, zijn er ook gebieden waarin géén dan wel nagenoeg geen bedrijfs- en woonfuncties voorkomen. Deze gebieden worden aangeduid als overgangsgebieden en worden gelijk gesteld met ‘gemengde wijk’. Dit houdt in dat ook hier activiteiten toegestaan zijn tot en met milieucategorie 3. Onderzoek Het Motorstraatgebied is een gebied waar diverse verspreid liggende functies voorkomen en kan daarom volgens de verdeling binnen de gemeente Rotterdam aangemerkt worden als gebiedstype ‘gemengde wijk’. Op basis van de VNG‐brochure is dit gelijk te stellen aan een ‘gemengd gebied’; een gebied met een matige tot sterke functiemenging of een gebied dat gelegen is nabij hoofdinfrastructuur. Het projectgebied is gelegen in een gebied met verscheidene functies, waaronder detailhandel, kantoren, bedrijvigheid, een ziekenhuis en wonen. Daarnaast is de Strevelsweg aan te merken als een wijkontsluitingsweg en is het winkelcentrum Zuidplein nabij het plangebied gelegen. Hier rijden zowel bussen als een metro. Kenmerkend voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied.

Gelet op de aanwezige functies en infrastructuur is ter plaatse van het voorliggende plangebied sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied', waardoor de richtafstand terug kan worden gebracht met één afstandsstap. De richtafstand kan niet voor veiligheid met één stap terug kan worden gebracht. Op de begane grond is sprake van bedrijvigheid tot en met categorie 2. Een hogere milieucategorie is met een omgevingsvergunning mogelijk, mits de bedrijfsactiviteit naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is aan categorie 1 of 2. Deze functies zijn in het plangebied toelaatbaar naast (of in dit geval onder) woningen. In bijlage 1 van de regels is een lijst van de tegenstaande bedrijfsactiviteiten opgenomen. In het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig met een hogere milieu-categorie dan 2. Ter plaatse van de woningen zal dan ook sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de parkeerkelder, in de plint en op de eerste verdieping worden parkeerplaatsen gerealiseerd. Het inpandig parkeren is echter onderdeel van het nieuwe gebouw, waardoor dit geen belemmering geeft. Op basis van het vigerende bestemmingsplan blijkt dat er in de omgeving van de locatie verschillende bestemmingen aanwezig zijn waarbinnen vormen van bedrijvigheid mogelijk zijn.

Maatschappelijke bestemmingen Ten noordwesten van de ontwikkellocatie bevindt zich de bestemming ‘Maatschappelijk – 3’. Hier is de revalidatielocatie Laurens Intermezzo Zuid gevestigd. Deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, parkeervoorzieningen, en horeca (uitsluitend op de begane grond en eerste verdieping en voor zover ondergeschikt aan de functie gezondheidszorg met maximaal 700 m² bvo). Op grond van de VNGrichtafstandenlijst en het vigerende bestemmingsplan gaat het hier om activiteiten van ten hoogste milieucategorie 2. Hiervoor geldt binnen gemengd gebied een richtafstand van 10 m. Omdat de maatschappelijke bestemming direct grenst aan het voorliggende perceel (de huidige bedrijfsbestemming), wordt feitelijk niet aan deze richtafstand voldaan. Echter is in dit gebouw en in de omgeving spraken van gemengde doeleinden waar bestaande woonfuncties gelegen zijn. Tevens is in dit gebouw zorg met verblijf mogelijk. In de bestaande situatie zijn dus ook al gevoelige functies gelegen. Deze ondervinden geen hinder van de overige functies in het gebouw. Gezien bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

21

Ten noordoosten en westen van de locatie ligt eveneens een maatschappelijke bestemming, ‘Maatschappelijk – 1’. De noordoostelijke bestemming bevindt zich op ruim 16 m van de voorliggende percelen, waardoor aan de richtafstand voor milieucategorie 2 wordt voldaan. Aan de westkant is middels een aanduiding tevens een parkeergarage toegestaan. Aan de VNG-richtafstand van 10 m wordt, op de perceelsgrens, net niet voldaan. Echter zijn op kortere afstand binnen de bestemming ‘Maatschappelijk – 3’ al gevoelige functies aanwezig zijn. Tevens bevindt de inrit zich verder naar het zuiden. Bovendien wordt in de lijst van bedrijfsactiviteiten bij het vigerende bestemmingsplan pas bij een parkeergarage groter dan 100 ha of 200.000 m 2 bvo uitgegaan van categorie 2-bedrijvigheid. Gezien bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gemengde bestemming (zuidoostkant) Ten zuidoosten van de locatie ligt de bestemming ‘Gemengd – 4’. Hier is bedrijvigheid tot en met categorie 2 toegestaan; aan de bijbehorende richtafstand van 10 m in gemengd gebied wordt voldaan. Bedrijfsbestemming (zuidkant) Ten zuiden van de locatie, direct grenzend aan het zuidelijke perceel bevindt zich de bestemming ‘Bedrijf’. Op deze gronden zijn bedrijfsactiviteiten uit categorie 1 en 2 toegestaan, en middels de functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – 1’ tevens een feestzaal.

Een feestzaal komt niet in de VNG-lijst voor, maar kan qua milieuhinder gelijkgesteld worden met ‘discotheken, muziekcafés’ (categorie 2). Aangezien de percelen direct aan elkaar grenzen wordt niet aan de richtafstand van 10 m voldaan. Echter zal dit perceel in de toekomst verworven worden met oog op woningbouwontwikkeling. In de toekomst zal deze bedrijfsbestemming dus verdwijnen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin wordt geregeld dat een akoestisch scherm gerealiseerd moet worden indien de woningen in gebruik worden genomen, zonder dat de bedrijfsvoering op dit perceel is geëindigd. Zodoende wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Nutsvoorziening (westkant) Tot slot bevindt zich op korte afstand naast het zuidelijke perceel de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’. De nutsvoorziening wordt in de beoogde nieuwbouw geïntegreerd. Dit is vanuit milieuzonering maar ook stedenbouwkundig oogpunt wenselijk. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.3

Geluid

Beleidskader Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Onderzoek Wegverkeerslawaai De ontwikkellocatie bevindt zich in de onderzoekszone van enkele wegen zoals bedoeld in de Wgh. Op grond van de Wgh zullen in een akoestisch onderzoek de geluidsbelastingen ten gevolge van deze wegen moeten worden bepaald. Daarbij zal moeten worden getoetst aan de grenswaarden voor wegverkeerslawaai zoals vastgelegd in de Wgh en het hogere waarde beleid van de gemeente. Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 7. Hieronder zijn de conclusies beschreven. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat het verkeer op geen van de 50 km-wegen een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Dit betekent dat een de Wgh niet leidt tot belemmeringen en dat een hogere waarde procedure niet noodzakelijk is.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

22

Het verkeer op de 30 km/uur wegen direct rond het plan veroorzaakt een geluidbelasting die 1 dB hoger is dan voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gezien de geringe overschrijding en omdat deze overschrijding een zeer klein deel van de noordoostgevel betreft leidt het verkeer op de 30 km-wegen ook niet tot akoestische belemmeringen. Railverkeerslawaai en industrielawaai De ontwikkellocatie is niet gelegen in de onderzoekszone van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Daardoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai niet aan de orde. De gezoneerde industrieterreinen ‘Waal- en Eemhaven’ en ‘Maas- en Rijnhaven’ liggen in de buurt, maar de bijbehorende zonering reikt niet tot de ontwikkellocatie. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.4

Verkeer en parkeren

Verkeer Met de voorgenomen ontwikkeling van het Dynamoblok zal de bestaande verkeersstructuur niet wijzigen. Voor de Cilinderstraat wordt een openbaar toegankelijke onderdoorgang gecreëerd tussen Dynamostraat en Cilinderstraat/Vliegwielpad, zodat deze bereikbaar blijven. De verbinding is van belang, aangezien in de Ontwikkelvisie Motorstraatgebied wordt beoogd de Tandwielstraat autoluw te maken en de verbinding met de Cilinderstraat af te sluiten. De parkeerplaatsen in de plint en op de eerste verdieping worden in de toekomstige situatie ontsloten via de Dynamostraat. De parkeerkelder wordt ontsloten via de onderdoorgang in de Cilinderstraat. Parkeren Het parkeren voor auto en fiets moet voldoen aan de eisen beschreven in het document Beleidsregeling parkeernormen auto en fiets 2022, vastgesteld in 2021 door de gemeente Rotterdam. Al het parkeren voor de woningen dient op eigen terrein en uit het zicht vanaf de openbare ruimte gesitueerd te worden. Er dient ook rekening gehouden te worden dat er parkeergelegenheid is voor de bezoekers van de commerciële en/of maatschappelijke functies. Voor het autoparkeren zijn in Rotterdam drie zones (A, B en C) aangewezen. Het plangebied ligt in zone B.

In onderstaande tabellen zijn aan de hand van de gemeentelijke auto- en fietsparkeernormen per functie berekend hoeveel auto- en fietsparkeerplaatsen initieel benodigd zijn voor het beoogde programma. Functie Commerciële voorzieningen appartementen (tot 65 m2) Bezoekers Totaal

Auto parkeernormen gemeente Rotterdam 2 parkeerplaatsen per 100 m2 b.v.o. (parkeerzone B) 0,5 parkeerplaatsen per woning

Aantal 430 m2 b.v.o.

Parkeerbehoefte 8,6 parkeerplaatsen

128

64 parkeerplaatsen

0,1 parkeerplaatsen per woning

128

12,8 parkeerplaatsen 85,4 parkeerplaatsen

Tabel 5.1: Parkeerbalans auto’s

Functie Commerciële voorzieningen appartementen (tot 65 m2) Totaal

Fiets parkeernormen gemeente Rotterdam 5 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 b.v.o. (met een minimum van 5) 2 fietsparkeerplaatsen per woning

Aantal 430 m2 b.v.o. 128

Parkeerbehoefte 22 fietsparkeerplaatsen 256 fietsparkeerplaatsen 278 fietsparkeerplaatsen

Tabel 5.2: Parkeerbalans fietsen

Op het aantal benodigde autoparkeerplaatsen wordt binnen het gemeentelijke parkeerbeleid korting gegeven bij de nabijheid van een OV-halte.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

23

- Er is sprake van een tramhalte en van een metrostation (Zuidplein) op minder dan 800 m afstand (hemelsbreed gezien). Binnen zone B geldt daarvoor een korting van 20% op het aantal parkeerplaatsen voor woningen. Daarnaast is extra korting mogelijk binnen betaald parkeergebieden: - Indien een ontwikkeling in betaald parkeergebied voorziet in extra fietsparkeerplaatsen op eigen terrein, kan de autoparkeereis met ten hoogste 10% worden verlaagd in de verhouding twee fietsparkeerplaatsen in plaats van één autoparkeerplaats. Deze extra fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein en zijn bedoeld voor lang parkeren. - Indien bij een woningontwikkeling in betaald parkeergebied voor ten minste 10 jaar, commercieel aangeboden deelauto’s beschikbaar worden gesteld op geoormerkte deelautoparkeerplaatsen in de bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening, kan de autoparkeereis met ten hoogste 20% verlaagd worden in de verhouding één deelautoparkeerplaats in plaats van vijf gewone autoparkeerplaatsen - Indien bij een ontwikkeling in betaald parkeergebied gebied voor alle toekomstige gebruikers van MaaS, voor ten minste 10 jaar beschikbaar wordt gesteld, kan de autoparkeereis met ten hoogste 20% worden verlaagd. De kortingen mogen bij elkaar worden opgeteld.

De OV-nabijheid levert een korting op van 15 parkeerplaatsen voor 128 woningen en 2 parkeerplaatsen voor 430 m² bvo commercieel/maatschappelijk programma. Bij aanleg van extra fietsparkeerplaatsen kan de maximale korting van 8,5 autoparkeerplaatsen verkregen worden. Bij inzet van drie deelauto’s voor bewoners kan de maximale korting van 17 parkeerplaatsen verkregen worden. Bij inzet van Mobility as a Service kan nog een korting van 17 parkeerplaatsen verkregen worden. Het parkeren dient in principe op eigen terrein te worden opgelost. Om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte van de commerciële en/of maatschappelijke functies en appartementen is gekozen voor een parkeervoorziening in de plint voor auto’s. De parkeervoorziening in de plint wordt achter de commerciële functies op de begane grond (of eventueel split-level) en de eerste verdieping gesitueerd. De totale behoefte aan autoparkeerplaatsen zonder korting bedraagt 85,4. Met een reductie van 39,5 parkeerplaatsen (toepassing van OV-korting, extra fietsparkeerplaatsen-korting en deelauto-korting) is de nieuwe parkeerbehoefte 45,9 parkeerplaatsen. In totaal worden inpandig 45 parkeerplaatsen voorzien, in de plint. Daarnaast wordt in de kelder voor toekomstige ontwikkelingen (2 plots aan de Valkeniersweide) voorzien in 21 extra parkeerplaatsen.

Van deze parkeerplaatsen tellen 20 parkeerplaatsen derhalve niet mee in de parkeerbalans voor de voorgenomen ontwikkeling in het voorliggende plangebied. Er worden dus voldoende autoparkeerplaatsen gerealiseerd. Naast voldoende autoparkeergelegenheid wordt er in het nieuwe gebouw ook voldoende ruimte voor het bergen van fietsen voorzien. Er zijn 278 fietsparkeerplaatsen nodig. Er is voldoende ruimte om het benodigd aantal fietsen te kunnen stallen. Voor de Ontwikkelvisie Motorstraatgebied is van belang dat de beschikbare parkeercapaciteit in het gebied optimaal benut wordt, ook op privéterrein. Daarom dienen alle nieuwe parkeerplaatsen geschikt te zijn om eventueel in de toekomst ook als bezoekersparkeerplaats ingezet te worden (bijvoorbeeld met een reserveringssysteem voor tijdblokken). Verkeersgeneratie In de Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets zijn geen normen voor wat betreft de verkeersgeneratie opgenomen. Om die reden wordt teruggevallen op de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ uit 2018. Het CROW maakt bij appartementen onderscheid in goedkoop, midden (65-85 m2) en duur (85-120 m2). De appartementen binnen het plangebied zijn 49-65 m2. Om die reden is uitgegaan van de categorie ‘goedkoop’. In tabel 5.3 is de verkeersgeneratie voor de voorgenomen ontwikkeling weergegeven.

Deze cijfers gaan echter niet uit van de toegepaste reductie op parkeerplaatsen. De totale verkeersgeneratie is dan ook een worst-case benadering, en zal in de praktijk lager uitvallen. Functie Commerciële dienstverlening appartementen

CROW-normen verkeersgeneratie 6,3 mvt/etmaal per 100 m2 b.v.o. 3,2 mvt/etmaal per woning

Aantal 430 m2 b.v.o. 128

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

Verkeersgeneratie 27 409,6

24

goedkoop Totaal

437

Tabel 5.3: Verkeersgeneratie

De voorgenomen ontwikkeling levert maximaal een verkeersgeneratie van afgerond 437 motorvoertuigen per etmaal op. Omdat het verkeer zich vrij snel zal spreiden over verschillende ontsluitingswegen wordt aangenomen dat dit niet tot belemmeringen zal leiden. Bovendien waren in het plangebied al bedrijven aanwezig, waardoor de verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie maar beperkt zal toenemen. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.5

Luchtkwaliteit

Beleidskader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Sinds het NSL van kracht is zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM2,5 1 januari 2015. Voor PM10 is dat 11 juni 2011.

Naast het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO 2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: -

de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast.

Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Onderzoek De ontwikkeling kan worden aangemerkt als een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragend aan verslechtering van de luchtkwaliteit. In de Regeling NIBM is bepaald dat een nieuwe woningbouwlocatie van ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg in ieder geval als ‘NIBM’ aan te duiden is. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze grens. Onderzoek in het kader van de Wet luchtkwaliteit is daarom niet benodigd.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

25

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de dichtbijgelegen rekenpunten de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 5.1 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2020 ter hoogte van de planlocatie.

Afbeelding 5.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2021).

Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 23,7 µg/m3, 6,2 µg/m3 en 9,6 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Gezien bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.6

Externe veiligheid

Beleidskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

26

kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Onderzoek Op basis van de risicokaart zijn er enkele risicobronnen aanwezig in de omgeving van de locatie. In het vigerende bestemmingsplan is reeds uitgebreid ingegaan op deze risicobronnen. Daarbij wordt geconcludeerd dat de risicobronnen in de omgeving van het betreffende plangebied geen extern veiligheidsrisico vormen, waardoor het aspect externe veiligheid geen belemmering vormde voor de vaststelling van dat bestemmingsplan. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de weg, dat van invloed is op de externe veiligheidssituatie op de locatie. Ten oosten van de ontwikkellocatie bevindt zich een spoorlijn (Rotterdam – Barendrecht), waarover volgens Basisnet gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.

Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 m. Vanwege het vervoer van de betreffende toxische stoffen (stofcategorie D4) geldt een invloedsgebied van 4.000 m. Met een minimale afstand van 1.750 m tot de spoorlijn bevindt de ontwikkellocatie zich buiten het verantwoordingsgebied van 200 m, waardoor een groepsberekening niet benodigd is en volgens het Basisnet in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Omdat de locatie zich wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen bevindt, is voor deze risicobron hieronder een beschrijving gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. Over de Nieuwe Maas die ten noorden van de locatie ligt worden volgens Basisnet gevaarlijke stoffen getransporteerd (categorie LT1), waarvoor het invloedsgebied 730 m bedraagt. De ontwikkellocatie valt buiten dit invloedsgebied, waardoor transport van gevaarlijke stoffen over water geen belemmering vormt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten.

De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Dynamostraat en de Cilinderstraat. Deze wegen sluiten aan op het verdere wegennetwerk van Rotterdam. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen 128 appartementen gerealiseerd worden, met in de plint commerciële en/of maatschappelijke functies. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woning gaan wonen/aanwezig zijn. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen.

Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

27

pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Leidingen Uit de risicokaart blijkt dat in of in de omgeving van het gebied geen transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen plaatsvindt, dat van invloed is op de externe veiligheid ter plaatse. Tankstations Er bevinden zich in de omgeving van de locatie twee tankstations, aan de Vaanweg 40 en Tandwielstraat 2. Beide stations hebben geen vergunning voor de verkoop van LPG, waardoor ze vanuit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmering vormen. Overige risicobronnen Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van de locatie geen risicovolle bedrijven gevestigd zijn waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. Tot slot valt de ontwikkellocatie ook niet binnen de veiligheidszone van een vuurwerkopslagplaats. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) is het eens met de voorgestelde maatregelen zoals beschreven in bovenstaande paragraaf. Daarnaast adviseert de VRR bij deze ontwikkelingen zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden.

De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven.

5.7

Bodemgeschiktheid

Beleidskader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan ‘Motorstraatgebied’ kennen de gronden de bestemming ‘Bedrijf’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Wonen is binnen deze bestemmingen niet toegestaan. In de huidige situatie is op de locatie een autoverhuur- en garagebedrijf aanwezig. Er kan niet zonder meer gesteld worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie (wonen), waardoor bodemonderzoek benodigd is. Door ABO Milieuconsult is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen al bijlage 11. Hieronder zijn de resultaten beschreven. Op basis van onderzoeksresultaten wordt de locatie als zijnde verdacht aangemerkt ten aanzien van zware metalen, minerale olie en VOCL.

Omdat op een gedeelte van de locatie (Dynamostraat 23) in het verleden geen bodemonderzoeken en ter plaatse van het overige gedeelte geen recente onderzoeken (< 5 jaar) zijn uitgevoerd, is een milieukundig bodemonderzoek benodigd. Het onderzoek wordt na de sloop van de bestaande bebouwing uitgevoerd.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

28

Conclusie Na de sloop van de bestaande bebouwing wordt een bodemonderzoek uitgevoerd. Eventuele verontreinigde gronden zullen gesaneerd worden.

5.8

Water

Beleidskader Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.

Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

29

Waterbeheerplan 2022-2027, Waterschap Hollandse Delta In het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap Hollandse Delta zijn de doelen beschreven die het waterschap tijdens de planperiode 2022-2027 wil bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid uit de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die het waterschap in 2027 bereikt wil hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen. De maatregelen zelf maken geen deel uit van dit Waterbeheerprogramma, maar worden elk jaar opnieuw in het kader van de reguliere planningen controlcyclus bepaald. Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op.

Oppervlaktewatersysteem In het voorliggende plangebied zijn in de huidige situatie geen watergangen aanwezig. Daarnaast is het plangebied geheel verhard. De hoogte van het maaiveld bedraagt ongeveer NAP -1,2 meter. Wateroverlast Indien bij een ontwikkeling een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m 2 optreedt, dient watercompensatie plaats te vinden. Het voorliggende plangebied is in de huidige situatie geheel verhard. Ook in de toekomstige situatie is volledige verharding van het plangebied voorzien. De toename aan verhard oppervlak als gevolg van de voorliggende ontwikkeling bedraagt met zekerheid minder dan 500 m 2. Bovendien zal het dak van de plint waarboven geen woningen zijn geprojecteerd worden voorzien van een groen dak. Veiligheid In en in de directe nabijheid van het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Derhalve gelden er vanuit de waterveiligheid geen belemmering voor het beoogde bouwplan. Bodemdaling Ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling zal het (grond)waterpeil niet worden aangepast. Eventuele bodemdaling in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed. Grondwateroverlast Het grondwater zit (vrij) ondiep. Indien ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat.

Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling mag de grondwaterstand (bij de realisatie) niet fluctueren. Waterkwaliteit De waterkwaliteit van het afstromend hemelwater van het plangebied zal in beperkte mate van invloed zijn op de oppervlaktewaterkwaliteit. Op het plangebied vinden geen activiteiten plaats die schadelijk kunnen zijn voor de oppervlaktewaterkwaliteit en het afstromend water van schone dakverhardingen zal naar verwachting een positief effect op de oppervlaktewaterkwaliteit hebben. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

30

kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Riolering Het is niet wenselijk om schoon regenwater te lozen op het gemengde rioolstelsel. Het is gemeentelijk beleid om in nieuwe c.q. herstructureringswijken afvalwater en regenwater gescheiden in te zamelen. De waterkwaliteit en daarmee de belevingswaarde van het water in de wijk verbetert (mede) hierdoor. De woningen zullen dan ook worden gerealiseerd met een intern gescheiden rioolstelsel. Daar waar het stratenplan wijzigt, zal ook een verbeterd gescheiden rioolstelsel worden aangelegd om te voorkomen dat het schone regenwater op het gemengde rioolstelsel wordt geloosd. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente Rotterdam. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.9

Flora en fauna

Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Met de Wnb zijn de verantwoordelijkheden voor het beleidsveld natuur overgedragen van het Rijk aan provinciale staten en gedeputeerde staten. De provincies hebben daarom via een verordening aanvullende regels vastgelegd voor de onderdelen faunabeleid, houtopstanden, tegemoetkoming faunaschade, soortenbeleid en Natura 2000. Tevens worden diverse vrijstellingen verleend in deze verordening. Daarnaast heeft de provincie Zuid-Holland regelgeving omtrent natuur vastgelegd in haar Verordening Ruimte, onder meer ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Soortenbescherming In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten: 1. het beschermingsregime Vogelrichtlijn; 2. het beschermingsregime Habitatrichtlijn. 3. het beschermingsregime Andere Soorten. De provincies kunnen voor beschermingsregime Andere Soorten een algemene ontheffing verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden).

Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen door de Nbw beschermde natuurgebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Onderzoek Soortenbescherming De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en / of diersoorten voorkomen. De bescherming van plant- en diersoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

31

Werkzaamheden zoals slopen en bouwen kunnen van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. In het kader van de Wet natuurbescherming is daarom door ABO milieuconsult in mei 2022 een quickscan ecologie naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden uitgevoerd. De quickscan is opgenomen als bijlage 5. Hieronder zijn de resultaten opgenomen. Uit de bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming evenmin. Wel wordt aanbevolen om: • open stootvoegen aan te brengen in muren, of vleermuiskasten te plaatsen in de spouw of tegen de muur; • neststenen aan te brengen ten behoeve van huismussen en gierzwaluwen; • insectenhotels te creëren; • de checklist voor groen bouwen te raadplegen. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2.

De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. De gemeente heeft de quickscan flora en fauna getoetst. Zij onderschrijven de conclusie dat er geen vervolgonderzoeken en/of extra maatregelen genomen moeten worden in verband met flora en fauna. Gebiedsbescherming De meest nabijgelegen stikstofgevoelige natuurgebieden zijn de Biesbosch (circa 19 km afstand), KrammerVolkerak (circa 22 km afstand) en Solleveld & Kapittelduinen (circa 23 km afstand). Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (bijlage 6).

Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000gebieden in de omgeving van het plan. De uitkomsten van dit onderzoek zijn hieronder in het kort beschreven. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden gedurende de gebruiksfase van de ontwikkeling in het bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie uit de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.10

Overige belemmeringen

Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het projectgebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming, zoals straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. In

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

32

de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen relevante kabels of leidingen aanwezig. Ook zijn er geen beschermingszones opgenomen.

5.11

Duurzaamheid

De gemeente Rotterdam heeft met het Programma Duurzaam actief ingezet op een schone, groene en gezonde stad. Om invulling te geven aan deze ambitie zijn diverse opgaven geformuleerd, waaronder het reduceren van de CO2-uitstoot, verbeteren van de energie-efficiëntie, omschakelen naar duurzame energie, vergroten van duurzame investeringen en het bevorderen van duurzame gebiedsontwikkeling. Het Bouwbesluit vormt het minimaal te realiseren kwaliteitsniveau in Nederland. De gemeente Rotterdam heeft daar boven op het document ‘De Rotterdamse Woningkwaliteit’ (RWK) opgesteld (meest recente versie maart 2005). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit en bestaat uit zes thema’s: oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Het RWK is vrijblijvend te gebruiken. Met het onderliggende bouwplan wordt aansluiting gezocht bij de ambities van de gemeente Rotterdam op het gebied van duurzaamheid en wordt voldaan aan de wettelijke eisen ten aanzien van duurzaamheid. De woningen zullen daarom aardgasloos worden gerealiseerd en worden aangesloten op stadsverwarming. Andere duurzame oplossingen op het gebied van de installaties, zoals vloerverwarming, ledverlichting in de gemeenschappelijke ruimten, douche-wtw, en pv-panelen, vraaggestuurde ventilatiesystemen kunnen eventueel tot de mogelijkheden behoren.

Tevens zal zoveel mogelijk worden gewerkt met natuurlijke materialen. In de ontwikkelvisie (bijlage 1) zijn duurzaamheidmaatregelen besproken die toegepast kunnen worden in het voorliggend plan. Hieronder zijn deze duurzaamheidmaatregelen ook kort beschreven. Energiebehoefte De nieuw te bouwen woningen worden ontworpen op een lage energievraag, zodat bewoners een betaalbare energierekening hebben en comfort ervaren. Uit de Klimaatatlas blijkt dat de locatie van het Dynamoblok gevoelig is voor hittestress. Daardoor ontstaat een grote koelbehoefte. Het belangrijkste principe met betrekking tot deze koelbehoefte is gebouwen bouwkundig zo te ontwerpen dat er geen of nauwelijks koeling nodig is. Daardoor blijft de energievraag beperkt. Er dient daarom tijdens het ontwerp al rekening te worden gehouden met de oriëntatie van het gebouw i.v.m. oververhitting. Ook dient er te worden nagedacht over andere, passieve hittebeperkende maatregelen zoals buitenzonwering, zonwerend glas of nachtventilatieluiken. Tevens voorzien de woningen zoveel mogelijk in hun eigen energiebehoefte. Gestimuleerd wordt om minimaal 20% beter te bouwen dan de BENG-norm voor appartementen. Ook dient er bij het energieconcept rekening te worden gehouden met de infrastructuur en energievraag voor elektrisch vervoer.

Warmte De locatie bevindt zich in het concessiegebied van Rotterdam, waar een aansluitplicht geldt op het warmtenet van Vattenfall. Warmte die vrijkomt bij het verbranden van restafval, wordt daarmee benut om woningen en andere gebouwen te verwarmen: dit is warmte die anders letterlijk verloren zou gaan. Dit draagt significant bij aan de verduurzaming van Rotterdam. De overdrachtstations voor het warmtenet worden inpandig gerealiseerd. In straatprofielen is voldoende ruimte gereserveerd voor (toekomstige) warmteleidingen. Circulaire bouw Voordat de nieuwbouw in het Dynamoblok wordt gerealiseerd, worden de huidige bedrijfspanden op het plot circulair en slim gesloopt, zodat de vrijkomende materialen hergebruikt kunnen worden in de nieuwbouw of elders in de omgeving (of daarbuiten). Er wordt door middel van een waardescan in kaart gebracht welke materialen en gebouwen aanwezig zijn op de projectlocatie en hiervan wordt verantwoord op welke manier zorg is gedragen dat deze zo hoog mogelijk worden hergebruikt. De ambities voor circulair ontwerp van de woningen het Dynamoblok bestaan uit: • Het minimaliseren van grondstof- en materiaalgebruik;

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

33

• • • • •

Het materiaalgebruik is “biobased, tenzij ”. Ook worden hergebruikte materialen en materialen met een lage milieubelasting toegepast. Het voorkomen van het gebruik van toxische stoffen; Flexibel en demontabel ontwerp om toekomstige veranderingen in de woningen bedrijfsruimtes mogelijk te maken; Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van afval tijdens het bouwproces; Behouden en nieuw toegepaste materialen worden in een Grondstoffen- of Materialenpaspoort geregistreerd, bijvoorbeeld zoals beschreven staat in de leidraad paspoorten in de bouw CB’23. Op die manier worden toekomstige grondstoffen veiliggesteld.

Hitte Het Motorstraatgebied scoort in Rotterdam gemiddeld hoog als het gaat hitte(stress). Ongeveer 70 procent van het Motorstraatgebied is verhard. De nieuwbouw van het Dynamoblok heeft een dusdanige omvang dat deze ontwikkeling ook een aanzienlijke bijdrage kan leveren aan het voorkomen van hittestress. Het maximaal vergroenen van daken, gevels en buitenruimte draagt bij aan een aangenaam verblijfsklimaat en verlaagt ook de energetische koelbehoefte. De wens is dat 40% van het totale oppervlak (de gehele schil, zowel horizontaal als verticiaal) warmtewerend wordt ingericht. Neerslag In het Motorstraatgebied wordt onderzocht welke locaties als waterberging kunnen dienen, zoals de Valkeniersweide. Echter, om extreme neerslag het hoofd te kunnen bieden is het uitgangspunt voor het Dynamoblok dat minimaal 50 mm van al het hemelwater binnen het plangebied opgevangen en vastgehouden dient te worden. De ontwikkelaar dient maatregelen te nemen om het water langer vast te houden en vertraagd af te voeren, bijvoorbeeld door groene gevels, polderdaken of door het water slim af te voeren. Natuurinclusief bouwen De ambitie is om het Motorstraatgebied als een stepping stone te laten fungeren in de ruimere ecologische structuur van de Nieuwe Hilledijk naar de Valkeniersweide.

Voor het Dynamoblok betekent dit de volgende uitgangspunten: • Het faciliteren van flora en fauna op het dak door groene, extensieve daken waarbij er gedifferentieerd wordt per dakhoogte (hoge daken hebben ecologisch minder waarde); • Nestelplekken voor (gier)zwaluwen; • Verblijfplaats voor vleermuizen (in verschillende windrichtingen); • Nestgelegenheden voor huismussen; • Aandacht voor een goede bodemstructuur, zowel op het dak als in de binnentuin; • Zoveel mogelijke erfafscheidingen indien van toepassingen; • Aandacht voor insectenverblijven (bv. dode boomstammen of insectenhotel); • Aandacht voor vleermuiskolonies in spouwmuren van middelhoogbouw.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

34

6.

Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in Beleidsplan Naleving omgevingsrecht 2021-2025, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

35

7.

Financiële uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Gelet op het voorgaande wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

36

8.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1

Participatie

De voorliggende ontwikkeling voorziet in de sloop van de bestaande bebouwing en het terugbouwen van een nieuw appartementengebouw met in de plint commerciële en/of maatschappelijke functies. De nieuwe bebouwing wordt op zorgvuldige wijze ingepast in de bestaande bebouwingsstructuur. Daarnaast is de ontwikkelvisie reeds bekend in buurt. De voorgenomen ontwikkeling geeft daar invulling aan. Op 30 juni 2022 is een participatie bijeenkomst georganiseerd. Aangenomen wordt dat er geen bezwaren bestaan tegen deze ontwikkeling. Niettemin wordt de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen.

8.1

Voorbereidingsfase

Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan diverse overleginstanties. De ontvangen reacties zijn in het bestemmingplan verwerkt.

8.2

Ontwerpfase

Na het wettelijk vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit het vooroverleg worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving). Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient - met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening - ook via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten.

Bestemmingsplan ‘Dynamoblok – Fase 1’ Toelichting - Ontwerp

Regels

2

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1

INLEIDENDE REGELS

4

Artikel 1

Begrippen

4

Artikel 2

Wijze van meten

7

BESTEMMINGSREGELS

8

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Gemengd - 3

8

Artikel 4

Verkeer - Verblijfsgebied

10

Artikel 5

Waarde - Archeologie 2

11

Hoofdstuk 3

ALGEMENE REGELS

13

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel

13

Artikel 7

Algemene bouwregels

14

Artikel 8

Algemene afwijkingsregels

15

OVERGANGS- EN SLOTREGELS

16

Artikel 9

Overgangsrecht

16

Artikel 10

Slotregel

17

Hoofdstuk 4

Bijlagen bij de regels Bijlage 1

Lijst van bedrijfsactiviteiten categorie 1 t/m 3.1 (met a)

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

INLEIDENDE REGELS

Begrippen

Plan

het bestemmingsplan 'Dynamoblok - Fase 1' met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP29257-0001 van de gemeente Rotterdam. PM IMRO-code 1.2

Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen. Verdere begrippen in alfabetische volgorde: 1.3

Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

Archeologisch deskundige

Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.6

Archeologisch monument

Monument als bedoeld in artikel 1 onder c. van de Monumentenwet 1988. 1.7

Bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.8

Bedrijven

De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels. 1.9

Bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.10

Bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming. 1.11

Bouwaanduidingen

alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.12

Bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.13

Bouwgrens

de grens van een Bouwvlak.

4

1.14

Bouwlaag

het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en een plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, zolder, souterrain, parkeerplint, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt. 1.15

Bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.16

Bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.17

Brutovloeroppervlakte (b.v.o.)

het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijv. bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, en kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen en een expeditiestraat worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.18

Dakterras

een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit. 1.19

Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.20

Dove gevel

a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede, b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits deze niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. In dit verband wordt onder een geluidsgevoelige ruimte verstaan een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2. 1.21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=d87f3cdb-381d-4c76-ac7c-a6fd03f80900