CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003042] Bijlage 1 behorende bij 24bb003057 - Ontwerpbestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 4 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting33.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Mogelijk

Vissen

Nee

Nee

Nee

Amfibieën

Minimaal

Nee

Nee

Reptielen

Nee

Nee

Nee

Overige soorten

Nee

Nee

Nee

Figuur 6.5: Beoordeling soortenbescherming (bron: Quickscan LOO PLAN, kenmerk: 2020-100910-1872) Nader onderzoek Uit het nader onderzoek blijkt dat (verblijfsplaatsen van) huismus en gierzwaluw niet zijn aangetroffen in het plangebied. Een ontheffing voor deze soorten is dan ook niet nodig. Wel zijn verblijfsplaatsen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis aangetroffen. Deze verblijfsplaatsen zijn jaarrond beschermd en met de voorgenomen werkzaamheden wordt artikel 3.5 lid 2 en 4 (verstoring en vernieling verblijfplaats) van de Wet natuurbescherming overtreden. Daarom is een activiteitenplan opgesteld en

Toelichting (concept)

63

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Tot slot wordt gewezen op de algemene zorgplicht. Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar dieren die in het aanliggende groen hun verblijfplaats hebben (merel, koolmees, egels etc.). Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland; deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Externe effecten ten gevolge van de werkzaamheden op het Natuurnetwerk Nederland zijn gezien de afstand (3,7 km) uitgesloten. Negatieve externe effecten van verstoring door geluid, licht, trillingen etc. zijn op voorhand uit te sluiten gezien de ruime afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk (8,7 km). Stikstof Ten behoeve van de ontwikkeling heeft onderzoeksbureau Econsultancy onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd, zie bijlage 13.

Het projecteffect voor zowel de realisatie- als gebruiksfase op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt dan ook geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof.

6.9.3

Conclusie

Uit de quickscan volgt dat negatieve effecten zijn uitgesloten, wat betreft gebiedsbescherming. In verband met de aanwezigheid van vleermuizen, is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Het aspect soortenbescherming vormt zodoende een randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling.

6.10 Bezonning 6.10.1 Algemeen Voor de beoordeling van bezonning van woningen gelden geen landelijke normen. Om een indruk te krijgen van de bezonningssituatie wordt in de praktijk voor een planologische procedure vaak gebruik gemaakt van de 'lichte TNO- norm'. Een gebouw voldoet aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Rotterdams beleid Op 9 september 2021 heeft de gemeente Rotterdam het Afwegingskader bezonning vastgesteld. In het Afwegingskader bezonning is beschreven wat het afwegingskader is voor nieuwe ontwikkelingen. In het beleid is vastgelegd dat primair wordt uitgegaan van de 2 uur benedengrens voor bezonning zoals bij de lichte TNO-richtlijn, maar de toetsingsdata worden gelijkgetrokken met die van de gemeentelijke hoogbouwvisie, waarin als maatgevende periode 21 maart t/m 21 september gehanteerd. Omdat de hoogte van de zon op 21 maart en 21 september gelijk is, hoeft alleen op 21 september gemeten te worden. Het afwegingskader heeft als uitgangspunt minimaal 2 uur zon voor bestaande omliggende woningen. In eerste instantie wordt er kwantitatief gekeken naar de effecten op het aantal zonuren. Mochten er desondanks nog steeds toetspunten zijn die niet voldoen aan de uitgangspunten, dan kan er als laatste stap ook een kwantitatieve afweging gemaakt worden.

Het stappenschema ziet er als volgt uit:

64

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Bouwplan vraagt mogelijk nadere afweging op volgende criteria: * proportionele afweging ' verdichtings afweging * typologische afwegtng Figuur 6.6: Stappenschema afwegingen bezonning (Afwegingskader bezonning gemeente Rotterdam, p.8)

6.10.2 Plangebied Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een bezonningstudie uitgevoerd door Groosman Architecten, zie bijlage 14. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. In het bezonningsonderzoek zijn de zon- en schaduweffecten van de beoogde nieuwbouw in kaart gebracht en getoetst aan de lichte TNO-norm en bovendien is de situatie op 21 september in beeld gebracht in relatie tot het gemeentelijk Afwegingskader bezonning. Hieruit blijkt dat zowel op 19 februari als 21 oktober wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Enkel het politiebureau ten oosten van de ontwikkeling (kruising Hoofdweg/Prins Alexanderlaan) ondervindt vermindering in bezonningsuren door de schaduw die wordt toegevoegd. De TNO norm toetst echter niet op kantoorgebouwen maar alleen op woongebouwen. Aan de zuidzijde van de ontwikkeling bevinden zich woningen. Deze hebben geen vermindering van de bezonningsuren. Sterker nog, deze krijgen geen extra beschaduwing en behouden het huidige aantal

Toelichting (concept)

65

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

bezonningsuren. De woningbouwblokken aan de overzijde van de Prins Alexanderlaan ondervinden minimale hinder van de schaduw net voor zonsondergang. Ook hier blijven de 2 bezonningsuren per dag ruim gehandhaafd op alle toetsingsdata. Het plan voldoet zodoende ook aan het gemeentelijk Afwegingskader bezonning.

6.10.3 Conclusie Uit de bezonningsstudie volgt dat in de toekomstige situatie met de nieuwbouw zowel aan de lichte TNO-norm als het gemeentelijk Afwegingskader voldaan wordt. Het aspect bezonning voldoet aan de van toepassing zijnde kaders.

6.11

Windhinder

6.11.1 Algemeen Voor het aspect windhinder bestaat geen wettelijk kader. Hiervoor wordt in de praktijk aangesloten bij de Nederlandse Norm (NEN 8100). Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties winhinderonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een nokhoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek noodzakelijk geacht. Echter is het onderzoek op basis van het Rotterdamse hoogbouwbeleid pas noodzakelijk bij gebouwen van ^0 meter. In het kader van een goed woon- en leefklimaat is het aspect windhinder wel onderzocht.

6.11.2 Plangebied Vanwege de geplande bouwhoogte van maximaal 50 meter, is door Peutz een windhinderonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 15. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Tijdens dit onderzoek is uitgegaan van een maximale benutting van de bestemmingsvlakken, waardoor de onderzochte situatie als 'worst case scenario' kan worden beschouwd. Ook is uitgegaan van een verouderd plan met iets hogere bouwhoogte, maar uit expert judgement (Peutz) blijkt dat een verlaging van de bouwhoogte in dit geval in essentie een positief effect op het windklimaat heeft. Ook in dit opzicht kan het onderzoek zodoende als 'worst case' worden beschouwd. Onderstaande figuur geeft de onderzoeksresultaten weer.

66

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Figuur 6.7: Het te verwachten windklimaat in de worst case bebouwingssituatie (bron: Onderzoek windhinder, Peutz) Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: »

«

»

« »

In de geplande bebouwingssituatie is rondom de geplande nieuwbouw sprake van een overwegend goed, en plaatselijk matig windklimaat. Er is geen sprake van een overschrijding van het gevaarcriterium. Voor windgevoelige functies, zoals gebouwentrees, is het criterium slenteren van toepassing. Voor de gevels van de geplande nieuwbouw op de begane grond is een overwegend goed windklimaat voor slenteren vastgesteld. Voornamelijk nabij enkele van de gebouwhoeken is plaatselijk sprake van een matig tot slecht windklimaat. Het advies is de gebouwentrees te plaatsen op locaties waar sprake is van een goed windklimaat. Mocht een entree toch gepland zijn op een locatie waar het windklimaat matig of slecht is worden windafschermende maatregelen geadviseerd. Hierbij kan worden gedacht aan zijschermen loodrecht op de gevel of het plaatsen van de entree in een nis. Voor de oostelijk gelegen bestaande omgevingsbebouwing, het politiebureau, is ter plaatse van de laaddeur aan de westzijde en bij de entree aan de zuidzijde sprake van een matig windklimaat. Het windklimaat in het plangebied kan desgewenst worden verbeterd door het aanbrengen van begroeiing, met name langs de oostelijke kavelgrens en in de gebieden met een verhoogde hinderkans.

Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een acceptabel windklimaat. Er is geen sprake van overschrijding van het gevaarcriterium. Maatregelen kunnen worden toegepast om het windklimaat lokaal te verbeteren en zullen bij de de nader planuitwerking verder vormkrijgen.

Toelichting (concept)

67

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

6.11.3 Conclusie Het aspect windhinder is geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.12 Duurzaamheid 6.12.1 Algemeen Rotterdam ambieert een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de stad, de regio en de haven. Binnen de stad speelt het streven naar duurzaamheid op alle schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad als geheel, als op het niveau van de verschillende stadsdelen: de binnenstad, wijken en buurten en op het niveau van een gebouw. Deze duurzaamheidsambitie is uitgewerkt in een aantal beleidsplannen, zoals het Programma Duurzaam, Rotterdamse Woningkwaliteit (RWK), het Waterplan Rotterdam, Gezond in de stad, de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit (RAL) en het Rotterdam Climate Initiative (RCI). Duurzame energie Eén van de meest ambitieuze doelstellingen is om de CO2-uitstoot in 2025 met 500Zo te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. Ook wordt in 2025 gestreefd naar een energie neutrale gebouwde omgeving. Om een substantiële bijdrage aan deze doelstelling te leveren en energie te besparen, is het beleid van de gemeente Rotterdam er op gericht zoveel mogelijk woningen, bedrijven en voorzieningen aan te sluiten op een collectief warmtenet. Dit warmtenet omvat een stelsel van leidingen waardoor warm water wordt gepompt voor verwarming en warm tapwater. Daarbij wordt als warmtebron gebruik gemaakt van industriële restwarmte.

Bij grootschalige toepassing, op gemeentelijk niveau, wordt een grote milieuwinst behaald op het gebied van het broeikaseffect (CO2) en de lokale luchtkwaliteit (NOx). Dankzij de in 2007 doorgevoerde aanpassing van de bouwverordening wordt aansluiting op het warmtedistributienet bevorderd. Indien ter plaatse een warmtedistributienet aanwezig is, dan dient een te bouwen bouwwerk te worden aangesloten op dat net. Dit is aan de orde als het bouwwerk minder dan 40 meter van de dichtstbijzijnde leiding ligt, of als de kosten van de aansluiting niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter. De gemeente bevordert het opwekken van duurzame energie in de gebouwde omgeving. Kleine windmolens ('urban wind') en photovoltaïsche zonnepanelen (PV) zijn nu nog niet concurrerend met netstroom, maar dat wordt in de nabije toekomst wel verwacht. Naast bovengenoemde maatregelen moeten nieuw op te richten gebouwen of gebouwen die gerenoveerd worden daarom wat betreft daklast ook geschikt zijn voor het (na)plaatsen van zonnepanelen, zonneboiler of een groen dak. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam dient bij het ontwerp van gebouwen rekening te worden gehouden met duurzaam bouwen principes en de energieprestatie eisen.

Duurzaam bouwen Bij duurzaam bouwen is de insteek om er zorg voor te dragen dat tijdens de hele kringloop van bouwen, renoveren en beheren van bouwwerken, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het Bouwbesluit geeft aan welk kwaliteitsniveau ten minste is vereist. In Rotterdam geldt daarnaast 'De Rotterdamse Woningkwaliteit' (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit en bestaat uit zes thema's: oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Groene daken De gemeente Rotterdam stimuleert de aanleg van groene daken in Rotterdam. Zo is er een aantrekkelijke subsidie voor huiseigenaren en heeft de stad inmiddels een aantal gemeentelijke gebouwen voorzien van een groen dak. Wanneer groene daken op grote schaal worden toegepast dragen ze bij aan een duurzame en gezonde stad. Groene daken vangen regenwater op en voeren het vertraagt af. Hierdoor wordt het riool minder belast als het hard regent. Groene daken nemen stofdeeltjes op uit de atmosfeer en vormen zo een buffer tegen luchtvervuiling. Daarmee leveren groene daken een bijdrage aan de vermindering van

68

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

CO2-uitstoot. Een beplant dak isoleert het pand eronder. Daardoor blijft het vooral in de zomer koeler in huis. Bovendien stralen groene daken bij hogere temperaturen minder warmte uit waardoor het ook een gunstige invloed heeft op de omgevingstemperatuur. En natuurlijk wordt de stad groener, waardoor er meer kansen komen voor flora en fauna en de leefbaarheid wordt verbeterd.

6.12.2 Plangebied Op de woontoren worden zonnepanelen en/of groene daken gerealiseerd. Daarnaast is het voornemen om een autonoom warmtenet te realiseren in het plangebied. Het warmtenet maakt o.a. gebruik van warmte-koudeopslag (WKO) in de bodem. Voor het te transformeren bouwdeel worden op de daken zonnepanelen gerealiseerd en/of er worden groene daken gerealiseerd. In dit bouwdeel wordt tevens een daktuin gemaakt. In het plangebied wordt rondom de bebouwing een grote tuin aangelegd met veel bomen en diverse beplanting. Verder wordt extra water(berging) toegevoegd in het plangebied. Het verwijderen van verharding heeft voordelen voor de infiltratie van hemelwater.

6.12.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid.

Toelichting (concept)

69

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Hoofdstuk 7

Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2017-2021, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

70

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In deze situatie is daarvan sprake. In het kader van de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarmee zijn alle gemeentelijke kosten gedekt. De ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Rotterdam vervult hierin enkel een kaderstellende en toetsende rol. Gelet op het vorenstaande is het plan financieel uitvoerbaar.

Toelichting (concept)

71

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Hoofdstuk 9 9.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

In het kader van de beoogde ontwikkeling hebben sinds 2021 reeds diverse participatiemomenten plaatsgevonden in het kader van de totstandkoming van het ontwerpbestemmingsplan. Het verslag hiervan is opgenomen als bijlage 16. In dit verslag vindt u een samenvatting van de middelen en activiteiten die zijn ingezet in het participatietraject, oftewel: » » » »

Welke communicatiemiddelen zijn ingezet Welke participatiemomenten er zijn geweest; Wat op deze momenten is besproken; Welke input is opgehaald en hoe dit wel/niet is meegenomen in de planvorming.

Kortheidshalve wordt dan ook verwezen naar het verslag in bijlage 16 bij deze toelichting.

9.2

Vooroverleg

In het kader van het wettelijke bestuurlijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, is het concept bestemmingsplan op 28 juni 2021 toegezonden aan diverse bestuurlijke partners. De destijds ingekomen reacties zijn in dit bestemmingsplan verwerkt. Vanwege wijzigingen in het plan, is het bestemmingsplan volledigheidshalve op 11 juli 2023 opnieuw toegezonden aan de bestuurlijke partners. »

» »

»

De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) heeft aangegeven met betrekking tot dit plan geen relevante fysieke veiligheidsaspecten te hebben geconstateerd. Wel is advies uitgebracht met betrekking tot klimaatbestendig bouwen en bereikbaarheid voor hulpdiensten. Het advies is verwerkt in paragraaf 6.8 Externe veiligheid van deze toelichting. KPN heeft verzocht om bij een definitief plan een VTW aan KPN te richten om de locatie bouwrijp te maken. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zal hier rekening mee gehouden worden. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de plannen. In het bestemmingsplan zijn de met het waterbeheer verbonden belangen voldoende gewaarborgd. Wel verzoekt het waterschap op de hoogte gehouden te worden bij de verdere uitwerking. Provincie Zuid Holland concludeert dat het plan voldoet aan de provinciale verordening en provinciaal beleid. Wel is op verzoek van de provincie de beleidsparagraaf op enkele punten aangescherpt, in lijn met de provinciale verordening en regionale woningmarktafspraken.

Van de overige instanties is geen reactie ontvangen. Aangenomen wordt dat zij kunnen instemmen met de beoogde plannen.

9.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan. Ingekomen zienswijzen worden te zijner tijd in deze paragraaf samengevat en beantwoord. Daarbij wordt aangegeven of en hoe de zienswijze heeft geleid tot een wijziging van het bestemmingsplan. Gecoördineerde aanvraag vergunningen Voor een deel van de vergunningen die nodig zijn voor de beoogde ontwikkeling, geldt dat de coördinatieregeling wordt toegepast. Dit betekent dat de betreffende vergunningen gelijktijdig met het bestemmingsplan ter inzage zullen liggen en dat eenzelfde beroepsgang als het bestemmingsplan van toepassing zal zijn op de gecoördineerde vergunningen.

72

Toelichting (concept)

LEGENDA Plangebied es Plangebied

Bouwvlakken

Enkelbestemmingen

Maatvoeringen

s

bouwvlak

Gemengd

maximum bebouwingspercentage (07o)

Groen

maximum bouwhoogte (m)

v-we

Verkeer - Wegverkeer

WA

Water

W

Wonen

Verklaringen ondergrond

Dubbelbestemmingen -WR-A-

Waarde - Archeologie

H- WR-ç ±

Waarde - Cultuurhistorie

s

RUIMTE 8i MILIEU in samenwerking met

project:

BESTEMMINGSPLAN HOOFDWEG 256-260 Gemeente Rotterdam projectnummer:

onderdeel

verbeelding identificatienummer:

status

ontwerp

NL.IMRO.0599.BP2190Hfdw256260-ON01 bladnummer: van 1

opdrachtgever: MEEES RUIMTE & MILIEU SCHAAL

:

1

1 : 1.000

datum

FORMAAT

:

31 mei 2023

bestandsnaam: 21MEERM006-013

Ruimteloket, data in kaart |

Torenallee 45

| |

040 304 10 85 | info@ruimteloket.nl | www.ruimteloket.nl |

| 5617BA Eindhoven |

Hoofdweg 256-260

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstukl

INLEIDENDEREGELS

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 8

Hoofdstuk2

BESTEMMINGSREGELS

9

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Gemengd Groen Verkeer - Wegverkeer Water Wonen Waarde - Archeologie Waarde - Cultuurhistorie

9 11 12 13 14 16 18

Hoofdstuk3

ALGEMENEREGELS

19

Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

19 20 21 22

Hoofdstuk4

OVERGANGS-EN SLOTREGELS

23

Artikel 14 Artikel 15

Overgangsrecht Slotregel

23 24

2

Inhoudsopgave (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Regels

Regels (concept)

3

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Hoofdstuk 1 Artikel 1

1.1

INLEIDENDE REGELS

Begrippen

Plan:

Het bestemmingsplan Hoofdweg 256-260 als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0599.BP2190Hfdw256260-on01 van de gemeente Rotterdam.

1.2

Bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).

1.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5

Archeologisch deskundige

Archeologie Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie.

1.6

Archeologisch monument

Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet.

1.7

Bebouwing

Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.8

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.9

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.10

Bouwaanduidingen

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken.

1.11

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.12

Bouwgrens

De grens van een Bouwvlak.

1.13

Bouwlaag

Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine

4

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt, tenzij in de bestemmingsregels in hoofdstuk 2 anders is bepaald.

1.14

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.15

Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

1.16

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.17

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.18

Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)

Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend.

1.19

Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

1.20

Bijgebouw

Vrijstaand gebouw dat door constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde perceel.

1.21

Dakterras

Een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk waarvan de bouwhoogte minimaal 1,2 meter bedraagt.

1.22

Erf

Terrein ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen, waterlopen en bouwwerken van lichte constructie (carports, slagbomen, fietsenstallingen e.d.).

1.23

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.24

Geluidsgevoelige objecten

Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidsgevoelig kan worden beschouwd.

Regels (concept)

5

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

1.25

Horeca

Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank.

1.26

Maaiveld

De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden.

1.27

Milieudeskundige

De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie.

1.28

(Openbare) nutsvoorzieningen

Op het (openbaar) leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen).

1.29

Openbaar toegankelijk gebied

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b. van de Wegenverkeerswet 1994, openbaar water, alsmede ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van de zogenaamde brandpaden voor de achterontsluiting van tuinen voor langzaam verkeer.

1.30

Peil (straat-)

a.

voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein. Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend.

1.31

Student

Persoon die ingeschreven is bij een voltijds studie aan een MBO-, HBO- of universiteit, dan wel een persoon die niet langer dan 6 maanden uitgeschreven is bij een voltijds studie aan een MBO-, HBO- of universiteit.

1.32

Studentenwoning

Een zelfstandige dan wel onzelfstandige woonruimte ten behoeve van de huisvesting van één student.

1.33

Tuin

Terrein ten behoeve van de aanleg van groenvoorzieningen, met de daarbij behorende verharding (paden, terrassen) en vijvers en dat in overwegende mate niet voor bebouwing in aanmerking komt.

1.34

Uitstekende delen aan gebouwen

Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d.

1.35

Water

Waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater.

1.36

Woning

Zelfstandige woonruimte.

6

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

1.37

Wet geluidhinder

De Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.

1.38

Zelfstandige woonruimte

Woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.

Regels (concept)

7

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1

de dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.2

de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.3

de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.4

de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5

de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk.

2.6

de breedte van een gebouw

Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte.

2.7

de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens

Vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens.

8

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

BESTEMMINGSREGELS

Gemengd

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

wonen; kantoren, met een gezamenlijk b.v.o. van maximaal 4.900 m2; voorzieningen behorend bij bovengenoemde functies, zoals parkeervoorzieningen, gemeenschappelijke ruimten, tuinen en erven, groen, ontsluitingswegen en -paden; 'Waarde - Archeologie', voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd.

met daaraan ondergeschikt: e. f. g. h. i. j.

horeca; berg- en stallingsruimten; daktuinen; waterlopen en waterberging; kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer; bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

Op de voor 'Gemengd' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 3.2.2

Medebestemming

Voor zover de gronden mede zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie', is voor het bouwen van het bepaalde terzake in genoemde bestemming mede van toepassing. 3.2.3

Bebouwingsnormen

Op de in 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat: a. b. c. d.

gebouwen enkel zijn toegestaan binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' ten hoogste de op de verbeelding aangegeven maximale bouwhoogte is toegestaan; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 m mag bedragen; in afwijking van het genoemde in lid 3.2.3 onder a zijn kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, zoals transformatorstations, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, gasdrukregel- en meetstations, wachthuisjes e.d., niet groter dan 80 m3 buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak toegestaan.

3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1

Wonen

Wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, is toegestaan met dien verstande dat: a. b.

zowel woningen als studentenwoningen zijn toegestaan; het totaal aantal woningen en studentenwoningen binnen de bestemming 'Gemengd' gezamenlijk niet meer dan 330 wooneenheden bedraagt. 3.3.2 Toegestane bedrijven Uitsluitend bedrijfsactiviteiten in categorie A als bedoeld de bij deze regels horende Staat van bedrijfsactiviteiten functiemenging.

Regels (concept)

9

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

3.3.3

Aan huis gebonden beroep of bedrijf bij wonen

Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf, mits: a. b. c. d. e.

3.4

de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 300Zo mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; ten aanzien van een aan huis gebonden bedrijf sprake is van een bedrijf tot en met categorie 1 als bedoeld in de bij deze regels horende Lijst van Bedrijfsactiviteiten; de gevel en dakrand van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame-uitingen; er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf.

Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.3.2 terzake van de toegestane bedrijfsactiviteiten ten behoeve van andere bedrijfsactiviteiten dan die primair zijn toegelaten, welke - gehoord de milieudeskundige - daarmede naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn.

10

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 4 4.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

groenvoorzieningen als park en plantsoen, met bijbehorende voet- en fietspaden; waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming; voorzieningen ten behoeve van verblijven en spelen, zoals trottoirs en trappen; 'Waarde - Archeologie' voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd.

4.2

Bouwregels

4.2.1

Algemeen

Op de voor 'Groen' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a.

b. c.

kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, zoals transformatorstations, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, gasdrukregel- en meetstations, wachthuisjes e.d., niet groter dan 80 m3; bouwwerken - ondergronds en bovengronds - voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, mits niet groter dan 10 m3; uitstekende delen aan gebouwen, niet dieper dan 2 meter uit de gevel en ten minste 2,2 meter boven maaiveld.

4.2.2

Medebestemming

Voor zover de gronden mede zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie' is voor het bouwen het bepaalde terzake in genoemde bestemmingen mede van toepassing.

Regels (concept)

11

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 5

Verkeer - Wegverkeer

De voor 'Verkeer - Wegverkeer" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.

voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, fietspaden, parkeerplaatsen, met de daarbij behorende kunstwerken zoals viaducten, bruggen, duikers; voorzieningen ten behoeve van wandelen en verblijven, zoals trottoirs, paden en trappen; groenvoorzieningen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; bouwwerken ten behoeve van kleinschalige openbaar nutsvoorzieningen, verkeer en vervoersvoorzieningen; geluidswerende voorzieningen; uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming; 'Waarde - Archeologie' voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd.

5.1

Bouwregels

5.1.1

Algemeen

Op de voor 'Verkeer - Wegverkeer' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a.

b.

in de bestemming passende bouwwerken (geen gebouwen zijnde), zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers (al dan niet ondergronds) niet groter dan 10 m3, alsmede niet voor bewoning bestemde kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, welke gebouwen niet groter mogen zijn 80 m3; uitstekende delen aan gebouwen als bedoeld in het eerste lid onder f, niet dieper dan 2 meter uit de gevel en tenminste 2,2 meter boven maaiveld.

5.1.2

Medebestemming

Voor zover de gronden mede zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie' is voor het bouwen het bepaalde terzake in genoemde bestemmingen mede van toepassing.

12

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 6 6.1

Water

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.

waterlopen en waterberging, de aan- en afVoer van oppervlaktewater, met bijbehorende voorzieningen. 'Waarde - Archeologie' voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd.

6.2

Bouwregels

6.2.1

Algemeen

Op de voor 'Water' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van waterbouwkundige aard, zoals keerwanden, beschoeiingen, duikers, bruggen, gemalen e.d. 6.2.2

Medebestemming

Voor zover de gronden mede zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie', is voor het bouwen het bepaalde terzake in genoemde bestemming mede van toepassing.

Regels (concept)

13

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 7 7.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

b. c.

woningen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen en garageboxen, gemeenschappelijke ruimten, aanbouwen, bijgebouwen, alsmede tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en -paden; 'Waarde - Archeologie' voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd; 'Waarde - Cultuurhistorie' voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd.

met daaraan ondergeschikt: d. e. f. g.

daktuinen; waterlopen en waterberging; kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer; niet openbare nutsvoorzieningen.

7.2

Bouwregels

7.2.1

Algemeen

Op de voor "Wonen" bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 7.2.2

Medebestemming

Voor zover de gronden mede zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Cultuurhistorie' is voor het bouwen het bepaalde terzake in genoemde bestemming mede van toepassing. 7.2.3

Bebouwingsnormen

Op de in 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat: a. b. c. d. e.

gebouwen enkel zijn toegestaan binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak; ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' ten hoogste de op de verbeelding aangegeven maximale bouwhoogte is toegestaan; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 m mag bedragen. erfafscheidingen niet hoger mogen worden dan 2 meter, met uitzondering van de erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn, die niet hoger mogen zijn dan 1 meter; in afwijking van het genoemde in lid 7.2.3 onder a zijn kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, zoals transformatorstations, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, gasdrukregel- en meetstations, wachthuisjes e.d., niet groter dan 80 m3 buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak toegestaan.

7.3

Specifieke gebruiksregels

7.3.1

Wonen

Wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, is toegestaan met dien verstande dat: a. b.

studentenwoningen niet zijn toegestaan; het totaal aantal woningen binnen de bestemming ''Wonen" niet meer dan 120 wooneenheden bedraagt. 7.3.2 Aan huis gebonden beroep of bedrijf

Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf, mits: a. b.

14

de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30oZo mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; ten aanzien van een aan huis gebonden bedrijf sprake is van een bedrijf tot en met categorie 1 als bedoeld in de bij deze regels horende Lijst van Bedrijfsactiviteiten;

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

c. d. e.

de gevel en dakrand van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame-uitingen; er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf.

7.4

Afwijken van de gebruiksregels

7.4.1

Bedrijfsactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.3.2 terzake van de toegestane bedrijfsactiviteiten ten behoeve van andere bedrijfsactiviteiten dan die primair zijn toegelaten, welke - gehoord de milieudeskundige - daarmede naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn.

Regels (concept)

15

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 8 8.1

Waarde - Archeologie

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

8.2

Bouwregels

8.2.1

Rapport archeologisch deskundige

In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 8.3.1. 8.2.2

Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.3.1

Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 8.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m2 beslaan. 8.3.2 a. b. c. d. e. f.

Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden

grondbewerkingen (van welke aard dan ook); het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

8.3.3

Uitgezonderde werkzaamheden

Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.

16

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

8.3.4

Vergunning

Vergunning wordt verleend, nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 8.3.5

Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning

Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Regels (concept)

17

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 9 9.1

Waarde - Cultuurhistorie

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aan het gebied eigen zijnde cultuurhistorische waarden.

9.2

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

9.2.1

Verbod

Op de voor 'Waarde - Cultuurhistorie' bestemde gronden is het verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 9.2.2

Uitzondering op verbod

In afwijking van het bepaalde in lid 9.2.1 is geen vergunning vereist ingeval van: a. b. c.

een aanschrijving van burgemeester en wethouders op grond van de Woningwet (hoofdstuk III); bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is; een vergunning voor het slopen van een bouwwerk vereist is ingevolge een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening en deze vergunning verleend is.

9.2.3

Vergunning

Vergunning wordt verleend, indien: a. b.

sprake is van maatschappelijke, technische, dan wel economische overwegingen, en nieuwbouw mogelijk is en aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat op de plaats van het (gedeeltelijk) te slopen bouwwerk nieuwbouw zal plaatsvinden met inachtneming van de vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang zijnde stedenbouwkundige, bouwkundige, architectonische en ensemble waarden, die onder andere worden gevormd door de situering, schaal, vorm en geleding van de bebouwing.

9.2.4

Advies

Alvorens te beslissen op een aanvraag winnen burgemeester en wethouders het advies in van de commissie voor Welstand en Monumenten of diens rechtsopvolger.

18

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Hoofdstuk 3 Artikel 10

ALGEMENE REGELS

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Regels (concept)

19

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 11 11.1

Algemene bouwregels

Afdekking van gebouwen

Ingeval noch de regels, noch de verbeelding (plankaart) duidelijkheid verschaffen over de wijze van afdekking van gebouwen, mogen gebouwen zowel met een kap als plat worden afgedekt.

11.2

Dakkapellen

Tenzij in de regels in hoofdstuk 2 anders is bepaald, is op een kap/schuin dakvlak een dakkapel toegestaan, onder de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e.

ingeval zij geplaatst wordt op het voordakvlak of een naar het openbaar toegankelijke gebied gekeerd dakvlak, mag zij niet breder zijn dan 2/3 deel van bedoeld dakvlak; niet meer dan één dakkapel mag op elk van bedoelde dakvlakken worden gerealiseerd; op een ander dakvlak dan de onder sub a. genoemde, zijn meerdere dakkapellen toegestaan, waarbij de dakkapellen in totaal niet breder mogen zijn dan 2/3 deel van het bedoeld dakvlak; op een aanbouw aan een hoofdgebouw is een dakkapel alleen toegestaan op het achterdakvlak; in alle gevallen geldt dat een dakkapel dient te voldoen aan de volgende eisen: 1. voorzien van een plat dak; 2. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,50 meter; 3. onderzijde meer dan 0,5 meter en minder dan 1 meter boven de dakvoet; 4. bovenzijde meer dan 0,5 meter onder de daknok; 5. zijkanten meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak.

11.3

Geluidsgevoelige objecten

Bij de realisatie van Geluidsgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder moet, voor zover de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder worden overschreden, worden voldaan aan het besluit hogere grenswaarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd, met inbegrip van de in dat besluit opgenomen voorwaarden en maatregelen.

20

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 12 12.1

Algemene afwijkingsregels

Afwijking toegestane afmetingen, maten en percentages

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor afwijkingen van toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages tot niet meer dan 100Zo van die afmetingen, maten en percentages, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie.

12.2

Afwijking toegestane bouwhoogte techniek

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, ten behoeve van technische voorzieningen op het dak, welke noodzakelijk zijn voor het doelmatig functioneren van het bouwwerk, zoals liftopbouwen, lichtkoepels, schoorstenen, antennemasten, luchtverversingsapparatuur, glazenwas installatie e.d., mits de overschrijding van de maximum bouwhoogte niet meer dan 5 meter bedraagt, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Regels (concept)

21

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 13 13.1

Overige regels

Voorwaardelijke verplichting over parkeren

Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de 'Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Indien dit beleid wordt gewijzigd of herzien, wordt een aanvraag voor een omgevingsvergunning getoetst aan het op dat moment geldende beleid.

22

Regels (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Hoofdstuk 4 Artikel 14 14.1

OVERGANGS- EN SLOTREGELS

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

14.1.1 Aanwezige bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 14.1.2 Afwijking Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 100Zo. 14.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.2

Overgangsrecht gebruik

14.2.1 Bestaand gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 14.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 14.2.3

Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 14.2.4 Uitzonderingen op het overgangsrecht gebruik Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Regels (concept)

23

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Artikel 15

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Hoofdweg 256-260'.

24

Regels (concept)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=142456bd-e1ca-41f9-a409-f0a504e78fb3