CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb003042] Bijlage 1 behorende bij 24bb003057 - Ontwerpbestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 4 juni 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting33.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

6.2.3

Conclusie

Het bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig. Er dient een vormvrij m.e.r. beoordelingsbesluit genomen te worden.

6.3

Verkeer en parkeren

6.3.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Momenteel is de "Beleidsregeling Parkeernomen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" het geldende parkeerbeleid. De "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" is vastgesteld door de Raad van de gemeente Rotterdam op 16 december 2021. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt getoetst aan de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeernormen. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij: » »

Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project. Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feítelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis.

De beleidsregels zijn van toepassing bij de beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning.

Toelichting (concept)

47

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

6.3.2

Plangebied

Ontsluitingssituatie Het plangebied wordt ontsloten door de Hoofdweg. Via de Hoofdweg bereikt men de doorgaande weg, die tevens de Hoofdweg heet. De Hoofdweg kruist met de Capelseweg, welke vervolgens zorgt voor een goede verbinding met de snelweg A20. Vanaf het plangebied is de A20 binnen 10 minuten te bereiken. De verwachting is dat de huidige ontsluitingsweg een toename in verkeersgeneratie aan kan. Verder op een afstand van circa 350 meter van het plangebied een OV-station gelegen. Daarnaast is op een afstand van circa 600 meter van het plangebied een bushalte gesitueerd. Hiermee is het plangebied goed aangesloten op het openbaar vervoer. Parkeren In het parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam zijn drie gebiedstypen te onderscheiden, waarvoor verschillende parkeernormen geleden. Het plangebied ligt in gebiedstype 'Zone C'. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de normen die voor dat gebied gelden. Vanwege de beoogde flexibiliteit is de exacte invulling van het plangebied op dit moment nog niet bekend. Om ervoor te zorgen dat in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen (dan wel het bij het wijzigen van het gebruik) wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, is in de planregels een verwijzing opgenomen naar het van toepassing zijnde parkeerbeleid waarin de parkeernormen zijn opgenomen.

In het gemeentelijke parkeerbeleid zijn bijzondere bepalingen ten aanzien van de parkeereis opgenomen. Met de bijzondere bepaling kan (gedeeltelijke) vrijstelling van de parkeernorm kan worden verkregen. De volgende bijzondere bepalingen gelden: » « » » « » » »

aan kleinere project wordt geen parkeereis gesteld; indien sprake is van dubbelgebruik, kan de parkeereis worden verlaagd; salderen met parkeerplaatsen bestaande gebruik; lagere normen mogelijk bij een zorg- of aanleunwoning met een gbo van maximaal 100 m2 of een sociale huurwoning; korting van de parkeereis bij transformatie naar studentenhuisvesting in betaald parkeergebied; korting van de parkeereis voor gebouwen met een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening: nabijheid OV-halte; korting van de parkeereis voor gebouwen met een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening: betaald parkeergebied; korting van de parkeereis voor ontwikkelingen met een niet-woonfunctie in gebied Centrum.

Een deel van de bijzondere bepalingen kunnen bij elkaar worden opgeteld. Voor het plangebied wordt ten minste gebruik gemaakt van de korting vanwege een nabijgelegen OV-halte. Het plangebied ligt op een afstand van minder dan 400 meter van de OV-halte Alexander. Dit leidt ertoe dat de parkeereis met 400Zo gereduceerd mag worden. Daarnaast wordt, in verband met de transformatie naar studentenhuisvesting bij een betaald parkeergebied, een lagere autoparkeernorm voor studentenwoningen toegepast. Parkeeroplossing De parkeerplaatsen voor zowel auto als fiets zullen op eigen terrein worden gerealiseerd. Om inzicht te krijgen in de uitvoerbaarheid, is de parkeervraag voor de beoogde ontwikkeling berekend. Het momenteel beoogde planinitiatief voorziet in de realisatie van maximaal 330 studentenwoningen en maximaal 120 appartementen. Onderstaande figuur toont de parkeereis berekening voor de beoogde ontwikkeling.

48

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

gebiedstype

gebiedstype C overig gebied

parkeereis

aantal woningen

norm auto

totaal

norm fiets

studenten

236

0,1

23,6

1

2Ē6

40-65m2 GO

115

0,6

69,00

2

230

65-85m2 GO

1

1

1

3

3

85-120m2 GO

O

1,4

0

3

0

:»120m2 GO

O

1,8

0

4

0

98,60 pp

totaal basis

totaal

519 fpp

kortingen art 11 transformatie van naar studentenhuisvesting in betaald parkeergebied nabijheid OV knooppunt Alexander (0-400m)

28,6 pp

40%

28,0 pp

korting over restant parkeervraag na korting studentenhuisvesting

auto TOTAAL BENODIGD

42,0 pp

519 fpp

Figuur 6.2: Parkeerbalans beoogde bouwplan Uit de figuur blijkt een parkeerbehoefte van 42 parkeerplaatsen voor auto en 519 stallingsplaatsen voor fietsen. In de beoogde parkeergarage (in de 'buik' van het carrégebouw) is voldoende ruimte om deze benodigde autoparkeerplaatsen te realiseren (Voorlopig Ontwerp, Groosman, 02-06-2023). Ook voor fietsen kan op eigen terrein in voldoende stallingsplaatsen worden voorzien. De parkeervraag staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan zodoende niet in de weg. Bij de bouwaanvraag zal de ontwikkeling getoetst worden aan de beleidsregel 'Parkeernomen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt geborgd dat in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Het parkeren is hiermee voldoende geborgd. Verkeersgeneratie Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt de CROW-publicatie 381. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een plan moet in de rekentool aangegeven worden: 1. 2.

wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt.

Ter plaatse van de projectlocatie is sprake van een zeer stedelijk gebied. Verder is qua gebied 'schil centrum' aangehouden, omdat het plangebied niet in het centrumgebied van Rotterdam is gelegen, maar wel nabij het Alexandriumgebied. Voor middeldure huur appartementen geldt op basis van bovenstaande uitgangspunten een verkeersgeneratie van gemiddeld 2,2 motorvoertuigen (mvt) per etmaal (etm) per woning. Voor koop middenduur appartementen is dit 4,1 mvt/etm. Voor niet-zelfstandige kamerverhuur studenten is dit 1,0 mvt/etm. Voor zelfstandige kamerverhuur studenten kan aansluiting worden gezocht bij kencijfers voor een serviceflat, met een gemiddelde verkeersgeneratie van 0,8 mvt/etm. Uitgaande van een invulling met 120 huur appartementen (circa 600Zo huur, 400Zo koop) en 330 studentenkamers (circa 150Zo niet-zelfstandig, 850Zo zelfstandig) kan in de toekomstige situatie sprake zijn een verkeersgeneratie van circa 355 + 274 = 629 mvt/per etmaal. Voor het berekenen van de huidige verkeersgeneratie is uitgegaan van de CROW 381 gegevens voor een kantoor met baliefunctie. De verkeersgeneratie voor deze functie bedraagt gemiddeld 6,3 per 100 m*2 1 bvo. De huidige kantoorpanden hebben een oppervlakte van 4.900 m2 bvo. Daarnaast is het bestaande

Toelichting (concept)

49

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

woonhuis aanwezig, een vrijstaand koophuis kent op basis van de kencijfers een verkeersgeneratie van gemiddeld 6,8 mvt/etm. In de huidige situatie is sprake van een maximale verkeersgeneratie van circa 309 + 6,8 = 316 mvt/etm. In de toekomstige situatie kan zodoende sprake zijn van een netto toename van circa 313 mvt/etm. Naar verwachting is de huidige infrastructuur van voldoende capaciteit om de extra verkeersstromen op een goede manier af te wikkelen.

6.3.3

Conclusie

De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

6.4

Milieuzonering

6.4.1

Algemeen

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.4.2

Plangebied

De gemeente Rotterdam heeft de VNG-lijst vertaald naar de Rotterdamse situatie en heeft daarbij een verdeling aangegeven in woongebied, gemengd woongebied/overgangsgebied en industriegebied I, II, III. De gedachte hierachter is dat de indicatieve afstanden van de VNG bedoeld zijn vanaf een bedrijf van gemiddelde omvang tot woningen in een woonwijk. Voor gemengde gebieden of bij industriegebieden, en/of bedrijven die aanzienlijk kleiner zijn dan een gemiddeld bedrijf biedt het Rotterdamse beleid een standaard om gemotiveerd af te wijken van de indicatieve afstanden. In gebieden met functiemenging wordt een andere systematiek gehanteerd en is vaak een combinatie van wonen en werken mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. Bedrijven nabij het plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als een woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 2 (indicatieve afstand tot woningen 30 meter) als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Echter bevindt het plangebied zich in het werkingsgebied van het bestemmingsplan 'Alexanderknoop'. Het grondgebied binnen het bestemmingsplan 'Alexanderknoop' is aangeduid als gemengd gebied. Op basis van

50

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

'Alexanderknoop' zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan, in gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 50 meter. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied zijn reeds woningen aanwezig. De woningen aan de westzijde zijn gelegen binnen het bestemmingsplan 'Alexanderknoop'. De woningen aan de zuidzijde van het plangebied zijn gelegen binnen het werkingsgebied van het bestemmingsplan 'Het Lage Land Oosterflank'. Op basis van dit bestemmingsplan zijn daar bedrijven tot en met een milieucategorie van 1 toegestaan. Voor dergelijke bedrijven geldt een richtafstand van 10 meter. Aan de noordzijde van het plangebied zijn op basis van het bestemmingsplan 'Alexanderknoop' (bestemming “Gemengd - 3”) bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3.2 met uitzondering van autosloperijen. Bij milieucategorie 3.2 hoort een richtafstand van 100 meter. Gezien sprake is van gemengd gebied kan de richtafstand met één stap verlaagd worden (met uitzondering van het aspect gevaar) en is sprake van een richtafstand van 50 meter. Slechts één van de toegestane bedrijven, zoals opgenomen in de bedrijvenlijst bij het bestemmingsplan Alexanderknoop, met milieucategorie 3.2 heeft een richtafstand van 100 meter behorende bij het aspect gevaar. Dit geldt voor LG en MG zendinstallaties, deze richtafstand kan niet verlaagd worden.

Hoewel deze richtafstand 100 meter is, is op een afstand van circa 20 meter van de 'Gemengd 3' bestemming reeds een woning gelegen. Deze woning bevindt zich tussen de 'Gemengd 3' bestemming en het plangebied. Deze woning is maatgevend en leidt ertoe dat bedrijfsbestemmingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet extra belemmerd worden ten opzichte van de huidige situatie. Het plangebied ligt op circa 65 meter afstand van de toegestane bedrijven aan de noordzijde van het plangebied. Hiermee wordt aan de richtafstand van 50 meter voldaan. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor LG en MG zendinstallaties, echter vindt hier eveneens reeds een belemmering plaats door bestaande woningbouw. Aan de oostzijde van het plangebied is een politiekantoor gelegen. Op basis van het bestemmingsplan (bestemming “Gemengd - 1”) zijn kantoren en maatschappelijke voorzieningen, die niet vallen onder geluidsgevoelige functies, mogelijk op de locatie waar het politiekantoor is gelegen. Voor kantoren geldt een richtafstand van 10 meter. Aangezien sprake is van gemengd gebied, kan de richtafstand met een trede verlaagd worden en is sprake van een richtafstand van 0 meter. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Tevens wordt op deze locatie de uitvoering van bedrijvigheid reeds beperkt door de woningbouw die feitelijk en planologisch aanwezig is in de omgeving.

Functiemenging Op plangebied niveau blijft op de deellocatie aan de Hoofdweg 256-258 een kantoorfunctie mogelijk, waar woningen aanvullend worden toegestaan. In dit kader kan op gebouwniveau uitgegaan worden van functiemenging. De activiteiten zijn aan te merken als een categorie A conform de Staat van functiemenging. Dit betekent dat kantoren direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, omdat deze activiteiten zodanig weinig milieubelastend zijn, waardoor de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Dit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.4.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

Toelichting (concept)

51

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

6.5

Geluid

6.5.1

Algemeen

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.

Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.

6.5.2

Plangebied

Voorliggend bestemmingsplan maakt onder meer woningen mogelijk. Deze functie is aan te merken als een geluidsgevoelige functie, waardoor een akoestisch onderzoek benodigd is. Het akoestisch onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. De resultaten zijn hieronder samenvattend weergegeven. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de A20, Hoofdweg, Prins Alexanderlaan alsmede het spoortraject 601 Rotterdam-Utrecht. Formeel is het plan gelegen buiten de geluidzone van metrotraject 617 (metrolijn B) maar het traject is in het kader van een goede ruimtelijke ordening opgenomen in het onderzoek. Wegverkeerslawaai carrégebouw (Hoofdweg 256-258) Uit de berekeningen blijkt dat vanwege de A20 en de Hoofdweg sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB). De maximaal te verlenen ontheffingswaarde (53 dB/63 dB) wordt vanwege het wegverkeerslawaai niet overschreden waardoor het toepassen van dove gevels (gevels zonder te openen delen) is niet noodzakelijk. De gecumuleerde geluidbelasting bepaald conform hoofdstuk 2 van bijlage I van het RMG 2012 bedraagt maximaal 66 dB op de noordwestgevel (zijde Hoofdweg) van het plan. Metrotraject carrégebouw (Hoofdweg 256-258) Vanwege het metrotraject 617 zijn maximale geluidbelastingen berekend tot 56 dB.

Uitgaande van de normstelling voor gezoneerde spoorwegen is sprake van een geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (55 dB). Omdat het plan formeel niet binnen de geluidzone van metrotraject 617 is gelegen kan geen hogere waarde van 56 dB worden vastgesteld. Door bij de gevelisolatie ook rekening te houden met deze - secundaire - geluidbelasting kan een verantwoorďwoon- en leefklimaat worden gerealiseerd. Wegverkeerslawaai woongebouw (Hoofdweg 260)

52

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

Uit de berekeningen blijkt dat vanwege de A20, Hoofdweg, Prins Alexanderlaan alsmede het spoortraject 601 Rotterdam-Utrecht sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB^5dB). De maximaal te verlenen ontheffingswaarde (53 dB/63 dB/68 dB) wordt vanwege het wegverkeers- en spoorweglawaai niet overschreden. Het toepassen van dove gevels (gevels zonder te openen delen) is niet noodzakelijk. De gecumuleerde geluidbelasting bepaald conform hoofdstuk 2 van bijlage I van het RMG 2012 bedraagt maximaal 64 dB op de noordwestgevel (zijde Hoofdweg) van het plan. Metrotraject woongebouw (Hoofdweg 260) Vanwege het metrotraject 617 zijn maximale geluidbelastingen berekend tot 60 dB. Uitgaande van de normstelling voor gezoneerde spoorwegen is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (55 dB). Omdat het plan formeel niet binnen de geluidzone van metrotraject 617 is gelegen kan geen hogere waarde van 60 dB worden vastgesteld. Door bij de gevelisolatie ook rekening te houden met deze - secundaire - geluidbelasting kan een verantwoord woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. Geluidsreducerende maatregelen Ten behoeve van de motivatie voor de vaststelling van hogere waarden is het effect van bron- en overdrachts-maatregelen inzichtelijk gemaakt.

Geconcludeerd kan worden dat geluidsreducerende maatregelen aan de bron of in de overdracht niet doelmatig zijn dan wel bezwaren ontmoeten van civieltechnische, verkeerskundige, vervoerskundige en stedenbouwkundige aard. Omdat vanwege de A20, Hoofdweg, Prins Alexanderlaan alsmede het spoortraject 601 Rotterdam-Utrecht sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is het noodzakelijk om in het kader van een planologische procedure hogere waarden voor de woningen vast te stellen. De gemeente kan enkel een hogere waarde vaststellen als er een aanvaardbaar akoestisch klimaat wordt gerealiseerd en de woningen (ontwerp) voldoet aan de aanvullende voorwaarden uit gemeentelijk beleid m.b.t. geluidluwe zijde/geluidsluwe buitenruimte. Toetsing aan gemeentelijk beleid en akoestische bouwstenen Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het plan past binnen de wettelijke grenswaarden, maar dat niet in alle gevallen zonder aanvullende maatregelen kan worden voldaan aan de eisen volgend uit het gemeentelijk geluidbeleid. Omdat de mogelijkheden voor optimale geluidoplossingen op de locatie beperkt zijn, zijn om deze reden diverse bouwstenen voorgesteld waarmee geheel of, gedeeltelijk invulling kan worden gegeven aan de aanvullende voorwaarden volgend uit het gemeentelijk geluidbeleid.

Met de voorgestelde bouwstenen en aanvullende compenserende maatregelen is het mogelijk een goed woon- en leefklimaat te waarborgen en het vaststellen van hogere waarden in het kader van de ruimtelijke procedure te verantwoorden. Bij de verdere bouwkundige uitwerking van het ontwerp van het plan worden de bouwstenen en compenserende maatregelen aangehouden als taakstellend. Dit betekent concreet dat voor een groot deel van de woningen, te weten de woningen met een gevelbelasting van meer dan 53 dB vanwege wegverkeerslawaai en 55 dB(A) spoorweglawaai, maatregelen ingezet moeten worden om voldoende woonkwaliteit te realiseren. Daarnaast is gezien de hoge geluidbelasting voor het maatgevende gecumuleerde wegverkeerslawaai zonder aftrek van maximaal 64 dB (voor het woongebouw) en 66 dB (voor het carrégebouw), de toepassing van een gebalanceerd ventilatiesysteem noodzakelijk. Hogere waarden Omdat met de aangegeven akoestische bouwstenen en compenserende maatregelen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat c.q. goede ruimtelijke ordening, zijn hogere waarden te verantwoorden. Het besluit tot vaststelling hogere waarden maakt onderdeel uit van de ruimtelijke procedure.

Toelichting (concept)

53

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

6.5.3

Conclusie

In het kader van het aspect geluid is een besluit hogere waarden nodig vanwege wegverkeers- en spoorweglawaai. In het akoestisch onderzoek zijn diverse bouwstenen en maatregelen uitgewerkt, die ingezet kunnen worden om een goed woon- en leefklimaat te realiseren. Met deze maatregelen zijn hogere waarden te verantwoorden. De hogere waarden worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Het aspect geluid vormt een randvoorwaarde, maar geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.6

Luchtkwaliteit

6.6.1

Algemeen

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: « » » » »

er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke

54

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

6.6.2

Plangebied

De beoogde ontwikkeling voorziet niet in realisatie van gevoelige functies in het kader van Wet luchtkwaliteit. De beoogde functies zorgen bovendien niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Beoogd zijn maximaal 450 woningen. Deze aantallen vallen ruim onder de grenswaarden voor woningen en kantoorlocaties (1.500 woningen en 100.000 m2 bvo). Op basis hiervan mag geconcludeerd worden dat de ontwikkelingen niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 6.3) de NIBM-rekentool ingevuld. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 30Zo niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is zodoende niet noodzakelijk.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2024

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

313

Aandeel vrachtverkeer

10;0ūZū

N02 in pgW

0,49

PM10 in pgW

0,07

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pgZms

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 6.3: Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 (bron: NIBM tool 23-04-2022) In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 gg/m3 voor stikstofdioxide NO2, en voor fijnstof PM10 en 25 gg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties voor de jaren 2021 en 2030 (monitoringsronde 2022, geraadpleegd via Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het plangebied (receptor wegverkeer 24483298-15952227).

Toelichting (concept)

55

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

NO2 (pg/m3)

PM10 (pg/m3)

PM2,5 (pg/m3)

2021

25,4637

18,6926

10,3788

2030

18,209

16,3178

8,1672

Grenswaarde

40

40

25

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatste van het plangebied niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is niet van dusdanige omvang dat hierdoor een overschrijding te verwachten is. Op basis van de luchtkwaliteitseisen kan daarom gesproken worden van een goed woon- en leefklimaat.

6.6.3

Conclusie

De beoogde functies zorgen niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Bovendien kan een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit worden gerealiseerd.

6.7

Bodem

6.7.1

Algemeen

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energieopslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

6.7.2

Plangebied

De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau KP Adviseurs. In deze paragraaf worden de twee deellocaties afzonderlijk beschouwd. Hoofdweg 260 (woongebouw) Door KP Adviseurs is een actualiserend verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Hieronder zijn de resultaten samenvattend omschreven. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken: » » »

»

56

Met het bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische situatie van de bodem in voldoende mate vastgelegd; Visueel zijn op het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen; Analytisch zijn in de bovengrond maximaal licht verhoogde asbestgehaltes vastgesteld. De vastgestelde asbestgehaltes zijn ruimschoots lager dan de interventiewaarde van 100 mg/kgds gewogen. De bovengrond is derhalve formeel niet verontreinigd met asbest; Ter plaatse van de oprit is een halfverhardingslaag gelegen. Dit betreft een mengsel van grind, puin, kolengruis, sintels en zand. In het opgeboorde materiaal is visueel geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Het halfverhardingsmateriaal is niet verontreinigd met asbest. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek blijkt dat deze halfverhardingslaag indicatief niet toepasbaar is op basis van

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

»

»

» » »

« »

PAK. Het halfverhardingsmateriaal is derhalve niet opnieuw toepasbaar en dient bij vrijkomen te worden afgevoerd naar een erkende verwerker; Ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie zijn tijdens onderhavig actualiserend onderzoek in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot circa 1 m-mv matige tot en met sterke verontreinigingen met diverse zware metalen vastgesteld; De verontreiniging met zware metalen kan worden aangemerkt als diffuse verontreiniging, die niet kan worden teruggevoerd op een specifieke bron. Kenmerkend voor diffuse verontreiniging is dat deze zich in een groot gebied voordoet in wisselende concentraties, waardoor geen contouren kunnen worden getrokken; Het matig tot en met sterk verontreinigd volume in de boven- en ondergrond tot circa 1 mmv bedraagt circa 1.160 m3; Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals genoemd in de Wet bodembescherming. In de meest voor PFAS verdachte bodemlaag zijn maximaal lichte verontreinigingen vastgesteld met diverse PFAS. Alle toetsingsresultaten voor PFAS-verbindingen voldoen aan de generieke hergebruiksnormen voor Wonen Z Industrie; In het grondwater zijn maximaal lichte verontreinigingen aangetoond met barium, xylenen en naftaleen; De locatie is in de huidige situatie niet geschikt voor de toekomstige woonbestemming. De locatie dient gesaneerd te worden voorafgaand aan de herontwikkeling.

Gezien de verontreiniging dienen de gronden aan de Hoofdweg 260 binnen het plangebied gesaneerd te worden. Sanering is vanuit financieel oogpunt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. In dit kader wordt een saneringsplan opgesteld. Bij de omgevingsvergunningaanvraag zal het saneringsplan als voorwaarde opgenomen worden. De gronden zullen voor de bouwwerkzaamheden gesaneerd worden en daarmee wordt de bodem geschikt voor de gewenste woonfuncties. De bodemkwaliteit in het plangebied wordt hiermee voldoende gewaarborgd en de beoogde ontwikkeling is daarmee uitvoerbaar. Hoofdweg 256 en 258 (carrégebouw) Door KP Adviseurs is een actualiserend verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. De onderzoeksresultaten zijn hieronder samenvattend weergegeven. Funderingslaag onder elementverharding parkeerterrein: »

»

» »

Middels onderhavig onderzoek is voldoende aantoonbaar gemaakt dat voor het hergebruik van de funderingslaag op de locatie wordt voldaan aan de algemene zorgplichtbepalingen van artikel 13 Wbb, artikel 1.1a Wm en artikel 2 van de Wms; In de funderingslaag onder de elementverharding is visueel geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Analytisch is in de onderzochte funderingslaag een minimaal verhoogd gehalte aan asbest aangetoond van 1,9 mg/kg ds gewogen. Omdat de funderingslaag is toegepast vanaf het jaar 2000 (bouw kantoorpanden), ruimschoots na het ingaan van het asbestverwijderingsbesluit in 1993, is voldoende aangetoond dat het funderingsmateriaal niet verontreinigd is met asbest (asbestgehalte c dan de maximale samenstellingswaarde van 100 mg/kg ds gewogen); Uit de chemische analyses blijkt dat het funderingsmateriaal indicatief herbruikbaar is als niet-vormgegeven bouwstof; Het funderingsmateriaal kan na afloop van de reconstructiewerkzaamheden onder dezelfde omstandigheden worden toegepast of worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Indien het materiaal elders wordt toegepast en hierbij van eigenaar wisselt dient, formeel gezien, een partijkeuring onder het certificaat van SIKB-protocol 1002 te worden uitgevoerd.

Bodem (chemisch + asbest): » «

»

Met het bodemonderzoek is de milieuhygiënische situatie van de bodem in voldoende mate vastgelegd; Ter plaatse van de gehele locatie zijn zowel zintuiglijk als analytisch geen verontreinigingen met asbest aangetoond in de grond. Visueel zijn op het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen; In zowel de boven- als de ondergrond zijn maximaal lichte verontreinigingen aangetoond. Opvallend is dat ter plaatse van het geregistreerde geval van ernstige bodemverontreiniging aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie geen matige of sterke verontreinigingen met zware metalen

Toelichting (concept)

57

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

»

» » »

en/of PAK zijn vastgesteld. Dit was wel de verwachting. Geconcludeerd wordt dat het in 1998 beschikte geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van de zuidoostzijde van onderhavige onderzoekslocatie niet meer aanwezig is; Er zijn licht verhoogde gehaltes aan diverse PFAS aangetoond. Alle toetsingsresultaten voor PFAS-verbindingen voldoen aan de generieke hergebruiksnormen voor Achtergrondwaarden zoals omschreven in het (herziene) “tijdelijk handelingskader PFAS”; In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium vastgesteld; De aangetoonde lichte verontreinigingen geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek; De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling ter plaatse van Hoofdweg 256-258.

Op basis van de voorgaande conclusie wordt o.a. aanbevolen om het geregistreerde geval van ernstige bodemverontreiniging (code RT/496/2170/840) te laten herbeschikken.

6.7.3

Conclusie

De bodemkwaliteit ter plaatse van de Hoofdweg 256-258 vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De gronden aan de Hoofdweg 260 dienen wel gesaneerd te worden in het kader van de voorgenomen herinrichting. De bodemkwaliteit wordt hier gewaarborgd middels het uit te voeren saneringsplan en vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.8

Externe veiligheid

6.8.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.

Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.

Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke

58

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

6.8.2

Plangebied

De aanvraag voorziet niet in de komst van risicovolle activiteiten naar het plangebied. De huidige kantoorgebouwen zijn beperkt kwetsbare objecten en de woning een kwetsbaar object. In de nieuwe situatie is er vanwege de woonfunctie sprake van kwetsbare objecten. In het kader van externe veiligheid is door Prevent Adviesgroep een groepsrisicoberekening uitgevoerd en een memo opgesteld, waarin het project aan het aspect externe veiligheid wordt getoetst en de beperkte groepsrisicoverantwoording is opgenomen. De groepsrisicoberekening is opgenomen als bijlage 9 bij dit bestemmingsplan. Het memo is opgenomen als bijlage 10 bij dit bestemmingsplan. In onderstaande figuur is de risicokaart Nederland weergegeven, met daarin het plangebied en diverse risicobronnen.

Risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied Inrichtingen Voor risicovolle activiteiten is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen zijn het gasontvangststation van Gasunie en een gasflessendepot (gelegen op resp. 225 en 360 meter afstand). Dit gasontvangststation en het gasflessendepot vallen niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen en beschikken niet over een wettelijk bepaald invloedsgebied waarmee rekening moet worden gehouden. De dichtstbijzijnde Bevi-inrichting (LPG-tankstation) is gelegen op een afstand van

Toelichting (concept)

59

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

960 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van Bevi-inrichtingen. De aanwezigheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen over (spoor)wegen Voor het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en vaarwegen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes. Het plangebied bevindt zich op 550 meter afstand van de rijksweg A20. De rijksweg A20 maakt deel uit van het basisnet. In het basisnet is voor de verschillende stofcategorieën de maximale gebruiksruimte vastgelegd. Voor de rijksweg A20 zijn telgegevens bekend uit 2018. Er vindt transport plaats van brandbare gassen (stofcategorie GF2 en GF3), brandbare vloeistoffen (stofcategorie LF1 en LF2) en toxische vloeistoffen (stofcategorie LT1, LT2 en LT4). Voor de stofcategorieën LT1, LT2 en LT4 is in de handleiding risicoanalysetransport een invloedsgebied aangegeven van resp. 730 meter, 880 meter en > 4.000 meter). Het plangebied is daarmee gelegen binnen het invloedsgebied van de rijksweg A20. Ten noorden van het plangebied bevindt zich op 325 meter afstand de spoorlijn Rotterdam Blijdorp Gouda (route 30). De betreffende spoorlijn maakt deel uit van het basisnet.

In het basisnet is voor de verschillende stofcategorieën de maximale gebruiksruimte vastgelegd. Vanwege het mogelijk transport van toxische vloeistoffen van stofcategorie D4 heeft het invloedsgebied een omvang van meer dan 4 km. Het plangebied is daarmee gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Rotterdam Blijdorp Gouda (route 30). Een beschouwing van het groepsrisico op grond van artikel 8 van het Bevt is niet vereist aangezien het plangebied op meer dan 200 meter afstand is gelegen van de rijksweg A20 en de spoorlijn Rotterdam Blijdorp - Gouda (route 30). Door deze afstand valt geen significant effect te verwachten van de ontwikkelingen in het plangebied op de hoogte van het groepsrisico. Wel dienen de mogelijkheden om de omvang van de ramp te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid te worden beschouwd. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor buisleidingen voor het transport voor gevaarlijke stoffen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen het invloedsgebied (10 letaliteitscontour) maar buiten de 1000 letaliteitscontour van hoge druk aardgasbuisleiding W-521-04 van Gasunie.

Door Prevent Adviesgroep zijn de voorgenomen ontwikkelingen getoetst aan de normen in het Bevb (zie Bijlage 9) en wordt het volgende geconcludeerd: »

»

«

Plaatsgebonden risico: buisleiding W-521-04 beschikt ter hoogte van het plangebied niet over een PR—10-6 contour, de normen voor het plaatsgebonden risico vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Belemmeringenstroken: het plangebied is gelegen buiten de belemmeringenstroken van buisleidingen. De normen voor de belemmeringenstroken in het Bevb vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico: de ontwikkeling van de personendichtheid in het plangebied heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico. Voor de bestaande bestemde situatie en de nieuwe situatie wordt een groepsrisico berekend van maximaal 0,496 maal de oriëntatiewaarde. Op grond van het Bevb kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

In de memo van Prevent Adviesgroep is een beperkte verantwoording opgenomen, de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden hieronder toegelicht. Beperkte groepsrisicoverantwoording Ten behoeve van de aspecten rampbestrijding en zelfredzaamheid zijn de volgende scenario's beschouwd in het memo van Prevent adviesgroep. » »

60

calamiteit bij de ondergrondse hoge druk aardgasbuisleiding (W-521-04), fakkelbrand; calamiteit met een tankwagen met toxische vloeistoffen (LT 1, LT2 of LT4 stoffen) op de rijksweg A20;

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

«

Calamiteit met een spoorketelwagen met brandbare gassen (stofcategorie A), toxische gassen (stofcategorie B4) en toxische vloeistoffen (stofcategorie D4) op de spoorlijn Rotterdam Blijdorp Gouda (route 30).

Bestrijdbaarheid Bij optreden van een fakkelbrand in de buisleiding zijn er vanuit bestrijdbaarheidsperspectief geen mogelijkheden om dit scenario te voorkomen of te bestrijden zolang door de leidingbeheerder de afsluiters in de buisleiding nog niet zijn gesloten. Na het optreden van een fakkelbrand bij de buisleiding kunnen in het plangebied branden ontstaan die door de brandweer kunnen worden geblust, nadat de afsluiters in de buisleiding zijn gesloten. Hierbij is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied is bereikbaar vanaf twee richtingen waardoor er sprake is van voldoende bereikbaarheid. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen of gassen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. De planvorming betreft de realisatie van (studenten)woningen. Uitgangspunt is dat de betreffende personen zelfredzaam zullen zijn. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een volledige breuk van een buisleiding zal vrijwel direct een fakkelbrand ontstaan, waardoor er geen gelegenheid is om het gebied te ontruimen. Bij het optreden van een fakkelbrand bij de buisleiding is schuilen binnen/achter de gebouwen mogelijk. Na verloop van tijd is brandoverslag naar het gebouw mogelijk en moeten aanwezige personen alsnog het gebouw ontvluchten. Vanaf 170 meter afstand van de leidingbreuk valt geen brandoverslag naar gebouwen meer te verwachten. De gebouwen N1 en N4 zijn voor een gedeelte gelegen binnen deze 170 meter contour waarbinnen brandoverslag nog mogelijk is. Er kan inpandig worden gevlucht naar een gebied buiten de 170 meter contour.

Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op het spoor of de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. In onderhavig geval wordt binnen het de ontwikkeling afsluitbare ventilatie gerealiseerd. Indien desalniettemin bij een toxische wolk door de hulpdiensten wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. De huidige infrastructuur biedt hiervoor voldoende mogelijkheden.

Advies Veiligheidsregio Voorliggend bestemmingsplan is voor advies voorgelegd aan Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR). De afdeling Veilige Leefomgeving van de VRR brengt in het kader van fysieke veiligheid advies uit

Toelichting (concept)

61

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

over de mogelijkheden voor effectieve hulpverlening, de zelf- en samenredzaamheid van de aanwezigen en de continuïteit van de samenleving. Dit wordt gedaan door middel van een analyse van de omgeving, waarbij risicobronnen, mogelijke scenario’s en hun effecten worden beschouwd. Uiteindelijk kan dit zich vertalen in omgevings-, bouwkundige, installatietechnische en/of organisatorische maatregelen. Uit het advies (d.d. 18 augustus 2023) blijkt dat met betrekking tot dit plan geen relevante fysieke veiligheidsaspecten zijn geconstateerd. De VRR attendeert wel op het aspect waterveiligheid in het kader van klimaatbestendig bouwen. In de analyse van de omgeving kwam naar voren dat er bij het perceel mogelijk wateroverlast zou kunnen ontstaan bij extreme neerslag en overstromingen (bron: Klimaatatlas van de Provincie Zuid-Holland). Geadviseerd wordt om maatregelen te nemen die passen bij het verminderen van wateroverlast. Bovendien adviseert de VRR bij deze ontwikkelingen zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Het advies wordt bij de verdere planuitwerking in acht genomen.

6.8.3

Conclusie

De normen voor externe veiligheid zoals aangegeven in het Bevi, het Bevt en het Bevb vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.9

Natuur

6.9.1

Algemeen

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.

Het begrip 'aanvaardbaar1 betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de

62

Toelichting (concept)

bestemmingsplan Hoofdweg 256-260

ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Op grond van de Natuurkaart maakt het plangebied geen deel uit van kerngebieden, (onderdelen van) van binnenstedelijke ecologische verbindingen en/of ambitielocaties.

6.9.2

Plangebied

Het voornemen is om het plangebied te herontwikkelen. Initiatiefnemer is voornemens een woongebouw van maximaal 50 meter te realiseren, naast de reeds aanwezige woning op het erf ter plaatse van Hoofdweg 260. Ook worden de kantoorpanden aan de Hoofdweg 256-258 verbouwd/uitgebreid en getransformeerd tot woningen. Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: » «

strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.

Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is. Er is hiertoe een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd door milieuadviesbureau LOO PLAN, zie bijlage 11. In het kader van soortenbescherming is nader onderzoek uitgevoerd naar de huismus, gierzwaluw en vleermuizen, dit onderzoek is opgenomen als bijlage 12. De resultaten van beide onderzoeken worden hieronder samenvattend weergegeven. Quickscan Uit de uitgevoerde quickscan volgt dat in het gebied verschillende beschermde soorten zijn aangetroffen of worden verwacht. Dit betreffen: 1. Huismus en gierzwaluw (alleen Hoofdweg 260). 2. Vleermuizen. Andere beschermde diersoorten worden niet verwacht voor te komen binnen het plangebied, zie ook onderstaande figuur. Soortgroep

Biotoop

Beschermde soort

geschikt

aanwezig

Effect op soort

Planten

Nee

Nee

Vogels - algemeen

Ja

Mogelijk

Nee Nee1

Vogels - jaarrond beschermde nesten

Ja

Mogelijk

Mogelijk

Zoogdieren

Minimaal

Nee

Nee

Vleermuizen

Ja

Mogelijk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=142456bd-e1ca-41f9-a409-f0a504e78fb3