[24bb002021] Brief van Grondbank RZG Zuidplas over Ontwerpbegroting 2025 en aanpassing en verlenging Grondbank RZG Zuidplas
Tekst van het document
10
Wat gaan we daarvoor doen? In 2022 is een aangepaste beheernota vastgesteld door het dagelijks bestuur van de Grondbank. De kern van het aangepast beheer zal gelegen zijn in het beheer van de gronden en opstallen in het kader van de toekomstige ontwikkelingen. Verder is het beleid erop gericht om het eigendom in goede staat van onderhoud te houden. Wat mag het kosten/opbrengen? Een groot gedeelte van de beheerkosten bestaat uit vaste kosten zoals onroerend goed belasting, waterschapslasten, verzekeringen en leges Grondkamer. Een ander deel bestaat uit de personeelskosten en onderhoud aan de onroerende zaken. In de begroting is geen substantiële post opbrengsten voor ander tijdelijk gebruik dan verhuren en verpachten opgenomen. 2.4.1
Financieel overzicht programma beheer met toelichting
Primitieve Bijgestelde
(x € 1.000)
Voorlopige
Begroting Jaarrekening
Begroting
Begroting
2025
2024
2024
2023
Opbrengsten onroerende zaken
450
450
450
591
Subtotaal baten
450
450
450
591
Beheer-/onderhoudskosten
75
75
75
48
Subtotaal lasten
75
75
75
48
Totaal
375
375
375
543
Product BATEN
LASTEN
Toelichting Hierna volgt een specificatie en/of toelichting op de relevante posten van de baten en lasten zoals begroot binnen het programma beheer. Opbrengsten onroerende zaken De opbrengsten pacht en huur zijn in de begroting 2025 lager begroot dan het resultaat in 2023 maar vergelijkbaar als in 2024. Er wordt vanuit gegaan dat de verhuringen en verpachtingen meer plaatsvinden in het kader van de toekomstige inrichting van het Middengebied. Dit zal leiden tot verminderde inkomsten.
11
Beheer en onderhoudskosten Onder deze begrotingspost zijn de kosten voor onderhoud, waterschapslasten, rioolheffingen en onroerendzaakbelasting begroot. Het beheer en onderhoud van de gronden en opstallen zal gericht zijn op de toekomstige inrichting van het Middengebied overeenkomstig de beheernota uit 2022. De uitgaven in 2025 zijn gelijk aan de begrote post uit 2024. 2.5
PROGRAMMA OVERHEAD
Omschrijving van het programma Het programma Overhead omvat alle activiteiten die niet toe te rekenen zijn aan de hiervoor genoemde programma’s Voorraden en Beheer. Financieel overzicht programma overhead met toelichting
(x € 1.000)
Primitieve Bijgestelde
Voorlopige
Begroting
Begroting
2025
2024
2024
2023
Personeel
70
70
70
91
Inhuur
0
0
0
18
Financiële administratie/accountancy
25
25
25
22
Kantoor- en bestuurskosten
65
65
65
47
Kosten liquidatie
0
100
0
0
160
260
160
178
Product
Begroting Jaarrekening
LASTEN
Totaal
Toelichting Personeel De personeelslasten bestaan uit de kosten van de directeur, de secretaris en de directe ondersteuning van het bestuur en de secretaris. De kosten zijn vergelijkbaar met voorafgaande jaren. Kantoor- en bestuurskosten Onder deze begrotingspost vallen onder meer de kosten voor secretariaat, kantoor, bestuur, automatisering en telefoonkosten. Vanaf 2018 huurt de Grondbank kantoorruimte in het gemeentehuis van Zuidplas. De hogere last vanaf 2024 t.o.v. voorafgaande jaren wordt veroorzaakt door inflatie en door een verschuiving van werkzaamheden van directie naar het secretariaat. 12
2.6
ALGEMENE DEKKINGSMIDDELEN
In dit onderdeel van de begroting zijn de algemene dekkingsmiddelen van de programma's opgenomen. Financieel overzicht algemene dekkingsmiddelen (x € 1.000)
Primitieve
Bijgestelde
Begroting
Begroting
Begroting Jaarrekening
2025
2024
2024
2023
63, lid 2 en 3 van het BBV
2.895
2.565
2.805
2.370
Totale baten
2.785
2.565
2.805
2.370
Mutatie eigen vermogen
0
0
0
0
Totale lasten
0
0
0
0
2.895
2.565
2.805
2.370
0
0
0
0
2.895
2.565
2.805
2.370
Product
Voorlopige
BATEN geactiveerd conform artikel
LASTEN
SALDO Onttrekking reserves Gerealiseerd resultaat
13
3.
Diverse paragrafen
3.1
Algemeen
Het BBV schrijft de vorm en inhoud van de begroting en de jaarstukken voor en stelt een aantal paragrafen verplicht in de begroting. In het hiernavolgende worden de paragrafen benoemd en uitgewerkt dan wel wordt gemotiveerd waarom de paragrafen niet van toepassing zijn. 3.2
Risicoparagraaf
Risico voorraden Het grootste risico voor de Grondbank is thans dat de gebiedsontwikkeling in de Zuidplas polder niet of slechts gedeeltelijk tot ontwikkeling komt. Dit kan als de gemeente Zuidplas van mening is dat het niet verantwoord is om de Grondexploitatie voor het totale gebied vast te stellen, of als de bestemmingen wonen en werken bij het in procedure te brengen bestemmingsplan of omgevingsplan voor het Middengebied definitief niet onherroepelijk worden. In beide situaties gaat de (volledige) verkoop van de gronden van de Grondbank aan de gemeente Zuidplas niet door. De vraag is dan welk perspectief geldt er voor de waardering van de gronden, wat zijn deze gronden dan in die situatie waard? Ontegenzeggelijk is de gemiddelde grondprijs in de Grondbank
hoger
dan
de
'agrarische'
waarde,
althans
de
waarde
zonder
ontwikkelingsperspectief. De totale waarde van de gronden zonder ontwikkelingsperspectieven zal op een niveau van ca. € 30 mln. liggen. In een dusdanig extreme situatie zal het totale verlies rond de € 65 mln. bedragen. In een dergelijk scenario, bij het beperkt of het geheel ontbreken van ontwikkelingsinitiatieven zal dit bedrag (grotendeels) afgeboekt dienen te worden. In dit geval dienen de deelnemers het tekort op de balans aan te zuiveren. Risico financiering De Grondbank zal bij verlenging opnieuw gefinancierd moeten worden. Bij het opstellen van deze begroting waren er nog geen leningen voor na 2025 aangetrokken. In deze begroting is uitgegaan van een gemiddeld rentepercentage van de aan te trekken leningen van 3,2%. Indien met een hogere of lagere rente gefinancierd dient te worden, geeft dat een hogere respectievelijk lagere jaarlijkse rentelast van ongeveer € 1,0 miljoen per procent. Risico btw De Grondbank kan de betaalde btw verrekenen omdat de gronden volgens plan zullen worden ingebracht in projecten waarbij de btw verrekend kan worden. Wel heeft de Belastingdienst daarbij als voorwaarde gesteld dat verrekende btw alsnog zal worden teruggevorderd wanneer gronden niet in dergelijke projecten worden ingebracht. Bij verkoop aan derden dient hiermee nadrukkelijk rekening gehouden te worden. Indien een deel van de gronden niet (meer) verkocht 14
kan worden voor de beoogde ontwikkelingsprojecten dan bestaat de kans dat een deel van de verrekende btw teruggevorderd wordt door de fiscus. Dit geldt vooral voor de overtollige gronden, gronden met opstallen en overhoeken. De grondaankopen zijn voor het overgrote gedeelte vrij van btw geschied. De te verrekenen btw betreft voornamelijk de btw op de ingehuurde diensten van de deelnemers en derden. Naar grove schatting is jaarlijks voor totaal ca. € 50.000 aan btw verrekend. Het totale risico bedraagt ca. € 250.000. Bij verkoop aan de gemeente Zuidplas zal er terdege rekening mee gehouden worden dat de verkopen voor het ontwikkelgebied in btw-sfeer plaatsvinden. Indien een deel van de gronden niet (meer) verkocht kan worden voor de beoogde ontwikkelingsprojecten, bijvoorbeeld omdat die gronden conform de nieuwe besluiten niet meer ontwikkeld zullen worden, dan zullen deze gronden niet met btw belast verkocht worden. Het beleid is erop gericht om de btw boekhouding zodanig in te vullen dat er geen of nauwelijks bedragen terug gevorderd kunnen worden door de Belastingdienst. Risico Grondexploitaties De Grondbank voert geen grondexploitaties en loopt op dit onderdeel geen risico's. Risico Vennootschapsbelasting De belastingdienst heeft op grond van de activiteiten 2016 tot en met 2019 geoordeeld dat de Grondbank niet vennootschapsbelastingplichtig is.
Bij ongewijzigde omstandigheden geldt dit ook voor de opvolgende jaren. Het beleid en uitvoering van de Grondbank is voor 2022 niet gewijzigd ten opzichte van 2016 tot en met 2019, derhalve is de Grondbank ook voor deze jaren niet vennootschapsbelastingplichtig. Ook deze begroting gaat hiervan uit. Overige risico's De Grondbank loopt op andere onderwerpen nauwelijks risico dat de kosten aanzienlijk zullen toenemen. De voorraden omvatten voor meer dan 90% landbouwgronden, waarmee fysiek een verwaarloosbaar risico gelopen wordt. Er bestaan ook geen verzekeringen om landbouwgrond tegen risico's te verzekeren. De financiering omvat ongeveer 90% van de uitgaven. 10% van de uitgaven omvatten de kosten van personeel, inhuur, beheer en dergelijke. Risico van enige omvang op die aspecten loopt de Grondbank niet. Kengetallen Sinds 2015 schrijft het BBV een verplichte basis set van vijf financiële kengetallen voor die moeten worden opgenomen in deze paragraaf. De achtergrond van het opnemen van deze kengetallen is om de financiële positie van vooral gemeenten beter inzichtelijk te maken. Hoe de kengetallen berekend moeten worden, is vastgelegd in een ministeriële regeling. De Grondbank is een orgaan met een specifieke doelstelling met een daarop gerichte financiële huishouding die niet vergelijkbaar is met de financiële huishouding van gemeenten. De kengetallen zijn specifiek 15
bedoeld voor gemeenten en provincies om deze vergelijkbaar met elkaar te maken en niet toegesneden voor specifieke organisaties zoals de Grondbank. De kengetallen die opgenomen moeten worden, zijn de volgende: Netto schuldquote & de netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van het betreffende orgaan ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft zodoende een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. Omdat bij leningen er onzekerheid kan bestaan of ze allemaal terug worden betaald, wordt bij de berekening van de netto schuldquote onderscheid gemaakt door het kengetal te berekenen, zowel inclusief als exclusief de geleende gelden. Op die manier wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen in de exploitatie is en ook wat dat betekent voor de schuldenlast. Solvabiliteitsratio De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin de medeoverheid in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. Grondexploitatie Dit kengetal geeft weer hoe de waarde van de grond zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten.
Voor de berekening van dit kengetal worden de niet in exploitatie genomen gronden en de bouwgrond in exploitatie (Grondbank heeft geen bouwgrond in exploitatie) bij elkaar opgeteld en gedeeld door de totale baten uit de programmabegroting of jaarstukken en uitgedrukt in een percentage. Structurele exploitatieruimte Dit kengetal is van belang om te kunnen beoordelen welke structurele ruimte een orgaan heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. Belastingcapaciteit De belastingcapaciteit geeft inzicht hoe de belastingdruk in het orgaan zich verhoudt ten opzichte van het landelijke gemiddelde.
16
Invulling van de gevraagde gegevens leidt voor de Grondbank tot de volgende kengetallen (x € 1.000) Product
Voorlopige Bijgestelde Jaarreke-
Begroting
ning 2023
2024
2025
2026
2027
2028
Netto schuldquote
3.164%
3.198%
2.993%
3.004%
3.014%
3.025%
Netto schuldquote
3.164%
3.198%
2.993%
3.004%
3.014%
3.025%
Solvabiliteitsratio
0%
0%
0%
0%
0%
0%
Grondexploitatie
3.164%
0%
0%
0%
0%
0%
18%
0%
0%
0%
0%
0%
n.v.t
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t
n.v.t.
n.v.t.
gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
Structurele exploitatieruimte Belastingcapaciteit
3.3
Paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing
Onder weerstandsvermogen wordt de mate verstaan waarin de Grondbank in staat is om financiële tegenvallers op te kunnen vangen, zonder dat dit betekent dat het beleid veranderd moet worden. Het weerstandsvermogen van de Grondbank is nihil. In artikel 27 van de gemeenschappelijke regeling is de risicoverdeling van de deelnemers aan de Grondbank geregeld. Voor de deelnemers is de volgende risicoverdeling afgesproken: Gemeente Rotterdam
40%
Gemeente Zuidplas
9%
Gemeente Gouda
6%
Provincie Zuid-Holland
40%
Gemeente Waddinxveen
5%
3.4
Financieringsparagraaf
De Grondbank heeft voor de exploitatie en realisatie van de doelstellingen behoefte aan externe financiering. Gezien de looptijd van de Grondbank eindigde de looptijd van alle leningen ultimo 2024. Nieuwe leningen met een looptijd vanaf 1 januari 2025 kunnen pas worden aangetrokken nadat tot de verlenging van de Grondbank is besloten. In 2024 worden met de financiers afspraken gemaakt over de financiering van de Grondbank na 1 januari 2025. Met de Staat der Nederlanden is in 2013 een rekening courant gesloten. Dit vanwege een wettelijke verplichting aan alle openbare lichamen op basis van de wet Financiering decentrale overheden (Fido). Hiertoe is een werkrekening geopend bij de BNG om liquide middelen van de Grondbank van en naar de schatkist over te kunnen maken. Aan programma Voorraden doorbelaste rente. 17
(x € 1.000)
Rentelasten vreemd vermogen Doorbelast aan Voorraden Renteresultaat
Primitieve
Bijgestelde
Begroting
begroting
begroting
Rekening
2025
2024
2024
2023
3.110
2.680
3.020
2.734
-3.110
-2680
-3.020
-2.734
0
0
0
0
Renterisiconorm De wet Fido begrenst via de renterisiconorm het deel van de totale langlopende schuld die in een gegeven jaar een renterisico mag hebben. De renterisiconorm bevat de eis dat de som van de aflossingen en de rentewijzigingen in een bepaald jaar kleiner zijn dan 20% van het begrotingstotaal van een bepaald jaar met een minimumbedrag van € 2,5 mln. Afwijkingen zijn toegestaan, maar het gemiddelde over een periode van 4 jaar moet weer voldoen aan de 20% norm. De norm is ingesteld om door een spreiding in looptijden van leningen een stabiele rentelast te bewerkstelligen. Hieronder wordt het renterisico (norm) op de langlopende schulden begroot. Renterisico langlopende schuld (x € 1.000) Jaar
Begrotingstotaal
Renterisiconorm
Aflossingen
(20% begrotingstotaal)
2025
3.345
669
0
2026
3.432
686
0
2027
3.522
704
0
2028
3.614
723
0
Gemiddeld
3.478
696
0
Het overzicht hierboven laat zien dat de renterisiconorm gemiddeld op ongeveer € 0,7 miljoen is gesteld hetgeen dus lager is dan € 2,5 mln. De Grondbank voldeed afgelopen jaren niet aan de renterisiconorm, mede gezien het voornemen om de Grondbank op 31 december 2024 te beëindigen en dat dan alle leningen afgelost zouden zijn. Bij het herfinanciering van de leningenportefeuille in 2024 zal de renterisiconorm worden betrokken.
18
Kasgeldlimiet De wet Fido begrenst, via de kasgeldlimiet, het gedeelte van de totale schuld dat een kortlopend karakter mag hebben. De kasgeldlimiet bepaalt dat het bedrag dat via leningen met een looptijd van korter dan 1 jaar geleend mag worden - de zogenaamde kortlopende schuld - maximaal 8,2% van het begrotingstotaal mag bedragen. Zonder deze beperking zouden Gemeenschappelijke Regelingen volledig met kortlopende leningen gefinancierd kunnen worden, waarbij het gevaar is dat bij een snelle en sterke stijging van de kortlopende rente het begrotingsevenwicht in gevaar kan komen. De kasgeldlimiet op de kortlopende schuld voor 2025 is als volgt geschat.
Kasgeldlimiet kortlopende schuld (x € 1.000) Begrotingstotaal:
3.345
Kasgeldlimiet, 8,2% van het begrotingstotaal:
275
Kortlopende schuld begin 2024
n.n.b.
In 2024 zullen afspraken worden gemaakt met de financiers om de huidige leningenportefeuille bij een verlenging van de Grondbank te herfinancieren. De huidige leningen kennen een looptijd tot 1 januari 2025. 3.5
Paragraaf grondbeleid
In 2022 is een nieuw USK 2022 vastgesteld. Dit nieuwe USK 2022 geeft invulling aan het grondbeleid van de Grondbank voor 2023 en 2024 en is gebaseerd op de in 2021 gesloten Overeenkomsten.
19
3.6
Paragraaf bedrijfsvoering
De werkzaamheden van de Grondbank worden op urenbasis uitgevoerd door medewerkers van de deelnemers of door derden. De Grondbank heeft geen medewerkers in dienst. De kosten van de gevraagde inhuur van de medewerkers van de deelnemers worden bij de Grondbank in rekening gebracht. 3.7
Paragraaf Open Overheid
Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Het doel van de Woo is een open overheid, die zorgdraagt voor een adequate en toegankelijke informatievoorziening op basis van een ordentelijke informatiehuishouding. In de Woo is bepaald dat een bestuursorgaan jaarlijks in de begroting aandacht besteedt aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van deze wet en in de jaarlijkse verantwoording verslag doet van de uitvoering ervan, mede in relatie tot de beleidsvoornemens. Onder de Woo is de Grondbank verplicht om informatie uit eigen beweging geheel of gedeeltelijk openbaar te maken. In 2024 zal de Grondbank een website inrichten waarmee de relevante stukken voor belangstellenden beschikbaar zijn.
20
4.
Overzicht programmabegroting 2025
4.1
Overzicht van baten en lasten programmabegroting 2025
In onderstaand overzicht zijn de lasten en baten voor 2025 weergegeven alsmede de dekkingsmiddelen. (x € 1.000)
Primitieve
Bijgestelde
Voorlopige
Begroting
Begroting
Begroting
Jaarrekening
2025
2024
2024
2023
Baten
0
96.555
0
0
Lasten
3.110
99.235
-3.020
2.734
Subtotaal
-3.110
-2.680
-3.020
-2.734
Baten
450
450
450
591
Lasten
75
75
75
48
Subtotaal
375
375
375
543
Baten
0
0
0
0
Lasten
160
260
160
178
Subtotaal
-160
-260
-160
-178
2.895
2.565
2.805
2.370
0
0
0
0
2.895
2.565
2.805
2.370
0
0
0
0
Product Programma Voorraden
Programma Beheer
Programma Overhead
Dekkingsmiddelen Activeren o.g.v. art. 63 BVV Onttrekking aan reserves Subtotaal Totaal saldo Dekkingsmiddelen Op grond van de begroting zal in 2025 het resultaat geactiveerd worden op de boekwaarde van de voorraden. Dit vindt plaats binnen het programma dekkingsmiddelen. Op grond van deze begroting wordt voor 2025, vergelijkbaar met 2023 en 2024, geen bijdrage aan de deelnemers gevraagd.
21
Incidentele baten en lasten Conform artikel 28 lid c van het BBV dient in de begroting een overzicht opgenomen te worden van de incidentele baten en lasten. Hieronder volgt het overzicht. Primitieve Bijgestelde Begroting (x € 1.000)
2025
Voorlopige
Begroting
Begroting
Jaarrekening
2024
2024
2023
Baten
3.345
99.570
0
2.961
Lasten
3.345
99.570
0
2.961
0
0
0
0
Onttrekking reserves
0
0
0
0
Gerealiseerd resultaat
0
0
0
0
- baten grondverkoop
0
96.555
0
0
Totaal incidentele baten
0
96.555
0
0
0
96.555
0
0
- kosten liquidatie
0
100
0
0
Totaal incidentele lasten
0
96.655
0
0
Resultaat incidenteel
0
-100
0
0
Resultaat structureel
0
0
0
0
Gerealiseerd totaalsaldo van baten en lasten
Waarvan incidentele baten
Waarvan incidentele lasten: - deactivering grondwaarde (i.v.m. verkoop)
22
4.2
Begroting 2025 en meerjarenbegroting 2025-2028
(x € 1.000) Product
2025
2026
2027
2028
0
0
0
0
0
0
0
0
3.110
3.198
3.287
3.379
Opbrengsten onroerende zaken (totaal)
450
450
450
450
LASTEN Beheer- en onderhoudskosten (totaal)
75
75
75
75
LASTEN Personeel
70
70
70
70
Financiële administratie/accountancy
25
25
25
25
Kantoor- en bestuurskosten Subtotaal lasten
65 160
65 160
65 160
65 160
2.875
2.982
3.071
3.163
0
0
0
0
Programma Voorraden BATEN Grondverkoop LASTEN Te deactiveren i.g.v. art. 63 BBV Financiering
Programma Beheer BATEN
Programma Overhead
Dekkingsmiddelen Te activeren i.g.v. art. 63 BBV Totaal saldo
23
4.3
Geprognosticeerde balans 2025
Op grond van de richtlijnen van het BBV volgt hieronder de geprognosticeerde balans van de Grondbank voor de jaren 2025 en voor de jaren 2026-2028. Geprognosticeerde balans (x € 1.000) 2025
2026
2027
2028
ACTIVA vlottende activa Voorraden
100.000 103.100 106.000 109.300
Uitzettingen, looptijd < dan 1 jaar
400
400
400
400
Liquide middelen
200
200
200
200
Totale activa (31 december)
100.600 103.700 106.600 109.900
2025
2026
2027
2028
Eigen vermogen
0
0
0
0
voorzieningen
0
0
0
0
PASSIVA Vaste passiva
Vaste schulden, looptijd > dan 1 jr.
98.000 101.100 104.000 107.300
Vlottende passiva Vlottende schulden, looptijd < dan 1 jr. Overlopende passiva Totale passiva (31 december)
2.500
2.500
2.500
2.500
100
100
100
100
100.600 103.700 106.600 109.900
24
4.4.
Taakveldenoverzicht
Hieronder is de begroting opgenomen naar de voorgeschreven taakvelden vanuit de BBV. Deze begroting sluit met de opgenomen programmabegroting. Taakveldenoverzicht (x € 1.000)
2025
2026
2027
2028
Hoofdtaakveld Taakveld 0 bestuur en ondersteuning 0.3
beheer overige gebouwen en gronden
450 (v)
450 (v)
450 (v)
450 (v)
0.3
beheer overige gebouwen en gronden
75 (n)
75 (n)
75 (n)
75 (n)
0.4
ondersteuning organisatie
160 (n)
160 (n)
160 (n)
160 (n)
0.5
treasury
3.110 (n)
3.198 (n)
3.287 (n)
3.379 (n)
0.8
overige baten en lasten
2.895 (v)
2.982 (v)
3.071 (v)
3.163 (v)
0
0
0
0
Totaal (v= voordelig saldo, n= nadelig saldo)
25
Wijzigingsregeling Gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas 2015 Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland alsmede de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Gouda, Rotterdam, Waddinxveen en Zuidplas, gelet op artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; gelezen het voorstel van het Algemeen Bestuur van de grondbank van 21 maart 2024 tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling
overwegende dat - in 2021 de gemeente Zuidplas, de provincie Zuid-Holland en de grondbank een bestuursovereenkomst zijn aangegaan waarin afspraken zijn gemaakt over de ontwikkeling van het Middengebied van Zuidplas; -
in 2021 de gemeente Zuidplas en de grondbank afspraken hebben gemaakt in een koopovereenkomst over de overdracht van alle gronden en overige bezittingen van de grondbank aan de gemeente Zuidplas;
-
de provincie de ontwikkelingen zoals opgenomen in de bestuursovereenkomst met de herziening van het provinciaal omgevingsbeleid 2023 planologisch mogelijk heeft gemaakt;
-
vanwege de ontwikkelingen in de woningbouw vanaf 2022 de volledige overdracht van alle gronden en overige bezittingen van de grondbank aan de gemeente Zuidplas op korte termijn niet te verwachten is;
-
de scenario’s voor de eigendommen van de Grondbank na 2025 verkend zijn en geconstateerd is dat verlenging van de grondbank de voorkeur geniet;
-
de evaluatie van de grondbank in 2023 heeft plaatsgevonden en heeft geleid tot de constatering dat de huidige tekst van de gemeenschappelijke regeling op enkele punten aanpassing behoeft;
-
deze wijziging van de gemeenschappelijke regeling grondbank RZG Zuidplas 2015 bepalingen bevat naar aanleiding van de op 1 juli 2022 in werking getreden gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen, dat de looptijd wijzigt, dat de regelingen op onderdelen is vereenvoudigd en voorts enige verbeteringen van juridische en redactionele aard zijn aangebracht.
besluiten: Artikel I De Gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas 2015 wordt als volgt gewijzigd:
A Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel i wordt ‘rondexploitatie’ vervangen door ‘grondexploitatie’. 2. Onder vervanging van een punt door een punt komma aan het eind van onderdeel o, worden de volgende onderdelen toegevoegd: p. bestuursovereenkomst: bestuurlijke overeenkomst ‘Ontwikkeling Middengebied Zuidplaspolder’ gesloten op 1 juli 2021 tussen de gemeente Zuidplas, de provincie Zuid-Holland en de grondbank met afspraken over de ontwikkeling van het middengebied van Zuidplas en bestaande en nog overeen te komen addenda;
q. middengebied: plangebied van de bestuursovereenkomst, gelegen binnen het rechtsgebied, aangegeven op de bij deze regeling behorende tekening.
B In artikel 3 wordt ‘in de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit voor het rechtsgebied geformuleerde ruimtelijke en sectorale doelstellingen’ vervangen door ‘gebiedsontwikkeling in het rechtsgebied, bedoeld in artikel 2, tweede lid’.
C In artikel 4, derde lid, wordt ‘ter uitvoering van de planologische maatregelen die ter uitvoering van de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit voor het rechtsgebied worden vastgesteld’ vervangen door ‘van het rechtsgebied’.
D Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 5a Zienswijzen en participatie bij voorgenomen besluiten Buiten de in deze regeling of bij of krachtens de wet bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van het bestuur waarvoor aan de vertegenwoordigende organen een zienswijze als bedoeld in artikel 10, vijfde lid van de wet wordt gevraagd of gelegenheid tot participatie als bedoeld in artikel 10, zevende en achtste lid van de wet wordt geboden.
E In artikel 7, tweede lid wordt “wijst” vervangen door “wijzen”.
F Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid vervalt. 2. Het derde en het vierde lid worden omgenummerd tot tweede en derde lid. 3. In het tweede lid (nieuw) vervalt “tevens”. 4. Aan het eind van het tweede lid (nieuw) wordt een punt geplaatst.
G Artikel 11, tweede lid, komt te luiden: 2. Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.
H HOOFDSTUK IV VERANTWOORDING EN INFORMATIE en artikel 17 komen te vervallen.
I Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt “de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit binnen het rechtsgebied” vervangen door “tussen de deelnemers overeengekomen plannen die zijn vertaald in onder andere bestemmingsplannen of omgevingsplannen en de bestuursovereenkomst”. 2. Het derde lid komt te luiden: 3. Het ontwerp-USK wordt na vaststelling door het Dagelijks Bestuur toegezonden aan de vertegenwoordigende organen. De vertegenwoordigende organen kunnen gedurende twaalf weken hun zienswijze op het ontwerp-USK kenbaar maken aan het Dagelijks Bestuur. Het Dagelijks Bestuur voegt de zienswijzen, het schriftelijk en gemotiveerd oordeel over de zienswijzen alsmede de conclusie die het daaraan verbindt bij het ontwerp-USK zoals dit aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. 3. Onder vernummering van het vierde tot vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende: 4. Het Dagelijks Bestuur stelt de deelnemers in de gelegenheid hun ingezetenen bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het USK, te betrekken overeenkomstig artikel 10, achtste lid van de wet, indien sprake is van inhoudelijke aanpassing van het USK. 4. Het vijfde lid (nieuw) komt te luiden: 5.Het Algemeen Bestuur stelt vervolgens het USK vast.
Na vaststelling wordt het USK toegezonden aan de vertegenwoordigende organen samen met de zienswijzen, het schriftelijk en gemotiveerd oordeel over de zienswijzen en de conclusie die daaraan is verbonden.
J Het opschrift van HOOFDSTUK VI komt te luiden: INFORMATIE EN VERANTWOORDING
K Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het derde lid vervalt. 2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 2. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met artikel 23 van de wet, die door één of meer leden van de vertegenwoordigende organen schriftelijk worden verlangd en wel door: a. toezending van bepaalde aangewezen stukken binnen vier weken na ontvangst van het verzoek daartoe; b. schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen binnen zes weken na ontvangst daarvan.
L Aan artikel 26 wordt een lid toegevoegd, luidende: 7.Bij de jaarrekening wordt in een aparte paragraaf verslag gedaan van het doel, bedoeld in artikel 3, de voortgang van het USK en de bestuursovereenkomst.
M Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid komt te luiden:
1.Het Algemeen Bestuur evalueert de toepassing en werking van deze regeling, voor het eerst voor 1 juli 2029. 2. Het tweede lid komt te vervallen. 3. Het derde en vierde lid worden vernummerd tot tweede en derde lid. 4. Het derde lid (nieuw) komt te luiden: 3. Het Algemeen Bestuur stelt een procedureregeling vast voor de evaluatie, bedoeld in het eerste lid. 5. Na het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 4. De uitkomsten van de evaluatie worden gedeeld met de deelnemers.
N Artikel 31 komt te luiden: Artikel 31 Toetreding Toetreding tot de regeling door andere gemeenten of provincies is uitsluitend mogelijk indien er sprake is van herindeling van deelnemende gemeenten.
O Na artikel 31 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 31a Uittreding 1. Een deelnemer kan jaarlijks uittreden uit de regeling. 2. Uittreden is alleen mogelijk met een daartoe strekkend besluit van het college respectievelijk Gedeputeerde Staten van de uittredende deelnemer met inachtneming van artikel 1 van de wet. 3. De uittredende deelnemer zendt het besluit tot uittreding zo spoedig mogelijk aangetekend aan het Algemeen Bestuur. 4. De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het nemen van het besluit tot uittreding door de uittredende deelnemer. 5. Het Algemeen Bestuur beslist binnen acht weken na ontvangst van het besluit tot uittreding of de regeling wordt opgeheven. De door de uittredende deelnemer aangewezen leden onthouden zich hierbij van stemming, dit wordt niet meegeteld in het meerderheidsvereiste, bedoeld in artikel 33, eerste lid. 6. Indien tot opheffing wordt besloten, treedt het besluit tot opheffing in de plaats van het besluit tot uittreding. 7. Indien het Algemeen Bestuur niet tot opheffing als bedoeld in het vijfde lid, beslist, stelt het Algemeen Bestuur de concrete uittredingssom en overige financiële en ander gevolgen van de uittreding vast. De door de uittredende deelnemer aangewezen leden onthouden zich hierbij van stemming. 8.
De uittredende deelnemer betaalt een uittredingssom die wordt berekend naar evenredigheid van het toepasselijke percentage, genoemd in artikel 27, vijfde lid. De uittredingssom bestaat uit: a. Operationele kosten onder aftrek van eventuele baten; en b. Het risico van de eigendommen en activa van de regeling. 9. De hoogte van de operationele kosten wordt bepaald door de volgende onderdelen en betaalt de deelnemer bij uittreding: a. Kosten voor de grondbank die voortvloeien uit de uittreding; b. Organisatie- en rentekosten, berekend over de resterende looptijd van de regeling met een minimum van vijf jaar vanaf de uittreding; c. Inkomsten uit pacht- en huur; d. Lagere kosten of rentekosten voor de grondbank, door betaling van de uittredingssom. 10. Het risico van de eigendommen en activa wordt bepaald door het verwachte eindsaldo van de grondbank bij het opheffen van de regeling. Daarbij wordt rekening gehouden met alle bekende feiten, overeenkomsten en risico´s op de datum van het uittredingsbesluit. Het verwachte eindsaldo van de eigendommen en activa kan leiden tot: a. Betaling bij uittreding door de uittredende deelnemer;
b. Recht op nabetaling bij opheffing van de grondbank voor de uittredende deelnemer; c. Een uitgesteld recht op nabetaling of plicht tot betaling door de uittredende deelnemer op het moment dat een redelijke inschatting te maken is van het verwachte eindsaldo. 11. Betaling bij uittreding vindt plaats als het verwachte eindsaldo leidt tot een negatief bedrag. In dat geval wordt rekening gehouden met lagere kosten of rentekosten voor de grondbank, door betaling van de uittredingssom. 12. Recht op nabetaling bij opheffing van de grondbank ontstaat wanneer sprake is van een positief verwacht eindsaldo. De nabetaling kan niet hoger zijn dan het bij uittreding verwachte eindsaldo. 13. Van een uitgesteld recht op nabetaling of plicht tot betaling is sprake indien het niet mogelijk is het verwachte eindsaldo van de grondbank te bepalen. De uittredende deelnemer blijft dan naar evenredigheid van het toepasselijke percentage, genoemd in artikel 27, vijfde lid, aansprakelijk tot het moment dat het verwachte eindsaldo wel kan worden bepaald. Na bepaling van het eindsaldo ontstaat dan een plicht tot betaling als bedoeld in het tiende lid, onderdeel a of een recht op nabetaling bij opheffing als bedoeld in het tiende lid onderdeel b.
P Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd: 1. Aan het tweede lid wordt na toegevoegd ‘met inachtneming van artikel 1 van de wet’. 2. Het derde lid vervalt.
Q Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt ‘zoals bedoeld’ vervangen door: ‘, bedoeld‘ en vervalt: ‘de in artikel 32 bedoelde bestuursorganen van de’. 2. In tweede lid wordt ‘de nodige regels’ vervangen door ‘een liquidatieplan vast’.
R Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid wordt ‘1 januari 2025’ vervangen door ‘1 januari 2035’. 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 4. Verlenging van de regeling vindt plaats door wijziging van de regeling.
S In artikel 37 wordt “voor wet- en regelgeving” vervangen door “voor zover wet- en regelgeving”.
Artikel II Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.
Bijlage Kaart middengebied behorende bij de Gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas 2015
[kaart]
Toelichting op de Wijziging Gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas 2015
Algemeen Op 31 december 2024 loopt de grondbank af. In 2023 is de toepassing en de werking van de regeling geëvalueerd om na te gaan of de doelstellingen van de regeling zijn behaald, of er aanpassing nodig is van de regeling en of en zoja onder welke voorwaarden de regeling zou moeten worden voortgezet. Mede op basis van deze evaluatie is door de deelnemers besloten de regeling te verlengen. In 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen gewijzigd. Deze wetswijziging verplicht de regeling aan te passen ten aanzien van financiële gevolgen van uittreding, zienswijzen, participatie en actieve informatieverschaffing. Nu de regeling verlengd wordt, worden deze wijzigingen meteen meegenomen. Behalve wijzigingen vanwege de verlenging en vanwege wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn ook een aantal verschrijvingen rechtgezet. Deze behoeven geen nadere toelichting.
Artikelsgewijze toelichting Artikel I A Artikel 1 De begripsomschrijvingen van artikel 1 zijn aangevuld met twee nieuwe begrippen vanwege de verlenging van de grondbank.
B Artikel 3 is aangepast omdat de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit achterhaald zijn. Deze zijn vervangen door de algemener geformuleerde doelstelling.
C In artikel 4 zijn de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit vervangen omdat deze achterhaald zijn.
D Artikel 5a is ingevoegd als gevolg van de wijziging van de wet. In de wet is een verplichting geïntroduceerd om in de regeling afspraken te maken over welke besluiten van het bestuur van een gemeenschappelijke regeling vatbaar zijn voor een zienswijze en welke besluiten voor participatie (artikel 10, vijfde tot achtste lid) Het USK is vatbaar voor een zienswijze en participatie, de procedure hiertoe is geregeld in artikel 18 van de regeling. In artikel 5a is geregeld dat behalve het USK geen andere besluiten (behoudens natuurlijk de begroting) voor een zienswijze of participatie vatbaar zijn.
H Artikel 17 is verwijderd omdat de inhoud reeds is opgenomen in de artikelen 19 tot en met 21.
I Artikel 18, eerste lid, onderdeel b is aangepast omdat de de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit achterhaald is. De overige aanpassingen zijn opgenomen in navolging van de wijziging van de wet. In artikel 10, vijfde en zesde lid van de wet is opgenomen dat dat de regeling bepalingen moet bevatten omtrent de besluiten van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling waarover de raden van deelnemende gemeenten of provinciale staten van de deelnemende provincie een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van een besluit. Het USK is voor zienswijzen opengesteld op de wijze beschreven in artikel 18.
K Artikel 20 is aangepast aan de wijziging van de wet. In artikel 17, tweede en derde lid van de wet zijn bepalingen opgenomen omtrent actieve informatieplicht van het bestuur naar de raden of provinciale staten van de deelnemers. In de regeling zijn hiertoe bepalingen opgenomen over de wijze waarop de informatie wordt aangeleverd.
L In artikel 26 is een lid toegevoegd om jaarlijks verslag te kunnen uitbrengen over de voortgang van de doelen van de grondbank. Gezien de ontwikkelingen is het wenselijk om frequenter de stand van zaken te monitoren, vooruit te kijken naar de toekomst en de deelnemers hierover te informeren. Om die reden is opgenomen om jaarlijks in een aparte paragraaf in de jaarstukken de voortgang te monitoren, de marktsituatie van dat moment te analyseren en vooruit te kijken in relatie tot de doelstellingen.
M Artikel 30 is aangepast aan de wettelijke verplichting van artikel 11a van de wet om bepalingen omtrent evaluatie in de regeling op te nemen. De regeling bevatte weliswaar reeds een bepaling omtrent evaluatie, deze is echter belegd bij het Algemeen Bestuur in plaats van de deelnemers.
N Artikel 31 is aangepast aan de werkelijke situatie waarin het niet wenselijk is dat nieuwe deelnemers toetreden. Een deel van de tekst van artikel 31 is naar artikel 31a gegaan.
O
Artikel 31a is toegevoegd mede als gevolg van de wijziging van de wet. Oorspronkelijk was in artikel 31 zowel de toetreding als uittreding opgenomen. Dit is uitgesplitst in artikel 31 en 31a. Als gevolg van de wijziging van artikel 9 van de wet, dient in de regeling de voorwaarden waaronder uitgetreden kan worden, te worden opgenomen, waaronder de gevolgen voor het vermogen van de grondbank en die van de deelnemers. Dit is opgenomen in het achtste tot en met dertiende lid. Uitgangspunt is dat er enerzijds geen onnodige drempels worden opgeworpen om uittreden te bemoeilijken en anderzijds “achterblijvende” deelnemers geen schade ondervinden van het uitreden van een deelnemer. Dit is uitgewerkt in een uittreedsom en verschillende momenten waarop betaling kan plaatsvinden (10e lid). Daarnaast is de procedure om tot uittreding te komen nader uitgewerkt: een besluit wordt genomen door een deelnemer voor 31 december en de uittreding vindt dan plaats per 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het besluit van uittreding. Concreet betekent dit dat een uittredingsbesluit uiterlijk op 31 december 2024, naar aanleiding van de huidige evaluatie, leidt tot uittreding per 1 januari 2026. De regeling kan dan worden verlengd en er kan worden uitgetreden zonder een eventuele verlenging in gevaar te brengen.
Dit kan worden vormgegeven om bij het besluit tot instemming met de wijziging van de regeling tevens het besluit te nemen tot uittreding per 1 januari 2026. De regeling ging ervan uit dat deelnemers eens per 5 jaar konden besluiten uit te treden. Dit was gekoppeld aan de 5 jaarlijkse evaluatie. De wijziging biedt de deelnemers de mogelijkheid om jaarlijks uit te treden.
R In artikel 36 is de verlenging geregeld. Hierin is gekozen voor een verlenging van 10 jaar. Op grond van artikel 33 kan de regeling eerder worden beëindigd als de gronden eerder zijn uitgenomen.