CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb002021] Brief van Grondbank RZG Zuidplas over Ontwerpbegroting 2025 en aanpassing en verlenging Grondbank RZG Zuidplas

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 10 april 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen15.380 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Aan de Provinciale Staten van Zuid-Holland en de raden van de gemeenten Gouda, Rotterdam, Waddinxveen en Zuidplas

Ons kenmerk GB788/2024

c.c. leden van het Algemeen en van het Uw kenmerk Bijlagen Bestuur ROZDatum Algemeen Bestuur3Grondbank RZG Zuidplas 28 maart 2024

GRONDBANK RZG ZUIDPLAS

Postbus 29

Onderwerp Ontwerpbegroting 2025 en aanpassing en verlenging Grondbank RZG Zuidplas

2910 AA Nieuwerkerk a/d IJssel Bezoekadres Raadhuisplein 1 2914 KM Nieuwerkerk a/d IJssel

A.E.L. Lindhout secretaris Grondbank RZG Zuidplas ael.lindhout@pzh.nl Telefoon 06-18309578

Geachte heer / mevrouw, De Grondbank RZG Zuidplas heeft een looptijd tot en met 31 december 2024. Per brief van 30 oktober 2023 hebben wij u geïnformeerd over de voorlopige conclusie dat het verlengen van de Grondbank op inhoudelijke gronden het best aansluit bij de ontwikkelingen die momenteel rond het Middengebied Zuidplaspolder spelen. Met deze brief bieden wij u ter zienswijze de verlenging en wijziging van de regeling van de Grondbank aan. Tegelijk bieden wij u de ontwerpbegroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 aan. Verlengen In onze brief van 30 oktober 2023 hebben we aangegeven dat het verlengen van de Grondbank leidt tot de minste financiële gevolgen op korte termijn waarbij een budget neutrale oplossing nog tot de mogelijkheden behoort. Het past ook het best binnen het beleid van de deelnemende partijen en beantwoordt aan de doelstelling waarmee de samenwerking oorspronkelijk is gestart. De afgelopen maanden is dit verder uitgewerkt en geconstateerd is dat er consensus bestaat bij de deelnemers over voornoemde verlenging van de Grondbank. De verlenging is meegenomen in de wijziging van de gemeenschappelijke regeling. De regeling dient ook te worden gewijzigd op basis van de gewijzigde Wet op de gemeenschappelijke regelingen (Wgr).

Met de vaststelling van de wijziging van de gemeenschappelijke regeling wordt dus zowel besloten tot het verlengen van de Grondbank als gevolg gegeven aan de verplichting om te wijzigen naar aanleiding van de gewijzigde Wgr. Voorgestelde wijzigingen Bijgevoegd is een tabel met daarin de voorgestelde tekstwijzigingen. In de tabel is in 3 kolommen de huidige tekst, voorgestelde aangepaste tekst en een toelichting op de aanpassing opgenomen. Belangrijk inhoudelijke punten betreffen: - De looptijd van de Grondbank. Voorgesteld wordt een looptijd van 10 jaar omdat een periode van onbepaalde tijd op gespannen voet staat met de wens om de gemeenschappelijke regeling zo kort mogelijk voort te zetten en bij een kortere periode dan 10 jaar (bijvoorbeeld 5 jaar) een ongewenste situatie kan ontstaan als de uitname van de gronden t.b.v. de gebiedsontwikkeling

-

-

in het Middengebied niet binnen vijf jaar plaatsvindt, hetgeen niet uit te sluiten is. De mogelijkheid tot uittreding. De huidige tekst van de GR biedt de deelnemers de mogelijkheid om eens per 5 jaar uit te treden. Voorgesteld wordt dat te wijzigen in de mogelijkheid om elk jaar uit te treden. De voorwaarden voor uittreding. De Wgr schrijft voor dat de voorwaarden tot uittreding en de (financiële) gevolgen van de uittreding voor uittreder, achterblijvende deelnemers en de regeling moeten worden opgenomen in de gemeenschappelijk regeling. Gehanteerd uitgangspunt bij het formuleren van de uittreedvoorwaarden is dat er enerzijds geen onnodige drempels worden opgeworpen om uittreden te bemoeilijken en anderzijds “achterblijvende” deelnemers geen schade ondervinden van het uittreden van een deelnemer. Dit is uitgewerkt in een uittreedsom.

Zienswijze U wordt uitgenodigd een zienswijze te geven op deze wijziging van de gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas. Het bestuur van de Grondbank zal de ontvangen zienswijze beoordelen en op basis daarvan bepalen of deze aanleiding geven tot aanpassing van de nu voorgestelde wijzigingen. Het resultaat van die afweging zal het bestuur vervolgens aan de deelnemers voorleggen met het verzoek hierover een besluit te nemen. Dit verzoek zal u naar verwachting medio juli a.s. ontvangen. Op grond van de Wgr zullen de colleges van de deelnemers, na toestemming van Raden resp. de Staten, hierover een besluit moeten nemen. Indien 4 van de deelnemers hierover een positief besluit nemen is de regeling aangepast. Ontwerpbegroting en meerjarenraming Naast de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling treft u ook de door het Dagelijks Bestuur vastgestelde ontwerpbegroting 2025 en de meerjarenraming 2026-2028 aan. Het bestuur beseft dat met het aanbieden van deze stukken vooruitgelopen wordt op verlenging van de Grondbank na 1 januari 2025. Met het nu aan u aanbieden van de stukken wordt er voor gezorgd dat bij een eventuele verlenging van de Grondbank bij de start van het begrotingsjaar 2025 sprake is van een vastgestelde begroting.

Bijkomend voordeel is dat de deelnemers bij de beoordeling van de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling ook de (meerjarige) financiële ramingen kunnen betrekken. De ontwerpbegroting 2025 en de meerjarenraming 2026-2028 zijn gebaseerd op de afspraken tot budgettair neutraal afsluiten van de Grondbank. Er is daarom ook geen deelnemersbijdrage opgenomen. Hierbij wordt u uitgenodigd uw zienswijze op de ontwerpbegroting 2025 te geven. U kunt uw zienswijze voor zowel de aanpassing van de Grondbank als op de ontwerpbegroting 2025 inzenden ter attentie van de secretaris van de Grondbank, de heer A.E.L. Lindhout, Postbus 29, 2910 AA Nieuwerkerk aan den IJssel. We verzoeken u uw reactie voor 1 juni aanstaande aan ons toe te sturen. We kunnen ons voorstellen dat bespreking van de zienswijze pas in een raads- of statenvergadering na 1 juni aanstaande mogelijk is. In dat geval verzoeken we u ons, zodra deze beschikbaar is, de concept-zienswijze toe te sturen zoals deze aan 2

de gemeenteraad c.q. provinciale staten wordt voorgelegd. Deze kunnen we dan betrekken bij de voorbereiding van de bespreking van het onderwerp voor de DB vergadering ter voorbereiding op de AB vergadering. De definitieve zienswijze zullen we dan aan de stukken voor het DB toevoegen en kunnen dan in de bespreking in het DB worden betrokken.

Hoogachtend, het Dagelijks Bestuur van de Grondbank RZG Zuidplas, de secretaris,

A.E.L. (Arjan) Lindhout

de voorzitter,

E.F.A. (Frederik) Zevenbergen

3

Bijlage 3.2 AB Grondbank 21 maart 2024 Wijzigingstabel gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas Dit is een was-wordt tabel met alleen de artikelen uit de regeling die worden gewijzigd door het wijzigings besluit. In de linkerkolom staat de huidige tekst van de regeling. De tweede kolom bevat de gewijzigde tekst na vaststelling van het wijzigingsbesluit. De wijzigingen zijn dikgedrukt of geel gemarkeerd, afhankelijk van of er sprake is van een vervanging van tekst, schrappen of toevoegen. De laatste kolom bevat de toelichting. Hierin is tevens aangegeven of de wijziging een gevolg is van de verlenging van de regeling of van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regeling. Deze tabel is om overzicht te geven, het is niet het wijzigingsbesluit zelf. Dat is een apart document waarin iedere deelnemer de aanhef moet aanpassen voor de eigen organisatie. Dit besluit wordt uiteindelijk gepubliceerd door de provincie en na publicatie geconsolideerd op www.overheid.nl, tot een nieuwe regeling, op de manier in de midden kolom/ tweede kolom. Huidige tekst Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1.Deze gemeenschappelijke regeling verstaat onder: a. grondbank: Grondbank RZG Zuidplas b. bestuur: bestuur van de Grondbank RZG Zuidplas; c. college: college van burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente; d.

Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland; e. deelnemers: aan deze regeling deelnemende bestuursorganen van gemeenten en provincie; f. provincie: de aan deze regeling deelnemende provincie Zuid-Holland; g. deelnemende gemeente: aan deze regeling deelnemende gemeente; h. vertegenwoordigende organen: Provinciale Staten van Zuid-Holland en de raden van de deelnemende gemeenten; i. rondexploitatie: geheel van activiteiten en werkzaamheden met betrekking tot de verwerving, het bouw- en woonrijp maken, en de uitgifte van voor bebouwing geschikt gemaakte gronden, in het kader van de realisatie van planologische maatregelen; j. Herijkingsstudie: door Provinciale Staten op 8 oktober 2013 vastgestelde Herijkingsstudie Zuidplaspolder;

Nieuwe tekst Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1.Deze gemeenschappelijke regeling verstaat onder: a. grondbank: Grondbank RZG Zuidplas b. bestuur: bestuur van de Grondbank RZG Zuidplas; c. college: college van burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente; d. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland; e. deelnemers: aan deze regeling deelnemende bestuursorganen van gemeenten en provincie; f. provincie: de aan deze regeling deelnemende provincie ZuidHolland; g. deelnemende gemeente: aan deze regeling deelnemende gemeente; h. vertegenwoordigende organen: Provinciale Staten van ZuidHolland en de raden van de deelnemende gemeenten; i. grondexploitatie: geheel van activiteiten en werkzaamheden met betrekking tot de verwerving, het bouw- en woonrijp maken, en de uitgifte van voor bebouwing geschikt gemaakte gronden, in het kader van de realisatie van planologische maatregelen; j. Herijkingsstudie: door Provinciale Staten op 8 oktober 2013 vastgestelde Herijkingsstudie Zuidplaspolder;

Aard van de wijziging/ toelichting De begripsomschrijvingen van artikel 1 zijn aangevuld met twee nieuwe begrippen vanwege de verlenging van de grondbank.

1

Huidige tekst k. Visie Ruimte en Mobiliteit: door Provinciale Staten op 9 juli 2014 vastgestelde Visie Ruimte en Mobiliteit; l. rechtsgebied: grondgebied binnen de gemeenten Gouda, Rotterdam, Waddinxveen en Zuidplas, met uitzondering van de grijs gearceerde gebieden, een en ander zoals aangegeven op de bij deze regeling behorende tekening; m. regeling of gemeenschappelijke regeling: Gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas. n. USK: meerjarig Uitname Strategie Kader, zoals bedoeld in artikel 18 van deze regeling; o. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 3 Doel De grondbank heeft tot doel het ontwikkelen, vaststellen, initiëren en uitvoeren van een strategisch beheer- en uitnamebeleid voor de verworven gronden ten behoeve van een effectieve realisatie van de in de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit voor het rechtsgebied geformuleerde ruimtelijke en sectorale doelstellingen. Artikel 4 Taken 1.De grondbank heeft tot taak het beheren en verkopen van de verworven gronden op zodanige wijze dat wordt voldaan aan de in artikel 3 omschreven doelstelling. Hiertoe worden onder meer de volgende, afgeleide, deeltaken gerekend: a.het opstellen van het USK; b.het voeren van (tijdelijk) beheer, in de ruimste zin van het woord, met betrekking tot de verworven gronden;

Nieuwe tekst k. Visie Ruimte en Mobiliteit: door Provinciale Staten op 9 juli 2014 vastgestelde Visie Ruimte en Mobiliteit; l. rechtsgebied: grondgebied binnen de gemeenten Gouda, Rotterdam, Waddinxveen en Zuidplas, met uitzondering van de grijs gearceerde gebieden, een en ander zoals aangegeven op de bij deze regeling behorende tekening; m. regeling of gemeenschappelijke regeling: Gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas. n. USK: meerjarig Uitname Strategie Kader, zoals bedoeld in artikel 18 van deze regeling; o. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen; p. bestuursovereenkomst: bestuurlijke overeenkomst ‘Ontwikkeling Middengebied Zuidplaspolder’ gesloten op 1 juli 2021 tussen de gemeente Zuidplas, de provincie ZuidHolland en de grondbank met afspraken over de ontwikkeling van het middengebied van Zuidplas en bestaande en nog overeen te komen addenda; q. middengebied: plangebied van de bestuursovereenkomst, gelegen binnen het rechtsgebied, aangegeven op de bij deze regeling behorende tekening. Artikel 3 Doel De grondbank heeft tot doel het ontwikkelen, vaststellen, initiëren en uitvoeren van een strategisch beheer- en uitnamebeleid voor de verworven gronden ten behoeve van een effectieve realisatie van de gebiedsontwikkeling in het rechtsgebied, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Aard van de wijziging/ toelichting

Artikel 4 Taken 1.De grondbank heeft tot taak het beheren en verkopen van de verworven gronden op zodanige wijze dat wordt voldaan aan de in artikel 3 omschreven doelstelling. Hiertoe worden onder meer de volgende, afgeleide, deeltaken gerekend: a.het opstellen van het USK; b.het voeren van (tijdelijk) beheer, in de ruimste zin van het woord, met betrekking tot de verworven gronden;

In artikel 4 zijn de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit vervangen omdat deze achterhaald zijn.

Artikel 3 is aangepast omdat de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit achterhaald zijn. Deze zijn vervangen door de algemener geformuleerde doelstelling.

2

Huidige tekst c.het financieren van de verworven gronden, het beheer en de verdere kosten ter uitvoering van de doelstelling van deze regeling; d. het nemen van maatregelen om het waardebehoud van de gronden te borgen; e. het verkopen van verworven gronden ter uitvoering van de doelstelling van deze regeling. 2.De grondbank heeft tot taak het in opdracht en voor rekening van één of meerdere deelnemers verwerven en beheren van gronden voor zover die gronden zijn gelegen binnen het rechtsgebied. 3.Onder de taken van de grondbank is uitdrukkelijk niet inbegrepen de bij de deelnemers berustende taakstelling, gericht op het (doen) voeren van in ieder geval de grondexploitatie ter uitvoering van de planologische maatregelen die ter uitvoering van de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit voor het rechtsgebied worden vastgesteld.

Nieuwe tekst c.het financieren van de verworven gronden, het beheer en de verdere kosten ter uitvoering van de doelstelling van deze regeling; d. het nemen van maatregelen om het waardebehoud van de gronden te borgen; e. het verkopen van verworven gronden ter uitvoering van de doelstelling van deze regeling. 2.De grondbank heeft tot taak het in opdracht en voor rekening van één of meerdere deelnemers verwerven en beheren van gronden voor zover die gronden zijn gelegen binnen het rechtsgebied. 3.Onder de taken van de grondbank is uitdrukkelijk niet inbegrepen de bij de deelnemers berustende taakstelling, gericht op het (doen) voeren van in ieder geval de grondexploitatie van het rechtsgebied.

Aard van de wijziging/ toelichting

NVT

Artikel 5a Zienswijzen en participatie bij voorgenomen besluiten Buiten de in deze regeling of bij of krachtens de wet bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van het bestuur waarvoor aan de vertegenwoordigende organen een zienswijze als bedoeld in artikel 10, vijfde lid van de wet wordt gevraagd of gelegenheid tot participatie als bedoeld in artikel 10, zevende en achtste lid van de wet wordt geboden.

Artikel 5a is ingevoegd als gevolg van de wijziging van de wet. In de wet is een verplichting geïntroduceerd om in de regeling afspraken te maken over welke besluiten van het bestuur van een gemeenschappelijke regeling vatbaar zijn voor een zienswijze en welke besluiten voor participatie (artikel 10, vijfde tot achtste lid) Het USK is vatbaar voor een zienswijze en participatie, de procedure hiertoe is geregeld in artikel 18 van de regeling. In artikel 5a is geregeld dat behalve het USK geen andere besluiten (behoudens natuurlijk de begroting) 3

Huidige tekst

Nieuwe tekst

Artikel 7 Samenstelling 1.Het Algemeen Bestuur bestaat uit twee leden per deelnemer. 2.De colleges en Gedeputeerde Staten wijst uit hun midden twee leden van het Algemeen Bestuur aan. ….. Artikel 10 Bevoegdheden 1.Het Algemeen Bestuur staat aan het hoofd van de grondbank. 2.Het bepaalde in de artikel 57 van de wet, tenzij bij wet of in deze regeling anders is bepaald. 3. Het Algemeen Bestuur heeft tevens de bevoegdheid tot het vaststellen van het USK. 4.Het Algemeen Bestuur kan de bevoegdheid tot het vaststellen van het USK niet overdragen aan het Dagelijks Bestuur Artikel 11 Vergaderingen 1.Op het houden en op de orde van vergaderingen van het Algemeen Bestuur is artikel 52, eerste lid, onder f van de wet van toepassing, tenzij in deze regeling anders is bepaald. 2.Het Algemeen Bestuur voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vaststelt.

Artikel 7 Samenstelling 1.Het Algemeen Bestuur bestaat uit twee leden per deelnemer. 2.De colleges en Gedeputeerde Staten wijzen uit hun midden twee leden van het Algemeen Bestuur aan.

Artikel 17 Verantwoordings- en informatieplicht 1.Ten aanzien van de verantwoordings- en informatieplicht van het Algemeen Bestuur, Dagelijks Bestuur respectievelijk van de voorzitter geldt het bepaalde in artikel 52, eerste lid, van de wet. 2.Het Reglement van Orde van het Algemeen Bestuur respectievelijk van het Dagelijks Bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste lid. 3.Gedeputeerde Staten en de colleges en de vertegenwoordigende organen bepalen op welke wijze de leden van het Algemeen Bestuur, tezamen en ieder

nvt

Aard van de wijziging/ toelichting voor een zienswijze of participatie vatbaar zijn.

Artikel 10 Bevoegdheden 1.Het Algemeen Bestuur staat aan het hoofd van de grondbank. 2. Het Algemeen Bestuur heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van het USK. 3.Het Algemeen Bestuur kan de bevoegdheid tot het vaststellen van het USK niet overdragen aan het Dagelijks Bestuur.

Artikel 11 Vergaderingen 1.Op het houden en op de orde van vergaderingen van het Algemeen Bestuur is artikel 52, eerste lid, onder f van de wet van toepassing, tenzij in deze regeling anders is bepaald. 2.Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Artikel 17 is verwijderd omdat de inhoud reeds is opgenomen in de artikelen 19 tot en met 21.

4

Huidige tekst afzonderlijk, respectievelijk het Dagelijks Bestuur en de voorzitter aan hun plichten als bedoeld in het eerste lid moeten voldoen. Artikel 18 Inhoud en procedure USK 1. Het Dagelijks Bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar , met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 2, een ontwerp-USK op, dat als kader geldt voor het door de grondbank uit te voeren beheer- en uitnamebeleid. In het ontwerp-USK worden in ieder geval voorstellen gedaan voor: a.de wijze, het tempo en de te verwachten resultaten van realisatie van de in artikel 3 genoemde doelstellingen; b.de afstemming met het door de deelnemers te voeren ruimtelijk en grondbeleid in relatie tot de uitvoering van de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit binnen het rechtsgebied; c.de begrenzing in omvang van de voorraad verworven gronden; d.de inhoudelijke en procedurele voorwaarden waarbinnen privaatrechtelijke rechtshandelingen gericht op de verkoop van gronden, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid onder c , dienen plaats te vinden; e.de inhoudelijke en procedurele voorwaarden waarbinnen privaatrechtelijke rechtshandelingen gericht op de verwerving van gronden zoals bedoeld in artikel 4 tweede lid, dienen plaats te vinden. 2.Het USK beslaat steeds een periode van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van haar vaststelling.

3.Het ontwerp-USK wordt na vaststelling door het Dagelijks Bestuur toegezonden aan de vertegenwoordigende organen. De vertegenwoordigende organen kunnen binnen drie maanden hun reacties op het ontwerp-USK kenbaar maken aan het Dagelijks Bestuur. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze reactie is vervat, bij het ontwerp-USK zoals dit aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden.

Nieuwe tekst

Aard van de wijziging/ toelichting

Artikel 18 Inhoud en procedure USK 1. Het Dagelijks Bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar , met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 2, een ontwerpUSK op, dat als kader geldt voor het door de grondbank uit te voeren beheer- en uitnamebeleid. In het ontwerp-USK worden in ieder geval voorstellen gedaan voor: a.de wijze, het tempo en de te verwachten resultaten van realisatie van de in artikel 3 genoemde doelstellingen; b.de afstemming met het door de deelnemers te voeren ruimtelijk en grondbeleid in relatie tot de uitvoering van tussen de deelnemers overeengekomen plannen die zijn vertaald in onder andere bestemmingsplannen of omgevingsplannen en de bestuursovereenkomst; c.de begrenzing in omvang van de voorraad verworven gronden; d.de inhoudelijke en procedurele voorwaarden waarbinnen privaatrechtelijke rechtshandelingen gericht op de verkoop van gronden, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid onder c , dienen plaats te vinden; e.de inhoudelijke en procedurele voorwaarden waarbinnen privaatrechtelijke rechtshandelingen gericht op de verwerving van gronden zoals bedoeld in artikel 4 tweede lid, dienen plaats te vinden. 2.Het USK beslaat steeds een periode van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van haar vaststelling. 3.Het ontwerp-USK wordt na vaststelling door het Dagelijks Bestuur toegezonden aan de vertegenwoordigende organen.

De vertegenwoordigende organen kunnen gedurende twaalf weken hun zienswijze op het ontwerp-USK kenbaar maken aan het Dagelijks Bestuur. Het Dagelijks Bestuur voegt de zienswijzen, het schriftelijk en gemotiveerd oordeel over de zienswijzen alsmede de conclusie die het daaraan verbindt bij het ontwerp-USK zoals dit aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden.

Artikel 18, eerste lid, onderdeel b is aangepast omdat de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit achterhaald is. De overige aanpassingen zijn opgenomen in navolging van de wijziging van de wet. In artikel 10, vijfde en zesde lid van de wet is opgenomen dat de regeling bepalingen moet bevatten omtrent de besluiten van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling waarover de raden van deelnemende gemeenten of provinciale staten van de deelnemende provincie een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van een besluit. Het USK is voor zienswijzen opengesteld op de wijze beschreven in artikel 18.

5

Huidige tekst 4.Het Algemeen Bestuur stelt het USK vast. Na vaststelling wordt het USK toegezonden aan de vertegenwoordigende organen.

HOOFDSTUK VI INFORMATIE, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 20 Externe werking, bestuursorganen 1.Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen, gevraagd of ongevraagd, alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, indien het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang. 2.Een verzoek om inlichtingen door een of meer leden van de vertegenwoordigende organen dient schriftelijk te worden ingediend bij het Dagelijks Bestuur. 3.Het Dagelijks Bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen aan vertegenwoordigende organen schriftelijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.

Artikel 26 Financiën 1.Op het voorbereiden en vaststellen van de begroting, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de jaarrekening is het bepaalde in de artikelen 58, 58b, 59 van de wet van toepassing.

Nieuwe tekst 4. Het Dagelijks Bestuur stelt de deelnemers in de gelegenheid hun ingezetenen bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het USK, te betrekken overeenkomstig artikel 10, achtste lid van de wet, indien sprake is van inhoudelijke aanpassing van het USK. 5.Het Algemeen Bestuur stelt vervolgens het USK vast. Na vaststelling wordt het USK toegezonden aan de vertegenwoordigende organen samen met zienswijzen, het schriftelijk en gemotiveerd oordeel over de zienswijzen en de conclusie die daaraan is verbonden. HOOFDSTUK VI INFORMATIE EN VERANTWOORDING

Aard van de wijziging/ toelichting

Artikel 20 Externe werking, bestuursorganen 1.Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen, gevraagd of ongevraagd, alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, indien het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang. 2. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met artikel 23 van de wet, die door één of meer leden van de vertegenwoordigende organen schriftelijk worden verlangd en wel door: a. toezending van bepaalde aangewezen stukken binnen vier weken na ontvangst van het verzoek daartoe; b. schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen binnen zes weken na ontvangst daarvan. 3.Een verzoek om inlichtingen door een of meer leden van de vertegenwoordigende organen dient schriftelijk te worden ingediend bij het Dagelijks Bestuur. Artikel 26 Financiën 1.Op het voorbereiden en vaststellen van de begroting, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de jaarrekening is het bepaalde in de artikelen 58, 58b, 59 van de wet van toepassing.

Artikel 20 is aangepast aan de wijziging van de wet. In artikel 17, tweede en derde lid van de wet zijn bepalingen omtrent actieve informatieplicht van het bestuur naar de raden of provinciale staten van de deelnemers opgenomen. In de regeling zijn hiertoe bepalingen opgenomen over de wijze waarop de informatie wordt aangeleverd.

In artikel 26 is een lid toegevoegd om jaarlijks verslag te kunnen uitbrengen over de voortgang van de doelen van de grondbank. Gezien de ontwikkelingen is het wenselijk om 6

Huidige tekst 2.Het Algemeen Bestuur stelt een verordening vast voor de organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden. 3.De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, en de rekening worden ingericht overeen­komstig de in en krachtens het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten gestelde regels. 4.In de begroting wordt aangegeven het naar raming bepaalde batig of nadelig saldo. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 5.In de rekening wordt het werkelijke batige of nadelige saldo opgenomen. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 6.Begrotingswijzigingen hoeven niet aan Provinciale Staten en aan de raden van de deelnemende gemeenten voor zienswijze te worden aangeboden indien: a. die niet leiden tot overschrijding van het totaalbedrag van de lasten en/of baten van de begroting; b. die niet leiden tot een daling van het geraamde batig saldo dan wel stijging van het geraamde nadelig saldo; c. het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang, behoudens de vermogensmutaties, (baten) bedraagt d. indien de gerealiseerde grondverkopen de begroting overschrijdt; e. die te maken hebben met extra opdracht(en) van een deelnemer met bijbehorende financiële dekking.

Artikel 30 Inhoud en procedure evaluatie 1.Uiterlijk vóór 1 juli 2019 verplichten de deelnemers zich de toepassing en werking van deze regeling te evalueren. Voorts verplichten de deelnemers zich de toepassing en werking van deze regeling vóór 1 juli 2024 te evalueren.

Nieuwe tekst 2.Het Algemeen Bestuur stelt een verordening vast voor de organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden. 3.De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, en de rekening worden ingericht overeenkomstig de in en krachtens het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten gestelde regels. 4.In de begroting wordt aangegeven het naar raming bepaalde batig of nadelig saldo. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 5.In de rekening wordt het werkelijke batige of nadelige saldo opgenomen. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 6.Begrotingswijzigingen hoeven niet aan Provinciale Staten en aan de raden van de deelnemende gemeenten voor zienswijze te worden aangeboden indien: a. die niet leiden tot overschrijding van het totaalbedrag van de lasten en/of baten van de begroting; b. die niet leiden tot een daling van het geraamde batig saldo dan wel stijging van het geraamde nadelig saldo; c. het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang, behoudens de vermogensmutaties, (baten) bedraagt d. indien de gerealiseerde grondverkopen de begroting overschrijdt; e. die te maken hebben met extra opdracht(en) van een deelnemer met bijbehorende financiële dekking.

7.Bij de jaarrekening wordt in een aparte paragraaf verslag gedaan van de voortgang van het doel, bedoeld in artikel 3, de voortgang van het USK en de bestuursovereenkomst. Artikel 30 Inhoud en procedure evaluatie 1.Het Algemeen Bestuur evalueert de toepassing en werking van deze regeling, voor het eerst voor 1 juli 2029. 2.De in het eerste lid bedoelde evaluatie heeft tot doel na te gaan:

Aard van de wijziging/ toelichting frequenter de stand van zaken te monitoren, vooruit te kijken naar de toekomst en de deelnemers hierover te informeren. Om die reden is opgenomen om jaarlijks in een aparte paragraaf in de jaarstukken de voortgang te monitoren, de marktsituatie van dat moment te analyseren en vooruit te kijken in relatie tot de doelstellingen.

Artikel 30 is aangepast aan de wettelijke verplichting van artikel 11a van de wet om bepalingen omtrent evaluatie in de regeling op te nemen. De regeling bevatte weliswaar reeds 7

Huidige tekst 2.Bij een verlenging, zoals bedoeld in artikel 36 lid 2, zal voor 1 juli 2029 een evaluatie zoals bedoeld in dit artikel plaatsvinden. 3.De in het eerste lid bedoelde evaluatie heeft tot doel na te gaan: a. of, en zo ja in welke mate de in deze regeling geformuleerde doelstellingen zijn behaald; b. of, en zo ja in welke mate de in deze regeling vastgelegde overdracht van taken en bevoegd­heden, in het licht van de doelstelling van deze regeling, aanpassing behoeft; c. of, en zo ja onder welke voorwaarden de regeling na het afloop van de in artikel 36 genoemde termijn alsnog dient te worden voortgezet. 4.Door het Algemeen Bestuur wordt een regeling vastgesteld, volgens welke procedure de in het eerste lid bedoelde evaluatie zal plaatsvinden. Artikel 31 Toetreding en uittreding 1.Toetreding tot de regeling door andere gemeenten en/of provincies is alleen mogelijk door wijziging van deze regeling. 2.Een deelnemer kan uittreden uit de regeling per 1 januari 2020 en per 1 januari 2025 middels een daartoe strekkend besluit van (voor het de provincie betreft), Gedeputeerde Staten dan wel een van de colleges.

De in de vorige volzin bedoelde besluiten van de genoemde bestuursorganen van een deelnemer kunnen eerst worden genomen nadat de in artikel 30, eerste volzin bedoelde evaluatie is voltooid, met dien verstande dat de bedoelde besluiten uiterlijk dienen te zijn vastgesteld op 1 november 2019 respectievelijk 1 november 2024. Een afschrift van de besluiten tot uittreding van een deelnemer wordt zo spoedig mogelijk toegezonden aan het Algemeen Bestuur, alsmede aan de vertegenwoordigende organen. 3.Bij een verlenging, zoals bedoeld in artikel 36 lid 2, kan een deelnemer per 1 januari 2030 uittreden zoals bedoeld in dit artikel.

Nieuwe tekst a.of, en zo ja in welke mate de in deze regeling geformuleerde doelstellingen zijn behaald; b.of, en zo ja in welke mate de in deze regeling vastgelegde overdracht van taken en bevoegdheden, in het licht van de doelstelling van deze regeling, aanpassing behoeft; c.of, en zo ja onder welke voorwaarden de regeling na het afloop van de in artikel 36 genoemde termijn alsnog dient te worden voortgezet. 3. Het Algemeen Bestuur stelt een procedureregeling vast voor de evaluatie, bedoeld in het eerste lid. 4. De uitkomsten van de evaluatie worden gedeeld met de deelnemers.

Aard van de wijziging/ toelichting een bepaling omtrent evaluatie, deze is echter belegd bij het Algemeen Bestuur in plaats van de deelnemers.

Artikel 31 Toetreding Toetreding tot de regeling door andere gemeenten of provincies is uitsluitend mogelijk indien er sprake is van herindeling van deelnemende gemeenten.

Artikel 31 is aangepast aan de werkelijke situatie waarin het niet wenselijk is dat nieuwe deelnemers toetreden. Een deel van de tekst van artikel 31 is naar artikel 31a gegaan.

8

Huidige tekst 4.Het Algemeen Bestuur beslist binnen acht weken na ontvangst van de besluiten tot uittreding van een deelnemer of de regeling wordt opgeheven. Het in de vorige volzin bedoelde besluit van het Algemeen Bestuur heeft de kracht van voorstel, gericht aan Provinciale Staten en de raden van de deelnemende gemeenten. Het bepaalde in artikel 33, eerste lid is van overeenkomstige toepassing. 5.Indien tot opheffing wordt besloten, is het bepaalde in artikel 33, tweede lid en verder van overeen­komstige toepassing. Het besluit tot opheffing treedt in de plaats van de in het tweede lid bedoelde besluiten tot uittreding. 6.Indien binnen de in het vierde lid genoemde periode niet tot opheffing wordt beslist, regelt het Algemeen Bestuur de financiële en overige gevolgen van de uittreding, zulks met inachtneming van het bepaalde in het zevende lid. 7.In de situatie zoals bedoeld in het zes lid, gaan alle rechten en plichten van de grondbank, zoals deze bestaan op 31 december 2019 respectievelijk 31 december 2024, bij uittreding over naar een uittredende deelnemer naar evenredigheid van het in artikel 27, vijfde lid voor die uittredende deelnemer geldende percentage.

Nieuwe tekst

Aard van de wijziging/ toelichting

Artikel 31a Uittreding 1.Een deelnemer kan jaarlijks uittreden uit de regeling. 2. Uittreden is alleen mogelijk met een daartoe strekkend besluit van het college respectievelijk Gedeputeerde Staten van de uittredende deelnemer met in acht neming van artikel 1 van de wet. 3. De uittredende deelnemer zendt het besluit tot uittreding zo spoedig mogelijk aangetekend aan het Algemeen Bestuur. 4. De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het nemen van het besluit tot uittreding door de uittredende deelnemer. 5.Het Algemeen Bestuur beslist binnen acht weken na ontvangst van het besluit tot uittreding of de regeling wordt opgeheven. De door de uittredende deelnemer aangewezen leden onthouden

Artikel 31a is toegevoegd mede als gevolg van de wijziging van de wet. Oorspronkelijk was in artikel 31 zowel de toetreding als uittreding opgenomen. Dit is uitgesplitst in artikel 31 en 31a. Als gevolg van de wijziging van artikel 9 van de wet, dient in de regeling de voorwaarden waaronder uitgetreden kan worden, te worden opgenomen, waaronder de gevolgen voor het vermogen van de grondbank en die van de deelnemers. Dit is opgenomen in het achtste tot en met dertiende lid. 9

Huidige tekst

Nieuwe tekst zich hierbij van stemming, dit wordt niet meegeteld in het meerderheidsvereiste, bedoeld in artikel 33, eerste lid. 6.Indien tot opheffing wordt besloten, treedt het besluit tot opheffing in de plaats van het besluit tot uittreding. 7.Indien het Algemeen Bestuur niet tot opheffing als bedoeld in het vijfde lid, beslist, stelt het Algemeen Bestuur de concrete uittredingssom en overige financiële en andere gevolgen van de uittreding vast. De door de uittredende deelnemer aangewezen leden onthouden zich hierbij van stemming. 8. De uittredende deelnemer betaalt een uittredingssom die wordt berekend naar evenredigheid van het toepasselijke percentage, genoemd in artikel 27, vijfde lid. De uittredingssom bestaat uit: a. Operationele kosten onder aftrek van eventuele baten; en b. Het risico van de eigendommen en activa van de regeling. 9. De hoogte van de operationele kosten wordt bepaald door de volgende onderdelen en betaalt de deelnemer bij uittreding: a. Kosten voor de grondbank die voortvloeien uit de uittreding; b. Organisatie- en rentekosten, berekend over de resterende looptijd van de regeling met een minimum van vijf jaar vanaf de uittreding; c. Inkomsten uit pacht- en huur; d. Lagere kosten of rentekosten voor de grondbank, door betaling van de uittredingssom. 10.

Het risico van de eigendommen en activa wordt bepaald door het verwachte eindsaldo van de grondbank bij het opheffen van de regeling. Daarbij wordt rekening gehouden met alle bekende feiten, overeenkomsten en risico´s op de datum van het uittredingsbesluit. Het verwachte eindsaldo van de eigendommen en activa kan leiden tot: a. Betaling bij uittreding door de uittredende deelnemer; b. Recht op nabetaling bij opheffing van de grondbank voor de uittredende deelnemer; c. Een uitgesteld recht op nabetaling of plicht tot betaling door de uittredende deelnemer op het moment dat een redelijke inschatting te maken is van het verwachte eindsaldo.

Aard van de wijziging/ toelichting Uitgangspunt is dat er enerzijds geen onnodige drempels worden opgeworpen om uittreden te bemoeilijken en anderzijds “achterblijvende” deelnemers geen schade ondervinden van het uitreden van een deelnemer. Dit is uitgewerkt in een uittreedsom en verschillende momenten waarop betaling kan plaatsvinden (10e lid). Daarnaast is de procedure om tot uittreding te komen nader uitgewerkt: een besluit wordt genomen door een deelnemer voor 31 december en de uittreding vindt dan plaats per 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het besluit van uittreding. Concreet betekent dit dat een uittredingsbesluit uiterlijk op 31 december 2024, naar aanleiding van de huidige evaluatie, leidt tot uittreding per 1 januari 2026. De regeling kan dan worden verlengd en er kan worden uitgetreden zonder een eventuele verlenging in gevaar te brengen. Dit kan worden vormgegeven om bij het besluit tot instemming met de wijziging van de regeling tevens het besluit te nemen tot uittreding per 1 januari 2026. De regeling ging ervan uit dat deelnemers eens per 5 jaar konden besluiten uit te treden. Dit was 10

Huidige tekst

Artikel 32 Wijziging van de regeling 1.Gedeputeerde Staten en de colleges, alsmede het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling. 2.De regeling wordt gewijzigd indien ten minstens twee derde van het aantal deelnemers daartoe besluiten. 3.Een wijziging is tot stand gekomen, wanneer de in lid 2 bedoelde bestuursorganen van wee derde van het aantal deelnemers met het voorstel van het Algemeen Bestuur hebben ingestemd. Artikel 33 Opheffing 1.De regeling wordt opgeheven wanneer de datum zoals bedoeld in artikel 36 is verstreken, of zoveel eerder wanneer de in artikel 32 bedoelde bestuursorganen van de meerderheid van het aantal deelnemers, al dan niet op basis van een voorstel van het Algemeen Bestuur, daartoe besluiten. 2.In geval van opheffing van de regeling, besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige

Nieuwe tekst 11. Betaling bij uittreding vindt plaats als het verwachte eindsaldo leidt tot een negatief bedrag. In dat geval wordt rekening gehouden met lagere kosten of rentekosten voor de grondbank, door betaling van de uittredingssom. 12. Recht op nabetaling bij opheffing van de grondbank ontstaat wanneer sprake is van een positief verwacht eindsaldo. De nabetaling kan niet hoger zijn dan het bij uittreding verwachte eindsaldo. 13. Van een uitgesteld recht op nabetaling of plicht tot betaling is sprake indien het niet mogelijk is het verwachte eindsaldo van de grondbank te bepalen. De uittredende deelnemer blijft dan naar evenredigheid van het toepasselijke percentage, genoemd in artikel 27, vijfde lid, aansprakelijk tot het moment dat het verwachte eindsaldo wel kan worden bepaald. Na bepaling van het eindsaldo ontstaat dan een plicht tot betaling als bedoeld in het tiende lid, onderdeel a of een recht op nabetaling bij opheffing als bedoeld in het tiende lid onderdeel b. Artikel 32 Wijziging van de regeling 1. Gedeputeerde Staten en de colleges, alsmede het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling. 2. De regeling wordt gewijzigd indien ten minstens twee derde van het aantal deelnemers daartoe besluiten met inachtneming van artikel 1 van de wet.

Aard van de wijziging/ toelichting gekoppeld aan de 5 jaarlijkse evaluatie. De wijziging biedt de deelnemers de mogelijkheid om jaarlijks uit te treden.

Artikel 33 Opheffing 1.De regeling wordt opgeheven wanneer de datum, bedoeld in artikel 36 is verstreken, of zoveel eerder wanneer de meerderheid van het aantal deelnemers, al dan niet op basis van een voorstel van het Algemeen Bestuur, daartoe besluiten. 2.In geval van opheffing van de regeling, besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor een liquidatieplan vast. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling – met uitzondering 11

Huidige tekst regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling – met uitzondering van het bepaalde in artikel 27, derde tot en met vijfde lid en van het bepaalde in artikel 33 – worden afgeweken. 3.Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur en vertegenwoordigende organen gehoord, vastgesteld. Het behoeft de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 4.Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de grondbank over de deelnemers te verdelen op een in het liquidatieplan te bepalen wijze. Voorts voorziet het liquidatieplan in: a. de gevolgen die de opheffing voor het personeel van de grondbank heeft; b. een voorkeursrecht voor de deelnemende gemeenten tot aankoop tegen marktconforme condi­ties van de alsdan bij de grondbank in eigendom zijnde c.q. door de grondbank aangekochte gronden. 5.Zo nodig blijven de bestuursorganen van de grondbank ook na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is beëindigd. Artikel 36 Inwerkingtreding en duur regeling 1.Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2.De regeling heeft een looptijd tot 1 januari 2025. 3.Het Algemeen Bestuur kan op grond van de evaluatie zoals aangeven in artikel 30, de looptijd met de maximale duur van 5 jaar verlengen.

Artikel 37 Niet voorziene gevallen In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, wordt, voor wet- en regelgeving zich daartegen niet verzet, door het Algemeen Bestuur een voorziening getroffen.

Nieuwe tekst van het bepaalde in artikel 27, derde tot en met vijfde lid en van het bepaalde in artikel 33 – worden afgeweken. 3.Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur en vertegenwoordigende organen gehoord, vastgesteld. Het behoeft de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 4.Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de grondbank over de deelnemers te verdelen op een in het liquidatieplan te bepalen wijze. Voorts voorziet het liquidatieplan in: a.de gevolgen die de opheffing voor het personeel van de grondbank heeft; b. een voorkeursrecht voor de deelnemende gemeenten tot aankoop tegen marktconforme condities van de alsdan bij de grondbank in eigendom zijnde c.q. door de grondbank aangekochte gronden. 5.Zo nodig blijven de bestuursorganen van de grondbank ook na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is beëindigd.

Aard van de wijziging/ toelichting

Artikel 36 Inwerkingtreding en duur regeling 1.Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2.De regeling heeft een looptijd tot 1 januari 2035. 3.Het Algemeen Bestuur kan op grond van de evaluatie zoals aangeven in artikel 30, de looptijd met de maximale duur van 5 jaar verlengen. 4. Verlenging van de regeling vindt plaats door wijziging van de regeling. Artikel 37 Niet voorziene gevallen In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, wordt, voor zover wet- en regelgeving zich daartegen niet verzet, door het Algemeen Bestuur een voorziening getroffen.

In artikel 36 is de verlenging geregeld. Hierin is gekozen voor een verlenging van 10 jaar. Op grond van artikel 33 kan de regeling eerder worden beëindigd als de gronden eerder zijn uitgenomen.

12

ontwerp Programmabegroting 2025 en meerjarenraming begroting 2026-2028 GRONDBANK RZG ZUIDPLAS

INHOUDSOPGAVE

1

Inleiding

3

1.1

Algemeen

3

1.2

Structuur Grondbank

4

2

Programma's

6

2.1

Inleiding

6

2.2

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

6

2.3

Programma voorraden

8

2.3.1

Financieel overzicht programma voorraden met toelichting

9

2.4

programma beheer

11

2.4.1

Financieel overzicht programma beheer met toelichting

11

2.5

Programma overhead

12

2.6

Algemene Dekkingsmiddelen

13

3

Diverse paragrafen

14

3.1

Algemeen

14

3.2

Risicoparagraaf

14

3.3

Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing

16

3.4

Financieringsparagraaf

17

3.5

Paragraaf Grondbeleid

19

3.6

Paragraaf Bedrijfsvoering

20

3.7

Paragraaf Open Overheid

20

4

Overzicht programmabegroting 2025 en meerjarenraming

2026-2028

21

4.1

Overzicht van de baten en lasten programmabegroting 2025

21

4.2

Begroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028

23

4.3

Geprognosticeerde balans

24

4.4

Taakveldenoverzicht

25

2

1

Inleiding

1.1

Algemeen

Hierbij treft u de programmabegroting van de gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas, hierna Grondbank genoemd, aan voor het jaar 2025, inclusief de meerjarenramingen 2026-2028. Het Besluit Begroting & Verantwoording (BBV) heeft als uitgangspunt gediend voor het opstellen van de begroting. De Grondbank is in 2004 opgericht met als doelstelling strategische grondverwerving in de Zuidplaspolder. In 2011 heeft de Grondbank een gewijzigde opdracht gekregen en functioneert primair als beheer- en gronduitgiftebedrijf. Thans bezit de Grondbank ca. 290 ha aan gronden en deze zijn bijna allemaal gelegen in de gemeente Zuidplas. In 2015 is de gewijzigde gemeenschappelijke regeling van de Grondbank vastgesteld en is de looptijd van de Grondbank verlengd tot 2025. Het Dagelijks Bestuur van de Grondbank heeft inmiddels besloten een voorstel tot aanpassing van de gemeenschappelijke regeling aan het Algemeen Bestuur voor te leggen waarna dit voor een zienswijze aan de deelnemers wordt verzonden. In deze aanpassing is de eindtermijn van de Grondbank op 31 december 2034 gesteld. Hoewel de deelnemers daar nog een besluit over moeten nemen, is besloten toch al de ontwerp-begroting 2025 op te stellen en hiervoor de zienswijze procedure te starten.

Daarmee wordt de deelnemers vooruitlopend op een besluit over de aanpassing van de regeling de mogelijkheid geboden een reactie te geven en wordt gezorgd dat er bij een eventuele verlenging van de Grondbank bij de start van het begrotingsjaar 2025 sprake is van een vastgestelde begroting. Bijkomend voordeel is dat de deelnemers bij de beoordeling van de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling ook de (meerjarige) financiële ramingen kunnen betrekken. De doelstelling van de Grondbank zoals opgenomen in het voorstel van het AB/DB voor de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling luidt als volgt: “De Grondbank heeft tot doel het ontwikkelen, initiëren en uitvoeren van een strategisch beheer- en uitnamebeleid voor de verworven gronden ten behoeve van een effectieve realisatie van de gebiedsontwikkeling in het rechtsgebied, bedoeld in artikel 2, tweede lid”. Laatstgenoemde betreft het rechtsgebied van de Grondbank. De begroting van de Grondbank dient gebaseerd te zijn op haar vigerende Uitgifte Strategie Kader (USK) en beleidskaders zoals vastgesteld door haar deelnemers en in het Bestuurlijk Overleg Zuidplaspolder (BOZ). De programmabegroting 2025 is een begroting welke gebaseerd is op de volgende bestuurlijke besluiten:

3

-

het door de gemeenteraad van Zuidplas op 19 mei 2021 vastgesteld Masterplan Middengebied Zuidplaspolder, hierna Masterplan genoemd;

-

de bestuurlijke overeenkomst ‘Ontwikkeling Middengebied Zuidplaspolder’ gesloten tussen de Gemeente Zuidplas, Provincie Zuid-Holland en de Grondbank RZG Zuidplas, d.d. 1 juli 2021, hierna Bestuurlijke overeenkomst genoemd;

-

de Koopovereenkomst gesloten tussen de Grondbank RZG Zuidplas en de gemeente Zuidplas, d.d. 1 juli 2021, hierna Koopovereenkomst 2021 genoemd;

-

de Wijzing Koopovereenkomst 2021 gesloten tussen de Grondbank RZG Zuidplas en de gemeente Zuidplas ondertekend in maart 2023, hierna Wijziging Koopovereenkomst 2021 genoemd;

-

de door de gemeenteraad van Zuidplas op 24 oktober 2023 vastgestelde nota van uitgangspunten en 1e Grondexploitatie Middengebied.

De Bestuurlijke overeenkomst, de Koopovereenkomst 2021 en de Wijziging Koopovereenkomst 2021 worden hierna de Overeenkomsten genoemd. Deze Overeenkomsten zijn tot stand gekomen na een intensief traject tussen de gemeente Zuidplas, provincie Zuid-Holland, de Grondbank en haar deelnemers over de planvorming voor het Middengebied van de Zuidplaspolder. Wijziging van de gemaakte afspraken kan substantiële gevolgen hebben voor het beleid en de begroting en de meerjarenraming van de Grondbank. Indien daar sprake van is voor begrotingsjaar 2025, dan zal de begroting daarop worden gewijzigd. De Wet Gemeenschappelijke Regeling schrijft voor dat de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar 12 weken voor verzending aan het Algemeen Bestuur aan Provinciale Staten van Zuid-Holland en de raden van de deelnemende gemeenten voor een zienswijze wordt verstuurd. Het Algemeen Bestuur stelt de begroting vast en autoriseert het Dagelijks Bestuur tot het realiseren van inkomsten en doen van uitgaven volgens de begroting. Tevens geeft het AB met het vaststellen van de begroting opdracht aan het DB de opgenomen programma's, het daaraan ten grondslag liggende beleid en de paragrafen uit te voeren. 1.2

Structuur Grondbank

Als gevolg van de wet en de gemeenschappelijke regeling kent de Grondbank 3 bestuursorganen, te weten: het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter. Het Algemeen Bestuur Het Algemeen Bestuur (AB) bestaat uit 10 leden, 2 leden per deelnemer (provincie Zuid-Holland en de gemeenten Rotterdam, Zuidplas, Gouda en Waddinxveen). Deze leden en haar plaatsvervangers zijn door de raden en staten van de deelnemers benoemd. De leden van het

4

AB zijn afkomstig uit de colleges van Burgemeester en Wethouders, respectievelijk Gedeputeerde Staten. Het Dagelijks Bestuur Het Dagelijks Bestuur (DB) bestaat uit 5 leden, één lid per deelnemer. Deze leden maken ook deel uit van het AB. Voorzitter De voorzitter van zowel het DB als het AB is benoemd door het AB. Door het AB zijn ook twee vicevoorzitters benoemd. Secretaris en directeur Het benoemen van de secretaris en directeur is een bevoegdheid van het DB. Het zijn onverenigbare functies. De secretaris ondertekent mede alle stukken die van het AB en DB uitgaan. De directeur is onder toezicht van het DB verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken, administratie, beheer van de vermogenswaarden en het jaarlijks opstellen van de jaarrekeningen en begrotingen en is op onderdelen gemandateerd om beslissingen te nemen. Voor de begeleiding van de voortgang van de werkzaamheden van de Grondbank is een ambtelijk overlegorgaan gevormd: het Grondbankoverleg. Het Grondbankoverleg vergadert onder voorzitterschap van de directeur. In dit overleg worden vooral de lopende zaken besproken en vindt de voorbereiding voor het bestuurlijk overleg plaats. Het overleg adviseert de directeur.

De Grondbank heeft geen eigen personeel in dienst, maar maakt voor de uitvoering van de werkzaamheden gebruik van bij de deelnemers aanwezige kennis en capaciteit of geeft derden opdracht om voor de Grondbank werkzaamheden te verrichten.

5

2

Programma’s

2.1

Inleiding

De programmabegroting van de Grondbank bestaat, gezien haar beperkte doelstellingen, uit drie programma’s, namelijk voorraden, beheer en overhead. 2.2

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

De begroting en de jaarrekening worden in overeenstemming met het BBV opgemaakt volgens het stelsel van baten en lasten. Schattingen Bij toepassing van de grondslagen en regels voor de begroting en de jaarrekening vormt de leiding van de Grondbank zich verschillende oordelen en maakt schattingen die essentieel kunnen zijn voor de waardering en resultaatbepaling van opgenomen bedragen. Indien het voor het geven van het vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de desbetreffende rekeningposten. Voorraden De waardering van activa is tegen verkrijging- of vervaardigingprijs, tenzij er sprake is van een lagere marktwaarde (artikel 63, lid 1 van het BBV). Sinds 2011 tot en met medio 2021 was er sprake van een lagere marktwaarde dan de boekwaarde van de voorraden. Op grond hiervan werden de kosten van de Grondbank vanaf 2013 niet meer geactiveerd op de boekwaarde van de voorraden, maar werden deze tot 2021 doorberekend aan de deelnemers. Door het sluiten van de Overeenkomsten wordt het systeem gehanteerd dat de marktwaarde gelijk is aan de boekwaarde. De resterende activa en passiva, zoals de leningen, zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde. De boekwaarde is de som van de verkrijgingsprijs plus de geactiveerde kosten.

Uitzettingen, looptijd korter dan 1 jaar Uitzettingen, met een looptijd korter dan 1 jaar, worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen de reële waarde van de tegenprestatie, inclusief de transactiekosten indien materieel. Uitzettingen, met een looptijd korter dan 1 jaar, worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. Voorzieningen wegens oninbaarheid worden in mindering gebracht op de boekwaarde van de uitzetting. Liquide middelen Liquide middelen bestaan uit kas, banktegoeden en deposito’s met een looptijd korter dan twaalf maanden. Rekening-courantschulden bij banken zijn opgenomen onder schulden aan

6

kredietinstellingen onder kortlopende schulden. Liquide middelen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voorzieningen Voorzieningen worden gevormd voor in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen die op de balansdatum staan, waarbij het waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen noodzakelijk is en waarvan de omvang op betrouwbare wijze is te schatten. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de verplichtingen per balansdatum af te wikkelen. De overige voorzieningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen, tenzij anders vermeld. Wanneer het de verwachting is dat een derde de verplichtingen vergoedt, en wanneer het waarschijnlijk is dat deze vergoeding zal worden ontvangen bij de afwikkeling van de verplichting, dan wordt deze vergoeding als een actief in de balans opgenomen. Langlopende schulden Langlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Transactiekosten die direct zijn toe te rekenen aan de verwerving van de langlopende schulden worden in de waardering bij de eerste verwerking opgenomen.

Langlopende schulden worden na de eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, zijnde het ontvangen bedrag, rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten. Vlottende schulden, korter dan 1 jaar en overlopende passiva Vlottende schulden en overlopende passiva worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Vlottende schulden en overlopende passiva worden na de eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, zijnde het ontvangen bedrag, rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten. Dit is meestal de nominale waarde. Baten en lasten Baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten worden slechts opgenomen voor zover zij op de balansdatum zijn gerealiseerd. Lasten en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het verslagjaar worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.

7

2.3

Programma voorraden

Omschrijving van het programma Het programma voorraden omvat alle activiteiten die te maken hebben met de aangekochte gronden, financiering en verkoop van de aangekochte gronden, behoudens het beheer van de gronden en de overheadkosten. Hiervoor zijn aparte programma’s opgesteld. Kengetallen Hieronder volgt een overzicht van de gronden en financiering zoals geschat per 1 januari 2025. Omschrijving

Verwachting 2025

Gronden voor eigen rekening en risico Grondbank

ca. 289 ha

Langlopende financiering

€ 95 mln.

Af te lossen langlopende leningen 2024

€ 0 mln.

Gemiddeld rentepercentage leningen

3,2%

Gemiddeld rentepercentage kortlopende leningen

3,2%

Wat willen we bereiken? De Grondbank heeft eind 2023 ca. 290 ha aan grond en opstallen in eigendom. De eigendommen van de Grondbank zijn voor het overgrote deel gelegen binnen de gemeente Zuidplas, m.u.v. 1 ha in de gemeente Waddinxveen. De belangrijkste doelstelling is om de in eigendom zijnde gronden

te

verkopen

aan

de

gemeente

Zuidplas

zoals

overeengekomen

in

de

Koopovereenkomsten. Wat gaan we daarvoor doen? Uitvoering geven aan de afspraken die gemaakt zijn in de Overeenkomsten en het in 2022 vastgestelde Uitgifte Strategie Kader (USK) 2022. Wat mag het kosten? De Overeenkomsten zijn vastgesteld, het USK 2022 is in 2022 door het AB na een inspraakronde bij de deelnemers vastgesteld en aan de uitvoering hiervan is in deze begroting vorm gegeven.

8

2.3.1

Financieel overzicht programma voorraden met toelichting

(x € 1.000)

Primaire

Bijgestelde

Voorlopige

Begroting

Begroting

Begroting

Jaarrekening

2025

2024

2024

2023

BATEN Grondverkoop Overige baten Totale baten

0 0 0

96.555 0 99.555

0 0 0

0 0 0

LASTEN Inhuur

0

0

0

0

Product

Te deactiveren i.g.v. art. 63 BBV Financiering Totale lasten

0

96.555

0

0

3.110 3.110

2.680 99.235

3.020 3.020

2.734 2.734

Saldo baten en lasten

-3.110

-2.680

-3.020

-2.734

Onttrekking reserve

0

Saldo na onttrekking reserves

-3.110

0

-2.680

0 -3.020

0

-2.734

Toelichting Hierna volgt een specificatie en toelichting op de relevante posten van de baten en lasten zoals begroot binnen het programma voorraden. Baten Op grond van de Overeenkomsten zullen na het onherroepelijk worden van de relevante bestemmingsplannen de gronden van de Grondbank verkocht worden aan de gemeente Zuidplas. In de planning van de gebiedsontwikkeling wordt rekening gehouden met start van de ontwikkeling van het bestemmingsplan in de tweede helft van 2025. Dat zou betekenen dat kort daarna verkoop van gronden aan Zuidplas kan plaatsvinden. Vanuit het voorzichtigheidsbeginsel wordt hiervoor nu geen bedrag begroot. Ook met incidentele verkopen wordt in deze begroting geen rekening gehouden. Deze zijn overigens wel mogelijk, maar alleen na de gebruikelijke goedkeuringsprocedure en met instemming van de gemeente Zuidplas.

9

Lasten Inhuur Omdat vanwege de voorgenomen verkoop van de gronden aan Zuidplas verder geen ontwikkelingen op het gebied van de gronden te verwachten is, wordt hier ook geen inhuur van derden voor verwacht. Mocht dit toch noodzakelijk zijn, dan maakt de Grondbank daar waar mogelijk in eerste instantie gebruik van specifieke expertise bij de deelnemers. Financiering Bij een verlenging van de Grondbank zal de Grondbank een nieuwe financiering moeten aantrekken. Immers, alle leningen hebben een einddatum welke gelijk is met de einddatum van de Grondbank zonder verlenging, te weten 31 december 2024. Uitgaande van een balanswaarde van € 97 miljoen te (her)financieren en een rentepercentage van 3,2% betekent dit een financieringslast van € 3,1 miljoen. 2.4

Programma beheer

Omschrijving van het programma Het programma beheer omvat alle activiteiten die te maken hebben met het beheer van de gronden. Kengetallen De in eigendom zijnde gronden worden verpacht of verhuurd. Daarnaast heeft de Grondbank een aantal opstallen. Deze worden daar waar het redelijkerwijs mogelijk is verhuurd. Wat willen we bereiken? De gronden worden zo goed mogelijk verpacht en verhuurd, maar wel in het licht van de beoogde gebiedsontwikkeling, zoals vormgegeven in de door de gemeenteraad van Zuidplas vastgestelde Nota van uitgangspunten en overeenkomstig de afspraken zoals vastgelegd in de Overeenkomsten. De genoemde bestuurlijke besluiten hebben geleid tot een wijziging van de beheernota van de Grondbank. Deze is in 2022 goedgekeurd door het Dagelijks Bestuur. De duur van de verpachtingen en verhuringen zullen afgestemd worden met de toekomstige gewenste ontwikkeling en verkoop van gronden aan de gemeente Zuidplas. Daar waar nodig worden investeringen gedaan om de onderhoudstoestand van de gebouwen en gronden in stand te houden om zo de pacht- en huurinkomsten op peil en het eigendom in een goede staat van onderhoud te houden. Door het in pacht en huur uitgeven van gronden worden de kosten voor het directe onderhoud voor de Grondbank beperkt. Ook dit is een belangrijk uitgangspunt voor het in pacht en huur uitgeven van eigendommen en voor de verkoop op termijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=34858684-96f0-4e25-9b27-833fcf2d677e