[24bb001741] Bijlage 6 behorende bij 24bb001745 over Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen
Tekst van het document
Zie ambtshalve wijziging 5.2.
46
6.2 Ambtshalve wijzigingen In onderstaande tabel zijn de ambtshalve wijzigingen toegelicht en is aangegeven op welk onderdeel van het bestemmingsplan de wijziging betrekking heeft. Opgemerkt wordt dat er op de verbeelding geen wijzigingen worden voorgesteld. Nr. Categorie Was (regels) Wordt (toelichting) 5.1.1
Technische wijzigingen regels
1.18 Bruto vloeroppervlak (b.v.o.) Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend.
1.18 Bruto vloeroppervlak (b.v.o.) Het vloeroppervlak van een bouwwerk onform NEN 2580, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend.
5.1.2
Technische wijzigingen regels
1.43 Openbaar nutsvoorzieningen Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, warmte/koudedistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen).
1.43 Nutsvoorzieningen Op het leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, warmte/koudedistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen).
Technische wijzigingen regels
Artikel 4.1 sub r, Artikel 5.1 sub i, Artikel 6.1 sub d: Openbaar nutsvoorzieningen
Artikel 4.1 sub r, Artikel 5.1 sub i, Artikel 6.1 sub d: Nutsvoorzieningen
Technische wijzigingen regels
4.2.2 Gebouwen b. parallel aan de aanduiding 'gevellijn' dient een onderste horizontale laag van een gebouw, tot een hoogte van minimaal 6,5 meter vanaf (straat)peil, gebouwd te worden in de gevellijn;
4.2.2 Gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dient een onderste horizontale laag van een gebouw, tot een hoogte van minimaal 6,5 meter vanaf (straat)peil, gebouwd te worden in de gevellijn;
Technische wijzigingen regels
5.2.2 Gebouwen a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. parallel aan de aanduiding 'gevellijn' dient een onderste horizontale laag van een gebouw, tot een hoogte van minimaal 6,5 meter vanaf (straat)peil, gebouwd te worden in de gevellijn; c. ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding - uitkraging' is bebouwing toegestaan vanaf een hoogte van 10 meter; d. uitstekende delen, zoals balkons, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan en mogen niet dieper zijn dan 2 meter en ten minste 10 meter boven maaiveld. Artikel 2 Wijze van meten
5.2.2 Gebouwen a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding uitkraging' is bebouwing toegestaan vanaf een hoogte van 10 meter; c. uitstekende delen, zoals balkons, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak en binnen de maatvoeringsaanduiding toegestaan en mogen niet dieper zijn dan 2 meter en ten minste 10 meter boven maaiveld.
5.1.3
5.1.4
Technische wijzigingen regels
5.1.5
Technische wijzigingen
4.2.2 Gebouwen l. uitstekende delen aan
Artikel 2 Wijze van meten 2.6 de diagonaal van het hoogteaccent De diagonaal wordt berekend over de verst van elkaar liggende hoeken in het horizontale vlak. Balkons, die ingesloten zijn door ten minste drie geveldelen worden meegerekend. 4.2.2 Gebouwen l. uitstekende delen aan gebouwen, zoals
47
regels
o.
5.1.6
Technische wijzigingen regels
gebouwen, zoals balkons, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan en mogen niet dieper zijn dan 2 meter en ten minste 10 meter boven maaiveld; ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeergarage' dient een parkeergarage gerealiseerd te worden alvorens de gronden ingebruik genomen worden ten behoeve van de toegestane functies;
4.6 Voorwaardelijke verplichting Het gebruik van de gronden ten behoeve van horeca en daarbij behorende terrassen is uitsluitend toegestaan indien: a. voor activiteiten die vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer: 1. is aangetoond dat de geluidbelasting op de buitengevel van bestaande en geprojecteerde woning(en) voldoet aan de geluidgrenswaarden uit het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer of een hogere geluidgrenswaarde zoals vastgesteld bij maatwerkvoorschriften; b.
1.
voor alle relevante horecaterrassen die niet onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen: is aangetoond dat de geluidbelasting op de buitengevel van de bestaande en geprojecteerde woning(en) maximaal 55 dB(A) etmaalwaarde bedraagt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau én de geluidbelasting in de woning(en), bij gesloten ramen en deuren, maximaal 35 dB(A) etmaalwaarde bedraagt.
o.
balkons, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan en mogen niet dieper zijn dan 2 meter en ten minste 10 meter boven maaiveld. Uit: delen aan gebouwen, zoals balkons, zijn bij de hoogteaccenten alleen toegestaan binnen de maximale er ; ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeergarage' dient een parkeergarage gerealiseerd te zijn alvorens de gronden in gebruik genomen worden ten behoeve van de toegestane functies;
4.6 Voorwaardelijke verplichting Het gebruik van de gronden ten behoeve van horeca en daarbij behorende terrassen is uitsluitend toegestaan indien: a. voor activiteiten die vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer: 1. is aangetoond dat de geluidbelasting van een individuele horeca-inrichting met bijbehorende terrassen op de buitengevel van bestaande en geprojecteerde woning(en) voldoet aan de geluidgrenswaarden uit het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer of een hogere geluidgrenswaarde zoals vastgesteld bij maatwerkvoorschriften; b. voor alle relevante horecaterrassen die niet onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen: 2. is aangetoond dat de geluidbelasting van een individuele horeca-inrichting met bijbehorende terrassen op de buitengevel van de bestaande en geprojecteerde woning(en) maximaal 55 dB(A) etmaalwaarde bedraagt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau én de geluidbelasting in de woning(en), bij gesloten ramen en deuren, maximaal 35 dB(A) etmaalwaarde bedraagt.
Toelichting
Nr.
Categorie
Toelichting
Nieuw tekstvoorstel
5.2
Nieuw verkeersond erzoek
Voorgesteld wordt om bijlage 7 (verkeersonderzoek) bij de toelichting te vervangen door het actuele
Bijlage 7 wordt vervangen door een geactualiseerd onderzoek. 6.4.2 Plangebied u Om de verkeerssituatie in beeld te brengen, is een
48
verkeersonderzoek van 2 februari 2024. Voorgesteld wordt om paragraaf 6.4 'Verkeer en parkeren' van de toelichting aan te passen.
5.3
Actualisatie paragraaf lucht kwaliteit
Voorgesteld wordt om paragraaf 6.6 van de toelichting (Luchtkwaliteit) aan te passen.
verkeersonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd door Goudappel Coffeng en opgenomen als bijlage 7. In het verkeersonderzoek is tevens aandacht besteed aan de verkeersgeneratie op basis van een maximale invulling van het planologisch toegestane programma (worst-case scenario). Daarbij is het planeffect bepaald. Uit het onderzoek en de uitgevoerde kruispuntberekeningen volgt dat de doorstroming op het kruispunt Heer Bokelweg - Boekhorststraat niet substantieel wijzigt tussen de referentie- en planvariant(en) 2034. In beide varianten is er sprake van een acceptabele doorstroming in 2034. Ook blijkt uit het onderzoek dat er geen verkeerseffecten op de Provenierswijk te verwachten zijn.
6.6.2
Plangebied
u Volledigheidshalve is op basis van de te verwachten verkeersaantrekkende werking van het plan van 270 mvt/etm (zie ook paragraaf 6.4) de NIBM-tool ingevuld. Immers worden met de beoogde ontwikkeling, naast woningen, ook andere voorzieningen mogelijk gemaakt. Daarbij is in lijn met het verkeersonderzoek uitgegaan van werkdaggemiddelden terwijl de NIBM-tool normaliter wordt ingevuld op basis van weekdaggemiddelden. Daarmee is sprake van een worst case inschatting; het weekddaggemiddelde is namelijk lager dan een werkdaggemiddelde. Uit de NIBM-tool volgt dat de ontwikkeling in niet betekende mate bijdraagt aan de heersende achtergrondconcentraties. Geconcludeerd wordt dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwalltelt, GCN2022 Jaar var planrealisatie
2024
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
270
Aandeel vrachtverkeer
ID.0%
NO2 in pg/m3
0,42
PM10 in pg/m3
0,06
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3 Conclusie
1.2
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 6.3 Uitsnede NIBM-tool
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de CIMLK Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 pg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 pg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 pg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van de dichtstbijzijnde rekenpunten nabij de projectlocatie (geraadpleegd via CIMLK op 2 februari 2024). Figuur 6.4 Totale concentraties stikstofdioxide en fijnstof in 2020 (bron: CIMLK)
Rekenpunt
NO2 ug/m3
PM10
PM2,5
Jaar
49
8 24483298 -1595779 24483298 -159580
23,7
18,5
10,4
2020
23,4
18,5
10,4
2020
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is. Wanneer de bijdrage van de ontwikkeling - zoals deze worst case uit de NIBM-tool volgt - namelijk wordt opgeteld bij de totale concentraties wordt nog steeds aan de van toepassing zijnde grenswaarden voldaan, De totale concentraties bedragen namelijk voor NO2 maximaal 23,7 ug/m3, voor PM10 maximaal 18,5 ug/m3 en voor PM2,5 maximaal 10,4 ug/m3. Volledigheidshalve wordt in aanvulling daarop aangegeven dat de heersende achtergrondconcentraties ter plaatse van de Schiekade (volgens de kaart van het CIMLK; raadpleegpaar via www.cimlk.nl/kaart, in het monitoringsjaar 200 en 2030) als volgt zijn: ^ PM10: 2020: < 20 ug/m3 Z 2030: < 20 ug/m3 ^ NO2: 2020: x 35 ug/m3 / 2030: < 20 ug/m3 ^ PM25 2020: x 15 ug/m3 / 2030: < 10 ug/m3 In de omgeving bedragen (volgens de kaarten van het CIMLK) de concentraties voor NO2 in zowel 2020 als 2030 niet meer dan 35 ug/m3. Hiervoor geldt dat wanneer de bijdrage van de ontwikkeling hierbij wordt opgeteld dat nog steeds aan de van toepassing zijnde grenswaarden (40 ug/m3) wordt voldaan.
Hetzelfde geldt voor PM10, waarvan de concentraties lager zijn. Ook voor PM2,5 is niet de verwachting dat de bijdrage van extra verkeer leidt tot een overschrijding van de grenswaarde van 25 ug/m3 op basis van de totale concentratie < 15 ug/m3. u 5.4
Tekstuele aanvulling cultuur historie
Voorgesteld wordt om paragraaf 2.3 Stadsgezichten, monumenten en cultuurhistorie aan te vullen met een nadere uitleg over de relatie met de brandgrens en de cultuurhistorische waarden van de Agniesebuurt.
Zie bijlage 2.
5.5
Nieuw stikstofdepo sitieonderzo ek
Voorgesteld wordt om bijlage 15 te vervangen door een geactualiseerd stikstofdepositieonderzoek. De conclusie in paragraaf 6.9 (Natuur) verandert niet.
Bijlage 15 wordt vervangen.
50
5.6
Aanpassen paragraaf omgevingsv erordening
Voorgesteld wordt om paragraaf 3.2.2 te vervangen aangezien per 1 januari 2024 de ZuidHollands Omgevingsverordening in werking is getreden.
Zie bijlage 1
5.7
Nieuw akoestisch onderzoek wegverkeer slawaai
Voorgesteld wordt om bijlage 8 (onderzoek weg en railverkeerslawaai) te vervangen door een geactualiseerd onderzoek en paragraaf 6.5.2 aan te passen op de uitkomsten van het geactualiseerde onderzoek.
Bijlage 8 wordt vervangen
51
Bijlage 1: tekstvoorstel paragraaf provinciale verordening. Vastgesteld door Provinciale Staten in 2021 (versie 8 maart 2023 incl. wijzigingen uit de wijziging ZHOV2022; en besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 9 november 2022 tot wijziging ZHOV, publicatie van 18 december 2023) Per 1 januari 2024 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) in werking getreden. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. Gemeentelijke omgevingsplannen dienen aan deze regels te voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Relatie tot het plan Er zijn diverse regels uit de Omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. Een samenvatting van deze regels met de relevante voorwaarden voor de voorgenomen ontwikkeling is onderstaand weergegeven. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a.
de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De locatie is gelegen binnen het gebied dat is aangewezen als grootstedelijke top- en centrumlocatie, zie ook onderstaande figuur. Daarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt dat stedelijke ontwikkelingen bij voorkeur op dergelijke locaties plaatsvinden. In onderhavig geval is sprake van inpassing van een ontwikkeling die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart, zie ook paragraaf 3.2.1. Artikel 7.48 (detailhandel) 1. Een omgevingsplan voorziet alleen in detailhandel in gebieden: a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk; c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.
Artikel 7.49 (uitzonderingen detailhandel) 1. In afwijking van artikel 7.48 kan een omgevingsplan voorzien in de volgende detailhandel: a. detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra: i. ľ detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; ii. 2a detailhandel in volumineuze goederen; iii. 3a meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, evenals detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi's, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere
52
2.
3.
detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de locatie geometrisch is begrensd in bijlage II; iv. 4a tuincentra; v. 5° bouwmarkten; b. kleinschalige detailhandel: i. ľ in de vorm van een gemakswinkel; ii. 2a bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, evenals andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; c. ondergeschikte detailhandel: i. ľ in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf; ii. 2a bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdactiviteit; iii. 3a bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt; d. afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties; e. kringloopwinkels; f. supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie. Het omgevingsplan kan toevoeging of uitbreiding van detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a en f, alleen mogelijk maken als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat.
Ook met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland, voor zover het gaat om de detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het eerste lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte. Een omgevingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het eerste lid, onder a stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten: a. ten hoogste 20X van het netto-verkoopvloeroppervlakte wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en b. het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.
In de omgevingsverordening worden winkelconcentratiegebieden aangewezen, waar nieuwe detailhandel wordt toegestaan. Het plangebied is niet gelegen in een dergelijk winkelconcentratiegebied. Wel kent de Omgevingsverordening een aantal uitzonderingen, waaronder kleinschalige detailhandel in de vorm van een gemakswinkel, kleinschalige detailhandel bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, ondergeschikte detailhandel ten behoeve van ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf, ondergeschikte detailhandel bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, en kringloopwinkels. In onderhavig bestemmingsplan worden enkel dit soort vormen van detailhandel mogelijk gemaakt. Hierdoor is de beoogde detailhandel in lijn met de provinciale Omgevingsverordening. Het nut en de noodzaak van de beoogde gemakswinkel en ondergeschikte detailhandel is onder meer te vinden in het feit dat er veel woningen in het plangebied worden toegevoegd. De lokale vraag naar deze beoogde functies op de locatie zal daardoor aanzienlijk toenemen. Aangezien uitsluitend ondergeschikte dan wel kleinschalige detailhandel in de vorm van een gemakswinkel wordt toegestaan, wordt voldaan aan artikel 7.48 en 7.49. Zoals blijkt uit paragraaf 3.2.2.1, is de behoefte aan een gemakswinkel bovendien aantoonbaar.
Artikel 7.50 (aanwijzing en geometrische begrenzing kantorengebieden) 1. Kantorengebieden categorie 1 zijn de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 2. Kantorengebieden categorie 2 zijn de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 3. Kantorengebieden categorie 3 zijn de bijzondere locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Artikel 7.51 (kantoren)
53
1.
2.
Een omgevingsplan kan voorzien in kantoren op een locatie: a. binnen de kantorengebieden categorie 1; b. binnen de kantorengebieden categorie 2, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op die locatie; c. binnen de kantorengebieden categorie 3, mits passend in het profiel van deze locaties. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met de regionale behoefte aan kantoren waarover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd; b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto-vloeroppervlakte van 1.000 m2 per vestiging, voor zover geen cluster van meer dan vijf kantoren ontstaat; c. gemeentehuizen en -kantoren; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto-vloeroppervlakte dat minder bedraagt dan 50'^ van het totale bruto-vloeroppervlakte van het bedrijf; en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling.
Op de bij de provinciale Zuid-Hollandse Omgevingsverordening behorende kaarten is het plangebied aangewezen als een kantorengebied categorie 1. Dit betekent dat kantoren ter plaatse zijn toegestaan. Daarbij zijn op basis van het vigerend bestemmingsplan reeds toegestaan binnen het plangebied. De beoogde ontwikkeling voorziet daarom niet in een planologische toevoeging van kantoorruimte. De beoogde kantoorruimte is dan ook niet in strijd met de provinciale Omgevingsverordening. Omgevingsloket
Regels op de kaart
< Opnieuw zoeken < Zomerhofstraat 7, Rotterdam Plekinfo Inleiding Toelichting Bijlagen Gerelateerd
Overig
7 92489,438234 Kaart 1 Zuid-Holland
Deze coördinaten liggen
Verwijzing 1 v' Toon documenten op gekozen locatie OaHitļl
Kaart 1 peilbesluitgebied V-
z - . -
92489,438234 Kaart 1 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krímpenerwaard a*pJorp*qMfcxv
Vr-' '.v': z1 r r 1
Eq Kaart 1 kantorengebied categorie 1 verwijzing 1
Spangen
Kaart 1 regionale wateren Verwijzing 1
Artikel 7.23 (risico's van klimaatverandering) 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico's van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; 2.
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico's.
In de planuitwerking wordt voldoende rekening gehouden met de risico's ten aanzien van klimaatverandering. Een en ander wordt nader toegelicht in paragraaf 6.10 Duurzaamheid.
54
Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit de instemming met of vaststelling van regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document. De regionale bestuurlijke afspraken bevatten een uitwerking van de in de provinciale Omgevingsvisie genoemde doelstellingen. Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.
Artikel 7.45a (voldoende sociale huurwoningen) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Wat onder voldoende sociale huurwoningen wordt verstaan kan in ieder geval blijken uit instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten. Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw) 1. Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerst lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw. Artikel 7.45h (functiemenging) Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging. Met het beoogde plan wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke woningdichtheid waar sprake is van een goede woon- en leefomgeving. Op grond van de provinciale Omgevingsverordening dient ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking en de afgestemde regionale behoefte. Daarbij dient zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond.
De toetsing aan de ladder is opgenomen in paragraaf 3.2.2.1, Vooruitlopend hierop kan worden gesteld dat de ladder met succes is doorlopen. Tot slot wordt opgemerkt dat rekening gehouden wordt met de mogelijkheden voor functiemenging. Aan de relevante artikelen wordt daarmee eveneens voldaan. Artikel 7.45c (bereikbaarheid) Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Conform artikel 7.45c is in de verkeersanalyse ingegaan op de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid, zie ook paragraaf 6.4 Verkeer en parkeren. Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur) 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld. De gemeente Rotterdam beschikt over parkeerbeleid waarin voor sociale huurwoningen specifieke parkeernormen zijn opgenomen. De norm uit de verordening wordt dan ook niet gehanteerd.
55