CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb000596] Bijlage 2 behorende bij 24bb000594 over bestemmingsplan Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV – Regels en Toelichting

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 28 februari 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen17.559 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze worden samen opgepakt om de wijken toekomstbestendig te maken. In alle wijken wordt ingezet op een divers aanbod van woon- en werkruimte en is de openbare ruimte op orde. Maatschappelijke voorzieningen groeien mee met de stad en worden intensiever benut. Rotterdam zet de schouders onder energie-en grondstoffentransitie Rotterdam heeft het doel om de komende jaren energie anders en schoner op te wekken, anders distribueren en de vraag te verminderen. Daarnaast is het doel om materiaalkringlopen te sluiten. In het havenindustrieel complex betekent dat onder andere elektrificatie van processen en inzet van waterstof als energiedrager. Restwarmte wordt gebruikt om het stedelijk gebied van warmte te voorzien en het verduurzamen van de woningvoorraad. Ook is het doel om de stedelijke mobiliteit en transport naar en in de haven te verduurzamen. Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen. Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie; een wereldhaven, een sterke logistieke sector en groeiende maakindustrie. Deze sectoren blijven ook in de toekomst belangrijk voor de werkgelegenheid en het verdienvermogen, maar moeten de komende jaren flink vernieuwen. Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening.

Rotterdam verwelkomt nieuwe bedrijfsmodellen, zoals start-ups in de circulaire economie. Bedrijven die hinder veroorzaken en daarom in een hoge milieucategorie vallen concentreren ze zoveel mogelijk op een paar locaties. Door goede netwerken en interactie ontstaat innovatie in de bestaande en de nieuwe economie; juist dat is de economische kracht van Rotterdam. Elektriciteitsnetwerk Alhoewel het elektriciteitsnetwerk niet valt onder één van de strategische keuzes wordt er in de omgevingsvisie wel uitgebreid op ingegaan. Met de groei van de stad groeit ook de vraag naar elektriciteit en warmte. Het is duidelijk dat de komende jaren ene tekort aan elektriciteit en een overschot aan (rest)warmte ontstaat. De stad heeft daarom te maken met een grote energietransitie. Vooral omdat de industrie en logistiek nog grotendeels gebruik maakt van fossiele brandstoffen. Er wordt gekeken waar en hoe men het beste duurzame elektriciteit kan opwekken en welke energiebronnen gebruikt kunnen worden en hoe duurzame brandstoffen een rol kunnen spelen. Om deze transitie te maken is het noodzakelijk om het elektriciteitsnet te verzwaren en er meer verbindingen voor aanlanding van windenergie van windparken op de Noordzee gerealiseerd moeten worden.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 41 van 79

Figuur 3.1 Visiekaart energietransitie Rotterdam.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 42 van 79

Het plangebied voor het hoogspanningsstation is gelegen op de Maasvlakte. De locatie van het beoogde hoogspanningsstation aan de Prinses Amaliahaven is reeds aangemerkt als 'uibreiding net + hoogspanningsstations'.

Consequenties voor dit bestemmingsplan Met de omgevingsvisie wordt een toekomstbeeld geschetst van de gemeente Rotterdam. In het document wordt ingegaan op de vijf hoofdkeuzes en het elektriciteitsnetwerk. De bouw van het hoogspanningsstation is in overeenstemming met hoofdkeuze 4: 'Rotterdam zet de schouders onder energie- en grondstoffentransitie'. Ook is het in overeenstemming met datgene wat geschreven is over het elektriciteitsnetwerk. De bouw van het hoogspanningsstation is daarom in overeenstemming met het beleid uit de Omgevingsvisie Rotterdam (2021).

3.4

Conclusie beleidskader

Het bestemmingsplan past binnen de beleidsdoelstellingen van alle overheidsniveaus met als belangrijkste doel het streven naar zuinig en duurzaam ruimtegebruik waarbij adequate en voldoende levering van elektriciteit in de toekomst kan worden geborgd.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 43 van 79

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1

M.e.r.-beoordeling

4.1.1

Kader

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer:  Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is;  Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.

Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. 4.1.2

Plangebied

Voor de voorgenomen activiteit is een project-m.e.r.-beoordeling (op grond van de D-lijst van het Besluit m.e.r.) en een plan-m.e.r.-beoordeling (op grond van artikel 3 Besluit m.e.r.) uitgevoerd. De m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag (gemeente Rotterdam) om te bepalen of bij de voorgenomen activiteit mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Het bevoegd gezag beslist op basis van de aanmeldingsnotitie (Bijlage 12) of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. De m.e.r.-beoordeling kent een 'nee, tenzij' principe. Dit betekent dat geen nadere m.e.r. nodig is tenzij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het project. In tabel 4.1 is concluderend weergegeven op welke punten effecten te verwachten zijn. Op basis van deze conclusie neemt het bevoegd gezag (de gemeente Rotterdam) voorafgaand aan de start van de procedure van het bestemmingsplan het m.e.r.-beoordelingsbesluit.

Figuur 4.1 Potentiële effecten en de maatregelen die daarbij worden voorzien

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 44 van 79

Voor de nabijgelegen te bouwen waterstoffabriek Holland Hydrogen I van Shell is een bestemmingsplan in voorbereiding voor een nieuwe kabelverbinding. Deze verbinding staat los van het station Amaliahaven. De kabelverbinding is nodig voor de bedrijfsvoering van Shell en wordt aangesloten op het hoogspanningsstation Maasvlakte. Amaliahaven wordt gebouwd om de wind op zee projecten te kunnen ontsluiten. Er is derhalve geen sprake van samenhang met dit project of andere projecten in het havengebied. Er bestaat een kans dat in de toekomst, wanneer het Amaliastation is gebouwd, TenneT besluit om de klantaansluiting van Shell op het nieuwe station aan te sluiten. Echter zal TenneT hier pas naar gaan kijken wanneer het nieuwe station is gerealiseerd. Mocht dit het geval zijn, zal TenneT op dat moment moeten bekijken of het bestemmingsplan aangepast dient te worden.

4.2

Milieuzonering bedrijven

4.2.1

Kader

Milieuzonering betreft het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe voor “nieuwe situaties / ontwikkelingen” dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). Een nieuwe situatie / ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen:  Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen.

Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. Zoals hiervoor al is aangegeven, is het ordeningsprincipe van milieuzonering bedoeld voor nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van “bestaande situaties” waarbij bestaande / gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan. Via het zogenaamde 'milieuspoor' van de Wet Milieubeheer (Wm) is het functioneren van bestaande bedrijven (inrichtingen) geregeld.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 45 van 79

4.2.2

Plangebied

De ontwikkeling vindt plaats op een industrieterrein. Het totale, gelijktijdig in te schakelen, elektrische vermogen van de transformatoren in het plangebied zal in de eindsituatie hoger zijn dan 1000 MVA. Dit leidt ertoe dat het transformatorstation onder categorie 5.1 valt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Hiervoor geldt een richtafstand van 500 meter. Dat betekent dat de afstand tot een gevoelige functie minimaal 500 meter moet bedragen. Het maatgevende aspect hierbij is geluid. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.4. De Maasvlakte werkt niet de categorie indeling van de VNG. Er worden bepaalde bedrijfssegmenten toegestaan in het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan valt onder de bedrijfsactiviteit Bedrijf - Power. Voor deze ontwikkeling wordt aangesloten op Bedrijf Power zoals benoemd in het bestemmingsplan Maasvlakte 1.

Conclusie Er zijn op een afstand van 500 meter van het plangebied geen gevoelige functies aanwezig of bestemd. Dit aspect vormt derhalve geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate".

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 46 van 79

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Beleidskader - Rotterdam Koersnota Schone Lucht 2019-2022 De gemeente Rotterdam heeft in 2019 de Koersnota Schone Lucht 2019-2022 vastgesteld. Hierin staat een drietal overkoepelende doelen op het gebied van luchtkwaliteit benoemd:  Alle straten in Rotterdam voldoen in 2020 aan de Europese normen: In 2020 zijn alle knelpunten, waar de wettelijke norm op het gebied van luchtkwaliteit wordt overschreden, opgelost. In geen enkele straat worden de Europese normen nog overschreden.

 Verbetering van de gemiddelde luchtkwaliteit in Rotterdam in 2022: In 2022 is de luchtkwaliteit in de hele stad verbeterd ten opzichte van het jaar 2018. Niet alleen de concentratie van stikstof (NO2) moet omlaag, maar ook de concentraties fijnstof (PM10, PM2,5) en roet.  Rotterdam voldoet aan de WHO-advieswaarden in 2025: In 2025 wil de gemeente dat de Rotterdamse luchtkwaliteit overeenkomt met de advieswaarden van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) voor NO2 en PM10. Daarnaast wil de gemeente wat betreft roet voldoen aan een informele richtwaarde, afgeleid van de WHO-norm voor fijnstof. 4.3.2

Plangebied

In de huidige situatie van het plangebied overschrijdt het plangebied de WHO advieswaarde voor stikstof met waardes tussen de 14 en 20 µg/m3. De concentratie roet in het plangebied ligt tussen de 0,5 en 0,6 EC/m3. De waardes van fijnstof PM10 in het gebied liggen tussen 15 en 16 µg PM10/m3 wat boven de WHO advieswaarde is. Voor fijnstof PM2,5 geldt voor het gebied dat de waardes tussen 5 en 8 µg PM2,5/m3 liggen, wat ook boven de advieswaarde van het WHO is. Het bestemmingsplan voorziet in een nieuw hoogspanningsstation. Er worden geen ontwikkelingen toegelaten die leiden tot een substantiële toename van verkeer. Enkel voor de aanleg en het onderhoud zijn tijdelijk extra verkeersbewegingen noodzakelijk. Het project beïnvloedt dan ook de luchtkwaliteit in de zin van het Besluit niet in betekenende mate. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 47 van 79

4.4

Geluidhinder

4.4.1

Kader

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh)). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijv. gevoelige functies.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 48 van 79

4.4.2

Plangebied

Het haven- en industriegebied van Rotterdam bestaat uit gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Dit geldt ook voor het industrieterrein Maasvlakte 2. Dit betekent dat rondom het gebied geluidzones zijn vastgesteld. Een geluidzone beschermt de omgeving: er wordt zeker gesteld dat de geluidsbelasting buiten de zone niet hoger is dan toegestaan. Ook biedt zonering duidelijkheid aan bedrijven over toelaatbare geluidbelasting. Bij de beoordeling van geluidhinder door het hoogspanningsstation op de omgeving is de geluidbelasting van het hoogspanningsstation op de zonegrens van het industrieterrein en op geluidgevoelige objecten onderzocht. Uit het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 1) blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) vanwege het 380 kV hoogspanningsstation ten hoogste bedraagt:  11 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode op de Zone Immissie Punten op de zonegrens;  8 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode op de dichtstbijzijnde woningen. Het beoordelingsniveau wordt met name bepaald door de vermogenstransformatoren. Het geluidvermogen van het hoogspanningsstation bedraagt afgerond 62 dB(A)/m 2. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan het geluidbudget voor de betreffende kavel van 65 dB(A)/m2. Om op alle Zone Immissie Punten aan het immissiebudget te voldoen zijn aanvullende geluidbeperkende voorzieningen nodig.

De bronnen die maatgevend bijdragen op deze rekenpunten betreffen de vier vermogenstransformatoren. Omdat voor zowel Zone Immissie Punten ten noordwesten als zuidoosten van het 380 kV hoogspanningsstation sprake is van overschrijdingen, dienen maatregelen te worden getroffen aan alle vier vermogenstransformatoren. De overschrijding van 2 dB(A) kan weggenomen worden door de wanden van de transformatorcellen te voorzien van geluidsabsorberende panelen. De scherfwanden zijn 12,3 m hoog en de hoogte van de HS-hal en het kopgebouw is 21 meter. Als maatregel wordt uitgegaan van het aanbrengen van geluidsabsorberende panelen tot een hoogte van 12,3 meter (net zo hoog als de scherfwanden) voor zowel de scherfwanden als de hallen/gebouwen. Na het aanbrengen van de geluidsabsorberende panelen voor de transformatorcellen wordt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) vanwege het 380 kV station op de zonegrens niet meer overschreden. Met de geluidbeperkende voorzieningen wordt op alle punten aan het immissiebudget voldaan. Na het aanbrengen van geluidsabsorberende panelen wordt in de dagperiode het hoogste maximale geluidsniveau berekend ter plaatse van de woning Zandweg 81 (rekenpunt W05) door de uitlaat van het noodstroomaggregaat tijdens het testdraaien en bedraagt maximaal 15 dB(A).

In de avond- en nachtperiode wordt er niet test gedraaid met het noodstroomaggregaat en wordt het maximale geluidniveau bepaald door de 380kV hoogspanningstransformatoren en bedraagt 13 dB(A). Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de standaard geluideisen. De indirecte hinder vanwege de verkeersbewegingen van en naar het hoogspanningsstation is verwaarloosbaar.

Conclusie Met inachtneming van de voorgenomen maatregelen tot het plaatsen van geluidsabsorberende panelen bij de transformatoren wordt voldaan aan alle punten uit het immissiebudget. Daarmee is aangetoond dat het plan kan voldoen aan de Wet geluidhinder en ook uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het plan inpasbaar in deze omgeving. In de regels dit dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te borgen dat de geluidimmissie het immissiebudget op de zone immissie punten niet overschrijdt. Alleen de zone immissie punten zijn opgenomen waar het immissiebudget zonder geluidsmaatregelen wordt overschreden. Daarmee is geborgd dat afdoende maatregelen worden getroffen en vormt het aspect geluid geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Het onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de omgevingsvergunning milieu, er zijn geen

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 49 van 79

belemmeringen vanuit het onderwerp geluid om het bestemmingsplan vast te stellen. Daarnaast zijn er in de directe omgeving (binnen een straal van 500) geen gevoelige bestemmingen aanwezig.

4.5

Ecologie

4.5.1

Kader

De natuurbescherming is in Nederland neergelegd in de Wet natuurbescherming. Hierin is onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Hiertoe is een natuuronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Naar aanleiding van de conclusies uit dit onderzoek is nader onderzoek uitgevoerd naar de impact op de populaties aalscholvers en zilvermeeuwen, zie Bijlage 10 en Bijlage 11. Dit betreft een nadere effectenanalyse ten behoeve van de zilvermeeuw en een passende beoordeling ten behoeve van de aalscholver. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies weergegeven. 4.5.2

Plangebied

Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt niet in of grenst aan een Natura 2000-gebied. Effecten op beschermde planten met een instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Vanuit gebiedsbescherming zijn effecten vanwege het voornemen op beschermde dieren alleen mogelijk via directe sterfte door aanvaringen met beschermde (vogel)soorten uit de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het plangebied wordt niet bereikt door vleermuizen met een instandhoudingsdoelstelling voor omliggende Natura 2000-gebieden, zodat het zich beperkt tot mogelijke slachtoffers onder vogels met een instandhoudingsdoelstelling. In de Natuurtoets is bepaald dat de aalscholver de enige soort is waarvoor een effect wordt bepaald vanwege de instandhoudingsdoelstelling van deze soort voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied Voornes Duin. Voor alle andere soorten met een instandhoudingsdoelstelling die tijdens het veldonderzoek zijn geteld, zijn negatieve effecten uitgesloten. Dit wordt bevestigd door het geringe aantal vogels van betreffende soorten die door het plangebied vlogen. Vanwege de leemte in kennis ten aanzien van de vliegbewegingen van aalscholvers ter plaatse, heeft veldonderzoek plaatsgevonden in de vorm van een passende beoordeling. Hierbij zijn aantallen geteld, vliegrichtingen bepaald en vlieghoogtes ingemeten.

Met deze data is vervolgens via populatiemodellering het effect van het aantal draadslachtoffers op de broedpopulatie bepaald. Geconcludeerd is dat het project geen wezenlijke invloed heeft op de onderzochte populatie van aalscholvers in Voornes Duin, als gevolg van de impact worden de drempelwaarden niet overschreden. Hieruit volgt dat het voornemen geen wezenlijke invloed heeft op de onderzochte populaties. Belangrijke nadelige effecten op de aalscholver kunnen daarom worden uitgesloten. Vanuit gebiedsbescherming is er een vergunning Wnb bij het ministerie van LNV aangevraagd. De enige andere factor die relevant is, zijn de eventuele gevolgen van stikstofdepositie. Dit geldt niet alleen voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, maar ook voor gebieden op grotere afstand. In paragraaf 4.6 wordt hier nader op ingegaan. Natuurnetwerk Nederland De locatie van het hoogspanningsstation op de Maasvlakte ligt buiten de begrenzing van het NNN. De verstoringscontouren van geluid, licht- en visuele verstoring, mechanische effecten en verdroging bij de aanleg of gebruik reiken nergens tot over het NNN. Negatieve effecten kunnen daarom op voorhand uitgesloten worden. Soortenbescherming

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 50 van 79

Aanlegfase Het plangebied heeft betekenis voor de beschermde plantensoort glad biggenkruid, en voor enkele grondgebonden zoogdieren. Voor de betreffende grondgebonden zoogdieren geldt dat de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling heeft gegeven bij, onder andere, ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor blijft de wettelijke zorgplicht nog steeds van kracht waarmee rekening moet worden gehouden. Exemplaren van de beschermde plantensoort glad biggenkruid kunnen in het gehele plangebied worden aangetroffen. Bij aanleg van de verbinding, inclusief de aanvoerroutes, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van deze soort. Havenbedrijf Rotterdam N.V. beschikt over een Wnb-ontheffing voor werkzaamheden op haar terreinen, waar voorliggend initiatief in afstemming met het Havenbedrijf gebruik van kan maken. Havenbedrijf Rotterdam vraagt een nieuwe ontheffing aan waarmee bestaande ontheffing die eind december '23 afloopt, wordt verlengd. Initiatiefnemer heeft instemming van Havenbedrijf Rotterdam om hiervan gebruik te mogen maken en mee te liften op het ecologisch werkprotocol. Gebruiksfase Zowel lokaal voorkomende vogels (broedvogels en niet-broedvogels) als vogels op seizoenstrek kunnen slachtoffers worden van een aanvaring met de geplande hoogspanningsdraden.

Voor enkele broedvogelsoorten (meeuwen en visdief) geldt dat inschatting van de exacte sterfte via nauwkeurig veldwerk moet worden ingeschat. Dit kan vooraf op basis van ingemeten vlieghoogtes van exemplaren van de relevante soorten die over het plangebied vliegen. Vanwege de voorziene aantallen slachtoffers moet een ontheffing van de Wnb (soortenbescherming) worden aangevraagd voor de zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw. De ontheffing aanvraag is momenteel bezig, zoals besproken in een vooroverleg met RVO. Eventueel benodigde extra mitigerende maatregelen (naast varkenskrullen) worden nader afgestemd en uitgewerkt met RVO, waarmee de ontheffing verkregen kan worden. TenneT is voornemens om in de hoogspanningsverbinding varkenskrullen in de bliksemdraden aan te brengen waardoor deze beter zichtbaar worden voor vogels. Hiermee wordt het aantal slachtoffers met ca. 70% gereduceerd. Voor de zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw heeft nader onderzoek plaatsgevonden in de vorm van een nadere effectenanalyse. Als gevolg van de impact wordt de drempelwaarde niet overschreden voor de relevante populatie. Hieruit volgt dat het voornemen geen wezenlijke invloed heeft op de onderzochte populaties. Belangrijke nadelige effecten op de zilvermeeuw kunnen daarom worden uitgesloten.

Conclusie Op grond van de Wnb dient zowel een gebiedsvergunning bij LNV (aalscholver) als een soortenontheffing bij RVO (meeuwen) te worden aangevraagd. Beide procedures zijn in behandeling bij het betreffend bevoegd gezag. Gezien de conclusie dat belangrijke nadelige effecten kunnen worden uitgesloten, worden zowel de ontheffing als de vergunning verleenbaar geacht. Op basis van de natuurtoets en het aanvullende onderzoek naar de populatie zilvermeeuwen en aalscholvers kan worden geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Het aanbrengen van de vogelweringsspiralen (varkenskrullen) en eventueel aanvullende mitigerende maatregelen uit overleg met RVO zijn geborgd via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan.

4.6

Stikstof

4.6.1

Kader

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 51 van 79

De natuurbescherming is in Nederland neergelegd in de Wet natuurbescherming. Onderdeel hiervan is de benodigde toetsing van de toename in stikstofdepositie ten gevolgen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toetsing maakt onderdeel uit van de gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming. Voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 3 en Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. 4.6.2

Plangebied

Uit deze toets is naar voren gekomen dat de realisatie van de beoogde verbinding gepaard gaat met stikstofemissies van in te zetten materieel. In de gebruiksfase is er geen stikstofeffect. De werkzaamheden worden uitgevoerd over een periode van 3 jaar.  In het eerste jaar (beoogde uitvoering in 2023) is de hoogste bijdrage aan mol/ha/jr minder dan 0.  In het tweede jaar (beoogde uitvoering in 2024) is de hoogste bijdrage 0,02 mol/ha/jr.  En in het derde jaar (beoogde uitvoering in 2025) is de hoogste bijdrage 0,02 mol/ha/jr.  De totale uitvoering bedraagt netto minder dan 0,05 mol/ha/jr in 2 jaar. Er is sprake van een kleine en tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol/ha/jr gedurende 2 jaar op een aantal stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden waarvan de kritische depositiewaarde (naderend) wordt overschreden. Een ecologische verandering is echter pas waarneembaar als een aanzienlijke hoeveelheid stikstof gedurende meerdere jaren (langdurig) accumuleert in het systeem. Ecologisch gezien leiden geringe, tijdelijke bijdragen niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. De berekende kleine en tevens tijdelijke stikstofdepositie zal op geen enkele wijze leiden tot een meetbaar of merkbaar effect op de vegetatie, en daarmee op de kwaliteit van de habitattypen/leefgebieden. Ook niet in een reeds overspannen of naderend overspannen situatie.

De onderbouwing hiervoor is vierledig: 1. mobiele werktuigen maken sinds de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden onderdeel uit van de bestaande achtergronddepositie; 2. kleine (en tijdelijke) deposities (=0,1 mol/ha/jr) zijn nagenoeg verwaarloosbaar in verhouding tot achtergronddeposities; 3. kleine (en tijdelijke) deposities leiden nooit tot schade aan planten; 4. kleine (en tijdelijke) deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; In Bijlage 4 is deze onderbouwing nader gespecificeerd. Uit de bijlage blijkt dat een zeer tijdelijke en kleine toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een zeer tijdelijke kleine depositietoename van 0,02 mol/ha/jr gedurende 2 jaar of minder op een locatie waar de KDW wordt overschreden de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. De toestemmingverlening van de ecologische beoordeling dient in dit geval door het ministerie van LNV te worden afgeven omdat de minister vanuit de Wet natuurbescherming hiervoor het bevoegd gezag is voor dit project (energie project van 380 kV). De stikstofberekeningen en ecologische onderbouwing zijn op ingediend bij LNV.

LNV heeft aangegeven dat een passende beoordeling en/of vergunning voor het aspect stikstof niet noodzakelijk is. Conclusie Uit de berekening uitgevoerd met AERIUS-Calculator (versie 2022) blijkt dat er tijdens de werkzaamheden over tweejaartallen (2024 en 2025) een depositie van meer dan 0,00 mol N per hectare per jaar optreedt op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hierdoor is er een voortoets uitgevoerd ter beoordeling dat het project niet leidt tot significante gevolgen. Door deze ecologische conclusie alleen te trekken zal het project ook in combinatie met andere plannen/projecten niet alsnog tot significante gevolgen leiden. De hoge stikstofbelasting vormt immers geen belemmering voor de kwaliteit. Hierdoor vormt het aspect stikstof geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 52 van 79

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Kader

Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen en inrichtingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) respectievelijk het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. TenneT moet de leveringszekerheid van elektriciteit garanderen en wil daarom veiligheidsrisico's zoveel mogelijk uitsluiten. Voor zover redelijkerwijs mogelijk realiseert TenneT geen assets in de directe nabijheid van risicobronnen, zoals windturbines en risicovolle bedrijven. De reden hiervoor is dat het bezwijken van hoogspanningsinfrastructuur (station of kabels) tot grote maatschappelijke ontwrichting kan leiden (Handboek Risicozonering Windturbines, 2020). 4.7.2

Plangebied

Externe veiligheid De hoogspanningsverbinding is geen inrichting, dan wel een transportas waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt op basis van het Bevi danwel het Bevb. Het Bevi is ook niet van toepassing op het hoogspanningsstation omdat het station geen Bevi-inrichting is. Het hoogspanningsstation vormt geen (extern) veiligheidsrisico richting de omgeving. Het hoogspanningsstation zelf is tevens ook geen kwetsbaar object in de zin van het Bevi. Conclusie Het aspect (externe) veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.

4.8

Elektromagnetische velden

4.8.1

Kader

In Nederland wordt voor de blootstelling aan magnetische velden bij wisselstroom van 50 hertz de adviesgrenswaarde van 100 microtesla gehanteerd. Deze adviesgrenswaarde is gebaseerd op een Aanbeveling van de Europese Unie (1999/519/EG), waarin een referentieniveau van 100 microtesla voor bescherming van de bevolking is vastgelegd. Deze waarde wordt in Nederland volgens het RIVM op voor het publiek toegankelijke plaatsen nabij het hoogspanningsnet nergens overschreden, ook niet in de buurt van ondergrondse hoogspanningsverbindingen of hoogspanningsstations. In 2005 is door de toenmalige Staatssecretaris van VROM een beleidsadvies met betrekking tot bovengrondse hoogspanningslijnen uitgebracht aan gemeenten en beheerders van het hoogspanningsnet (2005, ministerie van VROM SAS/2005183118). Dit als vervolg op bevindingen van de Gezondheidsraad en het RIVM over wetenschappelijke onderzoeksresultaten en de onrust in de maatschappij over mogelijke gezondheidseffecten van hoogspanningslijnen. De kern van dit beleidsadvies – gebaseerd op het voorzorgprincipe – is dat nieuwe situaties waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen met een jaargemiddelde hoger dan 0,4 microtesla zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, vermeden moeten worden.

Dit komt er op neer dat het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als redelijkerwijs mogelijk buiten de magneetveldzone van 0,4 microtesla te plaatsen. Het beleidsadvies is alleen van toepassing op bovengrondse hoogspanningsverbindingen en dus niet op het hoogspanningsstation die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 53 van 79

4.8.2

Plangebied

Direct onder de hoogspanningsverbinding is sprake van een maximale sterkte van het magneetveld van 37 microtesla op 1 meter hoogte en 42 micotesla op 2 meter hoogte. De adviesgrenswaarde van 100 micotesla wordt dus niet overschreden. Voor langdurige blootstelling is de magneetveldcontour van de hoogspanningsverbinding inzichtelijk gemaakt. Uit berekeningen blijkt dat de 0,4 microTesla (µT) magneetveldcontour tot 140 meter buiten de hartlijn van het bovengrondse hoogspanningstracé komt. Er bevinden zich geen gevoelige objecten binnen deze contour. Conclusie Er liggen geen gevoelige objecten in de magneetveldcontour. Het bestemmingsplan is op dit aspect uitvoerbaar binnen het bestaand beleid.

4.9

Ontplofbare Oorlogsresten (OO)

4.9.1

Kader

Naar aanleiding van de verschillende oorlogshandelingen kunnen ontplofbare oorlogsresten (OO) zijn achtergebleven in het plangebied. Bij de werkzaamheden in het kader van de realisatie van de nieuwe hoogspanningsverbinding en het hoogspanningsstation bestaat mogelijk het risico dat explosieven worden aangetroffen die gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (hierna: WSCS-OCE) dient ter beoordeling of er indicaties zijn dat binnen het plangebied conventionele explosieven aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen. 4.9.2

Plangebied

Op basis van de bodembelastingkaart CE van Gemeente Rotterdam en een eerder uitgevoerd historisch vooronderzoek (van Tavela) is geconcludeerd dat geen ontplofbare oorlogsresten worden verwacht binnen het onderzoeksgebied. Derhalve is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Mocht echter tijdens werkzaamheden spontaan een explosief aangetroffen worden, dan dient het protocol 'Spontaan aantreffen Ontplofbare Oorlogsresten' aangehouden te worden. Indien OO worden aangetroffen binnen het werkgebied, is dit nieuwe feitelijke informatie. Als deze situatie zich voordoet, moet in overleg met een ter zake deskundige OO worden vastgesteld of sprake is van een incident of dat er aanleiding is om de werkwijze aan te passen. Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 54 van 79

4.10

Bodemkwaliteit

4.10.1 Kader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.10.2 Plangebied Bodemkwaliteitskaart De locatie van het hoogspanningsstation Amaliahaven en bijbehorende hoogspanningsverbinding liggen in de bebouwde omgeving van de Maasvlakte. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rotterdam blijkt dat de kwaliteit van de bovengrond voldoet aan de klasse ‘Natuur (schoon)’ en plaatselijk ‘Landbouw (zeer licht verontreinigd)’. De kwaliteit van de ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur (schoon)’ en plaatselijk ‘Industrie (matig verontreinigd). De bodem heeft binnen het gehele gebied de functieklasse Industrie.

Bodemonderzoeken In het gebied rondom het projectgebied is in het verleden een groot aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. Na inzage bleek dat een deel van deze onderzoeken op ruime afstand (= 50 meter, buiten de invloedssfeer) van het projectgebied zijn uitgevoerd. Op het projectgebied en op de aangrenzende percelen zijn voornamelijk licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater aangetoond. In één eerder uitgevoerd onderzoek blijkt dat sprake is van een verdachte locatie met een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie, waarvan de verspreiding niet in de richting van de toekomstige mast 05 is afgebakend. Mogelijk is de kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van mast 05 negatief beïnvloed door deze verontreiniging. Bodembedreigende activiteiten De verzamelde informatie geeft aanwijzingen voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten op of nabij het projectgebied. Het gaat hierbij om een spoorwegemplacement- en remise nabij mast MVL-CST-380-4 en een distributie van elektriciteit en gas nabij mast MVL-CST-380-2. Asbest Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie als onverdacht ten aanzien van asbest wordt aangemerkt, omdat er geen aanwijzingen zijn voor bodembelastende activiteiten waarbij asbest op of in de bodem terecht is gekomen.

PFAS Voor zover bekend is er binnen de projectlocatie geen sprake van het voorkomen van eventuele puntbronnen, zoals o.a. toepassen van blusschuim bij branden. Een mogelijke bron van diffuse verontreiniging met PFAS in de omgeving van het onderzoeksgebied betreft de gehele industrie in het Botlekgebied ten zuidoosten van de projectlocatie. Gezien de ligging kan de bovengrond via de lucht diffuus verontreinigd zijn geraakt met PFAS. Overig Ter plaatse van de bestaande mastlocaties zijn er verdachte gehalten aan zware metalen (met name zink) in de grond door jarenlange afspoeling /corrosie van het oppervlak van de masten of door schilderwerkzaamheden aangetroffen. Hiervoor heeft een vervolgonderzoek plaatsgevonden waarin er geen verontreinigingen zijn aangetroffen en het dus niet nodig is om verdere onderzoeken uit te voeren betreft bodem. Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 7.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 55 van 79

Conclusie Op basis van de bovenstaande constateringen uit het milieuhygiënisch vooronderzoek (zie Bijlage 6) wordt voorafgaand aan de uitvoerende werkzaamheden en de aanvraag van een omgevingsvergunning een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Vervolgens heeft er een vervolgonderzoek plaatsgevonden waarin geen verontreinigingen zijn aangetroffen. Hierdoor vormt de beoogde functie van het hoogspanningsstation geen belemmering voor de bodemkwaliteit. Daarmee staat het aspect bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

4.11.1 Kader In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt voormalige wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de mogelijke archeologische waarden in het gebied. 4.11.2 Plangebied Volgens het vigerende bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidskaart is er in dit geval geen archeologisch onderzoek noodzakelijk, omdat de bodemingrepen naar verwachting niet dieper reiken dan ca. 1,7 m +NAP (ofwel 3,4 m ten opzichte van het huidige maaiveld). De kans dat er archeologische resten worden aangetroffen is dan ook klein. Desondanks bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient in dat geval zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) of bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog. Conclusie Het aspect archeologie staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

In dit plan is de dubbelbestemming archeologie in stand gelaten. Als werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor een vergunning nodig is, dan zal deze worden aangevraagd.

4.12

Waterparagraaf

4.12.1 Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Deze Waterparagraaf is uitgevoerd met inachtname van de Keur van waterschap Hollandse Delta.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 56 van 79

4.12.2 Plangebied Het plangebied ligt volledig buitendijks. De maaiveldhoogte ligt globaal tussen NAP +5,1 m en +5,8 m. De bodem bestaat uit opgespoten zand en daaronder uit de oorspronkelijke zandige zeebodem. De afstand tot de dichtstbij gelegen insteekhaven is enkele honderden meters. Er zijn geen waterlopen in beheer van het waterschap Hollandse Delta of de gemeente Rotterdam aanwezig. Voor de afvoer van vuil water van toiletten en dergelijke is in de omgeving een persriool aanwezig. Hemelwater wordt over het algemeen in de bodem geïnfiltreerd of op de insteekhavens geloosd. Riolering Indien het hoogspanningsstation wordt voorzien van toiletten en/of een kantine, kan vuil water op de persriolering worden aangesloten. Waterberging De bevoegde gezagen, waterschap Hollandse Delta, Rijkswaterstaat en gemeente Rotterdam, hebben aangegeven dat er geen compensatie van nieuwe verharding vereist is. Wel moet het hemelwater zodanig worden verwerkt dat het geen overlast voor omliggende terreinen veroorzaakt. Dit kan door het hemelwater in de bodem te infiltreren. Waterkwaliteit Bij de ontwikkeling is geen lozing van water voorzien, evenmin is er sprake van een thermische lozing. De voorgenomen ontwikkeling heeft dus geen invloed op de waterkwaliteit. Waterveiligheid De Maasvlakte betreft buitendijks gebied.

In de huidige situatie bevindt het maaiveld zich binnen het plangebied tussen NAP +5,1 m en +5,8 m. Om een constante toevoer van energie te garanderen, moet bij het ontwerp van het station en bij de aanleg van kabels en leidingen rekening worden gehouden met de inundatiediepte. Het advies is om toekomstige bouwpeilen op tenminste NAP +6,20 m te leggen. Het bouwpeil zal om aan de aanvullende eis (t.a.v. regenwater) te voldoen minimaal 0,50 m hoger moeten worden en daarmee uitkomen op NAP +6,70m (NAP +6,20m + 0,50m). Grondwater Bij het onttrekken van grondwater is toestemming van het waterschap nodig. Indien voor de werkzaamheden onttrekking van grondwater noodzakelijk is dan wordt een melding of vergunningaanvraag gedaan voorafgaand aan de werkzaamheden. Conclusie Het plan voorziet in een adequate waterhuishouding en heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect water, en voldoet daarmee aan een goede ruimtelijke ordening. Bij het ontwerp van het hoogspanningsstation dient rekening te worden gehouden met een bouwpeil van NAP +6,70m.

4.13

Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere plek binnen projecten om rekening mee te houden. De komst van de Omgevingswet biedt daarbij nieuwe handvaten om ook daadwerkelijk op duurzaamheid te sturen en transities te bevorderen. Vooruitlopend hierop wordt in deze paragraaf beknopt beschreven op welke wijze duurzaamheid bij projecten van TenneT in het algemeen en AMH380 specifiek een plek krijgt.

Algemene duurzaamheidsambities TenneT zet vanuit haar duurzaamheidsdoelstelling in op een drietal ambities, die zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 57 van 79

Duurzaamheidsthema

Beschrijving

Doelstelling

Circulariteit

Circulariteit is het In 2025 25% minder impact op minimaliseren van het gebruik maagdelijk koper gebruik en van schaarse materialen, niet-recyclebaar afval hergebruik van materialen en het verminderen van afval in de bedrijfsactiviteiten

Klimaat

Klimaatimpact van de bedrijfsactiviteiten is de eigen verantwoordelijkheid en er wordt gestreefd naar het verminderen van de impact

Natuur

Onze commitment richting de In 2020 (netto) nul impact op natuur is het nemen van onze natuur verantwoordelijkheid om impact op de natuur te minimaliseren en lokale natuur te beschermen en verbeteren

In 2025 klimaatneutraal

Figuur 4.2 Duurzaamheidsambities TenneT

Projectspecifiek Met het project AMH380 wordt een significante bijdrage geleverd aan de verduurzaming de regio. Met het project wordt de transitie naar duurzame vormen van energieopwekking en energiebesparing gefaciliteerd en bevorderd. De verdere elektrificatie van onze samenleving is een belangrijke vereiste om het gebruik van duurzame vormen van energie mogelijk te maken, ter vervanging van het gebruik van fossiele energie. Het hoogspanningsnet van TenneT speelt daarin, als onderdeel het project 'Een haven vol energie', een cruciale rol. Hoogspanningsstation Amaliahaven wordt een aansluitlocatie voor onder meer waterstofinitiatieven, klantaansluitingen en Net op zee-verbindingen. De projecten Net op zee IJmuiden ver Beta, Net op zee IJmuiden ver Gamma en Nederwiek 2 zullen hierop aansluiten, en via het hoogspanningsstation Amaliahaven aansluiten op het bestaande 380kV-net. Hiermee waarborgt het project een robuuste duurzame energievoorziening voor de regio én wordt netcongestie voorkomen. Om de impact op de omgeving zo minimaal mogelijk te houden is daarbij gekozen voor een GIS-station, dat beduidend compacter te realiseren is. Daardoor is het ruimtebeslag zo beperkt mogelijk gehouden.

Gedurende de verdere engineering van uitvoering van projecten vereist TenneT dat door middel van registratie wordt aangetoond welke positieve bijdrage op de duurzaamheidsdoelstellingen zij door middel van de uitgevoerde initiatieven heeft kunnen bereiken. In figuur 4.3 is een overzicht te vinden met mogelijke duurzaamheidsmaatregelen die TenneT daarbij hanteert.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 58 van 79

Figuur 4.3 Mogelijke duurzaamheidsmaatregelen TenneT

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 59 van 79

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

5.2

De bestemmingen

De regels moeten in samenhang met de verbeelding worden gelezen, waarbij een bestemming op de verbeelding verwijst naar het corresponderende artikel in de regels. In het bestemmingsplan komt de volgende enkelbestemming voor: • Bedrijf - Power Daarnaast komen de volgende dubbelbestemmingen voor: • Leiding - Hoogspanningsverbinding • Waarde - Archeologie 2 De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. 5.2.1

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In hoofdstuk 1 staan de inleidende bepalingen van de regels beschreven. Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 60 van 79

Artikel 1: Begrippen Artikel 1 geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend.

5.2.2

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de bestemmingen die in het plangebied van deze partiële herziening voorkomen. Het artikel bevat de regels welke direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemming. Bij de indeling van de bestemmingsregels is conform de SVBP 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van de bestemmingen in dit plan zijn als volgt opgebouwd en benoemd (niet alle onderdelen komen voor):  bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen);  bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen);  nadere eisen (eisen die het college van burgemeester en wethouders bij vergunningverlening kan stellen aan de bebouwing);  afwijking van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels);  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunningplicht: hiermee worden grondwerkzaamheden aan een vergunning gebonden). Hieronder worden de verschillende bestemmingen inhoudelijk toegelicht. Artikel 3 Bedrijf – Power Deze bestemming voorziet in de mogelijkheid om een hoogspanningsstation op te richten en te exploiteren. De bestemming maakt het oprichten van bebouwing mogelijk. Inhoudelijk wordt verder aangesloten op de systematiek uit bestemmingsplan Maasvlakte 2.

Wel is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd waarmee geborgd is dat de activiteiten het immissiebudget op de zone immissie punten niet overschrijdt.

Artikel 4 Leiding - Hoogspanningsverbinding De dubbelbestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding' voorziet in de aanleg, het gebruik en de bescherming van de bovengrondse hoogspanningsverbinding. De breedte van de zone is vastgesteld op basis van het benodigde ruimtebeslag voor de aanleg, instandhouding en bescherming van de hoogspanningsverbinding. Het toepassen van vogelweringsspiralen (varkenskrullen) is voorgeschreven.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 2 Deze bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Maasvlakte 2. De bestemming voorziet in een waarborg dat geen archeologische waarden worden aangetast.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 61 van 79

5.2.3

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Antidubbeltelregel Dit artikel bevat een standaard regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.

Artikel 7 Algemene aanduidingsregels Dit artikel bevat een aanduidingsregeling voor de dubbelbestemming Leiding Hoogspanningsverbinding op het gedeelte van de bestaande hoogspanningsverbinding dat komt te vervallen vanaf het moment dat de nieuwe hoogspanningsverbinding, als bedoeld in dit bestemmingsplan, in gebruik is genomen.

Artikel 8 Overige regels In dit artikel is de van toepassingverklaring van onderhavige bestemmingsplannen geregeld. Onder sub a is bepaald dat het bestemmingsplan geldt in aanvulling op de regels en verbeelding van de daar opgesomde bestemmings- en inpassingsplannen. Onder sub b is opgenomen dat er ter plaatse van de bestemming ’Bedrijf - Power' uit onderhavige bestemmingsplan geen sprake is van een aanvulling op de huidige plannen (zoals geregeld onder sub a), maar voorliggend bestemmingsplan volledig in de plaats treedt van de regels en verbeelding van de in dit artikel genoemde bestemmingsplannen. 5.2.4

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht. Artikel 9 Overgangsrecht Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. Hierin is geregeld dat bestaande bouwwerken mogen worden gehandhaafd en bestaand gebruik mag worden voortgezet. Tevens mogen bestaande bouwwerken gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot. Gelet op de jurisprudentie wordt onder gedeeltelijk vernieuwen of veranderen verstaan het renoveren dan wel verbouwen van een bouwwerk, dat er niet toe mag leiden dat in een betrekkelijk korte periode in feite een compleet nieuw bouwwerk wordt gerealiseerd. De hoofddraagconstructie (fundering, spanten, draagbalken, gordingen en draagmuren) moet blijven gehandhaafd en mogen niet worden vervangen, én • de uiterlijke verschijningsvorm zoals oppervlakte, goot- en nokhoogte, dakhelling en materiaalgebruik moeten ongewijzigd blijven, én • er mogen geen nieuwe funderingen en/of nieuwe draagmuren worden geplaatst, én • de functie van het bouwwerk moet hetzelfde blijven. Artikel 10 Slotregel Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 62 van 79

5.3

Procedure bestemmingsplan

Voor dit bestemmingsplan wordt de volgende procedure doorlopen. Ten eerste vindt er vooroverleg plaats met instanties ex artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening. Daarna is het ontwerp plan opgesteld. Daarop is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat het ontwerp gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Zienswijzen kunnen dan door een ieder worden ingediend. Vervolgens beslist de gemeenteraad over de vaststelling van de partiële herziening van het bestemmingsplan en tegen de vaststelling staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoogspanningsstation Amaliahaven 380 kV Pagina 63 van 79

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geldt onder bepaalde voorwaarden de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan gelijktijdig met het vaststellen van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat het verhaal van de door de gemeente gemaakte kosten reeds anderszins is verzekerd. Om de leveringszekerheid van elektriciteit te borgen, stelt initiatiefnemer vroegtijdig investeringsplannen op die borgen dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor planvoorbereiding en -realisatie. Grondlegger voor de maakbaarheid is het Investeringsplan Net op Land. Daarbij maakt Amaliahaven onderdeel uit van het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) waarmee het belang van de ontwikkeling voor verduurzaming van de industrie, gebouwde omgeving, landbouw en mobiliteit en voor de realisatie van windenergie op zee wordt aangeduid. Daarnaast wordt geen noodzaak gezien om een tijdvak of fasering te bepalen of nadere eisen, regels of een uitwerking van regels te stellen zodat kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=449d2afa-d1f1-429f-beb4-8b95132b7b5e