[23bb008526] Bijlage 1 behorende bij 23bb008525 over Ontwerpbestemmingsplan Folkert Elsingastraat (incl. verbeelding)
Tekst van het document
30
Koningslaan, terwijl de resterende 50% (714 mvt/etmaal, 71 mvt/uur) wordt afgewikkeld in westelijke richting via de Klaas Timmerstraat op de Prinsenlaan. Vanaf de Koningslaan zal 35% (500 mvt/etmaal, 50 mvt/uur) in noordelijke richting worden afgewikkeld op de Hoofdweg, terwijl de resterende 15% (214 mvt/etmaal, 21 mvt/uur) in zuidelijke richting via de Prinsenlaan op de Prins Alexanderlaan wordt ontsloten. Op de Hoofdweg zal 30% (428 mvt/etmaal, 43 mvt/uur) in westelijke richting worden afgewikkeld naar de aansluiting op de A16, terwijl de resterende 5% (71 mvt/etmaal, 7 mvt/uur) verder over de Hoofdweg in oostelijke richting zal worden afgewikkeld. Het gedeelte van het gegenereerde verkeer dat vanaf het plangebied op de Prinsenlaan wordt ontsloten zal vervolgens volledig worden afgewikkeld in westelijke richting naar het kruispunt Prinsenlaan - Jacob van Campenweg - Nancy Zeelenbergsingel. Op dit kruispunt zal 40% (571 mvt/etmaal, 57 mvt/uur) verder in westelijke richting worden afgewikkeld over de Prinsenlaan, terwijl 10% (143 mvt/etmaal, 14 mvt/uur) over de Nancy Zeelenbergsingel in zuidelijke richting zal worden ontsloten. In westelijke richting eindigt de Prinsenlaan op het kruispunt Prinsenlaan - Boszoom, vanaf waar 25% (357 mvt/etmaal, 36 mvt/uur) in noordelijke richting zal worden ontsloten en 15% (214 mvt/etmaal, 21 mvt/uur) richting het zuiden.
De beoogde verkeersafwikkeling is weergegeven in figuur 4.1.
Figuur 4.1 De verkeersafwikkeling van de beoogde ontwikkeling De hoogste verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden op de Folkert Elsingastraat en de Prinsenlaan, waar een toename zal plaatsvinden van 714 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Gedurende het maatgevende uur leidt de beoogde ontwikkeling tot een verkeerstoename van 71 mvt/uur op beide wegen, wat neerkomt op circa 1,2 voertuigen per minuut. De Folkert Elsingastraat is ingericht als een erftoegangsweg-type I. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor ETW-type I aangehouden dat een verkeersomvang van 5.000 à 6.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Op basis van de bestaande functies die ontsloten worden via de Folkert Elsingastraat is de resterende capaciteit van de weg dermate hoog dat de beoogde verkeerstoename niet zal zorgen voor knelpunten in de verkeersdoorstroming. De Prinsenlaan is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg-type II. Op basis van Duurzaam Veilig wordt voor een GOW-type II aangehouden dat een verkeersomvang van 6.000 à 15.000 mvt/etmaal probleemloos kan worden afgewikkeld. Op basis van gegevens uit de NSL-monitor bedraagt de verkeersintensiteit op de Prinsenlaan in de huidige situatie circa 10.000 mvt/etmaal.
Hieruit volgt dat de invloed van de verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling op de doorstroming van de Prinsenlaan gering zal zijn. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
31
4.3
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Volgens de Wgh dient de geluiduitstraling van alle wegen te worden onderzocht met uitzondering van wegen met een snelheid van 30 km per uur. Een weg heeft een geluidzone die afhankelijk is van het aantal rijstrokken en de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied. Volgens de Wgh mag de geluidbelasting op de gevel van een woning vanwege wegverkeerslawaai ten hoogste 48 dB bedragen. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 53 dB voor buitenstedelijk gebied en 63 dB voor stedelijk gebied. Op de berekende geluidbelasting dient alvorens het getoetst wordt aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB conform artikel 110g van de Wgh een aftrek toegepast worden. Voor gezoneerde wegen met een snelheid van lager dan 70 km/uur bedraagt de aftrek 5 dB. In de Wgh is er een onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande situaties. Volgens deze wet dient voor de nieuwe situatie getoetst te worden in het tiende jaar na realisatie van de plannen of vaststelling van het bestemmingsplan. Toetsing Er is een akoestisch onderzoek (zie bijlage 3) uitgevoerd naar de geluidbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van de gezoneerde wegen. De geluidbelasting is getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wgh.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de relevante 30 km/uur weg in de directe nabijheid van het plan meegenomen. Gezoneerde weg De berekende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer op de Prinsenlaan bedraagt ten hoogste 44 dB. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. De Wgh legt verder geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan vanwege deze weg. Niet gezoneerde wegen De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt vanwege de Folkert Elsingastraat overschreden. De geluidbelasting vanwege Folkert Elsingastraat bedraagt ten hoogste 52 dB inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g van de Wgh. Het akoestisch woon- en leefklimaat is daarmee vanwege deze weg als redelijk te beschouwen. De berekende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer op de Koningslaan bedraagt 48 dB. Hiermee wordt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh met niet overschreden. Het akoestisch woon- en leefklimaat is daarmee vanwege deze weg als goed te beschouwen. Cumulatie De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van zowel gezoneerde wegen als niet gezoneerde wegen Folkert Elsingastraat en Koningslaan bedraagt minimaal 29 dB en ten hoogste 58 dB exclusief 5 dB correctie. Volgens de milieukwaliteitsnormen wordt dit geclassificeerd als akoestisch zeer goed tot matig woon- en leefklimaat.
Maatregelen Aangezien de geluidbelasting veroorzaakt door de Prinsenlaan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, zijn er geen aanvullende maatregelen nodig. Hogere waarde Uit het onderzoek is gebleken dat de berekende geluidsbelasting als gevolg van de Prinsenlaan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zoals vastgesteld in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarom is er geen noodzaak voor het volgen van de hogere waarde procedure. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
32
4.4
Water
Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water', Keur van het HHSK, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard.
Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. Huidige situatie Het plangebied is gelegen in de wijk 'Het Lage Land' in Rotterdam en wordt ontsloten door de Folkert Elsingastraat, Koningslaan en De Waghemakerestraat. Het gebied heeft momenteel de bestemmingen groen, water, sport en kantoren. In het plangebied staan enkele gebouwen. Vanwege de aanwezigheid van sportvelden is het gebied grotendeels onverhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ter plaatse geldt het peilbesluit 'Polder Prins Alexander en Eendrachtspolder'. Door de ligging in bebouwd gebied is het plangebied niet gekarteerd op de Nederlandse Bodemkaart. In de directe omgeving van het plangebied bestaat de bodem uit veen (zie figuur 4.2) en is er sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) dieper dan 40 centimeter onder maaiveld ligt.
De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ligt tussen de 50 en 80 centimeter onder maaiveld (zie figuur 4.3). De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa NAP -6,2 meter.
33
Figuur 4.2: Overzicht Bodemkaart (bron: bodemdata.nl)
34
Figuur 4.3: Overzicht Grondwatertrappen (bron: bodemdata.nl) Waterkwantiteit Uit de Legger van HHSK blijkt dat er een hoofwatergang in het plangebied ligt (figuur 4.4). Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Verder bevinden zich tevens geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.
35
Figuur 4.4: Overzicht Oppervlaktewater (bron: legger HHSK) Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering (zie figuur 4.5).
Figuur 4.5: Overzicht Waterkeringen (bron: legger HHSK) , plangebied paars omcirkeld Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen in het plangebied zijn aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel, bestaande uit een gemengd stelsel. Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. Toekomstige situatie De bestaande bebouwing aan de Folkert Elsingastraat wordt gesloopt en vervangen door woningen. Onderdeel van het plan is het verschuiven van de buitensportvelden richting De Waghemakerestraat en het verplaatsen van de indoorskihal en de boksschool. Het is de bedoeling dat de ski- en boksschool, naast het gebouw van korfbalverening De Trekvogels, een nieuwe accomodatie krijgen. Ten behoeve van deze ontwikkelingen worden twee watergangen gedempt en verlegd. Ook worden nieuwe verharde
36
oppervlakten gerealiseerd in de vorm van bebouwing en bestrating. Bodem en grondwater Bij de inrichting van het gebied moet voldoende drooglegging worden toegepast om wateroverlast in de toekomst te voorkomen. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en het maaiveldniveau. In stedelijke gebieden adviseert HHSK de volgende drooglegging: Vloerpeil bebouwing: 1,3 m drooglegging Hoofdwegen: 1,0 m drooglegging Overige wegen: 0,7 m drooglegging Waterkwantiteit De toename van verharding als gevolg van de ontwikkeling is meer dan 500 m 2. Volgens het beleid van HHSK moet deze toename gecompenseerd worden. Als gevolg van omgevingsfactoren (zoals waterpeil, bodemtype, functies) en planeigenschappen (toename van verharding) verschilt de compensatie-eis per peilgebied. De eis binnen dit peilgebied is 14,8%. Daarnaast dienen de te dempen (hoofd)watergangen gecompenseerd te worden met nieuw te graven oppervlaktewater in het plangebied. De nieuw te graven watercompensatie ten gevolge van de toename aan verharding wordt elders binnen het peilgebied opgelost. Figuur 4.6 geeft de verharding in de bestaande situatie weer van het door de ontwikkelaar te ontwikkelen deel. Dit bedraagt 3.925 m2. Figuur 4.7 geeft de verharding in toekomstige situatie weer. Dit bedraagt 7.123 m2. Tabel 4.1 geeft de benodigde compensatie weer.
Voor de herinrichting van de sportvelden binnen de bestemming 'Sport - Sport- en speelterrein' dient de watercompensatie berekend te worden wanneer het ontwerp duidelijk is. Dit is geborgd in de regels door middel van een voorwaardelijke verplichting. Bestaande situatie (figuur Toekomstige situatie 4.6) (figuur 4.7) Verhard
3.925 m2
7.123 m2
Onverhard (groen)
2.126 m2
0 m2
Water
915 m2
0 m2
Tuin (50% verhard, 50% onverhard)
528 m2
371 m2
264
185,5
7.494 m2
7.494 m2
Totaal
Meters onverhard (groen) naar verhard
2.126 m2
Afname verharding, door afname tuin (50/50)
78,5 m2
Totaal te compenseren meters met 5%-regel
2.204,5 m2
5% compensatie over afname onverhard
326,2 m2
100% compensatie over afname water
915 m2
Totaal te compenseren m2
1.241,2 m2
Tabel 4.1: Benodigde watercompensatie
37
Figuur 4.6: Overzicht verharding huidige situatie
Figuur 4.7: Overzicht verharding toekomstige situatie De te compenseren m2 oppervlaktewater zijn vanwege de aard van de ontwikkeling in drie fases benodigd: compensatie voor uitvoeringsfase 1 van de woningbouw, compensatie voor uitvoeringsfase 2 van de woningbouw en compensatie voor de herinrichting van de sportvelden. Binnen het plangebied is voor dit oppervlaktewater geen ruimte te voorzien, waardoor buiten het plangebied maar binnen het peilgebied van het Hoogheemraadschap ruimte is gezocht. Voor deze compensatie is een 3-tal plekken aangewezen, zoals te zien op de kaart in figuur 4.8.
38
Het graven van het nieuwe oppervlaktewater zal gefaseerd worden uitgevoerd, waarbij in deze fasering het uitgangspunt is dat er eerst nieuw oppervlaktewater gegraven wordt voordat bestaand oppervlaktewater wordt gedempt. En te allen tijde wordt er gestart met het omleggen van de hoofdwatergang, zodat de doorstroom van de hoofdwatergang niet onderbroken wordt.
Figuur 4.8: Zoeklocaties watercompensatie Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. De realisatie van 257 tot 275 wooneenheden heeft invloed op de waterketen en het aanbod van afvalwater op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Het afvalwater wordt afgevoerd via een gescheiden stelsel, het (afstromend) hemelwater dient vanwege de grondwaterstand (40 centimeter onder maaiveld) te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater.
39
Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Water en Waterstaat in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse mits de hoofdwatergang wordt verlegd en de nodige watercompensatie plaatsvindt.
4.5
Luchtkwaliteit
Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijnstof (PM10)
Fijnstof (PM2,5)
Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in het verplaatsen van sportvelden en het realiseren van 257 tot 275 woningen. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
40
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven (zie figuur 4.9). Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Prinsenlaan ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020; 22,6 µg/m3 voor NO2, 18,1 µg/m3 voor PM10 en 9,9 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6 dagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. De concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Figuur 4.9: Uitsnede NSL monitoring Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.
Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
41
Onderzoek Het plan voorziet in het verplaatsen van de bestaande sportaccommodaties en de realisatie van nieuwe woningen. Dit zijn zowel milieuhinderende als milieugevoelige functies. Bij de nieuwe sportvoorzieningen dient rekening te worden gehouden met het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. Bij de nieuwe woningen moet rekening worden gehouden met de bestaande rechten van omliggende bedrijven. Veldsportcomplex Veldsportcomplexen (met verlichting) behoren volgens de VNG publicatie tot milieucategorie 3.1 waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter ten opzichte van een rustige woonwijk. Richtafstanden bestaande woningen Conform het vigerende bestemmingsplan en de feitelijke situatie, ligt ten noorden van de De Waghemakerestraat een rustig woonmilieu in de zin van de VNGbrochure. De richtafstand bedraagt in dit geval 50 meter. De woning met adres Van der Helmstraat 490 is t.o.v. de ontwikkeling maatgevend. De afstand tot deze woning is bij alle varianten groter dan 50 meter, waardoor aan de noordzijde verder niet getoetst hoeft te worden. De afstand tot de woningen aan de oostzijde van de Koningslaan is groter dan 50m, waardoor aan de oostzijde verder niet getoetst hoeft te worden.
De bestaande woningen Folkert Elsingastraat 31 t/m 47 liggen in een gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure en vallen daarnaast op dit moment al ruim buiten de richtafstand van 30 meter tot de bestaande sportaccommodatie van korfbalvereniging De Trekvogels en het huidige sportveld. Deze woningen worden daarom in dit onderzoek niet verder getoetst. Het plangebied voor de nieuw te bouwen woningen kan worden aangemerkt als rustige woonwijk. De richtafstand bedraagt in dit geval 50 meter. Wat betreft de locatie van de nieuw te bouwen woningen valt het volgende te concluderen: De kortste afstand tussen de nieuw te bouwen woningen in het plangebied en sportveld (worstcasescenario) bedraagt minder dan 50 meter en hiermee wordt er niet aan de richtafstand voldaan. De kortste afstand tussen de nieuw te bouwen woningen in het plangebied en de bestaande sportinrichting en kantine (Trekvogels) bedraagt minder dan 50 meter en hiermee wordt er niet aan de richtafstand voldaan. De invloed op de nieuw te bouwen woningen dient wel onderzocht te worden omdat hier niet wordt voldaan aan de richtafstand tot de nieuwe locatie van het sportveld. Door middel van onderzoek moet aangetoond worden dat er ter plaatse van deze woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 2.
In het onderzoek zijn de vier gebouwen genummerd zoals aangegeven in figuur 4.11.
42
Figuur 4.11: Nummering bouwblokken akoestisch onderzoek Vanwege de onbekende indeling van de sportaccommodatie en de boks- en skischool is een variantenonderzoek uitgevoerd. Zes scenario's zijn geanalyseerd om te bepalen in welk scenario de meeste geluidbelasting kan ontstaan. Deze indeling wordt gebruikt als basis voor de beoordeling van de nieuw te bouwen woningen. De conclusie van dit onderzoek is als volgt: Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Blok 1 Ter hoogte van Blok 1 bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT (etmaalwaarde) ten hoogste 53 dB(A). Op de gevel van blok 1 wordt de grenswaarde van stap 3, 50 dB(A) met 3 dB(A) overschreden. Blok 2 Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT (etmaalwaarde) wordt op de gevel van blok 2 ten hoogste met 8 dB(A) overschreden. Echter, de woningen van blok 2 zijn tweezijdig georiënteerd. Aan de zuidgevel blijft de etmaalwaarde onder de grenswaarde van 50 dB(A). Derhalve beschikt blok 2 over een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte. Blok 3 Ter hoogte van blok 3 bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT (etmaalwaarde) ten hoogste 53 dB(A). Op de gevel van blok 1 wordt de grenswaarde van stap 3, 50 dB(A) met 3 dB(A) overschreden. Blok 4 Op gevel van blok 4 bedraagt de etmaalwaarde ten hoogste 50 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A).
Piekgeluidniveaus Conform artikel 2.18 lid 3 a en b van het Activiteitenbesluit wordt het in de open lucht verrichten van sportactiviteiten niet beschouwd bij toetsing aan de grenswaarden voor optredende piekgeluidniveaus.
43
In het kader van het beoordelen van het woon- en leefklimaat zijn de piekgeluidniveaus alsnog bij de toetsing beschouwd. Blok 1 Op de woningen van blok 1 worden de grenswaarden voor de piekniveaus zowel overdag als in de avondperiode overschreden. De overschrijding bedraagt in de dagperiode ten hoogste 5 dB(A) en 7 dB(A) in de avondperiode. De woningen van blok 1 zijn eenzijdig georiënteerd. Daarom wordt aanbevolen om aanvullende geluidwerende maatregelen te treffen om de optredende piekniveaus in de woningen te reduceren. Hierbij dient uit te worden gegaan van het absorberend uitvoeren van de galerij plafond en tevens de buitenruimte deels dicht te zetten met een dichte balustrade. Blok 2 De piekgeluidniveaus worden op blok 2 met 7 dB(A) in de dagperiode en met 9 dB(A) in de avondperiode overschreden. Echter, de woningen gelegen aan het blok 2 zijn tweezijdig georiënteerd. Aan de zuidgevel van blok 2 worden de grenswaarden voor piekgeluidniveaus niet overschreden. Derhalve beschikken de woningen van blok 2 over een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte. Blok 3 Op de woningen van blok 3 worden de grenswaarden in de dagperiode met 1 dB(A) overschreden en in de avondperiode met 3 dB(A) overschreden. De woningen van blok 3 zijn eenzijdig georiënteerd.
Daarom wordt aanbevolen om aanvullende geluidwerende maatregelen te treffen om de optredende piekniveaus in de woningen te reduceren. Hierbij dient uit te worden gegaan van het absorberend uitvoeren van de galerij plafond en tevens de buitenruimte deels dicht te zetten met een dichte balustrade. Blok 4 De piekgeluidniveaus op de gevel van de woningen van blok 4 overschrijden de grenswaarden van 70 dB(A) in de dagperiode en 65 dB(A) in de avondperiode niet. Tevens zijn de meeste woningen van blok 4 tweezijdig georiënteerd. Derhalve zijn er geen aanvullende maatregelen nodig om te voldoen aan de grenswaarden. Gecumuleerde geluidbelasting (woon- en leefklimaat) Ter plaatse van de beoogde woningen is er sprake van zeer goed tot redelijk woon- en leefklimaat (40-59 Lden dB). Met de hedendaagse gevels is het behalen van een geluidwering tussen 20 en 26 dB zeer goed mogelijk en kan een akoestisch binnenklimaat van 33 Lden dB worden behaald. Aangezien bij geen enkele woning er sprake is van slecht of zeer slecht akoestisch situatie, kan het akoestisch klimaat ter plaatse van de beoogde woningen als aanvaardbaar worden aangemerkt. Ontheffingsbeleid Wgh, gemeente Rotterdam In het kader van een goede ruimtelijke ordening en leefklimaat, wordt dezelfde methodiek als die van het gemeentelijke ontheffingsbeleid Wet geluidhinder gehanteerd.
Hieronder is een overzicht gegeven, welke woningen wel/niet voldoen aan het ontheffingsbeleid (geluidluwe gevel, eigen geluidluwe buitenruimte en een slaapkamer aan de geluidluwe zijde). De aanvullende gevelmaatregelen zijn in de volgende paragraaf beschreven.
44
Uit bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat de verschillende blokken voldoen aan de eisen uit het ontheffingsbeleid. Alleen de noordgevel van blok 2 voldoet niet direct aan de eis van een geluidluwe gevel, echter is hier een geluidluwe gevel aan de tuinzijde aanwezig, waaraan een slaapkamer en balkon (buitenruimte) zijn gelegen. Hiermee wordt er alsnog voldaan. Aanvullende maatregelen Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er niet aan de grenswaarden uit stap 3 kan worden voldaan. Om een eventuele geluidsoverlast voldoende te beperken, worden de volgende aanvullende maatregelen getroffen. Bronmaatregelen Als bronmaatregel wordt er een stillere fluit toegepast. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van een fluit met een 10 dB(A) lager bronvermogen, waarmee het piekgeluidniveau met 10 dB(A) afnemen. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de Fox 40 mini, Fox 40 Pearl, Fox 40 Titan of een gelijksoortige fluit met een geluidvermogen(LWR,max) van maximaal 109 dB(A). Het advies om dit type fluit is besproken met de sportvereniging. Deze bronmaatregel wordt als advies opgenomen in het bestemmingplan. Ontvangersmaatregelen Door toepassen van gevels met voldoende geluidswering (tussen 20- 23 dB(A)), kan de vereiste binnenwaarde van 35 dB (A) worden behaald. Om de gewenste geluidniveaus in de buitenruimtes te behalen, worden er aanvullende getroffen.
Hierbij worden de buitenruimtes voorzien van een glazen balustrade met een hoogte van 1.200 mm/ Aanvullend wordt de onderzijde van de galerij/balkonvloer van blok 1 & 3, welke aan de sportvelden en binnentuin grenzen, akoestisch absorberend uitgevoerd. Deze maatregelen aan de buitenruimte, zal het geluidsniveau ten hoogste 3 dB(A) verlagen. Beoordeling na verbetering van het woon- en leefklimaat Op de woningbouwlocatie heerst over het algemeen een zeer goed tot redelijk woon- en leefklimaat. De meeste woningen op de planlocatie bieden bewoners een acceptabel woon- en leefklimaat, waarbij rekening wordt gehouden met het gecumuleerde geluid, inclusief geluid vanwege niet-gezoneerde wegen. Belangrijk om op te merken is dat de woningen met een matig woonklimaat- en leefklimaat, voornamelijk in blok 2 liggen. Deze woningen hebben echter een tweezijdige oriëntatie en beschikken over geluidsluwe gevels en buitenruimtes, wat bijdraagt aan een acceptabel woon- en leefklimaat. Om het woon- en leefklimaat verder te verbeteren, zijn er gerichte aanbevelingen gedaan voor blok 1 en blok 3. Hoewel in blok 1 en 3 de geluidsniveaus (stap 2) gedurende de dag met 5 dB(A) worden overschreden, echter wordt er voldaan aan de eisen van stap 3. Daarnaast zijn er een groot aantal woningen met een zeer goed tot redelijk woonklimaat in deze blokken aanwezig.
Met de voorgestelde maatregelen wordt gestreefd naar het verminderen van het geluidsniveau in blok 1 en blok 3 en het optimaliseren van het woon- en leefklimaat in deze blokken. Door de voorgestelde maatregelen toe te passen, zal elke woning in blok 1 en blok 3 en dankzij de tweezijdige oriëntatie van de woningen in blok 2 en blok 4 een acceptabel woon- en leefklimaat hebben. De aanwezigheid van de gemeenschappelijke buitenruimte draagt bij aan het creëren van een acceptabel woon- en leefklimaat, waar bewoners de gelegenheid hebben om te ontspannen, sociale interacties aan te gaan en de voordelen van buitenlucht te benutten. De combinatie van privébuitenruimte en een gemeenschappelijke binnentuin draagt daarom bij aan het creëren van een gebalanceerde leefomgeving, met positieve effecten op welzijn en levenskwaliteit. Het dient vermeld te worden dat gedurende de nachtperiode er geen sprake is van
45
geluidoverlast vanuit de sportvelden, waardoor alle blokken kunnen genieten van een zeer goed woonen leefklimaat. Daarnaast draagt de aanwezigheid van de sportvelden ook bij aan de levendigheid en aantrekkelijkheid van de omgeving. Het sportveld fungeert als een ontmoetingsplek waar sportliefhebbers en buurtbewoners samenkomen. Deze dynamische activiteit creëert een levendige sfeer. De aanwezigheid van het sportveld draagt dus ook positief bij aan de leefkwaliteit. Onderbouwing woon- en leefklimaat De bouwopgave die het Rijk heeft geformuleerd is groot. Om het woningtekort terug te dringen, en te komen tot een gezond evenwicht, wordt met het programma Woningbouw nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. De gemeenten en de Rotterdamse regio hebben een regionale Woonvisie opgesteld en een regio-akkoord ondertekend om tot een evenwichtige woningvoorraad te komen. Rotterdam heeft in dit akkoord de opgave om tot 2030 de woningvoorraad per saldo met ca. 39.000 woningen te laten toenemen. In de Omgevingsvisie 2021 De Veranderstad, kiest Rotterdam voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Om richting te bepalen bij goede groei wordt een kompas met vijf perspectieven gebruikt: compact, gezond, inclusief, duurzaam en productief.
Verder inzoomend heeft de wijk een belangrijke plek in de Omgevingsvisie omdat die van cruciaal belang is voor het dagelijks leven van de Rotterdammer. Het streven is dat er wooncarrière gemaakt kan worden binnen de eigen wijk. Dat betekent diversiteit in prijssegmenten en woningen voor verschillende doelgroepen. Bij een diverse wijk hoort een mix van maatschappelijke, recreatieve en commerciële functies en voorzieningen die alle wijkbewoners in staat stelt om op haar of zijn eigen manier mee te doen en anderen te ontmoeten. Om die reden is op deze locatie de keuze gemaakt om zowel de woningdichtheid te vergroten als de sportvelden te intensiveren waarbij er zorg voor wordt gedragen dat er altijd sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te zorgen dat de hinderbeleving zoveel mogelijk wordt beperkt, is er gekeken naar maatregelen die kunnen worden genomen om dit te bewerkstelligen. Bij de weging van de maatregelen is het noodzakelijk om op te merken dat naast de woningbouwopgave (binnenstedelijke verdichting) het behoud van sportvelden ofwel het behoud van de bestaande ruimte om te sporten in binnenstedelijk gebied een belangrijke beleidsdoelstelling is van de gemeente Rotterdam en hierbij in te zetten op efficiënt en intensief gebruik. Dit is opgenomen in zowel de Omgevingsvisie als de Sportnota 2021+.
Het behoud van de m2 oppervlakte aan sport en de mogelijkheden om deze ruimte optimaal te gebruiken moeten daarom in stand gehouden worden. Om deze redenen worden er geen planregels opgenomen die het gebruik beperken door bijvoorbeeld aangepaste gebruikstijden van het veld. Daarentegen wordt om de piekbelasting die door scheidsrechterfluitjes wordt veroorzaakt te beperken een geluidsbronmaatregel vastgelegd in de planregels. In de planregels wordt vastgelegd dat binnen de bestemming Sport - Sport- en speelterrein het niet is toegestaan om (scheidsrechter)fluiten te gebruiken met een bronvermogen van meer dan 109 dB(A). Indoorskihal en boksschool Onderdeel van het plan is tevens het verplaatsen van de indoorskihal en de boksschool. Het is de bedoeling dat de ski- en boksschool, naast het gebouw van korfbalvereniging De Trekvogels, een nieuwe accommodatie krijgen. Voor deze sportscholen geldt een milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand van 30 meter ten opzichte van een rustige woonwijk. De dichtstbijzijnde bestaande woning ligt op circa 40 meter. De nieuw te bouwen woningen komen op 30 meter afstand te liggen. Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Bovendien wordt de aan te houden richtafstand in de planregels geborgd. Binnen de woongebouwen Binnen het wooncomplex zijn ook zorggerelateerde maatschappelijke voorzieningen gepland.
Het betreft hier voorzieningen in milieucategorie 1 waarvoor binnen een rustige woonwijk een richtafstand van 10 meter geldt. Dit zijn echter functies die goed inpasbaar zijn in de woonomgeving. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met voldoende geluidwering. Voorts wordt er in de planuitwerking rekening gehouden met het aanhouden van afstand tussen de in- en uitritten van de geplande parkeervoorziening en woningen.
46
Functies in de omgeving In de omgeving van de nieuwe woningen zijn enkele bedrijven en maatschappelijke functies aanwezig waarmee rekening dient te worden gehouden. Aan de overzijde van de Folkert Elsingastraat, op circa 20 meter van de ontwikkeling, zijn kantoren gevestigd. Kantoren behoren tot milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter ten opzichte van een rustige woonwijk. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Ten westen van de ontwikkeling ligt het Huis van de Wijk Het Lage Land. Dit soort buurthuizen behoren tot milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter afstand ten opzichte van een rustige woonwijk. Het plangebied ligt op circa 50 meter, hierdoor wordt aan de richtafstand voldaan. Conclusie Het gebied is gecategoriseerd als rustige woonwijk. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bestaande bedrijven en woningen worden niet onevenredig in hun belangen geschaad
4.7
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Onderzoek Volgens de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, is er in de omgeving van het plangebied sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen over de A16 en de A20 (figuur 4.12).
47
Ten westen van het plangebied ligt de A16 waarover gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. De PR 10-6 contour bedraagt 38 meter vanaf het midden van de weg. Langs dit wegvak is tevens een plasbrandaandachtsgebied (PAG) vastgesteld. Op basis van de maatgevende stofcategorieën LT3 en GT4 geldt een invloedsgebied groter dan 4000 meter. Het plangebied ligt op circa 550 meter. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Ten noorden van het plangebied ligt de A20 waarover gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. De PR 10-6 contour bedraagt 32 meter vanaf het midden van de weg. Langs dit wegvak is tevens een plasbrandaandachtsgebied (PAG) vastgesteld. Op basis van de maatgevende stofcategorie GT4 geldt een invloedsgebied groter dan 4000 meter. Het plangebied ligt op circa 1200 meter. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Figuur 4.12: Uitsnede professionele risicokaart Uit bovenstaande komt naar voren dat het plangebied niet ligt binnen een PR 10-6 contour of PAG. Wel ligt het plangebied binnen de invloedsgebied van de A16 en A20. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Gezien de relatief geringe toename van het aantal personen (met name in de nachtperiode) zal de hoogte van het GR niet of nauwelijks toenemen. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de A16 en A20 wordt hieronder een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Beknopte verantwoording groepsrisico De onderstaande beknopte verantwoording van het groepsrisico zal op basis van het advies van de veiligheidsregio nader worden uitgewerkt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen.
Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via verschillende wegen, waaronder de Folkert Elsingastraat, de Koningslaan, en de De Waghemakerestraat. Deze straten sluiten allen aan op het verdere wegennetwerk van de wijk Het Lage Land. Het gedegen wegennetwerk komt de
48
bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust. Het wegennetwerk biedt (o.a. via de Prinsenlaan en Prins Alexanderlaan) voldoende vluchtmogelijkheden in zuidoostelijke richting, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal het plangebied behalve sportaccommodaties ook bestaan uit woningen. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen, maar er wordt van uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met de maatgevende toxische stoffen (GT4 en LT3) geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied ligt binnen de invloedsgebieden van de A16 en de A20.
Uit de verantwoording van het groepsrisico blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd.
4.8
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Door IDDS is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Hieruit blijkt dat er enkele lichte verontreinigingen ter plaatse aanwezig zijn, maar deze vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Binnen het plangebied zijn watergangen aanwezig. Door middel van een waterbodemonderzoek (bijlage 8) is bepaald wat de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem is. Het vrijkomende slib van de watergang en de onderliggende bodem zijn verspreidbaar op de aangrenzende percelen.
De kwaliteit van de waterbodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling Conclusie De resultaten van de bovenvermelde onderzoeken vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
49
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die over zullen gaan in de Omgevingswet, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Onderzoek Archeologie Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Daarom wordt voor de locatie in het bestemmingsplan een bouwregeling en een omgevingsvergunning opgenomen voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. Overschrijden de werkzaamheden beide marges dan dient contact opgenomen te worden met de afdeling Archeologie van de gemeente. Cultuurhistorie Volgens het huidige bestemmingsplan 'Het Lage Land – Oosterflank' en de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland zijn er binnen het plangebied of in de nabije omgeving geen monumenten aanwezig. Verder maakt het plangebied geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied. Conclusie Op de verbeelding en in de regels is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.
Met deze dubbelbestemming zijn eventuele archeologische waarden beschermd. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
50
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN); Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Zuid-Holland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied. Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk, ligt op een afstand van circa 8,5 kilometer. (zie figuur 4.13).
51
Figuur 4.13 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. NNN en Natura 2000-gebieden (bron: provincie Zuid-Holland) Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Uit berekeningen voor de sloop-, aanleg- en gebruiksfase (bijlage 6 en 7) blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities op Natura 2000 die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr. Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, de uitvoering van het plan niet in de weg. Soortenbescherming Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door IDDS. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 8. Hieruit blijkt dat nader onderzoek naar vleermuizen vereist is. Dit onderzoek is tot en met september 2020 uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in Bijlage 10. Hieruit blijkt dat in het gebouw van de skischool en de boksschool vleermuizen aanwezig zijn. Tijdens de veldbezoeken zijn drie verschillende soorten vleermuizen waargenomen, dit waren de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis. De gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis zijn enkele keren kortstondig foeragerend waargenomen. De rosse vleermuis is uitsluitend overvliegend waargenomen.
Tijdens de voorjaarsbezoeken zijn twee zomer- en winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. De baltsvluchten die in het najaar zijn waargenomen geven aan dat er twee baltsterritoria aanwezig zijn in het plangebied. Exacte locaties konden niet worden vastgesteld. Er is een ontheffing van de wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Aanvullend veldbezoek Omdat ten tijde van de uitvoering van de quickscan ecologie nog niet exact bekend was dat de watergangen gedempt en/of vegetatie op de oever verwijderd zou worden, is op 24 mei 2023 een aanvullend veldbezoek uitgevoerd. In Bijlage 9 is een notitie toegevoegd met de bevindingen van deze toetsing. Vleermuizen In de te slopen opstallen zijn tijdens het nader onderzoek naar vleermuizen twee zomer- en winterverblijfplaatsen en twee baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens dit nader onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat essentieel foerageergebied en/of vliegroute aanwezig is. Ook schijnt veel verlichting vanuit de sportvelden op de omliggende watergangen en vegetatie. Desalniettemin kunnen de watergangen en de bomenrijen gebruikt worden als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Doordat een nieuwe watergang gegraven wordt en alternatieve watergangen in de directe omgeving aanwezig zijn, is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig.
Daarnaast blijven de bomen aan de Koningslaan en ten westen van de sportvelden behouden. Ook zijn op korte afstand (circa 1000 m) het Kralingse Bos en de Kralingse plas en het Prinsenpark (circa 200 m) aanwezig. Door de omvang van deze gebieden, kunnen deze
52
gebieden als essentieel foerageergebied bestempeld worden. Waardoor voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is. Negatieve effecten op vleermuizen, door het dempen van de watergangen en het verwijderen van vegetatie, is daarom uitgesloten. De Kralingse plas, het Kralingse bos en het Prinsenpark zijn mogelijk essentieel foerageergebied. Een essentiële vliegroute van vleermuizen zijn lijnvormige elementen tussen een vleermuisverblijfplaats en deze essentiële foerageergebieden. Tussen de verblijfplaatsen in de opstallen binnen het plangebied zijn geen lijnvormige elementen naar deze essentiële foerageergebieden aanwezig. Door het ontbreken van deze lijnvormige elementen en doordat tijdens het nader onderzoek naar vleermuizen geen aanwijzingen zijn gevonden van een vliegroute, kan de aanwezigheid van een vliegroute worden uitgesloten. De bomen die gekapt worden zijn allen zeer smal en bevatten geen holten waar een vleermuis een verblijfplaats in kan hebben. De aanwezigheid van boombewonende vleermuissoorten is daarmee uitgesloten. Vogels In de te kappen bomen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen grote (roofvogel)nesten waargenomen. In de bomen en bosschages binnen het plangebied kunnen wel algemene broedvogels tot broeden komen. Ook kunnen in de watergangen watervogels, zoals meerkoet en waterhoen, tot broeden komen.
Indien de werkzaamheden aan de watergangen en de vegetatie in het broedseizoen plaatsvinden, kunnen nesten worden vernietigd, individuen worden gedood en broedende vogels worden verstoord. Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied Uit de bureaustudie is gebleken dat van de soortgroepen grondgebonden zoogdieren, libellen, insecten, ongewervelden, vaatplanten, reptielen, amfibieën en vissen, geen beschermde soorten zijn waargenomen. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt ook binnen het plangebied. Beschermde soorten van deze soortgroepen worden daarom binnen het plangebied niet verwacht. Conclusie aanvullend veldbezoek Naar aanleiding van het aanvullende veldbezoek is gebleken dat het plangebied geen potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten. Derhalve is het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek niet noodzakelijk. Wel dienen enkele mitigerende maatregelen getroffen te worden om effecten op broedvogels en algemeen voorkomende soorten te worden voorkomen. Dit gaat om het uitvoeren van werkzaamheden buiten het broedseizoen ten aanzien van algemene broedvogels. Ook dient tijdens de bouw in het actieve seizoen van vleermuizen (1 april t/m 31 oktober) rekening te worden gehouden met (bouw) verlichting op omliggende, te behouden vegetatie. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Wel is ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist in het kader van de aanwezige vleermuizen. Deze ontheffing is aangevraagd.
53
4.11
Duurzaamheid
Rotterdam ambieert een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de stad, de regio en de haven. Binnen de stad speelt het streven naar duurzaamheid op alle schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad als geheel, als op het niveau van de verschillende stadsdelen: de binnenstad, wijken en buurten en op het niveau van een gebouw. In voorliggende paragraaf wordt het aspect duurzaamheid uitgewerkt voor de ontwikkeling. Circulariteit Circulariteit is een heel breed begrip. Ten behoeve van de ambities op gebied van duurzaamheid voor het project is gefocust op de technische en sociale duurzaamheid. Voor de technische duurzaamheid is gefocust op hernieuwbare materialen, dus biobased producten en daarmee getrechterd tot houtbouwconstructies. Door gebruik te maken van houtbouwconstructies wordt de meeste impact binnen het gebouw gemaakt. Voor dit project wordt één van de bouwdelen in een CLT constructie uitgevoerd. Voor de geveldelen wordt momenteel onderzoek gedaan of deze uitgevoerd kunnen worden in hout. Samen met onze partners wordt gezocht naar hout dat gekapt moet worden vanwege bijvoorbeeld omvalgevaar of ziekte. Dit hout wordt normaal gesproken als afvalhout bestempeld. Door het hout onder andere te gebruiken als geveldelen, blijft het hout toch nog in leven. Dit vereist wel een andere manier van ontwerpen.
Er wordt gekeken naar wat er is en daarmee maak je het product af in plaats van met nieuwe producten te werken, dit alles zonder de esthetische waarde te verliezen. Energietransitie De nieuwbouwontwikkeling wordt aangesloten op Eneco stadsverwarming. Door de aansluiting op de stadverwarming wordt verzekerd dat er gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie. Daarnaast worden de vier woongebouwen voorzien van PV-panelen. Door gebruik te maken van PV-panelen wordt de energietoevoer van de exploitatie aansluiting van de gebouwen voorzien van groene energie. Voor een aangenaam binnenklimaat zijn de volgende maatregelen van toepassing. Het WTW-systeem zorgt voor ventilatie in het gebouw. Het WTW-systeem is daarnaast CO2 aangestuurd, zodat aangesloten wordt bij de vraag en de installaties niet onnodig draaien. De koeling, eveneens vanuit Eneco stadsverwarming, in combinatie met de overkragende balkons gaat overmatige opwarming binnenin de woningentegen. Tot slot hanteert HD verhoogde Rc-waardes voor de gesloten geveldelen en zorgt het triple glas in de open geveldelen voor een goede isolatie. Klimaatadaptief De klimaatveranderingen vragen om aanpassingen van de woningbouwopgaven. In MIX wordt rekening gehouden met deze klimaatveranderingen. Door het toevoegen van blauwe daken, wordt water opgevangen en wordt het te veel aan regenwater afgeremd.