CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb007864] Raadsvoorstel over Wijziging van de Algemene plaatselijke verordening 2012

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van de zesentwintigste en de zevenentwintigste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV).10.345 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeente

2 '= Rotterdam

Bestuurs- en Concernondersteuning Burgemeester

A. Aboutaleb Van: Jessica Roon/ Karin Waterberg- de Pina Telefoon: 14 010 Ons kenmerk: M2311-2273 - 23b0008556 Bijlage{n): 3 ontwerpbesluiten Onderwerp: Wijziging van de Algemene plaatselijke verordening 2012

Aan de gemeenteraad

Datum: B&W 21 november 2023

Gevraagd besluit: Samenvattend stellen wij u voor de zesentwintigste, zevenentwintigste en achtentwintigste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 vast te stellen. Waarom dit voorstel?/Waarom nu voorgelegd? Voorgesteld wordt om in lijn met de vaste verandermomenten een wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (hierna: APV) door te voeren. Voorgesteld wordt de APV technisch aan te passen in verband de invoering van de· Omgevingswet per 1 januari 2024. Deze technische wijzigingen zijn nodig om na inwerkingtreding van de Omgevingswet te kunnen doorwerken met de bestaande APV. Daarnaast wordt voorgesteld om de vergunning deelmobiliteit, zoals opgenomen in artikel 5:12a APV, te wijzigen. Met voorgestelde wijziging wordt o.a. de manier van vergunningverlening aangepast. Tot slot wordt voorgesteld om een verbod op openbare orde verstorende voorwerpen op te nemen in de APV Relatie met het coalitieakkoord/collegewerkprogramma/eerder aangenomen moties en gedane toezeggingen: • Raadsinformatiebrief ter afdoening van de motie 'Op naar een passende voetbalwet' (M2303-4602) • Motie van 23 maart 2023 'Op naar een passende voetbalwet' (23bb002023) • Raadsinformatiebrief van 21 november 2023 over de nota 'Kansen benutten, overlast voorkomen. De Rotterdamse aanpak voor deelvervoer en vervoerhubs.' inclusief bijlage (0M2309-2779).

Toelichting: U wordt voorgesteld de volgende wijzigingen in de APV door te voeren.

Technische aanpassing APV aan de Omgevingswet. De APV bevat verwijzingen naar wet- en regelgeving over de fysieke leefomgeving. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 wordt met deze wijziging voorgesteld de wettelijke grondslagen en formele wijzigingen technisch aan te passen zodat vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet doorgewerkt kan worden met de bestaande APV. Deze wijzigingen brengen geen inhoudelijke wijzigingen met zich. Bovendien worden enkele taal technische of redactionele verbeteringen voorgesteld. Vergunning deelmobiliteit De vergunning deelmobiliteit kent zijn grondslag in artikel 5:12a APV. Op grond van dit artikel is het verboden om zonder vergunning van het college op de weg deelvoertuigen aan te bieden of te verhuren. Met deze wijziging wordt dit artikel aangepast en wijzigt onder meer de manier van vergunningverlening. Op dit moment worden de vergunningen verleend op basis van het principe 'wie het eerst komt, wie het eerst maalt' en dit wordt gewijzigd naar een vergelijkende toets. Dit betekent dat nieuwe aanbieders op basis van kwaliteit geselecteerd kunnen worden. Verder wordt een grondslag gecreëerd voor het college om nadere regels vast te stellen. U treft de Nadere regels deelmobiliteit ter kennisname aan.

In deze nadere regels wordt vastgelegd hoe de vergunningprocedure op grond van artikel 5:12a verloopt (vergelijkende toets), wordt het plafond voor bakfietsen verhoogd van 500 naar 750, wordt vastgelegd voor welke deelvoertuigen een vergunning mogelijk is en wordt een tijdelijke verhoging van het voertuigen plafond mogelijk voor bestaande aanbieders wanneer sprake is van een vermindering van vervoersmogelijkheden. Voor verdere informatie over het nieuwe beleid verwijzen wij u naar de raadsinformatiebrief over de nota 'Kansen benutten, overlast voorkomen. De Rotterdamse aanpak voordeelvervoer en vervoerhubs.' Beleid, nadere regels en apv wijziging deelmobiliteit dienen in verband met de nauwe samenhang gelijktijdig in werking te treden. Verbod op openbare orde verstorende voorwerpen Zoals in de afdoeningsbrief van de motie 'Op weg naar een passende voetbalwet' aangekondigd, wordt voorgesteld om in de APV een verbod op openbare orde verstorende voorwerpen te introduceren. Het verbod houdt in dat het verboden is op een openbare plaats, openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een voorwerp of stof bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde te verstoren.

Het verbod biedt de mogelijkheid om op te treden tegen voorwerpen waarvan het aannemelijk is dat die meegebracht zijn om gebruikt te worden bij verstoringen van de openbare orde. Hierbij valt te denken aan voorbeelden zoals een bivakmuts, masker, verzwaarde handschoen, tok of boksbitje. Deze voorwerpen worden steeds vaker gebruikt door ordeverstoorders omdat tegen het bezit niet kan worden opgetreden door de politie. Dit wordt niet alleen geconstateerd rond voetbalwedstrijden, maar ook bij rellen/ongeregeldheden op andere plaatsen in de stad. De huidige juridische kaders bieden onvoldoende handvatten om tegen deze voorwerpen op te treden. Ook wanneer uit feiten of omstandigheden blijkt dat deze zaken gebruikt zullen worden om (in anonimiteit) de openbare orde te verstoren. Met deze nieuwe verbodsbepaling wordt beoogd om effectief en doelmatig tegen voorgenoemde problematiek op te treden. Handhaving van dit verbod is gericht op risicovolle evenementen (o.a. voetbal) of situaties met signalen voor ongeregeldheden.

Financiële en juridische consequenties/aspecten: Op grond van artikel 149 Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht. De gemeenteraad heeft op grond van haar autonome verordenende bevoegdheid (149 Gemeentewet) juridisch de ruimte om bovengenoemde wijzigingen door te voeren. Inwerkingtreding van de technische aanpassing van de APV in verband met de invoering van de Omgevingswet wordt gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Beoogde inwerkingtreding van de Omgevingswet is thans (moment van schrijven) voorzien op 1 januari 2024. Het bijbehorende ontwerpbesluit bieden wij u hierbij ter vaststelling aan.

Burgemeester en wethouders van Rotterdam,

Bijlage(n): - Ontwerpbesluiten zesentwintigste, zevenentwintigste en achtentwintigste wijziging van de APV Rotterdam 2012 - Nadere regels deelmobiliteit

Ontwerpbesluit zesentwintigste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 De raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 november 2023, 23bo008556; [nummer raadstuk]; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende, dat het gewenst is de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 te wijzigen in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet; besluit: Artikel I De Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 wordt als volgt gewijzigd: A

Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: 1. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd: - beperkingengebiedactiviteit: beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A; - provinciale omgevingsverordening: provinciale omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland; - waterschapsverordening: waterschapsverordening van het betreffende waterschap; 2. De begripsbepalingen van 'bevoegd gezag', 'bouwwerk' en 'gebouw' komen te luiden: - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; - b,ouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A:

' - gebouw. bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;. '

B Artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het vierde lid komt te luiden: 4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. 2. Het vijfde lid vervalt. C Aan artikel 1:4 wordt een lid toegevoegd, luidende: 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. D Artikel 1.5 wordt als volgt gewijzigd: 1. Voor de tekst wordt de aanduiding '1.' geplaatst. 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

E Aan artikel 1:6 wordt een lid toegevoegd, luidende: 2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. F In de artikelen 2:1, zesde lid, 2:6, achtste lid, 2:9, vierde lid, 2:34c, vijfde lid, 2:45, tweede lid, 2:60, derde lid, 4:6, vierde lid, 4:11j, vierde lid, , 4:18, vijfde lid, 5:2, vijfde lid, 5:3, derde lid, 5:6, vierde lid, 5:7, derde lid, 5:8, zevende lid, 5:11, vierde lid, 5:21b, derde lid, 5:21c, vierde lid, 5:32, vierde lid, 5:33, derde lid, en 5:36, vierde lid, wordt 'Op de ontheffing' vervangen door 'Op de aanvraag om een ontheffing'. G Artikel 2: 10 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid vervalt. 2. Het zevende lid komt te luiden: 7. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 voorziet. 3. In het achtste lid wordt 'Op de vergunning' vervangen door 'Op de aanvraag om een vergunning'. H Artikel 2:11 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt na 'een vergunning' ingevoegd 'van het college'. 2. Het tweede lid vervalt. 3. Het vierde lid komt te luiden: 4.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengèbiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Telecommunicatiewet, de Telecommunicatieverordening Rotterdam 2015 of de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam. 4. Het vijfde lid komt te luiden: 5. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:12, derde lid, komt te luiden: 3. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

J In artikel 2:14, vierde lid, wordt 'onderdeel b' vervangen door 'aanhef en onderdeel b' en wordt 'door de Wet milieubeheer' vervangen door 'bij of krachtens de Omgevingswet'.

K In artikel 2:21, derde lid, wordt 'bij of krachtens de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht' vervangen door 'door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet'. L In artikel 2:23, derde lid, wordt 'Provinciale Vaarwegenverordening' vervangen door 'provinciale omgevingsverordening'. M In de artikelen 2:25, veertiende lid, 2:28, zevende lid, 2:36, vijftiende lid, 2:39a, negende lid, 2:72, zevende lid, 5:13, vijfde lid, 5:18, zesde lid, 5:21d, vierde lid, 5:24, zesde lid, en artikel 5:31b, tweede lid, wordt 'Op de vergunning' vervangen door 'Op de aanvraag om een vergunning'. N In artikel 2:28, vijfde lid, onderdeel a, wordt 'een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer' vervangen door 'het omgevingsplan of het Activiteitenbesluit, zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet'. 0 In de artikelen 2:36, vierde lid, onderdeel g, en artikel 2:72, derde lid, onderdeel d, wordt 'een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer' vervangen door 'het omgevingsplan'.

p In artikel 2:36, zevende lid, onderdeel j, wordt 'een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan' vervangen door 'het omgevingsplan'. Q In artikel 2:39a, vijfde lid, onderdeel f, wordt 'een geldend bestemmingsplan' vervangen door 'het omgevingsplan'. R Artikel 2:46, tweede lid, komt te luiden: 2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

s In artikel 2:58, zevende lid, wordt 'Op de ontheffingen' vervangen door 'Op de aanvraag om een ontheffing'. T In artikel 2:60 wordt in de aanhef van het eerste lid na 'in de zin van de Wet milieubeheer,' ingevoegd 'zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, '.

u Artikel 2:71, onderdeel a, komt te luiden: a. consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, niet zijnde fop- en schertsvuurwerk; V Artikel 3:7, eerste lid, onderdeel j, komt te luiden: j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

w In artikel 3:9, eerste lid, onderdeel e, wordt 'een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening' vervangen door 'het omgevingsplan'.

X In artikel 4:1, onderdeel a, wordt na 'Activiteitenbesluit milieubeheer' ingevoegd ', zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet'.

y Artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt 'of het activiteitenbesluit milieubeheer' vervangen door ', zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, '. 2. Het derde lid komt te luiden: 3. Het verbod geldt niet voor zover hierin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de provinciale omgevingsverordening.

z In artikel 4:6b wordt 'het Activiteitenbesluit milieubeheer' vervangen door 'het besluit'.

AA In artikel 4:10, vierde lid, wordt na 'Wet natuurbescherming' ingevoegd', zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. AB In artikel 4:11, derde lid, onderdeel a, wordt 'Plantenziektenwet' vervangen door 'Plantgezondheidswet'. AC Artikel 4:13 wordt als volgt gewijzigd: 1. In de aanhef van het eerste lid wordt na 'artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer' ingevoegd', zoals deze luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet,'. 2. In het tweede lid wordt 'de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland of de Grondwaterbeschermingsverordening Zuid-Holland' vervangen door 'de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening'.

AD Artikel 4:15 wordt als volgt gewijzigd: 1.In het vijfde lid wordt 'Provinciale landschapsverordening' vervangen door 'provinciale omgevingsverordening'. 2. Het zesde lid vervalt onder vernummering van het zevende lid tot zesde lid. 3. In het zesde lid (nieuw) wordt 'Op de ontheffing' vervangen door 'Op de aanvraag om een ontheffing'.

AE Artikel 4:17 komt te luiden: Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is, dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt, voor recreatief nachtverblijf. AF In artikel 4: 18, eerste lid, wordt 'het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit' vervangen door 'het omgevingsplan'. AG In artikel 5:5, tweede lid, wordt 'door de Wet milieubeheer' vervangen door 'bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.'. AH Artikel 5:6, derde lid, komt te luiden:

3. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. Al In artikel 5:10, tweede lid, wordt na 'Wet milieubeheer' ingevoegd', zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet'. AJ In artikel 5:15, vierde lid, wordt 'artikel 5 van de Wegenverkeerswet' vervangen door 'artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994'.

AK Artikel 5: 18, vijfde lid, komt te luiden: 5. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. AL In artikel 5:18a, onderdeel c, wordt 'een geldend bestemmingsplan' vervangen door 'het omgevingsplan'.

AM Artikel 5:24, vijfde lid, komt te luiden: 5. Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Telecommunicatiewet, de Telecommunicatieverordening Rotterdam 2015 of de Havenverordening Rotterdam 2020. \

.

AN Artikel 5:28, tweede lid, komt te luiden: 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening. AO In artikel 5:30, tweede lid, wordt 'de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland' vervangen door 'de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet'. AP In artikel 5:31a, derde lid, wordt 'Op de vrijstelling' vervangen door 'Op de aanvraag om een vrijstelling'.

AQ Artikel 5:34 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt 'inrichtingen als aangewezen krachtens artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer' vervangen door 'een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, '. 2. Het zesde lid komt te luiden: 6. Dit artikel is niet van toepassing voor zover artikel 429, aanhef en onderdeel 1 • of onderdeel 3°, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening in het verbod voorziet. Artikel II De Toelichting op de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 wordt als volgt gewijzigd: A De toelichting op artikel 1:1 komt te luiden: 'Artikel 1 :1 Begripsbepalingen In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Bevoegd gezag Met het begrip "bevoegd gezag" wordt aangehaakt bij de Omgevingswet. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure.

De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het college van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term "bevoegd bestuursorgaan" voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. Beperkingengebiedactiviteit Hierbij wordt verwezen naar de definitie in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A. Een beperkingengebied is een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied.

Bouwwerk Hierbij wordt verwezen naar de definitie in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A. Volgens genoemde bijlage wordt onder bouwwerk verstaan: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart. Gebouw Deze omschrijving is ontleend aan het (inmiddels vervallen) artikel 1, onderdeel c, van de Woningwet: "elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt". Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg.

Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel. Openbaar water Een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus synoniem aan "feitelijk voor het publiek toegankelijk". Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Worn). Artikel 1, eerste lid, van de Worn bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek.

Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen "dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats". Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren,

warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen "openbare plaatsen". Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip "openbare plaats". Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. "De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt", aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Worn zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip "openbare plaats" ook een aantal "besloten plaatsen" als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Worn expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 19861987, 19 427, nr. 5, p.11-13, en nr. 6).

Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Waterschapsverordening De gemeente Rotterdam valt in het beheersgebied van drie verschillende waterschappen: het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, het Hoogheemraadschap van Delfland en het Waterschap Hollandse Delta. Afhankelijk van de locatie van de activiteit, moet worden bezien welke waterschapsverordening van toepassing is. Weg Uit de begripsomschrijving van "openbare plaats" blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip "weg": a. dé "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); b. de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg".

De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.'.

B In de toelichting op artikel 1:2 wordt de alinea 'Wabo' vervangen door een alinea, luidende: 'Omgevingsvergunningen Dit artikel is niet van toepassing op aanvragen om een omgevingsvergunning.'. C De toelichting op artikel 2:10 komt te luiden: 'Artikel 2:10 Plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg Artikel 2:10 geeft de burgemeester of het college de mogelijkheid greep te houden op situaties welke hinder of gevaar op kunnen leveren dan wel ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing van dit artikel moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen op de openbare weg van zuilen, containers, terrasmeubilair, billboards, reclame-uitingen, e.d., maar ook aan materialen, machines en afzettingen ten behoeve van bouw-, verbouw-, onderhouds-, reinigings- en herstelwerkzaamheden op de weg of op, aan of in gebouwen. Het derde lid regelt dat het verbod niet geldt voor de volgende categorieën van gevallen. Onderdeel a: evenementen Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van artikel 2:25, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel 2:10. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd.

Onderdeel b: terrassen horecabedrijf Het in artikel 2:10 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een inrichting, waarvoor door de burgemeester vergunning is verleend op grond van artikel 2:28. Zo'n terras maakt blijkens de definitie in artikel 2:27 deel uit van die inrichting. Daarom is hier een afbakeningsbepaling opgenomen. Voor de duidelijkheid: het gaat hier om een terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw. In het geval een terras niet behoort bi] een voor het publiek openstaand gebouw of een in artikel 2:27 bedoelde inrichting en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2:10 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd gezag. Onderdeel c: standplaatsen Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop afdeling 5.4 van toepassing is. Onderdeel d: winkeluitstallingen Met deze bepaling krijgen ondernemers enerzijds de gelegenheid geboden om uitstallingen en reclame-uitingen bij hun bedrijf te plaatsen, maar worden tegelijkertijd kaders aangegeven om een wildgroei van winkeluitstallingen te voorkomen en terug te dringen. Deze wildgroei is niet alleen uiterst publiekonvriendelijk is, maar doet ook afbreuk aan de

gewenste kwaliteitsverbetering van de buitenruimte en het openbare gebied. Motieven achter dit artikellid zijn: - het waarborgen van de verkeersvrijheid in de meest ruime zin van het woord; met name het voetgangersverkeer moet onbelemmerd kunnen plaatsvinden, alsook de doorgang van de verzorgende diensten (politie, brandweer en GGD); - handhaving van de openbare orde; - beperken of voorkomen van overlast. In dit artikellid is vastgelegd dat reclameborden en andere reclameobjecten bij winkels eveneens onder het begrip 'winkeluitstalling' worden begrepen. Een winkeluitstalling kan dus bestaan uit goederen en één reclame-uiting. Onderdeel f: andere categorieën van gevallen. Op grond van dit onderdeel kan het college of de burgemeester categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel 2: 10 niet geldt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het uitsteken van vlaggen, zonneschermen, gevelterrassen, voorwerpen of stoffen die kortstondig op de weg worden geplaatst in verband met laden of lossen of het verrichten van kleinschalige onderhoudswerkzaamheden op de weg. Verder kan gedacht worden aan bepaalde categorieën van activiteiten, zoals evenementen.

Ook het plaatsen van verhuiscontainers en kleine containers ten behoeve van sloopafval gedurende een korte periode van maximaal 5 dagen valt onder deze vrijstelling, mits deze plaatsing het veilig en doelmatig gebruik van de weg niet belemmert en niet in strijd is met de Wegenverkeerswet 1994. De exacte categorieën staan in het Aanwijzingsbesluit categorieën van gevallen vergunningvrij te plaatsen voorwerpen op of aan de weg. Vierde lid Met het vierde lid heeft het college de mogelijkheid om in te spelen op afwijkende situaties waarbij een andere situering van de uitstallingszone wenselijk is (bijvoorbeeld in het midden van een straat in een winkelcentrum in plaats van langs de gevels) of grotere formaten of aantallen toe te staan. Vijfde lid Het verbod van artikel 2: 10 is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Hierbij kan gedacht worden aan voorwerpen die tijdens demonstraties worden gebruikt. Van belang is dat er dan daadwerkelijk gedemonstreerd wordt. Zesde lid Het zesde lid regelt dat wanneer het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak handelt, zij geen vergunning op grond van artikel 2: 10 nodig heeft.

Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.'.

D De toelichting op artikel 2:11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: 'Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg'. 2. De alinea direct na het opschrift komt te luiden: 'Op het aanleggen of veranderen van een weg is de Omgevingswet van toepassing als bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening regels zijn gesteld. In artikel 5:21 van de Omgevingswet is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8 van deze verordening. Indien de activiteit niet geregeld is in bijvoorbeeld een omgevingsplan dan is de Omgevingswet niet van toepassing en is het college bevoegd om op de aanvraag te beslissen. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen·vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.'. 3. Het opschrift 'Tweede lid' vervalt. 4. De alinea 'Vijfde lid Lex Silencio Positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)' vervalt. E In de toelichting op artikel 2:12 wordt de alinea 'Wabo' vervangen door: 'De vergunning voor het maken van of anders gebruiken van een uitweg betreft een omgevingsvergunning.

In de meeste gevallen is het college bevoegd gezag, maar in bijzondere gevallen kan het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn deze vergunning af te geven en in zeer specifieke gevallen de minister.'. F De toelichting op artikel 2:14 wordt als volgt gewijzigd: 1. 'Wet milieubeheer' wordt vervangen door 'Omgevingswet'. 2. 'milieuvergunning' wordt vervangen door 'vergunning'. G In de toelichting op artikel 2:21 wordt 'In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van het desbetreffende onroerend goed al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van artikel 2:21 geconstrueerd worden.' vervangen door: 'Wanneer geen sprake is van een situatie als bedoeld in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet kan niet een gedoogplicht op grond van artikel 2:21 geconstrueerd worden.' H De toelichting op artikel 2:24 wordt als volgt gewijzigd: 1. De tekst 'Een en ander doet niets af aan de voorschriften ten aanzien van geluidsoverlast, zoals omschreven in het Activiteitenbesluit milieubeheer en in hoofdstuk 4, afdeling 1 van deze APV. Deze voorschriften blijven onverkort van toepassing.' vervalt. 2.

De tekst 'Om meer geluid te mogen produceren op het terras dient er naast een evenementenvergunning tevens een kennisgeving worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer te krijgen.' wordt vervangen

door 'Om meer geluid te mogen produceren op het terras dient er naast een evenementenvergunning tevens een kennisgeving te worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften.'. 3. 'kickboxsgala's' wordt vervangen door 'kickboksgala's'.

In de algemene toelichting op Hoofdstuk 2, afdeling 8, wordt de tweede alinea vervangen door: 'Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Alcoholwet nog vele andere regels van toepassing. Onder andere de Omgevingswet, Wet op de kansspelen en de Opiumwet.'. J De toelichting op artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd: 1.'Daarnaast past een periode van 6 maanden binnen de wettelijke kaders die onder andere gelden in het kader van de Wet Milieubeheer' wordt vervangen door 'Daarnaast past een periode van zes maanden binnen de wettelijke kaders die onder andere gelden in het kader van het omgevingsrecht.'. 2. 'Teneinde een betere afstemming te verkrijgen tussen planologische en openbare ordeeisen die aan de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen worden gesteld, is in onderdeel a 'strijd met een geldend be.stemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer' opgenomen als imperatieve weigeringsgrond voor een exploitatievergunningsaanvraag.

Aldus wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere planologische regeling of de Wet milieubeheer verboden is.' wordt vervangen door 'Teneinde een betere afstemming te verkrijgen tussen planologische en openbare ordeeisen die aan de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen worden gesteld, is in onderdeel a 'strijd met het omgevingsplan' opgenomen als imperatieve weigeringsgrond voor een exploitatievergunningsaanvraag. Aldus wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het omgevingsplan verboden is.'. K

De toelichting op artikel 2:29 wordt als volgt gewijzigd: 1. De tekst 'Op de consequenties van de invoering van de Wet milieubeheer voor de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen - met name voor wat betreft de regeling van openings- en sluitingstijden - is in de algemene toelichting bij deze paragraaf reeds ingegaan. Hier zij daarnaar verwezen.' vervalt. 2. De tekst 'Voor wat betreft de toepassing van artikel 2:29, zesde lid, en artikel 2:29, elfde lid, dient verwezen te worden naar hoofdstuk 4, afdeling 1, van deze verordening, waarin ter nadere uitwerking van het bepaalde in het Activiteitenbesluit milieubeheer - is geregeld, dat de (geluid- en lichthinder)voorschriften niet gelden op een nader door het college te bepalen aantal dagen ten behoeve van "collectieve festiviteiten" en "incidentele festiviteiten".' wordt vervangen door 'Voor wat betreft de toepassing van artikel 2:29, zesde lid, en artikel 2:29, elfde lid, dient verwezen te worden naar hoofdstuk 4, afdeling 1, van deze verordening, waarin is geregeld, dat de (geluid- en lichthinder)voorschriften niet gelden op een nader door het college te bepalen aantal dagen ten behoeve van "collectieve festiviteiten" en "incidentele festiviteiten".'.

d De toelichting op artikel 2:39a wordt als volgt gewijzigd: 1. 'bestemmingsplan' wordt vervangen door 'omgevingsplan'. 2. 'weigeringgronden' wordt vervangen door 'weigeringsgronden'. 3. 'weigeringgrond' wordt vervangen door 'weigeringsgrond'. 4. 'uigeoefend' wordt vervangen door 'uitgeoefend'. K In de toelichting op artikel 2:47 vervallen '(max. 225 euro)' en '(max. 2250 euro)'. L De toelichting op artikel 2:60 wordt als volgt gewijzigd: 1. 'Door in het eerste lid de zinsnede "buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer" op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.' wordt vervangen door 'Door in het eerste lid de zinsnede "buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet" op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.'. 2.'Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Wet natuurbescherming, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.' vervalt. M De toelichting op artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd: 1. De alinea 'Definitie consumentenvuurwerk' komt te luiden: 'Voor de omschrijving van het begrip 'consumentenvuurwerk' is aansluiting gezocht bij het Vuurwerkbesluit.

Voorheen werd consumentenvuurwerk apart gedefinieerd, maar met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is iedere verwijzing vervangen door "vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F1, F2 of F3 en dat bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.'' Vuurwerk in algemene zin is daar omschreven als: pyrotechnische artikelen ter vermaak. En pyrotechnisch artikel is omschreven als: artikel dat explosieve stoffen of een explosief mengsel van stoffen bevat die tot doel hebben warmte, licht, geluid, gas of rook dan wel een combinatie van dergelijke verschijnselen te produceren door middel van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties. Het vuurwerk dat krachtens het Vuurwerkbesluit is aangewezen als consumentenvuurwerk is aangewezen in de ministeriële regeling. Artikel 1.2.2 regelt een verbod aan handelaren om professioneel (categorie F4) en theatervuurwerk (categorie T1 of T2) aan particulieren ter beschikking te stellen en aan particulieren om zulk vuurwerk op te slaan, voor handen te hebben of af te steken. Van bestemd voor particulier gebruik is sprake, indien: a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier; c. het aangetroffen wordt bij een particulier; d.

het binnen' het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen of; e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.

Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed 2011, zoals klappertjes voor speelgoedpistolen.'. 2. De alinea 'Fop- en schertsvuurwerk' komt te luiden: 'Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, als zodanig bij ministeriële regeling aangewezen. Het gaat hierbij onder meer om knalerwten, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse lucifers en Bengaalse fakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de lading van overig consumentenvuurwerk. Op grond van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.'. 3. 'een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen (artikel 2.3.4);' wordt vervangen door 'een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de gestelde voorschriften (artikel 2.3.4);'. N De toelichting op artikel 2:72 wordt als volgt gewijzigd: 1.

'een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer' wordt vervangen door 'het omgevingsplan'. 2. 'Met het begrip "drijver van de inrichting" wordt aangesloten bij de Wet milieubeheer en het Vuurwerkbesluit.' vervalt. 0 In de toelichting op artikel 2:73 wordt 'Het Vuurwerkbesluit en de Wet milieubeheer zijn hogere regelingen waaraan een verbod op vuurwerk dient te worden getoetst. Deze regelingen bevatten regels vanuit het motief van de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Het motief van deze regelingen en het Rotterdamse vuurwerkverbod vallen niet samen.' vervangen door 'Het Vuurwerkbesluit is een hogere regeling waaraan een verbod op vuurwerk dient te worden getoetst. Deze regeling bevat regels vanuit het motief van de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Het motief van deze regeling en het Rotterdamse vuurwerkverbod vallen niet samen.'

p De toelichting op artikel 3:7 wordt als volgt gewijzigd: 1. 'bestemmingsplan' wordt vervangen door 'omgevingsplan'. 2. 'andere planologische regeling' wordt vervangen door 'bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan'. 3. 'het Besluit justitiële gegevens' wordt vervangen door 'het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens'. Q

In de toelichting op artikel 4:3 vervalt '(d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw)'.

R In de toelichting op artikel 4:4a wordt 'Activiteiteribesluit milieubeheer' vervangen door 'Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet'.

s De toelichting op artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd: 1. 'In het derde lid van artikel 4:6 is een uitzondering gemaakt van het verbod voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Dit houdt onder andere in dat het verbod van dit artikel niet geldt voor zover de activiteiten bedrijfsmatig worden ondernomen, dan wel worden ondernomen in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Artikel 4:6 biedt derhalve slechts mogelijkheden ten aanzien van hobbymatige activiteiten. Deze mogen echter weer niet dusdanige omvang hebben aangenomen dat zij alsnog onder de Wet milieubeheer vallen. Te denken valt dan aan beunhazerij of een uit de hand gelopen hobby.' wordt vervangen door 'In het derde lid van artikel 4:6 is een uitzondering gemaakt van het verbod voor zover andere wet- of regelgeving van toepassing is. Dit houdt onder andere in dat het verbod van dit artikel niet geldt voor zover de activiteiten bedrijfsmatig worden ondernomen, dan wel worden ondernomen in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Te denken valt dan aan beunhazerij of een uit de hand gelopen hobby. Artikel 4:6 biedt derhalve slechts mogelijkheden ten aanzien van hobbymatige activiteiten.'. 2. 'Naar de mening van de Minister van Verkeer en Waterstaat biedt de Wegenverkeerswet 1994 vooralsnog geen mogelijkheden om verkeersmaatregelen te nemen uit het oogpunt van beperking van geluidhinder.

Op dit ogenblik is een wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in voorbereiding, die deze mogelijkheden wellicht wel zal bieden. Aangezien nog niet duidelijk is wanneer deze wijziging van kracht wordt, is voorlopig deze bepaling opgenomen.' vervalt. T De toelichting op artikel 4:11 wordt als volgt gewijzigd: 1. 'artikel 6.1 van de WABO' wordt vervangen door 'artikel 16. 79 van de Omgevingswet'. 2. 'artikel 6.2 van de WABO' wordt vervangen door 'artikelen 16.78 en 16.79 van de Omgevingswet'. 3. 'Plantenziektenwet' wordt vervangen door 'Plantgezondheidswet'. 4. 'In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is.' vervalt.

u In de toelichting op artikel 4:11a wordt 'artikel 2: 18 van de Wabo' vervangen door 'artikel 5.21 van de Omgevingswet'. V In de toelichting op artikel 4: 15 vervallen de volgende tekstgedeelten: '- Voor het aanbrengen van reclame op een beschermd monument is volgens artikel 14 van de Monumentenwet 1988 een vergunning nodig van het college, dan wel van de minister van OCW, indien deze op grond van artikel 17 van de Monumentenwet 1998 beslist op de vergunningaanvraag. - De provinciale Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland bevat bepalingen die het aanbrengen van opschriften en dergelijke op onroerend goed in de

landelijke gedeelten van de gemeente verbieden, behoudens ontheffing van gedeputeerde staten. Toetsingscriterium is daarbij het belang van het landschapsschoon. - De afbakening met de Wet milieubeheer is alleen noodzakelijk ten aanzien van lichtreclame. Voorschriften over hinder veroorzaakt door lichtreclame aan de gevel van een horecabedrijf moeten worden opgenomen in de milieuvergunning van het desbetreffende bedrijf of worden gebaseerd op het Besluit horeca-, sport, en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Hinder in de zin van de Wet milieubeheer zal veelal samenvallen met het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van de in de nabijheidgelegen onroerende zaak. Dit is geregeld in artikel 4: 15 waardoor ook inrichtingen die niet vallen onder de Wet milieubeheer toch op dit punt zullen kunnen worden beoordeeld.'. W De toelichting op artikel 4: 17 komt te luiden: 'Artikel 4:17

Begripsbepaling

In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan. Het moet gaan om een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Dit is omdat vanwege de inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen anders ook grondgebonden recreatiewoningen onder het bereik van deze afdeling zouden vallen.'. X In de toelichting op artikel 4: 18 wordt 'bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit' vervangen door: 'omgevingsplan'.

y In de toelichting op artikel 5: 18a wordt 'is een achttal' vervangen door 'zijn de'.

z In de Algemene toelichting op Afdeling 6 wordt 'Genoemd wordt hier onder meer het op de Scheepvaartverkeerswet gebaseerde Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Op provinciaal niveau is er in dit verband de Vaarwegenverordening Zuid-Holland.' vervangen door 'Genoemd wordt hier onder meer het op de Scheepvaartverkeerswet gebaseerde Binnenvaartpolitiereglement (BPR), de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening.'. AA In de toelichting op artikel 5:23a wordt 'Havenbeheersverordening Rotterdam 201 O' vervangen door 'Havenverordening Rotterdam 2020'. AB De toelichting op artikel 5:24 komt te luiden:

'Artikel 5:24

Gebruik van openbaar water

Bepalingen die evenals artikel 5:24 tot doel hebben het gebruik van het water te waarborgen, komen in zowel de Omgevingswet, de Scheepvaartverkeerswet (artikel 30, tweede lid: verbod een voorwerp, van welke aard ook, dat het verkeer op een vaarweg in verwarring zou kunnen brengen, daarlangs, daarin of daarboven aan te brengen) als in de provinciale omgevingsverordening voor. Hierin wordt aangeven voor welke wateren zij van toepassing zijn. Het onderhavige artikel 5:24 is dan ook bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beinvloeden. Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om categorieën van voorwerpen aan te wijzen - al dan niet onder voorwaarden - waarvoor het niet nodig is een vergunning aan te vragen. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, onderdeel 6 (inzake het al dan niet opzettelijk versperren van waterwegen), en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bijvoorbeeld artikel 1.15 van dit reglement; verbod tot het te water doen geraken van voorwerpen en stoffen).'. AC In de toelichting op artikel 5:25 wordt 'Haven beheersverordening Rotterdam 2010' vervangen door 'Havenverordening Rotterdam 2020'.

AD In de toelichting op artikel 5:28 wordt 'Vaarwegenverordening Zuid-Holland' vervangen door 'provinciale omgevingsverordening'. AE De toelichting op artikel 5:34 wordt als volgt gewijzigd: 1. 'artikel 1.1, vierde lid van de Wet milieubeheer' wordt vervangen door 'de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet'. 2. 'milieuverordening' wordt vervangen door 'omgevingsverordening'. AF De toelichting op artikel 6:1 komt te luiden: 'Artikel 6:1 Strafbepaling Volgens artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Hieruit volgt, dat de formele wetgever aan de gemeentelijke wetgever de keuzemogelijkheid heeft gelaten om op overtreding van gemeentelijke verordeningen een geldboete te stellen van de tweede categorie of van de eerste categorie. Aldus kan de raad aangeven welke overtredingen hij van zwaardere aard en welke overtredingen hij van lichtere aard acht. Een en ander doet niets af aan de traditionele

vrijheid van de rechter om binnen de door de (Gemeente)wet gestelde grenzen de soort en de maat van de straf in een concreet geval te bepalen. Tot de grens van de door de gemeentelijke wetgever gekozen geldboetecategorie zal de strafrechter dus steeds de straf in het concrete geval moeten bepalen. Artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht legt de rechter de plicht op rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. In het onderhavige artikel 6:1 is van de door de wetgever gegeven keuzemogelijkheid gebruik gemaakt. Overeenkomstig verzoeken uit de praktijk en hetgeen in andere gemeenten is bepaald, is in 2003 gekozen voor onderbrenging van alle strafbepalingen in deze verordening in de tweede categorie. leder soort delict kan namelijk onder zodanige omstandigheden worden gepleegd, dat een geldboete van meer dan€ 405,- in de rede ligt. Niet zelden gebeurde het, dat de rechter er behoefte aan had om voor bijvoorbeeld bepaalde baldadigheidsdelicten een geldboete van de tweede categorie op te leggen terwijl dat niet mogelijk was. In plaats van een geldboete van maximaal de tweede categorie is het op basis van artikel 6:1, eerste lid, eveneens mogelijk om voor genoemde overtredingen een hechtenis te eisen van ten hoogste drie maanden. Hierdoor wordt aan het Openbaar Ministerie de keuze gelaten om in plaats van een geldboete voor hechtenis te kiezen.

De strafbedreiging op overtreding van gemeentelijke medebewindsvoorschriften is meestal te vinden in de bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het vaststellen van deze voorschriften. De opsomming in het eerste lid van artikel 6:1 bevat dan ook geen in deze verordening opgenomen medebewindvoorschriften, op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. Deze voorschriften zijn de voorschriften met betrekking tot heling met uitzondering van artikel 2:32 (overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht (tweede, respectievelijk derde geldboetecategorie) ). Door ook overtreding van het krachtens de verordening bepaalde met straf te bedreigen, wordt ook het niet naleven van door het college krachtens delegatie door de raad gestelde nadere regels bestempeld tot strafbaar feit. De strafbaarstelling van overtreding van de door het college gestelde nadere regels moet immers steunen op de raadsverordening. Ook het niet nakomen van de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften wordt door het gebruik van de term "krachtens" een strafbaar feit. Omgevingswet De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:11), het maken of veranderen van een uitweg (artikel 2:12) en voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11) vallen onder de Omgevingswet.

Artikel 5.5 van de Omgevingswet verbiedt het handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning. De Wet economische delicten is van toepassing op handelen zonder of in strijd met de hierboven genoemde vergunningen. De strafbepalingen van de APV zijn dus niet op de naleving van deze vergunningen van toepassing.'.

Artikel Ill Dit besluit treedt in werking op het tijdstip dat de Omgevingswet in werking treedt.

Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Zesentwintigste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De griffier,

De voorzitter,

Ontwerpbesluit zevenentwintigste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 De raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 november 2023, [nummer raadsvoorstel] [nummer raadstuk]; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende, dat het gewenst is de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 te wijzigen in verband met een wijziging van het vergunningenbeleid ten aanzien van deel mobiliteit;

besluit: Artikel I De Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 wordt als volgt gewijzigd: A

Artikel 5:1 komt te luiden: Artikel 5:1 Begripsbepalingen 1.In deze afdeling wordt verstaan onder: - parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. 2. In afwijking van artikel 1:1wordt in deze afdeling verstaan onder weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994. B Artikel 5:12a komt te luiden: Artikel 5:12a Vergunning deelmobiliteit 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig voertuigen, met inbegrip van kleine wagens als bedoeld in artikel 5: 1, voor gebruik door derden op de weg te plaatsen. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen. 3. Het college verleent geen vergunning voor het plaatsen van voertuigen met een verbrandingsmotor. 4. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen, schorsen of hieraan voorschriften of beperkingen verbinden, indien: a. het ter gebruik aanbieden van de voertuigen: 1°. gevaar oplevert voor de veiligheid van personen, goederen of de verkeersveiligheid; 2°. hinder of overlast veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat; 3°.

een nadelige invloed heeft op het milieu;

4°. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of 5°. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte; b. in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; c. niet wordt voldaan aan het exploitatieplan; d. niet wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels of beleidsregels; e. structureel minder voertuigen worden geplaatst dan toegestaan op grond van de vergunning; f. de aanvrager verweven is met een andere onderneming die voor dezelfde periode en voor dezelfde voertuigen een vergunning heeft aangevraagd. 5. Het college weigert de aanvraag voor een vergunning indien: a. de voertuigen waarvoor een vergunning is aangevraagd niet voldoen aan een bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde eis voor die betreffende voertuigen; b. de aanvrager op grond van de van toepassing zijnde verdelingsprocedure niet in aanmerking komt voor een vergunning; c. uit de statuten en het feitelijk handelen van de aanvrager blijkt dat de aanvrager het bedrijfsmatig aanbieden van voertuigen voor gebruik door derden niet als doelstelling heeft. 6. Het college kan nadere regels stellen die zien op: a. het stellen van indieningsvereisten voor de aanvraag voor een vergunning; b. het vaststellen van een voertuigen plafond per categorie of type voertuigen; c.

het tijdelijk kunnen afwijken van het voertuigenplafond zodat tijdelijk meer voertuigen door bestaande aanbieders kunnen worden geëxploiteerd; d. het stellen van voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend; e. de wijze van verdeling van de vergunningen alsmede de toetsingscriteria hiertoe; f. het vaststellen van een tijdvak waarbinnen een vergunningaanvraag kan worden ingediend; g. het vaststellen van categorieën van voertuigen of voertuigtypen welke in aanmerking komen voor een vergunning. 7. In afwijking van artikel 1:7 verleent het college de vergunning voor de duur van vijf jaar, tenzij het college bij de vergunning anders bepaalt. 8. Het college besluit op een aanvraag voor een vergunning binnen 16 weken na de dag van ontvangst ervan. Indien er sprake is van een tijdvak waarbinnen de vergunningaanvraag dient te zijn ingediend, besluit het college binnen 16 weken na het sluiten van die termijn. Het college kan de beslissing op een aanvraag voor ten hoogste 8 weken verdagen. 9.

Als voor het uitvoeren van openbare werken, in het kader van de openbare orde of veiligheid, in het geval van calamiteiten of evenementen of om enigerlei andere reden verwijdering van de' voertuigen van een openbare plaats, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, noodzakelijk is, is vergunninghouder verplicht de deelvoertuigen binnen de door het bevoegde gezag gestelde termijn, te verwijderen en verwijderd te houden. 10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel II De Toelichting op de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 wordt als volgt gewijzigd: A De toelichting op artikel 5.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede alinea wordt de zinsnede 'artikel 1, onder al, van het RVV 1990' vervangen door 'artikel 1 van het RVV 1990'. 2. In de derde alinea wordt de zinsnede 'artikel 1, onder ac, van het RVV 1990' vervangen door 'artikel 1 van het RVV 1990'. B De toelichting op artikel 5:12a komt als volgt te luiden: Artikel 5:12a Vergunning deelmobiliteit Het bedrijfsmatig delen of verhuren van voertuigen (deelvoertuigen) heeft de laatste jaren een enorme vlucht genomen. Het deelmobiliteitssysteem is goed toegankelijk, gemakkelijk te gebruiken en vormt een onderdeel van het dagelijkse mobiliteitsaanbod, naast de trein, bus, de eigen auto en de eigen (brom)fiets. Naast de vaste 'deelvoertuiglocaties' bestaan gebruiksvormen zoals het 'free floating'-deelsysteem. In dat systeem kan een voertuig overal worden achtergelaten. Deelvoertuigen kunnen een onevenredige belasting van de openbare ruimte in de gemeente opleveren en gepaard gaan met hinder, overlast en gevaar voor de omgeving. Ook bestaat het risico dat beschadigde of ongebruikte voertuigen niet snel genoeg door de aanbieders worden verwijderd. Dit levert niet alleen een onnodig en ongewenst beslag op de schaarse openbare- ruimte op, maar ook een rommelige aanblik waardoor het aanzien van de openbare ruimte wordt aangetast. Zonder een regulerend kader heeft de gemeente weinig invloed op de inrichting van deze initiatieven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=0e3621c0-4e9b-4734-928b-66280c9b33da