[23bb007365] Bijlage behorende bij 23bb007364 over Criminele uitbuiting onder minderjarigen in Rotterdam
Tekst van het document
Ik denk dat dat moet veranderen en geen woorden maar daden wat dat betreft.” (Jeugdhulpverlening) De rol van armoede lijkt tweedelig te zijn. Enerzijds geven stakeholders aan dat de meeste slachtoffers uit achterstandswijken komen en dat armoede en inflatie een essentiële rol spelen: “Criminele uitbuiting heeft natuurlijk veel verschillende oorzaken. Maar ik denk dat de armoede, die in de maatschappij op dit moment ook heel erg speelt… De inflatie
| 21
is onwijs hoog, gezinnen hebben het steeds krapper. Er zijn natuurlijk ook veel jongeren die alleen met een moeder opgroeien. Moeder moet al keihard werken, moeder kan daardoor verminderd toezicht bieden. Maar je ziet ook wel vaak dat jongeren zich dan heel erg schuldig voelen naar deze ouder, en op hun manier een steentje bij willen dragen. En dan eens een keer een klusje doen, maar vervolgens ergens heel erg in verzeild raken. Dus het probleem is natuurlijk ook gewoon heel groot in de maatschappij, omdat we zien dat mensen hun hoofd niet meer boven water kunnen houden.” (Jeugdbescherming) Daarentegen zeggen sommige stakeholders dat er niet meer criminele uitbuiting is bij jongeren die in armoede leven, maar dat de signalen bij die jongeren het meeste opvallen: “Als iemand met alleen maar dure kleding bijvoorbeeld op school rondloopt, maar als er gesprekken zijn met de ouders dat ze dan horen dat de ouders bijvoorbeeld in de schuldsanering zitten of een bijstandsuitkering hebben, dan valt het op.” (Gemeente) “Ik zie bijna geen verschil meer tussen een jongere uit eenoudergezinnen en vanuit een armoedeomgeving en jongeren vanuit wat rijkere gezinnen of soms wel wat nog rijkere gezinnen met twee ouders die heel veel werken […] en dat er daardoor weinig tijd is voor de kinderen.
Ik denk dat in allebei de gevallen het zoeken is naar liefde, vaderfiguur, kameraadschap en dat is op straat dan te vinden, want thuis is het niet.” (Openbare orde en veiligheid)
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 22
3.4 Relatie slachtoffer en pleger54 Relatie slachtoffer en pleger. Meer dan de helft van de scholen ziet vooral dat pleger en slachtoffer elkaar kennen vanuit de wijk (55%; Figuur 13).55 Vervolgens noemen twee basisscholen en zeven middelbare scholen dat pleger en slachtoffer tot dezelfde vriendengroep behoren. Vijf middelbare scholen benoemen dat pleger en slachtoffer beide leerlingen zijn (geweest) op school. Laatstgenoemde wordt niet gerapporteerd door basisscholen.
Figuur 14. Stelling “De criminelen die leerlingen dwingen tot het plegen van criminaliteit zijn goed georganiseerde (jeugd)netwerken.”
Samenwerking tussen plegers. De resultaten laten zien dat een deel van de plegers goed georganiseerd is en samenwerkt bij het crimineel uitbuiten van anderen. Bijna een op de drie scholen is het eens met deze stelling (Figuur 14). Figuur 13. Heeft u een vermoeden over wie de mogelijke plegers zijn bij de vermoedens van criminele uitbuiting?
Scholen aan het woord Drie scholen onderstrepen de bevinding dat slachtoffers en plegers veelal bekenden van elkaar zijn. Zo spreken de scholen over oudere invloedrijke jongens met status en aanzien in de wijk, op school, binnen een vriendengroep of familie. Bij gebrek aan (andere) rolmodellen, bieden deze jongens (kwetsbare) kinderen de illusie van een sociaal vangnet, toekomstperspectief, status en (snel) geld verdienen56. “Ze gaan luisteren naar die vrienden die het zogenaamd gemaakt hebben. Maar die vrienden vertellen nooit van hoe vaak ze in de gevangenis hebben gezeten, hoe vaak ze in de problemen zijn gekomen. Dat wordt niet verteld, ze horen alleen maar de mooie verhalen en dan gaan ze dat ook doen. Gaan ze die richting op. We hebben jongens hier gekregen met enkelbanden toch? Echt waar dat is schrijnend eigenlijk.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Tot slot wordt door een school nog gesproken over de aanwezigheid van criminele jeugdgroepen in de wijk. De school legt uit dat aansluiten bij een groep niet altijd een vrijwillige keuze is: 54
Pleger verwijst in dit rapport naar de persoon die het slachtoffer dwingt tot het plegen van strafbare feiten en de opbrengsten hiervan (grotendeels) moet afstaan aan zijn of haar uitbuiter(s).
55
Totaal n=31, 55% staat gelijk aan n=17.
56
Zie ook §3.2.1 Scholen aan het woord (aard van criminele uitbuiting).
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
“Veel van die jongens die groeien op in een bepaalde wijk waar een bepaalde jeugdbende of groep aan vastzit, waar ze dan... Ja, je gaat of mee in die groep en je wordt één van hen, of je werkt niet mee en je wordt slachtoffer van die groep.“ (Voortgezet speciaal onderwijs A) Stakeholders aan het woord Uit de interviews met stakeholders komt weinig informatie naar voren over de relatie tussen slachtoffers en plegers. Stakeholders beamen dat plegers van criminele uitbuiting voornamelijk jongens uit de wijk zijn. Zoals eerder benoemd, maken deze plegers volgens stakeholders misbruik van de behoefte van slachtoffers aan vriendschap en een sociaal vangnet.57 (zie paragraaf 3.2.2).
3.5 Resumé Iets meer dan een kwart van de basisscholen en bijna twee derde van de middelbare scholen maakten zich in de periode van juli 2020 tot juli 2022 zorgen over criminele uitbuiting van een of meer leerlingen. Zorgen kwamen in alle stadsgebieden en binnen alle vormen van het onderwijs voor. Van deze scholen zagen de meesten meerdere slachtoffers in twee jaar tijd. De meeste scholen zagen geen toename in het aantal slachtoffers. Desondanks noemen meerdere scholen dat zorgen wel zijn toegenomen. Ten tijde van het uitvoeren van de eerste fase van het onderzoek, tussen 10 mei en 15 juli 2022, bestonden alleen al over 65 leerlingen zorgen dat zij crimineel werden uitgebuit. Grote verschillen lijken te bestaan tussen scholen waar criminele uitbuiting zelden tot niet wordt waargenomen en scholen die zich structureel en in grote mate zorgen maken over criminele uitbuiting van leerlingen. Geïnterviewde scholen en stakeholders noemen dat niet de omvang maar wel de ernst van de delicten waartoe jongeren gedwongen worden toeneemt. Drugscriminaliteit, diefstal en geweldpleging worden het meest genoemd. Vaak, maar niet uitsluitend, gaat het om zeer kwetsbare kinderen die op subtiele wijze geronseld worden door oudere invloedrijke jongens met status en aanzien in de wijk, op school, binnen een vriendengroep of familie.
Bij gebrek aan andere rolmodellen, bieden deze jongens (kwetsbare) kinderen de illusie van een sociaal vangnet, toekomstperspectief, status en snel geld verdienen. In de interviews worden door enkele scholen en stakeholders grote zorgen geuit over hoe armoede en
57
Zie ook §3.2.2 Stakeholders aan het woord (aard van criminele uitbuiting).
| 23
kansenongelijkheid in een aantal wijken de voedingsbodem vormen van de problematiek. Tegelijkertijd wordt ook duidelijk dat slachtoffers niet alleen wonen in de meest kwetsbare wijken van Rotterdam en niet alleen leerling zijn binnen het speciaal onderwijs. Criminele uitbuiting lijkt daarmee in iedere wijk en op elke school voor te (kunnen) komen.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 24
4. AANPAK Hoofdstuk 4 gaat in op deelvragen 2 en 3 van dit onderzoek: Deelvraag 2) Hoe wordt de aanpak van criminele uitbuiting volgens onderwijsprofessionals die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op hun schoollocatie vormgegeven en welke uitdagingen en kansen worden hierbij ervaren?
Figuur 15. Wordt er op dit moment binnen uw school, aan de leerlingen zelf, voorlichting gegeven specifiek gericht op criminele uitbuiting?
Deelvraag 3) Wat zijn volgens externe stakeholders, die betrokken zijn bij het onderwerp preventie en veiligheid op basis- en middelbare scholen in Rotterdam, de uitdagingen en kansen bij de aanpak van criminele uitbuiting op en rondom onderwijsinstellingen? Het hoofdstuk vangt aan met aandacht voor en kennis over criminele uitbuiting (§4.1), gevolgd door hoe scholen en externe professionals omgaan met signalen van criminele uitbuiting (§4.2) en tot slot de uitdagingen en kansen in de aanpak van criminele uitbuiting (§4.3). Paragrafen 4.1 en 4.2 behandelen de resultaten voortkomend uit de vragenlijst (fase 1), gevolgd door het beeld dat ontstaat vanuit de vijf interviews met scholen (fase 2) en het beeld dat ontstaat vanuit de vijftien interviews met externe stakeholders die betrokken zijn bij het onderwerp preventie en veiligheid op basis- en middelbare scholen in Rotterdam (fase 3). In paragraaf 4.3 wordt ingegaan op de uitdagingen en kansen die door onderwijsprofessionals en externe stakeholders in de aanpak van criminele uitbuiting worden ervaren. Dit paragraaf behandeld de resultaten voortkomend uit de interviews met scholen en externe stakeholders (fase 2 en 3).
4.1 Aandacht voor en kennis over criminele uitbuiting op school • Voorlichting aan leerlingen. Op meer dan de helft van de middelbare scholen wordt voorlichting gegeven aan leerlingen over criminele uitbuiting (56%; Figuur 15).58 Vaker dan basisscholen spreken middelbare scholen over structurele voorlichting. Van de basisscholen benoemt minder dan de helft dat voorlichting gegeven wordt aan leerlingen (34%).59 Dit betreft in de meeste gevallen incidentele voorlichting.
58
Totaal n=27, 56% staat gelijk aan n=15.
59
Totaal n=44, 34% staat gelijk aan n=15.
• Training aan onderwijsprofessionals. Op de meeste scholen worden medewerkers niet getraind op het herkennen van signalen van mensenhandel en criminele uitbuiting (82%; Figuur 16).60 Vijf van de 44 basisscholen (11%) en acht van de 29 middelbare scholen (30%) benoemen dat medewerkers worden getraind op het herkennen van signalen van mensenhandel. Op slechts twee basisscholen (5%)61 en zes middelbare scholen (23%)62 is specifieke aandacht voor criminele uitbuiting in de vorm van een training. Op een school na gaat het in alle gevallen over incidentele training. Training lijkt bij te dragen aan het herkennen van signalen van mensenhandel: 77% van de scholen waar medewerkers zijn getraind op het herkennen van signalen van mensenhandel hebben in de afgelopen twee jaar zorgen gehad over criminele uitbuiting van een of meer leerlingen, tegenover 30% van de scholen waar medewerkers niet getraind worden.63 Daarnaast zijn in de afgelopen twee jaar op alle acht scholen waar specifiek aandacht is geweest voor criminele uitbuiting in de vorm van een training, zorgen geweest over criminele uitbuiting van leerlingen.
60
Totaal n=71, 82% staat gelijk aan n=58.
61
Totaal n=41, 5% staat gelijk aan n=2.
62
Totaal n=26, 23% staat gelijk aan n=6.
63
10 van 13 scholen met training hadden zorgen, 17 van 56 scholen zonder training hadden zorgen. Fisher’s Exact toets p < 0,01
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
• Herkennen signalen van criminele uitbuiting. De minderheid, slechts 19% van de scholen, denkt een slachtoffer van criminele uitbuiting onder leerlingen te kunnen herkennen (Figuur 17).64 • Aandacht voor criminele uitbuiting. 81% van de middelbare scholen65 en iets meer dan de helft van de basisscholen (53%)66 vindt het belangrijk dat criminele uitbuiting meer aandacht krijgt op school dan nu het geval is. (Figuur 18). • Maatregelen om te voorkomen dat leerlingen worden geronseld. De grootste groep basisscholen is het niet eens maar ook niet oneens met de stelling dat voldoende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat leerlingen worden geronseld door criminelen (56%; Figuur 19).67 Onder de middelbare scholen benoemt de grootste groep dat er voldoende maatregelen genomen worden (44%).68 Desondanks benoemt iets meer dan een kwart van de middelbare scholen dat nog niet voldoende gedaan wordt om het ronselen van leerlingen te voorkomen (28%).69
| 25
Figuur 17. Stelling “Ik denk een slachtoffer van criminele uitbuiting onder leerlingen te kunnen herkennen.”
Figuur 16. Worden medewerkers binnen uw school getraind op het herkennen van signalen van mensenhandel? Figuur 18. Stelling “Ik vind het belangrijk dat criminele uitbuiting meer aandacht krijgt op school.”
64
Totaal n=69, 19% staat gelijk aan n=13.
65
Totaal n=26, 81% staat gelijk aan n=21.
66
Totaal n=43, 53% staat gelijk aan n=23.
67
Totaal n=43, 56% staat gelijk aan n=24.
68
Totaal n=25, 44% staat gelijk aan n=11.
69
Totaal n=25, 28% staat gelijk aan n=7.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 26 Figuur 19. Stelling “Op de school waar ik werk worden voldoende maatregelen genomen om te voorkomen dat leerlingen worden geronseld.”
door ervaringsdeskundigen die de situatie en angst van de jongeren kennen en hierover met jongeren het gesprek kunnen aangaan. Ten tweede wordt voor het versterken van de aandacht voor criminele uitbuiting in de interviews ook gewezen op het openlijk bespreekbaar maken van de problematiek in en rondom de school. Volgens enkele scholen wordt de problematiek weggeprioriteerd door de hoge werkdruk onder docenten en uit angst voor aantasting van het imago van de school. Een respondent vertelt waarom deze problematiek geen prioriteit krijgt: “Zolang ik afgerekend word op mijn examenresultaten en de doorstromingscijfers, weet ik het niet hoor. Ja, dat is gewoon voor een school heel belangrijk, dat die kinderen een diploma halen, dat ze doorstromen, dat ze niet blijven hangen. Ja, we blijven toch ook een school” (Voortgezet onderwijs combinatie vmbo, havo, vwo en gymnasium)
Scholen aan het woord Het beeld dat uit de vragenlijst en interviews ontstaat, is dat scholen onvoldoende bekend zijn met criminele uitbuiting en zich onvoldoende realiseren dat criminele uitbuiting in iedere wijk en op elke school kan voorkomen. “Maar criminele uitbuiting, ik denk dat heel veel docenten denken…’Dat speelt hier niet’.” (Voortgezet onderwijs combinatie vmbo, havo, vwo en gymnasium) Allereerst komt uit de interviews naar voren dat op de scholen aandacht wordt besteed aan het vergroten van kennis en bewustzijn bij leerlingen en onderwijsprofessionals over thema’s rondom veiligheid, zoals burgerschapsvorming, straatcultuur, sociale media en criminaliteit met voorlichting en training. Het beeld dat ontstaat, is dat er een gevarieerd aanbod is aan voorlichtingsmogelijkheden en trainingsmateriaal met aandacht voor aan criminele uitbuiting gerelateerde onderwerpen. Ook uit de interviews blijkt dat nog niet op alle scholen voorlichting gegeven wordt over criminele uitbuiting. De scholen geven aan dat daar wel behoefte aan is. Voorlichting zou scholen kunnen ondersteunen bij het vergroten van kennis, daarmee ook het signaleren van de problematiek en het doorgeleiden van slachtoffers naar de plek waar expertise aanwezig is om slachtoffers passend te kunnen helpen.
De scholen verlangen hierbij naar informatie over wat de signalen zijn, wat signalen betekenen en hoe daarop te handelen. De voorkeur wordt geuit voor voorlichting op het onderwerp (criminele uitbuiting) en aan het onderwerp gerelateerde problematiek (waaronder criminaliteit en eigen regie), door experts uit het werkveld en uit de wijk, en
Ook kan het beschermen van leerlingen tegen criminele uitbuiting vragen om veel tijd en inzet. Deze taken komen naast de primaire taak van scholen, namelijk onderwijs bieden, waardoor scholen hier niet de capaciteit voor hebben: “Al onze medewerkers, iedereen die in onze school rondloopt die hebben echt gewoon hart voor die leerlingen hè. Ze zitten in je hart, ze zitten onder je huid en wij hebben een oorverdovend vertrouwen erin dat zij in staat zijn ook goede keuzes te maken. Of ze nou wel of niet al in het criminele circuit zitten, ze hebben gewoon iemand nodig die in ze gelooft. En dat is waarom wij denk ik heel veel stappen extra zetten maar je zou kunnen zien dat dat ook een soort vrijwilligerswerk is. Hè hoort het nou helemaal bij je taak? Nee eigenlijk niet. Maar als je daar niet aan voldoet dan kun je geen onderwijs bieden.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Laatstgenoemde is volgens twee scholen dan ook een van de redenen dat er onvoldoende aandacht is voor criminele uitbuiting op scholen. Dit terwijl een succesvolle aanpak van de problematiek volgens deze scholen begint met erkenning. Het openlijk bespreekbaar maken van criminele uitbuiting zou bij kunnen dragen aan het vergroten van aandacht voor de problematiek en het creëren van bewustzijn.
Daarmee ook aan het versterken van vroegtijdige signalering van slachtoffers en het ontwikkelen van een aanpak die niet alleen past bij de behoeften van slachtoffers, maar ook aansluit bij de behoeften van scholen.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
Stakeholders aan het woord Stakeholders bieden een extern beeld van de huidige aanpak van criminele uitbuiting op scholen. Trainingen voor leerkrachten of leerlingen worden door stakeholders niet benoemd. Desondanks blijkt uit de interviews dat stakeholders een grote rol voor scholen zien in de signalering van criminele uitbuiting: “Ja signaleren, dat is zo verschrikkelijk belangrijk, want vaak [is school] één van de plekken waar het eerst signalen boven komen drijven. Nog voordat iemand in aanraking komt met justitie, is er vaak al heel veel gebeurd waar niemand weet van heeft. Maar vaak zijn op school wel de eerste tekenen te zien denk ik, ook in de vorm van uitval maar ook jongeren onderling, wat daar gebeurt, hoe ze met elkaar omgaan in de klas, wat daar speelt. Want als daar iets speelt, die heeft ruzie met die en er wordt afgesproken na schooltijd, dat gebeurt ook op school. Dus ik denk dat daar een hele belangrijke signalerende functie is, zelfs al op basisscholen. “ (Jeugdhulpverlening) Deze signaleringsfunctie ligt volgens de stakeholders voornamelijk bij leerkrachten, aangezien zij de leerlingen dagelijks zien. De stakeholders denken dat er wel regelmatig signalen worden gemist. Op de vraag of er op scholen voldoende aandacht is voor criminele uitbuiting, antwoorden stakeholders dat dit nog onvoldoende het geval is.
| 27
Figuur 20. Stelling “Ik weet precies wat ik moet doen wanneer ik vermoed dat een leerling slachtoffer is van criminele uitbuiting.”
• Werkafspraken. Iets meer dan de helft van de middelbare scholen benoemt dat er specifieke werkafspraken bestaan omtrent het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting (56%; Figuur 21).72 Voor de basisscholen geldt dat op bijna een derde van de scholen dergelijke werkafspraken bestaan (32%).73 Minder dan de helft van de scholen benoemt dat de werkafspraken over hoe om te gaan met signalen van criminele uitbuiting duidelijk zijn (Figuur 22). Het gaat om zeven basisscholen (17%)74 en elf middelbare scholen (42%).75 Figuur 21. Werkafspraken voor het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting
4.2 Omgaan met signalen van criminele uitbuiting • Handelen bij vermoedens. Minder dan een derde van de basisscholen weet precies wat te doen bij een vermoeden dat een leerling slachtoffer is van criminele uitbuiting (30%) (Figuur 20).70 Van de middelbare scholen noemt iets meer dan de helft te weten wat te doen bij dergelijke vermoedens (58%).71
72
Totaal n=27, 56% staat gelijk aan n=15.
73
Totaal n=44, 32% staat gelijk aan n=14.
70
Totaal n=43, 30% staat gelijk aan n=13.
74
Totaal n=42, 17% staat gelijk aan n=7.
71
Totaal n=26, 58% staat gelijk aan n=15.
75
Totaal n=26, 42% staat gelijk aan n=11.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 28 Figuur 22. Stelling “Op onze school zijn duidelijke afspraken over hoe om te gaan met signalen van criminele uitbuiting.”
werkafspraken bestaan over het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting, dan wanneer er geen werkafspraken bestaan op school. Zonder werkafspraken gaat het gemiddeld om contact met één organisatie, met werkafspraken hadden scholen gemiddeld contact met vier andere organisaties. Figuur 24. Afgelopen twee jaar contact opgenomen bij vermoedens van criminele uitbuiting (meerdere antwoorden mogelijk)
Figuur 23. Melding van criminele uitbuiting door scholen
• Contact. De meeste scholen met vermoedens van criminele uitbuiting benoemen in de afgelopen twee jaar contact opgenomen te hebben met iemand van een andere organisatie, of met iemand binnen de school, naar aanleiding van vermoedens van criminele uitbuiting van leerlingen (83%; Figuur 24).76 Het meest genoemd is de politie of het wijkteam. Basisscholen met zorgen over criminele uitbuiting hebben gemiddeld met een tot twee personen contact gehad over deze zorgen en middelbare scholen gemiddeld met drie tot vier. Verder valt het op dat er meer contact is geweest met derden wanneer op de school
76
Totaal n=29, 83% staat gelijk aan n=24.
• Melding. Minder dan de helft van de scholen met vermoedens over criminele uitbuiting benoemt in de afgelopen twee jaar melding gemaakt te hebben van vermoedens (Figuur 23). Het gaat om twee van de twaalf basisscholen en acht van de zeventien middelbare scholen. Verschillende instanties worden genoemd. Beide basisscholen benoemen vermoedens gemeld te hebben bij de politie of wijkagent. Eén basisschool benoemt aanvullend ook melding gedaan te hebben bij het wijkteam. Van de acht middelbare scholen benoemen vijf scholen melding gedaan te hebben bij de wijkagent of politie. Van die vijf scholen heeft één middelbare school tevens gemeld bij Veilig Thuis en één bij jeugdbescherming en het wijkteam. De overige drie middelbare scholen specificeren niet waar zij hun vermoedens gemeld hebben.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
Scholen aan het woord De scholen onderstrepen dat zij verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van leerlingen op school. Uit de interviews komt naar voren hoe scholen op eigen wijze vorm geven aan het veiligheidsbeleid. Op alle geïnterviewde scholen lijkt een veiligheidsplan te bestaan. Hieronder vallen werkafspraken, beslisbomen en protocollen over hoe de scholen omgaan met zorgen over sociale, psychische en fysieke veiligheid en incidenten. Ook wordt op scholen voorlichting en training gegeven over specifieke thema’s rondom veiligheid. De aanpak van criminele uitbuiting is volgens de scholen nog geen onderwerp dat specifiek op de agenda staat: niet in het veiligheidsplan en ook niet in voorlichting en training. Wanneer gevraagd wordt naar de handelswijze bij signalen van criminele uitbuiting, spreken scholen over beslisbomen en veiligheidsprotocollen voor veiligheid en aan veiligheid verwante onderwerpen. Scholen zijn hierbij eensgezind dat bij zorgen of signalen zo vroeg mogelijk het gesprek aangegaan moet worden met de leerling en diens ouder(s). Verder ervaren de geïnterviewde scholen voldoende mogelijkheden om signalen en zorgen intern te delen binnen het team en met degenen die op school verantwoordelijk zijn voor de zorg en veiligheid van leerlingen. “De afspraak is eigenlijk: deel met elkaar de informatie.
En hou in de gaten als er onrust is.” (Voortgezet onderwijs combinatie vmbo, havo, vwo en gymnasium)
| 29
hé, in jouw wijk zit deze leerling van die school, hou jij het even in de gaten. Is daar dan uiteindelijk al hulpverlening bij betrokken, dan krijgen wij van [de jongerencoaches] weer signalen terug van de straat die wij weer in ons gesprek met hulpverlening kunnen terugkoppelen. Dus in die zin hebben we echt die samenwerking ook wel nodig met alle disciplines.” (Voortgezet speciaal onderwijs A) Twee andere scholen geven aan dat op dit moment laagdrempelig contact gelegd wordt met jongerenwerk of de wijk- jeugdagent bij incidenten: “Als wij bellen hebben we ze binnen een uur in de school.” (Scholengroep) Deze scholen benoemen tegelijkertijd ook behoefte te hebben aan meer preventieve aanwezigheid en betrokkenheid van de wijk- jeugdagent of jongerenwerk op school. Tot slot wordt ook laagdrempelig contact tussen scholen, waarbij scholen zorgen met elkaar delen, als zeer belangrijk gezien. “Het gaat echt over: ‘wat voor signalen neem je nu waar bij jou op school.’ En je kijkt: ‘speelt dat bij jullie ook, of niet?’ Er zijn signalen die in de wijken rondgaan.
[…] Waarin je eigenlijk wilt horen van je collega-scholen: ‘is het nou alleen bij mij op school, of hebben jullie dat ook?’ En tegelijkertijd denk ik dan ook: ‘’speelt het ook in de wijken zelf?’ Dus daar heb je [jongerenwerk en welzijnsorganisaties uit het hart van de wijk] voor nodig.” (Voortgezet onderwijs combinatie vmbo, havo, vwo en gymnasium)
Extern wordt bij zorgen over criminaliteit vooral gezocht naar korte lijnen, nauw contact en samenwerking met de wijk- jeugdagent en jongerenwerk. De wijk-jeugdagent en het jongerenwerk vormen voor scholen veelal het eerste externe contact bij zorgen over veiligheid en criminaliteit. Iedere school geeft aan op een eigen manier vorm te geven aan deze samenwerking. De samenwerking met de wijk-jeugdagent en jongerenwerk wordt als zeer waardevol beschouwd. Bij een paar scholen is jongerenwerk of de wijkagent structureel, meerdere keren per week, aanwezig op school en in de pauzes, waardoor een beter en completer beeld ontstaat over de leerlingen en eventuele risico’s op criminele uitbuiting:
Ter illustratie wordt onder meer gesproken over het veilig op school overleg en over een aantal scholen die deel uitmaken van een groepsapp:
“Je moet samenwerken wil je het complete plaatje hebben en dat vind ik het hele grote voordeel van jongerenwerk [op school aanwezig] hebben. Wij zijn de ogen en de oren op school en zij zijn het op straat. Als ik het vermoeden heb dat een leerling met verkeerde dingen bezig is, dan sein ik mijn jongerencoach in, die seinen onderling met hun collega’s van
“Dan hebben we het er met elkaar over: heb jij dat, heb jij dat? En hoe gaan jullie ermee om? Dus dan bespreken we dat. En zo hebben we allemaal onze voorbeelden die we dan bespreken. En dan leren we van elkaar. […] Op het moment dat er iets speelt, dan delen we dat in de groep.” (Voortgezet onderwijs combinatie vmbo, havo, vwo en gymnasium)
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 30
In de aanpak zien scholen voor zichzelf bovenal een signalerende functie en benadrukken dat de casuïstiek, zeker bij zeer kwetsbare leerlingen, complex is. Zo ook het bieden van passende hulp. Criminele uitbuiting is vaak niet het enige probleem dat speelt en vaak is al veel hulpverlening aanwezig in het leven van het kind. “Het is niet dat we kant en klaar kunnen zeggen van hé, we hebben hier een leerling en die wordt crimineel uitgebuit, of hij buit anderen crimineel uit. Vaak is het ook niet het enige probleem. Het is nooit een op zich zelf staand iets.” (Voortgezet speciaal onderwijs A) Stakeholders aan het woord Stakeholders spreken over verschillende partijen waar scholen terecht kunnen wanneer zij criminele uitbuiting signaleren. Het valt op dat de stakeholders hierbij verschillende organisaties benoemen van het zorgdomein, veiligheidsdomein of openbare orde. Een stakeholder uit de jeugdbescherming geeft aan dat er dagelijks contact is met scholen die informatie opvragen, signalen melden of om hulp vragen. Toch komt het thema criminele uitbuiting daar nog weinig naar voren:
“Ik denk echt dat het nog een onderwerp is wat we nog veel te weinig zien. Dat we vaak wel jongeren met bepaalde problematiek binnenkrijgen, waarbij we zien dat er óf sprake is van schooluitval of uitval in de thuissituatie, maar dat eigenlijk het woord ’criminele uitbuiting’ niet per se het eerste signaal is wat gemeld wordt. Wat we wel merken, is: naarmate we dan wat langer in een casus betrokken zijn dat dit iets is wat genoemd wordt. Maar nog steeds denk ik dat het echt iets is wat veel te weinig bij ons terechtkomt.” (Jeugdbescherming) Scholen melden signalen volgens stakeholders nog onvoldoende. Ten eerste hebben scholen, zoals eerder benoemd, vaak geen concreet bewijs van criminele uitbuiting maar gaat het voornamelijk om vermoedens. Volgens stakeholders is het voor scholen onduidelijk waar ze met deze onderbuikgevoelens terecht kunnen: “Ook wel de onwetendheid waar ze dat kunnen melden, waar ze om advies kunnen vragen. Ja, ze kunnen naar Veilig Thuis, maar ja, als die zeggen: ‘met een onderbuikgevoel kunnen we niet zoveel’. Dus misschien hebben ze ook niet helemaal het idee van waar kunnen we met dit soort casussen terecht?” (Gemeente) Daarnaast nemen scholen volgens stakeholders nog te weinig contact op met Humanitas wanneer zij zorgen hebben over criminele uitbuiting van leerlingen.
“Het expertisecentrum van Humanitas, dat is natuurlijk een hele belangrijke voor scholen. Omdat, daar kunnen ze helemaal heel vrijblijvend een casus bespreken. En daar zit ook de expertise. Zij hebben natuurlijk ook de lijntjes met de AVIM. Dus ja, ik denk dat dat expertisecentrum ook heel groot gemaakt moet worden. En dat scholen echt moeten weten dat ze daar eigenlijk met elk signaal of vermoeden al contact kunnen zoeken.” (Jeugdbescherming)
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
4.3 Uitdagingen en kansen in de signalering en aanpak van criminele uitbuiting In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitdagingen en kansen die door onderwijsprofessionals en externe stakeholders in de aanpak van criminele uitbuiting worden ervaren. Deze resultaten komen voort uit een thematische analyse van de interviews met scholen en externe stakeholders. Uit deze analyses komen vier thema’s omtrent de uitdagingen in de aanpak van criminele uitbuiting naar voren: 1) bewustwording en kennis van criminele uitbuiting, 2) erkenning van het probleem, 3) samenwerking tussen scholen, stakeholders en gemeente en 4) toekomstperspectief voor kwetsbare kinderen en jongeren en 5) een passend hulpaanbod voor slachtoffers. 4.3.1 Bewustwording en kennis van criminele uitbuiting Allereerst lijkt er te weinig bewustzijn van criminele uitbuiting te zijn. Scholen, betrokken stakeholders, ouders en kinderen hebben nog onvoldoende kennis van wat criminele uitbuiting inhoudt, alsmede de omvang van het probleem. Daarnaast wordt nog onvoldoende gerealiseerd dat criminele uitbuiting in iedere wijk en op elke school kan voorkomen. Mede hierdoor geldt dat er grote verschillen bestaan tussen scholen over hoe zij met de problematiek omgaan. Dit leidt ertoe dat sommige scholen onvoldoende aandacht voor criminele uitbuiting van leerlingen hebben, terwijl hier op andere scholen wel veel aandacht voor is.
Ook wordt volgens een aantal geïnterviewde scholen en stakeholders criminele uitbuiting nog te weinig herkend door scholen en ouders wanneer jongeren probleemgedrag vertonen. Naast weinig bewustzijn, benoemen scholen en stakeholders een aantal factoren die signalering moeilijk maken. Zo komt dit onder meer doordat dwang moeilijk te herkennen is, waardoor crimineel gedrag moeilijk te onderscheiden is van criminele uitbuiting. Ook kunnen, durven of willen de slachtoffers niet praten over de situatie waarin zij vastzitten. “Vooral het niet willen praten. Hem alle kansen bieden op een beter… tenminste op herstel op school en hulp, maar het gewoon ja je mond dichthouden en angst voor wat er gebeurt. ‘Ja ik ga echt niet praten dat kan echt niet, mevrouw u weet niet wat er dan gebeurt.’ En verder dan dat gaat het niet.” (Scholengroep) Daarnaast moeten scholen vaak al veel aandacht hebben voor veiligheid en signalering van andere soorten complexe problematiek. Als laatste wordt genoemd dat de signalen van criminele uitbuiting niet uniek zijn en ook op andere soorten problematiek kunnen wijzen, waardoor het voor scholen niet altijd mogelijk is om criminele uitbuiting vast te stellen. Zo
| 31
kunnen aan verzuim en slechte schoolprestaties vele andere problemen ten grondslag liggen. Zowel scholen als stakeholders zien voor de scholen bovenal een signalerende rol weggelegd. Om een signalerende rol te kunnen vervullen, is het van belang dat scholen zich bewust zijn van de problematiek, aandacht en kennis hebben over de signalen, en weten wie zij bij signalen moeten inschakelen: “Het zou goed zijn als in ieder geval wij bewust gemaakt worden van dit verhaal, dus van wat er kan spelen, dat je een aantal basissignalen zoals ik dat bij jullie las in ieder geval als leerkracht kunt herkennen en dat ook dan doorgeeft aan ons want wij kunnen het verder sluizen of aan de zorgcoördinator. Dat zou prima zijn denk ik. Het zijn geen zorgverleners, het zijn docenten.” (Scholengroep) Dat er nog onvoldoende bewustzijn is, blijkt ook uit het de bevinding dat het thema criminele uitbuiting volgens scholen en stakeholders nog niet geborgd is binnen het bestaande schoolprogramma. “Het zou eigenlijk een verplicht onderwerp zijn van: pesten tot mensenhandel. Dat je dat in de maatschappijleer kan integreren in een school. Want het is nu inderdaad een keuze om er wat mee te doen.” (Jeugdhulpverlening) Uit het onderzoek blijkt dat scholen een belangrijke signaleringsfunctie vervullen. Tegelijkertijd worden slachtoffers nog onvoldoende als zodanig herkend.
Het is om die reden van belang om het bewustzijn over criminele uitbuiting op scholen te vergroten en deskundigheid te bevorderen, zodat slachtoffers gezien worden en scholen inzicht krijgen in de mogelijkheden met betrekking tot hulp en bescherming. Volgens de resultaten liggen nog onbenutte kansen op het gebied van structurele voorlichting aan onderwijsprofessionals, stakeholders, leerlingen en ouders. 4.3.2 Erkenning van het probleem Evenwel is volgens een aantal scholen en stakeholders enkel voorlichting ontoereikend voor het vergroten van bewustzijn. Het probleem moet door scholen, betrokken stakeholders, ouders en de gemeente ook worden erkend. Om jongeren hun verhaal te laten durven, willen en kunnen delen, is het essentieel dat de problematiek in, rondom en tussen scholen openlijk bespreekbaar wordt gemaakt, en dat scholen investeren in het opbouwen van een laagdrempelige vertrouwensrelatie met leerlingen en elkaar:
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 32
“Ik denk dat het daarom ook binnen onze school leeft. Wij veroordelen ze niet. En ze kunnen hier zeggen van, ja mevrouw, ik heb iets stoms gedaan, en ik weet nu niet meer hoe ik dat kan oplossen. En ja, weet je, soms komen ze vast te zitten, maar ook dan blijven we ze steunen. Moeten er schoolboeken heen? Gaan er schoolboeken heen. Vaak ga ik ze zelf brengen, zodat ik ze ook daar nog even zie. Ze mogen bellen vanuit de jeugdgevangenis. We blijven in contact en we laten ze niet vallen. En komen ze dan vrij en vaak is het ook gewoon maar een paar dagen hè, gedurende het onderzoek, noem het dan maar op. Daarna keren ze gewoon terug en ze zijn voor ons nog steeds gewoon diezelfde leerling, wat wel maakt dat ze zich dusdanig veilig voelen om te kunnen uiten zeg maar... [...] Daardoor hebben wij wel dat onze leerlingen hier ondanks alle shit en ellende elke dag zijn.” (Voortgezet speciaal onderwijs A) Tegelijkertijd laten de interviews ook zien dat juist het bespreekbaar maken van de problematiek gevoelig ligt bij scholen. Op dit moment lijkt de problematiek op een deel van de scholen weggeprioriteerd te worden door de hoge werkdruk onder docenten, maar ook uit angst voor aantasting van het imago van de school. Scholen benoemen aangekeken te worden op incidenten en zijn hierdoor bang dat structurele aandacht voor criminele uitbuiting hun school onveilig laat lijken.
Stakeholders benadrukken dat op dit moment vooral aandacht is voor het thema als er een incident is geweest. Er is volgens twee scholen binnen het onderwijs nog onvoldoende structurele aandacht voor criminele uitbuiting. Een succesvolle aanpak begint volgens deze scholen met erkenning: “Iedereen wil natuurlijk z’n leerlingenaantal omhoog houden. Het werkt gewoon zo dat je leerlingen erop verliest op het moment dat je natuurlijk gaat erkennen van ja, wij hebben criminaliteit binnen, of wij hebben te maken met jeugdbendes. Ik snap het. Zo is hoe het helaas werkt, maar daardoor denk ik dat je voor jezelf de plank misslaat omdat je dus ook niet met het probleem bezig bent. Het is een beetje struisvogelpolitiek weet je wel, je steekt je kop in het zand en het is er niet maar onder je neus gebeurt er van alles.” (Voortgezet speciaal onderwijs A)
“Ben je bij zo’n congres over criminaliteit in De Kuip, dan staat iedereen een mooi praatje te houden en: ‘oh, gelukkig hebben wij dat niet op school’. Dan denk ik: ja, als je de krantenkoppen erop naast leest, dan is bij jullie allemaal al een steekincident geweest. (...) Dan denk ik: ja, heb je het niet? Nee, oké, ja, het is dan toevallig voor je deur gebeurd en niet binnen je school. Dan denk ik: ja, met wel jouw leerlingen.” (Voortgezet speciaal onderwijs A) Erkenning reikt de hand naar slachtoffers. Om de aanpak op en rondom scholen te versterken, is een mentaliteitsomslag nodig. Het is belangrijk dat criminele uitbuiting door scholen en betrokken stakeholders gezamenlijk wordt erkend en dat scholen samen optrekken, aangemoedigd en gefaciliteerd worden om met elkaar in openheid deze problematiek aan te pakken. Hierbij is het essentieel dat de problematiek in, rondom en tussen scholen openlijk bespreekbaar wordt gemaakt, dat signalen, waar mogelijk, worden gedeeld en dat scholen investeren in het opbouwen van een laagdrempelige vertrouwensrelatie met leerlingen, stakeholders en andere scholen. 4.3.3 Samenwerking tussen scholen, stakeholders en gemeente De aanpak van criminele uitbuiting op scholen wordt verder beïnvloed door de samenwerking met en tussen het zorgdomein en het veiligheidsdomein.
Hoewel scholen een belangrijke rol hebben in de signalering van criminele uitbuiting, wordt door zowel scholen als stakeholders benadrukt dat criminele uitbuiting voor een groot deel op straat plaatsvindt en dat scholen onvoldoende zicht hebben op wat er buiten schooltijd gebeurd. Scholen hebben hierdoor geen volledig beeld van de problematiek. Om dit zicht te vergroten, zouden signalen van verschillende partijen aan elkaar gekoppeld moeten worden. Stakeholders wijzen echter op de beperkingen die de nieuwe AVG-wetgeving legt op de informatieoverdracht tussen partijen. Stakeholders vanuit alle domeinen benoemen dat er sinds de ingang van de AVG-wet terughoudendheid is ontstaan in de informatie-uitwisseling over vermoedelijke slachtoffers van criminele uitbuiting. Dit heeft tot gevolg dat de signalen niet gecombineerd worden, waardoor criminele uitbuiting niet tijdig wordt herkend en slachtoffers uiteindelijk onvoldoende hulp krijgen. Daarnaast geven stakeholders en scholen aan dat het onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor de bescherming van (mogelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting. Hoewel scholen een rol voor zichzelf zien weggelegd in de signalering, geven zij ook aan uiteindelijk niet verantwoordelijk te zijn voor de zorg voor deze jongeren. De onduidelijke rol- en taakverdeling in de keten zorgt er volgens scholen voor dat er vaak niet wordt doorgepakt
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
op hun signalen en zorgen. Zo geven meerdere scholen aan dat de politie wapens die op school gevonden worden niet kan meenemen, waardoor de school verantwoordelijk blijft voor de veiligheid. “Vorige keer hadden we een bucket shot. Dat is een kogel met twaalf andere kogels er in en die ligt dan gewoon bij ons op school. Ja, wij mogen het niet mee over straat meenemen, maar de politie neemt het ook niet mee. Dan wordt er soms nog wel een huiszoeking gedaan in overleg met de officier van justitie, maar soms voel ik me ook echt wel heel erg machteloos en heb ik ook het idee van de leerling is weggestopt in het speciaal onderwijs, hij is van jullie, jullie moeten het probleem oplossen, jullie zijn de oplossing voor alles. Maar dat probleem is vaak, wij zijn voor school hè wij zijn voor het onderwijs.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Zoals bovenstaand voorbeeld ook uitwijst, worden leerlingen met crimineel gedrag regelmatig doorgestuurd naar het speciaal onderwijs, wanneer de scholen de zorg niet meer aankunnen. Wat ervoor zorgt dat de problematiek zich opstapelt in het speciaal onderwijs, terwijl structurele bescherming en zorg in het regulier onderwijs uitblijft. Scholen en stakeholders hebben kortom behoefte aan meer duidelijkheid over de ketenaanpak van criminele uitbuiting van jongeren.
Daarbij geven scholen aan behoefte te hebben aan structurele samenwerking met vaste partijen en vragen stakeholders om een heldere verdeling van verantwoordelijkheden. Een goed verwijssysteem moet beschikbaar zijn, ook wanneer scholen enkel vermoedens hebben. Als laatste wordt de integrale rol van politie, jongerenwerk, Humanitas en ervaringsdeskundigen op straat en op school nogmaals belicht. Het versterken van de ketenaanpak is volgens stakeholders een taak voor de gemeente. Ook in de preventie van criminele uitbuiting is goede samenwerking tussen partijen essentieel. Voor deze preventie wordt door scholen gewezen op het belang van een sleutelfiguur in de wijk: iemand die de wijk en de gezinnen kent, en met deze kennis kan aansluiten op school. Scholen benoemen dat partijen die nu aansluiten bij de aanpak, veelal geen kennis hebben over de wijk en de gezinnen die er wonen. Hierdoor valt de mogelijkheid tot preventie en vroege signalering weg. Hierop aansluitend geven enkele scholen aan dat waar vroeger jongerenwerkers op school een vaste plek hadden, zij nu enkel nog worden ingeroepen bij incidenten. In deze aanpak wordt geen duurzame vertrouwensband met jongeren opgebouwd.
| 33
“Weet je, een kind is geen zak aardappelen en je zet hem op de ene plank of je zet hem op de andere plank en het maakt niet uit als er maar iemand zorgt dat het donker en koel is. Die jongere die neemt ook gewoon zijn emoties mee. Je kunt daar niet zo mee spelen. Je kunt niet zeggen hé dit is hulpverlener 36 deze gaat nu dit stukje voor jou doen. Nee zorg gewoon voor één hulpverlener.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Voor vroegtijdige signalering en een succesvolle aanpak van criminele uitbuiting van minderjarigen is een duurzame multidisciplinaire aanpak nodig, waarin onderwijs, veiligheid en jeugdwerk samenkomen. De verantwoordelijkheid, rol en taken van betrokken partijen moeten duidelijk worden beschreven. Het stimuleren en vergemakkelijken van informatieuitwisseling is een belangrijk speerpunt voor deze multidisciplinaire aanpak. Deze aanpak heeft verder als doel om scholen niet uitsluitend verantwoordelijk te houden voor signalering en het inschakelen van hulp, maar ook dat zij kunnen vertrouwen op betrokken en geïnformeerde ketenpartners die deze verantwoordelijkheid delen. 4.3.4 Kansenongelijkheid en toekomstperspectief Volgens scholen en stakeholders ervaren kinderen en jongeren in kwetsbare omstandigheden onvoldoende alternatieven en perspectief om zich buiten de criminaliteit te ontwikkelen.
Zij geven aan dat kinderen en jongeren die opgroeien in armoede het gevoel hebben dat kansen en toekomstperspectief ontbreken en niet goed kunnen aansluiten op de maatschappij. “De kansen zijn niet voor iedereen hetzelfde.” (Basisschool) Deze kansenongelijkheid en (zorgen over) armoede en schulden binnen het gezin vergroten volgens hen het risico dat kinderen en jongeren voortijdig uitvallen in het onderwijs, verstrikt raken in de criminaliteit en slachtoffer worden van uitbuiting. “Je zit in een soort spiraal naar beneden. Als deze kinderen opgroeien in armoede, de kans dat zij later ook in die armoede en met stress te maken hebben en mogelijk dus in een ander circuit terechtkomen is veel groter. […] ik zou vooral investeren in een stukje armoedebestrijding en een stukje geluk.” (Basisschool) Tegelijkertijd lijkt de betekenis en invloed van armoede op de verschillende leefgebieden en hulpbehoeften van het kind nog onvoldoende onderkent en begrepen te worden binnen de hulpverlening en gemeente.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 34
“En dan komen we weer op het punt van armoedebestrijding, want daar komt eigenlijk op neer. Als pa en ma zo weinig verdienen, twee baantjes hebben. Zaterdag en zondag ook nog in de avonduren. Misschien nog illegaal ergens moeten werken om toch nog wat geld binnen te krijgen. En die kinderen zitten alleen maar thuis. Controle is er niet. […] Het is een letterlijke, volledige weerslag op onze maatschappij die we eerst goed moeten begrijpen voordat je naar oplossingen kan werken.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Een essentieel onderdeel van de aanpak tegen criminele uitbuiting van minderjarigen is het bieden van toekomstperspectief en kansengelijkheid. Hoewel het een complexe opgave is, ligt hier een grote verantwoordelijkheid voor de gemeente. Immers wordt een belangrijk dwangmiddel van uitbuiters weggehaald wanneer kinderen opgroeien zonder financiële onzekerheid, maar juist met een helder en kansrijk toekomstperspectief. 4.3.5 Passende hulp en bescherming voor slachtoffers Naast het toekomstperspectief dat nodig is om criminele uitbuiting te voorkomen, blijkt uit de interviews dat kinderen en jongeren die crimineel worden uitgebuit onvoldoende mogelijkheden hebben om uit de criminaliteit te ontsnappen. Scholen signaleren grote angst bij jongeren en hun ouders om hulp te zoeken.
Slachtoffers zijn terughoudend in het delen van hun verhaal, uit angst voor represailles, of om zelf als dader gezien te worden. De kansen voor jongeren om uit de criminele uitbuiting te ontsnappen, worden volgens scholen verder beperkt door een gebrek aan vertrouwen vanuit jongeren en ouders richting de gemeente en hulpverlening. Dit geldt des te meer wanneer binnen gezinnen al verschillende hulporganisaties betrokken zijn. Complexe wet- en regelgeving, lange wachtlijsten en wisselingen in hulpverleners en hulpinitiatieven, staan het opbouwen en beschermen van een vertrouwensrelatie in de weg. “Deze ouders die hier wonen die hebben nul vertrouwen in alles wat met het Rijk en met de gemeente te maken heeft. Dus wil je iets regelen dan moet je het via school doen, daar hebben ze vertrouwen in. Het vertrouwen moet je wel waarmaken en dan heb je kans dat er echt hulp komt […] die is er… en dan komt er ineens weer een ander. Of dan gaan ze veranderen, komen ze in een cluster en dan krijgen ze met verschillende mensen te maken. Als dat vertrouwen er niet is dan is hulp kansloos.” (Basisschool)
Bovendien zorgen de lange wachtlijsten en tekorten in de jeugdzorg ervoor dat kinderen, ondanks verzoeken tot hulp, verder vastraken of terugvallen in de criminaliteit en criminele uitbuiting. “Bij mij is het wat volgt hier na? En mijn ervaring is, we hebben een aantal leerlingen gehad. Ik als mentor tenminste twee leerlingen gehad misschien een derde. Het is bewezen. Politie erbij, mensen van de gemeente erbij, sociaal werker erbij. En uiteindelijk vind ik zo’n leerling moet begeleid worden en in het begeleiden gaat het dan verkeerd, want ze komen dan op een wachtlijst. Dat is tot nu toe mijn ervaring. Ik vraag er steeds om, van hé wanneer hoor ik nu eigenlijk van die leerling die eigenlijk voor behandeling weet je wel, begeleiding om terug te komen in een normaal proces, wanneer horen we er nog ooit iets van. ...? [...] Dus zo´n kind, kinderen, die vallen dan terug in het systeem van de onderwereld. Jij krijgt hem niet eruit. En wat gebeurt er met ons? Wij zeggen ach, laat maar, want er komt toch nooit een oplossing. Dat is het grootste probleem [..]. Daar loopt het vaak op stuk of mis, want die follow up om dan verder te begeleiden, de leerling of het kind terug te brengen naar het normale duurt of te lang of wordt nooit bereikt.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Ook binnen scholen ontbreekt het in veel gevallen aan handelingsperspectief.
Drie scholen zien dat de jongeren vooral worden doorgestuurd naar het speciaal onderwijs, waardoor de problematiek zich op deze scholen opstapelt. Tot slot benoemen geïnterviewde stakeholders en scholen dat in de laatste jaren veel (waardevolle) initiatieven en ook essentiële sleutelfiguren, verloren zijn gegaan, mede door verandering en bezuiniging. “Dat weet ik toevallig heel goed, want ik heb er nog voor gevochten. Buurthuizen, en die van ons ook, die werden gesloten.” (Voortgezet speciaal onderwijs B)
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
“Dus als we ze perspectief willen bieden dan moeten we ze aan de hand nemen en keihard aan dat soort dingen gaan werken. Dat kost geld. Dat kost gewoon heel veel geld. Want je moet begeleiders hebben die met de doelgroep kunnen werken, die dat snappen.” (Jeugdhulpverlening) Hierdoor ontbreekt het aan een duurzame aanpak. Eerder opgedane lessen, ervaring en expertise worden volgens twee scholen onvoldoende meegenomen bij veranderingen in de aanpak en nieuwe programma’s. Samengevat benadrukken scholen en stakeholders het belang om in te zetten op leerlingen die dreigen uit te vallen, en op kinderen en jongeren die al vastgeraakt zijn in de criminaliteit. Kernelementen van hulp bij criminele uitbuiting zijn tijdige en passende hulpverlening, waarbinnen aandacht is voor de vertrouwensband tussen slachtoffer en hulpverlening, en een ijzersterk uitstapprogramma met een focus op toekomstperspectief.
4.4 Resumé In dit hoofdstuk stond de aanpak van criminele uitbuiting op en rondom Rotterdamse scholen centraal. De resultaten uit de vragenlijst laten zien dat op ongeveer de helft van de middelbare scholen en een derde van de basisscholen, leerlingen voorlichting krijgen over criminele uitbuiting. Uit de interviews blijkt dat er een gevarieerd aanbod is aan voorlichtingsmogelijkheden met aandacht voor aan criminele uitbuiting gerelateerde onderwerpen, maar dat criminele uitbuiting zelf nog geen onderwerp is waarover specifiek voorlichting gegeven wordt. Het beeld dat uit de resultaten ontstaat, is dat scholen nog onvoldoende bekend zijn met criminele uitbuiting en zich onvoldoende realiseren dat criminele uitbuiting in iedere wijk en op elke school kan voorkomen. Scholen en stakeholders zien voor scholen vooral een signalerende rol als het gaat om de aanpak van de problematiek. Tegelijkertijd denkt minder dan één op de vijf scholen een slachtoffer van criminele uitbuiting onder leerlingen te kunnen herkennen en worden op de meeste scholen medewerkers nog niet getraind op het herkennen van signalen van mensenhandel of criminele uitbuiting. Dit terwijl uit dit onderzoek naar voren komt dat training lijkt bij te dragen aan de (vroeg)signalering van slachtoffers door scholen.
Scholen verlangen naar informatie over wat de signalen zijn, wat signalen betekenen en hoe daarop te handelen. Dit tekort aan bewustzijn en kennis van criminele uitbuiting blijkt één van de grote uitdagingen in de aanpak te zijn.
| 35
Veel scholen benoemen niet precies te weten wat te doen bij een vermoeden dat een leerling slachtoffer is van criminele uitbuiting, dat er nog geen specifieke werkafspraken bestaan omtrent het omgaan met dergelijke vermoedens en dat bestaande werkafspraken niet altijd duidelijk zijn. Scholen en stakeholders vinden het belangrijk dat criminele uitbuiting meer aandacht krijgt op school dan nu het geval is. Volgens enkele geïnterviewde scholen wordt de problematiek weggeprioriteerd door de hoge werkdruk onder docenten en uit angst voor aantasting van het imago van de school. Deze bevindingen wijzen op een gebrek in de erkenning van het probleem. De angst van scholen om als onveilig gezien te worden, wanneer er structureel aandacht wordt gegeven aan het probleem, is een belangrijke uitdaging voor de aanpak van criminele uitbuiting op school. Scholen onderstrepen dat zij verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van leerlingen op school en geven op eigen wijze vorm aan het veiligheidsbeleid. De meerderheid van de scholen met vermoedens van criminele uitbuiting hadden hierover in de afgelopen twee jaar contact met iemand binnen de school of iemand van een andere organisatie. De wijkjeugdagent en het jongerenwerk vormen voor scholen veelal het eerste externe contact bij zorgen over veiligheid en criminaliteit.
Desondanks benoemen scholen en stakeholders dat het onduidelijk is wie verantwoordelijkheid draagt in de aanpak van criminele uitbuiting op school, en welke taken hierbij horen. Deze onduidelijkheid belemmerd de inzet van hulp en bescherming voor slachtoffers Dit blijkt tevens uit de bevinding dat de meeste scholen geen melding deden van de vermoedens. Daarnaast wordt de bescherming van vermoedelijke slachtoffers van criminele uitbuiting belemmerd door de kansenongelijkheid voor kinderen uit kwetsbare omstandigheden. Wanneer er voor deze kinderen geen betrouwbaar alternatief voor criminaliteit kenbaar is, zullen pogingen om de uitbuiting bespreekbaar te maken en hulp te bieden niet succesvol zijn. Als laatste spelen angsten en wantrouwen voor hulpverlening een grote uitdaging in het beschermen van slachtoffers. Scholen en stakeholders herkennen dat de jeugdzorg hierin tekort schiet en dat er behoefte is aan een duurzaam hulpaanbod dat aansluit op deze doelgroep.
5. CONCLUSIE Dit onderzoek heeft zich gericht op de vraag in hoeverre criminele uitbuiting voorkomt in het primair en voortgezet onderwijs in Rotterdam, hoe de aanpak van dit probleem is vormgegeven, en welke uitdagingen en kansen hierbij ervaren worden. Om deze vragen te beantwoorden, is een vragenlijst ingevuld door schoolmedewerkers die verantwoordelijkheid dragen voor de veiligheid op school. Deze vragenlijst is ingevuld door medewerkers van 47 basisscholen en 29 middelbare scholen in Rotterdam. Om verdieping te krijgen op de antwoorden uit de vragenlijsten, zijn interviews gehouden met medewerkers van vijf scholen. Ook zijn vijftien externe stakeholders geïnterviewd, welke betrokken zijn bij het onderwerp preventie en veiligheid in het onderwijs. Dit waren professionals vanuit jeugdhulpverlening, jeugdbescherming, openbare orde en veiligheid, ervaringsdeskundigheid, beroepsonderwijs, of de gemeente. De eerste deelvraag was: Wat kan volgens onderwijsprofessionals die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op hun schoollocatie gezegd worden over de aard en omvang van criminele uitbuiting onder scholieren in de gemeente Rotterdam? Uit de vragenlijst blijkt dat een kwart van de basisscholen en twee derde van de middelbare scholen vermoedens hebben dat leerlingen op hun school crimineel worden uitgebuit.
Deze bevindingen bevestigen dat criminele uitbuiting op het Rotterdamse onderwijs voorkomt en ook al op zeer jonge leeftijd kan beginnen, wat het belang van signalering en preventie op basisscholen onderstreept. De scholen in dit onderzoek hadden op het moment van afname van de vragenlijsten over ten minste 65 scholieren concrete zorgen dat zij slachtoffer waren van criminele uitbuiting. Hoewel de omvang van de problematiek volgens de respondenten in de afgelopen jaren niet groter lijkt te zijn geworden, zien scholen en stakeholders wel dat de ernst van de criminele feiten toeneemt. Gedwongen drugscriminaliteit wordt het meeste gezien, maar ook diefstal en geweldpleging komen regelmatig voor. Hoewel criminele uitbuiting in alle onderzochte wijken voorkomt, zien scholen dat slachtoffers vaak te maken hebben met of opgroeien onder kwetsbare omstandigheden. Daarnaast lijken zij een gebrek aan rolmodellen en vertrouwenspersonen te hebben, waar uitbuiters misbruik van maken. Bij het onderzoeken van de omvang van deze problematiek op scholen, valt op dat er een discrepantie lijkt te bestaan tussen scholen in de mate waarin zij criminele uitbuiting herkennen en/of zich hierover zorgen maken. Sommige scholen hebben geen zorgen over criminele uitbuiting van leerlingen of signaleren dit niet, terwijl andere regelmatig grote zorgen hebben en leerlingen slachtoffer zien worden.
Desondanks bevestigt dit onderzoek
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 36
dat kinderen in alle onderwijsvormen en iedere wijk het slachtoffer kunnen worden van criminele uitbuiting. Aandacht voor deze problematiek is daarom noodzakelijk op alle scholen. De tweede deelvraag richtte zich op de aanpak van criminele uitbuiting zoals deze op dit moment wordt vormgegeven op scholen in Rotterdam. De resultaten tonen aan dat er nog geen sprake is van een structurele en integrale preventie, signalering en aanpak van criminele uitbuiting in het onderwijs. Ten eerste wordt er volgens respondenten nog weinig aandacht gegeven aan preventie van criminele uitbuiting op school. Zo is er op de meeste scholen nog geen sprake van voorlichting over criminele uitbuiting aan leerlingen, of was de voorlichting enkel incidenteel. Ten tweede weten de meeste respondenten niet of zij signalen van criminele uitbuiting voldoende kunnen herkennen. Daarom is er onder onderwijspersoneel behoefte aan training, wat op dit moment nog maar op weinig scholen wordt gegeven. Dergelijke training lijkt inderdaad bij te dragen aan het signaleren van slachtoffers van criminele uitbuiting, aangezien scholen waar leerkrachten getraind waren over meer leerlingen zorgen hadden, dan scholen zonder training.
Het belang van training wordt verder onderstreept door de bevinding dat scholen en stakeholders een grote verantwoordelijkheid voor scholen zien in het signaleren van criminele uitbuiting van minderjarigen. Ten derde blijkt het voor veel scholen onduidelijk hoe zij moeten handelen, wanneer vermoedelijke slachtoffers wel gesignaleerd worden. Toch heeft ongeveer de helft van de scholen hier wel werkafspraken over, meestal in de vorm van beslisbomen of veiligheidsprotocollen. Scholen die hier duidelijke werkafspraken over hebben geformuleerd, lijken ook vaker contact op te nemen met externe organisaties. Dit suggereert dat werkafspraken handelingsverlegenheid vermindert. Meestal was er contact met de politie, het jongerenwerk of het wijkteam. Zowel scholen als stakeholders geven aan dat het op dit moment echter ontbreekt aan laagdrempelige en duurzame samenwerking tussen onderwijs, zorg en veiligheid, waarbinnen signalen en zorgen gedeeld kunnen worden. De tweede en derde onderzoeksvragen richtten zich op de uitdagingen en kansen in de aanpak van criminele uitbuiting op en rondom scholen in Rotterdam, zoals gerapporteerd door scholen en stakeholders. Er zijn vijf uitdagingen in de signalering en aanpak van criminele uitbuiting geïdentificeerd.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
De eerste uitdaging is dat er op scholen nog onvoldoende bewustzijn en kennis lijkt te zijn over criminele uitbuiting. Hierdoor is er nog weinig aandacht voor criminele uitbuiting en de signalering hiervan. Scholen zien beperkingen in hun mogelijk tot signalering, zoals het feit dat dwang moeilijk te identificeren is en slachtoffers niet willen praten. Bovendien kunnen problemen bij leerlingen ook signalen zijn van andere problematiek. Gezien de belangrijke rol van scholen in de signalering van criminele uitbuiting, is het essentieel dat de deskundigheid op scholen bevorderd wordt. De volgende uitdaging is het gebrek aan erkenning van deze problematiek. Criminele uitbuiting is een thema waarover veel onwetendheid bestaat en bovendien een taboe op rust, zowel voor slachtoffers als voor scholen. Het blijkt hierdoor voor scholen niet goed mogelijk te zijn om criminele uitbuiting bespreekbaar te maken, bijvoorbeeld in de vorm van structurele voorlichting voor leerlingen en training voor werknemers. Deze uitdaging sluit aan op de eerdere bevinding dat er behoefte is aan training en voorlichting op school. Echter zou structurele aandacht voor criminele uitbuiting de scholen onveilig laten lijken, wat afbreuk doet aan het imago van de school.
Ook blijkt uit het rapport dat, door angst voor negatieve beeldvorming, opgedane signalen van criminele uitbuiting niet altijd door scholen worden oppakt of geadresseerd. Het risico is dat slachtoffers hierdoor niet de hulp krijgen aangeboden die zij nodig hebben en daders buiten beeld blijven. Bovendien geven scholen aan dat er door de hoge werkdruk onder docenten onvoldoende mogelijkheid is om potentiële slachtoffers van criminele uitbuiting structureel te ondersteunen, bijvoorbeeld door te investeren in een vertrouwensrelatie met leerlingen. Als derde uitdaging blijkt er nog geen structurele samenwerking met vaste ketenpartners te bestaan. Scholen geven veelal zelf invulling aan de aanpak van criminele uitbuiting, wat ook betrekking heeft op het melden van signalen en zorgen. Aangezien criminele uitbuiting ook buiten schooltijd plaatsvindt, is het van belang dat signalen van verschillende partijen op een laagdrempelige manier gedeeld kunnen worden. Op deze manier ontstaat sneller een volledig beeld van de problematiek van een vermoedelijk slachtoffer. Echter blijkt dat signalen van verschillende ketenpartners nog onvoldoende (kunnen) worden gedeeld. Bovendien is er volgens scholen en stakeholders nog geen sprake van een duurzame samenwerking tussen de domeinen van onderwijs, zorg en veiligheid.