[23bb007365] Bijlage behorende bij 23bb007364 over Criminele uitbuiting onder minderjarigen in Rotterdam
Tekst van het document
Criminele uitbuiting onder minderjarigen in Rotterdam Kansen voor primair en voortgezet onderwijs
Criminele uitbuiting
INHOUD
onder minderjarigen in Rotterdam
LIJST VAN FIGUREN EN TABELLEN
3
Kansen voor primair en voortgezet onderwijs
1 INTRODUCTIE
5
2 METHODOLOGIE
8
3 RESULTATEN
13
T. L. M. Leito S. D. E. Leermakers M. L. V. Covers S. R. van Bemmel
4 AANPAK
24
5 CONCLUSIE
36
6 AANBEVELINGEN
38
2023
Bibliografie
41
Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel Burgemeester Schalijlaan 70 2908 LS Capelle aan den IJssel
Bijlage A. Vragenlijst Scholen Rotterdam
42
Bijlage B. Topiclijst interviews onderwijsinstellingen
47
Bijlage C. Topiclijst interviews externe stakeholders
48
info@hetckm.nl www.hetckm.nl Vormgeving: Kirsten Rappard Fotografie: Pexels.com
‘Maak mensenhandel zichtbaar’ Onder dit motto voert het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) de strijd tegen seksuele en criminele uitbuiting in Nederland. Het CKM innoveert, onderzoekt en agendeert. Meer informatie op www.hetckm.nl.
LIJST VAN TABELLEN EN FIGUREN
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
| 3
Figuur 1.
Gehanteerde gebiedsindeling van het onderzoek
10
Figuur 2.
Binnen welke vorm van onderwijs bent u werkzaam?
10
Figuur 3.
Heeft u in de afgelopen twee jaar wel eens een vermoeden gehad?
10
Figuur 4. Hoe vaak heeft u in de afgelopen twee jaar vermoedens gehad dat leerlingen slachtoffers zijn of waren van criminele uitbuiting?
14
Figuur 5. Over hoeveel leerlingen zijn er op de school waar u werkt in de Figuur 6.
afgelopen twee jaar vermoedens geweest dat zij slachtoffer zijn of waren van criminele uitbuiting?
14
Stelling “Ik ben mij in de afgelopen twee jaar meer zorgen gaan maken over criminele uitbuiting van leerlingen.”
15
Figuur 7. Stelling “Ik heb in de afgelopen twee jaar een toename gezien in het aantal leerlingen dat vermoedelijk slachtoffer is van criminele uitbuiting.”
15
Figuur 8. Welke vormen van gedwongen criminaliteit waren in de afgelopen twee jaar van toepassing bij de slachtoffers met wie u op de school waar u werkt in aanraking bent gekomen?
17
Figuur 9. Op welke manier werden de (vermoedelijke) slachtoffers, met wie u in de afgelopen twee jaar Figuur 10.
op de school waar u werkt in aanraking bent gekomen, in de criminaliteit gedwongen?
17
Tot welk geslacht behoren de (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting op de school waar u werkt?
19
Figuur 11. Tot welke leeftijdscategorieën behoren de (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting op de school waar u werkt?
20
Figuur 12. Zijn de (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting op de school Figuur 13.
waar u werkt de afgelopen twee jaar jonger geworden?
20
Heeft u een vermoeden over wie de mogelijke plegers zijn bij de vermoedens van criminele uitbuiting?
22
Figuur 14. Stelling “De criminelen die leerlingen dwingen tot het plegen van criminaliteit zijn goed georganiseerde (jeugd)netwerken.”
22
Figuur 15. Wordt er op dit moment binnen uw school, aan de leerlingen zelf, voorlichting gegeven specifiek gericht op criminele uitbuiting?
24
Figuur 16.
Worden medewerkers binnen uw school getraind op het herkennen van signalen van mensenhandel?
25
Figuur 17.
Stelling “Ik denk een slachtoffer van criminele uitbuiting onder leerlingen te kunnen herkennen.”
25
Figuur 18.
Stelling “Ik vind het belangrijk dat criminele uitbuiting meer aandacht krijgt op school.
25
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 4
Figuur 19. Stelling “Op de school waar ik werk worden voldoende maatregelen genomen om te voorkomen dat leerlingen worden geronseld.”
26
Figuur 20.
Stelling “Ik weet precies wat ik moet doen wanneer ik vermoed dat een leerling slachtoffer is van criminele uitbuiting.”
27
Figuur 21.
Werkafspraken voor het omgaan met vermoedens van criminele uitbuiting
27
Figuur 22.
Stelling “Op onze school zijn duidelijke afspraken over hoe om te gaan met signalen van criminele uitbuiting.”
28
Figuur 23.
Melding van criminele uitbuiting door scholen
28
Figuur 24.
Afgelopen twee jaar contact opgenomen bij vermoedens van criminele uitbuiting
28
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
1. INTRODUCTIE 1.1 Aanleiding van het onderzoek In Rotterdam lopen volgens de meest recente cijfers 10.940 jongeren, tussen 8 en 23 jaar, groot risico om in de drugscriminaliteit te belanden. In sommige wijken gaat het om meer dan 1 op de 9 jongeren.1 Hiermee kent Rotterdam een relatief groot risico op jonge aanwas in de drugscriminaliteit (9,1%). Een aantal van deze jongeren groeit door in de georganiseerde criminaliteit en raakt betrokken bij zware misdrijven als liquidaties en afpersing.2 Onderzoek laat zien dat jeugdcriminaliteit in Nederland al jaren daalt en steeds vaker door politie en justitie buiten het strafrecht wordt afgehandeld, bijvoorbeeld door verwijzing naar Bureau Halt voor een alternatieve straf.3 Tegelijkertijd is ook een toename te zien van jongeren die betrokken zijn bij het plegen van zware criminaliteit, zoals geweldsdelicten of delicten waarbij drugs en wapens betrokken zijn. De jeugdzaken die bij justitie overblijven ogen ernstiger en complexer.4 Vaak gaat het om kansarme en (zeer) kwetsbare jongeren, die een thuissituatie kennen met schulden en slechte woonomstandigheden of die een lichtverstandelijke beperking hebben5 Dit zijn factoren die jongeren ook kwetsbaar maken voor criminele uitbuiting, en het is dan ook de vraag in hoeverre er zich onder deze groep niet ook slachtoffers van deze vorm van mensenhandel bevinden.
Criminele uitbuiting is een vorm van mensenhandel die in 2013 expliciet strafbaar is gesteld in Nederland (art. 12 Sr.), en waarvan sprake is wanneer een persoon wordt gedwongen tot het plegen van strafbare feiten en de opbrengsten hiervan (grotendeels) moet afstaan aan de uitbuiter(s). Dwang kan zich op verschillende manieren manifesteren. In de kern is er
1
Zicht op Ondermijning. Peiljaar 2019. (laatst geraadpleegd op 16 januari 2023).
2
In tal van wijken dreigt 1 op 8 jongeren drugscrimineel te worden | RTL Nieuws (laatst geraadpleegd op 16
3
WODC (2021).
januari 2023) 4
Openbaar Ministerie (2022); WODC (2021); Een 16-jarige huurmoordenaar: waarom plegen minderjarigen vaker zware misdrijven? (volkskrant.nl) (laatst geraadpleegd op 16 januari 2023); Zware geweldsdelicten onder jongeren nemen verder toe (nos.nl) (laatst geraadpleegd op 16 januari 2023); Jongerenwerkers bezorgd over messen: ‘Geweld op straat steeds explosiever’ (nos.nl) (laatst geraadpleegd op 16 januari 2023); Zorgen over
bij criminele uitbuiting sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen het slachtoffer en de uitbuiter(s). Daarbij kunnen slachtoffers te maken krijgen met harde dwang, zoals geweld of dreiging met geweld. Maar dwang kan zich ook in subtiele vormen voordoen, waarbij misbruik wordt gemaakt van kwetsbaarheden zoals een jonge leeftijd, licht verstandelijke beperking of psychische problematiek. Criminele uitbuiting verschilt van andere vormen van mensenhandel, doordat slachtoffers zich per definitie óók schuldig maken aan het plegen van een strafbaar feit. Slachtoffers lopen daardoor het risico vervolgd te worden als dader wanneer het slachtofferschap niet wordt opgemerkt.6 Aard en omvang van criminele uitbuiting in Rotterdam In december 2021 bracht het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), op verzoek van de gemeente Rotterdam, een onderzoek uit naar de aard en omvang van criminele uitbuiting in Rotterdam.7 Bijna vijfhonderd eerstelijns professionals deelden hun ervaringen. Bijna de helft van hen heeft in de voorgaande twee jaar meerdere (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting gesignaleerd. Vaak zijn slachtoffers gedwongen tot financiële delicten, zoals pinpasfraude, of tot drugsgerelateerde criminaliteit en kennen zij een (zeer) kwetsbare achtergrond.
Uit het onderzoek blijkt dat criminele uitbuiting een niet te onderschatten probleem is, aangezien het merendeel van de deelnemende professionals tussen 2019 en 2021 meerdere (vermoedelijke) slachtoffers signaleerde en ook in direct contact stond met een of meer slachtoffers. Daarentegen zijn in de periode van 2015 tot 2019 slechts vijftien slachtoffers van criminele uitbuiting waarvan vijf met de Nederlandse nationaliteit door de politieeenheid Rotterdam gemeld bij het Landelijk Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (CoMensha). Hiermee leggen de bevindingen een zorgelijke discrepantie bloot tussen het aantal waargenomen slachtoffers door eerstelijns professionals in de gemeente Rotterdam enerzijds en de officiële registraties anderzijds. In het licht van voornoemd onderzoek mag dit opvallend worden genoemd, nu blijkt dat in Rotterdam ruim acht op de tien eerstelijns professionals werkzaam bij de politie aangeeft in de periode tussen 2019 en 2021 in contact te zijn geweest met slachtoffers van criminele uitbuiting. Dit roept dan ook de vraag op in hoeverre mogelijke slachtoffers wel als zodanig worden gezien en doorverwezen worden naar de in mensenhandel gespecialiseerde opsporingsdiensten of gespecialiseerde zorg.
zwaar geweld tieners: tientallen veroordelingen voor moord of doodslag | RTL Nieuws (laatst geraadpleegd op 16 januari 2023). 5
| 5
Openbaar Ministerie (2022); Is de strijd tegen de nietsontziende drugsmisdaad nog te winnen? - Op1 (op1npo. nl) (laatst geraadpleegd op 16 januari 2023); ‘Jongeren die drugs uit containers halen missen vaak het juiste
6
Nationaal Rapporteur (2019); Villacampa en Torres (2017).
rolmodel’ (nos.nl) (laatst geraadpleegd op 16 januari 2023).
7
CKM (2021).
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 6
Weinig zicht op minderjarige slachtoffers Hoewel het onderzoek uit 2021 veel nieuwe inzichten biedt in de mate waarin criminele uitbuiting in Rotterdam voorkomt, komen minderjarige slachtoffers onvoldoende in beeld. Dit komt onder andere doordat slechts een bescheiden aantal professionals werkzaam in het voortgezet onderwijs en geen professionals uit het basisonderwijs hebben deelgenomen aan het onderzoek. Dit terwijl uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat, ondanks het grotendeels ontbreken van onderwijsprofessionals, bijna één op de vijf eerstelijns professionals aangeeft dat één of meer slachtoffers zijn geworven op een onderwijsinstelling in Rotterdam. Dit toont aan dat de problematiek onder minderjarigen in Rotterdam mogelijk groter is dan het onderzoek heeft laten zien. Meer inzicht in de ervaringen van scholen is daarom nodig om een beter beeld te krijgen van criminele uitbuiting van minderjarigen. Deze inzichten kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een gerichte en effectieve aanpak. Aangezien het onderwijs de plek is waar kinderen en jongeren dagelijks aanwezig zijn, liggen hier tevens kansen voor het in de praktijk brengen van een dergelijke aanpak. De assumptie dat criminele uitbuiting onder minderjarigen een groot probleem is in Nederland, wordt verder versterkt door ander onderzoek.
Zo blijkt uit een scholenonderzoek in Gelderland door Leerlingalert8 en in Zeeland door Avans Hogeschool9 dat ongeveer 11% van de jongeren aangeeft weleens benaderd te zijn voor het verrichten van strafbare feiten. Bovendien blijken sommige jongeren de ronselaar te kennen via school en op school door de ronselaar benaderd te zijn. Daarnaast laat onderzoek uit 2022 van het CKM naar criminele uitbuiting in dertien (middel)grote gemeenten in Nederland zien dat de grootste groep (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting tussen de 13 en 17 jaar oud is.10 Deze slachtoffers worden het meest gedwongen tot drugsgerelateerde criminaliteit, ingezet als geldezel om op deze wijze crimineel geld wit te wassen, of gedwongen tot het plegen van diefstal. Tevens worden de zorgen over criminele uitbuiting van minderjarigen onderstreept in onderzoek uit 2020, waarin 55% van de Nederlandse middelbare scholen zorgen uitspreekt over het feit dat leerlingen crimineel worden uitgebuit en met name gedwongen lijken te worden tot het plegen van drugscriminaliteit.11 Beide onderzoeken richten zich echter niet specifiek op Rotterdam en zien voornamelijk op de aard en omvang van de problematiek en minder op gerichte kansen voor minderjarigen als het gaat om het versterken van de signalering en aanpak.
Zorgen over betrokkenheid van minderjarigen bij drugscriminaliteit blijken ook uit onderzoek naar jonge criminele aanwas.12 Zo blijkt uit een studie door de Nationale Politie uit Amsterdam dat jongeren al op zeer jonge leeftijd, en ook op de basisschool, worden geworven voor het handelen in of vervoeren van drugs. Sommige jongeren lopen hierbij een groter risico dan anderen om bij drugscriminaliteit betrokken te raken: kwetsbare en kansarme kinderen worden vaak vanuit hun eigen omgeving geronseld en betrokken bij het plegen van drugscriminaliteit. Niet zelden is ook sprake van harde dwang, waarbij jongeren bedreigd worden met (vuur)wapens en onder druk en uit angst (verdere) criminaliteit plegen.13
1.2 Doelstelling Dit onderzoek heeft als doel om het zicht op criminele uitbuiting van minderjarigen in Rotterdam te vergroten. Het onderwijs is de plek waar grote groepen kinderen en jongeren structureel samenkomen en onderwijsprofessionals dagelijks in direct contact staan met leerlingen. Hierdoor bestaat in het onderwijs de kans om slachtoffers te signaleren. Tegelijkertijd bestaan ook zorgen dat kinderen en jongeren op of rondom onderwijsinstellingen geronseld worden voor criminaliteit, waarbij zij kunnen worden uitgebuit. Scholen vervullen een grote rol in de ontwikkeling van kinderen en zijn verplicht zorg te dragen voor de (sociale) veiligheid op school.14 Veiligheid van leerlingen is voor elke school dan ook een belangrijk aandachtspunt. Om deze reden richt het onderzoek zich op het primair en voortgezet onderwijs in Rotterdam. In het onderzoek staat de volgende hoofdvraag centraal: In hoeverre komt criminele uitbuiting voor in het basis- en voortgezet onderwijs in Rotterdam en welke knelpunten, uitdagingen en kansen ervaren onderwijsinstellingen en betrokken veiligheidsprofessionals bij de aanpak hiervan? Het is hierbij van belang om te benadrukken dat het gaat om inschattingen van criminele uitbuiting door onderwijsprofessionals. Hierdoor is er in dit onderzoek geen sprake van
8
Leerlingalert (2022).
12
Bureau Beke (2022); Nationale Politie (2021); Bureau Beke (2021).
9
Avans Hogeschool (2022).
13
Nationale Politie (2021); Bureau Beke (2021).
10
CKM (2022).
14
11
CKM (2020).
Wet primair onderwijs. Artikel 4c; Wet voortgezet onderwijs. Artikel 3.40. (Laatst geraadpleegd op 27 februari 2023).
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
formeel vastgesteld slachtofferschap.15 De hoofdvraag is opgedeeld in drie deelvragen. 1. Wat kan volgens onderwijsprofessionals die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op hun schoollocatie gezegd worden over de aard en omvang van criminele uitbuiting onder scholieren in de gemeente Rotterdam? 2. Hoe wordt de aanpak van criminele uitbuiting volgens onderwijsprofessionals die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op hun schoollocatie vormgegeven en welke uitdagingen en kansen worden hierbij ervaren? 3. Wat zijn volgens externe stakeholders, die betrokken zijn bij het onderwerp preventie en veiligheid op basis- en middelbare scholen in Rotterdam, de uitdagingen en kansen bij de aanpak van criminele uitbuiting op en rondom onderwijsinstellingen? Uiteindelijk dient de vergaarde kennis bij te dragen aan het voorkomen en beschermen van minderjarigen die in Rotterdam worden gedwongen tot het plegen van criminaliteit, het versterken van de opsporing en aanpak van de problematiek en het komen tot een veilig leer- en leefklimaat voor leerlingen.
1.3 Leeswijzer Het onderzoek begint met de methodologie die ten grondslag ligt aan het onderzoek (Hoofdstuk 2). Hierbij wordt ingegaan op het onderzoeksproces en de verzameling en kenmerken van de data. In Hoofdstuk 3, Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 worden de resultaten gepresenteerd. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de aard en omvang van criminele uitbuiting van minderjarigen in Rotterdam (deelvraag 1). In Hoofdstuk 4 wordt nader gekeken naar de aanpak van criminele uitbuiting op en rondom scholen. Hoofdstuk 5 behandelt de kansen die scholen (deelvraag 2) en externe stakeholders (deelvraag 3) zien om de aanpak van criminele uitbuiting van minderjarigen in Rotterdam te versterken. Het rapport sluit af met een conclusie en aanbevelingen.
15
De Nationaal Rapporteur merkt in de slachtoffermonitor mensenhandel 2013-2017 op dat er in Nederland geen formeel vastgestelde wijze is om slachtofferschap vast te stellen. Nationaal Rapporteur (2018).
| 7
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 8
2. METHODOLOGIE In dit hoofdstuk wordt de methodologie behandeld. Het hoofdstuk start met een beschrijving van de onderzoeksmethode (§2.1). Hierbij worden de verschillende fasen van het onderzoek omschreven. Vervolgens gaat §2.2 in op het waarborgen van de privacy van de betrokkenen en de verzamelde informatie en §2.3 op de dataset, zo ook de demografische kenmerken van respondenten. Het hoofdstuk wordt afgesloten met §2.4 waarin de belangrijkste kanttekeningen van het onderzoek uiteen worden gezet.
2.1 Onderzoeksmethode Het onderzoek probeert de aard en omvang en de belangrijkste uitdagingen en kansen in de aanpak van criminele uitbuiting van minderjarigen in Rotterdam in beeld te brengen. Over drie fasen is gebruik gemaakt van een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden.
echter meerdere locaties. Bij deze onderwijsinstellingen is daarom gevraagd om per locatie één medewerker de vragenlijst te laten invullen. Dit verkleint de kans op dubbeltellingen. Op deze wijze beoogt het onderzoek validiteit te waarborgen waar het gaat om het zicht op de omvang van de problematiek. In totaal hebben 76 scholen aan de studie deelgenomen, waaronder 47 basisscholen en 29 middelbare scholen. De in dit onderzoek gehanteerde definitie van criminele uitbuiting komt overeen met de definitie die overheidsinstanties hanteren, zoals de politie, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV).19 In de vragenlijst is criminele uitbuiting als volgt omschreven:
Fase 1. Vragenlijst In samenwerking met de beleidsafdeling van het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling (MO), aanspreekpunt voor het onderwijs binnen de gemeente Rotterdam, is via het programma Survalyzer een online vragenlijst uitgezet onder basis- en middelbare scholen in Rotterdam.16 Het onderzoek is vanuit het cluster MO vooraf aangekondigd en toegelicht aan de onderwijsbestuurders van Rotterdamse scholen en voorafgaand is ook een factsheet verspreid over het doel van het onderzoek. Rotterdam kent 215 basisscholen en 82 middelbare scholen. Over de periode 10 mei tot en met 15 juli 2022 zijn door de gemeente alle basis- en middelbare scholen in Rotterdam via de schoolcontactpersonen en onderwijsbestuurders benaderd voor deelname aan het onderzoek.17 Schoolcontactpersonen en onderwijsbestuurders zijn door de gemeente gevraagd de vragenlijst binnen hun netwerk te verspreiden. Ook het speciaal (basis)onderwijs en het praktijkonderwijs zijn daarin meegenomen, nu uit eerder onderzoek blijkt dat niet zelden (zeer) kwetsbare kinderen gericht geronseld worden voor criminaliteit en dat bewust misbruik gemaakt wordt van deze kwetsbaarheden.18
Criminele uitbuiting is een vorm van mensenhandel waarbij een slachtoffer door iemand anders wordt gedwongen tot het plegen van criminele feiten. Criminele uitbuiting kent verschillende vormen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een leerling die gedwongen wordt tot het verhandelen of vervoeren van drugs; het plegen van diefstal of overvallen; of tot het beschikbaar stellen van een bankrekening, met als doel om crimineel geld te stallen en wit te wassen. Ook het moeten ronselen van nieuwe slachtoffers van mensenhandel is een vorm van criminele uitbuiting. Het geld dat met het criminele feit wordt verdiend, gaat bijna volledig naar de uitbuiter; iemand met een zekere machtspositie ten opzichte van het slachtoffer en die het slachtoffer, met het oog op eigen financieel gewin, tot het plegen van criminaliteit dwingt.20
Per onderwijsinstelling is de vragenlijst één keer ingevuld, door de medewerker die verantwoordelijk is voor de veiligheid op school. Sommige onderwijsinstellingen hebben
De vragenlijst gaat over de ervaringen die scholen hebben met criminele uitbuiting van leerlingen in de afgelopen twee jaar. Aan alle scholen is gevraagd of er in de afgelopen twee jaar op school vermoedens zijn geweest over criminele uitbuiting van leerlingen. De bevraagde tijdsperiode loopt van de tweede helft van 2020 tot en met de eerste helft van 2022. Omwille van de leesbaarheid
16
Zie Bijlage A: De vragenlijst.
19
17
Mondelinge informatie van de gemeente Rotterdam, d.d. 24 mei 2023.
18
CKM (2022).
Zie Vormen van Mensenhandel (Nationaal Rapporteur) (laatst geraadpleegd op 08 augustus 2022); Criminele uitbuiting (CCV) (laatst geraadpleegd op 08 augustus 2022)
20
Voor de volledige definitie zie Bijlage A De vragenlijst.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
| 9
wordt in dit rapport kortweg gesproken over 2020-2022. Scholen die inschatten dat criminele uitbuiting van leerlingen in deze periode heeft plaatsgevonden, zijn aanvullend gevraagd naar het aantal vermoedens, de vormen van gedwongen criminaliteit, de elementen van dwang, de locaties waar slachtoffers zijn geworven en geronseld, de kenmerken van slachtoffers en de relatie tussen de slachtoffers en plegers. Alle scholen zijn gevraagd naar bestaande voorlichting, training of werkafspraken omtrent het signaleren van criminele uitbuiting en het omgaan met vermoedens, naar het delen van vermoedens met andere organisaties en naar wat er nodig is om de aanpak van criminele uitbuiting van minderjarigen te versterken. De vragenlijst is beëindigd met de vraag of scholen aanvullend mee zouden willen werken aan een verdiepend interview en of zij opmerkingen hebben over het onderzoek of de vragenlijst. Zie voor de volledige vragenlijst Bijlage A.
zijn getranscribeerd en thematisch is onderzocht waar de informatie uit de interviews de resultaten uit de vragenlijst aanvult en verrijkt.
Fase 2. Interviews met onderwijsinstellingen Volgend op de vragenlijst is met vijf scholen een verdiepend interview gehouden. Met deze fase werd getracht om meer inzicht te krijgen in de ervaringen die scholen hebben met criminele uitbuiting (deelvraag 1) en de uitdagingen en kansen die zij zien om de signalering en aanpak op en rondom scholen te versterken (deelvraag 2), hetgeen tot mogelijke interventies kan leiden.21 In de interviews is dieper ingegaan op de ervaringen die scholen hebben met criminele uitbuiting van leerlingen en gesproken over het verstevigen van de aanpak.
De interviews (fase 3) zijn gehouden met externe stakeholders die betrokken zijn bij het onderwerp preventie en veiligheid op basis- en middelbare scholen in Rotterdam. Hiervoor is ook in fase 2 aan de geïnterviewde scholen gevraagd welke externe stakeholders onmisbaar zijn in de aanpak van criminele uitbuiting op en rondom onderwijsinstellingen in Rotterdam. De genoemde stakeholders zijn met de gemeente gedeeld. De onderzoekers zijn via de gemeente Rotterdam met relevante stakeholders in contact gebracht voor het afnemen van een interview. De vijftien respondenten zijn werkzaam in een organisatie binnen de jeugdhulpverlening, jeugdbescherming, jongerenwerk, Openbare Orde en Veiligheid, politie, ervaringsdeskundigheid, beroepsonderwijs, of de gemeente. Daarnaast zijn drie interviews gehouden met partijen waarvan gedurende het interview bleek dat zij niet in direct contact staan met scholen en leerlingen. Deze drie interviews zijn daarom niet meegenomen in de analyse en rapportage van dit onderzoek.
De interviews zijn gehouden met onderwijsprofessionals die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op hun schoollocatie. Eén school is in beeld gekomen doordat de respondent in de vragenlijst heeft aangegeven dat hij of zij wilde meewerken aan een interview. De andere vier scholen zijn geworven via de gemeente. Dit resulteerde bij vier scholen in een interview met één tot twee onderwijsprofessionals en bij één school in een focusgroep met vier onderwijsprofessionals. Onder de vijf scholen die deelgenomen hebben aan fase 2 van het onderzoek, gaat het om één basisschool, twee middelbare scholen uit het voortgezet speciaal onderwijs, een middelbare school met een combinatie van vmbo, havo, vwo en gymnasium en een scholengroep waarbinnen verschillende vormen uit het voortgezet onderwijs zijn vertegenwoordigd. De respondenten vervullen een functie als schooldirecteur, mediator, teamleider, afdelingsleider, ondersteuningscoördinator of docent. Via voornoemde methoden is het dus onvoldoende gelukt om de beoogde vijftien respondenten te werven voor fase 2 van het onderzoek (zie ook §2.4 Kanttekeningen bij het onderzoek).
Fase 3. Interviews met externe stakeholders Volgend op de interviews met scholen is met vijftien externe stakeholders via Microsoft Teams of op locatie een verdiepend interview gehouden. Deze fase had als doel om kennis te verzamelen over uitdagingen en kansen die externe stakeholders betrokken bij het onderwerp preventie en veiligheid zien om de aanpak van dit fenomeen te versterken (deelvraag 3). In de interviews is, zoals ook in fase 2, dieper ingegaan op de ervaringen die externe stakeholders hebben met criminele uitbuiting op- en rondom onderwijsinstellingen en gesproken over het verstevigen van de aanpak.22
De interviews zijn afgenomen via Microsoft Teams of op de werklocatie van de respondent tussen november 2022 en januari 2023. De interviews varieerden in lengte van 45 minuten tot een uur. De interviews zijn getranscribeerd en thematisch onderzocht.
2.2 Privacy
De interviews zijn afgenomen via Microsoft Teams of op de scholenlocatie tussen juni 2022 en december 2023. De interviews varieerden in lengte van 45 minuten tot een uur. De interviews
Scholen en externe stakeholders namen anoniem deel aan het onderzoek. Geen enkele informatie herleidbaar naar personen of scholen is in dit rapport opgenomen. Dit omvat zowel scholen die de vragenlijst hebben ingevuld als scholen en externe stakeholders die hebben deelgenomen aan de interviews. Daarnaast is ook zorg gedragen dat operationele informatie, bijvoorbeeld over slachtoffer- of dadergroepen, op geen enkele wijze herleidbaar is naar bestaande personen.
21
22
Voor de volledige topiclijst zie Bijlage B. Topiclijst interviews fase 2.
Voor de volledige topiclijst zie Bijlage C. Topiclijst interviews fase 3.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 10
2.3 Dataset Achtentachtig scholen zijn gestart met het invullen van de vragenlijst. Scholen zijn niet meegenomen in de studie indien zij niet het eerste deel van de vragenlijst, gericht op de aard en omvang van criminele uitbuiting, volledig hebben ingevuld (n = 11). Andere exclusiecriteria waren
Achtenzestig scholen hebben de vragenlijst volledig ingevuld. Acht scholen hebben de vragen over de aanpak van criminele uitbuiting (tweede deel van de vragenlijst) niet volledig beantwoord. Deze scholen zijn wel meegenomen in het onderzoek maar kunnen hierdoor missen in de analyses van Hoofdstuk 4. De definitieve steekproef bestaat uit 76 scholen, waarvan 47 basisscholen (62%) en 29 middelbare scholen (38%).
1. school is niet gevestigd in Rotterdam; 2. school verzorgt geen onderwijs aan minderjarigen, en; 3. uit de ingevulde vragenlijst blijkt dat antwoorden gericht zijn op vormen van mensenhandel of fenomenen anders dan criminele uitbuiting.
Om de anonimiteit van de scholen te waarborgen, is voor dit onderzoek gekozen voor een gebiedsindeling (Figuur 1). De gehanteerde gebiedsindeling refereert aan de werkgebieden van de accountmanagers voortgezet onderwijs bij de afdeling Onderwijs.
Deze criteria waren niet van toepassing op de scholen, dus er zijn geen scholen op basis van deze criteria geëxcludeerd. Eén school heeft de vragenlijst twee keer ingevuld, een keer volledig en een keer niet volledig. De onvolledig ingevulde vragenlijst is niet meegenomen in het onderzoek.
Figuur 1. Gehanteerde gebiedsindeling van het onderzoek
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
In Rotterdam wordt het onderwijs in verschillende vormen aangeboden. Het primair onderwijs kent regulier basisonderwijs, speciaal basisonderwijs (sbo) en speciaal onderwijs (so). Het voortgezet onderwijs kent voortgezet speciaal onderwijs (vso), praktijk onderwijs en (een combinatie van) vmbo, havo, vwo of gymnasium. Voornoemde vormen zijn meegenomen in het onderzoek (Figuur 2). Figuur 2. Binnen welke vorm van onderwijs bent u werkzaam?
Bovenal is de vragenlijst ingevuld door schoolleiders (88%), gevolgd door enkele zorgverleners of zorgcoördinatoren (7%), twee leerkrachten (3%) een conciërge (1%) en een coördinator onderbouw (1%).23
2.4 Kanttekeningen bij het onderzoek Voordat wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten, wordt eerst stilgestaan bij de beperkingen van dit onderzoek. Allereerst is het van belang te benoemen dat de respondentaantallen binnen de verschillende fasen van dit onderzoek beperkt zijn. De resultaten uit het onderzoek kunnen hierdoor niet zomaar gegeneraliseerd worden naar scholen die niet aan het onderzoek hebben deelgenomen en het beeld dat uit de interviews ontstaat is enkel indicatief van aard. Op verzoek van de gemeente Rotterdam is het uitzetten van de vragenlijst (fase 1) en de selectie en werving van respondenten voor de
| 11
interviews (fase 2 en 3) uitgevoerd door de gemeente. In alle drie de fasen van het onderzoek bleek het werven van respondenten, ondanks herhaalde pogingen en het verlengen van de onderzoeksperiode, moeilijk. In fase twee hebben van de beoogde vijftien interviews met scholen, slechts vijf interviews plaatsgevonden. Meerdere factoren zijn mogelijk van invloed geweest op de werving van respondenten. Allereerst is het van belang aandacht te hebben voor de hoge werkdruk van leraren en lerarentekorten. In de afgelopen jaren hebben scholen steeds meer verantwoordelijkheden gekregen en worden zij steeds vaker gevraagd om bij te dragen aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken.24 Het roept de vraag op in hoeverre scholen niet overvraagd worden, hetgeen zeer mogelijk van invloed is op de keuze van scholen om niet deel te nemen aan dit onderzoek. Daarnaast is het ook mogelijk dat bij hoge werkdruk criminele uitbuiting onvoldoende prioriteit krijgt, waardoor mogelijk ook het belang om deel te nemen aan het onderzoek onvoldoende onderkend wordt. Tegelijkertijd valt ook niet uit te sluiten dat scholen een drempel ervaren om deel te nemen aan het onderzoek, uit angst voor aantasting van het imago van de school.25 Daarnaast spelen de uitdagingen rondom het werven van respondenten ook in fase drie van het onderzoek, waar het gaat om interviews met externe stakeholders.
In de originele opzet van het onderzoek was het de bedoeling dat op basis van de interviews met onderwijsinstellingen een beeld zou worden verkregen van externe stakeholders die bij de aanpak van criminele uitbuiting in en rondom scholen betrokken zijn. Nu het onvoldoende lukte om scholen bij het onderzoek te betrekken, en er uit de interviews dus onvoldoende externe stakeholders naar voren kwamen, is vanuit de gemeente zelf contact gezocht met stakeholders die de directe schil rondom scholen vormen. In de praktijk bleek dit echter complex en was het voor de gemeente niet altijd duidelijk welke organisaties hierbij een sleutelrol vervullen. Hoewel de gemeente uitvroeg of stakeholders direct in contact stonden met scholen en/of diens leerlingen, bleek bijvoorbeeld dat dit in de interviews soms toch niet het geval was. Daarnaast was het omwille van de planning en begroting niet meer mogelijk om met stakeholders die later in het proces in beeld zijn gekomen in gesprek te gaan. Hierdoor ontbreken in dit onderzoek mogelijk een aantal stakeholders die wel een belangrijke rol vervullen in de aanpak van criminele uitbuiting.
24
Onderwijsraad (2021); Onderwijsakkoord (2022); Lerarentekort op basisscholen gestegen tot bijna 10 procent (nos.nl) (laatst geraadpleegd op 5 april 2023).
25 23
Totaal n=76, 88% staat gelijk aan n=67, 7% staat gelijk aan n=5.
Zie bijvoorbeeld: Jongeren geronseld voor prostitutie of drugshandel (volkskrant.nl) (laatst geraadpleegd op 14 april 2023).
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 12
Een tweede kanttekening in dit onderzoek, is dat er sprake kan zijn van sociaal-wenselijke antwoorden vanuit de scholen, bijvoorbeeld over de aanwezigheid van signalen van criminele uitbuiting op de schoollocaties. Eerder onderzoek naar de aard en omvang van criminele uitbuiting26 laat zien dat eerstelijns professionals in de praktijk angst voor imagoschade signaleren als het gaat om betrokkenheid bij criminaliteit. Ook in dit onderzoek is het zeer mogelijk dat scholen terughoudend zijn als het gaat om het erkennen van criminele uitbuiting van leerlingen. Scholen worden ook beoordeeld op leerresultaten en de ontwikkeling van leerlingaantallen,27 hetgeen van invloed kan zijn op het openlijk bespreekbaar maken van criminele uitbuiting. Om het risico op sociaal wenselijke antwoorden te verminderen, is aan het begin van de interviews stilgestaan bij de waarborging van anonimiteit binnen het onderzoek en is aan de scholen uitgelegd dat geen enkele informatie herleidbaar naar personen of scholen, in het rapport wordt opgenomen. Bovendien is in de interviews niet uitsluitend ingezet op de ervaringen op de eigen schoollocatie, maar zijn scholen ook gevraagd naar wat zij over de problematiek zien en horen op andere scholen. Andere scholen zijn in de interviews niet bij naam genoemd en geïnterviewde scholen zijn ook niet gevraagd om namen van schoollocaties te delen.
Een laatste belangrijke kanttekening van dit onderzoek is dat de resultaten enkel inschattingen geven van de aard en omvang van criminele uitbuiting van minderjarigen, die volgen uit de waarnemingen van scholen en externe stakeholders. Dit betekent dat in dit onderzoek geen sprake is van formeel vastgesteld slachtofferschap en daderschap en dat de resultaten zoals weergegeven in dit onderzoek gaan over vermoedelijke slachtoffers en vermoedelijke daders. Daarnaast beschikken onderwijsprofessionals niet altijd over voldoende informatie om tot een (formeel) oordeel omtrent slachtofferschap te komen en valt dit bovendien ook niet binnen hun taakstelling. Als gevolg hiervan kan niet worden uitgesloten dat kinderen of jongeren die door de scholen en stakeholders in dit onderzoek als slachtoffer zijn aangemerkt in de praktijk toch geen slachtoffer blijken te zijn (false positive). Het omgekeerde is echter ook waar. Het is ook mogelijk dat de scholen en stakeholders mogelijk in contact zijn gekomen met kinderen of jongeren die wél slachtoffer zijn, maar niet als zodanig zijn gesignaleerd (false negative). Het doel van het onderzoek is dan ook niet om te komen tot het in beeld brengen van vastgestelde juridische slachtoffers en daders van criminele uitbuiting.
26 27
CKM (2022). Zie De werkwijze van de inspectie | Onderwerp | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie. nl); Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse | De werkwijze van de inspectie | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl) (laatst geraadpleegd op 5 april 2023).
Bij de definitiebeschrijving van criminele uitbuiting is zo accuraat mogelijk aangesloten op de gehanteerde definities van overheidsorganisaties, zoals de politie en de Nationaal Rapporteur die ook rapporteren over of meldingen maken van vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel. Omwille van de leesbaarheid is in dit rapport gekozen om deze nuance hier te benoemen en wordt in het rapport verder kortweg gesproken over slachtoffers. Vanwege de besproken kanttekeningen betreft dit rapport een verkennend onderzoek waarin uitsluitend de belangrijkste resultaten, knelpunten en kansen in beeld worden gebracht.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
3. RESULTATEN Hoofdstuk 3 gaat in op de eerste deelvraag van dit onderzoek: Deelvraag 1) Wat kan volgens onderwijsprofessionals die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op hun schoollocatie gezegd worden over de aard en omvang van criminele uitbuiting onder scholieren in de gemeente Rotterdam?
| 13
van het voortgezet onderwijs, zelfs over zes tot en met tien mogelijke slachtoffers in de afgelopen twee jaar. In totaal gaat het om minimaal 70 en maximaal 149 waarnemingen in twee jaar tijd.33 Figuur 3. Heeft u in de afgelopen twee jaar wel eens een vermoeden gehad of heeft u op dit moment het vermoeden dat een leerling op de school waar u werkt mogelijk slachtoffer is (geweest) van criminele uitbuiting?
In dit hoofdstuk worden de resultaten behandeld. Per paragraaf wordt ingegaan op de resultaten voortkomend uit de vragenlijst, gevolgd door het beeld dat ontstaat vanuit de vijf interviews met scholen en de inzichten uit de vijftien interviews met externe stakeholders die betrokken zijn bij het onderwerp preventie en veiligheid op basis- en middelbare scholen in Rotterdam. Het hoofdstuk vangt aan met de signalen uit het onderwijs waaronder de omvang (§3.1), gevolgd door de aard van de criminele uitbuiting (§3.2), de kenmerken van slachtoffers (§3.3) en tot slot de relatie tussen slachtoffer en pleger (§3.4).
3.1 Omvang van criminele uitbuiting • Vermoedens op school. In totaal hebben in Rotterdam dertien van de deelnemende basisscholen (28%)28 en achttien middelbare scholen (62%)29 in de afgelopen twee jaar zorgen gehad over criminele uitbuiting van een of meer leerlingen (Figuur 3). • Aantal vermoedens. Meer dan de helft van de middelbare scholen (55%)30 en bijna een op de vijf basisscholen (19%)31 heeft zich in de afgelopen twee jaar meerdere keren per jaar zorgen gemaakt over criminele uitbuiting van leerlingen (Figuur 4). Enkele scholen hebben zelfs meerdere keren per maand zorgen over criminele uitbuiting. • Aantal slachtoffers. De meeste scholen met zorgen over criminele uitbuiting van leerlingen, zagen meerdere slachtoffers in twee jaar tijd (81%; Figuur 5).32 Tien van de dertien basisscholen en elf van de achttien middelbare scholen spreken over twee tot en met vijf mogelijke slachtoffers. Verder spreken vier middelbare scholen, uit alle vier vormen
28
Totaal n=47, 28% staat gelijk aan n=13.
29
Totaal n=29, 62% staat gelijk aan n=18.
respondent uitgegaan van de laagste schatting. Al deze aantallen zijn bij elkaar opgeteld (n=70). Vervolgens is
30
Totaal n=29, 55% staat gelijk aan n=16.
voor elke respondent uitgegaan van de hoogste schatting. Ook deze aantallen zijn bij elkaar opgeteld (n=149).
31
Totaal n=47, 19% staat gelijk aan n=9.
Op deze schatting rusten enkele beperkingen. Zie hiervoor §2.4 Kanttekeningen bij het Onderzoek. Dit
32
Totaal n=31, 81% staat gelijk aan n=25.
onderzoek kan het werkelijke aantal slachtoffers niet vaststellen en heeft dit ook niet tot doel gehad.
33
Dit cijfer is berekend aan de hand van de geschatte waarnemingen van respondenten. Eerst is voor elke
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 14
• Aantal slachtoffers ten tijde van het onderzoek. Op basis van de resultaten kan ook een inschatting gemaakt worden van het aantal slachtoffers van criminele uitbuiting ten tijde van de eerste fase van het onderzoek (mei-juli 2022). Vier deelnemende basisscholen en elf deelnemende middelbare scholen hadden op het moment van invullen van de vragenlijst zorgen dat een of meer leerlingen crimineel werden uitgebuit. Vier basisscholen vermoedden dat acht leerlingen op dat moment slachtoffer waren van criminele uitbuiting.34 Bij elf middelbare scholen ging het in totaal om 57 leerlingen.35 Bijeengenomen gaat het dus om 65 kinderen die in de periode van 10 mei en 15 juli 2022 in Rotterdam mogelijk slachtoffer waren van criminele uitbuiting.36 Een zorgelijke bevinding gezien het per definitie over (jonge) kinderen gaat die in de genoemde periode, en mogelijk nog in het hier en nu, in een onveilige situatie verkeren en wellicht direct fysiek gevaar lopen. • Toegenomen zorgen. De helft van de middelbare scholen37 en bijna een op de drie basisscholen38 is zich in de afgelopen twee jaar meer zorgen gaan maken over criminele uitbuiting van leerlingen (Figuur 6). Desondanks zagen de meeste scholen geen toename in het aantal slachtoffers van criminele uitbuiting (Figuur 7). • Verschillen tussen en binnen de stadsgebieden.
In alle stadsgebieden waren in de afgelopen twee jaar zorgen over criminele uitbuiting van leerlingen.39 Wat vooral opvalt, is dat niet alleen tussen de stadsgebieden, maar ook binnen de stadsgebieden verschillen bestaan, waarbij een aantal scholen de problematiek zelden tot niet waarnemen en een aantal scholen zich structureel en in grote mate zorgen maken over criminele uitbuiting van leerlingen. • Invloed van coronamaatregelen. Vooral de middelbare scholen benoemen dat door de coronamaatregelen in de afgelopen twee jaar minder goed zicht is geweest op criminele uitbuiting van leerlingen. Het gaat om meer dan de helft van de middelbare scholen (54).40 De meeste basisscholen geven aan het niet eens en ook niet oneens te zijn met deze stelling (49%).41
34
Dit moment verwijst in deze naar het moment van deelname aan het onderzoek (tussen 10 mei en 15 juli 2022).
35
Dit moment verwijst in deze naar het moment van deelname aan het onderzoek (tussen 10 mei en 15 juli 2022).
36
Op deze schatting rusten enkele beperkingen. Zie hiervoor §2.4 Kanttekeningen bij het Onderzoek. Dit onderzoek kan het werkelijke aantal slachtoffers niet vaststellen en heeft dit ook niet tot doel gehad.
37
Totaal n=26, 50% staat gelijk aan n=13.
38
Totaal n=43, 30% staat gelijk aan n=13.
39
Zie §2.3 dataset figuur 1 voor de gebiedsindeling.
40
Totaal n=26, 54% staat gelijk aan n=14.
41
Totaal n=43, 49% staat gelijk aan n=21.
Figuur 4. Hoe vaak heeft u in de afgelopen twee jaar vermoedens gehad dat leerlingen slachtoffers zijn of waren van criminele uitbuiting?
Figuur 5. Over hoeveel leerlingen zijn er op de school waar u werkt in de afgelopen twee jaar vermoedens geweest dat zij slachtoffer zijn of waren van criminele uitbuiting?
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM Figuur 6. Stelling “Ik ben mij in de afgelopen twee jaar meer zorgen gaan maken over criminele uitbuiting van leerlingen.”
| 15
signalen die gepaard gaan met zorgen, maar waarbij niet duidelijk wordt of het gaat om criminele uitbuiting of om andere soorten problematiek: “Je hebt vermoedens, maar waarvan weet je niet eens.” (Voortgezet onderwijs combinatie vmbo, havo, vwo en gymnasium) De scholen spreken zelf over het niet herkennen noch ontkennen van de problematiek. Zo heeft een respondent bij de zorgcoördinator navraag gedaan naar signalen van criminele uitbuiting in het voorgaande jaar. Deze geeft aan geen enkel signaal gezien te hebben dat wijst op criminele uitbuiting. Desondanks is respondent ervan overtuigd dat criminele uitbuiting wel voorkomt op school: “En dat zegt nog niet dat het niet voorkomt, want dat is klets, dat gebeurt zeker.” (Scholengroep voortgezet onderwijs)
Figuur 7. Stelling “Ik heb in de afgelopen twee jaar een toename gezien in het aantal leerlingen dat vermoedelijk slachtoffer is van criminele uitbuiting.”
Zo ook een andere school: “Het zou naïef zijn om te denken dat het hier niet speelt. Alleen, wij hebben er gewoon amper zicht op.” (Voortgezet onderwijs combinatie vmbo, havo, vwo en gymnasium) Omgekeerd valt het dan ook op dat een deel van de scholen zich wel structureel en in grote mate zorgen maken over criminele uitbuiting van leerlingen waarbij (zeer) kwetsbare kinderen al op jonge leeftijd geronseld worden voor criminaliteit. “Wij vragen dus wel: wordt er weleens aan jou gevraagd, om iets weg te brengen? Dus dat vragen we aan kinderen. Dan zeggen ze: ‘Ja, dat is wel gevraagd, maar dat doe ik niet hoor!’ Dus ze hebben er allemaal al mee te maken gehad.” (Basisschool)
Scholen aan het woord Als het gaat over de omvang van criminele uitbuiting van leerlingen ontstaat ook uit de interviews een tweezijdig beeld. Het blijkt dat niet alleen tussen stadsgebieden, maar ook binnen stadsgebieden grote verschillen bestaan tussen scholen in het waarnemen van criminele uitbuiting van leerlingen. Allereerst geeft een deel van de scholen aan dat zij de problematiek zelden tot niet waarnemen en hooguit een enkele keer per jaar signalen zien die wijzen op mogelijke betrokkenheid van een leerling bij criminele activiteiten. Dit zijn
Een andere school: “ik wil niet zeggen dweilen met de kraan open, maar het gaat soms daar naartoe weet je? Ze vinden iedere keer iets anders.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Deze scholen geven aan dat de omvang van de zorgen de laatste jaren niet is toegenomen.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 16
Wel zien een paar scholen het aantal ernstige delicten waar jongeren bij betrokken zijn toenemen. Het gaat over ernstige incidenten en delicten met messen of andere wapens waarbij jongeren betrokken zijn. “Dat jongeren drugs verkopen onder dwang dat speelt eigenlijk al zolang ik hier werk. Het enige dat erger is geworden is met messen.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Stakeholders aan het woord Ook onder de externe stakeholders die betrokken zijn bij preventie en veiligheid op scholen, lijkt het zicht op criminele uitbuiting sterk te verschillen. De meeste stakeholders zijn zich bewust van het bestaan van criminele uitbuiting, maar hebben geen duidelijk beeld van de omvang. Dit komt bijvoorbeeld doordat het vanuit de externe positie moeilijk is voor deze professionals om dwang te signaleren en daardoor met zekerheid vast te stellen dat het gaat om uitbuiting. Andere stakeholders geven schattingen van tientallen tot honderden slachtoffers, alleen al binnen hun eigen werkgebied.
het witwassen van geld (39%) (Figuur 8).42 Andere vormen van criminele uitbuiting die worden genoemd, zijn afpersing, bende gerelateerde criminaliteit, illegaal vuurwerk, en het op de uitkijk staan bij diefstal of drugshandel. • Elementen van dwang. Basisscholen zien dat bij criminele uitbuiting vooral misbruik wordt gemaakt van de jonge leeftijd van leerlingen, gevolgd door misbruik van een leerling zijn of haar lichtverstandelijke beperking (lvb) en dwang door (dreigen met) fysiek geweld (Figuur 9). Dezelfde elementen van dwang worden gezien door middelbare scholen, waar (dreigen met) fysiek geweld het meeste gezien wordt. • Ronsellocaties. De straat is de meest genoemde plek waar leerlingen volgens scholen zijn geworven of geronseld. Tien basisscholen (77%)43 en twaalf middelbare scholen (67%)44 benoemen dat een of meer leerlingen zijn geronseld op straat of op openbare hangplekken. In mindere mate spreken scholen ook over het werven of ronselen van leerlingen online of via sociale media kanalen. Laatstgenoemde betreft drie basisscholen (23%)45 en zeven middelbare scholen (39%).46 Ten slotte spreekt een basisschool (5%)47 en vijf middelbare scholen (38%)48 over leerlingen die geworven of geronseld zijn op of rondom school.
Ook stakeholders geven aan dat de omvang van criminele uitbuiting van jongeren de laatste jaren niet toegenomen is. Wel wordt meerdere malen genoemd dat de delicten en de mate van dwang zwaarder zijn geworden: “Jongeren die vroeger alleen op de uitkijk werden gezet of die een pinpas werd gevraagd om te misbruiken, zie je nu dat jongeren ook steeds vaker worden ingezet voor hele heftige dingen: die moeten afrekenen met een schuldeiser of die betaald krijgen om drugs uit een container in de haven te halen. Nou dat zijn best wel heftige feiten.” (Jeugdhulpverlening)
3.2 Aard van criminele uitbuiting • Vormen van gedwongen criminaliteit. De meeste scholen met zorgen over criminele uitbuiting hebben in de afgelopen twee jaar meerdere vormen van gedwongen criminaliteit waargenomen. Het gedwongen vervaardigen, vervoeren of verhandelen van drugs, het gedwongen plegen van diefstal, inbreken of zakkenrollen en het gedwongen plegen van geweld zijn de drie genoemde vormen van gedwongen criminaliteit. Daarnaast geven zeven middelbare scholen aan dat een of meer leerlingen ingezet zijn als geldezel of voor
42
Totaal n=18, 39% staat gelijk aan n=7.
43
Totaal n=13, 77% staat gelijk aan n=10.
44
Totaal n=18, 67% staat gelijk aan n=12.
45
Totaal n=13, 23% staat gelijk aan n=3.
46
Totaal n=18, 39% staat gelijk aan n=7.
47
Totaal n=18, 5% staat gelijk aan n=1.
48
Totaal n=13, 38% staat gelijk aan n=5.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM Figuur 8. Welke vormen van gedwongen criminaliteit waren in de afgelopen twee jaar van toepassing bij de (vermoedelijke) slachtoffers met wie u op de school waar u werkt in aanraking bent gekomen?
| 17
Figuur 9. Op welke manier werden de (vermoedelijke) slachtoffers, met wie u in de afgelopen twee jaar op de school waar u werkt in aanraking bent gekomen, in de criminaliteit gedwongen?
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 18
Scholen aan het woord Dat scholen verschillende vormen van gedwongen criminaliteit zien, komt ook in de interviews naar voren: “We zagen afgelopen jaar geldezelproblematiek. Dus leerlingen die hun pasje uitlenen en dan ineens een beetje rijker zijn aan het einde van de dag, maar natuurlijk tegen de lamp lopen en vervolgens daar problemen mee hebben. Dat het soms binnen de klas ook gebeurt, dat leerlingen elkaar onder druk zetten. […]. We zagen leerlingen die zich de les uit lieten sturen om pakjes op te halen die op een andere naam besteld waren. […] We zagen stapels geld, vals geld voorbijkomen. […]. Leerlingen die zich met messen bewapenen omdat ze zich onveilig voelen. […]. Alleen onze jongeren zijn nog best wel jong, ik heb het gevoel dat wij vaak nog aan het begin staan.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Scholen zien dat leerlingen gedwongen worden tot drugscriminaliteit en het uithalen van drugs uit de haven, diefstal, straatroven, financiële delicten, oplichting en geweldsdelicten. Hierbij is het voor de scholen niet altijd duidelijk of er daadwerkelijk sprake is van uitbuiting, maar worden wel elementen van dwang gesignaleerd: “En er is een tijdlang en dat is nog steeds het zwaaien met messen en elkaar daarmee. […] Die drillrap scene die is in Rotterdam in ieder geval nadrukkelijk aanwezig. Het verhaal was altijd dat het vooral op Rotterdam-Zuid zit.
Maar als je heel eerlijk bent zit het in heel Rotterdam, tot in kelderboxen van flats toe. Kinderen horen daarbij en als je er éénmaal erbij hoort kom je er ook niet meer uit.” (Scholengroep voortgezet onderwijs) Verderop in het interview vult de respondent nog aan: “In het drillrap circuit dat je bepaalde [criminele] activiteiten moet ondernemen om punten te verzamelen en als je dat niet doet dan word jou wat aangedaan” (Scholengroep voortgezet onderwijs)
Als het gaat over elementen van dwang, is het beeld dat uit de interviews ontstaat tweeledig. Allereerst zien scholen hoe vooral (zeer) kwetsbare kinderen misleid en gemanipuleerd worden. Het gaat over ongelijkwaardige relaties waarbinnen kinderen misleid worden met (valse) beloften en ‘gunsten’ die gevolgd worden door het principe van wederkerigheid. Het weigeren van (verdere) criminaliteit als tegenprestatie betekent dat het kind zelf slachtoffer wordt. Vervolgens volgen steeds grotere verzoeken elkaar op tot het kind geen ander perspectief of uitweg ziet dan de criminaliteit waar hij of zij steeds meer in vastraakt. Ten tweede tonen de interviews zorgen over verharding van de straatcultuur die volgens enkele scholen een gevolg is van de toenemende kansenongelijkheid. Deze verharding komt de laatste jaren ook steeds meer de school binnen. “De hiërarchie die er ook binnen school is. In de school zijn een aantal kinderen die al een bepaalde rol hebben aangemeten, wat eigenlijk op straat ook gebeurt. Op straat zijn zij degene die moeten luisteren naar een ander. [ ] Na schooltijd gaan ze ook tegen andere kinderen zeggen ja, je moet dit doen, of zullen we na schooltijd die pakken.”(Basisschool) Een paar middelbare scholen zien dat leerlingen zichzelf in en buiten school uit angst bewapenen met messen.
Een basisschool ziet dat in sommige wijken (jonge) kinderen, niet zelden, getuige zijn van zeer ernstig geweld in de wijk: “Op straat is het overleven, het recht van de sterkste, vooral in dit soort wijken. Kinderen staan er niet van te kijken als er ergens gevochten wordt of er wordt iemand beroofd of er wordt geschoten. Dat maken ze regelmatig mee. Het is natuurlijk wel iets wat eigenlijk niet hoort bij deze leeftijd.” (Basisschool) Bij criminele uitbuiting gaat het volgens scholen dan ook niet uitsluitend over subtiele dwang. Verharding van de straatcultuur uit zich in de manieren waarop jongeren gedwongen worden tot criminaliteit. Ook zien de scholen dat er sprake is van chantage en bedreiging of geweld richting het slachtoffer, ouders van slachtoffers en broertjes of zusjes. “Dan komt het bij je school want dan staan ze voor de school met hun messen staan ze klaar.” (Scholengroep voortgezet onderwijs)
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
Stakeholders aan het woord Stakeholders zien vooral criminele uitbuiting binnen de drugscriminaliteit, geweldpleging en geldezels. Diefstal en ronselen voor de prostitutie worden door één stakeholder genoemd. Professionals binnen de jeugdhulpverlening geven het meeste informatie over dwangelementen, wat er mogelijk op wijst dat zij hier het meeste zicht op hebben. Stakeholders rapporteren verschillende vormen van dwang, waaronder misbruik van kwetsbaarheden zoals leeftijd en lvb, maar ook afpersing en dreiging met geweld. Evenals de scholen, geven stakeholders aan dat dwang steeds meer online plaatsvindt: “Ik heb ook weleens meegemaakt dat ze echt afgeperst werden, omdat er een foto was of een bepaald gesprek. Of iets wat gewoon gefotoshopt was nota bene. Dat ze op die manier onder druk werden gezet van, je moet nu dit en dat gaan doen, want anders zijn dit de gevolgen. Dat kan zijn ‘ik stuur het naar je ouders’, maar ook ‘anders trap ik je in elkaar’.” (Jeugdhulpverlening)
| 19
3.3 Achtergrondkenmerken van slachtoffers • Geslacht slachtoffers. Zorgen over criminele uitbuiting zijn het meest gericht op jongens (Figuur 10). Ongeveer drie kwart van de basis- en middelbare scholen benoemt dat slachtoffers voornamelijk of uitsluitend jongens zijn.49 • Leeftijd slachtoffers. Alle dertien basisscholen spreken over slachtoffers in een leeftijd van 10 tot en met 12 jaar oud (Figuur 11). Drie basisscholen zien ook slachtoffers onder de 10 jaar. Op middelbare scholen worden vooral slachtoffers gezien in de vroege jaren van de middelbareschooltijd, in een leeftijd van 13 tot en met 15 jaar oud (89%), gevolgd door negen scholen die (ook) spreken over slachtoffers in een leeftijd van 16 of 17 jaar (50%).50 • Geen verandering in leeftijd slachtoffers. De grootste groep scholen ziet geen verandering in de leeftijd van slachtoffers in 2022 ten opzichte van 2020 (Figuur 12). Zes basisscholen (46%)51 en acht middelbare scholen (44%)52 benoemen dat de leeftijd van slachtoffers in de afgelopen twee jaar ongeveer gelijk is gebleven. Figuur 10. Tot welk geslacht behoren de (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting op de school waar u werkt?
Stakeholders leggen uit dat de uitbuiters misbruik maken van de emotionele behoeften van slachtoffers. Slachtoffers ervaren bijvoorbeeld een tekort aan aandacht en liefde, waar uitbuiters misbruik van maken door hun vriendschap aan te bieden. Een stakeholder legt uit hoe deze subtiele vormen van dwang eruit zien: “Ze worden ook vaak verleid. Dus ze hebben ook bepaalde behoeften aan iets. Het zijn jongens waar vaak geen vader in beeld is, vaak ook niet is geweest. Jongeren die op zoek zijn naar een identiteit, die ergens bij willen horen en op die manier ook verleid kunnen worden door de straat en wat er allemaal gebeurt. Snel geld maken is natuurlijk altijd aanlokkelijk, maar ook gewoon de aandacht krijgen, ergens goed in zijn, maar soms ook gewoon voor brood op de plank moeten zorgen voor oma of mama. Het gaat allemaal niet uit van vrijwilligheid zeg maar. Overal zit een bepaalde druk achter en hoewel subtieler is dat natuurlijk ook gewoon een vorm van dwang. Als jij misbruik maakt van iemands tekortkomingen of iemands problematiek, dan is dat, vind ik, ook een bepaalde vorm van dwang. Als je weet dat iemand daar geen weerstand aan kan bieden.” (Jeugdhulpverlener)
49
Totaal basisscholen n=13, 77% staat gelijk aan n=10, Totaal middelbare scholen n=18, 72% staat gelijk aan n=13.
50
Totaal n=18, 89% staat gelijk aan n=16.
51
Totaal n=13, 46% staat gelijk aan n=6.
52
Totaal n=18, 44% staat gelijk aan n=8.
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM | 20 Figuur 11. Tot welke leeftijdscategorieën behoren de (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting op de school waar u werkt? (meerdere antwoorden mogelijk).
Figuur 12. Zijn de (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting op de school waar u werkt de afgelopen twee jaar jonger geworden?
Scholen aan het woord De resultaten uit het onderzoek laten zien dat ieder kind uit elke wijk slachtoffer kan worden van criminele uitbuiting.53 Toch onderstrepen vier van de vijf scholen in de interviews grote
53
Zie §3.1 Omvang van criminele uitbuiting.
zorgen te hebben over hoe armoede en kansenongelijkheid in een aantal wijken toenemen en de voedingsbodem vormen van criminele uitbuiting: “Maar dat wij [in Rotterdam] al zoveel problemen hier hebben met onze jongeren, dan moeten we ons afvragen: Wat zijn de oorzaken? Ik zeg dat ik al op vele scholen hier in Rotterdam gewerkt heb. Het gaat in principe alleen over perspectief bieden aan het kind. Heel belangrijk. Kinderen hier in Rotterdam, ik mag niet generaliseren, een deel ervan heeft uiteindelijk geen perspectief. En die glijden op een gegeven moment weg. En gaan dan de criminaliteit in. Daarna heb je tegelijkertijd met perspectief de armoede. Zolang je vóór de façade van de huizen loopt, zeg je prima, mooie he? Loop eens naar binnen in sommige delen hier van Rotterdam, geen bed, geen tafel, geen verwarming, geen eten. Dat speelt ook. Geen eten bijvoorbeeld, wat nu in heel Nederland speelt. Rotterdam heeft het al jaren zo. […] Op een gegeven moment ben ik zelf eten [gaan meenemen] voor kinderen, maar ik kan ook niet alles. […] Als ik maar een deel geef. En het kind heeft toch honger en die loopt hier om de bocht. En hij ziet op een gegeven moment [een bekende]. Hé hoe gaat het? Kijk, ik heb iets voor je, € 20. Als je het pakketje voor mij maar vijf straten verder wilt brengen. En de volgende keer “mag ik je telefoonnummer dan kunnen we contact houden”.
Zo begint zo´n kind langzaam in het systeem te komen en komt er niet meer uit. Dit is de basis van het probleem en dit moet aangepakt worden. Doe je dit niet dan is het weer net wat jij zegt, a waste of time. Want het is politiek gepraat, maar concretisering ervan bereik je nooit.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) De scholen delen verschillende verhalen. Het gaat over leerlingen die met honger naar school komen, niet mee kunnen doen met sport, of al op jonge leeftijd het gezin financieel moeten ondersteunen. Bovendien gaat het over eenoudergezinnen en gezinnen waarbij vader en of moeder nauwelijks thuis aanwezig kunnen zijn doordat zij met twee of drie banen proberen rond te komen. Een school uit het speciaal onderwijs voegt hieraan toe dat diens leerlingen ook nog te maken hebben met stigmatisering, vooroordelen en uitsluiting, omdat zij op het speciaal onderwijs zitten:
CRIMINELE UITBUITING ONDER MINDERJARIGEN IN ROTTERDAM
“Ze hebben thuis vaak geen vangnet. En ik beschrijf altijd onze jongens zo, eer dat je op speciaal onderwijs zit heb je al heel veel dingen in je rugzakje gestopt. En je bent ook al heel vaak afgewezen, je hebt overal al gehoord dat je lastig bent, onhandelbaar bent en noem het allemaal maar op. Dus op het moment dat zij hier zijn, hebben zij geen vertrouwen meer en is het zelfbeeld heel laag en durven ze ook niet meer naar mensen toe te gaan, want ze horen toch maar ‘ja, het is je eigen schuld’ of ‘jij bent moeilijk’ of ‘jij bent dit…’” (Voortgezet speciaal onderwijs A) De negatieve labels en uitsluiting maken deze leerlingen extra gevoelig voor de beloften van uitbuiters die wel ‘potentie’ zien in het kind en hen als alternatief de criminaliteit intrekken. “Dit is de minst aaibare doelgroep en dat voelen ze ook echt. Ze voelen dat de samenleving niet op ze zit te wachten.” (Voortgezet speciaal onderwijs B) Stakeholders aan het woord Het belang van toekomstperspectief wordt beaamd door de stakeholders, zowel in preventie als in het voorkomen van recidive en revictimisatie: “Ik geloof heel erg in perspectief. Ik spreek heel veel jongeren die het idee hebben van: ‘nou ja, dit is mijn leven. Ik kan niks anders dan dit, dus ja waarom zou ik ergens anders over nadenken, dat lukt toch niet. Dit is het voor mij.’ Die jongeren hebben geen perspectief op iets anders.