CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb007315] Bijlage 3a behorende bij 23bb7325 - 311023 Aanvulling ROER Verstedelijking

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 28 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hierbij betrekken:46.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Het beoordelingskader voor de Aanvulling ROER bestaat in principe uit het beoorde­ lingskader dat is gebruikt voor het ROER. Enkele indicatoren van het beoordelings­ kader van het ROER zijn voor de Aanvulling ROER niet meegenomen, omdat deze voor A-Z niet relevant zjn (zoals havenlandschap) of omdat de voorgenomen ont­ wikkeling er weinig tot geen invloed op heeft (zoals gezonde voedselomgeving en rookvrije generatie bj het aspect Gezond gedrag). Bj water is de indicator afvalwa­ ter toegevoegd.

Het expertjudgement is uitgevoerd door de betreffende deskundigen een oordeel te laten geven over de te verwachten effecten van en aandachtspunten voor de voorge­ stelde ontwikkelingen per bouwsteen. Daarbij is gebruik gemaakt van beschikbare informatie uit diverse gegevensbronnen (o.a. RIVM, GGD, DCMR Milieudienst Rijn­ mond, afdeling Onderzoek en Business Intelligence Rotterdam). Voor een aantal verkeersgerelateerde effecten (bereikbaarheid, geluid, luchtkwaliteit) is gebruik

Het beoordelingskader kent drie niveaus: er zijn vier clusters met elk vier aspecten. Onder de aspecten is een groot aantal indicatoren gebruikt.

Gemeente Rotterdam 21

Cluster

Aspect

Duucm

Indicator

Cluster

Hitte

Fysische bodemkwaliteit

Voorzieningen

Grondwaterkwaliteit (KRW)

Verkeersveiligheid Mobiliteit

Oppervlaktewater

Inclusiviteit

Hemelwater

Welzijn

Beschermde natuurgebieden

Ruimtebeslag Ruimtegebruik

Ecologische verbondenheid Biodiversiteit

Materiaal-voetafdruk

Archeologische waarden Werkgelegenheid

Gebouwd erfgoed omgeving

Landschappelijk erfgoed

Economische vitaliteit

Bereikbaarheid economische clusters Ruimtelijk-economische structuur

Concentraties NO2, fijnstof en roet Luchtkwaliteit

Opleidingsniveaus Vestigingslocaties

Geur Blootstelling Externe veiligheid

Veiligheid

Waterveiligheid - binnendijks

3.3. Terugblik op het ROER 2021

Waterveiligheid - buitendijks Gezond gedrag

Naar aanleiding van de advisering van de Commissie m.e.r. op het ROER (2021) is destijds over enkele onderwerpen nog nadere informatie verschaft in een Addendum bij het ROER (2021). Het gaat om de grote ontwikkelingen en transities die van be­ lang kunnen zijn voor Rotterdam, zoals » klimaatverandering, » biodiversiteit, » energie- en mobiliteitstransitie en » (internationale) economische ontwikkelingen.

Voldoende beweging Mentale gezondheid Kwaliteit van de woningen

Woon­ omgeving

Economische groei Vestigingsklimaat

Geluidhinder Stille gebieden

Veilige, gezonde fysieke leef­ omgeving

Concentratie werklocaties CO2-uitstoot

Stedelijk landschap

Geluid

Sociale samenhang Sociale veiligheid

Ecologische hotspots

Landschap en cultureel erfgoed

Bereikbaarheid Schone verplaatsingen

Afvalwater Goede omgevingskwaliteit

Indicator

Bodem- en grondwaterverontreiniging (Wbb)

Grondwatersysteem Water

Aspect

Wonen

Balans in woonsegmenten ToekomstbestenUigheiU

Woonomgeving

Openbare ruimte

Gemeente Rotterdam 22

Deze ontwikkelingen waren in het ROER (2021) zelf nog onvoldoende benoemd en in hun mogeljke (samenhangende) toekomstige effecten geanalyseerd, waardoor de onzekerheidsmarges rond diverse beoordelingen groter zouden zijn dan uit het ROER blijkt. De aanvullende gevoeligheidsanalyses in het Addendum bij het ROER zijn samengevat in hoofdstuk 11 van dit rapport, inclusief een beschouwing hoe daarmee voor de Oostflank een invulling is gegeven via met name de ontwikkelprincipes.

Gemeente Rotterdam 23

4.1.3 Twee alternatieven en de referentiesituatie

4 Bouwstenen, alternatieven en referentiesituatie

De alternatieven zijn tot stand gekomen na een intensief ontwerpproces. Daarbij is gebiedsgericht gekeken naar de mogelijkheden voor verstedelijking c.q. verdichting en naar de mogeljke (ruimtelijke) belemmeringen daarbij. Bij het ontwikkelen van de alternatieven zijn de uitspraken in, en de kaders van de Omgevingsvisie het start­ punt geweest. Bij het ontwikkelen van de alternatieven zijn daarnaast de bestaande eigenschappen en structuren - van zowel onderlaag als de lagen van netwerken en occupatie - de basis geweest. Sterk structurerend zijn de bestaande structuren van groen (gerelateerd aan de onderlaag) en de netwerklaag van het openbaar vervoer.

4.1. Werkwijze 4.1.1

Introductie op dit hoofdstuk

In dit hoofdstuk is beschreven welke alternatieven zijn onderzocht, hoe deze tot stand zijn gekomen en zijn opgebouwd. In deze subparagraaf is de werkwijze be­ schreven, waarna in paragraaf 4.2 de referentiesituatie is toegelicht. In paragraaf 4.3 is de beschrijving van de twee alternatieven opgenomen.

De alternatieven zijn samengesteld aan de hand van de volgende variabelen: » Verdeling van het ruimtelijk programma (wonen, werken en voorzieningen) over de verschillende deelgebieden van A - Z; spreiden of concentreren; » Het wel of niet doortrekken van de tram van Kralingse Zoom naar de Alexanderknoop » Omvang van het programma per deelgebied, inclusief type woonmilieus; » Samenhangend pakket van randvoorwaarden op het gebied van bereikbaar­ heid, groen, ecologie, recreatie en energie (kwaliteitsmaatregelen); per deelge­ bied gespecificeerd. Op basis van het onderzoek in de Aanvulling ROER kan het pakket aan randvoorwaardeljke investeringen nog worden aangevuld en aangescherpt.

De effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn in deze Aanvulling ROER vergele­ ken met de toekomstige situatie zoals die zal ontstaan op basis van de autonome ontwikkelingen. Dat is de referentiesituatie. Daarbij wordt in dit rapport gekeken naar de toekomstige situatie in 2030 - 2040. Het gehele gebied is - evenals bij de ontwikkelvisie - verdeeld in deelgebieden. Om de mogelijke bandbreedte van de ef­ fecten van de verstedelijking in beeld te kunnen brengen zijn twee alternatieven samengesteld. Deze alternatieven zijn opgebouwd uit bouwstenen die op het ni­ veau van de deelgebieden zijn ontwikkeld. De alternatieven zijn het alternatief Con­ centreren (met concentratie en een groter aantal woningen) en Spreiden (met meer spreiding en een wat lager aantal woningen). In enkele deelgebieden is maar één bouwsteen beschouwd, die in beide alternatieven is opgenomen. Per deelgebied zijn aanvullend hierop extra bouwstenen ontwikkeld vanuit het principe van water en bo­ dem sturend.

Met deze variabelen kunnen effecten in beeld worden gebracht om te beoordelen op welke wijze de uitwerking van de in de omgevingsvisie vastgelegde gebiedskeuzes het beste aansluiten op de gestelde doelen "Goede groei". Het biedt houvast voor keuzes en randvoorwaarden en aandachtspunten voor de volgende fase. Naast deze twee alternatieven is in deze Aanvulling ROER ook de referentiesituatie beschouwd. Deze komt er voor de afzonderlijke deelgebieden op neer dat alleen de ontwikkelingen op basis van de autonome groei zullen plaatsvinden (waaronder vastgestelde bouwprojecten). In principe bestaat ten behoeve van een voorkeursal­ ternatief voor de ontwikkelvisie de mogelijkheid om te kiezen voor het bestendigen van de referentiesituatie - oftewel geen verdere ontwikkeling in dat deelgebied.

4.1.2 Deelgebieden en bouwstenen Het plangebied is op basis van ruimtelijke kenmerken opgedeeld in de volgende deelgebieden: » Alexanderknoop » Het Lage Land » Boszoom » Kralingse Zoom » De Esch » Feyenoord City » Bloemhof/Hillesluis » Hart van Zuid.

De al in de omgevingsvisie opgenomen keuzes voor de verstedeljkingsopgave en de principes van de omgevingsvisie (met 'goede groei' als kernbegrip) zijn als uitgangs­ punt en kader gehanteerd. Met de bouwstenen die nu zijn benoemd, de referentiesi­ tuatie en de alternatieven die daarop zijn gebaseerd zijn de 'redelijkerwijs te be­ schouwen alternatieven' (de wetteljke verplichting voor een MER) in beeld.

Gemeente Rotterdam 24

Voor de bouwstenen is het uitgangspunt voor deze Aanvulling ROER dat de verste­ delijking zal plaatsvinden op basis van de vigerende wet- en regelgeving. Dat houdt in dat de te bouwen woningen zullen voldoen aan de kwaliteitseisen (energiege­ bruik), maar dat in de twee alternatieven nog geen rekening is gehouden met locatiespecifieke vereisten op het vlak van water en bodem.

In het milieueffectrapport oeververbinding en HOV is beschreven welke overwegin­ gen hebben geleid tot het voorkeursalternatief voor de oeververbinding plus OV, en hoe de milieugevolgen hierin zijn meegewogen. Dit voorkeursalternatief MIRT is on­ derdeel van de ontwerp-herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam. In de NRD verstedelijking A-Z zijn twee model­ len voor verstedelijking beschreven; één ge­ koppeld aan een oeververbinding uitgaande van een nieuwe metroverbinding en één ge­ koppeld aan een stadsbrug met een nieuwe tramverbinding. Na de afspraken over het voorkeursalternatief MI RT-verkenning oever­ verbindingen regio Rotterdam, is voor beide beschouwde verstedeljkingsalternatieven in deze Aanvulling ROER verstedelijking A-Z uit­ gegaan van alleen een nieuwe stadsbrug en hoogwaardige tramverbinding. Door de geko­ zen stadsbrug en tramverbinding als uitgangs­ punt te nemen voor beide alternatieven voor de verstedelijking kunnen de effecten van de verstedelijking worden onderzocht zonder bandbreedte in de effecten van de oeverver­ binding. Tussen de twee alternatieven is er wel een verschil: bij alternatief Spreiden wordt de tram doorgetrokken van Kralingse Zoom via de Boszoom en Het Lage Land naar de Alexanderknoop. Bij alternatief Concentreren loopt de tramverbinding van Zuidplein tot Kralingse Zoom, waarna kan worden overgestapt op de bestaande me­ tro.

Deze werkwijze is mogeljk doordat bij het onderzoek naar de effecten van de oeververbinding al rekening is gehouden met twee varianten voor de verstedelijking Deze varianten voor de verstedelijking sluiten aan bij de varianten hoog en laag die al in het ROER voor de omgevingsvisie zijn beschouwd. In deze Aanvulling ROER worden de effecten beschreven van de verstedelijking, uit­ gaande van een nieuwe stadsbrug en HOV-tramkwaliteit, ten opzichte van de refe­ rentiesituatie zonder nieuwe oeververbinding.

Subvarianten 'bodem en water sturend' Op basis van de adviezen van de Commissie m.e.r. en de DCMR is ervoor gekozen te analyseren of vanuit het principe van Modern en water sturend' een andere invul­ ling van de deelgebieden wenselijk zou zijn en zoja, wat dan de inhoud van die invul­ ling zou zijn. Deze analyse met aanvullende bouwstenen (subvarianten) is opgeno­ men in hoofdstuk 8. Uitwerking van de alternatieven In de periode van het opstellen van de NRD was er al wel zicht op een aantal bouw­ stenen, maar waren de alternatieven nog niet concreet ingevuld. Na de publicatie van de NRD zijn de bouwstenen en de alternatieven verder uitgewerkt. Hierbij zijn ook de onderstaande ontwikkelingen en voortgang van het proces meegenomen. Feyenoord City geen onderdeel autonome ontwikkeling Na het publiceren van de NRD heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over het Bestemmingsplan Feyenoord City. De strekking van die uitspraak was dat het bestemmingsplan is vernietigd. Het gevolg daarvan was dat de ontwikkeling van Feyenoord City geen onderdeel meer kan zijn van de referentiesituatie. Dit heeft er­ toe geleid dat de Aanvulling ROER ook een (nieuw) kader moet vormen voor een nieuw bestemmingsplan voor Feyenoord City. Om dat besluit mogeljk te maken zijn in de alternatieven ook bouwstenen opgenomen voor het deelgebied Feyenoord City.

Stadsbrug met hoogwaardige tram als uitgangspunt in de alternatieven In het kader van de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam is door de betrokken overheden (naast de gemeente Rotterdam zijn dat het rijk, de provincie Zuid-Holland en de MRDH) een voorkeursalternatief vastgesteld (figuur 4.2). Dit voorkeursalternatief voor de oeververbinding bestaat uit een multimodale brug voor tram, fiets en (in beperkte mate) autoverkeer. Een belangrijke conclusie uit de MIRT-onderzoeken is dat er voor een metro door het gebied onvoldoende vraag is: een metro levert, ook bij de voorgenomen verstedelijking in A-Z, te veel capaciteit. Het aantal te verwachten reizigers is onvoldoende ten opzichte van de capaciteit van een metro.

Gemeente Rotterdam 25

integrale alternatieven te onderzoeken die bestaan uit combinaties van de varianten van de oeverbindingen en varianten voor de verstedelijking.

Tram +1 Tram -1 Tram maaiveld Brugdeel HOV-bus Loopverbinding

Voorkeursalternatief Type OV: Tramkwaliteít Brug: OV + LV + Auto

4.2. Referentiesituatie Voor de referentiesituatie is voor de autonome ontwikkelingen in het stedeljk ge­ bied uitgegaan van vastgestelde ruimtelijke plannen. Dat betekent dat ontwikkelin­ gen - zoals de bouw van woningen - waarover reeds een besluit is genomen, maar die nog niet zijn gerealiseerd onderdeel zijn van de toekomstige situatie. Het nieuwbouwprogramma in de referentiesituatie is klein (tabel 4.1). Het gaat om verspreid gelegen relatief kleine projecten. Alleen in Kralingse Zoom speelt een wat grotere transformatie van bedrijven (kantoren) naar wonen. Tabel 4.1: Kencijfers referentiesituatie

deelgebied

arbeidsplaatsen

voorzieningen

aantal

m2

m2

Alexanderknoop

768

1595

0

Lage Land

750

0

0

Boszoom

0

55

0

2300

2106

0

0

0

0

Feyenoord City

1100

2713

0

Bloemhof/Hillesluis

0

0

0

Hart van Zuid

1134

1000

0

Kralingse Zoom De Esch Stsdionpark

woningen

BtMplein

StftvtHweţ

Figuur 4.1: Voorkeursalternatief voor de oeververbinding (bron: MIRT-Verkenning, notitie ef­ fecten voorkeursalternatief.)

In de effectbepaling voor de bouwstenen van de verstedelijking is rekening gehou­ den met de effecten van de oeververbinding en de HOV-verbinding in de gebruiks­ fase, waarbij vooral geluid van belang is. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken voor de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam is geconcludeerd dat de keuze voor de oeververbinding en de keuze tussen tram of metro niet afhankelijk is van de precieze locatie en omvang van de verstedelijking, binnen de bandbreedte zoals vastgesteld in de omgevingsvisie (en vice-versa). Er is daarom geen noodzaak

Gemeente Rotterdam 26

4.3. De twee alternatieven

— Referentiemodel 2030

4.3.1 De bouwstenen

Nieuwe verdichting

®

Infrastructuurontwikkelingen HOV haltes

De alternatieven Concentreren en Spreiden zijn samengesteld uit bouwstenen per deelgebied. De inhoud van de bouwstenen bestaat uit (verschillende) aantallen wo­ ningen en ruimte voor werkgelegenheid en voorzieningen (tabel 4.2). Daarnaast zijn in de bouwstenen kwaliteitsmaatregelen opgenomen (tabel 4.3). Figuren 4.3 en 4.4 geven het overzicht van de alternatieven en de bouwstenen. De hieronder aangege­ ven aantallen voor woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen komen boven op de referentiesituatie.

Ontwikkeling/upgrade groengebied

\\ *

\

Tabel 4.2: Kerncijfers van de bouwstenen (blauw = Concentreren, groen = Spreiden, wit = beide alternatieven)

deelgebied Alexanderknoop

____

Lage Land

Boszoom

t

Kralingse Zoom

u

De Esch

Feyenoord City

woningen

arbeidsplaatsen

voorzieningen

bouwsteen

aantal

m2

m2

AK1

8.000

240.000

38.000

AK2

7.680

240.000

38.000

LL 1

1.000

0

0

LL 2

1.500

0

0

BZ 1

0

10.000

8.000

BZ 2

1.350

125.000

1.000

KZ

3.850

300.000

15.000

E1

5.000

140.000

27.000

E2

650

40.000

3.000

FC Basis

4.750

60.000

11.000

FC Plus

10.000

65.000

20.000

Bloemhof/Hillesluis

B/H

300

11.500

0

Hart van Zuid

HvZ

0

0

0

Figuur 4.2: Referentiesituatie

Gemeente Rotterdam 27

Tabel 4.3: Kwaliteitsmaatregelen in de bouwstenen (blauw Concentreren, groen Spreiden, wit belde alternatieven)____________________________________________________________ deelgebied bouwsteen Kwaliteitsmaatregelen Z vergroenen

AK 1

Alexanderknoop AK 2

LL 1 Lage Land LL 2

BZ 1 Boszoom BZ 2

Kralingse Zoom

De Esch

KZ

E1

deelgebied

bouwsteen

E2

Ontwikkeling sterk centrum met eigenheid; Stadsproject 1 vergroenen Alexanderplein; Herinrichting 1 vergroenen Pr. Alexanderlaan; Nieuwe onderdoorgang spoor; Herinrichting 1 vergroenen Hoofdweg Ontwikkeling sterk centrum met eigenheid; Stadsproject 1 vergroenen Alexanderplein; Herinrichting 1 vergroenen Pr. Alexanderlaan; Nwe onderdoorgang spoor; Herinrichten/ vergroenen Hoofdweg Doorgetrokken HOV-verbinding tussen Kralingse Zoom en station Alexander Herinrichting en vergroening Pr. Alexanderlaan; Upgrade en vergroenen hoofdlanen. Herinrichting en vergroening Pr. Alexanderlaan; Prinsenlaan wordt Bos-as met doorgetrokken HOV tussen Kralingse Zoom en station Alexander incl. upgrade Prinsenpark. Toegang tot Kralingse Bos noordoostzijde en verbinding Rotte/Hillegersberg; Upgrade bufferzone A16 (LV en ecologisch groen); Sportcomplex van de Toekomst; Verbeteren onderdoorgangen A16, Prinsenlaan wordt Bos-as met HOV; Incl. verbeteren toegang tot Kralingse Bos; Upgrade bufferzone A16 (LV en ecologisch groen).

Herinrichting Boszoom inclusief doorgetrokken HOV tussen Kralingse Zoom en station Alexander Ontwikkeling sterk centrum met eigenheid, aantrekkelijke buitenruimte en goede voorzieningen voor fietsers en voet­ gangers; Doortrekken 'plaza' Erasmus Universiteit naar Brainpark aan oostzijde en naar Excelsior aan westzijde; Upgrade bufferzone A16 (LV en ecologisch groen); Herinrichting en vergroenen Abraham van Rijckevorselweg; Herinrichting Burg. Oudlaan als centrale groene as: kwalita­ tieve groene verbinding tussen Kralingse Bos en Rivierpark/Oude Plantage Nw rivierpark van nw getijdepark De Esch tot en met park Oude Plantage; Herinrichting en vergroenen Abraham van Rijckevorselweg;

FC Basis

Feyenoord City

FC Plus

Bloemhof/ Hillesluis

B/H

Hart van Zuid

HvZ

Kwaliteitsmaatregelen Z vergroenen Nw rivierpark van nw getijdepark De Esch tot en met park Oude Plantage; Herinrichting en vergroenen Abraham van Rijckevorselweg; Ontwikkeling sterk centrum met eigenheid: station Stadionpark met, (deel-) mobiliteitshub en aantrekkelijke stations­ omgeving, Rivierpark Feyenoord City Versterken (groene) verbinding tussen Hillesluis en rivier­ park Feyenoord City Uitbreiden Rondje Stadionpark richting Oostdijk/Ringdįjk Versmallen spoorbundel door verplaatsen opstelterrein Ontwikkeling sterk centrum met eigenheid: station Stadion­ park met, (deel-) mobiliteitshub en aantrekkelijke stations­ omgeving, Rivierpark Feyenoord City Aanleg park op nieuwe overkluizing spoor; Versterken (groene) verbinding tussen Hillesluis en rivier­ park Feyenoord City; Uitbreiden Rondje Stadionpark richting Oostdyk/Ringdijk; Versterken (groene) verbinding tussen Hillesluis en rivier­ park Feyenoord City Herinrichting Z vergroenen Strevelsweg; Herinrichting / vergroenen Riederlaan, Groene Hilledijk en Beijerlandselaan. Herinrichting / vergroenen Strevelsweg

4.3.2 Alternatief Concentreren Dit alternatief gaat uit van een hoog programma, van zo'n 28 duizend woningen (bo­ ven op de referentiesituatie van 6.000 woningen), naast arbeidsplaatsen en voorzie­ ningen. Het grootste deel van de verstedelijkingsopgave wordt geconcentreerd op de stedelijke centra: Alexanderknoop, Kralingse Zoom, De Esch en Feyenoord City. Bij de knopen wordt, naast woningen, ook ruimte geboden voor een toename in ar­ beidsplaatsen. Op de Alexanderknoop en Kralingse Zoom zal ruimte blijven voor kantoren, bij Feyenoord City wordt de focus gelegd op andere typen werkgelegen­ heid. Ook in De Esch wordt flink verstedelijkt. In dit alternatief worden de bestaande bedrijventerreinen Hoofdweg/Koperstraat en Stadionweg getransformeerd naar woongebied. Bij dit alternatief wordt uitgegaan van een tramverbinding van Zuidplein tot de Kralingse Zoom.

Gemeente Rotterdam 28

Daarnaast wordt op de knopen een concentratie van regionale en/of stedelijke voor­ zieningen voorzien. In de stedelijke centra wordt volop ingezet op een aantrekke­ lijke openbare ruimte voor voetgangers en fietsers. Autoverkeer wordt binnen de centra teruggedrongen en wordt zoveel mogelijk aan de randen afgevangen.

woonwijken in Het Lage Land. In Het Lage Land wordt een belangrijk deel van de inbreiding gerealiseerd op en rondom het winkelcentrum, waar de tram langsrijdt. Ook bij dit model zijn de randvoorwaardelijke ingrepen Z kwaliteitsverbeteringen in het gebied o.a. de aanleg van een nieuw rivierpark ter hoogte van de Esch, het verbe­ teren van het fiets- en voetgangersnetwerk in het gebied en het verminderen van de barrière van wegen en spoorwegen.

In dit alternatief blijft de Boszoom nagenoeg vrij van verstedelijking. Het bestaande sportcluster wordt wel versterkt en efficiënter gebruikt door het concept ’sportcom­ plex van de toekomst' toe te passen. Ook wordt er ruimte gemaakt om de sportclubs van het complex Toepad te huisvesten.

Tram tussen Kralingse Zoom en Alexanderknoop In alternatief Spreiden is het doortrekken van de hoogwaardige tramverbinding van Kralingse Zoom naar de Alexanderknoop opgenomen. De aanleg van dit deze tram­ lijn is niet onderzocht in de MIRT-Verkenning oeververbindingen regio Rotterdam. Bij de beschouwing van de effecten van de bouwstenen is wel rekening gehouden met de aanwezigheid van de tram.

Randvoorwaardelijke ingrepen Z kwaliteitsverbeteringen in het gebied zijn o.a. de aanleg van een nieuw rivierpark ter hoogte van de Esch, het verbeteren van het fiets­ en voetgangersnetwerk in het gebied en het verminderen van de barrière van wegen en spoorwegen. Onderdeel van dit alternatief is een overkluizing van de spoorlijn in Feyenoord City.

4.3.3 Alternatief Spreiden Dit alternatief gaat uit van een minder hoog programma, ongeveer 20 duizend wo­ ningen boven op de referentie van 6.000 woningen, met meer spreiding van het programma. Enkele bouwstenen Kralingse Zoom, Alexanderknoop) zijn in dit alter­ natief (qua programma) gelijk aan het alternatief Concentreren. In de Alexander­ knoop blijft bij dit alternatief een deel van het bedrijventerrein Hoofdweg/Koperstraat bestaan, net als een deel van het bedrijventerrein Stadionweg bij Feyenoord City. Bij dit alternatief wordt de tram doorgetrokken van de Kralingse Zoom tot aan de Alexanderknoop. Het grootste deel van de verstedelijkingsopgave is geconcentreerd op de stedelijke centra: Alexanderknoop, Kralingse Zoom en Feyenoord City, maar in vergelijking met het alternatief Concentreren is de omvang kleiner. Hier wordt, naast woningen, ook ruimte geboden aan een toename in arbeidsplaatsen. Op de Alexanderknoop en Kralingse Zoom zal ruimte blijven voor kantoren, in Feyenoord City wordt de focus gelegd op andere typen werkgelegenheid. Daarnaast wordt op de knopen een con­ centratie van regionale en/of stedelijke voorzieningen voorzien. In de stedelijke cen­ tra wordt volop ingezet op een aantrekkelijke openbare ruimte voor voetgangers en fietsers, maar ook autoverkeer houdt een plek in deze verstedelijkingsvariant.

De rest van de verstedelijkingsopgave wordt in dit alternatief verspreid over het gebied, veelal gekoppeld aan de tramverbinding die doorloopt tot aan de Alexander­ knoop: beperkte toename van woningen in de Esch, een nieuwe woonwijk op de kop van de Prinsenlaan langs de Boszoom en toevoeging van woningen in de bestaande

Gemeente Rotterdam 29

Concentratiemocíel 2040

Sprekíingsmodel 2040

VERSTEDELIJKING ^■1 Nieuwe vorűűiting

VERSTEDELIJKING ^■į Nieuwe wmncnlinņ Vaslges IeeUa plannen

Vasigesteetie plannen ■B Bestaande siumienoiBuflan Sŵ Vaidichlng |n do gebeden mol bestaands woningen

ňįÿ

iĩï taouncluur uen loevoogmg nieuwe woningen n bestaande «jken ROBUUST STEDEUJK NETWERK ~»~r~r~ Nieuwe Iram'meitweröindrigen ® HOV halles | 11 11 EÉíMlitltigen Beiers hpasslngslraalen — Verbeter® verbflduxjen met dB alŭd KWALITATIEF LANDSCHAP EN OPENBARE RUIMTE BetirgnhílB gicenu verbridingĽii van Doge XwoSKūĩl Straten met pflofleli voor langzame mobltnli OnlwiKkeilng^iogiBck grangeUM Optie onlwikKallng/iegrasla groengetniKl

Vardcwing Jn de gebieden met bestaande woningen

'wi Acupunctuur van toevwļpnp "lev* woningen n bestaande w|ken ROBUUST STEDEUJK NETWERK ‘ ‘ ‘ Nieuwe tram VmelrwmtmdlnBen ® HOV belles 111 11 Ertrawrblnútigan i - Beters inpassing stronten -------- Verbeterde verbindingen mot dc stad KWALITATIEF LANDSCHAP EN OPENBARE RUIMTE — Belargdjksìe groene vt-rbridngen vantage Kwaliteit

-F 4

Uagiadä volkstuinen Bestaande sportvelden Upgrade sportveBen

V+4++ H-4444 4 4

4 Ū+1

Sliaten m« prioriteit neer langzame mnblitell Ontwikkel ng/upgfade groengebud Opte ontwkkeHnobograde groenoetìwd Upgrade volkstuinen Bestaande sportvelden

4 4Ī

■4 4

Upgrade sporweWari

1 ŗ+44^:

4 4 4 4-4-

-v-

Bloemhof S Hillesluis

4 4 4 4-4

4 4

(4 4'

Bloemhof 8. Hillesluis

4 4 4 4

4 4

4 4

.4 4

4 4 -4+4-

4 -4t-

Hart van Zuid

Hart van Zuid

Feyenoord City

Figuur 4.3: Alternatief Concentreren

Figuur 4.4: Alternatief Spreiden

Gemeente Rotterdam 30

5 Effecten en beoordeling van de bouwstenen 5.1. Goede omgevingskwaliteit 5.1.1 Bodem

Capaiia aan dar ■mal

Bodem- en grondwaterverontreiniging De bodemkwaliteitskaart van Rotterdam (Nota Bodembeheer, DCMR 2013, zie fi­ guur 5.1) geeft een indicatie van de huidige, gemiddeld verwachte bodemkwaliteit op gebiedsniveau (ruimtelijke eenheden). In het plangebied A-Z varieert de gemid­ delde bodemkwaliteit van de bovengrond (0-1,0 m-mv) tussen de klassen na­ tuur/landbouw, wonen, industrie en "verontreinigd" (zie onderstaande figuur). Ver­ der zijn een aantal locaties bekend vanwege (ernstige) bodemverontreinigingen, zo­ als voormalige stortplaatsen en loswallen. Bij ontwikkelingen dient altijd te worden nagegaan middels bodemonderzoek of de locatie geschikt is voor het toekomstig gebruik, bijvoorbeeld voor 'wonen met tuin'. Wanneer de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor het toekomstig gebruik dan dient de bo­ dem gesaneerd te worden. Bij (her)ontwikkeling vindt daarnaast indien nodig een functiegerichte verbetering van de grond plaats in met name de bovengrond (contactzone) of leeflaag. De BKK-verschillenkaart geeft aan in welke gebieden (ruimte­ lijke eenheden) gemiddeld gezien nog een verbetering van de bodemkwaliteit wen­ selijk is, omdat de gemiddelde indicatieve bodemkwaliteit (0-1,0 m-mv) negatiever is dan de functieklasse in dezelfde ruimtelijke eenheid. Het gaat daarbij om de paars gekleurde gebieden op de BKK-verschillenkaart.

In het plangebied A-Z zijn Alexanderknoop, Kralingse Zoom, de Esch en Bloemhof-Hillesluis de belangrijkste aan­ dachtsgebieden.

Globale ligging Plangebied A-Z Bodemkwaliteit 0 tot lm-mv Natuur (Schoon) Landbouw (Zeer licht veroncrangd) Wonen (bcht verontrerxgd) Industrie (Matig veroncreēiigd) Wronţratmgd (Start vercncrerngd)

1 940

iiadnumCOTuiiĮMeCwHi

2910 i Meter

Figuur 5.1: Bodemkwaliteitskaart 0-1,0 m-mv

De staat van de bodemkwaliteit wordt in de referentiesituatie als redelijk beoor­ deeld, zowel voor Rotterdam als geheel als voor A-Z. Verspreid zijn er knelpunten en door autonome verstedelijking worden ambities voor een schonere bodem geleide­ lijk aan steeds meer gehaald. In algemene zin zal door verdichting en vergroening het gebied waar in Rotterdam en in het plangebied A-Z de bodemkwaliteitsklasse overeenkomt met de functie in 2030 enigszins in de referentiesituatie toenemen ten opzichte van de huidige situatie.

Daarnaast zijn Alexanderknoop, Kralingse Zoom, De Esch en Feijenoord City gebie­ den waar ook voormalige stortplaatsen en loswallen met baggerspecie worden aan­ getroffen. Op enkele locaties in Feijenoord City en in de Esch zijn er bovendien nog spoedeisende bodemverontreinigingen te verwachten. In de deelgebieden zijn geen spoedeisende gevallen van ernstige verontreiniging in het grondwater bekend. De voormalige gasfabriek Feijenoord valt buiten het plangebied van A-Z, maar vormt nog wel een aandachtspunt indien ontwikkelingen daar vlakbij plaatsvinden. Binnen A-Z worden hooguit kleinere locatie specifieke verontreinigingen in het grondwater verwacht.

Gemeente Rotterdam 31

’wonen' plaatsvindt. In het oosteljk deel van de Alexanderknoop voldoet de gemid­ delde bodemkwaliteit al aan de bodemfunctie, waardoor verdichting daar tot een minder grote verbetering van de bodemkwaliteit leidt. Ook in de Kralingse Zoom vol­ doet de gemiddelde bodemkwaliteit nog niet aan de functie wonen. De verstedelij­ king leidt tot het veranderen van Brainpark 1, 2 en 3 + Victoriapark in een omgeving voor gemengd wonen en werken. Daarbij worden veel woningen toegevoegd in het gebied, een flinke toename ten opzichte van de referentiesituatie. Daarom wordt daar een positief effect verwacht op de bodemkwaliteit. In De Esch voldoet de ge­ middelde bodemkwaliteit binnen een groot deel van het gebied evenmin aan de functie wonen. Daarnaast zijn daar een groot aantal baggerspecieloswallen aanwe­ zig. Bij de verdichtingsopgave is verbetering van de bodemkwaliteit gewenst en moeten verontreinigingen afdoende worden gesaneerd. In de Esch wordt tevens voorzien in het aanleggen van een nieuw rivierpark. In polder De Esch is sprake van sterk verontreinigde grond als gevolg van een aanwezige baggerspecieloswal. Voor het beoordelen van het effect van de aanleg van het rivierpark op de bodemkwaliteit is het relevant of de polder hiervoor (deels) moet worden ontgraven en/of opge­ hoogd. Het is ook mogeljk dat de huidige maaiveldsituatie min of meer in stand wordt gehouden.

Het effect op de bodemkwaliteit kan pas worden beoordeeld in de fase van planuitwerking, wanneer het ontwerp van het rivierpark en de wijze van aanleg in beeld is. Binnen een groot deel van Bloemhof-Hillesluis is de gemiddelde bodemkwaliteit negatiever dan de woonfunctie. Daarom kan verdichting ook daar tot een functiegerichte verbetering van de bodemkwaliteit leiden.

Gfcò* h*xo PlanoeM A Z ţtortpUatsen

loswjJkn BKK Ver vcMienkAjrt ftxfcrTto»«K«C 01.0 rrvnv w Anctnåjjww

Fysische bodemkwaliteit Rotterdam en het plangebied A-Z is gedurende duizenden jaren opgebouwd uit ver­ schillende sedimenten door afwisselende afzettingsmilieu 's, onder invloed van de ri­ vier (zand en klei), de zee (klei) en moerassen (veenvorming). Fysische bodemkwali­ teit gaat over fysische eigenschappen zoals draagkracht en doorlatendheid van de bodem. De bovenste laag betreft de antropogene laag, die in het stedelijk gebied beinvloed is door menselijke ingrijpen, zoals ophoging, ondergrondse infrastructuur en bodemverbetering. Deze laag is sterk wisselend van samenstelling en doorlatend­ heid. De daaronder aanwezige holocene deklaag bestaat voornamelijk uit klei en veen en heeft in het algemeen een slechte doorlatendheid. De dikte varieert tussen 5 en 25 meter. Hieronder ligt het eerste watervoerende pakket. De top van dit pakket ligt op NAP-15 à -20 meter en de dikte varieert van 10 tot 20 meter. Deze laag bestaat uit zand en grind en is zeer doorlatend. Onder dit pakket ligt vanaf NAP-25 à 35 meter de (eerste) slecht doorlatende laag, welke in Rotterdam relatief dun is (minder dan 5m). Het tweede watervoerende pakket is weer een goed doorlatende laag met een dikte variërend van 30 tot 100 meter.

jw»» Figuur 5.2: Verschil tussen de bodemkwaliteitsklasse van 0 tot 1 m-mv en de bodemfunctieklasse binnen de Ruimtelijke Eenheden uit de Bodemkwaliteitskaart van Rotterdam

Verstedelijking in A-Z leidt in het algemeen tot positieve effecten op bodem- en grondwaterverontreiniging en draagt daarmee in positieve zin bij aan het doelbereik. Dat geldt met name voor de deelgebieden Alexanderknoop, Kralingse Zoom, de Esch en Bloemhof-Hillesluis. Binnen het westelijk deel van het gebied Alexanderknoop, ten westen van de Prins Alexanderlaan, voldoet de gemiddelde bodemkwaliteit nog niet aan de functie wo­ nen. De geplande verdichting leidt daar tot een significante verbetering van de bo­ demkwaliteit wanneer bij ontwikkelingen grond wordt toegepast die geschikt is voor de functie wonen en wanneer locatie specifieke verontreinigingen worden gesa­ neerd. Er zijn ook een tweetal voormalige stortplaatsen bekend die afdoende gesa­ neerd moeten worden wanneer herontwikkeling met functieverandering naar

Gemeente Rotterdam 32

De slappe, samendrukbare bodemlagen leiden, in combinatie met (periodieke) opho­ gingen met zand, bebouwing en verlagingen van grondwaterpeilen tot bodemdaling en versnellingen van de bodemdaling. De bodem in A-Z daalt met gemiddeld 0,5 tot 1 cm per jaar.

Door een relatief beperkte autonome verstedelijking is in veel deelgebieden sprake van een neutraal tot negatief effect van ruimtelijke ontwikkelingen op bodemdaling. In Kralingse Zoom en in Hart van Zuid is zelfs sprake van een significant negatief ef­ fect, vanwege de vele, reeds lopende bouwplannen in die deelgebieden. Al met al blijft de situatie in A-Z met betrekking tot de fysische bodemkwaliteit matig. Er zijn nog redelijk wat knelpunten, en ambities om bodemdaling tegen te gaan worden bijna nergens gehaald.

Delf! Bi-rkt‘1 en Rodi Hoek van Holt

hrnhi

Verstedelijking in A-Z leidt tot negatieve effecten op de fysische bodemkwaliteit, vanwege verdergaande en een versnellende bodemdaling. In Kralingse Zoom en in de Esch nog meer dan in de andere deelgebieden van A-Z. De zone vanaf het Brainpark Rotterdam Kralingen tot en met het station Kralingse Zoom is namelijk een zone waar de hoogste zettingssnelheid in A-Z voorkomt (tot 1, 15 cm/jaar). In alle deelgebieden bevinden zich slappe en daarmee zettingsgevoelige veenlagen in de ondergrond, maar op noord zijn die veelal dikker dan op zuid. Het relatief diep gelegen Alexanderpolder is dus een gebied waar bodemdaling een belangrijk aspect is. Bovendien is dit kwelgebied zeer opbarst gevoelig voor grondwater, er kan niet zomaar ontgraven worden zonder extra maatregelen te nemen. Dat geldt zowel voor Alexanderknoop, als voor Lage Land en de Boszoom. De relatief forse verdichtingsbouwstenen in Kralingse Zoom en in de Esch zullen ook daar voor een groot deel van die gebieden een verslechtering van de fysische bodemkwaliteit veroorzaken, met als resultaat een versnelling van de bodemdaling. Het negatieve effect van verdich­ ting op bodemdaling is op Zuid over het algemeen minder groot.

íiŵŴSļ fB&Ęri

mm

Krui

m’ûM ŵvtìaÄ

kSiSāil

xSll

;

Rhoon 15.ir*‘i'■utrecht

Ri|.ooid'

5.1.2 Water Stedeljke watersystemen worden gekenmerkt door de aanwezigheid van riolering, grote hoeveelheden verhard landoppervlak en de productie van (vooral huishoude­ lijk) afvalwater. Het gecombineerde systeem van riool- en oppervlaktewater is in Rotterdam opgedeeld in hydraulische gebieden, waarbinnen het water onder na­ tuurlijk verval afstroomt naar het laagste punt. Daartussen is weinig tot geen uitwis­ seling. Zo vallen de deelgebieden Alexanderknoop, Lage land en Boszoom samen in de hydaulische eenheid van Alexanderpolder. Kralingse Zoom en de Esch binnen­ dijks vallen in de hydraulische eenheid Kralingen, Fejenoord City binnendijks be­ hoort tot de eenheid IJsselmonde en Bloemhof-Hillesluis tot de eenheid Charlois-Fejenoord.

(tin NcdciUrid. Ccrnmundy Mjp Cc Disclaimer

Zettingenkaart Zettingssnelheid | Hoog (> 1 cm I jaar) I

I Gemiddeld (0,5 -1 cm I jaar) ĵ Laag (k 0,5 cm I jaar)

Dit kaartmateriaal en de toelichtende teksten zijn zo zorgvuldig mogetijk samengesteld op basis van gemeentelijke datasets. De kaart is een momentopname (2020) en zal indien nodig worden geactualiseerd. De gegevens op de kaart zijn toegespitst op subbuurtniveau en zijn niet bedoeld voor conclusies op straat- of perceelniveau. De kaart is specifiek opgesteld voor de bestuursopdracht vervangingsinvesteringen kapitaalgoederen openbare ruimte. Voor het gebruik voor andere doeleinden is het aan te raden contact op te nemen met de in de legenda opgenomen contactpersoon c.q. het Ingenieursbureau een zettmgsprognose op te laten stellen. Aan de gegevens op de kaart en de begetedende teksten kunnen geen rechten worden ontleend.

Figuur 5.3: Zettingenkaart

Voor heel A-Z geldt dat er in de huidige situatie overal al sprake is van (soms hoge) zettingsgevoeligheid en bodemdaling. Die situatie wordt beoordeeld als matig.

Gemeente Rotterdam 33

wordt bereikt. Rotterdam ligt in het KRW-deelstroomgebied Rijn-West. Binnen het gebied A-Z ligt een deel van het KRW-waterlichaam de Nieuwe maas. De huidige wa­ terkwaliteit varieert van matig tot negatief (Waterkwaliteitsportal2023). In het plan­ gebied A-Z zijn er zowel proces gestuurde als verblijftijd gestuurde watersystemen (zie figuur 5.5).

Hydraulische gebieden 28-11-2022

Hoek van

HiMegeisbefg Schicbfoek

Maasvlakte

"Alexander [Kralinqen] Cenţĩum,

ÍCharlots.Fetjenoord'

Hoek van Holand

Rownburg OeMand butendijk»

Oppervlak Statui Oppervlak Ka 28468956,27 Akkoord 2847 317918,18 Akkoord J2 5656058,23 Akkoord 566 4467068.45 Akkoord 447 3163636,75 Aktoord 316 4456720.93 Akkoord 446 139000000 Akkoord 13895 9714769.45 Akkoord 971 26523571,46 Akkoord 2652 3735655.94 Akkoord 374

Otarloa.Foxmord Prrs Alerander

p**llŕ aan don

oppervlak Statui Oppervlak Ka 8356709,3 Akkoord 836 17558344,07 Akkoord 1756 691375046 Akkoord 691 14732630,23 Soltien 1473 475219142 Akk«rd47S 24930606,75 Akkoord 2493 10201609,64 Akkoord 1020 9789511,97 5{Jti*n 979 24930806.25 Akkoord 2493

Procesgestuurd, Helder Procesgestuurd, Helder (instabiel) Procesgestuurd, Troebel

J Verblijftijdgestuurd, Helder verblijftijdgestuurd, Troebel

Figuur 5.4: Hydraulische gebieden knmŗ

Oppervlaktewater (kwantiteit en kwaliteit) Plangebied A-Z bestaat voor ongeveer 5^j uit oppervlaktewater. Maar de hoeveel­ heid oppervlaktewater is niet gelijkmatig over het plangebied verdeeld. Ten zuiden van de Nieuwe Maas is de hoeveelheid oppervlaktewater te klein. Het verhardingspercentage in A-Z is gemiddeld 50^j. De sterkst verharde deelgebieden zijn Alexanderknoop. Bloemhof-Hillesluis en Hart van Zuid. De minst verharde deelgebieden zijn Boszoom (78% niet verhard) en De Esch (65% niet verhard). Door de hoge verhardingsgraad vindt inzijging, infiltratie van water in de bodem, vrijwel niet plaats. Om overbelasting van het oppervlaktewatersysteem en verdroging te beperken is er vanuit de waterschappen een compensatieverplichting voor verhardingstoenamen. Aanvullend geldt in Rotterdam een minimum bergingseis bij nieuwbouw (50 mm hemelwaterberging op de eigen kavel) en worden gemengde riolen vervangen door ge­ scheiden stelsels (regenwater apart van afvalwater). Een aantal gebieden in de stad is gevoelig is voor slechte waterkwaliteit als gevolg van de hoge belasting met nutriënten door riooloverstorten. De Europese Kaderricht­ lijn Water (KRW) beschermt de waterkwaliteit van alle wateren en stelt doelen om ervoor te zorgen dat de chemische en ecologische ’goede toestand' uiterlijk in 2027

Figuur 5.5: Procesgestuurde en verblijftijd gestuurde (gearceerd) wateren. Bron: Herijking Waterplan 2.

Deze beschrijven de potentieel haalbare waterkwaliteit. Bij procesgestuurde water­ systemen (Alexanderknoop, Kralingse Zoom en de Esch) is het mogelijk door de rela­ tief lange verblijftijd van het water ^ 20 dagen) de waterkwaliteit te verbeteren via biologische processen mits de belasting voldoende laag is. De maximaal haalbare kwaliteit wordt nagestreefd door onderhoud- en inrichtingsmaatregelen (zoals de aanleg van natuurvriendelijke oevers (NVO's)). Bij verblįjftjjd gestuurde

Gemeente Rotterdam 34

watersystemen (in de overige deelgebieden van A-Z) wordt de waterkwaliteit vooral bepaald door het inlaatwater. Hier valt vooral winst te behalen door de kwaliteit van het ingelaten water te verbeteren. In Rotterdam Zuid is daarom de Blauwe Verbin­ ding ontwikkeld.

Hillesluis is gevoelig voor wateronderlast, omdat in periodes van droogte het grond­ water diep wegzakt. Het kan leiden tot schade aan funderingen. Gebieden met een ontwateringsdiepte < 0,50 m zijn potentieel gevoelig voor wateroverlast. Dat lijkt het geval in delen van Lage Land en Kralingse Zoom. In natte periodes stijgt het grondwater en wordt de gemiddelde ontwateringsdiepte bijna overal in het plange­ bied A-Z minder dan 0,80 cm, en daarmee kwetsbaar voor langdurige of hevige neer­ slag. Er is dus weinig potentie voor sponswerking.

Hemelwater en afvalwater Klimaatverandering leidt tot meer droge zomers, waarbij de freatische grondwater­ peilen en oppervlaktewaterpeilen in de zomer uitzakken en rivierafvoeren laag zijn. Het risico op verzilting door kwel van brak water uit het 1e watervoerend pakket (WVP1) en indringing van zout water neemt hierdoor toe. Vooral de diepe polders in de deelgebieden Alexanderknoop, Lage Land en Boszoom zullen hier last van heb­ ben. In deze deelgebieden is het raadzaam eventuele watercompensatie daar ruim te nemen. Klimaatverandering kan ook leiden tot wateroverlast. Wateroverlast kan zowel ver­ oorzaakt worden door extreme neerslag en water op straat als door grondwaterfluctuaties door neerslag of droogte. De mate van overlast en de oorzaak van de over­ last, is onder andere afhankelijk van gebied specifieke kenmerken zoals de hoogteligging, ontwateringsdiepte en opbouw van de bodem. Binnen A-Z bestaat de meeste kans op wateroverlast in de diepe polders bij Alexanderknoop, het Lage Land en Boszoom en in de gebieden met geringe ontwateringsdiepte in Bloemhof-Hillesluis en Hart van Zuid. In het kader van het Weerwoord Rotterdam is de stedeljke wateropgave opnieuw bepaald.

Dit is gedaan door te kijken in welke peilgebieden water op straat staat na een extreme regenbui van 100 mm in 2 uur (bij een dergeljke bui is het rioolstelsel volledig gevuld en zijn alle riooloverstorten verdronken; oppervlaktewater en riolering zijn één systeem geworden). Op basis van uitge­ voerde modelberekeningen is vooral Bloemhof-Hillesluis een risicovolle buurt met een extra waterbergingsopgave als gevolg (RoSa-2019). Het afvalwater van het ten noorden van de Nieuwe Maas gelegen gedeelte van het gebied A-Z wordt voor het grootste deel verwerkt in de afvalwaterzuiveringsinstalla­ tie (AWZI) Kralingseveer. De biologische capaciteit van AWZI Kralingseveer is op dit moment (2022) al voor 90% benut. Het afvalwater van het gedeelte van A-Z ten zui­ den van de maas wordt verwerkt in AWZI Dokhaven. De toename van afvalwater zal in de autonome ontwikkeling al binnen enkelejaren de maximale biologische capaci­ teit van afvalwaterzuiveringsinstallatie Kralingseveer overschrijden.

In onderstaande figuur is de mate van kwel (blauw) of infiltratie (rood) vanuit het 1e watervoerend pakket in het diepe grondwater aangegeven.

Af l'i* m-, ti I ċ p|jlV-'c’ - ■■'■1E3Ï ĴT.1Xf 65000

95000

445

85000

440000

I

f5000

000

'

601100

65000

70000

751

Legenda

Kwel en infiltratie tussen holoceen en eerste watervoerend pakket Bijzonder Inventariserend Onderzoek Diep Grondwater Dossiernummer: 2000-0640

ļ a Onttrekkingen «•1 mnVdag •0.1 tot -1 mnVdag CľlO mnVdag 0,1 tot 1 mnVdag » 1 mnVdag

schaal:

1:175.000 N

A . G»m**nt*w*rk#n

Figuur 5.6: Kwel en infiltratie

Grondwater (kwantiteit en kwaliteit) Het ondiep grondwater speelt een belangrijke rol bij de sponswerking van het land­ schap. Gebieden waar ondiep grondwater dieper onder het maaiveld staat kunnen meer neerslag tjdeljk bufferen. Gebieden waar ondiep grondwater inzjgt naar diep grondwater, zijn het meest geschikt voor infiltratie, mits de bodem niet slecht doorla­ tend is. Klimaatverandering speelt daarbij een rol. Een gebied als Bloemhof-

Daaruit blijkt dat in de diep gelegen polders ten noorden van de Nieuwe Water­ weg/Maas, zoals in Lage Land, relatief veel kwel optreedt. Dit water is vaak brak of zout van karakter. Dit water komt in het ondiep grondwater of het oppervlaktewater terecht en leidt daar tot verhoging van het zoutgehalte. In Alexanderknoop, Bos­ zoom en de Esch is sprake van lichte kwel. Infiltratie beperkt zich op noord tot een

Gemeente Rotterdam 35

smalle strook buitendijks gebied langs de Nieuwe Maas (en de bodem van die water­ loop) en tot een groter gebied bij Kralingen. Het gaat om lichte infiltratie. Alleen ter plaatse van de voormalige baggerspecieloswallen nabij Kralingse Zoom en de Esch is sprake van relatief grotere infiltratie. Op zuid kent vooral Bloemhof-Hillesluis lichte kwel. Diepe grondwaterkwaliteit wordt vooral bedreigd door grondwateront­ trekkingen. De kwaliteit van het diepe grondwater staat onder druk door het zouter worden, doorslag van (historische) bodemverontreinigingen en door de injectie van niet schoon water. Gebieden met veel kwel én zout of brak water in het diepe grond­ water zijn gevoelig voor verzilting.

» » » » » »

Doorslaggevend voor het functioneren en voor de gezondheid van het toekomstige watersysteem zijn: * De effectieve verhardingstoename (of -afname). * De gerealiseerde ontmenging van vuile en schone waterstromen: bij nieuw­ bouw en rioolvervanging wordt gescheiden stelsel aangelegd. In de beoordeling van de referentiesituatie wordt ervan uitgegaan dat bij autonome ontwikkelingen het Rotterdamse beleid met betrekking tot de verwerking van he­ melwater op eigen terrein en het aanleggen van gescheiden rioolstelsels ook daadwerkeljk wordt uitgevoerd. De staat van het watersysteem varieert dan van matig tot redelijk. Alleen de Boszoom springt eruit: daar is de toestand van het water over het algemeen goed te noemen. Er is voldoende oppervlaktewater, weinig verharding en een beperkte belasting van het systeem.

Overbelasting van het rioolsysteem bij een groot aanbod van water (bijvoor­ beeld bij extreme neerslag). Overbelasting van het oppervlaktewatersysteem bij een groot aanbod van he­ melwater of afvalwater (langdurige neerslag). Lage afvoer van het oppervlaktewatersysteem in perioden met weinig neerslag en daardoor het binnendringen van zout water. Onvoldoende aanvulling van het ondiepe grondwater. Lage grondwaterstand door lekkende rioleringen. Onvoldoende aanvulling van het diepe grondwater.

Tabel 5.1: Oppervlaktes per deelgebied (in hectares) Deelge­ bied

V0 Referentie Verhard

Door verstedelijking zal in de meeste deelgebieden de verharding in A-Z gaan toene­ men. Bij verhardingstoename is het realiseren van watercompensatie verplicht. Het heeft sterk de voorkeur watercompensatie uit te voeren in de vorm van oppervlakte­ water. Nieuw aan te leggen verharding moet worden aangelegd conform de hemelwaterverordening (d.w.z. afgekoppeld). In sommige deelgebieden neemt de verhar­ ding af, bijvoorbeeld door transformatie van bedrijventerreinen naar gemengd wonen-werken, met meer ruimte voor vergroening. Op basis van de toekomstige woontypologieën is in december 2022 door Gemeente Rotterdam-SO een indicatieve in­ schatting gemaakt van de toekomstige verharding voor de beide ontwikkelmodellen en de huidige hoeveelheid oppervlaktewater. De uitkomsten van deze schatting zijn in onderstaande tabel samengevat. Bestaande, nog niet ingevulde, wateropgaven zijn hierin niet meegenomen. Ook is er nog geen rekening gehouden met watercom­ pensatie in de vorm van nieuw oppervlaktewater. Op basis van deze tabel zijn ver­ volgens weer globale inschattingen gemaakt van de benodigde ruimte voor berging van water als gevolg van verstedelijking en klimaatverandering (zie verderop).

Water

V1/ V0,5-Concentratie

V2/ V0,5-Spreiding

Verhard

Verhard

Water

Water

Alexanderknoop

50,3

4,0

42,7

4,0

42,7

4,0

Lage Land

104,8

15,9

105,6

15,9

109,7

15,9

Boszoom

14,8

3,9

14,8

3,9

21,9

3,9

Kralingse Zoom

37,0

4,6

40,4

4,6

40,6

4,6

De Esch

54,5

14,0

62,3

14,0

63,2

14,0

Feyenoord City

52,3

2,9

63,5

2,9

63,5

2,9

Bloemhof/ Hillesluis

98,.2

1,0

97,8

1,0

97,8

1,0

Hart van Zuid

48,5

0,3

3,5

0,3

35,7

0,3

A-Z totaal

461,3

46,9

463,2

46,9

475,4

46,9

Toename van bebouwing en verharding leidt daarmee hoofdzakeljk tot negatieve effecten op het watersysteem. Vooral verstedelijken in Lage Land en Boszoom (mo­ del spreiden) en in de Esch en Feyenoord City (model concentreren) worden om die reden negatief beoordeeld. Realisatie van de bouwsteen voor een robuuste, groene

Toename van verstedelijking leidt tot een toename van:

Gemeente Rotterdam 36

en waterrijke Bos-as langs de Prinsenlaan biedt daarentegen kansen voor een sterke verbetering van het bodem- en watersysteem in het peilgebied Alexander. In Alexanderknoop, en Bloemhof-Hillesluis zijn de effecten relatief beperkt. De ver­ stedelijking in Alexanderknoop leidt tot minder verharding en bedrijvigheid en meer afkoppeling van hemelwater en vergroening, terwijl de verstedelijking in BloemhofHillesluis relatief klein is en ook tot meer afkoppeling van hemelwater en vergroe­ ning zal leiden. De eis tot de aanleg van watercompensatie bij verhardingstoename of demping van oppervlaktewater is beleidsmatig goed verankerd zodat de ontwikkelingen in A-Z naar verwachting het oppervlaktewatersysteem niet zullen verslechteren. Naar ver­ wachting zal watercompensatie in de toekomst steeds vaker moeten worden uitge­ voerd als een mix van nieuw of te verbreden oppervlaktewater, droge berging en overige bergingsmaatregelen. De ontwikkelingen geven ook de kans in deelgebie­ den met weinig water de wateropgave in te vullen. In de deelgebieden Kralingse Zoom en Bloemhof-Hillesluis moet het oppervlaktewatersysteem worden versterkt.

Verkenning benodigde ruimte voor waterberging Bij de beoordeling van de bouwstenen en de ruimtelijke haalbaarheid moet rekening worden gehouden met de ruimte die nodig is voor het (tijdelijk) bergen van water, bijvoorbeeld in verband met extreme neerslag. Dit is ook noodzakelijk vanwege het beleid van het kabinet over ’water en bodem sturend' en de aanvullende bouwstenen (zie hoofdstuk 6 per deelgebied). In de tabellen 5.2 en 5.3 zijn per alternatief en deel­ gebied de claims voor water inzichtelijk gemaakt, indicatief op basis van kentallen voor stedelijke milieus. De claims komen voort uit de eis voor 50 mm berging (VBOR) op het niveau van bouwplots, de 10 tot 15^j watercompensatie voor verhardingstoe­ name (waterschappen) en het streven naar 5 tot 10 X waterberging (Kamerbrief Bo­ dem en Water Sturend). Hierbij is vooral de laatste eis (5 tot 10^j van het areaal moet beschikbaar zijn voor waterberging) maatgevend (in ieder geval voor diepe polders). Op basis van de gebruikte gegevens maakt het alternatief Spreiden in de deelgebie­ den Lage Land en Boszoom de aanleg van meer berging en watercompensatie nodig dan het alternatief Concentreren.

De toename van de hoeveelheid afvalwater is op basis van het programma globaal ingeschat per deelgebied. Deze is het grootst in het concentratiemodel, vanwege een groter ruimtelijk programma. Opgemerkt moet worden dat het spreidingsmodel een uitgebreider rioolnet nodig maakt, hetgeen extra kosten geeft. Maar zowel bij het spreidingsmodel als bij het concentratiemodel is de toename van de afvalwaterproductie zo groot dat de huidige capaciteit van AWZI Kralingseveer wordt overschre­ den. De overschrijding betreft de door de AWZI verwerkbare vuillast. Volumereductie alleen, door het scheiden van avalwater en hemelwater, kan dit niet oplossen. Daarbij komen nog de toekomstige strengere normen, die ook uitbreiding vragen van de zuiveringen, omdat het te lozen water schoner moet worden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen in A-Z is het dus noodzakelijk dat er een oplos­ sing wordt gevonden voor het capaciteitstekort, en toekomstige kwaliteitstekort. De­ centrale zuivering in het plangebied lost dit waarschijnlijk niet op, er moet rekening worden gehouden met uitbreiding van bestaande AWZI's of aanleg van een nieuwe AWZI.

Tabel 5.2: Benodigde ruimte voor waterberging bij de bouwstenen van Concentreren Hydraul ische Deelgebied ARuimteclaims water (indicatief o.b.v. kentallen) gebieden Z 50 mm 50 mm Watercompen­ Minimum opper­ berging berging satie voor ver­ vlak volgens: conform conform harding toe­ 5-10% waterbername Water­ VBOR in VBOR In gingha. schappen in in diepe polders m3 ha. uit kamerbrief "Water en bo­ dem sturend" in ha. Pr. Alexander Alexander­ knoop 11.174 3,7 3,4 4,2 - 8,4 Diepe polder Lage Land 672 0,2 0,2 11,7 - 23,3 Boszoom 2.413 0,8 0,7 3,3 - 6,5 Kral ingen Kralingse Zoom 6.606 2,2 3,6 - 7,3 1,3 De Esch 20.068 6,7 4,0 7,7 - 15,4 IJsselmonde Feijenoord City 9.869 3,3 2,0 3,9 - 7,9 Charlois-FejBloemhofenoord Hillesluis 21.551 7,2 4,3 7,2 - 14,4 Kralingseveer De Esch Gebiedsgerichte adaptatiestrategie, dry- en wetproof bouwen buitendijks buitendijks Uitgiftepeilen 3.60 - 3.90 m +NAP WSHD Feįjenoord Gebiedsgerichte adapatiestrategie, dry- en wetproof bouwen buitendijks City buiten­ Uitgiftepeilen 3.60 - 3.90 m +NAP dijks

Bij beide alternatieven is er voor A-Z als geheel sprake van een verhardingstoename, in de zin van een toename van afgedekt bodemoppervlak. Bij beide modellen neemt het risico op een grondwatertekort daardoor toe. Het alternatief Spreiden kent een ongeveer 6 keer zo grote verhardingstoename dan het alternatief Concentreren is daarom ongunstiger voor de grondwaterhuishouding. Binnen A-Z is niet in álle deel­ gebieden sprake van een verhardingstoename; in Alexanderknoop en Bloemhof-Hil­ lesluis is bij beide ontwikkelmodellen een verhardingsafname en dat veroorzaakt daar een relatief gunstiger effect op grondwater.

Gemeente Rotterdam 37

In tabel 5.3 is de totale hoeveelheid (ruimte voor) oppervlaktewater (bestaand op­ pervlaktewater + compensatiewater) voor de beide alternatieven vergeleken met de ruimteclaim die voortkomt uit Water en Bodem Sturend. De 50mm bergingseis uit de VBOR is hierin niet meegenomen omdat deze voor de initiatiefnemer van de verhardingstoename is en moet worden gerealiseerd op bouwkavel/bouwblokniveau.

principes voor de inrichting van een robuust, klimaatbestendig systeem. Daarbij staat voorop dat de waterbergingsopgave in de deelgebieden zelf moet worden op­ gelost: afwenteling naar andere (lager gelegen gebieden) mag niet plaatsvinden. Dit uitgangspunt geldt voor alle deelgebieden (en ook de omringende gebieden buiten A-Z). Omdat het hydraulisch gebied Prins Alexander één van de diepste polders van Nederland is het wenselijk dat in de deelgebieden Alexanderknoop, Lage Land en Boszoom minimaal 10% van het areaal beschikbaar is voor waterberging. Voor het hele hydraulische gebied Prins Alexander moet er dan 38,3 hectare geschikt zijn en beschikbaar zijn voor waterberging (bestaand en nieuw).

Tabel 5.3: Benodigde ruimte voor waterberging bij de bouwstenen van Spreiden Hydraul ische Deelgebied ARuimteclaims water (indicatief o.b.v. kentallen) gebieden Z 50 mm 50 mm WatercompenMinimum opper­ berging berging satie voor ver­ vlak volgens: conform conform harding toe­ 5-10% waterberVBOR in VBOR In name Water­ gingm3 ha. schappen in in diepe pol­ ha. ders uit kamerbrief "Water en bodem sturend" in ha. Pr. Alexander Alexander­ 11.174 3,7 3,4 4,2 - 8,4 knoop Diepe polder Lage Land 17.738 5,9 5,3 11,7 - 23,3 Boszoom 5.954 2,0 3,3 - 6,5 1,8 Kral ingen Kralingse Zoom 6.695 2,2 3,6 - 7,3 1,3 De Esch 20.493 6,8 7,7 - 15,4 4,1 IJsselmonde Feijenoord City 9.869 3,3 2,0 3,9 - 7,9 Charlois-FejBloemhofenoord Hillesluis 21.551 7,2 4,3 7,2 - 14,4 Kralingseveer De Esch Gebiedsgerichte adaptatiestrategie, dry- en wetproof bouwen buitendijks buitendijks Uitgiftepeilen 3.60 - 3.90 m +NAP WSHD Feįjenoord Gebiedsgerichte adapatiestrategie, dry- en wetproof bouwen buitendijks City buiten­ Uitgiftepeilen 3.60 - 3.90 m +NAP dijks

De benodigde waterbergingsopgave kan gedeeltelijk als droge berging (bijvoor­ beeld door greppels en wadi's) ingevuld worden; er is dan alleen water als daar noodzaak toe is. Om te zorgen dat het systeem voldoende snel grote neerslaghoe­ veelheden kan bergen moet de waterberging zoveel mogelijk gespreid door het ge­ bied aangelegd worden. Grote transportafstanden moeten voorkomen worden. De opgave kan worden ingevuld door bestaande waterlopen te verbreden of te vergro­ ten, nieuwe waterverbindingen toe te voegen en aan het oppervlaktewatersysteem droge berging in de vorm van greppels en wadi's toe te voegen. In de hydraulische gebieden Prins Alexander, Kralingen en IJsselmonde kan dit het beste door het bestaande watersysteem robuuster te maken. Binnen de Prins Alexanderpolder moet de waterbergingsopgave binnen de afzonderlijke deelgebie­ den (of nog kleinere subgebieden daarbinnen) worden opgelost. Dit impliceert dat het deelgebied Boszoom geen functie heeft voor het opvangen van water uit de an­ dere deelgebieden. In hydraulisch gebied Charlois-Feijenoord zijn weinig bestaande waterlopen aanwe­ zig en moeten vooral nieuw oppervlaktewater en droge berging worden toegevoegd Alleen deelgebied Bloemhof-Hillesluis voldoet (in beide varianten) niet aan de mini­ mumeis uit Water en Bodem Sturend.

Deelgebied Bloemhof-Hillesluis omvat echter maar een klein gedeelte van het hydraulische gebied Charlois-Feyenoord. Alle an­ dere deelgebieden hebben bij beide alternatieven meer (ruimte voor) oppervlakte­ water dan volgens de minimumeis van Water en Bodem Sturend nodig is (5%). Al­ leen deelgebied De Esch voldoet op dit moment aan de eis van 10% waterberging.

Hoewel dat niet kwantitatief in beeld is gebracht is duidelijk dat ook in de referentiesituatie voldoende ruimte voor waterberging zou moeten worden gezorgd. De be­ staande wijken in de diep polder zijn immers tot stand gekomen zonder rekening te houden met de (nieuwe) uitgangspunten voor ’bodem en water sturend' (5-10% ruimte voor waterberging). Ontwikkelprincipes voor een robuuste, klimaatbestendige waterhuishoud ing De analyse van het watersysteem en de doorkijk naar de ontwikkeling van het kli­ maat, met onder andere een grotere kans op het optreden van extreme neerslag (zeer veel neerslag in een korte tijd in een beperkt gebied) leidt tot een aantal

Gemeente Rotterdam 38

Tabel 5.4: De totale hoeveelheid oppervlaktewater (bestaand oppervlaktewater + compensatiewater) voor de beide varianten vergeleken met de ruimteclaim uit Water en Bodem Stu­ rend. Hydraul iDeelgebied Minimum oppervlak Totale oppervlakte water huidig + sche A-Z volgens: watercompensatie Waterschappen gebieden 5-10% waterberging, in diepe polders uit kaAlternatief Alternatief merbrief "Water en bo­ Concentreren Spreiden dem sturend" in ha. Prins AlexanderAlexander knoop 4,2 - 8,4 7,4 7,4 Lage Land 11,7 - 23,3 16,1 21,2 Diepe Boszoom polder 3,3 - 6,5 4,6 5,7 Kral ingen Kralingse Zoom 3,6 - 7,3 6,0 6,0 De Esch 7,7 - 15,4 18,0 18,1 IJsselFeijenoord monde 3,9 - 7,9 4,3 4,3 City CharloisBloemhofFejenoord Hillesluis 7,2 - 14,4 5,4 5,4

Terbrcgtcpl^-r

W;

7/

Krtlinţi i* Plein

5.1.3 Natuur Binnen de gemeentegrenzen van Rotterdam liggen delen van de Natura 2000-gebieden Solleveld en Kapittelduinen, Voordelta en Oude Maas. In het zuidoosten, bij de Maasvlakte, grenst daarnaast het Natura 2000-gebied Voornes Duin aan de gemeen­ tegrens van Rotterdam. Voor de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd per habitattype of soort. Naast Natura 2000-gebieden bestaat er ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Eiland van Brienenoord en natuurpolder de Esch zijn beide NNN-gebieden, gelegen binnen het plan- en studiegebied van A-Z.

Figuur 5.7: Natuurgebieden en ecologische kerngebieden (hotspots)

Verbindingszones zijn routes waarlangs dieren en planten, die van groot belang zijn voor de natuur in Rotterdam, zich kunnen verplaatsen. Via deze routes staan kernge­ bieden met elkaar en met het landelijk gebied rond Rotterdam in verbinding. Door het aanleggen van nieuwe routes of het verbeteren van bestaande routes wordt voorko­ men dat soorten geïsoleerd raken van soortgenoten. In en om de stad vallen de ver­ bindingen vaak samen met waterlopen en recreatieve routes. In het plan- en studie­ gebied van A-Z gaat het daarbij op noord om groenstructuren langs de Prinsenlaan in Lage Land, de Boszoom, Kralingse Zoom, Burgemeester Oudlaan en de Nesserdjk in de Esch, inclusief het buitendijks gebied. Op zuid gaat het om het Rondje Stadionpark, het Varkenoordse park, Molenvliet en Smeetlandse dijk als groene routes naar het Zuiderpark. Daarnaast vormt de Maas een belangrijke verbindingszone door

Daarnaast zijn er de ecologische kerngebieden in Rotterdam, de zogenaamde "ecolo­ gische hotspots", waar belangrijke concentraties van bijzondere planten- en dieren­ soorten aanwezig zijn, die kenmerkend zijn voor Rotterdam. De ambitie voor de kern­ gebieden is om hier een stabiel ecosysteem te behouden of te creëren. De grote ste­ delijke (en stadsrand) parken, het Kralingse Bos en de stjlranden van de polders vor­ men o.a. de kerngebieden. In het plan- en studiegebied A-Z (zie onderstaande kaart) zijn dat naast het Kralingse Bos ook de (bos-) parken en groene randgebieden in de Boszoom, Kralingse Zoom en de Esch, de Nieuwe Maas als getijdenrivier (met getjdennatuur in natuurpolder de Esch en op Eiland van Brienenoord) en de twee (bos-) parken De Twee Heuvels in Fejenoord City en Zuiderpark bij Hart van Zuid.

Gemeente Rotterdam 39

Rotterdam. Hoewel er groenstructuren aanwezig zijn is de verwachting dat het groot­ ste deel van de structuren op ecologisch vlak niet van hoge waarde is. Ze worden vaak onderbroken door infrastructuren en de focus heeft de afgelopenjaren vooral gelegen op inrichting en beheer van groen met oog op andere functionaliteiten dan de waarde voor natuur of biodiversiteit. Dit is terug te vinden in de wijk typologieën uit de Rot­ terdamse Stijl en de beheerstrategieën uit de Beheervisie. Het grootste deel van de stad en ook van het plan- en studiegebied A-Z wordt beheerd als cultuurljk: gericht op gazons, (monotone) bomen e.d., groenstructuren waar relatief weinig variatie in beplanting wordt toegepast. Daarnaast ontbreekt het er aan schuilmogeljkheden, voedsel, voortplantingsplaatsen. Al deze factoren zijn essentieel voor een groot aan­ deel soortgroepen. Alleen in Lage Land, de Esch en in IJsselmonde ten zuiden van Fejenoord City wordt een meer natuurlijk beheer toegepast en is de variatie in beplan­ ting wat groter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=75a78e6a-cf69-4312-bdb5-797ef7959baa