CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb007315] Bijlage 3a behorende bij 23bb7325 - 311023 Aanvulling ROER Verstedelijking

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 28 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hierbij betrekken:46.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Oostflank Rotterdam Aanvulling Rotterdams Omgevingseffectrapport (ROER)

Verstedelijking A-Z .

Gemeente Rotterdam

Toelichting op deze versie Datum: 31 oktober 2023

Gemeente Rotterdam 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding: waarom een Aanvulling ROER?

11

1.1. Introductie 11 1.2. Doel en afbakening van dit rapport 12 1.3. Te nemen besluit: (partiële) herziening van de Rotterdamse Omgevingsvisie 13 1.3.1 Herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam 13 1.3.2 Aanvulling ROER en milieueffectrapportage 13 1.4. Samenhang met de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam 14 1.5. Proces en procedure 14 1.5.1 Wat vooraf ging 14 1.5.2 Opbrengst van inspraak en advies op de NRD 15 1.5.3 Vervolgstappen 15 1.6. De kaders van wet- en regelgeving en beleid 15

4.2. Referentiesituatie 4.3. De twee alternatieven 4.3.1 De bouwstenen 4.3.2 Alternatief Concentreren 4.3.3 Alternatief Spreiden

26 27 27 28 29

5

31

Effecten en beoordeling van de bouwstenen

3.1. Werkwijze 3.1.1 Hoofdlijnen van de werkwijze 3.1.2 Werkwijze beoordeling alternatieven en bouwstenen 3.2. Beoordelingskader 3.3. Terugblik op het ROER 2021

19 19 20 21 22

5.1. Goede omgevingskwaliteit 5.1.1 Bodem 5.1.2 Water 5.1.3 Natuur 5.1.4 Landschap en cultureel erfgoed 5.1.5 Overzicht 5.2. Veilige gezonde fysieke leefomgeving 5.2.1 Geluid 5.2.2 Luchtkwaliteit 5.2.3 Veiligheid 5.2.4 Gezond gedrag 5.2.5 Overzicht 5.3. Woonomgeving 5.3.1 Wonen 5.3.2 Woonomgeving 5.3.3 Mobiliteit 5.3.4 Welzijn 5.3.5 Overzicht 5.4. Economische omgeving 5.4.1 Ruimtegebruik 5.4.2 Energie en grondstoffen 5.4.3 Economische vitaliteit 5.4.4 Ruimtelijk economische structuur 5.4.5 Overzicht

4 Bouwstenen, alternatieven en referentiesituatie

24

6

4.1. Werkwijze 4.1.1 Introductie op dit hoofdstuk 4.1.2 Deelgebieden en bouwstenen 4.1.3 Twee alternatieven en de referentiesituatie

24 24 24 24

6.1. Werkwijze en verbeelding 6.2. Beoordeling van de referentiesituatie 6.3. De twee alternatieven 6.3.1 Beoordeling alternatief Concentreren

2 Het gebied Alexander-Zuidplein 2.1. Wat zeggen de Omgevingsvisie en het ROER? 2.1.1 A-Z in de Omgevingsvisie 2.1.2 A-Z in het ROER 2.1.3 De Aanvulling ROER als basis voor de ontwerp-herziening omgevingsvisie

17

3

19

Werkwijze van de Aanvulling ROER

17 17 17 18

Beoordeling alternatieven

31 31 33 39 40 42 43 43 49 49 54 56 57 57 60 61 63 64 65 65 66 68 71 74

75 75 75 76 76

Gemeente Rotterdam 3

6.3.2 6.3.3 6.3.4

7

Beoordeling alternatief Spreiden De twee alternatieven vergeleken Conclusies voorkeursmodel

Effectbeschrijving per deelgebied

7.1. Inleiding 7.1.1 Analyse en aanbevelingen per deelgebied 7.1.2 De deelgebieden in het geheel van de Oostflank 7.2. Deelgebied Alexanderknoop 7.2.1 Referentiesituatie 7.2.2 Effect van de bouwstenen 7.2.3 Conclusies 7.3. Deelgebied Het Lage Land 7.3.1 Referentiesituatie 7.3.2 Effect van de bouwstenen 7.3.3 Conclusies 7.4. Deelgebied Boszoom 7.4.1 Referentiesituatie 7.4.2 Effect van de bouwstenen 7.4.3 Conclusies 7.5. Deelgebied Kralingse Zoom/EUR 7.5.1 Referentiesituatie 7.5.2 Effect van de bouwstenen 7.5.3 Conclusie 7.6. Deelgebied De Esch 7.6.1 Referentiesituatie 7.6.2 Effect van de bouwstenen 7.6.3 Conclusies 7.7. Deelgebied Feyenoord City 7.7.1 Referentiesituatie 7.7.2 Effect van de bouwstenen 7.7.3 Conclusies 7.8. Deelgebied Bloemhof & Hillesluis 7.8.1 Referentiesituatie 7.8.2 Effect van de bouwstenen 7.8.3 Conclusies en ontwikkelprincipes 7.9. Deelgebied Hart van Zuid 7.9.1 Referentiesituatie

78 80 82

7.9.2 7.9.3

8

84 84 84 84 88 88 89 90 91 91 91 93 94 94 94 95 97 97 98 99 100 100 101 102 102 102 103 105 106 106 106 107 108 108

Effect van de bouwstenen Conclusies

108 108

Bodem en water sturend

110

8.1. Inleiding 8.1.1 Subvarianten bodem en water sturend 8.1.2 Gebiedsindeling 8.2. Prins Alexanderpolder 8.2.1 Deelgebieden in de Prins Alexanderpolder 8.2.2 Beoordeling 8.3. Buitendijkse deelgebieden 8.3.1 Deelgebieden 8.3.2 Beoordeling 8.4. Overige deelgebieden 8.4.1 Deelgebieden 8.4.2 Beoordeling 8.5. Beoordeling bodem en water sturend 8.5.1 Overzicht 8.5.2 Conclusies 8.5.3 Conclusies vormgeving voorkeursmodel verstedelijking

110 110 110 111 111 113 114 114 115 116 116 117 117 117 120 122

9

123

Voorkeursmodel

9.1. Ontwikkelprincipes 9.2. Beschrijving voorkeursmodel verstedelijking 9.2.1 Beschrijving per thema 9.3. Beoordeling voorkeursmodel 9.4. Conclusies en verantwoording

123 124 124 128 130

10

132

Adviezen en randvoorwaarden

10.1. Ingewonnen adviezen 10.2. Randvoorwaarden

132 133

11

134

Reflectie en monitoring

11.1. Reflectie 11.2. Monitoring 11.2.1 Leemtes in kennis 11.2.2 Monitoring en evaluatie

134 135 135 136

Gemeente Rotterdam 4

Begrippen en afkortingen A-Z autonome ontwikkeling beoordelingskader

BKK cunet

DCMR

gebiedsuitwerking Goede groei

Hoofdkeuze Lagenbenadering

MIRT MRDH MER m.e.r. Milieueffectrapport Milieueffectrapportage Natura 2000

het gebied in de oostflank van Rotterdam, globaal gele­ gen tussen Alexander en Zuidplein ontwikkeling die onafhankelijk van de Omgevingsvisie plaats zal vinden en waarover inmiddels besluiten zijn genomen overzicht van thema, aspecten en indicatoren. Dit over­ zicht wordt gebruikt voor het in beeld brengen en be­ oordelen van de (hoofdkeuzes uit de) Omgevingsvisie Bodemkwaliteitskaart Uitgraving in een niet draagkrachtige grondlaag. De uitgraving wordt opgevuld, veelal met zand, om de ge­ wenste draagkracht voor bv. wegen of trottoirs te realiseren. Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond; DCMR vervult namens de gemeente de rol van bevoegd gezag in de m.e.r.-procedure uitwerking van de hoofdkeuzes voor een specifiek deelgebied groei die bjdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang Belangrijke keuze voor de ontwikkeling van de stad in de komende decennia. Methodiek van beschrijven van de fysiek omgeving aan de hand van de drie lagen ondergrond, netwerken en occupatie Meerjarenprogramma Infrastructuur en Ruimte Metropoolregio Rotterdam-Den Haag MilieuEffectRapport milieueffectrapportage Rapport waarmee de milieueffecten van een plan of project in beeld worden gebracht. De procedure voor het volwaardig meenemen van mili­ eueffecten bij de voorbereiding van plannen of pro­ jecten. M.e.r.

is geregeld in de Wet milieubeheer Europees netwerk van beschermde natuurgebieden.

Natuurnetwerk Nederland

Netwerk van beschermde natuurgebieden in Neder­ land, waar de natuur voorrang heeft.

Notitie reikwijdte en Detailniveau (NRD)

Veelgebruikte term voor een notitie waarmee de start van een m.e.r.-procedure wordt gemarkeerd. De 'reik­ wijdte' geeft aan wat het voornemen is, welke alterna­ tieven en varianten in het MER worden onderzocht en welke (milieu- en omgevings)thema's in beeld worden gebracht. Het 'detailniveau' betreft de diepgang en me­ thode van het onderzoek (kwalitatief of kwantitatief). Wet, die op Ijanuari 2024 in werking treedt, waarmee de wetten voor de leefomgeving worden gebundeld en gemoderniseerd. Langetermjn doelstellingen van de gemeente Rotter­ dam het gebied waarop de Omgevingsvisie Rotterdam be­ trekking heeft, i.c. het grondgebied van de gemeente Rotterdam de procedure waarbinnen een milieueffect voor plan­ nen, in dit geval de Aanvulling ROER voor de herzie­ ning van de Omgevingsvisie Rotterdam, wordt opge­ steld huidige situatie aangevuld met autonome ontwikkelin­ gen Rotterdams OmgevingsEffectRapport. Het ROER heeft de formele functie van een MER. Deze Aanvulling ROER bouwt voort op het ROER reikwijdte overzicht van de kwaliteit van de leefomgeving

Omgevingswet

perspectieven plangebied

plan-m.e.r.

referentiesituatie ROER

scope Staat van de Leefomgeving

Hoofdstuk 4 laat zien welke bouwstenen en alternatieven zijn onderzocht en hoe in het onderzoek is omgegaan met het vraagstuk van ’bodem en water sturend'. In hoofdstuk 5 zijn thematisch, aan de hand van het beoordelingskader, de effecten van de bouwstenen en alternatieven beschreven en in hoofdstuk 6 de beoordeling van de twee alternatieven. Hoofdstuk 7 gaat per deelgebied nader in op die effecten en bevat gebiedsgerichte aanbevelingen. In hoofdstuk 8 wordt het principe 'bodem en water sturend' onderzocht en hoe dat kan uitpakken voor de voorgenomen verstedelijking, aan de hand van twee subvarianten. De conclusies en aanbevelingen uit de hoofdstukken 6, 7 en 8 zijn vervolgens vertaald naar een twaalftal ontwikkelingsprincipes, die zijn gebruikt voor het onder­ bouwen van het voorkeursmodel voor de verstedelijking. Dat is beschreven en be­ oordeeld in hoofdstuk 9. Dit voorkeursmodel is de basis voor de partiële herziening van de omgevingsvisie Rotterdam. In de hoofdstukken 10 en 11 wordt ingegaan op ingewonnen adviezen voor water, natuur en (externe) veiligheid, de afhankelijkheid van ontwikkelingen van buitenaf en van transities, en is aangegeven hoe wordt omgegaan met leemtes in kennis en wat dat betekent voor monitoring en evaluatie, aanvullend op de aanzet in het ROER.

LEESWIJZER De Aanvulling ROER De Aanvulling ROER is opgesteld ten behoeve van de partiële herziening van de Rotterdamse Omgevingsvisie. Daarin wordt de basis gelegd voor de ontwikkeling van de Oostflank van Rotterdam. Centraal daarin staan verstedelijking (het bou­ wen van een groot aantal woningen, inclusief arbeidsplaatsen en voorzieningen), een nieuwe stadsbrug en hoogwaardig openbaar vervoer. Deze onderdelen zijn in twee afzonderlijke procedures onderzocht. De onderdelen samen kunnen worden beschouwd als het milieueffectrapport (MER) dat nodig is om het besluit te kunnen nemen. Naast dit rapport, dat gaat over de voorgenomen verstedelijking van het gebied, is er een tweede rapport over de oeververbinding en HOV. In paragraaf 1.4 is dit toe­ gelicht. Het rapport over de oeververbinding en HOV is gebaseerd op de onder­ zoeken die zijn gedaan in het kader van de MIRT-verkenning Oeververbindingen re­ gio Rotterdam.

Van A-Z naar Oostflank

In de bijlagen zijn per thema de randvoorwaarden voor het vervolgtraject opgeno­ men en een risico-analyse van effecten op Natura 2000-gebieden.

De plannen voor de ontwikkeling van het oosteljk deel van Rotterdam zijn gestart onder de naam A-Z: van Alexander tot Zuidplein. Inmiddels wordt voor die samen­ hangende ontwikkeling van verstedelijking, stadsbrug en HOV de term Oostflank gehanteerd.

Ten behoeve van deze Aanvulling ROER zijn (thematische) deelrapporten opge­ steld. Deze zijn op aanvraag beschikbaar.

De MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam In de MIRT-verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam is onderzoek gedaan naar de nieuwe oeververbinding, de A16 Van Brienenoordcorridor en de Algeracorridor. Van deze drie onderdelen is alleen het ruimtelijke besluit over de oeverbinding onderdeel van de partiële herziening van de omgevingsvisie van Rotterdam. De twee andere onderdelen uit de MIRT-verkenning (de A16 Van Brienenoordcorridor en de Algeracorridor) worden via andere procedures verder uitgewerkt.

Leeswįjzer voor dit rapport De inhoud van dit rapport is op hoofdljnen als volgt: Na de twee inleidende hoofdstukken over het doel van dit rapport, het te nemen be­ sluit, het proces, de gevolgde procedure en de aanduiding van het plangebied van de Oostflank, is in hoofdstuk 3 de gehanteerde werkwijze beschreven, de manier van beoordelen en het beoordelingskader.

Gemeente Rotterdam 6

Definitieve herziening omgevingsvisie We hebben op basis van alle input uit de zienswijzen, de raadsvragen en -mo­ ties, adviezen van DCMR en de Commissie m.e.r. besloten een aantal wijzigin­ gen door te voeren in de definitieve herziening van de omgevingsvisie ten op­ zichte van de ontwerp-herziening omgevingsvisie. Dit leidt tot een aanscher­ ping van een aantal gebiedskeuzes en tot een aantal kleine wijzigingen op de omgevingsvisiekaart. Deze wijzigingen zijn niet substantieel van aard, dus val­ len binnen de bandbreedte van de onderzochte effecten die we in beeld hebben gebracht voor de verschillende verstedeljkingsmodellen (spreiden en concen­ treren, en de subvarianten voor bodem en water). Ook de beoordeling van de effecten van het voorkeursmodel, blijft gelijk. Wel is de omschrijving van het voorkeursmodel in hoofdstuk 9 aangepast. De voornaamste wijzigingen ten op­ zichte van de ontwerp-herziening betreffen: » Meer aandacht voor leefkwaliteit, onder andere door het toevoegen van een nieuwe gebiedskeuzes. » Inzetten van meervoudig ruimtegebruik als middel om de beschikbare ruimte efficiënt te gebruiken is toegevoegd aan een aantal bestaande gebiedskeuzes. » Een nieuw voorstel voor de Boszoom, waarin ruimte blijft voor volks­ tuincomplex VTV de Venhoeve en een sportveld. De voorgestelde ver­ stedelijking wordt hierdoor iets kleiner wordt.

» We onderzoeken een passage voor langzaam verkeer over de golfbaan richting het Kralingse Bos. » Meer ambitie voor aantrekkelijke inpassing van de Abram van Rijckevorselweg voor fietsers en voetgangers met ruimte voor groen. De aangepaste toelichting van het voorkeursmodel en bijbehorende omge­ vingsvisiekaart is te vinden in hoofdstuk 9.

Gemeente Rotterdam 7

SAMENVATTING De Aanvulling ROER Verstedelijking Oostflank geeft inzicht in de effecten van de voorgenomen verstedelijking in de Oostflank van Rotterdam. De Aanvulling ROER bouwt voort op het eerdere ROER dat voor de omgevingsvisie is opgesteld. Het gaat in dit rapport Aanvulling ROER om milieueffecten, maar ook om sociale en economi­ sche effecten. Dit rapport is onderdeel van de partiële herziening van de Rotterdams Omgevingsvisie.

»

komen tot een klimaatadaptieve inrichting, waarbij de onderlaag bepaalt of (verdere) verstedelijking acceptabel is; Bodem ã Water 2: de onderlaag stuurt niet de verstedelijking, maar de in­ richting: hierbij wordt ervan uitgegaan dat -als voor het deelgebied wordt geko­ zen voor verstedelijking - bodem en water sturend zijn voor de manier waarop de verstedelijking plaatsvindt.

Tabel A: Kerncijfers van de bouwstenen (blauw Concentreren, groen Spreiden, wit belde alternatieven)_____________________________________________________________________

De effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn in deze Aanvulling ROER vergele­ ken met de toekomstige situatie zoals die zal ontstaan op basis van de autonome ontwikkelingen. Dat is de referentiesituatie. Daarbij wordt in dit rapport gekeken naar de toekomstige situatie in 2030 - 2040 op basis van reeds genomen besluiten. Het gehele gebied is verdeeld in deelgebieden. Om de mogeljke bandbreedte van effecten van de verstedelijking in beeld te kunnen brengen zijn naast de referentiesi­ tuatie twee alternatieven samengesteld. Deze alternatieven zijn opgebouwd uit bouwstenen die op het niveau van de deelgebieden zijn ontwikkeld (tabel A). De al­ ternatieven zijn het alternatief Concentreren (met concentratie van verstedelijking bjde knopen en een groter aantal woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen) en Spreiden (met meer spreiding van verstedelijking en een wat lager aantal woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen).

woningen deelgebied Alexanderknoop

Lage Land

Boszoom Kralingse Zoom

Beide alternatieven gaan uit van een nieuwe stadsbrug en een hoogwaardige openbaarvervoerverbinding in de vorm van een tram en van medegebruik van de brug door auto's. Deze keuze voor de oeververbinding is gebaseerd op de onderzoeken van de MIRT-verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam en de bestuurlijke keuze die november vorigjaar is gemaakt door de betrokken overheden (naast Rot­ terdam zijn dat het Rijk, de provincie en de vervoerregio MRDH).

De Esch

Feyenoord City

De effecten van de alternatieven zijn vergeleken met de referentiesituatie aan de hand van het beoordelingskader dat ook in het ROER is gebruikt.

arbeidsplaatsen

voorzieningen

bouwsteen

aantal

m2

m2

AK1

8.000

240.000

38.000

AK2

7.680

240.000

38.000

LL 1

1.000

0

0

LL 2

1.500

0

0

BZ 1

0

10.000

8.000

BZ 2

1.350

125.000

1.000

KZ

3.850

300.000

15.000

E1

5.000

140.000

27.000

E2

650

40.000

3.000

FC Basis

4.750

60.000

11.000

FC Plus

10.000

65.000

20.000

Bloemhof/Hillesluis

B/H

300

11.500

0

Hart van Zuid

HvZ

0

0

0

Op de volgende pagina's zijn de beoordelingen van de twee alternatieven en de extra bouwstenen voor Bodemà Water weergegeven. Een korte toelichting is opgenomen in de onderschriften.

Naast de alternatieven Concentreren en Spreiden en aanvullend op de effecten van de bouwstenen, is nagegaan hoe verstedelijking er uit zou zien als wordt uitgegaan van het principe van ’bodem en water sturend'. De input daarvoor bestaat enerzijds uit de karakteristieken van het gebied (met name van de onderlaag) en anderzijds uit de beoordeling van de effecten van de bouwstenen. Hierbij zijn verschillende aanvul­ lende bouwstenen voor 'Water en bodem sturend' gebruikt: » Bodem ã Water 1: de onderlaag bepaalt hier of verstedelijking mogeljk is: maatgevend is wat voor het betreffende deelgebied nu al noodzakeljk is om te

Gemeente Rotterdam 8

Omgevingskwaliteit

Veilige, gezonde fysieke leefomgeving

Woonomgeving

Goede

Economische omgeving

Veilige, gezonde fysieke leefomgeving

Woonomgeving

Economische omgeving

Alternatief Spreiden

referentie A-Z

referentie A-Z Alternatief Spreiden

Alternatief Concentreren

Figuur B: Beoordeling van alternatiefSpreiden, in vergelijking met de referentiesituatie. Dit alternatief is (in vergelijking met alternatief Concentreren) wat negatiever beoordeeld voor de effecten op bodem en water (links in de figuur) en wat minder positief voor de effecten op de economische omgeving (rechts in de figuur)

FiguurA: Beoordeling van alternatief Concentreren, in vergelijking met de referentiesituatie. Negatieve beoordelingen zijn er voor de aspecten bodem, water, natuur, geluid en (externe) veiligheid (linkerhelft van de figuur). Positief zijn de effecten voor de economische omgeving en de woonomgeving (rechterhelft van de figuur).

Gemeente Rotterdam 9

leefomgeving

Woonomgeving

Veilige, gejonde fysieke leefomgeving

Economische omgeving

Woonomgeving

Economteche omgeving

Bodem en Water 2

referentie A-Z

referentie A-Z

Bodem ft Water 2

Bodeni&Water 1 Figuur C: Beoordeling van de subvariant Bodem 8t Water 1. De beoordeling voor de aspecten bodem en water is beter dan de referentie en ook positiever dan de beoordeling van de twee alternatieven (figuren A en B). Hiertegenover staat een minder positieve beoordeling voor een aantal aspecten van de woonomgeving en de economische omgeving.

Figuur D: Beoordeling van de subvariant Bodem 8t Wa ter 2. In vergelijking met de beoordeling voor Bodemå Water 1 is de beoordeling voor de aspecten bodem en water nagenoeg gelijk. Daartegenover staan positievere beoordelingen voor de aspecten woonomgeving en econo­ mische omgeving. Deze beoordelingen zijn ongeveer gelijk aan die van de alternatieven Con­ centreren en Spreiden

Het onderzoek heeft geresulteerd in aanbevelingen en een twaalftal ontwikkelprincipes, als leidraad voor het voorkeursmodel voor de verstedelijking en om rekening mee te houden bij de verdere planuitwerkingen. Daarnaast zijn per thema aanvul­ lende randvoorwaarden opgesteld voor die planuitwerkingen.

Gemeente Rotterdam 10

1

GEBIEDSUITWERKING

Inleiding: waarom een Aanvul­ ling ROER?

ALEXANDER TOT ZUIDPLEIN

Moge Ink trace nieuwe HOV-verbinding (mogetijk toekomstig uitgebreíd tot

Aiĉx.itnie.'l

1.1. Introductie

Níeuwe oeververbinding (meerdere tracési onderzoek).

In december 2021 is de omgevingsvisie van Rotterdam vastgesteld. In de Omgevingsvisie is de zone tussen Alexander en Zuidplein (A - Z) aangewezen als een van de strategische gebieden, waarvoor specifieke gebiedskeuzes zijn gemaakt. In dit gebied komt een groot aantal opgaven bij elkaar. Hier liggen kansen om een groot deel van de verstedelįjkingsopgave van Rot­ terdam te realiseren. De ontwikkeling van A - Z moet daarmee leiden tot economische, sociale en ruimtelijke meerwaarde en tot een meer duurzame en veerkrachtige stad. Een aanjager hiervoor is nieuw, hoogwaardig openbaar ver­ De Veranderstad voer, via een nieuwe, oostelijke oeververbin­ ding. De opgave in het gebied A - Z is Goede groei, het kernbegrip in de omgevingsvisie. Belang­ rijke programmatische toevoegingen in dit ge­ bied zijn de realisatie van 20.000 tot 30.000 woningen, verdeeld over het gebied, in de peri­ ode tot 2040, zo beschrijft de omgevingsvisie.

3Oc

Koppeling 'Oude Lijn' door nieuw station Stadionpark ONTWIKKELEN VAN STEDELIJKE CENTRA Complementaire stedelijke centra: steef emk interactiemílieu met unieke mix wonen, werken en stedelijke voorzieningen meteen kwalitatieve openbare ruimte en HOV Stadionpark en Hart van Zuid). Campus als onderdeel stedelijk centrum

milieu STADSDELEN VERBINDEN DOOR VERDICHTING

Zoekgebied verstedelijking verbinden stadsdelen en wijken NETWERK VAN GROENE VERBINDINGEN Netwerk van aantrekkelijke groengebieden Níeuw centraal rivierpark aan de Maasoevers

Rotterdams OmgevingsEffectRapport ROER

KANSEN VOOR BEWONERS EN ONDERNEMERS Betere leefkwaliteit wijken en gemengde terreinen [gebiedsspecifieke kansen

bęnurteni

De toe te voegen woningen zijn bedoeld voor diverse doelgroepen en verdeeld over verschillende soorten woonmilieus en gebie­ den met hun eigen karakteristieken. Daarnaast komt er ruimte voor extra arbeids­ plaatsen en voorzieningen, en wordt de aanwezige concentratie van sportvoorzieningen in de zogenaamde sportcirkel versterkt. In combinatie met deze programma­ tische toevoegingen worden ook kwaliteitsmaatregelen in de openbare ruimte voor­ gesteld, onder meer gericht op aanvullende verbindingen en op vergroening.

tŵt

(j -

SCHONE, PRETTIGE OPENBARE RUIMTE EN SPORT IN (NABIJHEID VAN DE WIJKEN Nieuwe mobiliteitshubs: slimme parkeer- en overstapmogelijkheden voor verschillende vervoersmoda iteiten. Prettige langzaamverkeersroutes Behoud m2 sportterreinen (binnen de sportcirkel).

Figuur 7.7: Oostflank Rotterdam, het gebied tussen Alexander en Zuidplein (bron: Omgevings­ visie Rotterdam)

Gemeente Rotterdam 11

De hoofdkeuzes die in de omgevingsvisie voor het gebied A-Z zijn opgenomen zijn de afgelopen periode verder uitgewerkt. Deze uitwerking wordt vastgelegd in een partiele herziening van de Omgevingsvisie. Deze actualisatie en aanvulling van het ROER is onderdeel van deze procedure. De Aanvulling ROER wordt gebruikt om in de partiele herziening van de Omgevingsvisie de koers gericht op Goede Groei nog beter te verankeren.

Het onderzoek in de Aanvulling ROER leidt tot input voor een voorkeursmodel voor de verstedelijking in de Oostflank. Dit voorkeursmodel is beschreven en beoordeeld in hoofdstuk 9. Ook leidt het onderzoek tot aanbevelingen voor ontwikkelprincipes en randvoorwaarden voor de verdere gebiedsontwikkeling (randvoorwaarden per thema, voor gemeente en voor ontwikkelaars), ontwikkelprincipes die zijn gestructu­ reerd op basis van de effecten en de lagenbenadering. Hierbij speelt het principe van 'bodem en water sturend' (de ondergrond) een belangrijke rol. Deze benadering sluit goed aan bij een flexibele omgevingsvisie, een levend ROER en bij een verantwoorde koers voor de Oostflank.

1.2. Doel en afbakening van dit rapport Dit onderzoeksrapport richt zich op het beschrijven en beoordelen van de effecten van de voorgenomen verstedelijking in de Oostflank, het gebied tussen Alexan­ der en Zuidplein: de realisatie van gemengde woon-werkmilieus en maatregelen om de (ruimtelijke) kwaliteit van het gebied te verbeteren.

Voor de beoordeling van de omgevingseffecten van de verstedelijksopgave zijn twee alternatieven ontwikkeld, die beide zijn opgebouwd uit bouwstenen voor de verschillende deelgebieden binnen A-Z. De alternatieven en de bouwstenen zijn be­ schreven in hoofdstuk 4. De effecten van de alternatieven zijn beschreven ten op­ zichte van de referentiesituatie (de situatie zonder omgevingsvisie, de autonome ontwikkeling op basis van eerder genomen besluiten).

Een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van de Oostflank is het realiseren van een nieuwe oeververbinding en hoogwaardig openbaar vervoer. Voor deze oe­ ververbinding en OV-verbinding is de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam uitgevoerd. Als onderdeel daarvan is een m.e.r.-procedure gestart en een integraal verkenningenrapport en MER opgesteld. In dat MER zijn zes alternatieven onderzocht. Dit onderzoek heeft gediend als basis voor de bestuurlijke keuze voor het voorkeursalternatief voor een stadsbrug tussen de Nesserdijk aan de noordzijde van de Nieuwe Maas en de Veranda op de zuidzijde, een hoogwaardige OV-verbinding met tramkwaliteit en een nieuw station Stadionpark. De uitkomsten van de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam en de afspraken over het Voorkeursalternatief zijn in dit deel van de Aanvulling ROER als uitgangspunt ge­ hanteerd. Hoe dit doorwerkt in de beschouwde alternatieven voor de verstedelijking is beschreven in paragraaf 4.1.3.

De Aanvulling ROER heeft derhalve de volgende functies: » Input leveren voor een afweging tussen de bouwstenen en de alternatieven, richting een voorkeursmodel. Daarbij gaat het om de verdeling van het ruimte­ lijk programma over deelgebieden, effecten op de omgeving, en doelbereik. Deze input richt zich op zowel het niveau van de deelgebieden als op het gebied A - Z als geheel. » Identificeren van kansrijke oplossingsrichtingen of noodzakelijke maatregelen, of van potentiële showstoppers: wat moet er, wat kan er nog meer en wat kan echt niet? » Opstellen van randvoorwaarden voor de volgende fase van planvorming. Voor het ontwikkelen van de alternatieven, de beschrijving van de bestaande en toe­ komstige toestand van de leefomgeving, alsmede voor het structureren van de aan­ bevelingen is in deze Aanvulling ROER (ook om invulling te kunnen geven aan bo­ dem en water sturend) de lagenbenadering toegepast. Deze lagenbenadering is als methode voor gebiedsanalyses en ontwerpen - complementair aan het beoorde­ lingskader dat wordt gebruikt voor het onderzoeken en beoordelen van de effecten van de alternatieven. Dit betreft het beoordelingskader dat is gebruikt in het ROER en is beschreven in paragraaf 3.2.

De Aanvulling ROER is - zoals de titel al zegt -beschouwd als een aanvulling en waar nodig actualisatie en aanscherping van het ROER, als basis voor een partiële herziening van de Omgevingsvisie. De herziening van de omgevingsvisie richt zich op de uitwerking van de in de omgevingsvisie vastgelegde hoofdkeuzes voor A-Z. Deze hoofd- en gebiedskeuzes vormen het kader voor de herziening van de omge­ vingsvisie en de aanvulling van het ROER. Indien relevant zijn actuele ontwikkelin­ gen en adviezen meegenomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de vernietiging van het besluit over bestemmingsplan Feijenoord City door de Raad van State, en de toepas­ sing van de lagenbenadering (met aandacht voor de ondergrond, netwerken en de occupatielaag), op basis van het advies van de Commissie m.e.r.

Daarnaast is in deze Aanvulling ROER een aanzet opgenomen voor de monitoring van de daadwerkelijke effecten van verstedelijking, als onderdeel van een breder monitoring- en evaluatieplan zoals opgenomen in het ROER (2021) voor uitvoering van de omgevingsvisie.

Gemeente Rotterdam 12

1.3. Te nemen besluit: partiële herziening van de Rot­ terdamse Omgevingsvisie

Dit rapport Verstedelijking A-Z gaat over de verstedelijking (de gebiedsontOostflank Rotterdam wikkeling). In dit rapport zijn de effec­ ten van het bouwen van woningen, het Aanvulling Rotterdams Omgevingseffectrapport (ROER) toevoegen van ruimte voor bedrijvig­ Verstedelijking A-Z heid en voorzieningen en van maatre­ gelen voor de goede groei. Dit rapport is (mede) gebaseerd op een aantal the­ matische onderzoeksrapporten. De on­ derzoeksaanpak is gebaseerd op de Notitie reikwijdte en detailniveau. Deze is aangescherpt en aangevuld naar aanleiding van inspraak en advies (para­ graaf 1.5.2). Onderdeel hiervan is het meer zichtbaar maken van effecten met behulp van de lagenbenadering, tevens basis voor het vormgeven van de alternatieven. De lagenbenadering is ook gehanteerd voor het structureren van de conclusies en aan­ bevelingen (ontwikkelprincipes en randvoorwaarden) voor de verdere uitwerking van de strategische agenda en ontwikkelvisie. Er is daarbij in het bijzonder ook aan­ dacht besteed aan de invloed van het rijksbeleid ten aanzien van ’bodem en water sturend'. Het rapport bevat vervolgens een beschrijving van het voorkeursalternatief voor de ontwikkeling van de Oostflank, laat zien hoe dit tot stand is gekomen en maakt duidelijk wat de omgevingseffecten van het voorkeursalternatief zijn. In dit rapport zijn tevens aanbevelingen opgenomen voor de vervolgstappen.

Het gaat om aanbevelingen zowel op het niveau van de deelgebieden als meer generieke aanbe­ velingen voor de gebiedsontwikkeling als geheel. In dit rapport wordt tevens invul­ ling gegeven aan enkele vragen die voortkomen uit de procedure van het ROER voor de omgevingsvisie.

1.3.1 Herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam Besluiten over de ontwikkeling van de Oostflank worden genomen in een ontwerp herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam. Het gaat dan om (kaderstellende) be­ sluiten over de verstedelijking in de Oostflank en de nieuwe stadsbrug met hoog­ waardige tramverbinding. Voor de stadsbrug, station Stadionpark en een nieuwe HOV-verbinding (met tramkwaliteit) is de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam uitgevoerd. Een MER is onderdeel van deze MIRT-Verkenning. Initiatiefnemers voor deze MIRTverkenning zijn geweest de gemeente Rotterdam, de metropoolregio, de provincie Zuid-Holland en het rijk, zijnde het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Bij de start van deze M IRT-verkenning hebben de initiatiefnemers afgesproken de uit­ komsten van deze MIRT-verkenning, voor wat betreft de onderdelen oeververbin­ ding en HOV, te verankeren in de Rotterdamse omgevingsvisie. Een ruimtelijk be­ sluit onder (nu nog) de Tracéwet is hiervoor niet aan de orde. Ter onderbouwing van deze partiële ontwerp-herziening omgevingsvisie is de Ontwikkelvisie Oostflank opgesteld. Deze ontwikkelvisie beschrijft de ambities, gebiedskeuzes en de nieuwe omgevingsvisiekaart, gevoed vanuit de Aanvulling ROER.

1.3.2 Aanvulling ROER en milieueffectrapportage In formele zin moet de Aanvulling ROER Verstedelijking A-Z worden beschouwd als het milieueffectrapport (MER) bij de besluiten over de verstedelijking in de par­ tiele ontwerp-herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam, het MER MIRT is dat voor de effecten van de stadsbrug en HOV-verbinding. Voor de (kaderstellende) be­ sluiten over de verstedelijking en een nieuwe oeververbinding bestaat de verplich­ ting een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren. Met de Aanvulling ROER en de procedures die zijn doorlopen wordt invulling gegeven aan deze verplichting.

Het tweede rapport is het conclude­ rende rapport uit de MIRT-Verkenning Oostflank Rotterdam Oeververbindingen regio Rotterdam. Dit rapport beschrijft samenvattend de zes alternatieven voor de oeververbinding en de OV-verbinding die zijn onder­ Oeververbinding en HOV Milieu effectra ppport zocht en effecten daarvan. Aan dit rap­ port ligt een groot aantal onderzoeken ten grondslag. De informatie in dit rap­ port is de basis voor de bestuurlijke keuze van het voorkeursalternatief voor oeverbinding en HOV. Dit voorkeursalterna­ tief is gehanteerd als uitgangspunt voor de effectbeoordeling in het rapport over de verstedelijking en is opgenomen in de partiële ontwerp-herziening van de omge­ vingsvisie.

De milieuinformatie ten behoeve van de ontwerp-herziening van de omgevingsvisie is opgenomen in twee rapporten die betrekking op de twee onderdelen van de gebiedsontwikkeling. Deze rapporten zijn (mede) gebaseerd op onderliggende deelstu­ dies en onderzoeken. Met de twee rapporten samen wordt voldaan aan de verplich­ tingen inzake milieueffectrapportage.

Gemeente Rotterdam 13

1.4. Samenhang met de MIRT-Verkenning Oeverver­ bindingen regio Rotterdam

verstedelijking de aanwezigheid van een nieuwe stadsbrug en de HOV-verbinding met tramkwaliteit het uitgangspunt is. De effecten van de aanleg van de stadsbrug en de HOV-ljn zelf zijn geen onderdeel van dit rapport.

Het onderzoek naar de effecten van de verstedelijking heeft plaatsgevonden naast de onderzoeken die zijn gedaan als onderdeel van de MIRT-Verkenning. Voor de MIRT-Verkenning Oeverbindingen regio Rotterdam is een eigen procedure in het ka­ der van de milieueffectrapportage doorlopen, met een NRD (gepubliceerd 9januari 2020) en inspraak en advies. De onderzoeken van de oeververbindingen en de ver­ stedelijking zijn onderling afgestemd, maar voor zover mogeljk separaat uitge­ voerd. Figuur 1.2 geeft een beeld van de samenhang en laat zien dat ten behoeve van het te nemen besluit (de partiele ontwerp-herziening van de Omgevingsvisie) de keuzes voor de verstedelijking en voor de oeververbinding de benodigde milieuinformatie aanwezig is in de twee onderdelen van de Aanvulling ROER.

In de onderliggende rapporten komen alle (omgevings-) effecten van de voorgeno­ men ingrepen, alternatieven en varianten in beeld. Welk effect waar aan bod komt is schematisch weergegeven in figuur 1.3. In de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam zijn de effecten van de aanleg van de oeververbinding (per alterna­ tief) onderzocht. Het gaat dan om tjdeljke effecten (bijvoorbeeld door geluid of bronbemaling) maar ook om blijvende effecten (bijvoorbeeld het verlies van archeo­ logische waarden).

Tijdelijke en blijvende effecten realisatie woningen en kwaliteitsmaatregelen (twee alternatieven en referentie) en subvarianten bodem en water sturend

Oostflank

Partiële herziening Omgevingsvisie

Oostflank Rotterdam

Leefomgevingskwaliteit (gebruiksfase, twee alternatieven en referentie; subvarianten bodem en water sturend trambrug met HOV en auto te gast)

Oostflank Rotterdam

Verstedelijking

Verstedelijking A-Z

Tijdelijke en blijvende effecten realisatie oeververbindingen en OV (zes alternatieven)

Effecten gebruiksfase (verkeer, geluid e.d., zes alternatieven, twee scenario’s voor verstedelijking)

MIRT-Verkenning Oeververbindingen regi Rotterdam

Oeververbinding en HOV

Figuur 1.3: Overzicht van de beschouwde effecten per onderdeel van de rapportage

1.5. Proces en procedure •

Verstedelijking

MOV Kr

1.5.1 Wat vooraf ging

MIRT-Verkenning Oeververbindingen regľ Rotterdam

Als eerste stap in de m.e.r.- procedure voor de partiele ontwerp-herziening van de omgevingsvisie voor het onderdeel verstedelijking is in de tweede helft van 2022 een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) gepubliceerd. In de NRD is beschreven hoe de aanvulling van het ROER voor de verstedelijking wordt aangepakt: wat wordt onderzocht en op welke manier en met welk detailniveau wordt het onderzoek uitge­ voerd. Deze NRD is gebruikt voor inspraak en advies. In de zienswjzenperiode zijn in totaal 11 zienwjzen ontvangen. Op 18 november 2022 heeft de Commissie m.e.r.

Figuur 1.2: Samenhang tussen de onderdelen van gebiedsontwikkeling A-Z en de Aanvulling ROER.

Bij het onderzoek naar de verstedelijking in dit rapport is in beide alternatieven uit­ gegaan van de inmiddels gemaakte keuze voor de oeververbinding (het voorkeursal­ ternatief voor de oeververbinding). Dat houdt in dat bij de alternatieven voor de

Gemeente Rotterdam 14

een advies uitgebracht voor de inhoud van het ROER. Ook DCMR heeft een advies uitgebracht over de inhoud van het MER.

1.5.3 Vervolgstappen De Aanvulling ROER is gebruikt om nadere keuzes te maken voor het gebied A - Z. Deze keuzes worden opgenomen in een partiele ontwerp-herziening van de omgevingsvisie. Dit ontwerp, gezamenlijk met de MER MIRT en deze Aanvulling ROER worden gezamenlijk ter inzage gelegd, waarna een ieder een zienswijze kan indie­ nen en adviezen worden gevraagd, onder andere aan de Commissie voor de m.e.r. Na inspraak en advies wordt vervolgens de partiele ontwerp-herziening van de omgevingsvisie ter vaststelling voorgelegd aan gemeenteraad van Rotterdam.

1.5.2 Opbrengst van inspraak en advies op de NRD De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota van Zienswij­ zen. Daarin is ook aangegeven op welke manier rekening is gehouden met de ziens­ wijzen. Adviezen van de Commissie m.e.r. en de DCMR Op 18 november 2022 heeft de Commissie m.e.r. een advies uitgebracht over reik­ wijdte en detailniveau van het milieueffectrapport1. De Commissie adviseert - sa­ mengevat - een aanpak waarbij als eerste stap op basis van de lagenbenadering (ondergrond, netwerken, occupatie) randvoorwaarden en opgaven worden geïdenti­ ficeerd. De volgende stap is dan het in beeld brengen van alternatieven voor het rea­ liseren van het programma van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen binnen deze randvoorwaarden en het ontwikkelen van een 'toolbox' van ontwerpprincipes, randvoorwaarden en maatregelen voor de deelgebieden. De Commissie stelt dat met deze 'omgekeerde benadering' beter invulling kan worden aan het nationale be­ leid waarin 'water en bodem sturend' dienen te zijn bij (woningbouw)ontwikkelingen2. Daarnaast vraagt de Commissie o.a. de ambities te vertalen in toetsbare doe­ len.

In de periode daarna zullen de besluiten verder worden uitgewerkt in de strategi­ sche agenda en vervolgens in concrete plannen, met de Omgevingsvisie Rotterdam alsjuridisch-planologisch kader. De Ontwikkelvisie Oostflank zal hierbij als leidraad en richtinggevend document fungeren voor de planuitwerking. Dit gebeurt naar ver­ wachting gefaseerd en op het niveau van deelgebieden of delen daarvan. Voor de oeververbinding wordt een zogeheten plan- en studiefase gestart. Het is de bedoe­ ling dat die studie de basis wordt voor een projectbesluit (onder de Omgevingswet) of Omgevingsplan.

1.6. De kaders van wet- en regelgeving en beleid In het ROER van 2021 is een overzicht opgenomen van de relevante kaders van wet­ en regelgeving en beleid. Dit overzicht bevat de informatie die ook voor dit deel van de Aanvulling ROER van belang is.

Het advies van de DCMR volgt het advies van de Commissie m.e.r., in die zin dat wordt gevraagd een derde alternatief te ontwikkelen. Dit zou het alternatief moeten zijn als de lagenbenadering als basis wordt gehanteerd, waarbij 'bodem en water' primair sturend zijn. Daarnaast vraagt de DCMR om het meenemen van alle alterna­ tieven voor de oeverbinding in het onderzoek van de verstedeljkingsopgave, inde vorm van integrale alternatieven voor verstedelijking plus oeververbinding.

Voor de ontwikkeling van de Oostflank is het recent door het kabinet aangekondigde beleid voor 'Bodem en water sturend' van belang. Het plan- en studiegebied van de voorgenomen verstedelijking bestaat immers deels uit zeer diepe polders, heeft te maken met bodemdaling en ligt deels buitendijks. Daardoor bevat het beleid van 'bo­ dem en water sturend' kaders waarmee bij de ontwikkeling van de Oostflank reke­ ning wordt gehouden. In dit verband is ook het Rotterdamse beleid ten aanzien van klimaatadaptatie van belang: het Rotterdams WeerWoord.

In de paragrafen 3.1 en 4.3 is beschreven op welke manier deze adviezen zijn ver­ werkt bij het opstellen van deze Aanvulling ROER. Evident is dat het principe van 'bo­ dem en water sturend' relevant is voor A-Z. I mmers, het plangebied kent belangrijke aandachtspunten gerelateerd aan de hoogteligging (onder andere doordat een deel van het gebied in een zeer diepe polder ligt), watersysteem en bodemdaling. De aan­ dacht voor 'bodem en water sturend' sluit overigens goed aan bij het actieve beleid dat Rotterdam op dit vlak voert binnen het Programma Rotterdams WeerWoord.

In onderstaande kaders zijn de essenties weergegeven.

1 Zie www.commissiemer.nl. advies nr 3677

2 Zie kabinetsbrief Water en Bodem sturend van 25 november 2022, IENW/BSK-2022/283041

Gemeente Rotterdam 15

Rotterdams Weerwoord

Water en Bodem sturend

Het Rotterdams Weerwoord (vastgesteld door B&W in 2019) geeft aan hoe Rotterdam zich wil aanpassen aan de klimaatverandering. Vanwege de ligging in een deltagebied met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Om he­ vige regenval, droogte en hitte, grondwater onder- en overlast en bodemdaling aan te pak­ ken zijn ingrepen noodzakelijk in openbaar en particulier gebied. De belangrijkste zijn; ver­ groening van de stad, vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding, waterbergende voorzieningen op gebouwen, en hoger aanleggen van vitale voorzieningen.

In de brief van 25 november 2022 zet het kabinet uiteen op welke water en bodem sturend dienen te zijn bij besluiten over de inrichting van Nederland. De brief bevat een aantal structurerende keuzes. Deze keuzes hebben deel betrekking op nationaal beleid, maar kun­ nen ook richting geven aan of doorwerking hebben in programma's en gebiedsprocessen van provincies, gemeenten en waterschappen. De structurerende keuzes zijn gerubriceerd onder de thema's Voldoende en schoon (zoet)water, Bodem vitaal en efficiënt geordend, Bebouwd gebied, Laagveengebieden, Verziltende kustgebieden en Hoge zandgronden.

Van Buis naar Buitenruimte: het Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam 2021-2025. De be­ langrijkste aanpassing voor de lange termijn is het ontvlechten van het bestaande stede­ lijke watersysteem: waterstromen scheiden. Waarbij het streven is zo min mogelijk hemel­ water en grondwater naar de zuivering af te voeren. Het scheiden en het lokaal vasthouden en verwerken van schoon hemelwater draagt bij aan de klimaatadaptatie volgens het stra­ tegische principe: vasthouden, bergen, afvoeren. De voorkeursvolgorde in dit principe is: Opslaan (bergen) en toepassen (hergebruiken). Tijdelijk vasthouden (bergen) en vervolgens vertraagd afvoeren naar bodem, riool of oppervlaktewater. Afvoeren. Overlast accepteren in bepaalde mate en afhankelijk van de gebeurtenis.

Voor de gebiedsontwikkeling A-Z zijn (onder meer) de structurerende keuzes 7, 13, 21 en 22 relevant. Ruimte voor water 7. We creëren ruimte voor het vasthouden, berqen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruiken landbeheer. Hiermee vergroten wede veerkracht van zowel het hoofdwatersysteem als reqionale watersystemen. Dit wordt vanaf heden door het Rijk, de waterschappen, provincies en gemeenten uitgewerkt en in de qebiedsproaramma's opqenomen. 13. We reserverende 50Zo tot 10Dŵ van diepe polders voorwaterberqinq, bil voorkeurde diepste delen. We voorkomen hiermee wateroverlast aís gevolg van aanhoudende regenval of pĩekbuien. Hier ís geen nieuwe bebouwing toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterberqend vermogen. Bebouwd gebied 21. We maken de risico's van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid sturend bij de locatie keu ze en inrichting van woninqbDuw. Hiermee voorkomen we datwe nieuwbouw qaan realiseren op locaties waar we later spijt van qaan krijqen. Provincies nemen in hun ruimtelijke arrangementen het (concept) richtinggevend kadermee. 22. We benutten locaBes waar in de toekomst ruimte nodiq is voor waterberging, rivierafvoer en toekomstige dijkversterkingen niet (meer) voor bebouwing.

In de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam (VBOR; wijziging van 27-06-2021) zijn de voorschriften opgenomen voor de aansluiting van de perceeleigenaren op het gemeen­ telijk riool. Gemeente Rotterdam eist via de VBOR dat voor nieuwe situaties, bij verharde oppervlakken groter dan 500 m2, 50 mm regenwaterberging wordt gerealiseerd. Deze 50 mm waterberging moet na een regenbui binnen maximaal 50 uur weer beschikbaar zijn. Neerslaghoeveelheden groter dan 50 mm mogen door de perceeleigenaar aan het gemeen­ telijk riool of aan de openbare ruimte worden aangeboden.

Eén van de consequenties van deze structurerende keuzes is als volgt verwoord: ‘Niet alle beoogde nieuwbouwlocaties zullen vanuit het water en bodemsysteem even geschikt zijn voor woningbouw. Hier zal gekozen moeten worden tussen anders bouwen, het bekostigen van extra maatregelen om de risico's te verminderen, of het zoeken naar andere locaties.

Gemeente Rotterdam 16

"

2 Het gebied Alexander-Zuidplein

" "

2.1. Wat zeggen de Omgevingsvisie en het ROER? 2.1.1 A-Z in de Omgevingsvisie

Versterken van de sportcirkel: behoud van het aanbod sportvelden in de nabij­ heid van woongebieden, ontwikkelen richting sportcomplexen van de toekomst Versterken van de groenstructuur en aanleg van groene verbindingen Klimaatbestendig, circulair en energiezuinig als uitgangspunten, bijdragen aan transities van bestaande wijken

In het ontwerp van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam voor dit gebied A - Z - waarvoor deze Aanvulling ROER is opgesteld - wordt een nadere concretisering gegeven van de eerder in de omgevingsvisie vastgelegde gebiedskeuzes: » Verdeling van het beoogde ruimtelijk programma over de verschillende deelge­ bieden binnen de Oostflank, inclusief globale uitspraken over type woonmilieus en bijbehorende karakteristieken en dichtheden » Een raamwerk waarin condities voor de ontwikkeling van heel A-Z of van deel­ gebieden worden benoemd en geadresseerd. Hierin komen alle ruimtelijk rele­ vante thema's aan bod, zoals energie, water, recreatie, sport, ecologie, milieu, mobiliteit etc.

De Rotterdamse Omgevingsvisie "De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen" uit 2021 is gericht op "goede groei". De gemeente Rotterdam werkt voor het gebied A - Z (van Alexander tot Zuidplein) aan de uitwerking van de opga­ ven en ambities. Voor het gebied A - Z is in de omgevingsvisie een zestal gebiedskeuzes geformu­ leerd, waarmee het voor Rotterdam een strategisch gebied is om invulling te geven aan deze goede groei. Er wordt aldus een substantiële bijdrage geleverd aan de vijf perspectieven voor Rotterdam: een compacte, productieve, inclusieve, duurzame en gezonde stad. Specifiek voor A - Z zijn in de omgevingsvisie drie centrale ambities geformuleerd, met per ambitie gebiedsgerichte keuzes: 1. Sterke centra: van ov-knooppunten naar stedelijke centra » impuls voor openbaar vervoer » ontwikkelen van stedelijke centra 2. Ongedeelde stad: van gescheiden stadsdelen naar één geheel » stadsdelen verbinden door verdichting » netwerk van groene verbindingen 3. Vitale stadswijken: van geïsoleerde woonbuurten naar vitale stadswijken » kansen voor bewoners en ondernemers » duurzame mobiliteit, prettige openbare ruimte én sport.

In het proces dat in de afgelopen periode is doorlopen, zijn in eerste instantie twee mogelijke modellen voor de verstedelijking beschreven. Deze zijn ook met de omge­ ving en stakeholders besproken en vormen de basis voor de alternatieven in deze Aanvulling ROER.

2.1.2 A-Z in het ROER In paragraaf 9.5.3 van het ROER is een beschouwing opgenomen van de omgevingseffecten van de (in de omgevingsvisie opgenomen) voorgenomen ontwikkeling van het gebied A-Z. Dit leidt in het ROER tot de volgende conclusie ten aanzien van het gebied A-Z: De analyse van de effecten laat zijn dat bij de verdere ontwikkeling van A tot Z bodem­ daling en waterberging, natuurlijk groen, cultureel erfgoed, geluidshinder en externe veiligheid belangrijke aandachtspunten zijn. Met name de variant Hoog 2040 binnen de hoofdkeuze Verstedelijken & verbinden versterkt met de keuze voor een metrotunnel de ambities voor een meer gezonde leefomgeving binnen de hoofdkeuze Prettig le­ ven in de delta (minder aantasting van groen en van ecologische kerngebieden, minder autoverkeer, minder emissies) en ze versterkt de hoofdkeuze Verdienvermogen ver­ nieuwen het meest (betere bereikbaarheid en verduurzaming van economische clus­ ters). Daar staat tegenover dat de extra verstedelijking rond knooppunten conflicteert met Prettig leven in de delta, in de zin dat het aantal geluidgehinderden daardoor per saldo toeneemt. De variant Laag 2040 met een multimodale stadsbrug leidt vooral op

Daarnaast legt de omgevingsvisie (2021) vast welk programma er binnen A-Z gerea­ liseerd moet worden. Concreet gaat het om: " 20.000 - 30.000 woningen in diverse woonmilieus en segmenten, voor alle doelgroepen " De impuls in hoogwaardig openbaar vervoer is randvoorwaarde voor de verste­ delijking: nieuwbouw koppelen aan een nieuwe oeververbinding " Arbeidsplaatsen groeien mee met woningen, dat wil zeggen werklocaties ont­ wikkelen naar toekomstbestendige, en gemengde woon-werkgebieden " Goede voorzieningen voor een aantrekkelijke, inclusieve stad " Onderwijs op alle niveaus, bereikbaar voor iedereen

Gemeente Rotterdam 17

toe leidende wegen tot meer autoverkeer en emissies van geluid en tot aantasting van ecologische kerngebieden. Door de laag gelegen polders in A tot Z ontstaan als gevolg van verstedelijking grote knelpunten door bodemdaling en zeer beperkte mogelijkheden voor infiltratie van re­ genwater. Daar staat tegenover dat de hoofdkeuze Prettig leven in de delta leidt tot grotere investeringen in de openbare ruimte. Er is al met al blijvend aandacht nodig voor het borgen van ambities in de verdere uit­ werking en uitvoering van plannen, voor monitoring & evaluatie daarvan en het zo no­ dig treffen van extra maatregelen (zie bijlage met aandachtspunten). In principe voor alle clusters van het beoordelingskader, en specifiek voor indicatoren als mobiliteit, ge­ luid, externe veiligheid, bodem en water, natuur en landschap/cultureel erfgoed, wonen en voorzieningen, welzijn en ruimtelijk-economische structuur. Daarmee kan een na­ dere invulling en de nodige randvoorwaarden worden meegegeven aan de gebiedsge­ richte keuzes in de omgevingsvisie: (1) Sterke centra: van OV-knooppunten naar stede­ lijke centra, (2) Ongedeelde stad: van gescheiden stadsdelen naar één geheel en (3) Vi­ tale stadswijken: van geïsoleerde woonbuurten naar vitale stadswijken.

2.1.3 De Aanvulling ROER A-Z: basis voor ontwerp-herziening omgevingsvisie Parallel aan de onderzoeken voor deze Aanvulling ROER is gewerkt aan het opstel­ len van de verdere partiële herziening van de omgevingsvisie. De (tussentijdse) uit­ komsten van de beoordelingen (op het niveau van de deelgebieden en de bouwste­ nen van deze Aanvulling ROER) zijn vanuit het proces van het opstellen van deze Aanvulling ROER ingebracht in het proces van het ontwikkelen van de inhoud van de ontwerp-herziening van de omgevingsvisie. Deze informatie is gebruikt bij het ma­ ken van de inhoudelijke keuzes. De manier waarop met de aanbevelingen vanuit de Aanvulling ROER is omgegaan is in de ontwerp-herziening van de omgevingsvisie beschreven. De samenvatting daarvan is tevens opgenomen in dit deel van de Aan­ vulling ROER. Uitgangspunt voor de alternatieven in deze Aanvulling ROER is het realiseren van een nieuwe multimodale stadsbrug, een station Stadionpark en een hoogwaardige OV- verbinding (tram) van Zuidplein tot Kralingse Zoom en (uiteindeljk) Alexander. Daarmee worden de knooppunten (Zuidplan, Feyenoord City. Kralingse Zoom/EUR en Alexanderknoop) verbonden. De onderbouwing van de keuze voor de stadsbrug en tramverbinding is opgenomen in het rapport Oeververbinding en HOV.

Gemeente Rotterdam 18

In deze Aanvulling ROER is gebruik gemaakt van zowel de lagenbenadering als van het beoordelingskader ROER voor de effecten. De lagenbenadering biedt daarbij vooral een structuur voor de beschrijving en analyse van de karakteristieken van een gebied en is een hulpmiddel bij ruimtelijk ontwerpen. Daarnaast staat het beoorde­ lingskader dat bruikbaar is om de effecten van bouwstenen en alternatieven te be­ schrijven en te beoordelen.

3 Werkwįjze van de Aanvulling ROER 3.1. Werkwijze

De hoofdlijn van de werkwijze en de inhoud van het rapport is schematisch weerge­ geven in figuur 3.2.

3.1.1 Hoofdlijnen van de werkwijze In dit rapport is in principe de aanpak gevolg die ook is gebruikt in het ROER, maar aangevuld en aangepast naar aanleiding van de adviezen over de NRD. Daarnaast vraagt de vraagstelling van deze Aanvulling ROER - het maken van keuze op het ni­ veau van deelgebieden - een aanscherping van de werkwijze, in vergelijking met het ROER. Deze aanpassing is er op gericht meer zichtbaar te maken wat de impact van 'bodem en water sturend' en het toepassen van de lagenbenadering is op de te ma­ ken keuzes en op de conclusies en aanbevelingen (in de vorm van ontwikkelprincipes en randvoorwaarden). In de adviezen van de Commissie m.e.r. en de DCMR wordt gevraagd om het toepassen van de lagenbenadering (figuur 3.1). Deze vraag komt voort uit het belang dat de onderste laag (de ondergrond) heeft als bodem en water sturend zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Voorkeursalternatief MIRT: brug met HOV

Alternatief Spreiden

Alternatief Concentreren

hoofdstuk 4

hoofdstuk 5 en 6

effectenonderzoek en beoordeling

I lessen voorkeursmodel per deelgebied ..................

V

hoofdstuk 7

_____

analyse bodem en water sturend

effectenonderzoek

hoofdstuk 8

lessen voor voorkeursmodel

____ 1 '

I

voorkeursmodel verstedelijking

~~ ...................

hoofdstuk 9

Figuur 3.2: Schematische weergave van de werkwijze en de indeling van het rapport

-įĄ®! De bouwstenen en de twee alternatieven zijn beschreven in hoofdstuk 4. Voor beide alternatieven is het voorkeursalternatief uit de MIRT-Verkenning als uitgangspunt gehanteerd: Stadsbrug, een HOV-verbinding met tramkwaliteit en station Stadionpark. Het beoordelingskader, dat is beschreven in paragraaf 3.2., is gebruikt om de effecten van de bouwstenen en de twee alternatieven te onderzoeken en te beoorde­ len. De resultaten van het effectenonderzoek zijn opgenomen in de hoofdstukken 5

Figuur 3.1: De drie lagen van de lagenbenadering: ondergrond, netwerken en occupatie (bron: Nota Ruimte, 2006)

Gemeente Rotterdam 19

(thematisch). Deze beoordelingen leiden in hoofdstuk 6 tot een beoordeling van de twee alternatieven en tot input voor het voorkeursmodel. In hoofdstuk 7 zijn de ef­ fecten per deelgebied beschouwd. Dit leidt tot specifieke vragen in relatie tot de principes van ’bodem en water sturend'. Mede op basis daarvan is in hoofdstuk 8 na­ gegaan wat de inhoud van 'water en bodem sturend' bouwstenen (subvarianten) zouden kunnen zijn en tot welke andere effecten die aanvullende bouwstenen lei­ den. Ook die analyse levert input voor het voorkeursmodel. Hoofdstuk 9 beschrijft de resulterende ontwikkelprincipes en de inhoud van het voorkeursmodel en op welke overwegingen het voorkeursmodel is gebaseerd. Hoofdstuk 10 gaat in op ingewon­ nen adviezen en op de randvoorwaarden voor het vervolgtraject. Hoofdstuk 11 staat stil bij ontwikkelingen van buitenaf, leemtes in kennis, monitoring en evaluatie.

Bodem (bodemsamenstelling en hoogteligging) en alsmede grond- en oppervlakte­ water zijn de ondergrond. De laag van de netwerken wordt gerepresenteerd door de aspecten van de veilige, gezonde fysieke leefomgeving, en de occupatielaag door de woonomgeving en de economische omgeving. De onderdelen van deze la­ gen hebben een sterke samenhang - zo zijn bijvoorbeeld de effecten van het gebruik van de netwerken (geluid, externe veiligheid) relevant voor de occupatielaag, en is de occupatielaag afhankelijk van de beschikbaarheid van netwerken voor de bereik­ baarheid van wonen en werken en voor de ruimteljk-economische structuur.

3.1.2 Werkwijze beoordeling alternatieven en bouwstenen Per indicator van het beoordelingskader zijn in deze Aanvulling ROER de huidige si­ tuatie, de referentiesituatie en (voor het betreffende deelgebied) het effect van de bouwstenen en alternatieven beschreven en beoordeeld. De aanpak hierbij is dat voor de referentiesituatie een beoordeling van de Staat van de leefomgeving is ge­ geven. De beoordeling van de effecten van de bouwstenen en alternatieven bestaat uit het beoordelen van het verschil dat de betreffende bouwsteen zal maken: blijft de situatie gelijk of wordt het beter of slechter dan de referentiesituatie?

De lagenbenadering is toegepast als structuur om de karakteristieken van de het plangebied en van de afzonderlijke deelgebieden te beschrijven. De lagenbenade­ ring is tevens gebruikt bij het structureren van de uiteindeljke aanbevelingen in de dit rapport. Deze aanbevelingen zijn per laag geformuleerd als ontwikkelprincipes voor (de verdere uitwerking van) het voorkeursmodel. De relatie tussen het beoordelingskader (dat de effecten beschrijft) en de lagen (die het systeem karakteriseren) is schematisch weergegeven in figuur 3.3.

De beoordeling van de staat van de leefomgeving (huidige situatie en autonome ontwikkeling) is per indicator en per deelgebied uitgedrukt met de emoticons, zoals opgenomen in de tabel. Per emoticon is de betekenis beschreven. Er is voor deze werkwijze gekozen om De staat is overal positief, er zijn geen knelpun­ niet de indruk te wekken ten dat een gedetailleerde (ambities worden overal gehaald) kwantitatieve beoorde­ ling van de effecten De staat is overwegend positief, lokaal zijn er heeft plaatsgevonden. wat knelpunten (ambities worden grotendeels

drager van

occupatie effecten

* effecten drager van

effecten -r

Bij de beoordeling van de bouwstenen per deel­ gebied en van de alter­ natieven is de onder­ staand scoresystematiek toegepast. Beoordeeld is of de betreffende bouw­ steen leidt tot het meer of minder realiseren van de ambities: is het een plus op de referentie-

drager van

Figuur 3.3: Samenhang van de lagen

De volgorde van de clusters en aspecten in het overzicht van het beoordelingskader reflecteert de lagen die de lagenbenadering karakteriseren.

© © © © ©

gehaald) De staat is redelijk, verspreid zijn er knelpun­ ten (ambities worden vaak wel, soms niet gehaald) De staat is matig, er zijn redelijk wat knelpun­ ten (ambities worden soms gehaald) De staat is overal negatief, er zijn overal knel­ punten (ambities worden nergens gehaald)

Gemeente Rotterdam 20

situatie of een min? De beoordeling is dus ten opzichte van de referentiesituatie.

++

+

0

-

- -

gemaakt van informatie uit het ROER en uit de MIRT-Verkenning Oeververbindin­ gen regio Rotterdam.

Sterk positief effect. De bouwsteen draagt in sterke mate bij aan het realiseren van de ambitie, het is een sterke verbetering ten op­ zichte van de referentie. Beperkt positief effect. De bouwsteen draagt in zekere zin bij aan het realiseren van de ambitie; het is een verbetering ten opzichte van de referentie. Geen wezenlijk effect. De bouwsteen draagt niet bij en doet ook geen afbreuk aan de ambitie; geen wezenlijk verschil met de refe­ rentie Beperkt negatief effect. De bouwsteen doet in zekere zin afbreuk aan het realiseren van de ambitie, het is een verslechtering ten op­ zichte van de referentie. Sterk negatief effect. De bouwsteen doet in sterke mate afbreuk aan het realiseren van de ambitie, het is een sterke verslechtering ten opzichte van de referentie.

De beoordelingen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 van dit rapport. In hoofdstuk 7 zijn de bevindingen per deelgebied samengevat en zjn per deelgebied en bouwsteen aandachtspunten benoemd. Op basis van de beoordelingen op het niveau van de indicatoren en bouwstenen is een geaggregeerde beoordeling gemaakt van de twee alternatieven. Hierbij zjn de effecten op het niveau van de alternatieven en aspecten van het beoordelingskader weergegeven in een 'schuifjesfiguur'; de vorm die ook in het ROER is gebruikt. Hierin worden zowel de mate waarin de doelen en ambities worden bereikt (per alternatief) als de onzekerheden (door middel van een bandbreedte) zichtbaar gemaakt. Deze samenvattende beoordelingen voor de twee alternatieven zjn opgenomen in hoofd­ stuk 6 van dit rapport. Bj de beoordeling van de alternatieven is uitgegaan van de 'worst case' voor ver­ schillende aspecten en indicatoren; als er niet expliciet gemaakt wordt welke maat­ regelen precies worden genomen om bepaalde negatieve effecten te mitigeren, pak­ ken de scores zo negatief uit als zonder maatregelen te verwachten is. Dit geldt bij­ voorbeeld op het gebied van bodem en water, waar niet automatische beleidskeuzes uit het WeerWoord meegewogen zjn in de alternatieven. Dit komt de helderheid van de conclusies uit de effectbeoordeling en daarmee transparantie van de besluitvor­ ming ten goede.

Door de beoordeling van de referentiesituatie (de toekomstige staat van de leefom­ geving, per aspect, zonder de alternatieven) te combineren met het effect dat de bouwstenen (gezamenlijk, per alternatief) daarop hebben ontstaat een beoordeling van de toekomstige staat van de leefomgeving per alternatief. Hoe dit is gedaan en wat de resulterende schuifjesfiguren zijn, is opgenomen in hoofdstuk 6 (per alter­ natief) en hoofdstuk 8 (per subvariant). De overall beoordeling van het voorkeursmo­ del verstedelijking is te vinden in hoofdstuk 9.

3.2. Beoordelingskader

De beoordeling is gedaan op basis van expertjudgement. De geraadpleegde experts zijn, afhankelijk van de indicatoren, deskundigen van het Ingenieursbureau van de Gemeente Rotterdam, Stadsontwikkeling Rotterdam, Maatschappelijke Ontwikke­ ling Rotterdam en Stadsbeheer Rotterdam. Rijkswaterstaat en de waterschappen, die actief zjn binnen de grenzen van A-Z (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en Hoogheemraadschap Hollandse Delta) zijn om een collegiale toets gevraagd op de deelonderwerpen bodem en water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=75a78e6a-cf69-4312-bdb5-797ef7959baa