CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb006816] Eindrapportage Leerondersteuning 2022 nav inspreken P. Boshuizen

Commissie tot Onderzoek van de Rekening 11 oktober 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Inspreekmoment Begroting 202417.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Evaluatie leerondersteuning 2022 Gemeente Rotterdam

Rianne Exalto, Michiel van der Grinten, Anne Wester, Marijn Vleeskens en Anke Suijkerbuijk

Inhoudsopgave 1

Inleiding ......................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................... 5 1.2 Onderzoeksvragen ....................................................................................................................... 5 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................... 6

2

Onderzoeksopzet ........................................................................................................................... 7 2.1 Kwantitatieve analyses ................................................................................................................ 7 2.2 Deskresearch ............................................................................................................................... 8 2.3 Observatiebezoeken en groepsinterviews .................................................................................. 8

3

Opzet en uitvoering ..................................................................................................................... 10 3.1 Hoe is de aanpak leerondersteuning opgezet? (onderzoeksvraag 1)........................................ 10 3.2 Hoe wordt de aanpak leerondersteuning in de praktijk uitgevoerd? (onderzoeksvraag 2) ...... 13

4

Opbrengsten aanpak ................................................................................................................... 16 4.1 Opbrengsten voor jongeren (onderzoeksvraag 3) ..................................................................... 16 4.2 Opbrengsten voor ouders (onderzoeksvraag 3) ........................................................................ 19 4.3 Opbrengsten voor vrijwilligers (onderzoeksvraag 3) ................................................................. 19

5

Werkzame factoren en verbeterpunten ....................................................................................... 20 5.1 Succesfactoren (onderzoeksvraag 4) ......................................................................................... 20 5.2 Knelpunten (onderzoeksvraag 4)............................................................................................... 23 5.3 Geleerde lessen (onderzoeksvraag 4)........................................................................................ 27

6

Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 28 6.1 Beantwoording onderzoeksvragen en conclusie ....................................................................... 28 6.2 Aanbevelingen ........................................................................................................................... 31

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

Praktijkbeschrijvingen ............................................................................................... 34 Gespreksleidraden .................................................................................................... 42 Script leerlingenvragenlijst ....................................................................................... 44 Aanvullende tabellen ................................................................................................ 47

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

5

In opdracht van de gemeente Rotterdam evalueert Oberon de aanpak leerondersteuning. Met de aanpak leerondersteuning zet Rotterdam met huiswerkbegeleiding in op het bevorderen van onderwijskansen voor kinderen van laagopgeleide ouders. De initiatieven voor leerondersteuning zijn bedoeld voor leerlingen van basisscholen en het voortgezet onderwijs en worden verbonden aan ouderfactoren die van belang zijn voor het welbevinden van kinderen, zoals armoede, taal en opvoedingsondersteuning. De volgende organisaties worden vanaf 2018 op jaarbasis gesubsidieerd om de aanpak uit te voeren: Vereniging De Pupillen, Stichting Huiswerkklas Oude Westen, Stichting Rijnmond Multicultureel Centrum, Stichting ZuiderLokaal, Stichting Leerbuddy Foundation en Stichting Goud van Noord. Bij het beoordelen van de subsidieplannen heeft de gemeente gekeken naar de kwaliteit van het georganiseerde aanbod.

Daarbij worden een aantal criteria gehanteerd, gebaseerd op literatuuronderzoek: ▪ Er is een rustige werkplek voor jongeren; ▪ De leerondersteuning sluit aan bij de werkwijze op scholen en er wordt samengewerkt met scholen; ▪ Er is een begeleider aanwezig die beschikt over pedagogische vaardigheden; ▪ De leerondersteuning is goed georganiseerd, er is continuïteit (minimaal één schooljaar), er zijn vaste momenten en er zijn vaste begeleiders die een band hebben met de jongeren; ▪ De locatie voor leerondersteuning is goed bereikbaar; ▪ Het aanbod staat open voor Rotterdamse ingezetenen.

1.2

Onderzoeksvragen

Doel van de evaluatie is om de aanpak leerondersteuning van deze zes organisaties objectief te evalueren, na te gaan of in de praktijk aan de criteria wordt voldaan en of het beoogde doel gerealiseerd wordt. De uitkomsten van deze evaluatie moeten de gemeente Rotterdam houvast bieden voor een zorgvuldige afweging omtrent het toekomstperspectief voor de aanpak leerondersteuning in de komende periode. In de evaluatie staan de volgende vier onderzoeksvragen centraal: 1. 2. 3. 4.

1

Hoe is de aanpak leerondersteuning opgezet? Hoe wordt de aanpak leerondersteuning in de praktijk uitgevoerd? Wat is voor kinderen, ouders en professionals1 de merkbare opbrengst van de aanpak? Wat zijn de successen, knelpunten en ‘lessons learned’ van de aanpak in de afgelopen periode?

Omdat het de onderzoekers niet gelukt is voldoende respons onder leerkrachten op te halen is in overleg met de opdrachtgever besloten om het bevragen van deze groep professionals te laten vervallen. De onderzoekers hebben wel opbrengsten onder vrijwilligers opgehaald. Voor een verdere toelichting, zie Hoofdstuk 2: Onderzoeksopzet.

6

1.3

Oberon

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 beschrijven we de onderzoeksopzet, gevolgd door een beschrijving van de resultaten in hoofdstuk 3, 4 en 5. In hoofdstuk 3 ‘Opzet en uitvoering’ beschrijven we de resultaten van de eerste twee onderzoeksvragen. In het rapport wordt gesproken over ‘jongeren’. Het gaat hierbij om kinderen in de leeftijdsgroep 4 tot 19 jaar. Daarnaast hanteren we in de tekst de termen ‘leerondersteuner(s)’. Hiermee doelen we op de leerondersteuningsorganisaties en niet op individuen. Wanneer we spreken over de rol van vrijwilligers of projectleiders, worden deze als zodanig aangeduid in de tekst.

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

2

7

Onderzoeksopzet

Om de onderzoeksvragen te beantwoorden maken we gebruik van een mix van kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethodes, bestaande uit de volgende onderdelen: ▪ ▪ ▪ ▪

kwantitatieve analyse uit vragenlijstonderzoek; observatiebezoeken; deskresearch; (groeps)interviews met jongeren, ouders, projectleiders en vrijwilligers.

2.1

Kwantitatieve analyses

Om goed zicht te krijgen op de waargenomen opbrengsten van de leerondersteuning zetten de onderzoekers een vragenlijst uit onder jongeren (zie Bijlage 3). Deze vragenlijst is op enkele van de onderzochte locaties digitaal verspreid. Op de meeste locaties is gebruik gemaakt van afgedrukte vragenlijsten. Jongeren vulden de vragenlijst handmatig in en konden daarbij indien nodig ondersteuning krijgen van een onderzoeker en/of vrijwilliger. De vragenlijsten zijn voor iedere ondersteuningslocatie gepersonaliseerd. Voor de stellingen in de vragenlijst is gebruik gemaakt van een vijfpuntsschaal (1 = helemaal niet, 5 = helemaal wel). De fysieke vragenlijsten zijn na afloop door het onderzoeksteam gedigitaliseerd en geanalyseerd in SPSS. Er zijn in totaal 84 vragenlijsten ingevuld door jongeren. Er zijn 64 vragenlijsten ingevuld door jongeren t/m 12 jaar en 15 vragenlijsten door jongeren van 13 t/m 19 jaar2. Het aantal ingevulde vragenlijsten per organisatie is af te lezen in Tabel 2.1. Tabel 2.1: Overzicht ingevulde vragenlijsten door jongeren per leerondersteuningsorganisatie Vereniging de Pupillen (Het Leespaleis)

5

Stichting Goud van Noord

6

Stichting het Zuiderlokaal

54

Stichting Huiswerkklas Oude Westen

7

Stichting Rijnmond Multicultureel Centrum

12

Stichting Leerbuddy Foundation

0

Totaal

84

De respons op de jongerenvragenlijst verschilt per locatie (Tabel 2.1). Om hiervoor te corrigeren zijn de antwoorden van de jongeren gewogen zodat de resultaten per locatie even zwaar wegen. De weegfactor per jongere is 1 gedeeld door het aantal keren dat de vragenlijst voor deze locatie is ingevuld. De weegfactor voor Vereniging de Pupillen is bijvoorbeeld 0.2 (=1/5). De onderzoekers zetten daarnaast ook een online vragenlijst uit onder leerkrachten van betrokken scholen. Echter leverde deze uitvraag bij de meeste locaties weinig tot geen respons op. Helaas kunnen

2

Gemiddeld 11;47 jaar, sd = 2.247. Vijf jongeren hebben de vragenlijst ingevuld, maar hebben geen leeftijd opgegeven.

8

Oberon

we deze gegevens dan ook niet voor het onderzoek gebruiken. De kwantitatieve analyse van de vragenlijst voor leerkrachten is daarmee, in overleg met de opdrachtgever, komen te vervallen.

2.2

Deskresearch

De deskresearch bestaat uit twee delen, namelijk een literatuurstudie en het opstellen van praktijkbeschrijvingen per organisatie. Voor de literatuurstudie is gekeken naar (internationaal) onderzoek over effectieve vormen van extra leertijd. Veel van deze onderzoeken zijn buiten Nederland uitgevoerd. Kanttekening bij de onderzoeken uit de literatuurstudie is dan ook dat sommige van de bevindingen niet volledig van toepassing kunnen zijn op Nederlandse kinderen en/of het Nederlandse onderwijssysteem. Voor het opstellen van de praktijkbeschrijvingen analyseerden we de websites van de betrokken organisaties. Ook de subsidieaanvragen (aangeleverd door de gemeente) zijn meegenomen om tot een gedegen praktijkbeschrijving per organisatie te komen.

2.3

Observatiebezoeken en groepsinterviews

De onderzoekers zijn in juni 2022 bij vier van de zes organisaties op locatiebezoek geweest: Stichting Zuiderlokaal, Vereniging de Pupillen (Het Leespaleis), Stichting Huiswerkklas Oude Westen en Stichting Rijnmond Multicultureel Centrum. Doel van dit bezoek was om te observeren hoe de verschillende organisaties de leerondersteuning vormgeven. Omwille van de korte doorlooptijd van het onderzoek is gekozen om met Stichting Leerbuddy Foundation en Stichting Goud van Noord alleen digitale interviews af te nemen met de projectleiders. In overleg met de opdrachtgever hebben we besloten welke organisaties we wel of niet zouden bezoeken. Gezamenlijk hebben we een afweging gemaakt om een zo divers mogelijk beeld te krijgen van de organisaties qua grootte en werkwijze. In juni 2022 namen de onderzoekers zowel groepsinterviews als (digitale) individuele interviews af met verschillende type betrokkenen. Gesproken is met jongeren, ouders, vrijwilligers en projectleiders. Tabel 2.2 geeft inzicht in het totaal aantal gesproken betrokkenen per organisatie. Tabel 2.2: Totaal aantal gesproken betrokkenen per organisatie Aantal gesproken ouders

Aantal gesproken vrijwilligers

Aantal gesproken jongeren

Aantal gesproken projectleiders

Vereniging De Pupillen

0

1

7

2

Stichting Huiswerkklas Oude Westen

4

2

6

3

Stichting Rijnmond Multicultureel Centrum

1

2

7

2

Stichting ZuiderLokaal

21

17

6

3

Stichting Leerbuddy Foundation

0

0

0

1

Stichting Goud van Noord

0

0

0

1

Totaal

26

22

26

12

Organisatie

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

In totaal spraken de onderzoekers dus met 26 jongeren, 26 ouders, 22 vrijwilligers en 12 projectleiders. Aanvullend hierop is een verkennend gesprek gevoerd met twee gemeenteambtenaren. Aan de hand van de gespreksleidraden (zie Bijlage 2) is met de verschillende respondenten onder andere gesproken over. De waargenomen opbrengsten van de leerondersteuning, succesfactoren en knelpunten en wensen en verbeterpunten voor de toekomst. De onderzoekers wilden voor dit onderzoek ook graag in gesprek met leerkrachten van betrokken scholen. Het is de onderzoekers echter niet gelukt om een groepsinterview met leerkrachten in te plannen. Leerkrachten die we benaderden gaven aan geen tijd te hebben om in gesprek te gaan, mede door de drukte die het einde van een schooljaar voor hen met zich meebrengt. Veel leerondersteuners hebben daarnaast weinig tot geen contact met scholen, waardoor de omvang van het aantal beschikbare betrokken leerkrachten sterk tegenviel. In overleg met de opdrachtgever is daarom besloten om dit deel van het onderzoek te laten vervallen. In de rapportage zal een overkoepelend beeld worden geschetst van alle zes leerondersteuners. Er zal binnen dit rapport niet op individueel organisatieniveau worden gerapporteerd. Om de lezer toch een beeld per organisatie te geven, is in Bijlage 1 een praktijkbeschrijving per organisatie opgenomen.

9

10

Oberon

3

Opzet en uitvoering

3.1

Hoe is de aanpak leerondersteuning opgezet? (onderzoeksvraag 1)

In deze paragraaf gaan we in op de ontstaansgeschiedenis van de leerondersteuners, de rol van de projectleiders en vrijwilligers, en de opgestelde doelstellingen. Dit doen we aan de hand van deskresearch en de interviews met projectleiders. Ontstaansgeschiedenis De leerondersteuning is door alle zes organisaties primair in gang gezet vanuit de behoefte om kwetsbare jongeren en/of kinderen uit de wijk huiswerkbegeleiding of bijles te bieden. Vijf van de zes organisaties kozen daarbij voor een stichting als rechtsvorm, één groep richtte een vereniging op. De leerondersteuners uit dit onderzoek kozen voor deze rechtsvormen, omdat zij geen commercieel belang hebben in het aanbieden van hun diensten. De directe aanleiding tot het organiseren van huiswerkondersteuning komt voor alle zes organisaties overeen. De initiatiefnemers van de organisaties zagen dat een grote groep kwetsbare Rotterdamse kinderen behoefte had aan huiswerkondersteuning aanvullend op het reguliere onderwijsprogramma. Ook wilden zij deze groep meer kansengelijkheid bieden binnen het onderwijs. Zo begon één van organisaties initieel als commerciële huiswerkbegeleider.

Echter, omdat de organisatie merkte dat een grote doelgroep kinderen omwille van de kosten geen gebruik kon maken van de leerondersteuning, richtten de organisatie een foundation op die gratis huiswerkhulp aanbiedt: “We gaven eerst alleen bijles aan mensen die het konden betalen. De schoen wrong wel: echt zwakkeren konden onze dienst niet betalen. In het schooljaar 2015-2016 kregen we een mail van een meisje. Die zei dat ze dertig euro had gespaard en voor dat bedrag bijles nodig had in Nederlands, Engels en wiskunde. Toen besefte ik: moeten we niet alles om gaan gooien? […] Kort daarna is de organisatie opgericht.” (Projectleider) Signalen vanuit ouders uit de wijk vormden vaak de concrete aanzet tot het organiseren van huiswerkhulp. Ouders spraken richting elkaar uit hun kinderen onvoldoende met huiswerk te kunnen ondersteunen (bijvoorbeeld omdat zij de Nederlandse taal niet machtig zijn), of kinderen thuis geen rustige plek te kunnen bieden om hun huiswerk te maken. Voor een aantal organisaties geldt dan ook dat ouders nauw betrokken zijn geweest bij de oprichting, of ouders zelf medeoprichter/projectleider zijn. Wat opvalt is dat de oprichting van de organisaties in de helft van de gevallen nauw gerelateerd is aan het wegvallen van een lokaal wijkcentrum/buurthuis.

Voor drie van de zes organisaties geldt namelijk dat de leerondersteuning en eventueel aanvullende wijkondersteunende activiteiten zijn opgezet om de voormalige functie van het buurthuis te vervangen. Het jaar van oprichting van de organisaties loopt sterk uiteen. De oudste organisatie is ruim 45 jaar geleden opgericht, de jongste organisatie begon in 2020. De overige organisaties zijn opgericht tussen 2013 en 2016.

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

11

Subsidie gemeente De gemeente Rotterdam subsidieert leerondersteuners sinds 2018, tijdelijk en op jaarlijkse basis vanuit de subsidieregeling Rotterdams Onderwijsbeleid 2021-2022. 3 Dat betekent dat de organisaties elk jaar opnieuw subsidie moeten aanvragen voor het daaropvolgende kalenderjaar. Het subsidiekader is gebaseerd op de bredere ambitie om ieder Rotterdams kind gelijke kansen te bieden. Een deel van de zes ondersteuners uit dit onderzoek ontvangt sinds het begin van deze subsidieregeling gelden vanuit de gemeente, een ander deel van de organisaties is pas later met de subsidieregeling in aanraking gekomen. Om deze gemeentelijke subsidie te kunnen ontvangen, dienen organisaties jaarlijks een projectplan in. Hierin lichten zij toe waar zij de gelden voor willen inzetten. De subsidie wordt verleend voor de subsidiabele lasten (en de eventueel daarmee gerelateerde baten) van de subsidiabele activiteit(en). Dit houdt in dat de subsidie lager kan worden vastgesteld wanneer de gerealiseerde (subsidiabele) kosten lager zijn dan begroot. De meeste organisaties ontvangen aanvullend op financiering uit de gemeente ook subsidie vanuit andere fondsen en/of ontvangen donaties. Organisaties zetten deze gelden in voor de bekostiging van allerhande zaken.

Denk hierbij aan de aanschaf van lesmateriaal, de bekostiging van activiteiten, de huur van ruimtes of het vergoeden van vrijwilligers. Projectleiders De gesproken projectleiders speelden in veel gevallen een substantiële rol bij de oprichting van hun organisatie. Zij vervullen hun functie meestal aanvullend op een betaalde (fulltime) baan. Hiernaast is één projectleider gepensioneerd en werkt als vrijwilliger voor zijn organisatie. Uit de gesprekken met de projectleiders blijkt dat zij uiteenlopende verantwoordelijkheden hebben. Het precieze takenpakket verschilt per organisatie. Waar projectleiders bij de ene organisatie verantwoordelijk zijn voor het contact met de vrijwilligers en de fondsenwerving, vormen andere projectleiders hoofdzakelijk het aanspreekpunt richting de ouders. Een enkele projectleider springt ook zelf bij om huiswerkondersteuning te geven. Voor de meeste projectleiders geldt dat hun werkzaamheden een combinatie van taken is die ervoor moet zorgen dat de organisatie operationeel stabiel blijft. De meeste projectleiders doen het werk niet alleen, maar worden in hun functie ondersteund door één of meerdere (vrijwillige) coördinatoren. Vrijwilligers De leerondersteuners uit ons onderzoek zijn voor een groot deel afhankelijk van de inzet van vrijwilligers.

Vrijwilligers worden voor allerhande taken ingezet: zij begeleiden de kinderen, helpen met het klaarzetten van ruimtes, organiseren activiteiten, of zijn verantwoordelijk voor het printen en nakijken van lesmateriaal. Bij sommige leerondersteuners zijn vrijwilligers zelf verantwoordelijk voor de invulling van het lesprogramma. Zij steken buiten begeleidingstijd dan ook (veel) eigen tijd in het voorbereiden van lessen. Andere vrijwilligers bereiden geen eigen lessen voor en volgen het lesprogramma dat door de organisatie is opgesteld, of werken enkel vraag gestuurd vanuit de jongeren. De werving van nieuwe vrijwilligers verloopt op verschillende manieren. Sommige organisaties regelen nieuw personeel via vrienden, kennissen of buurtgenoten. Anderen zetten een vacature uit op een vrijwilligersvacaturebank (bijvoorbeeld NL-Cares). Een deel van de organisaties werkt samen met één of meerdere Rotterdamse lerarenopleidingen (po en vo). Rotterdamse leraren in opleiding kunnen bij de betreffende leerondersteuner (als onderdeel van een stagetraject) praktijkervaring opdoen.

3

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-51213.html

12

Oberon

De vereisten waaraan vrijwilligers dienen te voldoen verschillen per aanbieder. Sommige aanbieders nemen alleen vrijwilligers aan die beschikken over vakspecifieke kennis (bijvoorbeeld in rekenen, geschiedenis of Nederlands). Andere organisaties kiezen louter voor vrijwilligers die minimaal op HBOniveau zijn opgeleid. Ook de mate waarin een vrijwilliger ervaring in het onderwijs en/of pedagogische ervaring heeft varieert per organisatie. Voor alle organisaties geldt dat vrijwilligers in ieder geval een VOG moeten kunnen laten zien alvorens te mogen beginnen. Een aantal leerondersteuners kiest bewust voor de inzet van rolmodellen. Zij kiezen bijvoorbeeld voor hoger opgeleide vrijwilligers met bijvoorbeeld een Turkse, Marokkaanse of Antilliaanse achtergrond, idealiter met wortels in de wijk. Eén leerondersteuner zet bewust rolmodellen voor de groep die hun droomberoep hebben weten te bereiken. De vrijwilligers in deze organisatie zijn bijvoorbeeld een arts, advocaat, of een komediant. De gedachte hierachter is om jongeren aan de hand van een rolmodel te inspireren en motiveren. Om geschiktheid van een sollicitant te toetsen, voeren bijna alle organisaties een intakegesprek en/of sollicitatiegesprek. Aanvullend hierop laten enkele leerondersteuners de vrijwilligers eerst een korte periode proefdraaien voordat zij ‘echt’ aan de slag mogen.

Een enkele keer leidt deze proefperiode tot beëindiging van de samenwerking, bijvoorbeeld omdat de betreffende vrijwilliger onvoldoende affiniteit met de doelgroep laat zien. Voor alle organisaties geldt dat het contact tussen projectleiders en vrijwilligers en vrijwilligers onderling zeer nauw is. Dit komt mede doordat de meeste organisaties kleinschalig zijn opgezet. Om onderlinge communicatie te stroomlijnen en om zicht te houden op elkaars werkzaamheden kiezen de meeste organisaties ervoor om vrijwilligers regelmatig in intervisievorm samen te laten komen. Tijdens dergelijke bijeenkomsten bespreken vrijwilligers (al dan niet in aanwezigheid van de projectleider) de taakverdeling en de agenda en is er ruimte om probleemjongeren te bespreken. Vrijwilligers werken volledig pro deo, of ontvangen een vrijwilligersvergoeding ter compensatie voor hun verdiensten. De meesten werken één of meerdere dagen naast een (fulltime) betaalde baan of studie. Slechts enkele gesproken vrijwilligers zijn gepensioneerd of hebben geen betaalde baan. Doelstellingen De opgestelde doelen met betrekking tot leerondersteuning komen voor de zes organisaties zeer sterk overeen. Alle organisaties stellen een soortgelijk tweeledig doel op voor haar doelgroep: 1) Het bevorderen van kansengelijkheid voor kwetsbare jongeren door het bieden van leerondersteuning op een veilige en rustige werkplek.

2) Het bevorderen van de sociaal-emotionele ontwikkeling. Ofwel: ervoor zorgen dat kinderen opgroeien tot ‘goede burgers’ die goed kunnen participeren in de maatschappij. Voorbeelden die door projectleiders in dit kader worden gegeven zijn: het aanleren van goede omgangsvormen, het opbouwen van een netwerk, en het creëren van bewustwording op allerhande maatschappelijke thema’s (denk hierbij bijvoorbeeld aan de risico’s van sociale media). Aanvullend hierop hebben twee organisaties expliciet als doel om ook de ouderparticipatie te bevorderen.

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

3.2

13

Hoe wordt de aanpak leerondersteuning in de praktijk uitgevoerd? (onderzoeksvraag 2)

In deze paragraaf gaan we in op de uitvoering van de leerondersteuning. Hoe gaan leerondersteuners te werk? En hoe ziet een middag bij een leerondersteuner eruit? Dit beschrijven we op basis van de observaties tijdens de locatiebezoeken en de interviews met betrokkenen. Huisvesting Alle organisaties zijn centraal gelokaliseerd in de wijk(en) die zij bedienen. Het gaat daarbij in alle gevallen om wijken waar relatief veel kwetsbare kinderen wonen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status – denk aan Delfhaven, Feyenoord of Charlois. De leerondersteuners zijn veelal gevestigd in wijkcentra, voormalige buurthuizen of (leegstaande) (school)gebouwen. Twee van de zes organisaties maken buiten schooltijden om gebruik van voorzieningen op een school. Eén organisatie biedt hoofdzakelijk digitale individuele huiswerkbegeleiding, een andere organisatie biedt digitale huiswerkhulp aanvullend op het aanbod op locatie. Voor vrijwel alle organisaties geldt dat zij sinds hun oprichting gegroeid zijn in het aantal kinderen dat ze bedienen. Sommigen hebben om die reden moeten uitwijken naar een alternatieve locatie. Omvang Één van de organisaties groeide in enkele jaren uit van 120 naar 500 jongeren. Zij zijn daarmee veruit de grootste leerondersteuningsorganisatie binnen dit onderzoek. De kleinste organisatie bedient jaarlijks ongeveer 25 jongeren.

De overige vier organisaties bieden op jaarbasis leerondersteuning aan 60 tot 200 jongeren. Tijdstippen Jongeren volgen leerondersteuning buiten schooltijd om op doordeweekse dagen. Eén organisatie ontvangt kinderen ook op zondagen. Voor de andere organisaties geldt dat huiswerkondersteuning veelal plaatsvindt direct na schooltijd tot in de vroege avonduren. Jongeren druppelen op de afgesproken tijd binnen, maken een praatje met elkaar, en gaan dan aan de slag. Voor de online leerondersteuning gelden flexibele werktijden. Frequentie Uit de gesprekken met jongeren en vrijwilligers blijkt dat de hoeveelheid dagen dat kinderen leerondersteuning krijgen, sterk uiteenloopt. Waar sommige kinderen iedere doordeweekse dag langskomen, bezoeken anderen de locatie slechts sporadisch (bijvoorbeeld alleen indien zij vinden dat ze huiswerkhulp nodig hebben). De twee organisaties die (ook) online leerondersteuning bieden zijn in het inplannen van leerondersteuning flexibeler. Begeleiders en jongeren plannen in dat geval een bijlesmoment in wanneer het voor beiden partijen het beste uitkomt. Organisaties verschillen in de mate waarin zij consequenties verbinden aan het niet op komen dagen. Bij sommige begeleiders leidt afwezigheid van een jongere vrijwel direct tot een gesprek met de ouders, bij andere organisaties volgen er geen directe consequenties bij eenmalige afwezigheid.

Alle organisaties gaan in gesprek met de ouders wanneer absentie van een jongere structureel is. Begeleiding Organisaties streven ernaar om zoveel mogelijk één-op-één begeleiding te bieden. Echter is dit omwille van het aantal beschikbare vrijwilligers en de omvang van het aantal jongeren meestal niet mogelijk. De

14

Oberon

meeste organisaties bieden daarom een combinatie aan van één-op-één begeleiding en begeleiding in kleine groepjes. De indeling van de groepen verschilt sterk per begeleider. Sommige organisaties delen jongeren in op leerjaar, anderen houden een lossere indeling aan en laten jongeren van verschillende leerjaren gecombineerd met elkaar werken (denk hierbij aan combinaties van de groepen vier en vijf, of vmbo-k en -tl). Voor alle leerondersteuners geldt dat zij voor de indeling van de groepen volledig afhankelijk zijn van het aanbod aan jongeren. Indien sprake is van slechts één vwo’er, kan het voorkomen dat deze jongere bij een groep havisten wordt ingedeeld. Uit de gesprekken met de projectleiders en de vrijwilligers blijkt dat organisaties idealiter zoveel mogelijk vaste gezichten voor iedere jongere wil bieden. Door het beperkte aanbod in aantallen vrijwilligers is dit meestal onmogelijk. Veel vrijwilligers werken daarnaast maar één dag per week voor hun leerondersteuner. De meeste jongeren worden iedere week dus door meerdere vrijwilligers begeleid. Kosten De meeste organisaties bieden de huiswerkhulp volledig kosteloos aan. Twee organisaties vragen om een jaarlijkse bijdrage van, respectievelijk, 30 en 60 euro.

Om deel te nemen aan aanvullende activiteiten buiten de leerondersteuning om (denk aan een kinderdisco of een uitje naar een museum) betalen ouders vaak een klein aanvullend bedrag. Oudercontact Vrijwel alle leerondersteuners onderhouden goed contact met de ouders. Slechts één leerondersteuner is ontevreden over het oudercontact. Dit komt hoofdzakelijk doordat deze leerondersteuner online leerondersteuning biedt en er geen vaste contactmomenten zijn met ouders tijdens het ophalen en brengen van de kinderen. De projectleider van deze organisatie ziet het versterken van de ouderbetrokkenheid dan ook als een belangrijk leerpunt. De leerondersteuners die wel intensief contact onderhouden met ouders, geven hier op verschillende manieren handen en voeten aan. Zo voeren de meeste leerondersteuners een intakegesprek met de ouders. Tijdens dit gesprek is ruimte om kennis te maken en praat men over de te behalen doelen voor een kind. Sommige organisaties maken tijdens een dergelijk gesprek afspraken over de omgangsvormen/gedragscodes die op locatie van toepassing zijn. Eén van de gesproken leerondersteuners geeft expliciet aan het belangrijk te vinden dat ouders van een gedragscode op de hoogte zijn zodat zij deze afspraken ook thuis kunnen toepassen.

Sommige leerondersteuners maken tijdens een intakegesprek afspraken met ouders over het delen van schoolrapporten, Cito-uitslagen en andere informatie over de voortgang van het kind op zijn of haar school. Door toegang te krijgen tot deze informatie kunnen leerondersteuners immers zo goed mogelijk maatwerk bieden aan iedere jongere. Aanvullend op het intakegesprek voeren sommige leerondersteuners periodieke gesprekken met ouders. Leerondersteuners gebruiken deze gelegenheid onder andere om de voortgang van de jongere en, indien nodig, het waargenomen gedrag door te nemen. In sommige gevallen gebruiken leerondersteuners dit moment om met ouders te bespreken wat zij thuis kunnen doen om de leerprestaties van een jongere nog verder te verbeteren.

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

15

Contact met scholen Jongeren van leerondersteuners zijn afkomstig van een groot aantal scholen. Vijf van de zes leerondersteuners hebben met de overgrote meerderheid van de scholen waar hun jongeren vandaan komen geen enkel contact. Deze vijf leerondersteuners hebben met slechts één of twee scholen in de directe omgeving structureel contact, veelal alleen met de directeur. Eén leerondersteuner heeft helemaal geen contact met scholen. De leerondersteuners die wel contact hebben met scholen, bespreken met hen de voortgang van leerlingen, Cito-scores, stemmen waar mogelijk de lesprogramma’s op elkaar af en bespreken waar in de leerondersteuning het beste op kan worden ingezet. Ook zorggerelateerde vraagstukken worden op dergelijke overlegmomenten besproken. Voor de meeste leerlingen geldt echter dat leerondersteuningsorganisaties deze zaken niet bespreken met scholen. Maatschappelijke functie Voor bijna alle organisaties geldt dat de leerondersteuning onderdeel is van een breder aanbod aan maatschappelijke ondersteuning. Deze organisaties bieden naast leerondersteuning ook andere activiteiten aan. Denk hierbij aan workshops over gezonde voeding of een cursus in het veilig gebruiken van sociale media. Eén van de leerondersteuners verzorgt gastlessen met experts of rolmodellen. Ook voor ouders bieden de meeste leerondersteuners activiteiten aan.

Denk hierbij aan inloopmiddagen met informatiesessies over schuldhulpverlening en opvoedproblemen. Dit doen leerondersteuners veelal in samenwerking met partners en gemeente. De organisaties verwijzen ouders en jongeren door naar oplossingsgericht aanbod in de wijk indien behoefte is aan intensievere begeleiding. Indien zij ernstige (gedrags-)problemen bij een kind signaleren, nemen zij contact op met hulpinstanties of een wijkagent. Overige activiteiten Naast huiswerkhulp bieden de meeste organisaties ook aanvullende ontspannende activiteiten voor kinderen. Denk hierbij aan knutselmiddagen, kookworkshops, of spelletjesdagen. Eén van de leerondersteuners kiest er bewust voor om het leren af te wisselen met activiteiten in de gymzaal. Kinderen krijgen op deze locatie dus de ruimte om stoom af te blazen in de gymzaal ter afwisseling op het geconcentreerde werken in de klas.

16

Oberon

4

Opbrengsten aanpak

In dit hoofdstuk beantwoorden we de onderzoeksvragen met betrekking tot de opbrengsten voor jongeren, ouders en professionals. We maken hierbij gebruik van de gespreksverslagen. Ook kijken we naar de resultaten van de kwantitatieve analyse.

4.1

Opbrengsten voor jongeren (onderzoeksvraag 3)

In deze paragraaf gaan we verder in op de waargenomen opbrengsten door jongeren als gevolg van de leerondersteuning. Dit doen we op basis van de gesprekken met alle type betrokkenen. Aanvullend hierop kijken we naar de resultaten van het vragenlijstonderzoek onder jongeren. Verbetering leerprestaties Het overgrote merendeel van de betrokkenen – zowel ouders, vrijwilligers, projectleiders als jongeren zelf – geven tijdens de gesprekken aan dat leerprestaties zichtbaar vooruitgaan als gevolg van deelname aan de leerondersteuning. Zij zien dat vaardigheden verbeteren op het gebied van lezen, schrijven en rekenen. Betrokkenen zien bijna allemaal een verbetering in cijfers in de vakken waar jongeren extra ondersteuning in krijgen. Vrijwilligers en projectleiders geven daarnaast aan jongeren zichtbaar stappen te zien zetten in het ‘leren leren’. Voorbeelden hiervan zijn het zelf leren plannen en het stellen van realistische doelen. Het merendeel van de jongeren die de vragenlijst heeft ingevuld is tevreden over de leerondersteuning. Ruim de helft van de jongeren geeft aan dat het door de huiswerkbegeleiding beter gaat op school en dat ze bij de huiswerkbegeleiding vaardigheden leren die hen helpen op school (resp. 65% en 61% helemaal mee eens; Figuur 4.1). Figuur 4.1: Mate waarin jongeren verbetering in leerprestaties zien.4

Door de huiswerkbegeleiding gaat het beter op school 4% 0% 18%

Bij de huiswerkbegeleiding leer ik vaardigheden die me 4% 2% 5% helpen op school, zoals hoe ik het beste kan leren.

0% 1 (Helemaal niet)

4

2

12%

65%

28%

20%

3 (Een beetje wel/ beetje niet)

61%

40%

60% 4

80%

5 (Helemaal wel)

Voor een aantal figuren in deze rapportage geldt dat de figuur een waarde in kleur visualiseert wanneer het bijbehorende percentage op 0% uitkomt. Dit komt door een afrondingsverschil als gevolg van de weging. Ter illustratie: één leerling geeft aan het een beetje eens te zijn met de stelling “Door de huiswerkbegeleiding gaat het beter op school”. Deze leerling wordt (in oranje) gevisualiseerd in de figuur. Door de weging komt het bijbehorende percentage afgerond uit op 0%.

100%

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

17

Kanttekening voor zowel de resultaten uit de interviews als het vragenlijstonderzoek is dat het gaat om een waargenomen verbetering in leerprestaties. De absolute ontwikkeling in leerprestaties als gevolg van de leerondersteuning wordt binnen dit onderzoek niet gemeten. Niveaubehoud en opklimmen naar een hoger niveau Een aantal jongeren noemt dat zij dankzij de leerondersteuning op hetzelfde leerniveau hebben kunnen blijven. Zo vertelt één jongere zonder huiswerkhulp niet op het vwo te hebben kunnen blijven, omdat hij anders te ver zou zijn achtergebleven in de exacte vakken. Vooral de uitleg door één van de vrijwilligers over chemisch rekenen heeft deze jongere goed geholpen. Enkele vrijwilligers zien daarnaast dat jongeren naar een hoger niveau opklimmen met dank aan de leerondersteuning. Ook één van de gesproken jongeren vertelt de onderzoekers dat zij, met dank aan de leerondersteuning, van een vmbo-kader naar een mavo-advies is gegaan, ondanks zwakke vaardigheden op het gebied van rekenen en taal. Of jongeren het behalen van een hoger schooladvies volledig te danken hebben aan de leerondersteuning, of dat ook andere factoren bijdragen aan deze ontwikkeling, kan dit onderzoek niet uitsluiten. Het onderzoek kan eveneens geen inzicht geven in de hoeveelheid jongeren die dankzij de leerondersteuning op een hoger onderwijsniveau terecht komt.

Sociaal-emotionele ontwikkeling Wat opvalt is dat ouders, vrijwilligers en projectleiders naast een waargenomen verbetering in leerprestaties ook vooruitgang zien in de sociaal-emotionele ontwikkeling van jongeren. Enkele van de gesproken vrijwilligers benoemen zelfs dat jongeren bij leerondersteuners meer sociaal-emotionele vaardigheden opdoen dan vakinhoudelijke kennis: “Huiswerkbegeleiding gaat voor 60% om het bijspijkeren van sociale vaardigheden en het opbouwen van onderlinge contacten. 40% gaat over het opdoen van vakinhoudelijke kennis.” (Vrijwilliger) Betrokkenen noemen in de gesprekken bijvoorbeeld dat jongeren meer zelfvertrouwen uitstralen als gevolg van deelname aan de leerondersteuning. Begeleiders zien bijvoorbeeld dat jongeren een toegenomen gevoel van vertrouwen in eigen kunnen ontwikkelen. Huiswerkhulp zorgt er immers voor dat jongeren een inhaalslag kunnen maken in de vakken die zij normaal als hun ‘zwakke plek’ beschouwen. Door extra ondersteuning lopen zij (gevoelsmatig) niet langer achter op de rest van hun klas. Volgens één van de gesproken ouders houdt het toegenomen gevoel van zelfvertrouwen vooral verband met de aandacht en het geduld van de vrijwilligers: “Mijn zoon is vroeger gepest. Door de aandacht en het geduld bij de huiswerkklas heeft hij meer zelfvertrouwen gekregen.

Nu heeft hij niet meer het gevoel dat hij dom is.” (Ouder) Eén projectleider ziet ook dat het zelfvertrouwen onder jongeren zichtbaar toeneemt, maar schrijft deze groei niet volledig toe aan enkel de huiswerkbegeleiding. Volgens deze projectleider doen de meeste kinderen naast de huiswerkbegeleiding bij haar organisatie ook mee aan wijkondersteunende projecten. Volgens de projectleider maakt het totale aanbod aan huiswerkbegeleiding in combinatie met deelname aan deze projecten het grote verschil. Jongeren zelf noemen overigens niet expliciet dat ze meer zelfvertrouwen hebben als gevolg van deelname aan de leerondersteuning. Wel geven een aantal middelbare scholieren in de interviews aan dat ze door de leerondersteuning gemotiveerder zijn om zich voor school in te zetten. Vooral een passend leerklimaat is daarin voor hen belangrijk. Denk hierbij aan een veilige, rustige werkomgeving (in tegenstelling tot wat jongeren thuis

18

Oberon

vaak hebben), het omringd worden door andere hardwerkende jongeren, en de beschikbaarheid van passende begeleiding. De huiswerklocatie is een plek waar jongeren gefocust kunnen werken en aan het werk worden gehouden, aldus één van de gesproken jongeren: “Ik kan hier rustig en geconcentreerd werken. Thuis plof ik op de bank of pak ik mijn telefoon erbij omdat ik geen zin heb om mijn huiswerk te maken. Hier word ik echt gemotiveerd om aan de slag te gaan.” (Jongere) Ook één van de vrijwilligers geeft in de gesprekken aan dat de jongeren zichtbaar gemotiveerder zijn om aan de slag te gaan met hun schoolwerk. Echter geldt dit volgens deze vrijwilliger niet voor alle jongeren. Sommigen hebben volgens haar nu eenmaal nooit motivatie om aan school te werken – ook niet bij een leerondersteuner. Tot slot zijn jongeren in het vragenlijstonderzoek gevraagd of zij zich beter in hun vel voelen door deelname aan de leerondersteuning. Ook hier zien we positieve resultaten. 78% van de jongeren is het hier (helemaal) mee eens. (zie Figuur 4.2). Figuur 4.2 Mate waarin jongeren het een zijn met de stelling: ‘Ik zit beter in mijn vel’.

0% 5%

0%

16%

17%

61%

20% 1 (Helemaal niet)

40% 2

60%

3 (Een beetje wel/ beetje niet)

80% 4

100%

5 (Helemaal wel)

Sociaal-maatschappelijke kennis Vrijwilligers noemen dat jongeren door de leerondersteuning kennis opdoen over sociaalmaatschappelijke thema’s. Jongeren komen immers in aanraking met zowel kinderen, ouders als vrijwilligers met verschillende culturele achtergronden. Sommige vrijwilligers maken daarnaast expliciet ruimte tijdens hun lessen voor het bespreken van sociaal-maatschappelijke thema’s. Tijdens één van de locatiebezoeken zien we bijvoorbeeld dat één van de vrijwilligers de kinderen na afloop van een les uitgebreid vertelt over haar Surinaamse afkomst. Ook vertellen twee vrijwilligers dat zij tijdens de lessen ruimte maken voor het bespreken van ‘Nederlandse’ normen en waarden. Eén van deze vrijwilligers vindt het bijvoorbeeld belangrijk om met jongeren in gesprek te gaan over gendergelijkheid en vrouwenemancipatie. Een andere vrijwilliger geeft in het interview aan met kinderen in gesprek te gaan over homoseksualiteit. Eén van deze vrijwilligers onderbouwt haar keuze om expliciet ruimte te maken voor het bespreken van maatschappelijke thema’s, omdat jongeren volgens haar vaak weinig tot nooit buiten hun eigen directe bubbel treden: “Kinderen blijven vrijwel hun hele jeugd veelal in dezelfde wijk. Ze sporten daar, gaan daar naar school, etcetera. Ze komen dan weinig buiten die bubbel.” (Vrijwilliger)

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

19

Van de straat houden Twee ouders benoemen dat de leerondersteuning voorkomt dat jongeren op straat rondhangen en daarbij mogelijk in aanraking komen met ‘foute figuren’. Eén van de moeders noemt dat op straat in haar wijk veel drugs wordt gedeald. Ze geeft aan bang te zijn dat haar zoon met probleemjeugd in aanraking komt zodra hij te veel op straat rondhangt. De huiswerkbegeleiding is volgens deze moeder een goede manier om hem ‘bezig’ te houden.

4.2

Opbrengsten voor ouders (onderzoeksvraag 3)

De onderzoekers vroegen de ouders, vrijwilligers, projectleiders in de interviews naar de opbrengst van de leerondersteuning voor ouders en verzorgers. Uit de gesprekken blijkt dat deze opbrengst tweeledig is. Enerzijds heeft de leerondersteuning voor ouders een ontzorgende functie. Leerondersteuners bieden immers de hulp die ouders hun kinderen vaak zelf niet kunnen bieden. Bijvoorbeeld omdat ze zelf de Nederlandse taal niet goed machtig zijn, of onvoldoende boven de lesstof staan om hun kind daar adequaat in te kunnen onderwijzen. Veel ouders zien de huiswerkbegeleiding daarnaast als een vorm van buitenschoolse opvang. Leerondersteuners dragen voor een paar uur de verantwoordelijkheid over hun kinderen. Ouders kunnen hun tijd op dat moment besteden aan werk of de rest van het gezin. Leerondersteuners hebben voor ouders ook vaak een sociale functie. Zoals genoemd organiseren sommige leerondersteuners naast huiswerkbegeleiding immers ook activiteiten en/of ondersteunende scholing. Ouders uit de buurt kunnen bij de leerondersteuner met zowel professionals, als met elkaar in gesprek over opvoedproblemen, of winnen bij elkaar advies in over allerhande problematiek. Bij wat meer laagdrempelige activiteiten (denk hierbij aan spelletjesdagen of barbecues) treffen ouders elkaar op informele wijze. Deze activiteiten versterken het onderlinge netwerk en de sociale cohesie in de wijk.

4.3

Opbrengsten voor vrijwilligers (onderzoeksvraag 3)

Ook vrijwilligers zijn gevraagd wat de leerondersteuning hen oplevert. De opbrengst voor deze betrokkenen is helder: het geeft voldoening om kinderen te helpen. Vrijwilligers zien het geven van leerondersteuning als een manier om een bijdrage te leveren aan de maatschappij. Het lesgeven geeft veel van de gesproken vrijwilligers positieve energie. Eén van de gesproken vrijwilligers krijgt zelfs een ‘kick’ wanneer hij merkt dat de leerondersteuning zijn vruchten afwerpt. Bijvoorbeeld wanneer een jongere na zichtbaar hard werken met een goed cijfer thuiskomt, of na lang oefenen een betere leerhouding laat zien. Eén van de gesproken vrijwilligers ziet als persoonlijke opbrengst vooral het ontwikkelen van een andere kijk op de maatschappij: “Wat het vrijwilligerswerk me oplevert? Een veel bredere maatschappelijke blik. En de bevestiging van mijn bevoorrechte situatie. Ik word daarnaast blij van dingen geven. Soms is het frustrerend omdat je niet iedereen kan helpen. Maar het geeft vooral voldoening.” (Vrijwilliger) Voor dit onderzoek trachtten we ook de visie van leerkrachten mee te nemen. We waren immers benieuwd naar de door hun waargenomen opbrengsten van de leerondersteuning. Helaas is het ons niet gelukt om voldoende respons op te vangen onder leerkrachten, noch om met leerkrachten een groepsinterview in te plannen.

Het is daarom onbekend wat de leeropbrengst volgens deze groep is.

20

5

Oberon

Werkzame factoren en verbeterpunten

In dit hoofdstuk kijken we naar de succesfactoren, knelpunten en geleerde lessen. Dit schrijven wij op basis van de interviews met betrokkenen, de verslagen van de observatiebezoeken en de resultaten van het vragenlijstonderzoek. Daarnaast presenteren we in dit hoofdstuk de uitkomsten van de literatuurstudie.

5.1

Succesfactoren (onderzoeksvraag 4)

In deze paragraaf kijken we naar de succesfactoren van de leerondersteuners. We maken hierbij gebruik van de verslagen van de gesprekken met jongeren, ouders, vrijwilligers en projectleiders. Ook kijken we naar de resultaten van de kwantitatieve analyse. Rust, reinheid en regelmaat Uit de observatiebezoeken en de gesprekken met vrijwilligers, jongeren en projectleiders maken we op dat een rustige, georganiseerde werkplek een belangrijke voorwaarde is voor jongeren om effectief aan de slag te kunnen. Om een georganiseerde werkplek te creëren, leggen sommige leerondersteuners het lesmateriaal daarom voorafgaand aan de les voor iedere jongere klaar op de tafels. De jongeren hoeven in dat geval zelf niks aan papierwerk mee te nemen en kunnen direct met de juiste lesstof aan de slag. Bij de meeste leerondersteuners nemen jongeren echter zelf hun schoolwerk mee naar locatie. Tijdens alle locatiebezoeken zien we dat jongeren vooral in groepjes aan grote tafels werken en iedere jongere aan deze tafel een eigen werkplek heeft. Jongeren die één-op-één ondersteuning nodig hebben worden apart genomen van de groep. Bij de locatiebezoeken zien we daarnaast dat jongeren veelal op leerniveau of klassenniveau verdeeld worden over de beschikbare ruimtes. Jongeren kunnen meestal rustig en geconcentreerd werken in deze groepen, op voorwaarde dat de vrijwilliger de groep voldoende stilhoudt.

Sommige jongeren geven aan de werkomgeving te onrustig te vinden (zie paragraaf 5.2). Bijna alle leerondersteuners werken op vaste dagen in de week volgens een vast dagrooster. Dit is een vorm van regelmaat die voor jongeren erg prettig is: ze weten immers precies wanneer en hoe laat ze op locatie verwacht worden, hoe laat de pauze begint, en wanneer ze weer naar huis mogen. Voor organisaties die online leerondersteuning verzorgen (op flexibele werktijden) geldt deze vaste roosterindeling niet. Continuïteit zien we ook terug in het streven van leerondersteuners om zoveel mogelijk vaste gezichten per groep te bieden. Op die manier raken jongeren snel gewend aan de vrijwilligers, en voelen ze zich snel op hun gemak bij hun ‘eigen’ juf/meester of docent. Dit zien we ook terug tijdens de locatiebezoeken. De behoefte aan regelmaat in vrijwilligers horen we overigens ook terug in de gesprekken met de jongeren. Zo geeft één jongere aan dat de vrijwilliger op zijn groep van de ene op de andere dag niet meer op kwam dagen. De gesproken jongere en zijn groepsgenootjes vonden dat “erg jammer”. Uit zowel de observatiebezoeken als de gesprekken met jongeren maken we op dat jongeren zich vaak erg thuis voelen bij de leerondersteuner. Sommige jongeren komen immers al jaren (soms meerdere dagen per week) bij de leerondersteuner over de vloer.

De huiswerkondersteuningslocatie voelt voor sommige jongeren dan ook als een “tweede thuis”. Zo noemt één van de gesproken jongeren:

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

21

"Ik kom hier al sinds ik klein ben. En dan speelde ik ook bingo dat was super leuk. En wat ik echt heel fijn

vind is dat het voelt als thuis. Dus als ik binnen kom dan denk "ah, ik ben thuis”.”(Jongere) Figuur 5.1 Mate waarin jongeren het eens zijn met de stelling: ‘Ik vind het leuk om naar de huiswerkbegeleiding te gaan’.

0%

0%

20%

12%

67%

20% 1 (Helemaal niet)

40% 2

60%

3 (Een beetje wel/ beetje niet)

80% 4

100%

5 (Helemaal wel)

Uit ons vragenlijstonderzoek (Figuur 5.1) blijkt dat de meeste kinderen het ook leuk vinden om naar de huiswerkbegeleiding te gaan (67%). Echter geeft ongeveer één op de vijf jongeren aan dat ze het slechts een beetje wel en een beetje niet eens zijn met de stelling dat ze het leuk vinden om naar de huiswerkbegeleiding te gaan. Ten slotte is er één jongere die aangeeft het helemaal niet eens te zijn met deze stelling. Deze leerling geeft in de open antwoorden aan het niet fijn te vinden om helemaal alleen te zitten. Ouderbetrokkenheid Ouderbetrokkenheid is een belangrijke voorwaarde voor leerondersteuners om hun werk goed te doen. Ouders zijn immers een belangrijke bron van informatie over een kind. Door regelmatig met ouders en/of verzorgers in gesprek te gaan over de vorderingen van een jongere, blijven beide partijen goed van elkaar op de hoogte. Overlegmomenten worden door leerondersteuners gebruikt om afspraken met ouders te maken. Sommige leerondersteuners zien bijvoorbeeld dat een gedragsregel of een omgangsvorm (denk hierbij bijvoorbeeld aan uitgestelde aandacht) op locatie voor een kind thuis niet geldt. Dergelijke inconsequentie in regelgeving veroorzaakt bij sommige kinderen gedragsproblemen. Wanneer ouders en leerondersteuners hierover in gesprek gaan, kunnen zij daar waar nodig de regels thuis en op locatie op elkaar afstemmen.

Dit is bevorderlijk voor de leer- en ontwikkellijnen van een kind: wanneer regels die op de ondersteuningslocatie gelden ook thuis consequent worden gehanteerd, raken jongeren eerder aan deze regels gewend. Voor alle leerondersteuners geldt dat zij (naast deze vaste gespreksmomenten) altijd beschikbaar zijn voor het beantwoorden van vragen indien ouders daar behoefte aan hebben. In de meeste gevallen verloopt dit oudercontact heel laagdrempelig, bijvoorbeeld via Whatsapp(groepen) of bij het brengen en halen. Ouders kunnen, indien gewenst, vaak zelfs direct contact opnemen met een begeleider. Bijvoorbeeld door voorafgaand aan een leerondersteuningsdag door te geven wat zijn of haar kind die dag aan ondersteuning nodig heeft. Tijdens de locatiebezoeken zien we ook dat ouders tijdens het afzetten van hun kind doorgeven wat voor extra ondersteuning die dag nodig is. Andere ouders gebruiken dit moment om vragen te stellen aan de vrijwilligers of de projectleider. Laagdrempeligheid Zowel uit de gesprekken met betrokkenen als de observaties tijdens de locatiebezoeken blijkt dat laagdrempeligheid een belangrijke succesfactor is. Laagdrempeligheid uit zich bijvoorbeeld in het contact met de vrijwilligers en projectleiders. Jongeren voelen zich zichtbaar op hun gemak bij de begeleiding. Ze zijn niet bang om een begeleider om hulp te vragen wanneer dat nodig is. Dit beeld

22

Oberon

wordt bevestigd door de vragenlijst onder jongeren. In de vragenlijst geven de meeste kinderen aan dat ze het goed kunnen vinden met de begeleider(s) van de huiswerkbegeleiding en dat ze zich bij hen op hun gemak voelen (Figuur 5.2). Vrijwel alle jongeren geven daarnaast aan dat de begeleiders hen goed helpt bij de huiswerkbegeleiding en dat als ze vragen hebben, ze deze kunnen stellen bij (resp. 80% en 85% helemaal mee eens). Figuur 5.2 Oordeel jongeren over de begeleider(s) van de huiswerkbegeleiding.

De begeleider(s) van de huiswerkbegeleiding helpt mij 0% 8% goed

12%

80%

Ik kan het goed vinden met de begeleider(s) van de 0% 6% 13% huiswerkbegeleiding

81%

Ik voel me op mijn gemak bij de begeleider(s) van de 3%3% 10% huiswerkbegeleiding

83%

Als ik vragen heb kan ik die stellen bij de 2% 10% 3% huiswerkbegeleiding

85%

0% 1 (Helemaal niet)

2

20%

3 (Een beetje wel/ beetje niet)

40%

60% 4

80%

5 (Helemaal wel)

Uit de gesprekken blijkt dat sommige begeleiders ook buiten de leerondersteuning telefonisch contact onderhouden met jongeren. Jongeren Whatsappen bijvoorbeeld naar een begeleider wanneer ze een goed cijfer hebben gehaald, of sturen een berichtje naar een vrijwilliger over een opdracht waar ze de volgende dag hulp bij nodig hebben. Zoals genoemd is ook het contact tussen ouders en vrijwilligers vaak zeer laagdrempelig. Laagdrempeligheid zien we ook terug in de manier waarop de huiswerkbegeleiding wordt gefaciliteerd. Zo is de leerondersteuning in de meeste gevallen kosteloos. Slechts twee leerondersteuners vragen om een vergoeding. Dat maakt het voor veel ouders en verzorgers laagdrempelig om hun kind voor leerondersteuning aan te melden. Huiswerkbegeleiding wordt daarnaast georganiseerd op centrale, goed bereikbare plekken in het hart van de wijk. De locaties hebben een open uitstraling, wat maakt dat ouders en jongeren makkelijk kunnen binnenlopen. Persoonlijke ondersteuning Een belangrijke succesfactor die we in de gesprekken met de jongeren en begeleiders terug horen, is de één-op-één begeleiding. Hoewel het aantal beschikbare vrijwilligers dit vaak niet toelaat, bieden leerondersteuners daar waar mogelijk wel zoveel mogelijk één-op-één momenten met een kind, of proberen in ieder geval ieder kind zoveel mogelijk persoonlijke aandacht en begeleiding te bieden.

Eén van de vrijwilligers doet dit bijvoorbeeld door hobby’s of interesses van een jongere te verwerken in zijn lesprogramma: “Je moet dicht bij de belevingswereld van het kind komen. Als een kind iets leuk vindt neem je dat mee in je les. Je moet aansluiting proberen te vinden op hun interesses.”(Projectleider)

100%

Evaluatie leerondersteuning 2022: Gemeente Rotterdam

23

Vrijwilligers geven in de gesprekken aan dat kinderen zich, mede door deze persoonlijke insteek, duidelijk gezien en gehoord voelen bij de leerondersteuning. Ook jongeren zelf geven dit aan in de gesprekken die we met ze voerden. Tijdens de locatiebezoeken zien we daarnaast dat jongeren positief reageren wanneer een vrijwilliger een opmerking maakt waaruit blijkt dat hij of zij de jongere goed kent. Jongeren voelen zich letterlijk en figuurlijk gezien door de vrijwilligers. Rolmodellen Zoals eerder aangegeven kiezen een aantal leerondersteuners expliciet voor de inzet van rolmodellen. Het gaat hierbij om hoger opgeleide vrijwilligers met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, idealiter ook afkomstig uit dezelfde wijk, of om vrijwilligers die hun ‘droomberoep’ uitvoeren. Projectleiders vinden het belangrijk dat jongeren zich in de rolmodellen kunnen identificeren, en zien dus duidelijk meerwaarde in deze voorbeeldfiguren. Projectleiders vertellen in de gesprekken dat rolmodellen jongeren een spiegel voorhouden van waar ze kunnen staan als ze doorzettingsvermogen tonen. Sommige van de rolmodellen vertellen tijdens de lessen aan jongeren dan ook hoe ze (vanuit vergelijkbare leefomstandigheden) zijn doorgegroeid tot waar ze nu staan. Projectleiders en de vrijwilligers met een rolmodelfunctie die we spreken geven aan dat jongeren aan het denken worden gezet.

In de gesprekken met de jongeren zelf horen we de effectiviteit van rolmodellen niet expliciet terug. Aansluiting leerstof school Jongeren geven in de gesprekken aan dat de lesstof bij de leerondersteuner goed aansluit op de lesstof die zij op school krijgen. Hoewel vrijwilligers in de meeste gevallen ander lesmateriaal gebruiken dan op school – de aanschaf van passend lesmateriaal is immers zeer kostbaar – lijken de meeste jongeren hier weinig hinder door te ervaren. De meeste jongeren vinden daarnaast dat de uitleg vanuit de vrijwilligers over de lesstof goed aansluit op de uitleg door de leerkracht op school. Sommige vrijwilligers kiezen er bewust voor om lesstof op een alternatieve manier bij te brengen. Bijvoorbeeld door het aanleren van ezelsbruggetjes. De meningen van jongeren over afwijkende uitlegvormen zijn echter verdeeld. Sommige jongeren vinden het fijn om lesstof op een andere manier uitgelegd te krijgen, andere jongeren vinden het vooral verwarrend (zie paragraaf 5.2).

5.2

Knelpunten (onderzoeksvraag 4)

Uit de gesprekken met de vrijwilligers, projectleiders en jongeren komen ook duidelijke knelpunten naar voren. In deze paragraaf gaan we in op de verbeterpunten en gewenste veranderingen voor de toekomst. Ontbreken contact met scholen Het contact tussen leerondersteuners en scholen loopt in veruit het grootste deel van de gevallen zeer stroef. Vijf van de zes organisaties hebben contact met één of twee scholen. Eén leerondersteuner werkt helemaal niet samen met één of meerdere onderwijsinstellingen. Voor de organisaties die wel contact met scholen hebben geldt dat dit contact alleen verloopt tussen de projectleider/coördinator van de leerondersteuner en de directie van de school. In geen van de gevallen schakelen leerkrachten/docenten zelf direct met de leerondersteuner/begeleiders. Informatie over de vorderingen op school krijgen leerondersteuners in de meeste gevallen alleen door via jongeren zelf, of via ouders. De reden achter deze moeizame samenwerking verschilt. Eén projectleider geeft aan geen contact te hebben met scholen omdat deze instellingen aangeven “het nut niet in te zien om samen te werken”.

24

Oberon

Andere projectleiders noemen dat het onderwijs de leerondersteuners niet als gelijkwaardige partner ziet. Sommige onderwijsinstellingen wijzen er vooral op dat ze zelf ook leerondersteuning bieden en daarom geen prioriteit geven aan de samenwerking met een externe leerondersteuner. Vrijwilligers en projectleiders geven zonder uitzondering aan dat de samenwerking met scholen een verbeterpunt is. De wens om meer met elkaar samen te werken wordt dus breed gedeeld. Eén van de projectleiders ziet zelfs al concrete mogelijkheden om vanaf volgend schooljaar meer met scholen samen te werken: “Geef ze een brief mee als leerlingen zijn ingeschreven bij ons, zodat ze op de hoogte zijn en ons om informatie kunnen vragen. In het nieuwe schooljaar gaan we dat doen.” (Leerondersteuner). Onzekerheid over continuering subsidie Projectleiders en vrijwilligers zien de onzekerheid rondom financiën als één van de grootste belemmerende factoren. Vooral het opstellen van lange-termijnplannen is volgens vrijwilligers lastig wanneer onzeker is op basis van welke inkomsten deze toekomstplannen gemaakt kunnen worden. Omdat de meeste subsidies een relatief korte doorlooptijd hebben, en subsidies herhaaldelijk opnieuw moeten worden aangevraagd, is het voor organisaties dan ook moeilijk om lange-termijndoelstellingen op te stellen.

Eén van de projectleiders noemt in dit kader bijvoorbeeld dat het niet mogen opbouwen van financiële reserves zeer belemmerend is voor zijn organisatie: “We moeten altijd het volgende jaar kunnen overbruggen en weten dat we ons personeel kunnen betalen. Tegelijkertijd mag je geen reserves aanstellen – alles wat je overhoudt moet terug naar de gemeente. […] Financiering is een lastig ding voor ons. Ieder jaar moeten we met de pet rond.” (Projectleider) Projectleiders en ondersteunend personeel zijn daarnaast veel tijd kwijt aan het indienen van subsidieaanvragen, het opstellen van projectplannen en het contacteren van mogelijke subsidieverstrekkers. Meer continuïteit in financiering is dan ook een breed gedragen wens. Alternatieve uitlegvormen Zoals eerder genoemd horen we in de gesprekken met de jongeren terug dat zij het soms lastig vinden wanneer een vrijwilliger de lesstof op een alternatieve manier toelicht. Een deel van de gesproken jongeren vindt dit verwarrend. Andere jongeren staan onvoldoende boven de stof om een alternatieve uitleg te kunnen begrijpen. Zij zijn meer gebaat bij vaste uitlegvormen die direct aansluiten op de lesstof op school. Dit vraagt van leerondersteuners dat zij nog meer op de hoogte zijn van de uitlegvormen die op school worden gehanteerd.

Differentiëren Hoewel vrijwilligers er nadrukkelijk naar streven om jongeren zoveel mogelijk één-op-één begeleiding en maatwerk te bieden, lukt dit meestal niet. Door onderbezetting in het personeel is dit voor veel organisaties immers onmogelijk. Tijdens de locatiebezoeken zien we wel dat leerondersteuners daar waar mogelijk zoveel mogelijk maatwerk proberen te bieden, bijvoorbeeld door een jongere kort apart te nemen om een onderdeel rustig uit te leggen. In de gesprekken met de vrijwilligers horen we duidelijk terug dat zij over iedere jongere vaak een helder, persoonlijk verhaal kunnen vertellen. Bijvoorbeeld over wat een jongere lastig vindt, wat zijn of haar hobby’s en interesses zijn, wat voor doelen een jongere voor zichzelf stelt, of welke vooruitgang een jongere tot nu toe heeft geboekt. De kennis die nodig is om maatwerk te kunnen bieden is bij leerondersteuners dus vaak al in huis, echter

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=00101f79-f562-46e4-a24d-2690e55ff6c4