CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb006001] Bijlage 1 behorende bij 23bb5998 - ontwerpbestemmingsplan Katendrecht

Gemeenteraad 9 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Katendrecht’37.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming "Verkeer - Verkeersweg" gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming "Verkeer - Verkeersweg" zijn doorgaans de 50-km wegen opgenomen. De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). 4.3.10 Voorzieningen van openbaar nut Deze bestemming is toegekend aan gebouwen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen). Kleine bouwwerken van openbaar nut zijn niet bestemd en kunnen in principe overal worden gerealiseerd. Het gaat hierbij om gebouwtjes met een inhoud van minder dan 80 m3. In dit bestemmingsplan is een aantal voorzieningen van openbaar nut als "Bedrijf - Nutsvoorziening" bestemd.

4.3.11 Waarde - Cultuurhistorie Een aantal beeldbepalende panden en bouwblokken hebben behalve de onderliggende bestemming ook de dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie' gekregen. De cultuurhistorische waarden worden met deze dubbelbestemming beschermd doordat het verboden is om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de betreffende bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.

40

4.3.12 Wonen De bestemming Wonen geldt voor grote delen Katendrecht. Ook de bouwblokken in Katendrecht-Zuid, die (toen deze nog moesten worden gebouwd) in het oude bestemmingsplan een gemengde bestemming hadden, zijn nu als Wonen bestemd. De bestemming maakt geen onderscheid tussen gestapelde en niet-gestapelde of eengezinswoningen. Op een aantal locaties zijn binnen de bestemming ook andere functies toegestaan, met name maatschappelijke voorzieningen. Deze zijn met aanduidingen op de verbeelding weergegeven. 4.3.13 Werken aan huis In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

41

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Voor bouwen en aanleggen in het rivierbed (het buitendijks gebied) van de grote rivieren is, op grond van de Waterwet en het bijbehorende Waterbesluit, een vergunning nodig van Rijkswaterstaat. Nieuwe (bouw)werken in het rivierbed mogen geen afbreuk doen aan de waterhuishoudkundige functie van de rivier. In het Waterbesluit zijn een aantal (vooral stedelijke) gebieden aangewezen waarop de vergunningplicht niet van toepassing is aangezien die gebieden rivierkundig van minder belang zijn. Geheel Katendrecht ligt buitendijks. Zowel het schiereiland Katendrecht als de Maashaven en Rijnhaven behoren tot het gebied waar geen vergunning van Rijkswaterstaat is vereist. Buitendijks gebied kan bij hoog water overstromen.

Eigenaren in het buitendijks gebied zijn zelf aansprakelijk voor schade door hoog water en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen. De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid in openbaar gebied. Bij bestaande situaties kan de gemeente bijdragen aan een goede veiligheidssituatie door het opstellen van evacuatieplannen, bij nieuwe situaties kan dit ook door het opnemen van bepalingen in het ruimtelijk plan. 5.1.2

Provinciaal beleid

De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van de hoogwaterrisico's. Gemeenten worden gevraagd bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting te maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en te verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de Provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de Provinciale Verordening Ruimte. De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken. 5.1.3

Regionaal beleid

Het college van B&W heeft in februari 2019 het Rotterdams Weerwoord vastgesteld. Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwater onder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. In 2019 wordt samen met de waterschappen gewerkt aan uitvoeringsafspraken.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. Het Waterschap Hollandse Delta is de waterbeheerder regionaal water. Rijkswaterstaat is de

42

waterbeheerder van de rivier en de havens. En de gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Het plangebied heeft, na de aanleg van twee grote havenbekkens aan het einde van de 19e eeuw, de vorm van een schiereiland gekregen. Katendrecht wordt daardoor aan drie kanten omringd door de Rijnhaven, de Maas en de Maashaven. Het bestemmingsplangebied ligt geheel buitendijks en kent buiten de rivier en havenbekkens geen oppervlaktewater. 5.3.2

Grondwater

Voor grondwater liggen er een aantal peilbuizen in het plangebied. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uit de peilbuizen blijkt dat de kleinste ontwateringsdiepte in het plangebied 1,45 meter is. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte overal aanzienlijk groter is dan 80 centimeter zal niet snel grondwateroverlast in het plangebied optreden. In de oude kern van Katendrecht zijn nog een aantal panden met houten paalfunderingen. Vanwege de lage grondwaterstand is er bij deze panden een risico op funderingsproblemen. 5.3.3

Waterkering en waterveiligheid

Het plangebied bestaat geheel uit buitendijks gebied en water. Direct ten oosten van het plangebied, ter plaatse van de Maashaven oostzijde, de Hillelaan en (de oostkant van) de Brede Hilledijk ligt een primaire waterkering. De waterkering zelf, en de beschermingszone van de waterkering, vallen voor een klein deel binnen het plangebied. Aangezien het plangebied buitendijks is gelegen wordt hoog water niet tegengehouden door een waterkering. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water wordt bepaald door de terugkeertijd van hoge waterstanden in de Nieuwe Maas en de maaiveldhoogte van het plangebied ten opzichte van dat hoge water. Door de doorgaans relatief hoge ligging van het buitendijks gebied is de kans op grote waterdieptes in het algemeen klein. Bovendien gaat het overstromen van buitendijks gebied in het algemeen langzaam en is het goed voorspelbaar. De kans op verdrinking is daardoor klein. Materiele schade en maatschappelijke ontwrichting zijn beiden afhankelijk van de waterdiepte die optreedt en de functies en objecten die hier last van hebben. Enkele centimeters water in openbaar gebied hoeft niet direct schade op te leveren, maar als deze hoeveelheid water staat in een woning of bedrijf is er vaak wel schade aan het pand en de inboedel. Daarnaast ontstaat er nog schade door eventueel productieverlies.

Water op een weg kan ook betekenen dat deze niet meer zichtbaar is waardoor gebieden mogelijk onbereikbaar zijn. Dit kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Er is onderzocht hoe kwetsbaar Katendrecht is voor wateroverlast door overstroming. Hieruit blijkt dat zelfs bij een zeer hoge waterstand in de rivier, met een zeer kleine kans van optreden, er in het grootste deel van Katendrecht geen water op het maaiveld staat. Bij de oudste bebouwing in katendrecht kan er maximaal 50 cm water op straat komen te staan. Dergelijke waterstanden op het maaiveld geven overlast en een grote kans op materiële schade. Maar het persoonlijk risico en de kans op maatschappelijke ontwrichting zijn gering.

43

5.3.4

Riolering

Het plangebied valt geheel binnen rioleringsdistrict 28 (Het Zuiden), het grootste riooldistrict van Rotterdam. Het vuilwater in dit riooldistrict wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie Dokhaven. In Katendrecht ligt overwegend een gemengd rioolstelsel. Dit betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering. In een klein gedeelte van het plangebied ligt naast het gemengde stelsel ook een regenwaterstelsel. Binnen het plangebied zijn 8 vuilwateroverstorten aanwezig. Deze lozen allen op de havens rond het plangebied.

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

Het landgedeelte van het plangebied ligt buitendijks en heeft geen eigen oppervlaktewater. Het verhard oppervlak in Katendrecht zal per saldo ongeveer gelijk blijven. Omdat het gehele bestemmingsplangebied buitendijks is gelegen is er geen compensatie eis. Ook is er geen nieuw oppervlaktewater voorzien. Het water in het plangebied bestaat uit delen van twee havenbekkens en een stuk van de Nieuwe Maas. 5.4.2

Grondwater

De meeste mogelijk gemaakte ontwikkelingen betreffen herbestemming van gebouwen of sloop en nieuwbouw op eenzelfde locatie. Het verhard oppervlak wijzigt niet. Bij de ontwikkelingen Brede Hilledijk 97-99, Hillelaan Zuid en Schalm-Steiger is er wel een toename van het verhard oppervlak. Het betreft hier nieuwbouw op reeds jaren braakliggende terreinen of sloop en nieuwbouw met een groter pand. De toename verhard oppervlak is ongeveer 37.000 m2. De effecten van deze toename op het grondwater zullen beperkt zijn omdat het grondwaterstand vooral afhankelijk is van de waterstand in de Nieuwe Maas. Omdat het plangebied buitendijks ligt is er geen eis tot watercompensatie. 5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Het waterstaatswerk heeft (voor het kleine deel dat aan de oostkant binnen het plangebied ligt) op de verbeelding de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' gekregen. De beschermingszone van het waterstaatswerk is op de verbeeling aangegeven met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Een deel van de gemengde bestemming op de zuidhoek van de Brede Hilledijk en de Hillelaan ligt binnen de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Hier geldt een bouwverbod waarvan kan worden afgeweken mits het belang van de waterkering niet wordt geschaad. Om inzicht te krijgen in de toekomstbestendigheid van het buitendijkse gebied ten aanzien van de waterveiligheid zijn de maaiveldhoogtes in Katendrecht vergeleken met een zeer hoge waterstand (met dezelfde kans daarop als bedoeld in subparagraaf 5.3.3). Dergelijke hoge waterstanden kunnen volgens prognoses voorkomen vanaf het jaar 2100. Daaruit blijkt dat Katendrecht met de huidige maaiveldhoogtes op de lange termijn kwetsbaar is voor hoog water. Bij nieuwe ontwikkelingen is het daarom zaak deze op een hoger peil te realiseren dan het huidige maaiveld. Om aan de provinciale veiligheidsnorm voor lokaal individueel risico te voldoen geldt voor ontwikkelingen een uitgiftepeil van ten minste 3,30 meter boven NAP.

De gemeente adviseerd om buitendijks een uitgiftepeil te hanteren van 3,60 meter boven NAP (voor kwetsbare functies 3,90 meter boven NAP). 5.4.4

Riolering

De mogelijkheden voor functieverandering die het bestemmingsplan biedt kunnen leiden tot een toename van vooral het aantal woningen en een afname van niet-woonfuncties. Dit kan leiden tot een toename van de afvalwaterproductie, die echter zo beperkt zal zijn dat deze niet voor knelpunten in de huidige capaciteit in het rioolstelsel kan zorgen. Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 70 milimeter regenwater in een uur en 80 milimeter regenwater in een dag. Dit leidt tot vermindering van wateroverlast bij extreme neerslag, en tot minder vuilwateroverstorten. Dit

44

komt de waterkwaliteit ten goede, en ontlast de afvalwaterzuiveringsinstallatie Dokhaven. Na bergen op eigen terrein zal het water alsnog vertraagd afgevoerd moeten worden. Het bestemmingsplan maakt echter geen nieuwbouw mogelijk, alleen functieverandering binnen de bestaande bebouwing.

45

Hoofdstuk 6 6.1

M ilieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.2.1

Plangebied

Toetsing bestemmingsplan aan m.e.r.-beoordelingsplicht Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. Het bestemmingsplan Katendrecht maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Alleen functieveranderingen van niet-woonfuncties naar woningen binnen (voornamelijk de begane grond van) bestaande panden worden op een aantal locaties mogelijk gemaakt. Deze functieveranderingen waren in de vorige bestemmingsplannen ook al mogelijk en hebben geen wezenlijke impact op het milieu indien deze plaatsvinden. In het bestemmingsplan zijn dus geen activiteiten opgenomen die voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan is daarom niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Planm.e.r.-beoordeling Door de wijze van bestemmen van bedrijvigheid in het bestemmingsplan, waarbij op het terrein van Provimi bedrijven in milieucategorie 3.2 mogelijk wordt gemaakt, valt niet uit te sluiten dat bedrijven in de toekomst (vormvrij) m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten in het plangebied zullen gaan uitvoeren. Daarmee is het bestemmingsplan in beginsel kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Daarom is er voor gekozen om dergelijke m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten boven de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. uit te sluiten

46

door middel van een specifieke bedrijvenlijst. Voor activiteiten onder de drempelwaarden wordt met deze planm.e.r.-beoordeling onderbouwd dat er door deze activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op zullen treden. Een apart beoordelingsbesluit is bij een planm.e.r.-beoordeling niet nodig, een gemotiveerde afweging in de toelichting van het bestemmingsplan volstaat. Binnen de bestemming 'Bedrijven-2' zijn de volgende bedrijfsactiviteiten toegestaan die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (de toegestane activiteit is daarbij teruggebracht tot onder de in het Besluit aangegeven drempelwaarde): D18.7 een installatie bestemd voor de verbranding of chemische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen; D20.1 een installatie voor het vervaardigen van papierpulp; D20.2 een installatie voor het vervaardigen van papier of karton; D22.1 een installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water; D28 intensieve aquacultuur van vis; D32.3 een installatie voor de oppervlaktebehandeling van metalen en plastic materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé; D32.5 een installatie voor het vervaardigen of assembleren van automobielen; D33 een installatie voor het vervaardigen van glas en glasvezels; D34.2 een installatie voor het vervaardigen van farmaceutische producten; D35 een installatie voor het

vervaardigen van dierlijke of plantaardige oliën of vetten, vismeel of visolie, conserven van dierlijke of plantaardige producten; D38.3 een suikerwarenfabriek; D39.1 een installatie voor het slachten van dieren. De bovenstaande bedrijfsactiviteiten kunnen geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Het gaat hier niet om een nieuw bedrijventerrein, als bovengenoemde bedrijven zich vestigen is dat in plaats van andere activiteiten in dezelfde milieucategorieën. De genoemde activiteiten op de D-lijst zorgen voor minder (vracht)verkeer dan de huidige activiteiten, zodat er bij verandering ook gunstige gevolgen voor het milieu zijn. Daarnaast is het zo dat door de kleine afstand van de bedrijfsbestemming tot woningen de milieuruimte voor o.a. geluid zeer beperkt is. Conclusie Het bestemmingsplan is kaderstellend voor mogelijk toekomstige m.e.r.-beoordelingsplichtige besluiten. Uit de planm.e.r.-beoordeling is gebleken dat het bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk maakt die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) voor dit bestemmingsplan is daarom niet noodzakelijk gebleken.

6.3

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

47

6.3.1

Plangebied

Bedrijven in of nabij het plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als een gemengd woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 3 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Op Katendrecht zijn twee bedrijven in een hoge milieucategorie aanwezig: a. Cordico, een graanverwerkingsbedrijf in milieucategorie 4.1; b. Provimi, een mengvoederbedrijf in milieucategorie 5.1. Voor deze bedrijfsactiviteiten gelden indicatieve afstanden tot woningen van 200 meter (Codrico) en 500 meter (Provimi). Er zijn bestaande woningen op veel kortere afstanden van deze bedrijven gelegen. Dit is een historisch zo gegroeide situatie. De overlast die omwonenden van Provimi ervaren heeft vooral te maken met het aan- en afrijden van vrachtverkeer, en in mindere mate met het inpandige bedrijfsproces. Codrico is buiten het plangebied van het bestemmingsplan Katendrecht gelegen. Provimi heeft een bestemming gekregen die bedrijven t/m milieucategorie 3.2 toestaat, Met een maatbestemming voor de huidige activiteit in milieucategorie 5.1. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwbouw van woningen mogelijk. Wel wordt mogelijk gemaakt dat in de buurt van Provimi en Codrico de begane grond (en bij locatie 11 alle verdiepingen) van bestaande panden wordt omgezet naar wonen.

Deze transformatiemogelijkheden liggen bij Provimi verder van het bedrijf dan bestaande woningen, en bij Codrico even ver. Aangezien de huidige bedrijfsvoering voor weinig overlast zorgt op nabijgelegen bestaande woningen, vindt de gemeente de transformatiemogelijkheden (die niet dichter bij de bedrijven liggen dan bestaande woningen) acceptabel. Ten noorden van de Brede Hilledijk ligt een strook met een aantal garagebedrijven in de milieucategoriën 2 en 3.1. Deze bedrijven liggen op meer dan 100 meter van locatie 27, zodat wordt voldaan aan de indicatieve afstand van 50 meter van een categorie 3.1 bedrijf tot nieuwe woningen. Buiten het plangebied, ten zuiden van de Maashaven, zijn bedrijven in milieucategorie 4.2 aanwezig. De milieuzoneringsafstand van 300 meter tot woningen reikt net niet tot Katendrecht Overige activiteiten in of nabij het plangebied Er zijn twee overige activiteit met een grote indicatieve afstand die in de buurt van het plangebied zijn gelegen: het pretpark (in aanbouw) Speelstad (milieucategorie 4.2), en het metrostation Rijnhaven (milieucategorie 3.2) . De afstand tot woningen van 300 meter die op Speelstad van toepassing is ligt over het water van de Maashaven, en reikt niet tot de locaties waar het bestemmingsplan transformatie naar woningen toestaat.

Voor metrostations geldt dat in stedelijk gebied een afstand van 50 meter tot woningen als passend wordt gezien. De dichtsbijzijnde locaties waar transformatie naar woningen mogelijk wordt gemaakt liggen op ruim 400 meter van het metrostation, zodat ruimschoots wordt voldaan aan de afstand van 50 meter. Overige activiteiten op Katendrecht betreffen activiteiten in de milieucategoriën 1 en 2 (vaak horeca). Deze activiteiten worden in het stedelijk gebied als passend gezien naast en onder woningen. 6.3.2

Conclusie

Katendrecht is een gemengd stedelijk gebied waar bedrijven in milieucategorie 3 acceptabel te achten zijn. Bij Provimi en Codrico gaat het om bedrijven in milieucategorie 5.1 en 4.1 die al op korte afstand van bestaande woningen aanwezig waren voordat de transformatie van haven/industriegebied naar stedelijk gebied begon. De locaties waar transformatie van (de begane grond van) bestaande panden mogelijk is liggen niet dichter bij de bedrijven dan de bestaande woningen. Op basis hiervan kiest de gemeente er voor om af te wijken van de indicatieve afstanden uit de VNG-publicatie.

48

6.4

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidhinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.

Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het bestemmingsplan Katendrecht maakt het mogelijk dat er op een aantal locaties (aangegeven op onderstaande kaart) in bestaande panden nieuwe woningen kunnen komen. Deze mogelijkheden om niet-woonfuncties (bijvoorbeeld een bedrijf, horeca of dienstverlening) om te zetten naar woningen worden nu geboden in de bestemmingsplannen Katendrecht-Kern en Katendrecht Zuid, en worden overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Bij bijna alle locaties gaat het alleen om de begane grond (op de verdiepingen daarboven zijn al woningen aanwezig). En bij de locaties 2 en 11 gaat het om alle verdiepingen).

Het gaat in totaal om maximaal 127 woningen, die in de plaats kunnen komen van de huidige functies. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidgevoelige objecten worden beschouwd. In het geluidonderzoek voor het bestemmingsplan zijn behalve de op de kaart aangegeven locaties ook een aantal nieuwbouwlocaties onderzocht. Deze ontwikkelingen (het gaat om de locaties 1, 3 en 29 t/m 33) worden niet langer met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Locatie 28 betreft Codrico, waarvoor thans een eigen bestemmingsplan wordt opgesteld.

49

6.4.1

Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven. Wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/uur geldt zijn geen zoneplichtinge wegen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, 30 km/uur-wegen die mogelijk een relevante geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten hebben zijn in het akoestisch onderzoek meegenomen. Tabel Breedte geluidszones langs wegen Soort gebied

Stedelijk- -gebied

Aantal rijstroken

1 of 2

3 of meer

1 of 2

3 of 4

5 of meer

200 meter

350 meter

250 meter

400 meter

600 meter

Zonebreedte

Buiten-

-stedelijk-

-gebied

De geluidbelasting vanaf zoneplichtinge wegen Bij nieuwe geluidgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidberekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer zijn aangegeven in de onderstaande tabel. Tabel Maximale geluidbelasting op de nieuwe geluidgevoelige situaties per zoneplichtige weg NB: Locatie 2 ligt niet binnen de toetsingszones van zoneplichtige wegen.

50

Locatie

Weg

4 t/m 11, 13-15, 18-19 en 23

alle

alle

alle

48 of <

geen

12

Tolhuislaan

5-7

1,5

52

52

overige

alle

alle

48 of <

geen

Brede Hilledijk

4

1,5

56

56

overige

alle

alle

48 of <

geen

Brede Hilledijk

1-2

1,5

56

56

overige

alle

alle

48 of <

geen

Brede Hilledijk

4

1,5

56

56

overige

alle

alle

48 of <

geen

Brede Hilledijk

1-2

1,5

56

56

overige

alle

alle

48 of <

geen

Brede Hilledijk

1-4

1,5

56

56

overige

alle

alle

48 of <

geen

Brede Hilledijk

1-2

1,5

56

56

overige

alle

alle

48 of <

geen

Brede Hilledijk

2

1,5

58

58

overige

alle

alle

48 of <

geen

Brede Hilledijk

6-7

1,5

56

56

overige

alle

alle

48 of <

geen

Brede Hilledijk

6

1,5

58

58

overige

alle

alle

48 of <

geen

16

17

20

21

22

24

25

26

27

Reken Hoogte Hoogste berekende Hogere punt rekenpunt [m] geluidsbelasting [dB] waarden [dB]

Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting op 14 locaties vanwege alle voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen aan de voorkeurswaarde (48 dB) voldoet. Het betreft hierbij locaties 4 t/m 11, 13 t/m 15, 18-19 en 23. Op de overige 10 onderzochte locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) wordt daarbij niet overschreden. De geluidbelasting vanaf 30 km/uur-wegen Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur zijn geen geluidbronnen waarop de Wet geluidhinder van toepassing is. Omdat 30 km/uur-wegen voor een hoge geluidbelasting op de gevel kunnen zorgen is het bij het komen tot een goede ruimtelijke ordening van belang dat de geluidbelasting vanaf deze wegen op de gevels van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten wordt meegewogen. Uit indicatief onderzoek is gebleken dat de geluidbelastingen als gevolg van 30km/uur-wegen met maximale verkeersintensiteiten van 600 motorvoertuigen/etmaal bij klinkers, 900 motorvoertuigen/etmaal bij klinkers in keperverband en 1400 motorvoertuigen/etmaal bij asfalt over het algemeen kleiner dan of gelijk aan 53 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wgh) zijn. Met de DCMR is in maart 2009 afgesproken dat dergelijke wegen niet in een geluidonderzoek betrokken hoeven te worden.

Bij de nieuwe geluidgevoelige objecten die het bestemmingsplan Katendrecht mogelijk maakt is er één relevante 30km/uur-weg, het westelijk deel va de Tolhuislaan. De maximale berekende geluidbelasting vanaf de Tolhuislaan is 51 dB op de locaties 4, 5 en 6. Deze lage geluidbelasting wordt door de gemeente zonder meer als acceptabel gezien.

51

6.4.2

Railverkeer

De metrolijn D/E, direct ten oosten van het plangebied gelegen, heeft op grond van de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder een wettelijke geluidzone van 100 meter. De dichtst bij de metrolijn gelegen locatie (locatie 25) ligt op een afstand van bijna 400 meter. Omdat de locaties waar nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt ruim buiten de geluidzone van 100 meter liggen is railverkeer geen relevante geluidbron voor het bestemmingsplan. 6.4.3

Industrielawaai

In het Rijnmondgebied zijn reeds in de jaren 90 rond meerdere industrieterreinen waarop de zogenaamde grote lawaaimakers zich bevinden een geluidcontour van 50 dB(A) vastgesteld. Deze vastgestelde geluidcontour mag door de op het industrieterrein gelegen bedrijven niet worden overschreden. Het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de daaromheen vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontour is de geluidzone. Een groot deel van het plangebied bevindt zich binnen de geluidzone van het industrieterrein “Waal- en Eemhaven”. Tevens ligt het gehele plangebied binnen de geluidzone van het industrieterrein “Maas- en Rijnhaven”. Deze twee industrieterreinen zijn derhalve voor het bestemmingsplan Katendrecht relevante geluidbronnen. Voor het industrieterrein Maas- en Rijnhaven zijn door de DCMR twee rekenmodellen aangeleverd, op 20 april 2021: model 5A waarin de geluidemissies van de bedrijven Provimi en Codrico zijn opgenomen, en model 5B met alleen de geluidemissie van Provimi. Bij het bestemmingsplan Katendrecht wordt uitgegaan van de uitkomsten van de berekening die met model 5A is uitgevoerd. In de onderstaande tabel is per locatie de maximale berekende geluidbelasting op de gevel veroorzaakt door de industrieterreinen Waal- en Eemhaven en Maas- en Rijnhaven aangegeven. Tabel Maximaal berekende etmaalwaarden industrielawaai Locatie 2

Industrieterrein

Reken Hoogte Hoogste berekende Hogere punt rekenpunt [m] geluidsbelasting [dB(A)] waarden [dB](A)

Maas- en Rijnhaven

2

7,5

52

52

Waal- en Eemhaven

1-3

1,5-7,5

51

51

3 t/m 10

beide

alle

alle

50 of <

geen

11

Maas- en Rijnhaven

2-5

7,5-10,5

52

52

Waal- en Eemhaven

alle

alle

50 of <

geen

12 t/m 14

beide

alle

alle

50 of <

geen

15

Maas- en Rijnhaven

3

1,5

54

54

Waal- en Eemhaven

alle

alle

50 of <

geen

beide

alle

alle

50 of <

geen

16 t/m 27

Uit de berekening van het industrielawaai blijkt dat op locatie 2 de voorkeurswaarde van 50 dB(A) door zowel het industrieterrein Maas- en Rijnhaven als het industrieterrein Waal- en Eemhaven wordt overschreden. Op de locaties 11 en 15 wordt de voorkeurswaarde overschreden door het geluid vanaf het industrieterrein Maas- en Rijnhaven. Op de andere locaties is de geluidbelasting door industrie kleiner of gelijk aan de voorkeurswaarde.

52

6.4.4

Scheepvaartlawaai

De westkant van het plangebied ligt langs de Nieuwe Maas en de mondig van de Maashaven. De schepen die daar varen kunnen de omgeving belasten met geluidhinder. Voor het aspect scheepvaartlawaai bestaat geen wettelijk kader. Bij het formuleren van het beoordelingskader wordt daarom uitgegaan van een streefwaarde van 55 dB die overeenkomt met de voorkeurswaarde van spoorweglawaai. Deze waarde wordt gehanteerd vanwege de overeenkomst in de dosis-effectrelatie zoals die tussen railverkeerslawaai en scheepvaartlawaai bestaat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de geluidbelasting door scheepvaart meegewogen bij het vaststellen van hogere waarden voor wettelijke geluidbronnen. De hoogste berekende geluidbelasting door scheepvaart is 55 dB, op de locaties 2 en 11. 6.4.5

Afgemeerde schepen

Het geluid afkomstig van afgemeerde schepen in de Maas- en Rijnhaven, de Waal- en Eemhaven en aan de Parkkade op de gevels van de nieuwe woningen is voor dit bestemmingsplan een relevante geluidbron. Dit geluid wordt nestgeluid genoemd. Voor het geluid afkomstig van schepen bestaat geen wettelijk kader. Het is echter wel een geluidbron die in het kader van een goede ruimtelijke ordening in overweging moet worden genomen bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen. Onder de Omgevingswet wordt de benodigde geluidwering van de gevels bepaald aan de hand van het gezamenlijke (gecumuleerde) geluid; dit is het energetisch opgetelde geluid van alle relevante wettelijke geluidbronnen (weg, rail, industrie en nestgeluid). De geluidsbelasting van afgemeerde schepen op de locaties waar het bestemmingsplan Katendrecht nieuwe woningen mogelijk maakt is berekend. Op de aan de Maashaven gelegen locaties 2, 23 en 25 zijn hoge geluidbelastingen door afgemeerde schepen berekend, respectievelijk 63 dB, 60 dB en 58 dB. Het geluid door afgemeerde schepen is op deze locaties aanzienlijk hoger dan het geluid van andere geluidbronnen. Het gecumuleerde geluid van alle geluidbronnen is op deze locaties 1 á 2 dB hoger dan het geluid van afgemeerde schepen alleen.

Dit betekent dat als de Omgevingswet in werking is er voor deze locaties een aanzienlijk hogere geluidwering van de gevels nodig is om aan de vereiste binnenwaarde van geluid te voldoen, als deze locaties worden getransformeerd van de huidige niet-geluidgevoelige functies naar woningen. In de als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegde 'Memo Nestgeluid bestemmingsplan Katendrecht' is aangegeven hoeveel geluidwering van de gevels er per locatie nodig is. Een geluidbelasting van 63 dB is relatief hoog, maar in stedelijk gebied geen zeldzaamheid. De gemeente ziet in deze geluidbelasting geen reden om op deze locatie niet langer de realisatie van woning toe te staan. 6.4.6

Conclusie

Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige objecten, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige objecten), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: De hoogte van de geluidbelasting vanaf zoneplichtige geluidbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt); De hoogte van de geluidbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen); De gecumuleerde geluidbelasting; Maatregelen aan de geluidbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidsbelaste locatie; De regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de gecumuleerde geluidsbelasting niet hoger is dan 53 dB voor wegverkeer, 55 dB voor railverkeer en 50 dB(A) voor industrie). Cumulatie geluidsbronnen Wanneer nieuwe geluidgevoelige locaties in verschillende geluidzones liggen en de voorkeurswaarde vanwege meer dan één bronsoort wordt overschreden, moet de geluidbelasting worden gecumuleerd. Dit betekent dat de geluidbelastingen van verschillende bronnen (wegen, spoorwegen en industrie) bij elkaar

53

worden opgeteld. Als er verschillende bronnen zijn die elk een hoge geluidbelasting op de gevel veroorzaken, dan kan de gecumuleerde geluidbelasting aanzienlijk hoger zijn dan de geluidbelasting vanaf de geluidbron met de hoogste bijdrage. De gecumuleerde geluidbelasting moet worden betrokken bij de afweging die het college maakt bij het vaststellen van hogere waarden. Uit het geluidonderzoek blijkt dat er geen locaties zijn waar de voorkeurswaarden van zowel wegverkeer als industrie worden overschreden. Er is wel sprake van cumulatie van industrielawaai met de (niet wettelijke) geluidbronnen nestgeluid en het geluid van varende schepen (de locaties 2 en 11), en op locatie 25 is sprake van cumulatie van wegverkeer en nestgeluid. Op de locaties 2 en 25 is de gecumuleerde 1 á 2 dB hoger dan het nestgeluid van afgemeerde schepen alleen. De gemeente ziet in dit kleine verschil geen reden om tot een ander oordeel over het vaststellen van een hogere waarde voor industrielawaai (locatie 2) en wegverkeer (locatie 25) te komen. Bij locatie 11 is sprake van cumulatie van industrielawaai, nestgeluid en scheepvaartlawaai. De gecumuleerde geluidbelasting is 60 dB(A), 4 dB hoger dan de geluidbelasting van nestgeluid alleen. De gecumuleerde geluidbelasting is daarmee aanmerkelijk hoger dan de geluidbelasting vanwege de geluidbron met de hoogste geluidbelasting.

Maar een geluidbelasting van 60 dB(A) wordt door de gemeente als passend in stedelijk gebied gezien. De gemeente kiest er daarom voor om op deze locatie woningen mogelijk te blijven maken, en daarom de hoogste berekende geluidbelasting vanwege industrie als hogere waarde vast te stellen. Maatregelen Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidbelastingen als hogere waarden vast te stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeurswaarden kan worden voldaan, danwel de geluidskwaliteit kan worden verbeterd. In het akoestisch onderzoek is aangegeven welke maatregelen overwogen kunnen worden. Wat betreft maatregelen aan de geluidbron zijn stillere wegdekken, snelheidsverlaging en vermindering van vrachtverkeer denkbaar. Op de Brede Hilledijk/Tolhuislaan ten westen van de aansluiting op de Veerlaan is al een stiller asfalttype (dunne geluidreducerende deklaag) toegepast. Dit zijn de wegen die voor de hoogste geluidbelasting door wegverkeer zorgen. Het (verder) toepassen van stiller asfalt is, omdat dit voor een beperkte geluidvermindering op de gevels zorgt en omdat het om een beperkt aantal verspreid liggende nieuwe woningen door transformatie gaat, niet doelmatig. Ook het beperken van de maximumsnelheid van 50 km/uur naar 30 km/uur is om deze redenen niet doelmatig.

Omdat de wegen op Katendrecht geen doorgaande wegen zijn gaat er relatief weinig vrachtverkeer over deze wegen, het verminderen daarvan is niet reëel. Bij overdrachtsmaatregelen gaat het om geluidschermen. Geluidschermen langs stedelijke wegen zijn vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt geen optie. De voorkeurswaarde voor industrie van 50 dB(A) wordt door het industrieterrein Maas- en Rijnhaven overschreden op de locaties 2, 11 en 15. Door het industrieterrein Waal- en Eemhaven wordt de voorkeurswaarde alleen overschreden op locatie 2. Voor beide industrieterreinen zijn al saneringsprogramma's vastgesteld en uitgevoerd. Daarin zijn vrijwel alle mogelijke bronmaatregelen onderzocht en uitgevoerd. In theorie zijn als overgangsmaatregel (hoge) geluidschermen denkbaar, lang de industrieterreinen of nabij de nieuwe geluidgevoelige objecten. Dit is echter vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk, en bovendien niet doelmatig en financieel niet haalbaar. Geluidluwe gevel Een van de belangrijkste criteria in het beleid dat de gemeente Rotterdam heeft voor het vaststellen van hogere toegestane geluidbelastingen op de gevel van een woning is dat elke nieuwe woning in principe over tenminst één geluidluwe gevel moet beschikken.

Een geluidluwe gevel is een gevel waarop de gecumuleerde geluidsbelasting niet hoger is dan 53 dB voor wegverkeer, 55 dB voor railverkeer en 50 dB(A) voor industrie, dit geldt als een geluidniveau waarbij men in het algemeen buiten kan zitten of het raam open kan laten staan zonder dat de geluidbelasting als hinderlijk wordt ervaren. Op de meeste locaties is de geluidbelasting van het wegverkeer zo laag dat alle gevels geluidluw zijn vanwege wegverkeer. Bij de locaties 12, 25 en 26 zijn een beperkt aantal rekenpunten niet geluidluw. Op deze locaties kan eveneens voldaan worden aan het ontheffingsbeleid, door bij de indeling van de woning rekening ervoor te zorgen dat er minimaal een slaapkamer aan een geluidluwe gevel ligt. Op de locaties 27, 29 is een groot deel van de rekenpunten niet-geluidluw. Als er concrete plannen zijn voor

54

transformatie naar woningen dan is het nodig om op woningniveau nogmaals te analyseren of voldaan wordt aan het ontheffingsbeleid. Bij de locaties 2, 11, 12, 15, 23 en 24 zijn er niet-geluidluwe gevels vanwege industrielawaai. Bij de locaties 2, 11 en 15 is een groot deel van de rekenpunten niet-geluidluw. Ook voor deze locaties geldt dat, als er concrete plannen zijn voor transformatie naar woningen, het nodig om op woningniveau nogmaals te analyseren of voldaan wordt aan het ontheffingsbeleid. Afweging Maatregelen om de geluidbelasting te beperken ziet de gemeente niet als reële mogelijkheid, gezien de hoge kosten in relatie tot het relatief beperkte aantal woningen. En vanwege de stedenbouwkundige, verkeerskundige en technische beperkingen die de bovengenoemde maatregelen met zich meebrengen. Het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder schrijft voor dat nieuwe woningen in principe over ten minste één geluidsluwe gevel, en indien van toepassing een geluidluwe buitenruimte, dienen te beschikken. Bij de locaties 2, 11, 15, 27 en 29 is vanwege de hoge geluidbelasting door industrie en/of wegverkeer extra aandacht nodig om bij transformatie naar woningen te voldoen aan het ontheffingsbeleid. Bij alle locaties (nieuwe geluidgevoelige objecten volgens de Wet geluidhinder) gaat het om (de begane grond van) bestaande panden, waarnaast en waarboven woningen aanwezig zijn.

De geldende bestemmingsplannen staan ook bij de genoemde locaties toe dat deze ruimten worden gebruikt als woningen. Omdat de gemeente woningen op deze locaties passen vindt en om de bestaande rechten in stand te houden zullen burgemeester en wethouders de berekende geluidbelastingen vanwege wegverkeer en industrie, zoals die hierboven in paragraaf 6.4 zijn aangegeven, als hogere waarden vaststellen. Deze hogere waarden worden verleend onder de voorwaarde dat elke woning over ten minste één geluidsluwe gevel beschikt. Alle locaties hebben in het bestemmingsplan Katendrecht de bestemming 'Gemengd-1' gekregen. In de regels van die bestemming is vastgelegd dat woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld uitsluitend zijn toegestaan als wordt voldaan aan de in het besluit hogere waarden opgenomen voorwaarden. Het besluit hogere waarden is als bijlage 3 in de toelichting opgenomen.

6.5

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden;

55

de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang.

Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. 6.5.1

Plangebied

In en rondom Katendrecht wordt zowel in de huidige situatie als in de voorzienbare toekomst (tot 2030) aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit voldaan. De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen dus niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg. Het bestemmingsplan Katendrecht maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Wel is er binnen de gemengde bestemmingen een uitwisseling van functies binnen bestaande panden mogelijk. In bijna alle gevallen gaat het daarbij om de mogelijkheid om op de begane grond een niet-woonfunctie (detailhandel, dienstverlening, bedrijven, kantoren of een maatschappelijke functie) te vervangen door een woning (of een andere niet-woonfunctie). Er zijn geen concrete plannen voor functiewijzigingen binnen de bestaande panden. Verwacht mag worden dat zich in de loop der jaren een aantal functiewijzigingen voor zullen doen, en dat daarbij sprake zal van een kleine toename of afname van het verkeer. Per saldo zal het verkeer door functiewijzigingen ongeveer gelijk blijven. 6.5.2

Conclusie

Het bestemmingsplan Katendrecht zorgt niet of nauwelijks voor extra verkeer, daardoor zal niet of niet in betekenende mate worden bijgedragen aan de genoemde concentraties. Ook worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Katendrecht.

56

6.6

Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.6.1

Plangebied

De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Wat algemene bodemkwaliteit betreft is het plangebied onderverdeel in twee gebieden. In Oud-Katendrecht (tussen de Brede Hilledijke - Tolhuislaan en de Veerlaan Katendrechtsestraat/laan) is de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) matige verontreinigd. De bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld is in dit gebied eveneens matig verontreinigd. In de rest van Katendrecht is de contactzone zeer licht verontreinigd, en is de bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld licht verontreinigd. Het bestemmingsplan maakt bij een aantal panden een omzetting van het gebruik van de begane grond naar wonen mogelijk. Bij een dergelijke verandering van gebruik vinden er geen werkzaamheden in de bodem plaats. De bodemkwaliteit vormt dus geen belemmering voor deze ontwikkelingen. Wel dient in de bouwplanfase te worden nagegaan of de bodemkwaliteit van de bijbehorende tuinen geschikt is voor de woonfunctie.

6.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.

Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen

57

tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

Plangebied Voor het bestemmingsplan Katendrecht is één risicobron relevant. Dit betrerft het transport van gevaarlijke stoffen per schip over de Nieuwe Maas. De op Katendrecht gelegen bedrijven Provimi en Codrico zijn risicobronnen. Uit de milieuvergunningen van deze bedrijven blijkt echter dat er vanuit deze bedrijven geen externe veiligheidsrisico's uitgaan naar de omgeving. 6.7.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=1ff48da1-0194-42fe-9fc3-8f1ef020433e