[23bb005367] Bijlage 2 behorende bij 23bb005366 over ontwerpbestemmingsplan Zomerhofkwartier - planboekje
Tekst van het document
Het nader onderzoek is uitgevoerd teneinde de horizontale en verticale omvang van de aangetoonde verontreiniging in grond en grondwater te bepalen. Ter plaatse van kavel 4.0 is in de grond mogelijk sprake is van een nieuw geval van bodemverontreiniging met PFOS. Daarbinnen is een kleine PAK-verontreiniging van circa 5 m3 aanwezig. Het bevoegd gezag zal moeten beoordelen of sprake is van een nieuw geval. Een nieuw geval van bodemverontreiniging met PFOS dient met een saneringsmaatregel zoveel als mogelijk ongedaan gemaakt te worden. Er is nog nader onderzoek nodig naar de exacte begrenzing van de bodemverontreiniging met PFOS. Voor kavel 5.0 kan geconcludeerd worden er uitpandig in de grond geen sterke verontreiniging met PAK en asbest aanwezig is. Aan de oostzijde van het pand is wel een sterke loodverontreiniging met een omvang van circa 7 m3 aanwezig, waarvoor er geen saneringsnoodzaak aanwezig is. Met betrekking tot het riooltracé Zomerhofstraat is er plaatselijk in de grond (1,5-1,8 m-mv) een sterke loodverontreiniging aanwezig, welke waarschijnlijk deel uit maakt van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De sterke loodverontreiniging geeft aanleiding voor het nemen van een saneringsmaatregel als onderdeel van de rioolreconstructie. 6.7.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt een randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling. Er zullen saneringsmaatregelen (moeten) plaatsvinden, om de locatie geschikt te maken voor de beoogde woonbestemming. Voor de bodemsanering zijn voldoende financiële middelen gereserveerd.
6.8
Externe veiligheid
6.8.1
Algemeen
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de
63
Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico.
Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.8.2
Plangebied
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van kwetsbare objecten conform wetgeving op het gebied van externe veiligheid. Voor de beoordeling van de risico's is de risicokaart geraadpleegd, deze is opgenomen in onderstaand figuur. PR plafond spoor
O Veiligheīdsafstand activiteiten besluit
[J Overig
Terreingrens
n
Basisnet spoor
Basisnet-spooitraiect met PAG-indicatie Z Basisnet-spoortraiectzonder PAG-indlcatle
Figuur 6.5 Uitsnede risicokaart
Te zien is dat het plangebied op een afstand van circa 70 meter is gelegen van David Lloyd Sport & Health Club. Ter plaatse van de sportclub zijn gevaarlijke stoffen aanwezig. Het soort installatie dat aanwezig is, is een chloorbleekloogtank. Volgens de beschikbare informatie op de risicokaart is de risicocontour voor deze installatie 0 meter. Het plangebied bevindt zich dan ook niet binnen de
64
risicocontour. Tevens is te zien dat het plangebied op een afstand van circa 210 meter van een spoor is gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vanwege de afstand van meer dan 200 m, hoeft formeel geen kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd te worden. Groepsrisico spoortraject Vanwege het transport van gevaarlijke stoffen, bevindt het plangebied zich echter wel binnen het invloedsgebied van het spoortraject. Volledigheidshalve wordt daarom verwezen naar het onderzoek dat in het kader van het bestemmingsplan "Oude Noorden en Agniesebuurt" (2021) is uitgevoerd, dat inzicht geeft in het groepsrisico van deze spoorlijn. Hieruit blijkt dat in de huidige situatie het groepsrisico binnen het invloedsgebied 0,40 maal (400Zo van) de oriëntatiewaarde bedraagt (bron: 'Bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt, Onderzoek risico externe veiligheid en verantwoording groepsrisico, d.d. 2 augustus 2018). Het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor is groter dan 0,3 maal (300Zo van) de oriëntatiewaarde en is kleiner dan de 1 maal (1000Zo van) de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico zal naar verwachting ruim onder de oriëntatiewaarde blijven. Hiermee is conform wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Wel dienen de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen die zich bevinden binnen het invloedsgebied beschouwd te worden. Het gemeentelijke Beleidskader Groepsrisico gaat bij het verantwoorden van het groepsrisico uit van drie categorieën. Een groepsrisico kleiner of gelijk aan 0,3 maal de oriëntatiewaarde valt in de categorie 'licht'. Een groepsrisico tussen de 0,3 maal de oriëntatiewaarde en de oriëntatiewaarde valt in de verantwoordingscategorie 'midden'. Dit betekent dat het groepsrisico in onderhavig geval moet worden verantwoord in categorie 'midden'. Verantwoording Het is aannemelijk dat het plan ZOHO nauwelijks invloed zal hebben op de hoogte van het groepsrisico. Het plan ligt immers meer dan 200 meter buiten de transportas en er wordt niet veel populatie aan het plan toegevoegd. Er wordt daarom vanuit gegaan dat het groepsrisico met het plan ZOHO ook 0,4 maal de oriëntatiewaarde zal zijn. In theorie zijn er bijna altijd alternatieve locaties denkbaar die een lager groepsrisico kennen. In voorliggende situatie wordt echter een bestaande stedelijke locatie herontwikkeld. De beoogde ontwikkeling voorziet daarnaast in woningen, waar een sterke vraag naar is en waarvoor de benodigde ruimte schaars is.
Bovendien wordt opgemerkt dat zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van een groepsrisico van 0,4 maal de oriëntatiewaarde. In de voorliggende situatie is het maatgevende ongevalsscenario de 'toxische wolk'. De mogelijke maatregelen ten einde de zelfredzaamheid en de beheersbaarheid te bevorderen zullen zich dan ook voornamelijk op dit scenario moeten richten. Wat betreft de toxische wolk zijn eenvoudige maatregelen mogelijk, zoals centraal en eenvoudig uitschakelbare en afsluitbare ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. Verwacht wordt dat in zeer beperkte mate beperkt zelfredzame personen binnen het plangebied aanwezig zullen zijn. Indien dat wel het geval is, zullen ze te allen tijde aanwezig zijn onder leiding van een of meerdere zelfredzame volwassene(n). Op die manier kunnen beperkt zelfredzame personen onder leiding van deze volwassene(n) in veiligheid worden gebracht. Gezien voorgaande zal geen sprake zijn van een hoge concentratie van “verminderd zelfredzame” personen. Er worden weliswaar ter plaatse van het plangebied maatschappelijke functies mogelijk gemaakt, waaronder ook in zekere mate zorgfuncties kunnen vallen. Ook hiervoor geldt dat ze altijd onder leiding van zelfredzame volwassenen in veiligheid kunnen worden gebracht.
Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. In het ontwerp zal rekening gehouden worden met vluchtwegen en ontsnappingsmogelijkheden voor aanwezige personen. Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
65
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) heeft aangegeven te kunnen instemmen met de in deze paragraaf voorgestelde maatregelen. Aanvullend adviseert de VRR enkele maatregelen: »
»
»
Omgevingsmaatregelen In het plangebied zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Bouwkundige maatregelen De gebouwen zodanig te construeren dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden. Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een object geschikt om enkele uren in te schuilen. Organisatorische maatregelen Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne 'Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand'. Doorgaans is schuilen in een gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website www.rijnmondveilig.nl vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident.
Met de voorgestelde maatregelen zal rekening gehouden worden bij de verdere vorming en uitvoering van het plan. 6.8.3
Conclusie
Het plangebied bevindt zich niet binnen plaatsgebonden risicocontouren van risicovolle activiteiten. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van een spoortraject, vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over het ten zuiden gelegen spoortraject. Uit de verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Hiermee wordt voldaan aan de van toepassing zijnde regels en beleidskaders. Het aspect externe veiligheid levert daarmee geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.
6.9
Natuur
6.9.1
Algemeen
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: » « » »
het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies.
De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 118 van de ruim 160 Natura
66
2000-gebieden. Met een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is in 2019 het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak had een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de realisatiefase (bouwwerkzaamheden) en/of van de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). Op het moment dat een ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie, vraagt dit om nadere aandacht. Wanneer sprake is van een bijdrage, zal 'worst case' een passende beoordeling gemaakt moeten worden. In geval van een bestemmingsplanprocedure leidt dit tot een planMER-plicht. Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: » «
strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.
Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied maakt geen deel uit van een kerngebieden of van een (potentiële) binnenstedelijke ecologische verbindingen. 6.9.2
Plangebied
Het plangebied is vrijwel helemaal bebouwd, dan wel bestraat en geasfalteerd. Het aanwezige groen bestaat vooral uit gras langs de wegen en de aanwezigheid van enkele bomen. Gebiedsbescherming Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Oude Maas, op circa 10 kilometer afstand tot het plangebied. Op ruim 11 kilometer is Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk gelegen. De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Hiervoor is de afstand tussen het bestemmingsplangebied en het Natura 2000-gebied te groot. Bovendien zijn zowel Oude Maas als Boezems Kinderdijk niet als stikstofgevoelig aangewezen. Het plangebied is daarnaast niet gelegen in NNN en maakt geen onderdeel uit van andere beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, zie bijlage 15. Daaruit volgt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Soortbescherming Quickscan Uit de uitgevoerde quick scan flora en fauna (zie bijlage 13) blijkt dat het plangebied mogelijk geschikt is voor algemene broedvogels, broedvogels met jaarrond beschermde nesten, vleermuizen en algemene grondgebonden zoogdieren.
67
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Indien bomen met holtes worden gekapt, wordt geadviseerd om elders op de onderzoekslocatie nestkasten te plaatsen. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd. Tevens dient vervolgens een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld om eventuele negatieve effecten van aanwezige broedgevallen te voorkomen. Voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten geldt dat nader onderzoek in het geëigende jaargetijde noodzakelijk bleek bij het gebouw aan de Schoterbosstraat 17 naar vaste rust- en verblijfplaatsen voor de huismus. Voor vleermuizen geldt dat nader onderzoek omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen noodzakelijk werd geacht voor bijna alle gebouwen en bomen. De panden werden geschikt geacht als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen en de bomen voor boombewonende vleermuizen. Renovatie en/of sloopwerkzaamheden kunnen verstorend zijn voor aanwezige verblijfplaatsen.
Nader onderzoek naar huismus en vleermuis werd noodzakelijk geacht. Nader onderzoek Gezien deze resultaten is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 14). Er zijn geen broedlocaties van de huismus aangetroffen bij de Schoterbosstraat 17. Aangezien uit het nader onderzoek volgt dat ter plaatse van het plangebied een verblijfplaats van vleermuizen aanwezig is, zijn reeds compenserende maatregelen getroffen en is een ontheffingsaanvraag voorbereid. In verband met de voorgenomen sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden ter plaatse van kavel 1.0 is door Omgevingsdienst Haaglanden reeds een Beschikking Wnb - Sb afgegeven (kenmerk ODH282116), met ontheffing van 1 oktober 2021 t/m 1 oktober 2025. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en vanwege een provinciale vrijstelling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. 6.9.3
Conclusie
Gezien het bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
6.10 Duurzaamheid 6.10.1 Algemeen De wettelijke eisen die worden gesteld aan nieuwbouw, zijn opgenomen in het Bouwbesluit. Het Bouwbesluit stelt onder andere eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen. De Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC), een maat voor energieuzuinigheid, is per 1 januari 2021 vervallen. Alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, moet vanaf 1 januari 2021 voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Gemeente Rotterdam Het Duurzaamheidskompas zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij, en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. In het Duurzaamheidskompas is te lezen 1. 2. 3.
Welke doelstellingen Rotterdam deze collegeperiode, in 2030 en in 2050 nastreeft op het gebied van duurzaamheid; Hoe de gemeente de transities op het gebied van duurzaamheid dichter bij elkaar kan brengen, zodat ze elkaar versterken; Op welke manier de gemeente met welk thema aan de slag gaan en in welke documenten dit wordt toegelicht.
Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een levend document. De gemeente zal regelmatig extra speerpunten toevoegen.
68
Voor de lange termijn zijn een aantal doelstellingen geformuleerd voor vier verschillende thema's: energietransitie, circuliair, klimaatbestendig en gezonde leefomgeving. 6.10.2 Plangebied De duurzaamheidsambities voor ZOHO zijn toegelicht in het Masterplan. Een klimaatbestendige aanpak vormt een integraal onderdeel van de gebiedsontwikkeling. In ZOHO worden toonaangevende oplossingen toegepast, die als voorbeeld kunnen dienen bij andere binnenstedelijke gebiedsontwikkelingen. Er wordt slim omgegaan met water en energie en gezorgd voor bescherming tegen weersinvloeden. Door een samenspel van natuurlijk vegetatie, verdamping, retentie en berging wordt er een eigen waterkringloop gemaakt, die de rest van de stad minimaal belast. Hiermee wordt een goed leefklimaat voor flora en fauna gecreëerd, worden actuele thema’s als biodiversiteit, klimaatadaptatie, hittestress geïmplementeerd en wordt fijnstof afgevangen. In natte periodes is sprake van maximale buffering van regenwater, om vervolgens in droge periodes het groen in ZOHO te kunnen bevloeien vanuit de eigen voorraad, zodat geen gebruik gemaakt hoeft te worden van schoon drinkwater. Dit systeem is afgestemd op het beleid van de gemeente Rotterdam en het Hoogheemraadschap. Daarnaast zorgen actieve en passieve oplossingen bij extreme hitte voor een aangenaam en koel verblijfsklimaat, ook in de buitenruimte.
Voor een toelichting op de duurzaamheidsmaatregelen wordt kortheidshalve verwezen naar hoofdstuk 7 uit het Masterplan (zie bijlage 4 voor het Masterplan). 6.10.3 Conclusie Gezien voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling ZOHO aansluit bij de duurzaamheidsambities van de gemeente.
6.11
Bezonning
6.11.1 Algemeen Voor de beoordeling van bezonning van woningen gelden geen landelijke normen. Om een indruk te krijgen van de bezonningssituatie wordt in de praktijk voor een bestemmingsplanprocedure vaak gebruik gemaakt van de 'lichte TNO- norm'. Een gebouw voldoet aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Afwegingskader bezonning Op 9 september 2021 heeft gemeente Rotterdam het 'Afwegingskader bezonning' vastgesteld. Om tot een goed evenwicht te komen tussen het beschermen van de kwaliteiten van de bestaande stad én het mogelijk maken van nieuwbouw in de stad, is er gekozen voor een afwegingskader. Het afwegingskader bezonning is een kader voor heel Rotterdam. Er ligt hier nadrukkelijk een link met de voorgenomen verdichting in de stad. Het afwegingskader hanteert 21 september als meetdatum en heeft als uitgangspunt minimaal 2 uur zon voor een woning. In eerste instantie wordt er kwantitatief gekeken naar de effecten op het aantal zonuren. Mochten er desondanks nog steeds toetspunten zijn die niet voldoen aan de uitgangspunten, dan kan er als laatste stap ook een kwantitatieve afweging gemaakt worden. Het stappenschema ziet er als volgt uit:
69
Hebben de toetspunten in de besta onde situatie op 21 september minimaal 2 uur zon?
nebben de toetspunten in de nieuwe situatie op 21 september minimaal 2 uur zon?
Is de procentuele afname tov bestaande situatie mínder dan ^5% op 21 september?
Bouwplan voldoet
Bouwplan vraagt mogelijk nadere afweging op volgende criteria; * proportionele afweging * verdichtings afweging * typologische afwegtng Figuur 6.6 Stappenschema afwegingen bezonning (Afwegingskader bezonning gemeente Rotterdam, p.8)
Indien de laatste stap aan de orde is, dient een afweging gemaakt te worden of de voordelen van het nieuwbouwplan opwegen tegen de afname van bezonning van bestaande woningen. Daarbij moet deze afname afgewogen worden tegen de belangen van de nieuwbouw. Hierbij gaat het over een 'proportionele afweging', een 'verdichtingsafweging' en een 'typologische afweging'. Een besluit in deze stap kan op basis van één of een combinatie van deze drie afwegingen genomen worden. 6.11.2 Plangebied In een bezonningsstudie is de schaduwwerking als gevolg van de nieuwbouw die mogelijk wordt gemaakt in het (ontwerp)bestemmingsplan beoordeeld, zie bijlage 16 en 10. Uit dat onderzoek blijkt dat op meetpunten aan de Almondestraat op 21 september niet voldaan kan worden aan de in het gemeentelijk bezonningsbeleid opgenomen norm van 2 uur zon per dag. Naar aanleiding hiervan is op grond van het gemeentelijk Afwegingskader Bezonning de volgende afweging gemaakt: 1. Proportionele afweging
70
In ZOHO worden circa 600 woningen toegevoegd. In de strook aan de Almondestraat waar het aantal zonuren onder de 2 uur blijft en de afname meer dan 1507o is, bevinden zich vijf meetpunten die minder dan 2 uur zon hebben. Van de zeven woningen in deze strook, zouden dus vijf woningen niet voldoen aan de norm. 2. Verdichtingsafweging Het nu voorliggende (ontwerp)bestemmingsplan maakt de herontwikkeling mogelijk van een monofunctioneel bedrijfs- en kantoorgebied tot gemengde stadswijk, door middel van een divers programma van wonen en niet-woonfuncties. ZOHO zorgt voor de gewenste overgang van het centrum naar het Oude Noorden en Agniesebuurt en is hiermee een belangrijke toevoeging aan de wijk als groter geheel. Het plan geeft een antwoord op de verschillende maatschappelijke opgaven die in de stad spelen door: » «
» «
Toevoeging van ca. 600 woningen waaronder betaalbare huurwoningen (sociaal en middenhuur); Toevoeging van niet-woonfuncties, waaronder betaalbare werkruimte voor creatieve ondernemers en makers, een opvang voor dak- en thuislozen en jongerenwoningen voor de Nico Adriaan Stichting (NAS) en een grote bijdrage aan openbare sportvoorzieningen voor de wijk; Een centrale parkeervoorziening waarin deelmobiliteit maximaal wordt gestimuleerd; Een groot aantal innovatieve oplossingen op het gebied van klimaatadaptatie, circulariteit en energietransitie waaronder een semi-openbaar daklandschap.
3. Typologische afweging De gebiedsontwikkeling ZOHO ligt in Rotterdam-Noord. Dat is een stadswijk, waar met 54 woningen per hectare sprake is een hogere woningdichtheid dan het gemiddelde van 15 woningen per hectare in heel Rotterdam. Bezonning speelt hier een minder grote rol dan in tuindorpen of wijken na '70. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de afwijking van het gemeentelijk bezonningsbeleid acceptabel te achten is. 6.11.3 Conclusie Voor bezonning bestaan geen wettelijke normen. Aansluiting wordt gezocht bij de TNO-normen op basis van het gemeentelijk Afwegingskader bezonning. Dit bezonningsbeleid biedt ruimte voor maatwerk. De afwijking van het gemeentelijk bezonningsbeleid wordt acceptabel geacht.
6.12 Windhinder 6.12.1 Algemeen Voor het aspect windhinder bestaat geen wettelijk kader. Hiervoor wordt in de praktijk aangesloten bij de Nederlandse Norm (NEN 8100). Een windonderzoek wordt geadviseerd bij gebouwen hoger dan 30 meter. 6.12.2 Plangebied Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een windhinderonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 17. Als richtwaarden voor de windhinderklassen wordt het volgende aangehouden: »
«
»
»
Op locaties met voor voetgangers louter een verkeersfunctie en geen verblijfsfunctie dient windhinder bij voorkeur klasse A, B of C te zijn. Klasse D biedt een matig niveau. Klasse E biedt een slecht niveau en dient vermeden te worden. Op locaties die gezien kunnen worden als verblijfsgebied voor voetgangers dient windhinder bij voorkeur klasse A of B te zijn. Klasse C biedt een matig niveau en klassen D en E bieden een slecht niveau. Deze twee hoogste klassen dienen op deze locaties vermeden te worden. Ter plaatse van gebouwentrees dient bij voorkeur klasse A behaald te worden. Klasse B biedt een matig niveau. Klassen C, D en E bieden een slecht niveau en dienen vermeden te worden op deze locaties. Windgevaar dient bij voorkeur voorkomen te worden. Een beperkt risico kan lokaal geaccepteerd worden.
71
Uit het onderzoek volgt dat in de bestaande situatie de ruime omgeving en het plangebied geen risico op windgevaar kennen. In de toekomstige situatie laat het niveau van windhinder een gelijkaardig beeld zien als de bestaande situatie. De ruime omgeving kent nog steeds een luw windklimaat en dit wordt slechts zeer beperkt beïnvloed door de nieuwbouw. In de directe nabijheid van de nieuwbouw is het effect van de nieuwbouw groter. De Tellingerstraat en Noordsingel kennen een beperkte verandering van het windklimaat. Dit blijft de meest optimale klasse A, met een kleine zone B in de Tellingerstraat. De effecten van de nieuwbouw zijn met name te zien in de Vijverhofstraat en de Zomerhofstraat. Deze straten kennen een toename van windhinderklasse tot maximaal D. Daarbij moet gezegd worden dat de zone D, gelegen op het kruispunt van de passage tussen de gebouwen en de Vijverhofstraat verwaarloosbaar klein is. Het overgrote deel van de Vijverhofstraat en de Zomerhofstraat liggen nu in windhinderklasse B en C. Dit is acceptabel voor doorlopen en slenteren, echter wordt aangeraden om hier geen entrees te plaatsen of indien gewenst de entrees in een nis te plaatsen, zodat hier lokaal een luwe zone wordt voorzien. Wanneer er in de Zomerhofstraat of Vijverhofstraat terrassen worden geplaatst, wordt het aanbevolen deze af te schermen met (transparante) schermen of een haag.
Zo kan er lokaal een goed windklimaat gecreëerd worden voor het gebruik van de terrassen.
Beoordeling activiteit doorlopen (jaargemiddelde situatie)
Beoordeling activiteit slenteren (jaargemiddelde situatie)
Goed
Figuur 6.7 Windcomfort beoordeling
Matig
Beoordeling activiteit lang zitten (zomer situatie)
Slecht
per activiteit voor de bestaande (boven) en toekomstige situatie (beneden), zie ook bijlage
17
De resultaten laten een gelijkaardig beeld zien als bovenstaand omschreven met een kleine invloed op het windklimaat in de ruime omgeving en een verhoging van niveaus in de Vijverhofstraat en Zomerhofstraat. Op basis van studie kan geconcludeerd worden dat in de toekomstige situatie geen risico is op windgevaar. 6.12.3 Conclusie Gezien voorgaande is als gevolg van de beoogde ontwikkeling nog steeds sprake van een acceptabel windklimaat. Dit aspect vraagt dan ook niet om nadere aandacht.
72
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. In het beleidsplan "Naleving omgevingsrecht 2021-2025" staat beschreven hoe de gemeente haar taken op het gebied van het omgevingsrecht wil uitvoeren. Op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving voor (ver)bouwen, het gebruik en sloop van bestaande bouwwerken en gebruik van bijbehorende gronden heeft de afdeling Bouw- en Woningtoezicht het beleidsplan uitgewerkt in de "Risicomatrix BWT 2018". Bij geconstateerde tekortkoming(en) bij vergunningverlening of bij overtredingen worden stimulerende maatregelen ingezet om het gedrag van de overtreder positief te veranderen. Als blijkt dat de inzet van de stimulerende maatregelen niet tot het gewenste resultaat leidt, wordt eveneens conform het ‘Beleidsplan naleving omgevingsrecht 2017-2021’ de landelijke handhavingsstrategie toegepast. Dit houdt in dat de afdeling gezien aard van de overtreding en gezien het gedrag van de overtreder in afstemming met ketenpartners zal interveniëren. Dat kan zijn door publiekrechtelijke en/of strafrechtelijke handhaving.
73
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake. In het kader van de beoogde ontwikkeling van het plangebied is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarnaast wordt er ontheffingsvergoeding geheven in het kader van meer en anders bouwen. Daarmee zijn alle gemeentelijke kosten gedekt. De ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Rotterdam vervult hierin enkel een kaderstellende en toetsende rol. Gelet op het vorenstaande is het plan financieel uitvoerbaar.
74
Hoofdstuk 9 9.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Participatie is onmisbaar voor het proces van duurzame stadsontwikkeling. In 2020 hebben, in het kader van het Masterplan ZOHO Rotterdam, verschillende activiteiten plaatsgevonden om het beoogde plan te toetsen bij de omgeving en ideeën mee te nemen in de planontwikkeling. Om te communiceren met bewoners, ondernemers, belanghebbenden en geïnteresseerden zijn verschillende kanalen geïntroduceerd, waaronder de website www.ziejeinzoho.nl. Op 24 juni 2020 vond een kick-off bijeenkomst (webinar) plaats, waar het plan voor ZOHO is gepresenteerd en ruimte was om vragen te stellen. Hier waren circa 80 bezoekers aanwezig. Op donderdag 9 juli 2020 was er een informatieve wandeling door ZOHO. Ruim 170 mensen namen deel aan de wandeling, met alle ruimte om de dialoog aan te gaan met ontwerpers, ontwikkelaars en betrokkenen vanuit de gemeente. De informatie die tijdens de wandeling is opgehaald, is als input meegenomen bij het opstellen van het concept Masterplan. Op 4 november 2020 vond een (digitale) bijeenkomst plaats, die geïnteresseerden de mogelijkheid bood ook specifiekere informatie over onderwerpen uit het Masterplan op te halen. Met circa 20 aanwezigen werden vier verschillende verdiepende gesprekken gevoerd, elk met een eigen thema: plan en proces, een inclusief ZOHO, een klimaatadaptief dakpark en een verbindende openbare ruimte.
Omwonenden zijn tevens door de wijkraad op de hoogte gebracht van alle plannen en in de openbare vergaderingen van 14 september en 7 december 2020 is een korte terugkoppeling gegeven over de stand van zaken aan alle geïnteresseerden bewoners van de Agniesebuurt. In 2021 en verder zijn wederom verschillende bijeenkomsten worden georganiseerd, via een gebalanceerde mix van on- en offline middelen, laagdrempelig en voor alle doelgroepen. Eind oktober 2021 is een avond over het Masterplan georganiseerd welke als basis diende voor het bestemmingsplan. In 2022 is de ZOHO hub geopend: een plek in de wijk waar de ontwikkelcombinatie werkt aan het project ZOHO, maar vooral een plek waar omwonenden en geïnteresseerden informatie op kunnen halen of bekijken en vragen kunnen stellen aan de projectbetrokkenen. Vanaf maart 2022 wordt daarnaast vier keer per jaar het ZOHO Beraad georganiseerd waarin vertegenwoordigers van verschillende stakeholders deelnemen zoals ondernemers in ZOHO, het ontwikkelconsortium, de gemeente Rotterdam, Havensteder, bewoners uit de omgeving en de Wijkraad. In het beraad komen diverse proces- en planonderdelen, zoals deelonderzoeken van het conceptontwerp-bestemmingsplan, aan bod om input op te halen en op onderdelen zelfs mee te beslissen. De verslagen van deze bijeenkomsten worden via de website ziejeinzoho.nl openbaar gemaakt.
Tevens hebben er individuele gesprekken met omwonenden, ondernemers en Wijkraad plaatsgevonden en is tijdens een informatieavond op 11 oktober 2022 het conceptontwerp-bestemmingsplan van ZOHO gepresenteerd en besproken. De meeste bezoekers van deze informatieavond waren direct omwonenden, enkele potentiële bewoners van ZOHO, ondernemers uit het gebied en een vertegenwoordiger van de Wijkraad. Potentiële bewoners gaven over het algemeen aan het een mooi plan te vinden en willen graag in het gebied wonen. Ze zijn met name benieuwd naar het vervolg en hopen snel meer duidelijkheid te krijgen. Omwonenden waren kritischer. Bewoners uit de Teilingerstraat uitten hun bezwaren tegen de geplande hoogbouw op de hoek van de Teilingerstraat en de Vijverhofstraat. Dat gaat veel licht wegnemen, zo verwachten zij. Om hen tegemoet te komen is besloten om de hoogte aan de Teilingerstraat te verlagen tot maximaal 47 meter. Om voldoende ruimte voor het beoogde programma te behouden, is de bouwhoogte richting de Zomerhofstraat iets verhoogd, waarmee toch een gebalanceerd totaalplan gerealiseerd kan worden. Naast de bouwhoogte zijn er diverse planaanpassingen gedaan op andere zorgpunten uit de omgeving. Bijvoorbeeld de entree van de daklozenopvang (de Nico Adriaan Stichting), die in het eerdere ontwerp aan de Teilingerstraat bedacht was, is verplaatst naar de Vijverhofstraat.
Ook waren er zorgen over de nieuw toe te voegen horeca in het projectgebied. Om tegemoet te komen aan de wensen vanuit de
75
omgeving is de horeca categorie van de nieuw toe te voegen horeca teruggebracht van horeca categorie 2 naar horeca categorie 1 om mogelijke overlast voor omwonenden in de late avond en nacht te minimaliseren.
9.2
Vooroverleg
In het kader van het wettelijke bestuurlijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, wordt het concept bestemmingsplan toegezonden aan diverse bestuurlijke partners. Naar aanleiding van het vooroverleg zijn van de volgende bestuurlijke partners reacties ontvangen: «
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR): VRR heeft aangegeven te kunnen instemmen met de in dit bestemmingsplan voorgestelde maatregelen met betrekking tot externe veiligheid. Zoals toegelicht in paragraaf 6.8 Externe veiligheid, adviseert de VRR bovendien tot omgevingsmaatregelen (toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen voor hulpdiensten), bouwkundige maatregelen (zelfredzaamheid, uitschakelbare ventilatie etc) en organisatorische maatregelen (goede voorlichting over hoe te handelen tijdens een calamiteit). Met de voorgestelde maatregelen zal rekening gehouden worden bij de de verdere vorming en uitvoering van het plan.
»
Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK): HHSK verwacht dat de door het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling geen nadelige invloed zal hebben op het watersysteem en heeft daarom geen bezwaar tegen de vaststelling van het bestemmingsplan ZOHO. HHSK doet bovendien een drietal aanbevelingen, welke zijn verwerkt in hoofdstuk 5 Water van dit bestemmingsplan.
»
Provincie Zuid-Holland (PZH): De vooroverlegreactie van PZH heeft betrekking op de onderdelen detailhandel en kantoren. In het kader van detailhandel geeft PZH aan dat het plangebied niet is aangewezen als winkelconcentratiegebied en verzoekt om detailhandel uit het plan te schrappen. Op basis hiervan is de omvang van de in dit bestemmingsplan toegestane detailhandel (eerder was maximaal 1.300 m2 bvo opgenomen, in lijn met de Nota van Uitgangspunten) teruggebracht tot het toestaan van uitsluitend kleinschalige en ondergeschikte detailhandel. Een en ander in lijn met het provinciaal beleid. In het kader van kantoren geeft PZH aan dat het plangebied wel is aangemerkt als ontwikkelingslocatie voor kantoren, maar verzoekt om de behoefte aan de toegestane kantoorruimten aan te tonen. In voorliggend bestemmingsplan wordt echter geen nieuwe kantoorruimte toegevoegd, de kantoorfunctie is in de toegestane omvang reeds planologisch toegestaan in het plangebied. De toelichting van dit bestemmingsplan is ter verduidelijking hiervan tekstueel aangevuld (zie paragraaf 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland).
9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan wordt, gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Ingekomen zienswijzen worden te zijner tijd in deze paragraaf samengevat en beantwoord. Daarbij wordt aangegeven of en hoe de zienswijze heeft geleid tot een wijziging van het bestemmingsplan.
76
Zomerhofkwartier
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstukl
Inleidende regels
4
Artikel 1
Begrippen
4
Artikel 2
Wijze van meten
9
Hoofdstuk2
Bestemmingsregels
10
Artikel 3
Bedrijf
10
Artikel 4
Gemengd
11
Artikel 5
Kantoor
15
Artikel 6
Verkeer - Verblijfsgebied
17
Artikel 7
Waarde - Archeologie 1
19
Artikel 8
Waarde - Archeologie 2
21
Artikel 9
Waarde - Cultuurhistorie - 2
23
Hoofdstuk3
Algemene regels
24
Artikel 10
Antidubbeltelbepaling
24
Artikel 11
Algemene bouwregels
25
Artikel 12
Algemene afwijkingsregels
26
Artikel 13
Overige regels
27
Hoofdstuk4
Overgangs- en slotregels
28
Artikel 14
Overgangsrecht
28
Artikel 15
Slotregel
29
Bijlagen
31
Bijlage 1
Staat van bedrijfsactiviteiten
32
Bijlage 2
Bouwenveloppenkaarten
35
2
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
Plan
Het bestemmingsplan Zomerhofkwartier met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2203Zohokwart-on01. 1.2
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.3
Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.4
Appartementenhotel
Het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen, waaronder zelfvoorzienende (incl. koken) kamers, gericht op gasten voor een verblijf van minimaal 3 nachten tot maximaal een half jaar. 1.5
Archeologisch deskundige
Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.6
Archeologisch monument
Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet. 1.7
Bebouwing
Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.8
Bedrijven
De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels. 1.9 » » » »
»
Beperkt kwetsbare objecten woningen, kantoorgebouwen, hotels, restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover deze objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; sporthallen, zwembaden, speeltuinen; sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; andere objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.
1.10
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak.
4
1.11
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0599.BP2203Zohokwart-on01 met de bijbehorende regels en bijlagen die bij de regels zijn gevoegd. 1.12
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.13
Bouwaanduidingen
Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.14
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.15
Bouwgrens
De grens van een bouwvlak. 1.16
Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.17
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.18
Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)
Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.19
Cultuur en ontspanning
Voorzieningen ten behoeve van culturele en sportieve activiteiten. Bioscopen en filmhuizen vallen hier niet onder. 1.20
Dakterras
Een buitenruimte op een plat dak met bijbehorende afrastering en vloerconstructie, ten dienste van de bewoners van de erop aansluitende woning(en). 1.21
Daktuin
Een groenvoorziening op het platte dak van een gebouw, dat in overwegende mate niet voor verharding in aanmerking komt en dat een voor mensen toegankelijk verblijfsgebied vormt. 1.22
Detailhandel
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.23
Dienstverlening
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel en een seksinrichting worden hier niet onder begrepen.
5
1.24
Erf
Terrein ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen, waterlopen en bouwwerken van lichte constructie (carports, slagbomen, fietsenstallingen e.d.). 1.25
Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.26
Gebruiksoppervlakte (g.o.)
Het gebruiksoppervlakte (g.o.) is gelijk aan het Bruto vloeroppervlak (b.v.o.), minus » « »
gevels en dragende wanden; de vloeroppervlakken waarboven de vrije hoogte minder is dan 1,5 meter, met uitzondering van vloeren onder de trappen; trapgaten, liftschachten of vide's groter dan 4 m2.
1.27
Geluidsgevoelige objecten
Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidsgevoelig kan worden beschouwd. 1.28
Gemakswinkel
Een winkel voor kleine en snelle aankopen met een beperkt assortiment van dagelijkse of direct te gebruiken artikelen. 1.29
Gevellijn
Een op de verbeelding aangegeven lijn, waarin de gevel van de gebouwen aan de betreffende zijde moet worden opgericht. 1.30
Hoofdgebouw
Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.31
Horeca
Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank. 1.32
Horeca 1 (daghoreca)
Horecainrichtingen die geopend zijn tussen 07.00 uur en 23.00 uur, die al dan niet een terras exploiteren gedurende de openingstijden en die alleen inpandig achtergrondmuziek ten gehore brengen, met uitzondering van: het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.33
Horeca 2 (avondhoreca zonder geluid)
Horecainrichtingen die van zondag t/m donderdag geopend zijn tussen 07.00 uur en 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07.00 uur en 02.00 uur, die al dan niet een terras exploiteren gedurende de openingstijden en die alleen inpandig achtergrondmuziek mogen produceren, met uitzondering van: het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie.
6
1.34
Horeca 3 (avondhoreca met geluid)
Horecainrichtingen die van zondag t/m donderdag geopend zijn tussen 07.00 uur en 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07.00 uur en 02.00 uur, die al dan niet een terras exploiteren gedurende de openingstijden en die inpandig meer dan achtergrondmuziek mogen produceren, met uitzondering van: het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.35
Horeca 4 (24 uurs horeca)
Horecainrichtingen die 24 uur per dag open mogen zijn, die al dan niet een terras exploiteren op zondag t/m donderdag tussen 07.00 uur en 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07.00 uur en 02.00 uur en die inpandig meer dan achtergrondmuziek mogen produceren, met inbegrip van het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.36
Hotel
Het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie, gericht op gasten voor een verblijf van maximaal een half jaar. 1.37
Kantoren
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.38
Kleinschalige speeltoestellen
Speeltoestellen niet hoger dan 4 meter. 1.39
Maaiveld
De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.40
Maatschappelijke voorzieningen
Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, kinderopvang, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. 1.41
Milieudeskundige
De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. 1.42
Nieuw hoog-risico biologisch laboratorium
Nieuwvestiging van een hoog-risico biologisch laboratorium of uitbreiding van een bestaand (hoog-risico biologisch) laboratorium met een hoog-risico biologisch laboratorium. 1.43
Openbaar nutsvoorzieningen
Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, warmte-Zkoudedistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen). 1.44
Peil (straat-)
Voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein; indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend.
7
1.45
Publieke dienstverlening
Bestuursorganen van de overheid en de daaraan gekoppelde ambtelijke diensten ten behoeve van de beleidsvoorbereiding en -uitvoering, alsmede politie, brandweer, reinigings- en gezondheidsdiensten. 1.46
Sportvoorzieningen
Gebouwde en/of ongebouwde voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, zoals bijvoorbeeld een sporthal, boulderhal, e.d. 1.47
Straatmeubilair
Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 1.48
Uitstekende delen aan gebouwen
Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d. 1.49
Water
Waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater. 1.50
Winkelvloeroppervlak (w.v.o.)
Het oppervlak van een (winkel)unit dat voor het publiek vrij toegankelijk is, dan wel zichtbaar is. 1.51
Wet geluidhinder
De Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.52
Wet ruimtelijke ordening
De Wet ruimtelijke ordening zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.53
Woonzorgvoorziening
Een voorziening met zorg voor mensen die vanwege hun leeftijd, gezondheid of beperkingen aangewezen zijn op zorg en ondersteuning, ongeacht of deze door een professional, vrijwilliger of mantelzorger wordt verstrekt.
8
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.2
de inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.3
de bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, pergola's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4
de breedte van een gebouw
Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte. 2.5
de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens
Vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens.
9
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Bedrijf
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
een aannemersbedrijf met werkplaats, met maximaal milieucategorie 2; bedrijven in milieucategorie 1 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels; bij bovengenoemde functies behorende erven en terreinen.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
Op de voor ''Bedrijf' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 3.2.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
10
Artikel 4 4.1
Gemengd
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
woningen; bedrijven t/m categorie 2 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels, uitsluitend op de begane grond, 1e verdieping en 2e verdieping; c. kantoren, uitsluitend op de begane grond, 1e verdieping en 2e verdieping; d. een gemakswinkel en bijbehorende functies, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - gemakswinkel', waarbij het winkelvloeroppervlak uitsluitend op de begane grond is toegestaan; e. ondergeschikte detailhandel, uitsluitend op de begane grond, 1e verdieping en 2e verdieping; f. dienstverlening, uitsluitend op de begane grond, 1e verdieping en 2e verdieping; g. horeca in de categorie 'Horeca 1 (daghoreca)' ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van gemengd - horeca' en 'specifieke vorm van gemengd - horeca 2', alsmede horeca in de categorie 'Horeca 2 (avondhoreca zonder geluid)' ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - horeca 2', uitsluitend op de begane grond en 1e verdieping; h. hotel en/of appartementenhotel; i. maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend op de begane grond, 1e verdieping en 2e verdieping; j. woonzorgvoorziening; k. sportvoorzieningen, uitsluitend op de begane grond, 1e verdieping en 2e verdieping; l. cultuur en ontspanning, uitsluitend op de begane grond, 1e verdieping en 2e verdieping; m.
terrassen ten behoeve van een horecavestiging die is toegelaten op grond van deze bestemming, ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven functieaanduidingen 'specifieke vorm van gemengd horeca' en 'specifieke vorm van gemengd - horeca 2'; n. parkeergarages (boven- en/of ondergronds); met daaraan ondergeschikt: o. p. q. r. s. t. u.
berg- en stallingsruimten; dakterrassen en daktuinen; groen en water; openbaar nutsvoorzieningen; ontsluitingswegen en -paden alsmede verblijfsgebied; kleinschalige voorzieningen voor verkeer en vervoer; bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
Op de voor 'Gemengd' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 4.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.
d. e.
gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; parallel aan de aanduiding 'gevellijn' dient een onderste horizontale laag van een gebouw, tot een hoogte van minimaal 6,5 meter vanaf (straat)peil, gebouwd te worden in de gevellijn; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - overkapte sportvoorziening' is op de begane grondlaag uitsluitend een overkapte sportvoorziening toegestaan, die aan minimaal 1 zijde voor minimaal 50oZo van het deel dat aan de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' grenst te openen is. gebouwen zijn toegestaan, met dien verstande dat wordt voldaan aan de minimale afstanden, zoals aangeduid op de bouwenveloppenkaarten in Bijlage 2 Bouwenveloppenkaarten bij deze regels; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' gelden de volgende regels: 1. een hoogteaccent is toegestaan met een minimale bouwhoogte van 30 meter en een maximale
11
bouwhoogte van 45 meter, waarbij de diagonaal van het hoogteaccent ten hoogste 40 meter mag bedragen; 2. voor het overige deel is een maximale bouwhoogte van 24 meter toegestaan; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' gelden de volgende regels: 1. een hoogteaccent is toegestaan met een minimale bouwhoogte van 40 meter en een maximale bouwhoogte van 54 meter, waarbij de diagonaal van het hoogteaccent ten hoogste 40 meter mag bedragen; 2. voor het overige deel is een maximale bouwhoogte van 24 meter toegestaan; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' gelden de volgende regels: 1. een hoogteaccent is toegestaan met een minimale bouwhoogte van 30 meter en een maximale bouwhoogte van 41 meter, waarbij de diagonaal van het hoogteaccent ten hoogste 40 meter mag bedragen; 2. voor het overige deel is een maximale bouwhoogte van 24 meter toegestaan; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' gelden de volgende regels: 1. een hoogteaccent is toegestaan met een minimale bouwhoogte van 40 meter en een maximale bouwhoogte van 47 meter, waarbij de diagonaal van het hoogteaccent ten hoogste 40 meter mag bedragen; 2. voor het overige deel is een maximale bouwhoogte van 24 meter toegestaan; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5' gelden de volgende regels: 1.
een hoogteaccent is toegestaan met een minimale bouwhoogte van 25 meter en een maximale bouwhoogte van 32 meter, waarbij de diagonaal van het hoogteaccent ten hoogste 40 meter mag bedragen; 2. voor het overige deel is een maximale bouwhoogte van 24 meter toegestaan; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 6' geldt dat een gebouw niet is toegestaan; k. ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding - uitkraging' is bebouwing toegestaan vanaf een hoogte van 10 meter; l. uitstekende delen aan gebouwen, zoals balkons, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan en mogen niet dieper zijn dan 2 meter en ten minste 10 meter boven maaiveld; m. in uitzondering op 4.2.2 onder l, zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 6' uitstekende delen aan gebouwen toegestaan vanaf een hoogte van 7 meter boven maaiveld, waarbij de uitkraging onverminderd niet dieper dan 2 meter mag zijn; n. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van gemengd - tribune' is een tribune toegestaan; o. ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeergarage' dient een parkeergarage gerealiseerd te worden alvorens de gronden ingebruik genomen worden ten behoeve van de toegestane functies; p.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' is op het hoogst gelegen dak één specifieke kunstuiting in de vorm van letters toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 10 meter gemeten vanaf de dakrand. 4.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde