[23bb005358] Bijlage 1 behorende bij 23bb5357 - ontwerpbestemmingsplan Hoogvliet Midden
Tekst van het document
40
6.4
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.
Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.
Plangebied Het bestemmingsplan Hoogvliet Midden maakt het mogelijk dat op een aantal locaties nieuwbouw van woningen kan plaatsvinden. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidgevoelige objecten worden beschouwd. In het geluidonderzoek zijn 13 locaties onderzocht (A t/m M) die mogelijk als nieuwe geluidgevoelige objecten in het bestemmingsplan zouden worden meegenomen. Zeven van deze locaties zijn niet als nieuwe geluidgevoelige objecten in het bestemmingsplan opgenomen, locatie C omdat deze ontwikkeling al vergund is en de locaties H t/m M omdat er voor het bestemmingsplan nog te weinig duidelijkheid over eventuele ontwikkeling is. De zes locaties die wel als nieuwe geluidgevoelige objecten in het bestemmingsplan zijn meegenomen zijn op de onderstaande kaart aangegeven. Op de kaart staan de ontwikkellocaties aangegeven met de bestemming die aan deze locaties is gegeven: Woongebied 1 t/m 4 (de locaties A, B, F en D), en Gemengd 1 en 2 (de locaties E en G). Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan is voor de ontwikkellocaties een geluidonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de uitkomsten uit het geluidonderzoek beschreven.
41
■f ♦V'į « » 444 444 444 .4 4 4
44
Vf--IVH
6.4.1
Wegverkeer
Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.
Tabel Breedte geluidzones langs wegen Soort gebied
Stedelijk- -gebied
Aantal rijstroken
1 of 2
3 of meer
Buiten1 of 2
-stedelijk3 of 4
-gebied 5 of meer
42
Zonebreedte
200 meter
350 meter
250 meter
400 meter
600 meter
Bij nieuwe geluidgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 decibel (dB). Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen (snelwegen worden altijd als buitenstedelijk gezien) en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. In de onderstaande tabel staan de resultaten van het onderzoek naar de geluidbelasting veroorzaakt door het wegverkeer aangegeven. Het gaat om onderzoek naar de geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen. Dit betekent dat gerekend is op de grenzen van de locaties waar woningen worden toegestaan, maar waar deze nog niet aanwezig zijn.
Locatie
Weg
Hoogste berekende geluidbelasting in dB
WG-1 (A)
Aveling Groene Kruisweg
57 50
WG-2 (B)
Aveling Groene Kruisweg
58 58
WG-3 (F)
Groene Kruisweg
59
WG-4 (D)
Aveling Endenhout Holwinde
54 53 53
GD-1 (E)
Aveling Laning
54 52
GD-2 (G)
Groene Kruisweg
49
50 km/uur wegen Uit het geluidonderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de relevante 50 km/uur wegen op alle ontwikkellocaties hoger is dan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB. Maar de geluidbelasting is nergens hoger dan 63 dB, en blijft dus binnen de bandbreedte waarbinnen het college een hogere waarde (hogere toegestane geluidbelasting) vast kan stellen. Voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld zullen de hoogste berekende geluidbelastingen per locatie als hogere waarden worden vastgesteld.
30 km/uur wegen Er zijn twee 30 km/uur wegen relevant voor de ontwikkellocaties, Middenbaan Zuid en Overhage. De geluidbelasting vanwege Middenbaan Zuid is nergens hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB. De maximale geluidbelasting vanwege Overhage is 58 dB op de bestemming WG-1. Deze hoge geluidbelasting voor een 30 km/uur weg wordt veroorzaakt doordat de bestemmingsgrens van deze bestemming direct aan Overhage ligt (deze bestemmingsgrens is overgenomen uit het oude bestemmingsplan). De gevels van de nieuwe woningen zullen verder van deze weg liggen, en daarmee een lagere geluidbelasting hebben.
Parkeerterrein winkelcentrum Hoogvliet De geluidbelasting van het parkeerterrein op ontwikkellocaties WG-1 en WG-2 is berekend op 62 en 61 dB. Deze hoge geluidbelastingen zijn het gevolg van de ruime bestemmingsgrenzen die uit het oude bestemmingsplan zijn overgenomen. De gevels van de nieuwe woningen zullen verder van het parkeerterrein liggen, en daarmee een lagere geluidbelasting hebben. De aanwezigheid van het parkeerterrein betekent wel dat de nieuwe woningen op de locaties WG-1 en WG-2 aan de oostzijde niet zonder meer een geluidluwe gevel zullen hebben.
43
6.4.2
Industrielawaai
Alle ontwikkellocaties liggen binnen de geluidzone (50 dB(A)-toetsingszone) rondom het industrieterrein Pernis, Botlek. Dit industrieterrein is dus een relevante geluidbron voor dit bestemmingsplan. In de onderstaande tabel staan de resultaten van het onderzoek naar de geluidbelasting veroorzaakt door het industrieterrein Pernis, Botlek op de ontwikkellocaties aangegeven. Het gaat om onderzoek naar de geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen. Dit betekent dat gerekend is op de grenzen van de locaties waar woningen worden toegestaan, maar waar deze nog niet aanwezig zijn.
Locatie
Bouwlagen
Hoogste berekende geluidbelasting in dB(A)
WG-1 (A)
1-3 4-6 7-16
52 53 54
WG-2 (B)
1-3 4-6 7-16
52 53 54
WG-3 (F)
1-3 4-6 7-13
51 52 53
WG-4 (D)
1-3
50
GD-1 (E)
1-3 4-6 7-13
53 54 55
GD-2 (G)
1-3 4-6
51 52
Uit het geluidonderzoek blijkt dat de geluidbelasting van het industrieterrein op de bestemming WG-3 gelijk is aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A). Voor deze locatie hoeft geen hogere toegestane geluidbelasting te worden aangevraagd. Bij de andere locaties is de geluidbelasting van het industrieterrein op alle verdiepingen hoger dan de voorkeurswaarde, maar niet hoger dan de grenswaarde. Voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld zullen de hoogste berekende geluidbelastingen per verdieping per locatie als hogere waarden worden vastgesteld. Waarbij er conform het RAK (zie hieronder) op de hogere verdiepingen 1 of 2 dB bij de berekende geluidbelasting is opgetelt.
Regionaal Afsprakenkader geluid en ruimtelijke ordening (RAK) Op 8 juli 2015 hebben verschillende partijen waaronder de gemeenten in de Rijnmondregio en het Havenbedrijf Rotterdam (HbR) het “Regionale afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling” (RAK) getekend. In dit convenant zijn afspraken gemaakt over de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de geluidzones van Europoort - Maasvlakte en Pernis, Botlek. Doel van het convenant is om geluidoverlast vanwege activiteiten in het havengebied te beperken en het realiseren van een zo hoog mogelijke woonen leefkwaliteit bij woningbouwontwikkelingen in het havengebied zonder daarbij de milieugebruiksruimte van de haven te beperken. Woningbouwplannen en ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom zo vroeg mogelijk in het planproces te worden afgestemd met de betrokken partijen (HbR en DCMR). In het RAK zijn onder andere procesafspraken gemaakt met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden. Binnen de geluidzone worden de 1 dB geluidcontouren (60 tot 55 dB(A) en 55 tot 48 dB(A)) gehanteerd voor het vaststellen van hogere waarden. Voor gevels hoger dan 5 meter boven maaiveld gelden de volgende toeslagen: a. Voor de vierde, vijfde en zesde woonlaag wordt de hogere waarde met 1 dB verhoogd. b. Voor de zevende en hogere woonlagen wordt de hogere waarde met 2 dB verhoogd.
44
6.4.3
Scheepvaartlawaai
Voor Scheepvaartlawaai bestaat geen wettelijk kader. Het is echter wel een geluidbron die in het kader van een goede ruimtelijke ordening in overweging moet worden genomen bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen langs scheepvaartroutes en nabij industrieterreinen met afgemeerde schepen. Voor dit bestemmingsplan is de bijdrage aan de geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen vanwege afgemeerde schepen in de havens van het industrieterrein Pernis, Botlek relevant. De geluidbelasting vanwege afgemeerde schepen op industrieterrein Pernis, Botlek is berekend. De hoogtste berekende geluidbelasting vanwege afgemeerde schepen is op locatie GD-1 (E) en bedraagt 50 dB Lden bij 700Zo ligplaatsbezetting. Dit betekent dat de geluidbelasting vanwege nestgeluid relatief laag is, en daardoor geen relevante bijdrage levert aan de geluidbelasting op (en de benodigde geluidwering bij) de ontwikkellocaties in bestemmingsplan Hoogvliet Midden.
6.4.4
Conclusie
Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige objecten, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: «
De hoogte van de geluidbelasting vanaf zoneplichtige geluidbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt);
»
De hoogte van de geluidbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidbronnen (30 km/uur wegen, tramlijnen en parkeerterreinen); De gecumuleerde geluidbelasting; Maatregelen aan de geluidbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidbelaste locatie; De regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB, van railverkeer niet hoger is dan 55 dB en van industrieterreinen niet hoger is dan 50 dB(A)).
« » »
Cumulatie geluidbronnen Wanneer nieuwe geluidgevoelige locaties in verschillende geluidzones liggen en de voorkeurswaarde vanwege meer dan één bronsoort wordt overschreden, moet de geluidbelasting worden gecumuleerd. Dit betekent dat de geluidbelastingen van verschillende bronnen (wegen, spoorwegen en industrie) bij elkaar worden opgeteld. Als er verschillende bronnen zijn die elk een hoge geluidbelasting op de gevel veroorzaken, dan kan de gecumuleerde geluidbelasting aanzienlijk hoger zijn dan de geluidbelasting vanaf de geluidbron met de hoogste bijdrage. De gecumuleerde geluidbelasting moet worden betrokken bij de afwegingen om een nieuwe geluidgevoelige bestemming toe te staan en hiervoor een hogere waarde vast te stellen. Uit de cumulatieberekening blijkt dat op bestemming WG-1 de gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeer en industrie op sommige rekenpunten 1 of 2 dB hoger is dan de geluidbelasting van alleen het wegverkeer. Bij de bestemming GD-1 is de gecumuleerde geluidbelasting 2 of 3 dB hoger dan de geluidbelasting van het wegverkeer alleen. En op één rekenpunt op GD-1 is de gecumuleerde geluidbelasting 4 dB hoger. Dat komt omdat dit rekenpunt een geluidbelasting heeft van zowel de Aveling als de Laning, en van alle rekenpunten de kortste afstand tot het industrieterrein heeft.
Bij bestemming WG-3 is de gecumuleerde geluidbelasting op één rekenpunt 1 dB hoger dan de geluidbelasting van de afzonderlijke geluidbronnen. Maar deze geluidbelasting is 5 dB lager dan de geluidbelasting van de Groene Kruisweg op andere rekenpunten op WG-3. Omdat de gecumuleerde geluidbelasting niet veel hoger is dan de geluidbelasting per geluidbron, en omdat de gecumuleerde geluidbelasting nergens hoger is dan de maximale hogere waarde van 63 dB, ziet de gemeente geen aanleiding om op basis van de gecumuleerde geluidbelasting tot een andere conclusie te komen over de geluidbelastingen per geluidbron.
Maatregelen Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidbelastingen als hogere waarden vast te
45
stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel de geluidkwaliteit kan worden verbeterd. In het akoestisch onderzoek is aangegeven welke maatregelen overwogen kunnen worden. Wat betreft maatregelen aan de geluidbron zijn stille wegdekken denkbaar. De Aveling ten noorden van de Groene Kruisweg heeft al geluidreducerend asfalt. Als op de andere relevante wegen geluidreducerend asfalt wordt toegepast betekent dit een 2 of 3 dB lagere geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen. Bij de bestemmingen GD-2 en WG-4 voldoet de geluidbelasting bij toepassing van geluidreducerend asfalt aan de voorkeurswaarde, bij de andere ontwikkellocaties is dat niet het geval. Vanwege het beperkte effect van geluidreducerend asfalt, en vanwege het gegeven dat de geluidbelastingen op de gevels van de nieuwe woningen voor een stedelijk gebied niet hoog zijn, kiest de gemeente er niet voor om geluidreducerend asfalt als voorwaarde te stellen bij deze woningbouwontwikkelingen. Bij overdrachtsmaatregelen kan gedacht worden aan geluidschermen of het vergroten van de afstand tussen de weg en de woningen. Geluidschermen langs stedelijke wegen zijn vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt geen optie. Door het verdubbelen van de afstand tot de weg kan de geluidbelasting met 3 dB terug worden gebracht.
Om de flexibiliteit te behouden bij het opstellen van de bouwplannen voor de nieuwe woningen kiest de gemeente er niet voor om de bestemmingsgrenzen op grotere afstand van de wegen te leggen. Voor een goede woonkwaliteit is de aanwezigheid van een geluidluwe gevel bij een woning bepalender dan de hoogte van de geluidbelasting op de meest geluidbelaste gevel. Bij ontvangermaatregelen (maatregelen aan de woningen) kan worden gedacht aan het realiseren van geluidluwe gevels, en aan het realiseren van de slaapkamers aan de geluidluwe zijde van de woning. Geluidluwe gevels worden hieronder besproken. De indeling van een woning kan niet met een bestemmingsplan worden geregeld, daar dient in de bouwplanfase aandacht aan te worden besteed.
Geluidluwe gevel Een van de belangrijkste criteria in het beleid dat de gemeente Rotterdam heeft voor het vaststellen van hogere toegestane geluidbelastingen op de gevel van een woning is dat elke nieuwe woning in principe over tenminste één geluidluwe gevel moet beschikken. Een geluidluwe gevel is een gevel waarop de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan 53 dB vanwege het wegverkeer en 50 dB(A) vanwege industrie, dit geldt als een geluidniveau waarbij men in het algemeen buiten kan zitten of het raam open kan laten staan zonder dat de geluidbelasting als hinderlijk wordt ervaren. Uit het geluidonderzoek blijkt dat, bij alle bestemmingen waar nieuwe woningen zijn toegestaan, deze woningen zo kunnen worden gerealiseerd dat zij tenminste één geluidluwe gevel hebben. Dat wil zeggen dat deze woningen een gevel hebben met een geluidbelasting van 53 dB of lager vanwege het wegverkeer én een geluidbelasting van 50 dB(A) of lager vanwege de industrie. Bij de bestemmingen WG-1, WG-2, WG-3 en GD-2 is bij de woningen aan de bestemmingszijden met de hoogste geluidbelastingen aandacht nodig bij de oriëntatie en/of het ontwerp om deze woningen een geluidluwe zijde te laten hebben.
Afweging Maatregelen om de geluidbelasting te beperken ziet de gemeente niet als reële mogelijkheid, gezien de hoge kosten in relatie tot de relatief beperkte geluidbelasting en geluidreductie. En vanwege de stedenbouwkundige, verkeerskundige en technische beperkingen die de bovengenoemde maatregelen met zich meebrengen. Het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder schrijft voor dat nieuwe woningen in principe over ten minste één geluidluwe gevel dienen te beschikken. Het geluidonderzoek laat zien dat dit mogelijk is, mits in de bouwplanfase rekening wordt gehouden met de positionering van de gevels. Dit betekent dat woningen die een gevel hebben die naar een geluidbron (bijvoorbeeld een weg) is gericht (en daardoor aan die zijde geen geluidluwe gevel hebben) ook een andere gevel moeten hebben die wel geluidluw is. Om de hierboven genoemde redenen zullen burgemeester en wethouders de geluidbelastingen, zoals die in de tabellen bij 'wegverkeer' en 'industrie' zijn aangegeven, als hogere waarden vaststellen voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Deze hogere waarden worden verleend onder de voorwaarde
46
dat elke woning over ten minste één geluidluwe gevel beschikt. In de regels van de zes bovengenoemde bestemmingen is vastgelegd dat woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld uitsluitend zijn toegestaan als wordt voldaan aan de in het besluit hogere waarden opgenomen voorwaarden. Het besluit hogere waarden wordt als bijlage bij de regels opgenomen.
6.5
Geur
Beleid en Normstelling Er is geen wettelijk kwantitatief beoordelingskader voor geur. Het beperken van bestaande geurhinder en het voorkomen van nieuwe geurhinder vindt in het havengebied vooral plaats via de milieuvergunningverlening aan bedrijven. De aanpak van geur is vastgelegd in het 'Geurbeleid kerngebied Rijnmond' (provincie Zuid-Holland, 2005) en de Beleidsnota geurhinderbeleid (provincie Zuid-Holland, 2010). Deze aanpak kan als volgt worden samengevat: Het streven is dat geen geur van de inrichting buiten de terreingrens waarneembaar mag zijn. Dit streven wordt via maatregelen en een algemene zorgplicht voor bedrijven om continu te werken aan vermindering van (kans op) geuremissies vastgelegd in de vergunning. Aan het uitgangspunt 'het voorkomen van additionele bijdragen van geur(hinder) aan de aanwezige hoge geurbelasting van het Rijnmondgebied' wordt invulling gegeven door het toepassen van de Best Beschikbare Technieken (BBT) volgens de Europese richtlijn Industriële Emissies (2010-75-EC), onder in beschouwing nemen van de specifieke bedrijfssituatie en geurhindersituatie. Daarbij wordt in de praktijk een indeling in drie maatregelniveaus onderscheiden, die als 'vangnet-voorschrift' worden opgenomen in de vergunning: » » »
Maatregelniveau I: 'buiten de terreingrens mag geen geur afkomstig van de inrichting waarneembaar zijn'. Maatregelniveau II: ter plaatse van een geurgevoelige locatie mag geen geur afkomstig van de inrichting waarneembaar zijn'. Maatregelniveau III: ter plaatse van een geurgevoelige locatie mag geen geuroverlast veroorzaakt worden door de inrichting'.
In de praktijk streeft de DCMR namens de provincie Zuid-Holland naar het realiseren van maatregelniveau I en valt slechts in specifieke situaties waar dit niveau niet haalbaar blijkt terug op maatregelniveau II.
Onderzoek en conclusie In het Rijnmondgebied is sprake van een mate van geurbelasting. De geurcontouren van 1 ge/m3 (1 geureenheid per m3, waarbij geldt dat de geurbelasting 980Zo per jaar op of onder deze waarde ligt), als richtwaarde voor een goede milieukwaliteit, liggen tot op een afstand van circa 10 km vanaf de industriële bronnen in het havengebied. Op onderstaande figuur is af te lezen dat het plangebied grotendeels binnen de geurcontour van 3 ge/m3 ligt. Binnen dit gebied is niet uitgesloten dat af en toe geur waarneembaar is. Omdat de nieuwbouw van woningen in het plangebied plaatsvindt binnen de bestaande woonbebouwing, en grotendeels ter vervanging van andere woningen, wordt de geurhinder ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar geacht. Daarnaast wordt verwacht dat een verdergaande dalende trend in geurbelasting en daarmee in geurhinder en geurklachten, als gevolg van verdergaande maatregelen bij de industrie en de scheepvaart, zal zijn. Bij effectieve uitvoering van de Geuraanpak Rijnmondgebied bij vergunningverlening, mag verwacht worden dat geen nieuwe geurhinder ontstaat.
47
I
liOūaWsa-p
Geurcontoure
1=1 I
I tgarhi'lS-P
*
Oeirtnon
Bran: DCMR
6.6
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: » » »
er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect;
48
« »
het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.
Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.
6.6.1
Plangebied
Voor het bestemmingsplan Hoogvliet Midden is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. In het bestemmingsplan Hoogvliet Midden worden in totaal 905 nieuwe woningen mogelijk gemaakt, verdeeld over zes locaties. Deze woningen zorgen voor een toename van wegverkeer. In Hoogvliet Midden wordt ook de realisatie van een niet-woonprogramma mogelijk gemaakt (7.300 m2 aan maatschappelijk of kantoor, 2.500 m2 maatschappelijk en 1.000 m2 recreatie). Bij realisatie van de woningen in Hoogvliet Midden wordt echter ook een programma aan niet-woonfuncties gesloopt (8.700 m2 kantoor, 4.500 m2 maatschappelijk, 1.000 m2 detailhandel en 900 m2 bedrijf). Het te slopen programma is groter dan het programma dat toegevoegd kan worden, en genereert meer wegverkeer. Dit komt met name door de 1.000 m2 detailhandel dat voor veel verkeer zorgt. Voor deze analyse worden de effecten op het wegverkeer van de niet-woonprogramma's (nieuw en sloop) tegen elkaar weggestreept, dat wil zeggen dat het netto effect in de toekomst niet negatief is maar nul. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (307o van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. In en rondom dit plangebied wordt in de huidige situatie (peiljaar 2020) aan de grenswaarden voldaan. Ook in de toekomst (tussen nu en 2030) wordt aan de grenswaarden voldaan. Zoals hierboven is beschreven maakt het bestemmingsplan in totaal 905 nieuwe woningen mogelijk. De ontsluiting vindt plaats middels de Aveling, de Laning en de Groene Kruisweg, dus middels ten minste een tweezijdige ontsluiting volgens de definitie van de NIBM regelgeving (Besluit NIBM, Regeling NIBM). Bij een tweezijdige ontsluiting mogen volgens deze regelgeving maximaal 3.000 woningen worden gebouwd. Omdat 905 woningen minder is dan de 3.000 woningen wordt voldaan aan de NIBM regelgeving. De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden.
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg.
49
6.6.2
Conclusie
Het bestemmingsplan Hoogvliet Midden draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Hoogvliet Midden.
6.7
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.
6.7.1
Plangebied
De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. In nagenoeg het hele plangebied is de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) zeer licht verontreinigd. In het beboste gebied ten noorden van de Welhoeksedijk is de bodemkwaliteit in de contactzone naar verwachting schoon. De bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld is Hoogvliet Midden en de helft van het stadshart eveneens zeer licht verontreinigd. In Boomgaardshoek is de ondergrond licht verontreinigd, behalve bij het bebosde gebied waar de ondergrond naar verwachting sterk is verontreinigd. Bij het deel van het stadshart ten westen van Cloese en ten noorden van Bingerden is de verwachting echter anders. Daar is zowel de contactzone als de bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld naar verwachting sterk verontreinigd. Zowel in het (oude) bestemmingsplan Hoogvliet Stadshart als in dit bestemmingsplan (Hoogvliet Midden) wordt op een aantal locaties binnen het gebied waar een sterke bodemverontreiniging wordt verwacht nieuwbouw van woningen gemaakt.
6.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik.
50
Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico.
Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Plangebied Het plangebied van Hoogvliet Midden ligt wat betreft de Oude Maas, de snelweg A15 en het spoor (doorgaand spoor Betuweroute) buiten de 200 meter zone. Dit betekent dat (de verandering van) het groepsrisico van deze risicobronnen niet verantwoord hoeft te worden. Ook de plaatsgebonden risicocontouren, de plasbrandaandachtsgebieden en de zoneringsafstanden van het provinciale oeverbeleid gaan niet over het plangebied. Deze risicobronnen zijn dus niet relevant voor het bestemmingsplan Hoogvliet Midden, en worden verder buiten beschouwing gelaten.
Een aantal ondergrondse buisleidingen en een aantal inrichtingen (bedrijven) hebben invoed op het plangebied, de risico's daarvan worden hieronder besproken. De onderstaande gegevens zijn afkomsting van het onderzoek externe veiligheid en het onderzoek groepsrisico (een update van het eerdere onderzoek, uitgevoerd met versie 8.3 van het safeti risico-berekeningsprogramma), die als bijlagen 5 en 6 bij de toelichting zijn gevoegd.
6.8.1
Leidingen
Aardgasleiding De hoge druk leiding A517 van de Gasunie gaat voor een klein deel door de noordoostelijke hoek van Midden, en wel tussen de Groene Kruisweg en de Duifhuisweg. De 1o0o letaalzone raakt de bebouwing net niet. Alle ontwikkelingslocaties in Hoogvliet Midden liggen buiten deze zone. Deze leiding is dus niet relevant voor het bestemmingsplan, en is daarom niet verder onderzocht.
Propyleenleiding De propyleenleiding loopt oostelijk van de Duifhuisweg en buiten de bebouwde kom van Hoogvliet Midden. Ook de 10 letaalzone raakt de bebouwing niet. Alle ontwikkelingen van Hoogvliet Midden liggen buiten deze zone. Deze leiding is dus niet relevant voor het bestemmingsplan, en is daarom niet verder onderzocht.
Chloorleiding De 10 letaalzone van de chloorleiding doorsnijdt de westelijke hoek van Hoogvliet Midden. Binnen deze zone liggen alle ontwikkelingen waarvan locatie D maar voor een deel. Daarmee zijn deze locaties relevant voor het groepsrisico. Door de grote afstand tussen het plangebied en de leiding zijn het plaatsgebonden risico en de belemmeringsstrook van deze leiding niet relevant voor het
51
bestemmingsplan.
Groepsrisico Door de ontwikkelingen die het bestemmingsplan Hoogvliet Midden mogelijk maakt neemt de persoonsdichtheid binnen het (westen van) het plangebied toe. Het effect daarvan op het groepsrisico is berekend. Uit deze berekening blijkt dat het groepsrisico van de chloorleiding door de ontwikkelingen toeneemt van 1,78 tot 1,92 maal de oriëntatiewaarde.
6.8.2
Inrichtingen
Bedrijven met invloedsgebieden die over het plangebied Hoogvliet Midden heen gaan zijn: Hexion, het emplacement van Prorail in Pernis, de Raffinaderij van Shell en Koole (voorheen Odfjell). Door de grote afstanden tot het plangebied spelen de 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van deze bedrijven geen rol. De invloed van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan Hoogvliet Midden mogelijk maakt op het groepsrisico van deze bedrijven wordt hieronder beschreven.
Groepsrisico Hexion Uit de berekening van het groepsrisico van Hexion blijkt dat er géén sprake is van een groepsrisico vanwege dit bedrijf. Dit geldt zowel voor de huidige situatie als in de situatie waarin de ontwikkelingen die het bestemmingsplan Hoogvliet Midden mogelijk maakt zijn gerealiseerd. In de conclusie over het groepsrisico wordt Hexion daarom buiten beschouwing gelaten.
Emplacement Pernis (Prorail) Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het groepsrisico van het Emplacement Pernis niet toe. Het groepsrisico is 0,0148 maal de oriëntatiewaarde.
Shell Raffinaderij Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het groepsrisico van de raffinaderij van Shell toe van 0,635 tot 0,751 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico blijft dus kleiner dan de oriëntatiewaarde.
Koole Het groepsrisico van Koole Terminal Botlek is berekend inclusief alle medewerkers in het haven industrieel complex. Uit deze berekening komt naar voren dat er sprake is van een hoog groepsrisico van 17,7 maal de oriëntatiewaarde. Dit groepsrisico wordt nagenoeg helemaal veroorzaakt door de persoonsdichtheid ter plaatse van de bedrijven rondom Koole. Door de ontwikkelingen in het plangebiedneemt het groepsrisico van Koole niet toe.
6.8.3
Conclusie
De ontwikkellocaties liggen buiten de 10-fVjr plaatsgebonden risicocontouren (veiligheidszones) en buiten de plasbrandaandachtgebieden, de zoneringsafstanden en de belemmeringsstroken van de verschillenden risicobronnen. Alleen de groepsrisico's van een aantal risicobronnen zijn relevant voor het bestemmingsplan. Deze groepsrisico's bedragen (na realisatie van de ontwikkelingen): » » » «
1,92 maal de oriëntatiewaarde voor de cloorleiding; 0,0148 maal de oriëntatiewaarde voor het spooremplacement Pernis; 0,751 maal de oriëntatiewaarde voor de Shell raffinaderij; 17,7 maal de oriëntatiewaarde voor het bedrijf Koole.
Hieronder wordt aangegeven waarom de gemeente deze groepsrisico's in het kader van dit bestemmingsplan verantwoord vindt. Alle ontwikkellocaties zijn goed bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten. Het gemeentelijke Beleidskader Groepsrisico gaat bij het verantwoorden van het groepsrisico uit van drie categorieën. Een groepsrisico kleiner of gelijk aan 0,3 maal de oriëntatiewaarde valt in de categorie 'licht'. Dit is het geval bij het groepsrisico vanaf het spooremplacement Pernis. Het groepsrisico van deze risicobron neemt door de planontwikkeling niet toe. Dit (zeer) lage groepsrisico wordt door de gemeente Rotterdam verantwoord geacht. Mede gelet op het gegeven dat het groepsrisico niet of minimaal toeneemt, en
52
gezien de grote afstand van de risicobronnen tot de ontwikkellocaties. Een groepsrisico tussen de 0,3 maal de oriëntatiewaarde en de oriëntatiewaarde valt in de verantwoordingscategorie 'midden'. Het groepsrisico van de Shell raffinaderij valt in deze categorie. De volgende punten zijn van belang bij het verantwoorden van dit groepsrisico: » »
het groepsrisico neemt door de ontwikkelmogelijkheden in het bestemmingsplan niet toe; de afstanden tussen de Shell raffinaderij en de ontwikkellocaties zijn zeer groot;
Het groepsrisico van de Shell raffinaderij wordt als verantwoord gezien omdat deze lager is dan de oriëntatiewaarde en niet toeneemen door de planontwikkeling. Maatregelen om de effecten van een calamiteit te verminderen leveren ter plaatse van de ontwikkellocaties gezien de grote afstand tot de risicobronnen weinig effectreductie. Daarom zullen effectreducerende maatregelen niet worden voorgeschreven. Het treffen van bronmaatregelen behoort voor de gemeente niet tot de mogelijkheden. Een groepsrisico hoger dan de de oriëntatiewaarde valt in de categorie 'zwaar1. Over de verantwooding van de groepsrisico's die in deze categorie vallen moet een expliciet bestuurlijk besluit worden genomen. De groepsrisico's van het bedrijf Koole en van de chloorleiding vallen in deze categorie.
Koole Het groepsrisico van Koole Terminal Botlek is 17,7 maal de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de ontwikkelingen in het bestemmingsplan Hoogvliet Midden. Het groepsrisico van Koole is zo hoog omdat het is berekend inclusief alle medewerkers in het haven industrieel complex. Voor het bestemmingsplan Hoogvliet Midden vindt de gemeente dit groepsrisico verantwoord omdat gezien de grote afstand de persoonsdichtheid in het plangebied nauwelijks bijdraagt aan de hoogte van het groepsrisico. Hetgeen ook betekent dat bij een calamiteit bij Koole de kans op een effect binnen het plangebied gering is.
Chloorleiding Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het groepsrisico toe van 1,78 maal de oriëntatiewaarde tot 1,92 maal de oriëntatiewaarde. Chloor is een giftige stof. Bij een beschadiging van de chloorleiding kan er een gifwolk ontstaan die zich door de wind over een groot gebied kan verspreiden. De kans op een dergelijke gifwolk is zeer gering, maar het aantal slachtoffers kan bij mensen die in de buitenlucht verblijven groot zijn. Daarom is het zaak om bij het optreden van een gifwolk te schuilen in goed afsluitbare ruimten, en als er sprake is van een mechanische ventilatie deze uit te zetten. Het groepsrisico is in de huidige situatie al hoger dan de oriëntatiewaarde, en neemt door de planontwikkeling maar beperkt toe. Ook het aantal woningen neemt beperkt toe ten opzichte van het totaal aantal woningen binnen de 1o0o letaalzone van de chloorleiding. Nieuwbouw biedt ook een mogelijkheid om goed afsluitbare woningen te realiseren (daaraan dient in de bouwplanfase extra aandacht te worden besteed). Om deze redenen vindt de gemeente het groepsrisico van de chloorleiding ten aanzien van het bestemmingsplan Hoogvliet Midden verantwoord.
6.9
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt.
53
De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar1 betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.
6.9.1
Rotterdams beleid
Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland.
6.9.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd va het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen).
Natura 2000 Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effecten ontstaan op Natura 2000 gebieden. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende Natura 2000 gebieden aanwezig, te weten: Solleveld en Kapittelduinen, Westduinpark & Wapendal, Nieuwkoopse Plassen, Broekvelden Vettenbroek & Polder Stein en het Haringvliet. Het dichtsbijgelegen van deze Natura 2000 gebieden is het Haringvliet met 8,2 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard van de ontwikkelingen (woningbouw) zijn directe effecten zoals verstoring, effecten op waterhuishouding en dergelijke op voorhand uit te sluiten. Effecten die wel op grotere afstand kunnen plaatsvinden zijn depositie effecten als gevolg van toename van stikstofemissies. Natura 2000-gebieden waar sprake is van overbelasting als gevolg van stikstofdepositie betreffen 'Solleveld en Kapittelduinen', 'Westduinpark & Wapendal', 'Nieuwkoopse Plassen'. Deze gebieden liggen op meer dan 10 km afstand. Het Natura-2000 gebied Oude Maas neemt een bijzondere plaats in ten opzicht van het plangebied van Hoogvliet Midden omdat dit Natura 2000-gebied relatief dichtbij het plangebied ligt. Het Natura 2000-gebied Oude Maas is echter niet gevoelig voor de depositie van stikstof, zodat de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt geen effect hebben op de natuur in dat gebied.
Voortoets stikstofdepositie Voor het bestemmingsplan is een AERIUS-berekening uitgevoerd waarbij alle ontwikkelingen binnen het bestemmingsplangebied zijn meegenomen. Uit de berekening blijkt dat er zowel bij de aanlegfase als de gebruiksfase geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr optreedt. Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn derhalve uitgesloten. Uit deze voortoets blijkt dus dat er geen (significante) stikstofdepositie wordt veroorzaakt door het bestemmingsplan, en dat een passende beoordeling niet vereist is. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar.
Natuurnetwerk Nederland
54
Rondom het bestemmingsplangebied liggen meerdere onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Oude Maas en aangrenzende oevers is volledig aangegeven als NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde 'Belangrijk Weidevogelgebied' ligt op een afstand van circa 4,6 kilometer ten zuidwesten van het bestemmingsplangebied en betreft polder Simonshaven. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de 'Strategische Reservering Natuur is aanwezig op een afstand van 18,8 kilometer ten westen van het plangebied en betreft de Schapengors grenzend aan Rockanje.
6.9.3
Soortbescherming
Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: » »
strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.
Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is. De resultaten daarvan worden hieronder per soortgroep beschreven.
Vogels In het bestemmingsplangebied meerdere waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten geregistreerd, de huismus en gierzwaluw. De verblijfplaatsen van zowel huismus als gierzwaluw zijn aanwezig in de wijk tussen de Groene Kruisweg en Endenhout. Alle verblijfplaatsen zijn aangetroffen in woningen belegd met dakpannen. Voor overige vogels met jaarrond beschermde verblijfplaatsen is de bebouwde kom in het bestemmingsplangebied ongeschikt. Langs de oostgrens van het bestemmingsplangebied, in het agrarische gebied, liggen enkele erven met schuren die potentieel geschikt zijn voor vaste rust- en verblijfplaatsen van steenuil en kerkuil. In het bestemmingsplangebied is potentieel geschikt habitat voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen aanwezig. Langs de Groene Kruisweg, ten noorden van de Welhoeksedijk en langs de Duifhuisweg zijn bosschages aanwezig waarin soorten als sperwer en ransuil tot broeden kunnen komen. In het plangebied is broedhabitat aangetroffen voor soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. In het plangebied kunnen soorten verwacht worden zoals spreeuw, zwarte roodstaart, koolmees, pimpelmees, boomkruiper, zwarte kraai en ekster. In het bestemmingsplangebied kan ook een scala aan algemen broedvogels verwacht worden.
Waargenomen in het bestemmingsplangebied zijn onder andere kleine mantelmeeuw, merel, meerkoet, wilde eend, scholekster, houtduif, Turkse tortel en roodborst.
Vleermuizen In het bestemmingsplangebied zijn waarnemingen van vleermuizen bekend. Het betreft waarnemingen van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis (zomer-, kraam-, paar- en (massa) winterverblijfplaatsen) en van laatvieger en rosse vleermuis (overvliegend en foeragerend). De waarnemingen betreffen momentopnames, niet het hele bestemmingsplangebied is integraal onderzocht. Deze waarnemingen geven daarom geen compleet beeld van de aanwezige populaties vleermuizen en verblijfplaatsen. Nagenoeg alle woonhuizen in het bestemmingsplangebied zijn geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Het gaat hierbij om individuele winter-, zomer-, paar- en kraamverblijfplaatsen van met name gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen kunnen aanwezig zijn in de aanwezige bebouwing met een grotere massa zoals hoge appartementencomplexen, woontorens en kantoorgebouwen. In meerdere groenstroken zijn bomen aanwezig potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, in dit geval de ruige dwergvleermuis. Binnen het bestemmingsplangebied bevinden zich meerdere lijnvormige structuren (watergangen, dijklichamen, bomenrijen) die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als foerageergebied en/of vliegroute.
Grondgebonden zoogdieren
55
Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren, opgenomen in de Habitatrichtlijn, zoals bever, Noordse woelmuis en otter. Vanwege de ligging in stedelijk gebied ontbreekt geschikt habitat voor deze soorten. Het bestemmingsplangebied is wel geschikt voor een Nationaal beschermd grondgebonden zoogdier waarvoor geen vrijstelling geldt in de provincie Zuid-Holland, de steenmarter. Aanwezigheid van steenmarter is in het plangebied vastgesteld. Er zijn twee waarnemingen bekend van steenmarter langs de Dorpsstraat in het westelijk deel van het bestemmingsplangebied. In het bestemmingsplangebied kunnen verder Nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren worden verwacht waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Dit betreffen met name verschillende soorten (spits-) muizen, egel, vos, konijn, haas en ree. Geschikt habitat voor deze soorten is aanwezig in de groene zones, tuinen en de agrarische gronden langs de oostzijde.
Vissen Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor Habitatrichtlijn soorten vissen zoals Atlantische steur, houting, fint, zalm en rivierprik. Geschikt habitat in de vorm van rivieren en getijdenwateren zijn afwezig. Open water is verspreid aanwezig binnen het bestemmingsplangebied. Deze watergangen zijn ongeschikt voor Nationaal beschermde soorten vissen. Beschermde vissen betreffen met name beekvissen en grote modderkruiper. Het plangebied ligt niet binnen het verspreidingsgebied van deze soorten. Binnen het bestemmingsplangebied kunnen wel algemeen voorkomende vissoorten waaronder kleine modderkruiper, baars, brasem en blankvoorn worden verwacht.
Reptielen en amfibieën Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor soorten reptielen en amfibieën van de Habitatrichtlijn. Geschikt habitat voor rugstreeppad in de vorm van zand- of veengronden met ondiepe, visarme of visloze poelen of slootjes ontbreekt. Geschikt habitat voor zandhagedis, heikikker of kamsalamander in de vorm van zandgronden, ondiepe poelen, veenweidegebied met sterk begroeide oevers of bospoelen is afwezig. Het plangebied ligt tevens buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van deze soorten. Het plangebied is redelijkerwijs ongeschikt voor Nationaal beschermde reptielen en amfibieën, zowel vrijgesteld als niet vrijgesteld van ontheffing. Geschikte voortplantingswateren in de vorm van afgesloten poelen zijn afwezig en geschikte groenstructuren om te schuilen zijn nagenoeg afwezig. Tevens ligt het plangebied buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van soorten als alpenwatersalamander. Het plangebied is wel geschikt voor Nationaal beschermde soorten die wel van ontheffing zijn vrijgesteld. Geschikt habitat is aanwezig voor bruine kikker, bastaardkikker, meerkikker, gewone pad en kleine watersalamander.
Overige soortgroepen Overige Habitatrichtlijnsoorten en overige Nationaal beschermde soorten worden op basis van habitatvereisten en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht binnen het bestemmingsplangebied.
6.9.4
Ontwikkelingen
Hieronder wordt beschreven welke beschermde soorten (mogelijk) aanwezig zijn op de locaties waar het bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk maakt:
Bestemming WG-1 Op deze locatie zijn het voormalige stadsdeelkantoor (op dit moment leegstaand) en het huidige politiebureau aanwezig. Voor de locatie van het stadsdeelkantoor is reeds een ecologische quickscan uitgevoerd. In de bebouwing zijn potenties aanwezig voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger). Het omliggende gebied (begroeiing) is daarnaast geschikt voor algemene broedvogels en Nationaal beschermde zoogdieren vrijgesteld van ontheffing. In de bebouwing van het politiebureau zijn potenties aanwezig voor vaste rust- en verblijfplaatsen van veermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger). Het omringende gebied is geschikt voor algemene broedvogels en categorie 5 soorten vogels en Nationaal beschermde zoogdieren vrijgesteld van ontheffing.
Bestemming WG-2 Deze locatie is nu een grasveld met bomen. De locatie is geschikt voor algemene broedvogels en categorie 5 soorten vogels en Nationaal beschermde zoogdieren vrijgesteld van ontheffing. In de
56
aanwezige bomen zijn geen boomnesten aangetroffen en zijn geen spleten of holten aanwezig die door boombewonende vleermuizen gebruikt kunnen worden.
Bestemming WG-3 Op deze locatie zijn nu een kringloopwinkel, een parkeerterrein en aangrenzend groen aanwezig. In de bebouwing zijn potenties aanwezig voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis). Het omringende plangebied (begroeiing) is daarnaast geschikt voor algemene broedvogels en Nationaal beschermde zoogdieren vrijgesteld van ontheffing. Op en langs het parkeerterrein staan twee groeiplaatsen van Japanse duizendknoop.
Bestemming WG-4 In de huidige situatie staat hier een schoolgebouw. In de bebouwing zijn potenties aanwezig voor vaste rust- en verblijfplaatsen van veermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger). Het omringende plangebied (begroeiing) is daarnaast geschikt voor algemene broedvogels en Nationaal beschermde zoogdieren vrijgesteld van ontheffing.
Bestemming GD-1 Dit betreft een voormalige brandweerkazerne, een parkeerterrein en aangrenzend groen. In de bebouwing zijn potenties aanwezig voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger). Het omringende plangebied (begroeiing) is daarnaast geschikt voor algemene broedvogels en Nationaal beschermde zoogdieren vrijgesteld van ontheffing.
Bestemming GD-2 Dit betreft een kantoorgebouw volledig omgeven door verhardingen. In de bebouwing zijn potenties aanwezig voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis). In de aangrenzende bomen is daarnaast geschikt habitat aanwezig voor algemene broedvogels en Categorie 5 soorten vogels. Negatieve effecten op veermuizen door werkzaamheden op de ontwikkellocaties zijn op voorhand niet uitgesloten. Er kunnen verblijfplaatsen en functionele leefgebieden van vleermuizen verloren gaan waardoor de Wet wordt overtreden. Nader onderzoek in de bouwplanfase naar vleermuizen is noodzakelijk. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette voortplantingsplaatsen van algemene vogels en categorie 5 soorten vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door onder andere buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart - 31 juli). Deze periode kan langer of korter zijn op basis van de soort en de weersomstandigheden. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een inspectie door een ecoloog noodzakelijk.
Bij het aantreffen van een broedgeval zullen werkzaamheden moeten worden uitgesteld en/of mag in een geruime afstand rondom de nestlocatie niet worden gewerkt, dit is afhankelijk van de soort en zal worden bepaald door de ecoloog. De gevolgen voor de aanwezige beschermde soorten door de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt dienen in de bouwplanfase (voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden) nader te worden onderzocht. Wellicht blijkt uit die onderzoeken dat een ontheffing van de Wet Natuurbescherming nodig is. Omdat het ontwikkelingen in een stedelijk gebied betreft wordt voor het bestemmingsplan aangenomen dat deze ontheffingen kunnen worden verkregen.