[23bb005242] Bijlage 1 behorende bij 23bb5269 - Ontwerpbestemmingsplan RIVA
Tekst van het document
18
Zuidplein en Rotterdam-Zuid. Voor de ontwikkeling van deze gebieden formuleert de Omgevingsvisie enkele gebiedskeuzes. Plangebied De hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei. Daarnaast wordt uitgegaan van 5 langetermijndoelen (perspectieven). Mede aan de hand daarvan zijn de hierboven hoofdkeuzes benoemd. Een hoofdkeuze gaat in op verstedelijking. Een ander hoofdsoel ziet op een juist aanbod aan woon- en werkruimte. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van extra woningen, kantoorruimte en commerciële functies in bestaand stedelijk gebied. Dit sluit aan bij de hoofdkeuze om te verstedelijke in bestaand stedelijk gebied. Het sluit draagt ook bij aan het realisren van een woon- en werkgebied. Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie Rotterdam. 2.3.2
Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020
Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.
De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in 56 particuliere koopwoningen, met name in het hoge segment. Dit type woning sluit aan bij de prioriteit 'de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen' onder het hoofddoel 'meer aantrekkelijke woonmilieu's realiseren'. Conclusie
19
De ontwikkeling is in lijn met de Woonvisie Rotterdam. 2.3.3
Nieuw Rotterdams Kwaliteitsbeleid Wonen
Vastgesteld op 23 juni 2020 Het Kwaliteitsbeleid is van toepassing op nieuwbouwprojecten en bij transformaties, waarbij de functie wijzigt naar wonen. Het doel is om initiatiefnemers van nieuwbouw- en transformatieplannen van tevoren duidelijk maken welke elementen de gemeente van belang acht voor het realiseren van woningbouw met toekomstwaarde. In het kwaliteitsbeleid wordt gefocust op de volgende vier onderdelen: gebruiksoppervlakte: de fysieke grootte vande woning; collectiviteit: het delen van functies en het faciliteren van ontmoetingen; flexibiliteit: van het gebouw en van de woning, in hoeverre zijn die in staat mee te bewegen met de veranderende behoeften van de stad en zijn bewoners; gebruikskwaliteit: het comfort dat de woning dagelijks biedt aan zijn bewoners. Gebruiksoppervlakte is goed meetbaar, de invulling van andere drie onderdelen laat de gemeente vrij aan de initiatiefnemer. De vier onderdelen worden gekoppeld aan de diverse woonmilieus in Rotterdam. Afhankelijk van het woonmilieu, worden bepaalde eisen gesteld. Plangebied Het plangebied is gelegen in het woonmilieu "Compact centrum op twee oevers & Hoogbouwzone" nabij twee OV-knooppunten. Dit is weergegeven in figuur 2.5. Het plangebied is op dit figuur aangegeven met een zwarte ster.
Figuur 2.5 Uitsnede kaart Rotterdamse woonmilieus (bron: Nieuw Rotterdams Kwaliteitsbeleid Wonen)
Gebruiksoppervlakte In het woonmilieu waarbinnen het plangebied ligt, dient het gebruiksoppervlakt gemiddeld 50m2 te zijn voor appartementen, 85m2 voor beneden-bovenwoningen en mogen de woningen nooit kleiner zijn dan 40m2. De 56 appartementen die beoogd worden hebben een gevarieerd gebruiksoppervlakte van minimaal 52,8m2 tot maximaal 242m2. De meeste appartementen hebben een gebruiksoppervlakte van circa 77m2 of circa 105m2. De voorgenomen ontwikkeling is hiermee in lijn met de oppervlakte maten die gewenst zijn in het betreffende woonmilieu. Overige onderdelen
20
Aangezien de onderdelen collectiviteit, flexibiliteit en gebruikskwaliteit vrij in te vullen zijn door de initiatiefnemer en het plan in samenspraak met de gemeente tot stand is gekomen, wordt hier kort op ingegaan. De beoogde voorzieningen, zoals sport en horeca leidt ertoe dat plekken ontstaan waar mensen samen kunnen komen. Met de ontwikkeling worden plekken om samen te komen gefaciliteerd, wat bijdraagt aan de collectiviteit en gebruikskwaliteit. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het Nieuw Rotterdams Kwaliteitsbeleid Wonen.
2.3.4
Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+
Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik. Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin.
De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.
Plangebied Met dit bestemmingsplan worden woningen toegevoegd ter plaatse van het plangebied. De beoogde woningen zijn goed bereikbaar voor hoogwaardig openbaar vervoer, aangezien het Metrostation Blaak en het intercity station Rotterdam Blaak zijn gelegen op een afstand van circa 380 meter. Het metrostation Beurs ligt op een afstand van circa 500 meter. Daarnaast zijn in de nabijheid van de projectlocatie verschillende bus- en tramhaltes aanwezig. De vaststelling van dit bestemmingsplan heeft geen (negatieve) invloed op de bereikbaarheid van het plangebied en de omgeving. Conclusie Het bestemmingsplan sluit aan bij de uitgangspunten van het Verkeersplan.
21
2.3.5
Hoogbouwvisie 2019 Rotterdam
Vastgesteld op 16 oktober 2019 door de Rotterdamse gemeenteraad In de Hoogbouwvisie is aangegeven waar, hoe en waarom hoogbouw in Rotterdam wenselijk is. De visie is een middel om tot kwalitatief goede hoogbouw te komen en schetst de ambitie die de stad heeft op het gebied van het realiseren van hoogbouw die bijdraagt aan een aantrekkelijke stad. Deze Hoogbouwvisie is een tweede update van de visie uit 2000, een eerste update vond plaats in 2011. De Hoogbouwvisie kent drie schaalniveaus: de stad, de straat en het gebouw. Op elk van de niveaus zijn er onderwerpen die relevant zijn voor hoogbouw. In de visie zijn op het niveau van de stadhoogbouwzones aangegeven. De grens van de hoogbouwzone voor de binnenstad blijft en wordt uitgebreid met Pompenbrug en de omgeving Rijnhaven. Daarnaast worden nog drie gebieden toegevoegd waar ook hoogbouw mogelijk wordt gemaakt. Het gaat hier om Feyenoord City, Hart van Zuid en Alexanderknoop. De minimale grens van de definitie hoogbouw is 70 meter. Deze grens is opgesteld in lijn met het Bouwbesluit. Dit betekent dat toetsing aan de Hoogbouwvisie noodzakelijk is voor gebouwen die op grond van het Bouwbesluit als hoogbouw worden aangemerkt. Daarvan is sprake zodra de hoogste verdiepingsvloer boven de 70 meter is gelegen.
Vanaf die hoogte gelden op grond van het Bouwbesluit andere normen met betrekking tot brandveiligheid, zoals ook beschreven in de Hoogbouwvisie. Indien sprake is van hoogbouw is toetsing aan de hoogbouwvisie aan de orde. Aspecten als windhinder, bezonning, woonklimaat, bereikbaarheid, parkeren en inpassing in het bestaande stedelijk weefsel (bebouwing en openbare ruimte) zullen daarbij in de besluitvorming moeten worden afgewogen. Gebouwen die niet als hoogbouw worden aangemerkt, hoeven niet aan de Hoogbouwvisie getoetst te worden. Plangebied Middels dit bestemmingsplan wordt voorzien in een gebouw met een bouwhoogte van 67 meter. Deze bouwhoogte ligt onder de 70 meter, waardoor de Hoogbouwvisie niet van kracht is. Derhalve wordt niet getoetst aan dit beleid. Conclusie De Hoogbouwvisie is niet van toepassing.
2.3.6
Welstandsnota Rotterdam
De Welstandsnota Rotterdam is vastgesteld door de gemeenteraad en is in werking getreden op 11 oktober 2012. De Welstandsnota Rotterdam bevat de ruimtelijke kwaliteitscriteria waaraan de bebouwing in Rotterdam moet voldoen. Deze nota is een geactualiseerde versie van de Koepelnota Welstand Rotterdam uit 2004. Niet alle gebieden hebben eenzelfde belang voor de ruimtelijke kwaliteit en het aanzien van Rotterdam, om deze reden wordt in de welstandnota onderscheid gemaakt in verschillende beleidsniveaus. Deze beleidsniveaus worden welstandniveaus genoemd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende vier welstandsniveaus: 'bijzonder', 'ontwikkeling', 'regulier' en 'welstandsvrij'. Naast onderscheid in welstandsniveaus wordt ook onderscheid gemaakt in gebiedstypen. Plangebied Het plangebied is conform de 'Welstandsnota Rotterdam Kaart met welstandsniveaus' gelegen in een bijzonder welstandsniveau. Daarbij is het projectgebied gelegen in het gebiedstype 'rivierlocaties'. Voor het gebiedstype 'rivierlocaties' gelden gebiedscriteria. In tabel 2.1 is een kader opgenomen met daarin de gebiescriteria zoals bepaald in de Welstandsnota voor het gebiedstype 'rivierlocaties'.
22
Tabel 2.1 Gebiedscriteria rivierlocatie (bron: Welstandsnota Rotterdam)
Bij de uitwerking van het plan dient met bovenstaande gebiedscriteria rekening te worden gehouden. Tijdens de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen zal het bouwplan onder andere op dit onderdeel worden getoetst door het bevoegd gezag.
23
Hoofdstuk 3 3.1
Beschrijving van het plangebied
Ontstaansgeschiedenis
De oudst bekende vondsten in het werkingsgebied van het bestemmingsplan 'Waterstad' - wat momenteel het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van onderhavige plangebied - dateren uit het Neolithicum (5300-2000 voor Christus). In die periode werden gunstige plekken in het landschap, zoals rivierduinen en rivieroevers, door de mens uitgekozen om te verblijven. Ook binnen het werkingsgebied van het bestemmingsplan 'Waterstad' zijn dergelijke kansrijke landschappelijke elementen in de diepere ondergrond aanwezig. Vanaf circa 8000 jaar voor Christus moet er al een riviertak van de Rijn hebben gestroomd langs de zuidrand van het plangebied. Aardewerk en vuurstenen werktuigen uit het Neolithicum zijn aangetroffen tijdens het archeologisch onderzoek in het tracé van de Willemsspoortunnel, tussen 1988 en 1992. De spoortunnel volgt min of meer de benedenloop van de gedempte Rotte tussen Pompenburg en station Blaak, maar binnen het plangebied doorkruist de tunnel het gebied op de rechteroever van de benedenloop van de Rotte. De Oudehaven vormt het enige niet gedempte stuk van de benedenloop van de Rotte. De Leuve zou in aanleg een zijtakje van de Rotte kunnen zijn geweest. Het werkingsgebied van het bestemmingsplan 'Waterstad' maakte vanaf de latere prehistorie deel uit van een omvangrijk moerasgebied waar veenvorming plaats vond.
Bewoningssporen uit de periode van het begin van de moerasvorming, de Bronstijd (2000-800 voor Christus) zijn uit het plangebied niet bekend. De Rotte is als afwateringsriviertje van het veengebied vermoedelijk ook ontstaan in de late prehistorie, de IJzertijd (800 voor Christus - begin jaartelling). Vanaf de Romeinse tijd (begin jaartelling - 450) is er dicht bij de Rotte en langs de Nieuwe Maas klei op het veen afgezet. De oevers van de Rotte en de Nieuwe Maas waren aantrekkelijk voor bewoning. Bij archeologisch onderzoek in en dicht bij het plangebied zijn op de oevers vondsten en bewoningssporen ontdekt uit de IJzertijd (verspoeld materiaal), de Romeinse tijd (resten van een huis en een crematiegraf langs de Rotte, tegenover de Laurenskerk) en de Middeleeuwen (verspoeld materiaal uit 8e - 9e eeuw, bewoningssporen op diverse plekken uit de 10e -12e eeuw). De vondsten en sporen uit de 8e-12e eeuw kunnen gerelateerd worden aan de in 1028 en 1050 historisch vermelde nederzetting Rotte, die ook een kerk bezat. Binnen het werkingsgebied van het bestemmingsplan 'Waterstad' zijn tussen Blaak en Wijnhaven onder meer resten van een huiserf ontdekt en onder het Bolwerk delen van wat mogelijk een dijkje is uit de 11e eeuw. Deze prestedelijke nederzetting, die langs beide oevers van de benedenloop van de Rotte lag, is in de 12de eeuw verlaten na overstromingen.
In de 13e eeuw werd het overstroomde gebied door de aanleg van dijken van noord naar zuid stap voor stap weer bewoonbaar gemaakt. Op en langs de dijken concentreerde zich aanvankelijk een groot deel van de bebouwing. Langs de Maas kwam uiteindelijk rond 1270 een gesloten dijkfront tot stand, doordat de Rotte ter plaatse van de Hoogstraat werd afgedamd. De dam verbond de dijken van wat nu heet de Schiedamsedijk, de Korte Hoogstraat en de Oostzeedijk. Een klein deel van de Schiedamse dijk (die westelijker lag dan de huidige straat de Schiedamsedijk) bevindt zich in de noordwesthoek van het werkingsgebied van het bestemmingsplan 'Waterstad'. In de dam werd tussen 1270 en 1870 een complex uitwateringssluizen in stand gehouden, waarvan de resten nog gedeeltelijk in de bodem aanwezig zijn. De benedenloop van de Rotte bleef in de Middeleeuwen in onbedijkt gebied liggen. Rotterdam ontstond langs de dam (Hoogstraat) en langs twee straten parallel aan de binnenbedijkte Rotte (De Lombardstraat en De Oppert). In 1358 werd de stad al fors uitgebreid. De Blaak en de Nieuwehaven, aan de noordkant respectievelijk de noordoostkant van het werkingsgebied van het bestemmingsplan 'Waterstad', vormden gedurende de rest van de Middeleeuwen de zuidelijke grens van de stad. Een deel van de stadsmuur langs de Blaak is opgegraven en gereconstrueerd in het treinstation Blaak.
In het onbedijkte gebied lagen langs de zuidoever van de Blaak in de 16e en tot in het begin van de 17e eeuw onder meer een aantal scheepswerven. De grote opbloei van de stad kreeg vanaf de tweede helft van de 16e eeuw zijn beslag. Onder de bezielende leiding van Johan van Oldenbarnevelt werd vanaf 1576 de basis gelegd voor Rotterdam als
24
belangrijke havenstad. De stad breidde zich vanaf kort voor 1600 sterk uit richting de Nieuwe Maas. De ontwikkeling resulteerde in de zogenaamde “Waterstad” (met in 1832 circa 15 bruggen!) met een havenfront van meer dan een kilometer. Voor de aanleg van nieuwe havens, verdedigingswerken en de inrichting van het gebied ten zuiden van de Blaak werd op 8 september 1594 octrooi verleend door de Staten van Holland. De al iets eerder aangelegde, op een kaart uit 1584 zichtbare verdedigingswerken ter plaatse van de Wijnstraat (vermoedelijk een wal met borstwering en ervoor een gracht) werden in de nieuwe plannen alweer verlaten. Een deel van die verdedigingswerken is recentelijk archeologisch onderzocht op de locatie van het gebouw Wijnhaeve. Oostelijk daarvan, tussen Nieuwehaven en Haringvliet, werden in diezelfde periode tussen 1575 en 1593 al erven uitgegeven. Tussen 1598 en 1638 kreeg de complete inrichting met havens en verdedigingswerken en de ophoging, verkaveling en verkoop van erven langs de Schiedamse dijk en tussen Blaak en Maas zijn beslag. Vanaf de 17e eeuw vormde de waterstad het kloppend hart van de Rotterdamse scheepvaart-gerelateerde handelseconomie. In 1940 ging bij het bombardement alle bebouwing in het plangebied, met uitzondering van Het Witte Huis en enkele aangrenzende panden, verloren.
Bij de herinrichting van het gebied werden veel funderingen verwijderd, maar door de enorme ophogingen in het oorspronkelijk buitendijks gelegen gebied zijn vermoedelijk toch veel van de oudere bewoningssporen en vondsten in de ondergrond bewaard gebleven. Plangebied De gebouwen binnen het plangebied zijn tussen 1956 en 1963 ontworpen en gebouwd als kantoorgebouwen, c.q. bedrijfsgebouwen, naar ontwerp van het Rotterdamse architectenbureau W.J. Fiolet. Achtergrond van de ontwikkeling: van Waterstad naar Maritiem District In de jaren tachtig kwam een nieuwe visie op het gebied, door de introductie van hoogbouw. De stad zou meer kunnen worden gericht op de rivier, in plaats van zich er van af te wenden. Het in 1985 opgestelde plan voor de binnenstad omvatte reeds een opgave voor de realisatie van veel nieuwe woningen, kantoren en diverse recreatieve bestemmingen. In 2012 tekende het bureau van Kees Christiaanse (KCAP) een studie voor Wijnhaveneiland, waarbij op verschillende plaatsen op het Wijnhaveneiland torenbebouwing is aangegeven. Een van die plaatsen betreft het onderhavige gebouwenensemble. Vandaag de dag staat het gebied beter bekend als 'Maritiem District', een levendige gemixte stadswijk die definitief gestalte geeft aan de planontwikkelingen uit 1985 en 2012.
3.2
Huidig gebruik
Het Wijnhaveneiland en omgeving is door een transformatiestrategie de afgelopen jaren getransformeerd van een monofunctioneel kantorengebied, naar een gemengd gebied van wonen en werken. Verouderde kantoren hebben op het Wijnhaveneiland voor een groot deel plaats gemaakt voor diverse torens met een grotere mix aan functies, zoals de Waterstadtoren, Scheepmakerstoren, Harbour Village en Red Apple. Deze ontwikkelingen dragen bij aan het levendiger worden van de waterstad. Er is al meer leven in de plint van gebouwen en meer leven op straat dan voorheen. De transformatie van het gebied is echter nog niet geheel afgerond. Ter plaatse van de RIVA-locatie is de bestaande bebouwing in gebruik als onderkomen voor kleine bedrijvigheid op de verdiepingen en een meubelzaak op de begane grond. De bestaande bebouwing heeft een bouwhoogte van circa 20 meter.
25
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft het nieuwe bestemmingsplan RIVA. In paragraaf 4.2 worden de uitgangspunten van het plan beschreven, in paragraaf 4.3 de nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan ten opzichte van het oude bestemmingsplan en in paragraaf 4.4 wordt ingegaan op de juridische regeling.
4.2
Opzet van het plan
Het bestemmingsplan RIVA bouwt voort op het oude bestemmingsplan Waterstad uit 2015. Doel van het nieuwe bestemmingsplan is meer woningbouw en een groter bouwvolume mogelijk te maken dan het bestemmingsplan Waterstad toelaat. De bedoeling van dit nieuwe bestemmingsplan is, conform het bestemmingsplan Waterstad, het verder verlevendigen van de waterstad met woonfuncties, werkfuncties en voorzieningen, waardoor een gemengd en aantrekkelijke waterstad ontstaat.
4.3
Ontwikkelingen
Rondom de Wijnhaven en op het Wijnhaveneiland hebben de afgelopen 10 jaar grote ontwikkelingen plaatsgevonden. De ontwikkelingsruimte op basis van het oude plan is wat betreft het aantal woningen helemaal benut. Om de ingezette ontwikkeling van het gebied voor te kunnen zetten wordt in voorliggend bestemmingsplan de mogelijkheid geboden om binnen het plangebied maximaal 56 extra woningen te kunnen realiseren. Daarnaast worden met dit bestemmingsplan ook andere functies zoals sport, horeca, maatschappelijk en commerciëel mogelijk gemaakt. Het programma bestaat in de nieuwe situatie uit maximaal 7.800 m2 bvo aan wonen, maximaal 2.200 m2 bvo aan kantoor, 400 m2 bvo aan horeca, maatschappelijk, dienstverlening of een sportvoorziening of een combinatie hiervan die de 400 m2 niet zal overschrijden. Daarnaast wordt parkeergelegenheid gerealiseerd. In verband met de van toepassing zijnde cultuurhistorische waarde op deze locatie is het de intentie om het hoekpand van kavel 198, inclusief een zone van 4-5 meter van de gebouwconstructie erachter, te behouden. Verder worden de gevels van de nieuwbouw teruggebouwd in dezelfde ontwerptaal van de te slopen bestaande bebouwing.
4.4
Juridische planbeschrijving
In voorliggend bestemmingsplan is ervoor gekozen aan te sluiten bij de centrum functie uit het bestemmingsplan Waterstad. Het plangebied blijft dan ook zijn bestemming 'Centrum – 2 ' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde – Cultuurhistorie' behouden. 4.4.1
Centrum - 2
Het gehele plangebied krijgt de bestemming 'Centrum – 2 . De voor 'Centrum - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, kantoor, maatschappelijke voorzieningen, horeca, bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2 zoals opgenomen in de Staat van Bedrijfactiviteiten, sportvoorzieningen, dienstverleningen en (overige) commerciële functies. Binnen het plangebied is op in de huidige situatie de functie kantoor prominent aanwezig met in totaal ca. 4.000 m2 bvo. In dit bestemmingsplan is deze functie nog steeds mogelijk, maar wordt het aantal vierkante meters kantoor teruggebracht tot maximaal 2.200 m2 bvo. Maatschappelijke voorzieningen, niet zijnde geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen zoals een kinderdagverblijf, zorgcentrum, ziekenhuis, onderwijsgebouw en soort gelijke voorzieningen zijn mogelijk binnen het bestemmingsplan. Voor horeca wordt aangesloten bij het horecagebiedsplan 'Centrum' van de gemeente Rotterdam. In het
26
gebiedsplan wordt aangegeven dat voor het Wijnhavengebied categorie 1 wenselijk is. Categorie 1 wordt in het gebiedsplan als volgt gedefinieerd: geopend zijn van 07.00 uur of tot 23.00 uur een terras exploiteren van 07.00 tot 23.00 uur; en/of een gevelterras exploiteren van meer dan 3 m uit de gevel en/of een overterras tot 23.00 uur; en/of alcoholhoudende drank schenken; en/of in een straat gevestigd zijn waar vrijgesteld exploiteren door de burgemeester is uitgesloten. De horeca die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, sluit aan de bovenstaande definitie van categorie 1, waarbij enkel inpandig achtergrondmuziek is toegestaan. 4.4.2
Waarde - Archeologie 2
In de regels zijn ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Voor bepaalde werkzaamheden in de grond is een omgevingsvergunning nodig. Zie voor een beschrijving van de archeologische waarden artikel 4. 4.4.3
Waarde - Cultuurhistorie
In de regels zijn ter bescherming van de cultuurhistorische waarden in het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen. Voor beeldbepalende objecten geldt een sloopverbod met een tenzij regeling. Zie voor een beschrijving van de cultuurhistorische waarden artikel 5.
27
Hoofdstuk 5
Water
5.1
Beleidskader
5.1.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. 5.1.2
Provinciaal beleid
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3
Regionaal beleid
De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in het Wijnhavengebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.
28
5.3
Huidige watersysteem
5.3.1
Oppervlaktewater
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de directe omgeving is wel oppervlaktewater aanwezig. 5.3.2
Grondwater
Voor grondwater liggen er een aantal peilbuizen in het plangebied Waterstad. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uit de peilbuizen blijkt dat de ontwateringsdiepte in binnen Waterstad variëert tussen circa 2 meter en circa 3 meter. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte ruim lager is dan 80 centimeter is de kans op grondwateroverlast in het plangebied zeer gering. 5.3.3
Waterkering
Ter plaatse van de Boompjes ligt de primaire waterkering langs de Nieuwe Maas. De beschermingszone van deze waterkering eindigt aan de binnenzijde op de Hertekade.Deze primaire waterkering en de beschermingszones aan weerszijden daarvan hebben de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering' gekregen in het vigerende bestemmingsplan 'Waterstad'. Het plangebied is niet gelegen binnen een waterkering of de beschermingszone daarvan. Het plangebied RIVA ligt binnendijks, binnen de waterkering van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1/10.000 jaar. Dit houdt in dat deze kering bescherming biedt op een niveau waarbij de kans op overschrijding 1 op 10.000 is. De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. Uit deze berekening blijkt dat Waterstad bij een dijkdoorbraak (vanwege de relatief hoge ligging van het maaiveld t.o.v. N.A.P.) niet onder water komt te staan. 5.3.4
Riolering
Het plangebied valt binnen rioleringsdistrict 10 (W.M. Schurmannstraat). Langs de Scheepssmakerskade is er een gescheiden stelsel aanwezig, wat betekent dat alleen het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI) Kralingse Veer. Het schone hemelwater wordt afgevoerd naar de Scheepmakershaven.
5.4
De wateropgave
5.4.1
Oppervlaktewater
Kwantiteit De voorgenomen ontwikkeling bestaat voor een deel uit transformatie en voor een deel uit sloop nieuwbouw. Het plangebied is in de huidige en toekomstige situatie geheel verhard, er is geen sprake van een af- of toename aan verharding. Het Hoogheemraadschap voert gebiedsgerichte berekeningen uit bij een verhardingstoename groter dan 500 m2. Aangezien hier geen extra verharding plaatsvindt zijn deze berekeningen niet noodzakelijk en is watercompensatie niet van toepassing. Daarnaast is in de keur voor dit gebied geen verbod opgenomen om verharde oppervlakten van meer dan 500 m2 aan te brengen, waardoor een watervergunning ook niet noodzakelijk is. Kwaliteit Voor de materiaalkeuze bij nieuwbouw geldt dat verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen dient te worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit en dienen dus vermeden te worden op plaatsen die in contact kunnen komen met hemelwater.
29
5.4.2
Grondwater
Het ongewijzigde verharde oppervlak heeft geen invloed op de grondwaterstand. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden voor de afvoer van water direct naar het oppervlaktewater. Bovendien is op basis van het verkennend bodemonderzoek gebleken dat de grondwaterstand tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden waargenomen is op circa 1,8 m -mv. Het maaiveld bevindt zich op +2,58 m NAP. Hiermee is aanwezige ontwateringsdiepte ruim voldoende. 5.4.3
Waterkering en waterveiligheid
Waterveiligheid binnendijks Het plangebied ligt binnendijks, binnen de primaire waterkering van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1/4.000 of 1/10.000 per jaar. Uit berekeningen van provincie Zuid-Holland dat het plangebied bij een dijkdoorbraak (vanwege de relatief hoge ligging van het maaiveld t.o.v. N.A.P.) niet onder water komt te staan. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen de beschermingszone van de waterkering waardoor de beoogde bouwwerkzaamheden geen invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. 5.4.4
Riolering
Afvalwater Het bestemmingsplan maakt extra bebouwing mogelijk ten opzichte van de huidige situatie, hierdoor neemt de hoeveelheid afvalwater toe en daarmee ook de belasting van het rioleringssysteem. Aangezien er al veel bebouwing in het plangebied aanwezig is en de toename van bebouwing ten opzichte van de bestaande bebouwing relatief gering is, biedt het huidige rioleringssysteem naar verwachting voldoende capaciteit om de toename van afvalwater als gevolg van de nieuwbouw op te vangen. Hemelwater Binnen het plangebied zal het afvalwater gescheiden worden afgevoerd van het hemelwater. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, hetgeen de waterkwaliteit ten goede komt en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering. Het hemelwater zal zoveel mogelijk op eigen terrein worden vastgehouden. Zo zal in het kader van klimaatadaptatie een 50 mm van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op eigen terrein worden opgevangen en vertraagd worden afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal in 48 uur weer beschikbaar. Indien het lozen van hemelwater op oppervlaktewater wordt beoogd dient dit in overleg met het Hoogheemraadschap, als beheerder van het oppervlaktewater, plaats te vinden.
30
Hoofdstuk 6 6.1
Milieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieu effectrapportage
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.2.1
Plangebied
Het bestemmingsplan maakt 56 woningen (maximaal 7.800 m2 bvo), maximaal 2.200 m2 bvo aan kantoor, 400 m2 bvo aan horeca, maatschappelijk, dienstverlening of een sportvoorziening of een combinatie hiervan die de 400 m2 niet zal overschrijden, mogelijk. Daarnaast wordt parkeergelegenheid gerealiseerd. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.
31
Tabel 6.1 Relevant onderdeel D. Activiteiten, gevallen, plannen en besluiten ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is
Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Aangezien de ontwikkeling niet boven de drempelwaarde van 2.000 woningen dan wel 200.000 m2 of meer bvo is gelegen, ligt het totale plan onder de drempelwaarden, waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een planMER-plicht geldt (kolom 2). Op basis van de Europese regelgeving dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Doel van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is het toetsen of een plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting. Hieruit volgt dat er geen nadelige milieueffecten naar aanleiding van de ontwikkeling verwacht hoeven te worden. Het college heeft, tegelijk met het besluit tot vrijgave terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit Bijlage 2 genomen. Het besluit luidt dat er geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat er geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten zijn voor het milieu.
Dit bdelsuit is genomen op basis van onderstaande argumenten: Algemeen: Het betreft een klein stedelijk ontwikkelingsproject dat niet is gesitueerd op een gevoelig locatie qua natuur, cultuurhistorie of archeologie. Uit alle beschikbare informatie over onder andere lucht, geluid en natuur blijkt dat de milieugevolgen vanwege dit project beperkt zullen zijn. Lucht: De ontwikkeling zorgt voor een beperkte toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er is sprake van een “niet in betekende mate bijdragen” en er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Geluid: Er is maximaal categorie 1 horeca toegestaan op de plint. Het stemgeluid vanwege de horecaterrassen zal niet boven het bestaande omgevingsgeluid uitkomen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat geluidbelastingen ten gevolge van de gezoneerde wegen (Boompjes (S100), Blaak, André van der Louwbrug, en de Rederijstraat/Glashaven/Posthoornstraat) ten hoogste 43 dB bedraagt (incl. aftrek Wgh). Voor de wegen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het is niet noodzakelijk om voor de gezoneerde wegen hogere waarden aan te vragen. De geluidbelasting van de relevante niet-gezoneerde 30 km/uur-wegen (Wijnhaven en Scheepmakerskade) bedraagt ten hoogste 56 dB (excl. aftrek Wgh).
De gecumuleerde geluidbelasting van al het wegverkeer bedraagt ten hoogste 57 dB (excl. aftrek Wgh). De zuidoost georiënteerde gevels van de woningen zijn het meest geluidbelast (gecumuleerd overwegend 53 dB of hoger tot 57 vanwege de Scheepmakerskade). Op de overige gevels is de gecumuleerde geluidbelasting lager dan 53 dB. Het akoestisch leefklimaat vanwege het wegverkeer van de omgeving waarin de nieuwe woningen worden bestemd, mag worden gekwalificeerd als ‘goed’ en ‘redelijk’ tot ‘matig’. Natuur: Het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'de Biesbosch' ligt op circa 18 kilometer afstand van de projectlocatie. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de beoogde plannen geen stikstofdepositie veroorzaken dat groter is dan 0,00 mol/ha/jaar op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden en dat negatieve effecten daarmee zijn uitgesloten. Op 11 mei 2019 heeft een veldonderzoek plaastgevonden in het kader van flora en fauna, waar de beschermde soort vleermuis is aangetroffen. In december 2021 is een nader onderzoek uitgevoerd waarbij de de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis is aangetroffen. Voor de gewone dwergvleermuis is een ontheffing wet natuurbescherming onderdeel soortbescherming nodig. Deze is inmiddels aangevraagd. Als gevolg van het planvoornemen gaat een zomer-/paarverblijf van gewone dwergvleermuis verloren.
Het is noodzakelijk om zowel tijdelijke verblijven als definitieve verblijven in de nieuwbouw te realiseren. Een en ander dient nader uitgewerkt te worden in een activiteitenplan, wat als begeleidend stuk bij de ontheffingsaanvraag is gevoegd. Bodem: Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in zowel de boven als ondergrond licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK en/of minerale olie aanwezig zijn. Daarnaast is in het grondwater een licht verhoogde concentratie barium aangetoond, maar geven geen aanleiding tot
32
nader onderzoek of bodemsanering. Bezonning: Als gevolg van het plan kan er een vermindering ontstaan van de hoeveelheid zonen daglichttoetreding op omliggende woningen, overige gebouwen en buitenruimten. Uit het bezonningsonderzoek blijkt dat er wordt voldaan aan de hoogbouwvisie 2019. Wind: Voor de beoogde ontwikkeling is een onderzoek naar windhinder en windgevaar uitgevoerd. Hiertuit blijkt dat in en rondom het plangebied en op de beschouwde private buitenruimten geen risico is op windgevaar. Cumulatie: Er is voor zover bekend geen sprake van cumulatie van milieu-aspecten met andere projecten in de nabijheid. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit zal tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. 6.2.2
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan leidt niet tot significante negatieve effecten. Hierdoor wordt een nadere m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapportage niet zinvol geacht.
6.3
Milieuzonering
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De (huidige) VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. In gebieden met functiemenging wordt een andere systematiek gehanteerd en is vaak een combinatie van wonen en werken mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.
In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de Staat van Bedrijven (SvB) 'functiemenging' toegepast. In de Staat van Functiemenging worden vier categorieën onderscheiden met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid van de betreffende functies. Categorie A. Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Categorie B1. Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Categorie B2. Bedrijfsactiviteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig afgescheiden van woningen/andere gevoelige functies. Bouwkundig afgescheiden betekent dat de panden los van elkaar dienen te staan.
Uitzondering hierop vormen binnenterreinen omringd door voornamelijk woningen: ook al zijn bedrijven bouwkundig afgescheiden van woningen, op deze locaties zijn hooguit categorie B1 bedrijven toegestaan. Categorie C. Activiteiten genoemd onder categorie B2, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is.
33
6.3.1
Plangebied
Het plangebied is in de Rotterdamse systematiek aangeduid als stadscentrum. Op basis van het bestemmingsplan 'Waterstad' zijn bedrijven t/m milieucategorie 2 toegestaan. Deze functies hebben in een gemengd gebied een richtafstand van maximaal 10 meter. In het bestemmingsplan “Waterstad” is de milieucategorie van 3 naar 2 verlaagd, door de ingezette versterking van de woonfunctie met dat bestemmingsplan. In het bestemmingsplan bestaan woonfuncties naast bedrijfsactiviteiten. Dit wordt gezien als functiemenging. Dit is mogelijk, omdat de bedrijfsactiviteiten zo weinig milieubelastend zijn, waardoor de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn (categorie A en B van functiemenging). De beoogde ontwikkeling voorziet zelf in commerciële functies. Deze functies hebben tevens een maximale milieucategorie van 2 en zullen bouwkundig gescheiden worden woonfuncties, om nadelige effecten te voorkomen. Daarnaast wordt horeca tot maximaal categorie 1 toegestaan. Deze functie is eveneens bouwkundig gescheiden van woningbouw. Het betreft hier kleine horeca zoals een broodjeszaak/lunchroom maar geen natte horeca. Het terras zal slechts bestaan uit enkele tafeltjes (4 á 5) die tegen de gevel worden geplaatst waarbij het terras uiterlijk om 23.00 uur gesloten is. Aan elk tafeltje zitten maximaal 2 personen zodat bij 4 á 5 tafels maximaal 8-10 personen aanwezig kunnen zijn.
De geluidemissie van dit zeer geringe aantal personen gaat op in het aanwezige omgevingsgeluid en is als niet relevant te beschouwen voor zowel de toekomstige woningen als de huidig aanwezige woningen. In de directe omgeving is daarnaast eveneens geen horeca aanwezig met terrassen die tot een slecht woon- en leefklimaat leiden ter plaatse van de nieuwe appartementen. De beoogde ontwikkeling past binnen een levendige centrumomgeving en de voorgenomen functies kunnen naast elkaar bestaan. De bebouwing wordt voorzien van geluidswering,die is afgestemd op de geluidsbelasting in een centrumgebied. Verder is in het bestemmingsplan 'Waterstad' aangegeven dat bij het Havenmuseum, op de kade en in het water van de Leuvehaven, onderhoud en reparatie van schepen plaatsvindt. Op de Wolfshoek vindt bedrijfsmatige scheepsreparatie plaats. Bij de Koningspoort bevindt zich een scheepshelling. Voor een gemiddeld bedrijf in nieuwbouw en reparatie van schepen van metaal geldt een indicatieve afstand van 200 meter ten opzichte van een woongebied (bij schepen van hout is de indicatieve afstand 50 meter). De drie genoemde locaties liggen op een afstand van minimaal 250 meter van het plangebied RIVA, waardoor aan de richtafstand wordt voldaan. 6.3.2
Conclusie
In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan en aanwezige bedrijfsactiviteiten niet worden belemmerd. Daarnaast worden binnen het plangebied alleen bedrijfsactiviteiten toegestaan die zo weinig milieubelastend dat ze passen binnen het concept van functiemenging. Hierdoor wordt voorkomen dat woningen buiten het plangebied hinder ondervinden van deze bedrijfsactiviteiten.
6.4
Verkeer en parkeren
6.4.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Momenteel is de "Beleidsregeling Parkeernomen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" het geldende parkeerbeleid. Dit is vastgesteld door de Raad van de gemeente Rotterdam op 16 december 2021. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt getoetst aan de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeernormen. De
34
afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij: Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project. Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis De beleidsregels zijn van toepassing bij de beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning. 6.4.2
Plangebied
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een mobiliteitsonderzoek opgesteld op basis van het beoogde programma van een concreet bouwplan. Deze is opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting. In het mobiliteitsonderzoek wordt een vertaling gemaakt van het momenteel beoogde programma naar een passende, vraaggerichte parkeeroplossing voor auto's en fietsen. In de berekening wordt vooralsnog uitgegaan van 56 woningen, 1406,9 m2 bvo aan kantoor en 289,9 m2 bvo aan horeca. De parkeervoorziening betreft een inpandige parkeergarage verdeeld over 3 verdiepingen en wordt ontsloten via een autolift. Als basis voor het opstellen van de parkeerbalans zijn de parkeernormen uit de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022“ gehanteerd. De parkeerbehoefte is afhankelijk van de functies, stedelijkheidsgraad, bereikbaarheid, vrijstellingen en de ligging. RIVA ligt in hoog stedelijk gebied (ook wel zone A in de beleidsregeling parkeernormen). De parkeernormen worden aangepast naar aanleiding van de bijzondere vrijstelling die kunnen worden toegepast, zoals: ligging nabij een OV-halte, extra fietsparkeerruimte en gebruik van Mobility as a Sercive (MaaS). Nabijheid O.V.-stations 40% korting op de norm. Het project RIVA ligt binnen 400 meter van station Blaak. Extra fietsparkeerruimte 10% korting op de norm. Het project RIVA bevat 2 fietsparkeerplaatsen i.p.v.
1 autoparkeerplaats. Mobility as a Service (MaaS) 20 % op de norm. Het project RIVA wordt aangesloten op MaaS in de omgeving. Normatieve autoparkeerbehoefte De normatieve parkeerbehoefte bedraagt – met in acht name van de reducerende vrijstellingen uit de Beleidsregeling parkeernormen Rotterdam – in deze berekening totaal 17 parkeerplaatsen, welke op het terrein van de ontwikkeling gerealiseerd dienen te worden. Aantal parkeerplaatsen voor bewoners bedraagt 13,4 stuks. Aantal parkeerplaatsen voor de commerciële functies bedraagt 3,6 stuks. Maatgevende autoparkeerbehoefte Met de parkeerbalans wordt de (on)balans tussen parkeervraag en aanbod, binnen een bepaald gebied, berekend. Voor het project RIVA Rotterdam, met verschillende functies, valt de parkeervraag van de functies niet samen met de factor tijd. Gecombineerd gebruik is dan mogelijk zodat per saldo ook met een lager aantal parkeerplaatsen dan met het gestapelde normatieve aantal kan worden volstaan. De parkeervraagberekening is voor het project gemaakt op basis van de functies met de daarbij behorende parkeernormen en aanwezigheidspercentages op verschillende momenten van de week. De gelijktijdige of maatgevende parkeerbehoefte, op basis van de parkeernormen zoals weergegeven in de beleidsregeling parkeernormen van de gemeente Rotterdam, bedraagt 13 parkeerplaatsen.
In het plan worden 18 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee aan de normatieve en maatgevende behoefte wordt voldaan. Fietsparkeren Voor het fietsparkeren is gebruik gemaakt van de gelijkwaardigheidsregeling ten aanzien van het laten vervallen van de 'buiten de woning gelegen berging'. Bij niet-grondgebonden woningen mag ook 2,7 m² 'binnen de woning gelegen berging' en twee fietsparkeerplaatsen als gelijkwaardig worden gezien. Het
35
ontwerp en de opzet van dit project voldoen daarin aan de gelijkwaardigheidsregeling zoals gesteld in artikel 17 van Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022. Het ontwerp van de fietsenstalling, met 201 fietsparkeerplaatsen, is als volgt onderverdeeld conform de ontwerpeisen van bijlage 1 van Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022: 80% fietsenstalling met een h.o.h. van 400 mm. 15 % fietsenstalling met een h.o.h. van 500 mm. 5% afwijkende tweewielers afmetingen 1x2 meter. In de fietsenstallingsruimte worden voorzieningen getroffen voor oplaadmogelijkheden voor elektrische tweewielers. Op basis van het beoogde programma bedraagt de maatgevende fietsbehoefte 180 fietsparkeerplaatsen. Echter, aangezien er gebruik gemaakt wordt van de 10% reductie van de autoparkeernormen door het creëren van extra fietsparkeerruimte (zoals vermeld in punt 3 in de bijlage van "Beleidsregeling: Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018; Bijzondere vrijstellingen van de parkeereis 1") dient door de besparing van 5 autoparkeerplaatsen 10 extra fietsparkeerplaatsen te worden opgenomen. De maatgevende fiestbehoefte bedraagt hiermee 190. Er worden 201 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd waarmee voldaan wordt aan de maatgevende behoefte.
Verkeersgeneratie en ontsluiting Bij de berekening voor de gemiddelde werkdag is het totaal aantal mvt 237 minimaal en maximaal 325 mvt per etmaal. De piekbelasting in de ochtend en avond bedraagt maximaal 33 motorvoertuigen per piekuur. Verwacht wordt dat deze minimale toevoeging aan de autoverkeersbewegingen geen invloed heeft op een goede doorstroming van het verkeer op de aan- en afvoerwegen van het toekomstige project RIVA. De parkeervoorziening met 18 parkeerplaatsen is voor de genoemde functies integraal in het ontwerp opgenomen op de 1e ,2e, en 3e verdieping. De parkeervoorziening wordt voorzien van een ontsluiting vanaf de begane grond d.m.v. één autolift voor zowel in-als uitparkeren. De toegang vanaf de openbare weg (Bierstraat), gelegen op straatniveau, wordt voorzien van 1 in- en uitrit en wordt afgesloten door een speedgate of overheaddeur. Voor in-en uitrijden is een opstelruimte voorzien van ca. 5 meter en voldoet hiermee aan Nederlandse norm NEN 2443 van maart 2013 voor een verkeersveilige in-en uitrit. 6.4.3
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
6.5
Archeologie
6.5.1
Algemeen
Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het archeologische beleid van de gemeente Rotterdam is vastgelegd in de Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's) en de Archeologieverordening Rotterdam. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de
36
archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. 6.5.2
Plangebied
Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Rotterdam is te zien dat het plangebied een zeer hoge archeologische verwachting kent. Daarnaast kent het plangebied op grond van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Vanwege de archeologische verwachtingswaarde en de omvang van de ontwikkeling is een plantoets uitgevoerd door het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) d.d. 7 december 2021 (Bijlage 4 Archeologische plantoets). Uit de plantoets volgt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Echter zal wel in het deel van het plangebied waar puin aanwezig is, archeologische begeleiding uitgevoerd worden. Dit zal plaats vinden tijdens de bouwwerkzaamheden en leidt niet tot belemmeringen ten aanzien van de planologische procedure. 6.5.3
Conclusie
Het aspect archeologie is niet belemmerend voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
6.6
Cultuurhistorie
6.6.1
Algemeen
De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium. In het bestemmingsplan zijn geen nadere planologische regelingen opgenomen behoudens (indien aan de orde) de planologische bescherming die overeenkomstig de Erfgoedwet (2016) dient te rusten op een beschermd dorps- of stadsgezicht. Gemeente Rotterdam maakt onderscheid tussen de volgende gebieden en gebouwen: Beschermde stadsgezichten (BS) Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden die ouder zijn dan vijftig jaar. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen.