CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb005242] Bijlage 1 behorende bij 23bb5269 - Ontwerpbestemmingsplan RIVA

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 3 oktober 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting ontwerpbestemmingsplan Riva38.210 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

T

A

Onderwerp (Toets ja/nee? | Aanwezig ja/nee?) Veiligheid Is het terrein waarop de voorziening is gevestigd afgesloten? Als het niet is afgesloten, welke beveiligingsmaatregelen zijn er in en om het gebouw aanwezig? Zijn de plattegronden in het dossier aanwezig? Is het gebouw/zijn de gebouwen besloten, dus niet toegankelijk voor anderen dan medewerkers van de instelling? Zo niet: wie hebben nog meer toegang tot het gebouw? Worden alle gebruikers van het gebouw geregistreerd, zodat op enig moment bekend is wie gebruik maakten van het gebouw? Is er bij een incident vast te stellen wie in het gebouw waren? Welk registratiesysteem legt vast wie zich in het gebouw bevinden? Welke beveiligingsmaatregelen zijn er ten aanzien van het betreden van het laboratorium, specifiek t.a.v. de (iris-controle, sluis-draaideur) toegang tot het ingeperkte gebied? Wie hebben er allemaal toegang tot dit gebied? Is de procedure voor het verschaffen van toegang in het dossier aanwezig? Welk personeel wordt volgens welke procedure gescreend en door wie? Welke toeleveranciers vallen eveneens onder de screening? Welke personen of toeleveranciers zijn uitgezonderd van deze screening en waarom? Is de procedure toegang voor personeel in het dossier aanwezig? Justis biedt advies en screeningsmogelijkheden.

T

A

Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

12

Welke beveiligingsmaatregelen zijn er nodig en welke zijn noodzakelijk ten aanzien van de toegankelijkheid van het terrein en het gebouw aanwezig of dienen nog getroffen te worden? Is het advies t.a.v. de verbetering van de beveiliging en welke maatregelen zijn noodzakelijk om te worden getroffen aanwezig in het dossier? Hoe vindt de selectie plaats van transporteurs? Wat is het protocol voor incidenten tijdens transport, met name ook waar wet- en regelgeving onduidelijk of onvolledig is, b.v. het lopend transport tussen vervoermiddel en het laboratorium? Zijn deze protocollen in het dossier aanwezig? Hoe is de beveiliging praktisch ingericht? Is er gecompartimenteerd (ringensysteem)? Uiteraard met slechts toegang voor een beperkte groep die met een irisscan of vingerafdruk binnen komen in de binnenste ring met het hoogste inperkingsniveau. Is er een schil om het gebouw waarbinnen zich het laboratorium bevindt? Als er virussen ontsnappen, dan zijn in de eerste plaats alle gebruikers van het gebouw verdacht drager te zijn. Die tweede schil zou vrijwel direct na een alarm automatisch moeten sluiten. Er moet een goede registratie zijn van alle gebruikers van het gebouw en hun bezoekers. Daarnaast dient een procedure uitgewerkt te worden voor het acteren onder dwang, b.v. dat er met andere toegangscodes wordt gewerkt in een dergelijke situatie, als manier van alarmering.

Zijn de procedures en protocollen t.a.v. bovenstaande processen in het dossier aanwezig? Welke maatregelen zijn wenselijk en welke maatregelen dienen zeker nog getroffen te worden t.a.v. de veiligheid en toegankelijkheid van het gebouw en de voorzieningen? Onderwerp (Toetsbaar ja/nee? | Aanwezig ja/nee?) Gebouwkenmerken Welke risico’s zijn er op dit object bij brand? Welke verschillende scenario’s t.a.v. brand zijn uitgewerkt? Is deze scenario-analyse in het dossier aanwezig? Kunnen er/zijn er gebouwtechnische/constructieve aanpassingen mogelijk om een reductie van de verspreiding van risico te realiseren? Is de inventarisaties daarvan en het advies daarover aanwezig in het dossier? Hoe en door wie zijn risico’s in kaart gebracht? Welke rapportages zijn beschikbaar? Welke maatregelen zijn wenselijk en welke maatregelen dienen zeker nog getroffen te worden t.a.v. de fysieke voorziening van vestiging?

T

A

Onderwerp (Toetsbaar ja/nee? | Aanwezig ja/nee?) Toegankelijkheid en bereikbaarheid Wat is de (voorgenomen) locatie van het lab? Is dit landelijk (bos, akkerbouw, veeteelt), dicht of beperkte verstedelijkt gebied of anders (water/natuurgebied etc)? Hoe goed is deze locatie bereikbaar voor hulpdiensten? Denk aan toegangswegen (ook in de spits), omstandigheden bij slecht weer, aanrijtijden, aanwezigheid van meerdere corpsen in de buurt. Is de afstemming met de brandweer uitgevoerd en is dit gedocumenteerd? Hoe is de toegankelijkheid op het terrein? Zijn er meerdere gebouwen, kunnen hulpdiensten makkelijk het gebouw waarin zich het laboratorium bevindt bereiken? Zijn de plattegronden aanwezig? Hoe toegankelijk is het gebouw? Zijn er meerdere etages? Als er meerdere etages zijn, is het mogelijk om deze makkelijk te bereiken? Zijn er liften? Zijn deze liften specifiek bedoeld voor het lab, of worden deze voor meerdere doelen gebruikt? Zijn de plattegronden aanwezig? Kan de omgeving, het terrein en het gebouw eenvoudig worden afgezet in het geval van een situatie/calamiteit? Wat is de impact van een eventuele afzetting van het terrein? Is dit opgenomen in het incidentbestrijdingsplan van deze locatie (van de instelling of de hulpdiensten)?

T

A

Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

13

Is het mogelijk op de locatie direct in de directe omgeving een opstelplaats in te richten voor de hulpverleners, met een aan-en afvoerroute? De opstelplaats ligt ruim buiten de tweede ring. Zijn de plattegronden hiervan in het dossier aanwezig? Is het mogelijk op locatie mensen in afzondering te plaatsen en te behandelen binnen het gebouw of in de directe omgeving, in afwachting van externe advisering en om verdere mogelijk besmetting te voorkomen? Is deze procedure vastgelegd in het incidentbestrijdingsplan? Wat zijn eventuele beperkingen voor hulpdiensten voortkomend uit de locatie en het gebouw waarin het laboratorium gevestigd is? Waar is vastgelegd welke maatregelen nodig en mogelijk zijn om met deze omstandigheid om te gaan? Wat is de aanrijtijd naar een specialistisch ziekenhuis? Wat is het gevolg van de afzetting van de omgeving, als dat bij een incident, calamiteit of ongeval nodig blijkt te zijn? In welk incidentbestrijdingsplan is dit vastgelegd? Dienen afspraken voor het handelen bij calamiteiten of incidenten met buren vooraf gemaakt worden, zodat deze hierop eveneens voorbereid zijn en adequaat kunnen handelen in die situaties? Waar zijn deze afspraken vastgelegd? Welke maatregelen zijn noodzakelijk teneinde een minimale bereikbaarheid van de locatie te borgen? Welke maatregelen dienen getroffen te worden om het laboratorium op het terrein voldoende goed en snel

te kunnen bereiken? Op welke manier kunnen eventuele knelpunten voor de opvang en het vervoer van slachtoffers worden weggenomen? Onderwerp (Toetsbaar ja/nee? | Aanwezig ja/nee?) Omgeving. Welke interactie is er met de omgeving mogelijk of waarmee rekening gehouden dient te worden? Zijn er andere mensen die toegang hebben tot het terrein, welke personen hebben toegang en hoeveel personen kunnen (maximaal) op het terrein verkeren? Hoe is dit vastgesteld? Is het gebouw waarin het lab gevestigd is publiek toegankelijk? En zo ja, welke personen hebben toegang en hoeveel personen kunnen in het gebouw verkeren? Is het mogelijk, in het geval van een calamiteit en ongeval, het terrein direct te betreden of dienen hiertoe werkinstructies van de instelling te worden bijgesteld? Welke effecten op de externe omgeving kunnen worden verwacht in het geval van: - brand of explosie in het laboratorium? - Technisch falen van installaties? - Impact van een extern object op het laboratorium? Is deze analyse in het dossier aanwezig? Is er een effect te verwachten op de omgeving door de nabije aanwezigheid van: - andere gebruikers van het gebouw - andere gebruikers van het terrein - woningen - bedrijven - haven - wegen - spoor (goederen/passagiers) - dieren (vee, concentraties van vogels, al dan niet in de vee-industrie) en zo ja, welk effect? Is deze effectanalyse in het dossier aanwezig? Welke

maatregelen dienen getroffen te worden om de impact op de omgeving zo ver mogelijk te beperken? Dit gaat verder dan de maatregelen die al zijn getroffen uit hoofde van biosafety (zie Kwaliteit van werken) en richten zich (uitsluitend) op de effecten buiten het laboratorium wanneer er (mogelijk) een virus/bacteriën buiten het lab terecht komen. Is de analyse van deze impactanalyse en de voorgestelde/getroffen maatregelen in het dossier aanwezig? Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

T

A

14

Wat is er geregeld rondom transport? Met name t.a.v. het transport binnen een inrichting (dus tussen vervoersmiddel en ruimten binnen de barrière? Door wie wordt dit uitgevoerd? Is er een protocol t.a.v. het transport en in het geval van een incident? Hoe is de beveiliging georganiseerd hiervan? Waar is dit vastgelegd en zijn de protocollen in het dossier aanwezig? Welke maatregelen zijn wenselijk en welke maatregelen dienen zeker nog getroffen te worden en/of voorzieningen te worden gerealiseerd ten aanzien van de omgevingseffecten die kunnen voortkomen uit de vestiging van het laboratorium?

Onderwerp (Toetsbaar ja/nee? | Aanwezig ja/nee?) Samenwerking. Hierbij gaat het om afstemming in de voorfase (gezamenlijk optrekken bij het opstellen van de risicoanalyses) als de samenwerking met de Lokaal Publiek Bestuur ten aanzien van planvorming (locatie-specifieke draaiboeken), OTO (ook op locatie), periodiek overleg en afstemming over nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van veiligheid. Aansluiting van de werkprocessen van de instelling op de mogelijkheden van de hulpdiensten voor veilig werken binnen afgesproken grenzen. Periodiek wordt vastgesteld of aan de voorwaarden zoals gesteld voorafgaand aan het proces nog steeds wordt gedaan en of het nodig is documentatie te vernieuwen. Is er een samenwerking met de instelling of is er het commitment afgegeven door de instelling om samen te werken aan: - het beperken van risico’s zoals hiervoor beschreven - het opstellen van een locatie-specifiek draaiboek voor ongevallen- en rampenbestrijding - het mogelijk maken en deelname aan OTO, voor de start en periodiek - het up-to-date houden van en de uitwisseling van kennis wederzijds t.a.v.

risico’s en risico-beperkende maatregelen Zijn werkprocessen intern afgestemd op de mogelijkheden van hulpverleningsdiensten in de situaties dat inzet van hen wordt verwacht? Zijn de afspraken duidelijk over hoe de verantwoordelijken met voldoende inhoudelijke kennis van zaken binnen de instelling kan worden bereikt in het geval van een calamiteit? Is bereikbaarheid 7 x 24 uur geborgd en wat zijn de afspraken over beschikbaarheid wanneer zich medewerkers in het lab bevinden? Zijn deze gegevens verwerkt in het locatiespecifieke incidentbestrijdingsplan? Is er een afspraak met de arts IZ van de GGD om meldingen aan Bureau GGO ook door te geven aan de GGD, zodat deze op de hoogte is van een incident? Waar is dit vastgelegd en hoe is deze procedure geborgd? Zijn er voldoende en voldoende heldere werkafspraken over het handelingsperspectief ten zijde van een ongeval, incident of calamiteit wat betreft de aanwezigheid van een bevoegd en deskundig adviseur (BVF)? Randvoorwaardelijk is die aanwezigheid om repressief binnen de barrière te kunnen optreden.

Zijn de werkafspraken in het dossier opgenomen? Aan welke randvoorwaarden in de samenwerking is nog niet voldaan zoals hiervoor benoemd, waardoor er nog voldoende sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid ten aanzien van risicobeheersing en een voldoende voorbereiding voor risicobeperking en effectbestrijding in het geval er een ongeval of calamiteit is binnen het lab? Welke interne werkprocessen dienen nog verder te worden afgestemd wil er voldoende duidelijkheid zijn over rollen, taken, verantwoordelijkheden en afstemming met de Veiligheidsrisico?

Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

T

A

15

3. Vergunningaanvraag en –verlening Pas nadat uit voorgaande toetsing door de VRR een positief advies komt op basis van de weging van eventuele risico’s, het vaststellen van risico-beperkende maatregelen die worden doorgevoerd, is het wenselijk dat er een vergunning wordt aangevraagd, waaraan het positieve advies kan worden toegevoegd. Via bestuurlijk en ambtelijk overleg met de instelling zal gewerkt worden aan het bereiken van samenwerking op het niveau dat het verlenen van de vergunning inhoudelijk en bestuurlijk gedragen is, en risico’s op alle mogelijke manier is geborgd. Weegt en beoordeelt de instelling de risico’s van het hoog-risico laboratorium anders dan de betrokken ambtenaren, of is de instelling niet voornemens de risico-beperkende maatregelen dor te voeren of de beoogde locatie te wijzigen, dan is een bestuurlijke advies geïndiceerd. De eerste inzet zal zijn om op bestuurlijk niveau met de organisatie te overleggen om de knelpunten te bespreken, uiteraard met als doel de ruimte voor de bijstelling van de instelling in de goede richting te bewegen. De bestuurlijke kracht zal maximaal worden ingezet om tot een betere, zo niet de beste uitkomst te komen voor de publieke gezondheid en veiligheid. 4. Voorbereidingsfase voorafgaand aan operationeel worden Dit richt zich op het operationaliseren van de in het toetsingskader genoemde onderdelen, namelijk: 1.

Periodiek overleg over de voortgang van de bouw en validatie van de nieuwe voorziening; 2. Het treffen van risico-beperkende maatregelen in aanvulling op de voorzieningen in het lab (met name gericht op de omgeving en veiligheid waaronder de screening van personeel en toeleveranciers); 3. Opstellen locatie-specifiek draaiboek en OTO op dit draaiboek; 4. Het vaststellen of de in het toetsingskader genoemde onderdelen, maatregelen, opgestelde protocollen en procedures ook worden of zijn uitgevoerd en of documentatie is aangeleverd en of deze up-to-date is. 5. Lopende operatie Belangrijkste aandachtspunten: 1. Regelmatig contact ten aanzien van reguliere werkzaamheden en bijzonderheden. 2. OTO gericht op de operatie en mogelijk ook fysiek op de locatie voor medewerkers die aldaar moeten optreden in het geval van een oproep. 3. Onderhoud draaiboeken. 4. Toetsing van de aansluiting van werkprocessen van de instelling en de hulpdiensten en het draaiboek. 5. Vaststellen of onderdelen uit het Toetsingskader nog steeds actueel zijn en bij wijzigingen in afstemming met hulpdiensten zijn aangepast.

Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

16

Bijlage 3 Vaststelling Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria Aldus vastgesteld in de vergadering van het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio RotterdamRijnmond op 14 december 2015. Het Algemeen Bestuur

Namens deze, ing. A. Aboutaleb Voorzitter Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

17

Bedrijfsactiviteiten obv VNG-lijst 2009

SBI-1993

cat 1 t/m 2

Bestemmingsplan xx 1 / 3

OMSCHRIJVING

SBI-2008

AFSTANDEN IN METERS

INDICES

-

10, 11

-

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN

1551

1051

0

Zuivelproducten fabrieken:

1552

1052

2

- consumptie-ijsfabrieken: productieoppervlak <= 200 m²

1581

1071

0

Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen:

1581

1071

1

- verdampingscapaciteit < 7.500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens

1584

10821

0

Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk:

1584

10821

3

- cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken, productieoppervlak <= 200 m²

30

10

30

10

30

2

1 G

1

1584

10821 1102 t/m 1104

6

- suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: productieoppervlak <= 200 m²

30

10

30

10

30

2

1 G

1

Vervaardiging van wijn, cider e.d.

10

0

30 C

0

30

2

1 G

1

-

18

14 14

182

141

10

10

30

10

30

2

2 G

2

10

10

30

0

30

2

1 G

1

1593 t/m 1595 18

20

-

10

0

30

0

30

2

1 G

1

30

10

30 C

10

30

2

1 G

1

LUCHT

10, 11

15

BODEM

VISUEEL

VERKEER

CATEGORIE

GROOTSTE AFSTAND

GEVAAR

GELUID

STOF

GEUR

nummer

aangepast planmer

-

15

VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT Vervaardiging van kleding en kledingtoebehoren (excl. van leer)

-

HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D.

20

16

205

162902

22

58

-

22

58

-

2222.6

18129

Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

10

0

30

0

30

2

1 P

1

2223

1814

A

Grafische afwerking

0

0

10

0

10

1

1 G

1

2223

1814

B

Binderijen

30

0

30

0

30

2

2 G

1

2224

1813

Grafische reproductie en zetten

30

0

10

10

30

2

2 G

1

B

2225

1814

Overige grafische activiteiten

30

0

30

10

30 D

2

2 G

1

B

223

182

Reproductiebedrijven opgenomen media

0

0

10

0

10

1

1 G

1

24

20

24

20

-

VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUCTEN

2442

2120

0

Farmaceutische productenfabrieken:

2442

2120

2

- verbandmiddelenfabrieken

10

10

30

10

30

2

2 G

1

26

23

-

26

23

-

VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUCTEN

262, 263

232, 234

0

Aardewerkfabrieken:

262, 263

232, 234

1

- vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW

10

10

30

10

30

2

1 G

1

30

26, 28, 33

-

30

26, 28, 33

-

VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS

30

26, 28, 33

A

Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie

30

10

30

10

30

2

1 G

1

31

26, 27, 33

-

31

26, 27, 33

-

316

293

30

10

30

10

30

2

1 G

1

33

26, 32, 33

33

26, 32, 33

-

VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN

33

26, 32, 33

A

Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie

30

0

30

0

30

2

1 G

1

36

31

-

Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUCTIE VAN OPGENOMEN MEDIA

B

-

VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDH. Elektrotechnische industrie niet elders genoemd

-

L

63 64 105 114 131 132 138 141 145 167 187 188 190 197 198 210 223 224 228 229 230 231 232 233 242 243 271 273 298 299 307 308 439 440 441 442 443 449 455 456 457 490

Bedrijfsactiviteiten obv VNG-lijst 2009

cat 1 t/m 2

Bestemmingsplan xx 2 / 3

36

31

-

VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN niet elders genoemd

361

9524

2

Meubelstoffeerderijen bedrijfsoppervlak < 200 m²

0

10

10

0

10

1

1 P

1

362

321

Fabricage van munten, sieraden e.d.

30

10

10

10

30

2

1 G

1

363

322

Muziekinstrumentenfabrieken

30

10

30

10

30

2

2 G

2

3663.1

32991

Sociale werkvoorziening

0

30

30

0

30

2

1 P

1

40

35

40

35

-

PRODUCTIE EN DISTRIBUTIE VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER

40

35

C0

Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:

40

35

C1

- < 10 MVA

0

0

30 C

10

30

2

1 P

1

40

35

D0

Gasdistributiebedrijven:

40

35

D3

- gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. cat. A

0

0

10 C

10

10

1

1 P

1

40

35

D4

- gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C

0

0

30 C

10

30

2

1 P

1

40

35

E0

Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt:

40

35

E2

- blokverwarming

10

0

30 C

10

30

2

1 P

1

41

36

-

41

36

-

WINNING EN DISTRIBUTIE VAN WATER

41

36

B0

Waterdistributiebedrijven met pompvermogen:

41

36

B1

- < 1 MW

0

0

30 C

10

30

2

1 P

1

45

41, 42, 43

-

45

41, 42, 43

-

BOUWNIJVERHEID

45

41, 42, 43

3

- aannemersbedrijven met werkplaats: bedrijfsoppervlak< 1000 m²

0

10

30

10

30

2

1 G

1

50

45, 47

-

50

45, 47

-

HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS

5020.4

45204

B

Autobeklederijen

0

0

10

10

10

1

1 G

1

5020.5

45205

Autowasserijen

10

0

30

0

30

2

3 P

1

503, 504

453

Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires

0

0

30

10

30

2

1 P

1

51

46

-

51

46

-

5122

4622

Grth in bloemen en planten

10

10

30

0

30

2

2 G

5134

4634

Grth in dranken

0

0

30

0

30

2

2 G

1

5135

4635

Grth in tabaksproducten

10

0

30

0

30

2

2 G

1

5136

4636

Grth in suiker, chocolade en suikerwerk

10

10

30

0

30

2

2 G

1

5137

4637

Grth in koffie, thee, cacao en specerijen

30

10

30

0

30

2

2 G

1

5138, 5139

4638, 4639

Grth in overige voedings- en genotmiddelen

10

10

30

10

30

2

2 G

1

514

464, 46733

Grth in overige consumentenartikelen

10

10

30

10

30

2

2 G

1

5153

4673

0

Grth in hout en bouwmaterialen:

5153

4673

2

- algemeen: bedrijfsoppervlak <= 2000 m²

0

10

30

10

30

2

1 G

1

5153.4

46735

4

zand en grind:

5153.4

46735

6

- algemeen: bedrijfsoppervlak <= 200 m²

0

10

30

0

30

2

1 G

1

5154

4674

0

Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur:

5154

4674

2

- algemeen: bedrijfsoppervlak < = 2.000 m²

0

0

30

0

30

2

1 G

1

5155.2

46752

Grth in kunstmeststoffen

30

30

30

30 R

30

2

1 G

1

5156

4676

Grth in overige intermediaire goederen

10

10

30

10

30

2

2 G

2

B

-

GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING 1

B

B

491 493 494 495 498 508 509 519 520 525 528 529 531 534 539 540 545 546 549 550 554 555 556 560 562 563

568 569 573 578 579 580 581 582 583

604 606 607 609 610 612 614 615

Bedrijfsactiviteiten obv VNG-lijst 2009

cat 1 t/m 2

Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.

Bestemmingsplan xx 3 / 3

519

466, 469

52

47

-

0

0

30

0

30

2

2 G

1

52

47

-

527

952

55

55

-

0

0

10

10

10

1

1 P

1

55

55

-

5551

5629

5552

562

Kantines

10

0

10 C

10

10 D

1

1 P

1

Cateringbedrijven

10

0

30 C

10

30

2

1 G/P 1

60

49

-

60

49

-

6022

493

603

495

Taxibedrijven

0

0

30 C

0

30

2

2 P

1

Pomp- en compressorstations van pijpleidingen

0

0

30 C

10

30 D

2

1 P

1

63

52

63

52

-

DIENSTVERLENING T.B.V. HET VERVOER

6312

52109

B

Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)

0

0

30 C

10

30

2

2 G

1

64

64

-

64

53

-

641

531, 532

Post- en koeriersdiensten

0

0

30 C

0

30

2

2 P

1

642

61

A

Telecommunicatiebedrijven

0

0

10 C

0

10

1

1 P

1

642

61

B0

zendinstallaties:

642

61

B2

- FM en TV

0

0

0 C

10

10

1

1 P

2

642

61

B3

- GSM en UMTS-steunzenders (indien bouwvergunningplichtig)

0

0

0 C

10

10

1

1 P

2

71

77

-

71

77

-

711

7711

Personenautoverhuurbedrijven

10

0

30

10

30

2

2 P

1

714

772

Verhuurbedrijven voor roerende goederen niet elders genoemd

10

10

30

10

30 D

2

2 G

2

72

62

72

62

-

COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE

72

62

A

Computerservice- en informatietechnologie-bureaus e.d.

0

0

10

0

10

1

1 P

1

72

B

Datacentra

0

0

30 C

0

30

2

1 P

1

74

58, 63 77, 78, 80tm82

74

77, 78, 80tm82

-

7481.3

74203

Foto- en filmontwikkelcentrales

10

0

30 C

10

30

2

2 G

1

7484.4

82992

Veilingen voor huisraad, kunst e.d.

0

0

10

0

10

1

2 P

1

90

37, 38, 39

90

37, 38, 39

-

MILIEUDIENSTVERLENING

9001

3700

B

rioolgemalen

30

0

10 C

0

30

2

1 P

1

9002.2

382

A0

Afvalverwerkingsbedrijven:

9002.2

382

A7

- verwerking fotochemisch en galvano-afval

10

10

30

30 R

30

2

1 G

1

93

93

-

623 624 625 634 635 636 642 643 644 645 650 654 658 659 685

DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen) LOGIES-, MAALTIJDEN- EN DRANKENVERSTREKKING

VERVOER OVER LAND B

-

POST EN TELECOMMUNICATIE

VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN

-

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING B

-

B

L

693 694 695 696 697 699 700 707 708 709 712 713 714 715 716 721 722 725 727 744 745 751 755 763 822

RIVA

Inhoudsopgave Toelichting

Toelichting

5

Hoofdstuk1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Gekozen planopzet

5

1.3

Ligging en begrenzing

5

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

7

Beleid

9

2.1

Rijksbeleid

9

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

11

2.3

Gemeentelijk beleid

18

Beschrijving van het plangebied

24

3.1

Ontstaansgeschiedenis

24

3.2

Huidig gebruik

25

Planbeschrijving

26

4.1

Inleiding

26

4.2

Opzet van het plan

26

4.3

Ontwikkelingen

26

4.4

Juridische planbeschrijving

26

Water

28

5.1

Beleidskader

28

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

28

5.3

Huidige watersysteem

29

5.4

De wateropgave

29

Hoofdstuk6

Milieu

31

6.1

Inleiding

31

6.2

Milieu effectrapportage

31

6.3

Milieuzonering

33

6.4

Verkeer en parkeren

34

6.5

Archeologie

36

6.6

Cultuurhistorie

37

6.7

Geluid

40

6.8

Luchtkwaliteit

42

6.9

Bodem

44

6.10

Externe veiligheid

45

Hoofdstuk2

Hoofdstuk3

Hoofdstuk4

Hoofdstuk5

2

6.11

Natuur

48

6.12

Bezonning

52

6.13

Windhinder

53

6.14

Duurzaamheid

54

Hoofdstuk7

Handhaving

57

Hoofdstuk8

Financiële uitvoerbaarheid

58

Hoofdstuk9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

59

9.1

Participatie

59

9.2

Vooroverleg

59

Bijlagen Bijlage 1

Vormvrije aanmeldnotitie m.e.r.

Bijlage 2

M.e.r.-beoordelingsbesluit

Bijlage 3

Parkeerbalans verkeersgeneratie RIVA

Bijlage 4

Archeologische plantoets

Bijlage 5

Akoestischonderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 6

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 7

Stikstof rapportage RIVA

Bijlage 8

Ecologische quickscan

Bijlage 9

Nader onderzoek vleermuizen

Bijlage 10

Bezonningsonderzoek

Bijlage 11

Windhinderonderzoek

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Stebru is voornemens om de bebouwing aan de Scheepmakershaven 27, 28 en 29 en Bierstraat 12, 14, 16 en 18 te Rotterdam te herontwikkelen naar woningbouw, kantoor en commerciële functies onder de naam RIVA. Hiertoe wordt een groot deel van de bestaande bebouwing gesloopt. De intentie is om het hoekpand van kavel 198, inclusief een zone van 4-5 meter van de gebouwconstructie erachter, te behouden. De gesloopte gevels worden in dezelfde ontwerptaal nieuw teruggebouwd. De voorgenomen ontwikkeling behelst een gebouw van 20 bovengrondse bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 67 meter. In het gebouw worden woningen, kantoorruimten en een commerciële plint gerealiseerd. Daarnaast wordt in 4 bouwlagen parkeergelegenheid gerealiseerd, eerste tot en met de derde verdieping autoparkeren en fietsparkeren op de begane grond. Het beoogde plan is niet passend binnen het geldende bestemmingsplan 'Waterstad', daarom is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Gekozen planopzet

1.2

Gekozen planopzet

Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012). In het nieuwe bestemmingsplan RIVA is gekozen om zo veel mogelijk aan te sluiten bij het geldende bestemmingsplan Waterstad. Het bestemmingsplan Waterstad is flexibel en ontwikkelend van opzet, gericht op de transformatie van het Wijnhaveneiland en omgeving. Aangezien de transformatie grenzen in het plan zijn behaald, wat betreft het aantal woningen, maar de transformatiedoelstellingen van het Wijnhaveneiland en omgeving verder reiken is een nieuw bestemmingsplan nodig om ter plaatse van RIVA de woningbouwambities in het gebied te behalen.

1.3

Ligging en begrenzing

Het plangebied bevindt zich op het Wijnhaveneiland in het Maritiem District Rotterdam. Dit is gelegen in de Stadsdriehoek van Rotterdam. De Stadsdriehoek is grofweg de rechterhelft van het centrum van Rotterdam. Kadastraal staat het plangebied bekend als: 198 en 62, sectie AH van de kadastrale gemeente Rotterdam (gemeentecode: RTD04). In figuren 1.1 en 1.2 zijn luchtfoto's opgenomen waarin het plangebied is weergegeven.

5

Figuur 1.1 Luchtfoto plangebied (bron: QGIS eigen bewerking)

Figuur 1.2.Luchtfoto plangebied (bron: QGIS eigen bewerking)

6

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende bestemmingsplannen geldend: Waterstad (vastgesteld op 4 juni 2015 door de gemeenteraad van Rotterdam); Parapluherziening parkeernormering Rotterdam (vastgesteld op 14 december 2017 door de gemeenteraad van Rotterdam); Parapluherziening biologische veiligheid (vastgesteld op 14 juni 2018 door de gemeenteraad van Rotterdam). Verder is op 3 februari 2022 het voorbereidingsbesluit "Flitsbezorgsupermarkten met ‘dark stores’" vastgesteld. Met het voorbereidingsbesluit wordt bepaald dat het voor het gehele grondgebied van Rotterdam verboden is om het gebruik van gronden en/of bouwwerken, of gedeelten daarvan, zoals dit bestond op het moment van inwerkingtreding van dit besluit, te wijzigen naar: vormen of vestigingen van detailhandel die blijkens hun reclame-uiting, presentatie, assortiment en/of bedrijfsvoering zijn te kwalificeren als flitsbezorgsupermarkt met dark store. Dit is niet relevant voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat geen dark store voor flitsbezorgsupermarkten worden gerealiseerd met dit plan.

Waterstad Op basis van het bestemmingsplan 'Waterstad' hebben de gronden de enkelbestemming 'Centrum – 2' met de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 2' en 'Waarde – Cultuurhistorie'. De gronden mogen volledig bebouwd worden, gezien het ontbreken van een bouwvlak en een maximum bebouwingspercentage. Figuur 1.3 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij “Waterstad”.

Figuur 1.3. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Waterstad" (bron: QGIS eigen bewerking)

In de 'Centrum – 2' bestemming zijn in beginsel woningen toegestaan, echter staat in artikel 4.2.4 van het bestemmingsplan opgenomen dat in de bestemmingen 'Centrum - 1', 'Centrum - 2', 'Centrum - 3' en

7

'Centrum - 4' vanaf het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gezamenlijk maximaal 800 woningen worden mogen toegevoegd. Dit maximum aantal woningen is bereikt, waardoor het toevoegen van extra woningen leidt tot een planologische strijdigheid. Dit bestemmingsplan biedt een nieuw planologisch kader waarbinnen extra woningen mogelijk worden gemaakt. Daarnaast wordt de bebouwingsnorm overschreden waarin gesteld wordt dat boven de bouwhoogte van 9 meter, 22 m3 per m2 bouwperceel-grondoppervlakte mag worden toegevoegd. De beoogde horeca op de begane grond en de commerciële functies op de eerste vier verdiepingen zijn op grond van het huidig planologisch kader toegestaan, waardoor in de toelichting van dit bestemmingsplan de nadruk komt te liggen op bovengenoemde planologische strijdigheden. In het bestemmingsplan is tevens gekeken hoe de nieuwe woonfunctie zich verhoudt tot de reeds toegestane functies en vice verse.

8

Hoofdstuk 2

Beleid

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Vastgesteld op 11 september 2020 Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

Figuur 2.1. Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Drie afwegingsprincipes Het doel van de NOVI is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken.

9

Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. Relevant beleid voor het plangebied Uit de uitwerking van prioriteit 3 volgt dat steden zich duurzaam dienen te ontwikkelen, dat het woningaanbod moet aansluiten bij de vraag en dat de voorkeur uitgaat naar verstedelijking binnen bestaand stedelijk gebied. Eén van de beleidskeuzes onder prioriteit 3 is (beleidskeuze 3.3, onder prioriteit 3) “Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio, toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op ruimte- en mobiliteitsefficiënte wijze ingepast. Het woningaanbod in de regio's sluit daarbij aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse”. Verder worden in de Nationale omgevingsvisie onder meer de volgende nationale belangen benoemt: 4. Waarborgen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.

De beoogde woningen dragen bij aan de woningbehoefte binnen de gemeente Rotterdam en worden binnen stedelijk gebied gerealiseerd, zie hiervoor paragraaf 2.2.2. Tevens wordt onder meer voorzien in het woonsegment waar de grootste behoefte aan is, zie ook de paragrafen 2.2.2 en 2.2.3. Hiermee wordt invulling gegeven aan beleidskeuze 3.3 en nationaal belang 5. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke aspecten en inpassing van het plan zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (fysieke leefomgeving) gerealiseerd wordt, zie hiervoor hoofdstuk 4. Dit is in lijn met nationaal belang 4. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij prioriteit 3 'Sterke en gezonde steden en regio's' en diverse nationale belangen met bijbehorende opgave(n). Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de NOVI. 2.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang. Relevant beleid voor het plangebied Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de regels uit Barro. 2.1.3

Besluit ruimtelijke ordening

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal

10

ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Relevant beleid voor het plangebied Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Conclusie De ladder wordt in paragraaf 2.2.2 van dit bestemmingsplan doorlopen.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

Algemeen De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de volgende paragrafen wordt hier nader op ingegaan. 2.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie)

Geconsolideerd vastgesteld door Provinciale Staten op 7 augustus 2021 De provincie bereidt zich voor op de nieuwe Omgevingswet. Het Omgevingsbeleid bestaat uit al het beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. In tegenstelling tot het eerdere sectorale beleid, houdt Omgevingsbeleid rekening met de samenhang van verschillende sectoren zoals mobiliteit, wonen en natuur. Het huidige beleid betreft de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.

Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of meer

11

kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Plangebied De ontwikkeling wordt binnenstedelijk gerealiseerd, nabij andere (centrum)stedelijke (woon)functies. Derhalve verandert de identiteit, aard en schaal van het gebied niet en is sprake van 'inpassing'. Beoordeeld is welke kwaliteitskaarten van toepassing zijn ter plaatse van het plangebied en welke richtlijnen hierbij horen. Hieronder zijn uitsneden opgenomen van de voor het plangebied relevante kwaliteitskaarten. Dit zijn de kaarten voor 'Laag van de ondergrond' en 'Laag van de stedelijke occupatie'.

De overige kaarten ('Laag van de cultuur- en natuurlandschappen' en 'Laag van beleving') zijn niet relevant ter plaatse.

Figuur 2.2 Laag van de ondergrond

Conform de kwaliteitskaart 'Laag van de ondergrond' is het plangebied gelegen in 'Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei'. De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen. Het bijbehorende richtpunt is als volgt: 'Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden'.

12

Aangezien er geen nieuw verhard oppervlak wordt toegevoegd, heeft de ontwikkeling geen invloed het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Figuur 2.3 Laag van de stedelijke occupatie

Conform de kwaliteitskaart 'Laag van stedelijke occupatie' is het plangebied gelegen in Historische centra en kernen: De historische centra en kernen met hun compacte bebouwingsstructuur zijn waardevolle woon- en vestigingsmilieus in Zuid-Holland en dragen bij aan de toeristische kwaliteit. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld. Daarnaast is het plangebied gelegen in 'Steden en dorpen'. Voor steden, dorpen, hoogbouw, historische centra en kernen en bedrijventerreinen gelden richtpunten in dit gebied. De voor dit plangebied relevante richtpunten zijn: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Het plangebied voorziet in woningbouw, kantoren en commerciële functies binnen een gebied waar deze functies reeds zijn toegestaan.Het aantal woningen en het extra bouwvolume boven de 9 meter zorgt

13

voor een strijdigheid met het geldende bestemmingsplan. De ontwikkeling voorziet daarnaast in de gedeeltelijke aanbouw van een reeds bestaand gebouw. Er worden geen belemmeringen verwacht met de richtpunten voor 'Steden en dorpen'. Daarnaast is voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland het richtpunt 'Bouwwerken voor energie-opwekking' van toepassing: Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energie-opwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving. Er worden ten gevolge van de ontwikkeling geen bouwwerken voor energie-opwekking gerealiseerd, waardoor dit richtpunt niet van toepassing is. Conclusie De richtpunten ter plaatse van het plangebied vormen geen belemmering of randvoorwaarde voor vaststelling van dit bestemmingsplan. 2.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerde versie)

Vastgesteld door Provinciale Staten op 19 februari 2019 De provincie Zuid-Holland wil een overheid zijn die anticipeert op veranderingen in maatschappij, economie en bestuur, en vanuit haar toegevoegde waarde bijdraagt aan maatschappelijke opgaven. De ontwikkeling die de provincie Zuid-Holland hierin doormaakt, sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet die de maatschappelijke opgave centraal stelt, en niet langer de sectorale beleidsvelden. De Omgevingswet treedt (vooralsnog) in 2022 in werking. De provincie Zuid-Holland kiest ervoor om in aanloop naar de komst van de Omgevingswet twee belangrijke kerninstrumenten van deze wet - de omgevingsvisie en de omgevingsverordening - op basis van huidig recht vast te stellen. Met deze integratie wordt een belangrijke stap gezet in de implementatie van het organiseren van de provinciale rond maatschappelijke opgaven in de fysieke leefomgeving. Uitgangspunt is dat de integratie beleidsneutraal gebeurt, dus zonder een verandering in (rechts-)gevolgen. Separaat wordt een aantal beleidsrijke onderdelen ter besluitvorming voorgelegd, die nadien als wijziging in deze verordening worden geïntegreerd. Deze onderdelen zijn in de verordening gereserveerd. De Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening zijn instrumenten die onderling sterk met elkaar samenhangen.

In de systematiek van de Omgevingswet is de inhoud van de omgevingsvisie voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. Vandaar dat de inhoud van beide kerninstrumenten gelijktijdig wordt vastgesteld. Plangebied Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. In paragraaf 2.2.1 is geconstateerd dat gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling sprake is van 'inpassing'. Het volgende is daarop van toepassing, conform artikel 6.9 lid 1 sub a van de Omgevingsverordening: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Hiervan is sprake, zie ook paragraaf 2.2.1. Ook voor een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling gelden eisen. Deze eisen volgen uit artikel 6.10 van de Omgevingsverordening: Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.

Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de

14

voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X van de omgevingsverordening. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Aan deze eisen dient te worden voldaan, omdat de ontwikkeling kan worden getypeerd als een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1 lid 1 van het Bro. Van een stedelijke ontwikkeling is sprake wanneer een bestemmingsplan voorziet in meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt of een bestemmingsplan voorziet in stedelijke voorzieningen in de vorm van een gebouw met een brutovloeroppervlakte van meer dan 500 m2. Dit is bepaald door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724).

De behoefte aan de ontwikkeling dient te worden aangetoond. Behoefte De toegestane woningvoorraadgroei en plancapaciteit in de woonregio's in Zuid-Holland voor de periode 2021 t/m 2030 is inzichtelijk gemaakt op basis van de Woningbehoefteraming 2021. De toegestane woningvoorraadgroei is het resultaat van twee scenario-berekeningen, te weten binnenlands migratiesaldo 'nul' en binnenlands migratiesaldo 'trendmatig'. Door per woonregio de hoogste van deze twee scenarioramingen te nemen komt de totale woningvoorraadgroei op de schaal van Zuid-Holland hoger uit dan beide scenarioramingen voor Zuid-Holland afzonderlijk. Per woonregio geldt dat om op de toegestane woningvoorraadgroei uit te komen de provincie een plancapaciteit kan aanvaarden die 130 procent van de toegestane woningvoorraadgroei bedraagt. In figuur 2.4 is de toegestane woningvoorraadgroei volgens Woningbehoefteraming 2021 opgenomen.

Figuur 2.4 Toegestane woningvoorraadgroei volgens Woningbehoefteraming 2021 (bron: Staat van Zuid-Holland)

In de regio Rotterdam is sprake van een toegestane woningvoorraadgroei van 61.150. Dit bestemmingsplan draagt met 56 woningen bij aan deze woningvoorraadgroei. Hiermee kan de behoefte aan de ontwikkeling van woningbouw worden aangetoond. Als laatste gelden regels met betrekking tot kantoren en detailhandel, aangezien het plangebied is gelegen in de met kaart 10 van de Omgevingsverordening aangewezen gebieden. Het plangebied betreft een 'grootstedelijke top- en centrumlocatie'. In dit gebied geldt dat een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren (artikel 6.11 van de Omgevingsverordening). De beoogde kantoren in de commerciële ruimtes zijn derhalve gewenst ter plaatse van het plangebied (en de functies zijn reeds toegestaan). De

15

ligging in de met kaart 10 van de omgevingsverordening aangewezen gebieden sluit derhalve aan bij hetgeen met dit bestemmingsplan is beoogd. Verder wordt niet ingegaan op de behoefte aan de functies die momenteel al planologisch zijn toegestaan, omdat dit ten behoeve van de planologische procedure die deze functies mogelijk heeft gemaakt, al is gedaan. Er is wel gekeken of de bestaande functies kunnen bestaan naast de beoogde functies. Hier wordt onder meer in paragraaf 6.3 op in gegaan. Conclusie Aan de regels uit de Omgevingsverordening kan worden voldaan. De ladder is succesvol doorlopen. Het provinciale beleid legt geen beperkingen op voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 2.2.3

Verstedelijkingsalliantie

De gemeenten Rotterdam, Leiden, Zoetermeer, Den Haag, Rijswijk, Delft, Schiedam en Dordrecht hebben zich sinds eind 2017, met het oog op de woningbouwopgave, verenigd in de 'Verstedelijkingsalliantie'. Deze alliantie is een samenwerkingsverband met de provincie Zuid-Holland en de Metropoolregio Rotterdam – Den Haag. Begin 2018 heeft deze alliantie een pamflet opgesteld, waarin wordt geschetst op welke wijze deze gemeenten de verstedelijking (versneld) op zich willen nemen. Gekozen wordt voor een geconcentreerde verstedelijking langs de bestaande infrastructuur; de spoorlijn Dordrecht – Leiden. De woningbouwopgave en de versterking van de economische toplocaties worden in samenhang met investeringen in hoogwaardig openbaar vervoer op integrale wijze uitgevoerd. Deze aanpak moet ertoe leiden dat in deze gemeenten tot 2040 in totaal 170.000 extra woningen worden gerealiseerd, waarvan 150.000 in een (centrum)stedelijk milieu en waarvan 75.000 in de directe nabijheid van treinstations. Plangebied Het plangebied is gelegen in een centrumstedelijk milieu, dit volgt ook uit paragraaf 2.2.2 (Omgevingsverordening Zuid-Holland) en voorziet in de de realisatie van 56 woningen. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de realisatie van 150.000 woningen in een (centrum)stedelijk milieu.

Het plangebied is daarnaast op een afstand van circa 380 meter van Station Blaak en circa 500 meter (hemelsbreed) van het Metrostation Beurs gelegen. De locatie is hiermee aangesloten op hoogwaardig openbaar vervoer en sluit gezien voorgaand aan bij hetgeen met de Verstedelijkingsalliantie is beoogd. Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de Verstedelijkingsalliantie. 2.2.4

Woningmarktafspraken Regio Rotterdam

Begin 2019 hebben 14 gemeenten en 25 woningcorporaties uit de Regio Rijnmond het 'Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030' vastgesteld. Op basis van dit akkoord maken de betrokken gemeenten zich sterk om het aantal woningen in de regio Rotterdam met 54.000 woningen uit te breiden. Daarnaast zetten de gemeenten en woningcorporaties zich in voor een betere balans van het sociale woningaanbod in de regio. Het hoofddoel van de nieuwe Woningmarktafspraken is het behoud en de verdere ontwikkeling van de ongedeelde regio Rotterdam. Dat wil zeggen een regio met voldoende woningvoorraad en specifiek voldoende woningen in het sociale segment, evenwichtig en ruimtelijk goed gespreid. In het Regioakkoord is vastgelegd welke bijdrage iedere gemeente levert aan het behalen van de regionale doelen. In dat kader is afgesproken dat de totale woningvoorraad in Rotterdam wordt uitgebreid tot ene totaal van 340.300 woningen in 2030. Om dit doel te realiseren zullen tot 2030 30.000 nieuwe woningen gebouwd moeten worden. Plangebied Aangezien met dit bestemmingsplan wordt voorzien in woningbouw, wordt bijgedragen aan de ambitie om tot 2030, in totaal 30.000 woningen te bouwen. Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de Woningmarktafspraken Regio Rotterdam.

16

2.2.5

Woondeal Zuidelijke Randstad

In de zuidelijke Randstad hebben de woningmarktregio's Haaglanden en Rotterdam een forse woningbouwopgave, zowel op de korte termijn (tot 2025) als de lange termijn (tot 2040). De betrokken gemeenten en de provincie Zuid-Holland zetten reeds volop in op het versnellen van de woningbouw, het borgen van voldoende plancapaciteit en het toegankelijk houden van de woningmarkt voor verschillende doelgroepen. De grootste druk op de regionale woningmarkten in de zuidelijke Randstad bevindt zich daarbij in de steden Den Haag en Rotterdam. De Woondeal is gesloten met als doel om op de korte termijn tot doorbraken te komen voor kwantitatieve en kwalitatieve opgaven in de gebieden waar de spanning op de woningmarkt het grootst is. Kernafspraken In de woondeal zuidelijke Randstad - Samenwerkingsagenda voor toekomstbestendige verstedelijking (3 juni 2019) zijn enkele kernafspraken opgenomen. Hieronder zijn drie kernafspraken omschreven, waarvoor gemeenten en provincie zich in dienen te zetten: 1. Voldoende plancapaciteit voor de bouwproductie van 230.000 woningen tot 2040, aansluitend op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. 2. De productie van ruim 100.000 woningen in de periode 2018 - 2025 waarvan: bijna de helft in de gemeenten Den Haag en Rotterdam; een aanzienlijk deel in het betaalbare segment. 3.

Evenwichtige verdeling onder doelgroepen en bevordering van spreiding van betaalbare woningen voor lagere en middeninkomens. Verstedelijking In de woondeal is opgenomen dat verstedelijking met voorrang plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied en in de nabijheid van hoogwaardig openbaar vervoer. Dit vanwege een combinatie van uitbreidingsbehoefte aan (centrum)stedelijke woonmilieus, schaarste aan open groengebieden, de druk op het wegennet, de samenhang tussen verstedelijking en hoogwaardig OV, het benutten van voorzieningen, de nabijheid van werkgelegenheid, de aanpak van leefbaarheidsproblemen in stadswijken en de toenemende aandacht voor een gezonde leefomgeving. Borging van betaalbaar aanbod De woningmarktregio's Haaglanden en Rotterdam hebben een grote volkshuisvestelijke opgave waarin gedeeltelijk ook een inhaalslag verwerkt is van de woningproductie die is blijven liggen tijdens de crisis. De opgave betreft uitbreiding van de sociale huurvoorraad, kwalitatieve verbetering van de bestaande corporatievoorraad via herstructurering en verduurzaming, verbetering van de leefbaarheid en verbetering van betaalbaarheid. Plangebied Met de Woondeal Zuidelijke Randstad is beoogd om ruim 100.000 woningen te realiseren, in bestaand stedelijk gebied, waarvan de helft in Rotterdam en Den Haag. De ontwikkeling sluit hierbij aan.

Daarnaast is het plangebied in de nabijheid van hoogwaardig openbaar vervoer gelegen, waarmee ook wordt aangesloten bij de Woondeal Zuidelijke Randstad. Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de Woondeal Zuidelijke Randstad.

17

2.3

Gemeentelijk beleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer. Aangezien met dit bestemmingsplan enkel strijdigheden worden rechtgetrokken wat betreft het aantal woningen en het bouwvolume, wordt niet nader ingegaan op het beleid dat betrekking heeft op horeca en bedrijvigheid. De beoogde horecafunctie en bedrijvigheid zijn reeds toegestaan binnen de planologische kaders en zijn met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Waterstad' getoetst aan het gemeentelijk beleid. 2.3.1 Omgevingsvisie Rotterdam 'De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen' Vastgesteld door gemeenteraad op 2 december 2021 De Omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam.

Het is een nieuwe stadsvisie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze Omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030. Tot de datum van invoering van de Omgevingswet krijgt de Omgevingsvisie de status van structuurvisie onder het huidige regime van de Wet ruimtelijke ordening. Hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en de identiteit ondersteunt en versterkt. De Omgevingsvisie gaat uit van 5 langetermijndoelen (perspectieven): compact, inclusief, duurzaam, gezond, productief. Mede aan de hand daarvan worden in de Omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd waarmee invulling wordt gegeven aan de koers voor Rotterdam voor goede groei: Rotterdam zet in op prettig leven in de delta: Rotterdam wordt een gezonde, groene en aantrekkelijke stad in de grotere metropoolregio om te wonen, werken, recreëren, sporten en bewegen. Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden. Er wordt verstedelijkt binnen de bestaande stad om de stad te versterken. Verstedelijking gebeurt vooral bij en rondom bestaand of nieuw hoogwaardig openbaar vervoer. Rotterdam zet in op vitale wijken met een divers aanbod aan woon- en werkruimte en passende maatschappelijke voorzieningen.

Het moet niet uitmaken waar je opgroeit om dezelfde kans te hebben op goed onderwijs, een goede woning en passend werk. In de wijken komen een heleboel opgaven samen: deze worden in samenhang aangepakt om de wijken toekomstbestendig te maken. Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie: Er wordt gewerkt aan een stad die klimaatneutraal is en waar grondstoffen hergebruikt worden. Zo wordt een duurzaam Rotterdam gecreeërd met een bloeiende en innovatieve economie. Voor nu en toekomstige generaties. Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen: Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie. Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening. Er is een aantal gebieden waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en waar er tegelijkertijd kansen liggen om veel van onze stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes. Het betreft de binnenstad, Alexander tot en met

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=29c0017f-9460-4728-9c7d-423e7295d229