CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb005242] Bijlage 1 behorende bij 23bb5269 - Ontwerpbestemmingsplan RIVA

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 13 september 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen38.210 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Wederopbouwaandachtsgebieden Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen juridische of formele status. Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

37

Beeldbepalende objecten (BO) en Beeldbepalende gevelwanden (BG) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als gemeentelijk monument, maar wel van monumentale waarde zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. Ook kent Rotterdam monumentale gevelwanden. Deze komen zelden in aanmerking voor een monumentstatus, maar zij bepalen voor een belangrijk deel wel het karakter van de stad. Deze wanden versterken de ruimtelijke kwaliteit en instandhouding wordt dan ook gestimuleerd. 6.6.2

Plangebied

In het plangebied staan in de huidige situatie twee gebouwen. Beide gebouwen zijn aangewezen als beeldbepalend object, zie figuur 6.2. Onder figuur 6.1 is omschreven hoe het plan stedenbouwkundig tot stand is gekomen en waarbij afwegingen zijn gemaakt tussen historische waardenstellingen en de ambities anno 2021.

Figuur 6.2 Monumenten, Beeldbepalende Objecten en Ensembles in het bestemmingsplan Waterstad (bron: bestemmingsplan Waterstad).

Historische analyse van de plek en gebouwen De bestaande gebouwen passen in de stijl die nu wordt getypeerd als 'wederopbouwarchitectuur', ook wel 'naoorlogs functionalisme' en 'naoorlogs modernisme' genoemd, en sluiten qua proportie en opzet aan op het basisplan Van Traa. De blokbebouwing in vier of vijf bouwlagen is kenmerkend voor de naoorlogse periode op deze locatie. Uitgevoerd volgens de bestemmingsvoorschriften van het Basisplan van Van Traa, zijn ze zeer herkenbaar in het stadsbeeld als naoorlogse bedrijfsbebouwing. De bouw geschiedde als individuele invullingen, met aaneengesloten straatwanden. Kijkende naar de gevels is daar ook een kenmerkende naoorlogse expressie van een compositiegevel en bandgevel te herkennen. De straatgevels hebben door de indeling en de afwisselende vormen, materialen (en materiaalkleuren en textuur), reliëf en plasticiteit, een compositie die als een eenheid is te ervaren en afleesbaar is in het straatbeeld, waardoor de beide panden zich als individuele objecten manifesteren, maar wel als een 'broer en zus' uit de naoorlogse periode zich in het straatbeeld voordoen. De plint is afwijkend van de verdiepingen erboven en gericht op relatief meer wisselwerking met de openbare weg. Achtergrond van de ontwikkeling: van Waterstad naar Maritiem District In de jaren tachtig kwam een nieuwe visie op het gebied, door de introductie van hoogbouw.

De stad zou

38

meer kunnen worden gericht op de rivier, in plaats van zich er van af te wenden. Reeds het in 1985 opgestelde plan voor de binnenstad omvatte het een opgave van veel nieuwe woningen, kantoren en diverse recreatieve bestemmingen. In 2012 tekende het bureau van Kees Christiaanse (KCAP) een studie voor Wijnhaveneiland, waarbij op verschillende plaatsen op het Wijnhaveneiland torenbebouwing is aangegeven. Een van die plaatsen betreft het onderhavige gebouwenensemble. Vandaag de dag staat het gebied beter bekend als 'Maritiem District', een levendige gemixte stadswijk die definitief gestalte geeft aan de planontwikkelingen uit 1985 en 2012. Het plan RIVA; een ambitieuze herontwikkeling Het plan RIVA sluit op hoofdlijnen aan op de visie uit 2012 (KCAP) om het Maritiem District verder te verdichten. Het plan omschrijft grofweg de toevoeging van circa 6.500 m2 bvo die verdeeld zijn over 15 lagen bovenop het bestaande volume van 5 lagen. Het plan wordt zo een hybride stadsblok voor waarbij de bestaande vijflaagse 'sokkel' gehandhaafd wordt met onder andere kleinschalige kantoren, een plint voor horeca, stadsappartementen en (fiets)parkeren met daarbovenop een toren met een diversiteit aan appartementen.

Stedenbouwkundig inpassing Het stedenbouwkundig concept van het plan RIVA gaat uit van een contrastrijke toevoeging bovenop het bestaande ensemble; een ruimtelijke opzet waarbij de substantiële toevoeging als zodanig valt af te lezen als een nieuwe ontstaanshandeling. Hierbij is het streven om het hoekpand van kavel 198 te behouden. Daarnaast worden de gesloopte gevels in dezelfde ontwerptaal nieuw teruggebouwd. Hiermee worden de gevels als 'beeldbepalend object' zo veel mogelijk in stand gehouden en is de toren-opbouw als het ware zwevend boven het volume geplaatst door middel van de introductie van een ruim terugspringende tussenlaag. Dit zorgt ervoor dat beide entiteiten niet 'verkleven', complementair samenwerken, en ook als losse (historische) entiteiten af te lezen zijn. Er is gekozen voor een relatief lage torenopbouw van maximaal 67 meter waarbij er een royale rechthoekige footprint is gekozen; de lange zijde manifesteert zich aan de Scheepmakershaven en voorziet op die manier het uitzicht richting het zuiden. De rechthoekige hoofdvorm manifesteert zich in de Bierstraat duidelijk als een overstek buiten de contour waar het bestaande pand de Bierstraat volgt. Dit zwevende vormcontrast versterkt het geheel als een stapeling in de tijd en versterkt het gevoel van de op zichzelf afleesbare entiteiten.

De architectonische intenties voor de opbouw staan in het teken van lichtheid, zweven en transparantie en contrasteren daarmee met het stenige en aards georiënteerde karakter van de wederopbouwpanden. De buitenruimtes van de nieuwe torenopbouw zijn hét stijlelement die het contrast en het complementaire geheel vervolmaken; de balkons golven op iedere verdieping en volgen een ogenschijnlijk vrije schakeling van uitstulpingen. Het maakt het geheel eleganter en lichter en werkt daarmee versterkend in het gehele stedenbouwkundige concept dat in het teken staat van contrasteren en complementeren. In de stedenbouwkundige totaalcompositie van het totale gebied manifesteert het ontwerp zich qua bouwhoogte eenduidig in de middenlaag tussen diverse hogere torens en behoud op die manier lucht en licht in het gebied. Het vertoont sterke overeenkomsten met het zwevende volume dat zich op de kop van de Red Apple begeeft en legt op die manier directe relatie en verwantschap tussen beide gebouwen aan de Scheepmakershaven. De bovenste drie lagen van de torenopbouw springen getrapt royaal terug aan de westzijde ten behoeve van royale terrassen. Dankzij dit aspect is de stedenbouwkundige verschijning verfijnd en verbijzonderd in de top van het plan.

Contrast en balans tussen historische waardes versus het nieuwe plan Het architectuurconcept staat zogezegd in het respecteren van de compositie-architectuur van de bestaande panden en het contrasteren met een nieuw en licht, zwevend, volume. De bestaande gevels van het in intentie te behouden hoekpand worden in hoofdstructuur en verschijningsvorm gehandhaafd. De gevels van het hoekpand met nummer 29 zullen zowel in materialiteit en kleur worden gerenoveerd. Ingrepen ten behoeve van energiebesparing en duurzaamheid zullen aan de binnenzijde worden toegepast om daarmee de gevels zo veel als mogelijk in tact te laten. Wel zullen de puien van de begane grond worden vervangen. Het strokenpand aan de Scheepmakershaven met nummer 27-28 en het pand in de Bierstraat met nummer 12 zullen ten behoeve van bereikbaarheid van heistellingen en grote constructieve ingrepen gesloopt worden om daarna weer teruggebouwd te worden conform de globale originele gevelcompositie; zowel in opzet, detail, als in materialiteit. Hiermee wordt het herkenbare ensemble in ere hersteld. Enkele bijzonderheden bij de herbouw van de panden betreffen ingrepen die de gebouwen laten aansluiten op de eisen van het nieuwe plan. Zo blijft bij het pand aan de

39

Scheepmakershaven (27-28) de strokenstructuur van beton duidelijk herkenbaar, maar zal het glas terugliggend zijn aangebracht ten behoeve van het creëren van buitenruimtes voor de stadsappartementen. Daarnaast zal op de begane grond aan zijde Scheepmakershaven de garagedeur vervangen worden door glaspuien. Aan de Bierstraat wordt op de plek van de bestaande garagepoort de entree van de auto-lift geïntegreerd middels een vouwpui. Tenslotte de hoofdentree van de appartemententoren; komt ter plaatse van de huidige entree van het hoekpand. Hier heeft van origine altijd een bijzondere entree gezeten maar deze heeft niet de juiste proporties voor de vergroting van het nieuwe programma en wordt zodoende vervangen door een nieuwe, royalere entree dat in materialiteit en vorm past bij de nieuwbouw. Hiervoor is het noodzakelijk dat de gevels van het hoekpand ter plaatse van de huidige entree op begane grond en eerste verdieping lokaal wordt weggesloopt. 6.6.3

Conclusie

Door het huidige gevelbeeld te te handhaven en terug te brengen worden de aanwezige cultuurhistorische waarden gerespecteerd.

6.7

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. 6.7.1

Plangebied

Voorliggend bestemmingsplan maakt onder meer woningen mogelijk. Wonen is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Voor de vaststelling van dit bestemmingsplan is alleen wegverkeer van belang. De spoorlijn Rotterdam – Dordrecht en de metrolijnen noord-zuid en oost-west zijn in de omgeving van het plangebied gelegen. De drie spoortrajecten zijn ondergronds gelegen, zodat het geluid dat deze spoorlijnen produceren wordt afgeschermd door het tunnellichaam. Deze spoortrajecten hebben daarom geen toetsingszone waarbinnen aan de normen van de Wet geluidhinder moet worden getoetst. De vastgestelde 50 dB (A) geluidscontour van het industrieterrein Maas- en Rijnhaven ligt ten zuiden van de Nieuwe Leuvebrug. Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van dit industrieterrein. Industrielawaai is daarom niet van belang voor dit bestemmingsplan.

40

6.7.1.1 Wegverkeer Om de geluidsbelasting afkomstig van wegverkeerslawaai op de toekomstige woningen in kaart te brengen, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 5). De wegverkeergegevens van de wegen zijn opgegeven door de DCMR. Als basis voor de berekening van de geluidbelasting zijn de prognoses voor het wegverkeer in het jaar 2032 beschouwd. Dat jaar wordt representatief geacht voor de bepaling van de toekomstige geluidbelasting. In het onderzoek wordt verslag gedaan van de geluidbelasting op de gevels vanwege alle akoestisch relevante (gezoneerde) geluidbronnen. Het betreft de gezoneerde wegen Boompjes (S100), Blaak, André van der Louwbrug, Rederijstraat/Glashaven/Posthoornstraat en de niet-gezoneerde wegen Scheepmakershaven, Wijnhaven, Bierstraat en de Wijnbrugstraat. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege alle gezoneerde wegen lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor iedere weg afzonderlijk. 6.7.1.2 Scheepvaartlawaai Voor scheepvaartlawaai bestaat geen wettelijk kader. Het is echter wel een geluidsbron die in het kader van een goede ruimtelijke ordening in overweging moet worden genomen bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs scheepvaartroutes.

In het kader van de vaststelling van het geldende bestemmingsplan “Waterstad” heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de geluidbelasting ten gevolge van scheepvaartlawaai. De geluidbelasting ter plaatse van het plangebied ligt lager dan 55 dB, waardoor de streefwaarde niet wordt overschreden. Nestgeluid De Scheepmakershaven maakt geen onderdeel uit van (reguliere) transportroutes van zee- en binnenvaartschepen. Er is geen sprake zijn van wachtende c.q. afgemeerde schepen in geval van een tussenstop en/of calamiteiten (bv in geval van noodweer). Ook vinden er geen bedrijfsactiviteiten plaats waarbij sprake is van afgemeerde schepen met draaiende (hulp)motoren. Als er een binnenvaartschip ergens aangemeerd is, is dat of tijdelijk, bij voorbeeld voor aanvoer bouwmateriaal, of ligt het aangemeerd/geparkeerd en is niet in bedrijf. Er is geen aanleiding om (nader) onderzoek te doen naar nestgeluid. Nestgeluid is geen belemmering voor het plangebied. 6.7.1.3 Luchtvaart Het plan ligt niet binnen de 35 KE-zone, zoals vastgesteld door middel van het besluit "Aanwijzing luchtvaartterrein Rotterdam Airport" op 17 oktober 2001, waardoor voor dit aspect geen toetsing aan de Luchtvaartwet en de bij de Wet geluidhinder behorende besluiten nodig is. 6.7.1.4 Goed woon- en leefklimaat De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de regelgeving uit de Wgh.

Bij de vaststelling van ruimtelijke besluiten, zoals een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, moet de gemeente (het college van burgemeester en wethouders) in het kader van een goede ruimtelijke ordening onder meer beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Omdat het gaat om 30 km/u-wegen is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Om de geluidbelasting te kwalificeren is gebruikgemaakt van de methode Miedema. Hierin wordt een correlatie tussen de geluidhinder en de hoogte van de geluidbelasting gemaakt.

41

Figuur 6.3 Beoordeling van de omgevingskwaliteit afhankelijk van de geluidbelasting

De hoogst, berekende geluidbelasting is 56 dB zonder aftrek. Voor enkele woningen gelegen aan de Scheepmakerskade geldt hierdoor een geluidklasse ‘matig’, maar het grootste deel van de woningen kan geclassificeerd worden als ‘goed’. De gezamenlijke geluidbelasting vanwege wegverkeer is ten hoogste 57 dB zonder wettelijke aftrek op de 1e verdieping van de zuidoostgevel. De geluidbelasting vanwege de Scheepmakerskade (30 km/u-weg) is de maatgevende bron. Hier wordt geadviseerd om maatregelen af te stemmen op de gezamelijk geluidbelasting vanwege de omliggende wegen, zodat toekomstige bewoners beter beschermd worden. 6.7.2

Conclusie

Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.8

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling;

42

de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone).

De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. 6.8.1

Plangebied

De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van maximaal 56 woningen, maximaal 2.200 m2 bvo aan kantoor, 400 m2 bvo aan horeca, maatschappelijk, dienstverlening of een sportvoorziening of een combinatie hiervan die de 400 m2 niet zal overschrijden. Daarnaast wordt parkeergelegenheid gerealiseerd. De 56 woningen vallen ruim onder de grenswaarde van 1.500 woningen. De overige functies vallen ruim onder de grenswaarde 100.000 m2 brutovloeroppervlak. Op basis hiervan mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In aanvulling op bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet benodigd. Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie.

Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide NO2 als voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Tabel 6.2 toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het plangebied (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 26 oktober 2021).

Tabel 6.2 Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 ter plaatse van het plangebied (bron: nsl-monitoring.nl)

43

In tabel 6.2 is zichtbaar dat de grenswaarden ter plaatse van het plangebied niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is niet van dusdanige omvang dat hierdoor een overschrijding te verwachten is. 6.8.2

Conclusie

Het bestemmingsplan RIVA zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan RIVA.

6.9

Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming (hierna: Wbb). De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.9.1

Plangebied

Het bestemmingsplan RIVA voorziet in gedeeltelijke nieuwbouw waarvoor ingrepen in de bodem nodig zijn. De ontwikkeling omvat daarnaast de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigingen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek). Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in de bovengrond (0,3-0,8 m -mv) van boring 003, met baksteen en metselpuin, licht verhoogde gehalten met zware metalen zijn aangetoond. Deze verhogingen wordt gerelateerd aan de bodemvreemde bijmenging. In de mengmonsters van de bovengrond van de overige boringen, zonder bijmengingen, is plaatselijk een licht verhoogd gehalte PAK aangetoond. Verder zijn er geen verontreinigingen aangetoond. In de mengmonsters van de ondergrond (zand en klei, hierin geen bijmengingen) (1,0 – 3,0 m -mv) zijn lichte verhoogde gehalten zware metalen, PAK en/of minerale olie aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium aangetoond. De herkomst van deze verontreiniging is onbekend. Waarschijnlijk betreft het een verhoogde achtergrondconcentratie.

Tijdens de veldwerkzaamheden is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen op het maaiveld (ter plaatse van de boringen) en in de opgeboorde grond. In het grondmengmonster van boring 003 is (indicatief) geen asbest aangetoond. 6.9.2

Conclusie

In zowel de boven als ondergrond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK en/of minerale olie aangetoond. Asbest is binnen het plangebied niet aangetroffen. Daarnaast is in het grondwater een licht verhoogde concentratie barium aangetoond. Deze licht verhoogde concentraties geven geen aanleiding tot nader onderzoek of sanering.

44

6.10

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.

Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.

Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.10.1 Plangebied De beoogde ontwikkeling betreft onder meer de realisatie van kwetsbare objecten conform wetgeving op het gebied van externe veiligheid. In het kader van de externe veiligheid zijn nabij de beoogde ontwikkeling een aantal risicobronnen gesitueerd, zie de risicokaart in onderstaande figuur.

Het plangebied is hierop weergegeven ter plaatse van de rode stippellijn. Het voorgenomen initiatief zelf is geen risicovolle activiteit.

45

Figuur 6.4 Uitsnede risicokaart, geraadpleegd op 26 oktober 2021

Op de risicokaart is te zien dat: Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het plangebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transprotroute over de weg en het spoor maar wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transprotroute over het water; Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. 6.10.2 Transport gevaarlijke stoffen over rail Tunnelmonden De afstand van de zuidelijke tunnelmond van de Willemsspoortunnel tot het plangebied bedraagt ca.1,6 kilometer. De afstand van de noordelijke tunnelmond tot de plangrens bedraagt 1,1 kilometer. De effecten bij een calamiteit ter hoogte van de tunnelmonden reiken door deze grote afstanden niet over het plangebied RIVA heen en worden om die reden niet beschouwd. Station Blaak Het treinstation Blaak vormt een opening in de Willemsspoortunnel. De gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen kunnen zich door deze opening naar de omgeving manifesteren. Het bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk op ten minste 350 meter (plangrens) van het station Blaak. Over dit spoortraject worden verschillende gevaarlijke stoffen vervoerd, waardoor deze is opgenomen in het Basisnet.

Het plaatsgebonden risico (10-6) is gelegen op een afstand van 1 meter. Hiermee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering. Daarnaast reiken de effecten, gezien de grote afstand (ruim meer dan 200 meter) tussen het treinstation Blaak en het plangebied, een groepsrisicoverantwoording niet vereist.

46

6.10.3 Transport gevaarlijke stoffen over water Plaatsgebonden risico Over de Nieuwe Maas is ter hoogte van het plangebied uitsluitend sprake van binnenvaart. Dit deel van de rivier is aangeduid als een zogenaamde zwarte route, wat wil zeggen dat de 10-6-plaatsgebonden risicocontour van de vaarroute alleen over het water van de Nieuwe Maas ligt. Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de rivier vormt dus geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen op het land. Groepsrisico De afstand tussen begrenzingslijnen van de Nieuwe Maas en het plangebied bedraagt tenminste 150 meter. Het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas ligt ter plaatse van Waterstad zeer ruim (meer dan een factor 2000) onder de oriëntatiewaarde. Het bestemmingsplan RIVA zorgt voor een beperkte toename van dit groepsrisico waardoor het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en volstaan kan worden met een beperkte verantwoording. Verantwoording Op basis van Artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: a.

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. In tabel 1-28 van de Handleiding Risicoanalyse Transport is de maximale effectafstand (1% overlijdingskans) per stofcategorie aangegeven.

Tabel 6.3 Maximale effectafstand (1% overlijdingskans) per stofcategorie (bron: Handleiding Risicoanalyse Transport)

Uit tabel 6.3 blijkt dat alleen in geval van calamiteiten met toxische stoffen, de de maximale effectafstand reikt tot aan het plangebied. Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een calamiteit bij transport van toxische stoffen er een lekkage ontstaat en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze oxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is.

Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren

47

zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Bij blootstelling aan een toxisch gas is ‘schuilen’ vaak de beste wijze van zelfredzaamheid. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze om de zelfredzaamheid te vergroten. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Zelfredzaamheid in dit scenario is dus alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Plasbrandaandachtsgebied en veiligheidszone Langs de Nieuwe Maas/Nieuwe Waterweg is een plasbrandaandachtsgebied gelegen met een breedte van 25 meter vanaf de oever.

Een plasbrand wil zeggen dat er bij een ongeval met een schip dat brandbare vloeistoffen vervoerd een plas van deze stof op het water komt te drijven en in brand vliegt. Als deze brandende vloeistof tegen de oever drijft kan schade ontstaan aan de langs de rivier aanwezige bebouwing. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen het plasbrandaandachtsgebied moet de gemeente verantwoorden waarom op die locatie wordt gebouwd. In de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is een veiligheidszonering voor de oevers van de Nieuwe Maas en Nieuwe Waterweg opgenomen (artikel 2.1.10). In verband met de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water moet, langs de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, een zone van 25 meter worden vrijgehouden van nieuwe bebouwing. In het gebied tussen de 25 en 40 meter vanaf de kade is nieuwe bebouwing slechts mogelijk als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang én is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond. Gezien de afstand van tenminste 150 tot aan de oevers van de Nieuwe Maas speelt het plasbrandaandachtsgebied voor het bestemmingsplan RIVA geen rol. 6.10.4 Conclusie Externe veiligheid geeft voor wat betreft plaatsgebonden risico (10-6/jaar) en groepsrisico m.b.t. omliggende risicobronnen geen belemmeringen.

Wel is risicocommunicatie van belang en dienen de (mechanische) ventilatiesystemen eenvoudig handmatig uitgeschakeld te kunnen worden. Met het nemen van bovenstaande maatregelen wordt het restrisico aanvaardbaar geacht.

6.11

Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt.

48

De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

6.11.1 Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Binnen het bestemmingsplangebied zijn geen kerngebieden, (onderdelen van) van binnenstedelijke ecologische verbindingen en/of ambitielocaties gelegen. 6.11.2 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is 'de Biesbosch', gelegen op circa 18 kilometer afstand van het plangebied.

De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000 gebied. Hiervoor zijn de ontwikkelingen te klein van omvang en is de afstand tussen het bestemmingsplangebied en het Natura 2000 gebied te groot. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage met berekening is opgenomen in Bijlage 7 bij dit bestemmingsplan. Na berekening van de stikstofdepositie concludeert de AERIUS-calculator dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de gebruiksfase. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de voormalige ecologische hoofdstructuur van het Rijk en de provincies. De Nieuwe Maas maakt onderdeel uit van het NNN. Voorliggend bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk op minimaal 150 meter afstand van de Nieuwe Maas. De ontwikkelingen hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit NNN-gebied. Hiervoor is de ontwikkeling op voldoende afstand gelegen en te beperkt van omvang. Gelet op het voorgaande kunnen significante effecten van het bestemmingsplan op nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Evenmin kan het bestemmingsplan tot een aantasting van het NNN kan leiden. Om die reden vormt gebiedsbescherming geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan RIVA.

49

6.11.3 Soortbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Ecologische quickscan Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets (Bijlage 8 Ecologische quickscan) is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is. Uit de ecologische quickscan, bestaande uit een drietal veldonderzoeken uitgevoerd op 17 september 2018, 11 mei 2019 en 14 december 2021) blijkt dat binnen het plangebied geen nestactiviteit of territoriaal gedrag danwel nesten van jaarrond beschermde vogels is aangetoond. Algemeen voorkomende soorten zoals kleine zoogdieren (muizen,konijn, etc.) kunnen wel voorkomen. In het ketelhuis en de opslag (inpandig) zijn aanwijzingen van aanwezigheid van muizen (enkele keutels) aangetoond.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt een algemene provinciale vrijstelling voor deze grondgebonden zoogdieren, de zorgplicht moet wel in acht worden genomen. Daarnaast kunnen op het dak en in de directe omgeving algemene broedvogels voorkomen. Tijdens de terreininspectie zijn onder andere de kokmeeuw, houtduif en stadsduif waargenomen, deze soorten hebben echter geen binding met het gebouw. Aangezien in het gebouw op hoogte scheuren in de buitenmuur aanwezig zijn en enkele dilatatievoegen niet (meer) volledig gevuld zijn, waardoor er in- en uitvliegopeningen zijn, is de tussenspouw tussen de bebouwing en de buurtbebouwing in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen (bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis etc.). Daarnaast blijkt uit controle en door middel van raadplegen van kaartmateriaal (informatie opdrachtgever) dat de bebouwing zelf niet in spouw is gebouwd waardoor de gevels zelf in principe niet geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Wel zou de scheuren en dilatatievoegen toegang kunnen geven tot de tussenspouw, holten in de dakconstructie en/of de verdiepingsvloeren. In de regio zijn in de afgelopen jaren soorten als gewone en ruige dwergvleermuis waargenomen. Tijdens de inpandige controle en het onderzoek in bereikbare ondiepe openingen, zijn geen waarnemingen gedaan van gebruik van de bebouwing als verblijfplaats door vleermuizen.

Overige beschermde fauna of beschermde flora zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht. Opgemerkt wordt dat vanwege het seizoen beschermde soorten nu niet in het gebied kunnen zijn opgemerkt die op een ander moment wel aanwezig kunnen zijn in het plangebied. In de omringende bomen, kunnen algemene broedvogels tot broeden komen. Ook zouden op het dak de scholekster, stormmeeuw etc. tot broeden kunnen komen. Signalen en restanten hiervan (zoals oude nesten) zijn niet waargenomen. Aangezien de bebouwing geen hellend dak met pannen heeft wordt het pand niet geschikt geacht voor eventueel jaarrond beschermde vogels (huismus en gierzwaluw). Op 11 mei 2019 heeft een veldbezoek op hoogte plaatsgevonden. Hierbij zijn met een kraan (inclusief inspectiebak) de aanwezige kieren nader geïnspecteerd op geschiktheid als vleermuisverblijf. Hierbij is op een locatie één vleermuis (vermoedelijk een exemplaar van de gewone dwergvleermuis) waargenomen, in de dilatatievoeg die niet meer goed gevuld was. Op overige locaties zijn geen vleermuizen (of sporen van vleermuizen) waargenomen. Op 14 december 2021 heeft een actualiserend veldbezoek plaatsgevonden, hierbij zijn geen afwijkende waarnemingen gedaan ten opzichte van de veldbezoeken in 2018 en 2019. De bebouwing en potenties voor beschermde soorten zijn in de tussentijd visueel niet gewijzigd.

Tijden het veldbezoek op 14 december 2021 is bevestigd dat 4 tijdelijke vleermuiskasten, op de te behouden gevels aanwezig zijn. Deze zijn in augustus 2019 geïnstalleerd. In figuur 6 van de quickscan (Bijlage 8) zijn deze vleermuiskasten weergegeven.

50

Conclusie Omdat het gebouw in potentie en door inspectie op hoogte aangetoond geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen (het pand bevat dilatatievoegen naar de tussenspouw en mogelijk doorkruipmogelijkheden tot vermoedelijk onder - in ieder geval gedeelten – van het plat dak) is jaarrond vleermuisonderzoek (conform het vleermuisprotocol 2017) noodzakelijk, om in geval van (gedeeltelijke sloop) en/of renovatie met wijziging aan de gevels en verdiepingsvloeren de aanwezigheid/gebruik van vleermuizen vast te kunnen stellen, welke functie(s) voor welke vleermuissoorten aanwezig zijn. De bebouwing wordt in potentie niet geschikt geacht voor jaarrond beschermde vogels (huismus, gierzwaluw). Door tijdens de vleermuisbezoeken aandacht te besteden aan evt. overige beschermde soorten kan deze potentie inschatting van de quickscan (niet geschikt) worden getoetst. Op en nabij de locatie is al verlichting aanwezig. Bij aanpassing van deze verlicht dienen de resultaten van het vleermuisonderzoek hierin mee te worden genomen (in geval sprake is van een foerageer/vliegroute nabij het plangebied). Nader onderzoek vleermuizen De aanwezigheid van vleermuizen kon tijdens de quickscan niet worden uitgesloten. In dit kader is nader onderzoek uitgevoerd.

Het nader vleermuisonderzoek dat is uitgevoerd in december 2021 is opgenomen in Bijlage 9 Nader onderzoek vleermuizen van de toelichting van dit bestemmingsplan. Op de locatie is meermaals de aanwezigheid van twee vleermuissoorten aangetroffen: de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. De gewone dwergvleermuis is een vooral object/gebouw bewonende soort. Deze soort is in het plangebied tijdens de veldbezoeken met een verblijfplaats, een zomer/paarverblijfplaats (van vermoedelijk een enkel exemplaar gewone dwergvleermuis man), binnen het plangebied aangetroffen. Andere verblijfplaatsen (kraamverblijven en/of winterverblijven) zijn binnen het plangebied niet waargenomen. Buiten het plangebied zijn meerdere (mogelijke) verblijfplaatsen aanwezig. Daarnaast is ook de ruige dwergvleermuis in en nabij het plangebied waargenomen (hoofdzakelijke boombewoners). Dit betreffen vermoedelijk migrerende exemplaren aangezien de waarnemingen voornamelijk in het najaar zijn gedaan (migratieperiode). Jaarrond beschermde vogels werden ter plaatse niet verwacht en zijn ook niet aangetroffen. Voor de gewone dwergvleermuis is een ontheffing Wet natuurbescherming onderdeel Soortbescherming aan de orde. Als gevolg van het planvoornemen gaat namelijk een zomer-/paarverblijf van gewone dwergvleermuis verloren.

Hiervoor is het noodzakelijk om zowel tijdelijke verblijven als definitieve verblijven in de nieuwbouw te realiseren. Een en ander dient nader uitgewerkt te worden in een activiteitenplan, wat als begeleidend stuk bij de ontheffingsaanvraag dient. Door de voorbereidingswerkzaamheden buiten deze kwetsbare perioden uit te voeren wordt invulling gegeven aan het Zorgvuldig handelen principe. 6.11.4 Conclusie Gebiedsbescherming Uitgesloten wordt dat voorliggend bestemmingsplan geen significante effecten heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarnaast leidt het bestemmingsplan niet tot een aantasting van het NNN. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet van toepassing. Soortenbescherming Binnen het plangebied is een een zomer/paarverblijfplaats aangetroffen van de gewone dwergvleermuis. Hiervoor is een ontheffing Wet natuurbescherming onderdeel Soortbescherming aangevraagd. Buijs Eco Consultant B.V. geeft aan dat de ontheffing met name wordt beoordeeld op de volgende aspecten: wettelijk belang; alternatievenafweging; gunstige staat van instandhouding. Gezien de grote woningnood is het wettelijk belang evident. Daarnaast zou transformatie van het bestaande pand eveneens leiden tot aantasting van het zomer/paarverblijfplaats. Daarnaast betreft het

51

geen zomer/paarverblijfplaats van een zeldzame soort en wordt in de nieuwbouw weer verblijven gerealiseerd. Buijs Eco Consultant B.V. verwacht dan ook dat de ontheffing zal worden afgegeven. Met het daarnaast in acht nemen van de zorgplicht vormt soortenbescherming geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan RIVA. Gezien het bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.

6.12

Bezonning

Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. De meeste gemeenten hanteren de TNO-norm. Andere gemeenten hebben eigen beleid. 6.12.1 Rotterdams beleid De gemeente Rotterdam heeft een eigen afwegingskader opgesteld voor bezonning (vastgesteld op 9 september 2021 door de gemeenteraad). In het Afwegingskader bezonning zijn kaders gesteld voor de effecten van bezonning van gevels van bestaande woningen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen die met een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen die 1,5 maal hoger zijn dan de gemiddelde hoogte binnen 1 maal de straal van de hoogte van die ontwikkeling, worden aan een stappenplan getoetst. Dat geldt ook voor nieuwe ontwikkelingen hoger dan 10 meter die liggen op een binnenterrein. Aan de hand van dat stappenplan wordt beoordeeld of de ontwikkelingen voldoen aan de gestelde kaders voor bezonning op bestaande woningen. Vanuit de Hoogbouwvisie 2019 voor Rotterdam worden aanvullend ook eisen gesteld aan de bezonning van openbare ruimten voor voetgangers.

Hierbij gelden zwaardere eisen voor zogenaamde sunspots en representatieve ruimten. Voor de overige openbare ruimten voor voetgangers in de binnenstad geldt een basiskwaliteit met een maximale verslechtering van 2 uur op de data 21 juni en 21 september. 6.12.2 Plangebied In het kader van voorgenomen planontwikkeling zijn de gevolgen van RIVA voor omliggende woningen, overige gebouwen en buitenruimten middels een bezonningsonderzoek in kaart gebracht (zie Bijlage 10 Bezonningsonderzoek). Op basis van het Afwegingskader was een bezonningsonderzoek verplicht. Uit de resultaten van het bezonningsonderzoek blijkt dat op 21 maart en 21 juni door de nieuwbouw van RIVA extra schaduw ontstaat op enkele gevels van de omringende woongebouwen aan de Bierstraat, Jufferstraat en Wijnbrugstraat. De extra beschaduwing ten gevolge van RIVA bedraagt maximaal 3 uur. De slagschaduwen als gevolg van woontoren RIVA op de omringende woningen zijn conform het afwegingskader getoetst aan ten minste twee mogelijke bezonningsuren op 21 september. Alle bestaande woningen op de eerste woonlaag rondom RIVA (met ten minste 2 uur bezonning in de bestaande situatie) hebben op 21 september als gevolg van de nieuwbouw van RIVA nog steeds ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag op de gevel en voldoen hiermee aan het afwegingskader voor bezonning Rotterdam.

De woningen aan de oostgevel van de woontoren “Up:town” hebben minder dan 2 uur zon in de bestaande en nieuwe situatie. De woningen op de onderste woonlaag worden hier niet extra beschaduwd door RIVA. Hierdoor is de afname minder dan 15% en wordt voldaan aan het afwegingskader. Uit de resultaten volgt eveneens dat op 21 september meerdere woningen op de eerste woonlaag (1e en 2e verdieping) aan de Bierstraat (o.a. in “Harbour Village”) minder dan 2 uur bezonning hebben. Deze woningen hebben echter in de bestaande situatie ook minder dan 2 uur zon. De afname in bezonning voor deze woningen is hier ca. 0,5 tot 1 uur. De bezonningsafname ten gevolge van de nieuwbouw van

52

RIVA is hiermee groter dan 15% ten opzichte van de bestaande situatie.Daarbij is voor deze woningen als worst case aanname - geen rekening gehouden met eventuele bezonning op een andere gevel. Het Afwegingskader bezonning schrijft voor dat bij een afname die groter is dan 15% bij minder dan 2 uur zon per dag, een afweging wordt gemaakt of de voordelen van het nieuwbouwplan opwegen tegen de afname van bezonning van bestaande woningen. Daarbij moet deze afname afgewogen worden tegen de belangen van de nieuwbouw. Hierbij gaat het over een 'proportionele afweging', een 'verdichtingsafweging' en een 'typologische afweging' of een combinatie hiervan. Ten aanzien van onderhavige locatie is het volgende van belang. Zoals in paragraaf 2.2.3 is toegelicht, is sprake van een grote woningbouwopgave in de Randstad. In de gemeenten die zich verenigd hebben in de verstedelijkingsalliantie (waaronder Rotterdam) dienen tot 2040 in totaal 170.000 extra woningen te worden gerealiseerd waarvan 150.000 in een (centrum)stedelijk milieu en 75.000 in de directe nabijheid van treinstations. Het Maritiem District is aangewezen als verdichtingslocatie (zie onder meer paragraaf 3.2 en 6.6.2) waarbij onderhavig plangebied is aangeduid als locatie voor torenbebouwing (en dus voor verdichting). De locatie bevindt zich bovendien in de directe nabijheid van treinstation Blaak.

De transformatie van het Maritiem District is de afgelopen jaren ingezet waarbij het gebied voor een deel is getransformeerd van een monofunctioneel kantorengebied naar een gemengd gebied van wonen en werken. Er zijn verschillende hoogbouwprojecten toegestaan in het gebied. Het bestemmingsplan geeft een verdere invulling aan de verdichtingsopgave voor het gebied en meer algemeen, met 58 nieuwe woningen waaraan grote behoefte bestaat, tevens invulling aan de woningbouwopgave van de gemeente Rotterdam. Het belang dat met het bestemmingsplan is gemoeid moet gezien de opgaven waar Rotterdam voor staat dus een zwaar gewicht worden toegekend. Als de bezonningsafname daartegen wordt afgewogen, wordt daaraan een minder zwaar gewicht toegekend. De bezonningsafname die het gevolg is van het bestemmingsplan wordt tegen die achtergrond aanvaardbaar geacht. Daarbij past ook de kanttekening dat de locatie zich goed leent voor hoogbouw en als gezegd hiervoor in de eerdere visie uit 2012 al eerder is aangewezen. 6.12.3 Conclusie Met de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan RIVA kan voor het overgrote deel van de woningen voldaan worden aan het Afwegingskader bezonning Gemeente Rotterdam. Voor een beperkt aantal woningen, op de eerste woonlaag aan de Bierstraat wordt niet aan dit afwegingskader voldaan.

Het afwegingskader geeft dan de mogelijkheid deze afname af te wegen tegen de belangen van de nieuwbouw. In dit geval dient, zoals hiervoor is toegelicht, een zwaarder gewicht te worden toegekend aan de belangen die met het nieuwbouwplan zijn gemoeid. Het Afwegingskader bezonning staat daarmee niet in de weg aan de vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.13

Windhinder

In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder staat in art. 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling nodig. Tot 2006 waren er een aantal verschillende beoordelingsmethodieken om windhinder en windgevaar in kaart te brengen. Elk met hun eigen grootheden en hun eigen normen. Bijvoorbeeld "de Haagse norm" uitgaande van jaargemiddelde windsnelheden, de TNO-norm, uitgaande van uurgemiddelde snelheden, en de SBR 65/SBR 90, uitgaande van windhinderdagen. In de in 2006 uitgekomen NEN 8100(opent in nieuw venster)(verwijst naar een andere website) wordt gewerkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). In deze norm is een beslismodel weergeven wanneer een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn: gebouwen hoger dan 30 meter -> windonderzoek;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=ec674761-f849-422c-a61c-04b84261b54c