CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb005237] Bijlage 1 behorende bij 23bb5277 - Ontwerpbestemmingsplan Hoogvliet Noordoost

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 12 september 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting ontwerpbestemmingsplan Hoogvliet Noordoost36.025 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Aantal rijstroken

1 of 2

3 of meer

1 of 2

3 of 4

5 of meer

200 meter

350 meter

250 meter

400 meter

600 meter

Zonebreedte

Buiten-

-stedelijk-

-gebied

Bij nieuwe geluidgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 decibel (dB). Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen (snelwegen worden altijd als buitenstedelijk gezien) en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

40

In de onderstaande tabel staan de resultaten van het onderzoek naar de geluidbelasting veroorzaakt door het wegverkeer aangegeven. Het gaat om onderzoek naar de geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen. Dit betekent dat gerekend is op de grenzen van de locaties waar woningen worden toegestaan, maar waar deze nog niet aanwezig zijn.

Locatie Weg

Hoogste berekende geluidbelasting in dB

1

A15 Troubadourlaan

52 53

2

A15

52

3

A15 Desdemonastraat Fideliolaan

52 51 50

4

A15 Desdemonastraat

49 51

5

A15 Desdemonastraat

49 52

6

A15 Desdemonastraat

50 53

7

A15

52

8

Koddeweg

60

50+ km/uur wegen Uit het geluidonderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de relevante 50 of meer km/uur-wegen op alle ontwikkellocaties hoger is dan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB. Maar de geluidbelasting is nergens hoger dan 63 dB, en blijft dus binnen de bandbreedte waarbinnen het college een hogere waarde (hogere toegestane geluidbelasting) vast kan stellen. Voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld zullen de hoogste berekende geluidbelastingen per locatie als hogere waarden worden vastgesteld.

30 km/uur wegen Delen van de Othelloweg en de Toscalaan zijn 30 km/uur wegen die een relevante geluidbelasting hebben op de ontwikkellocaties. De maximale geluidbelasting vanwege de Othelloweg is 51 dB op locatie 2. Deze lage geluidbelasting vindt de gemeente zonder meer acceptabel. De maximale geluidbelasting vanwege de Toscalaan is op locaties 6 en 7 56 dB. Dit is de hoogste geluidbelasting vanwege verkeer op deze locaties, en voor een stedelijk gebied geen hoge geluidbelasting. Bovendien zullen de gevels van de nieuwe woningen op deze locaties (mogelijk op een beperkt aantal woningen na) verder van deze weg liggen, en daarmee een lagere geluidbelasting hebben.

6.5.2

Railverkeer

Bij de geluidbelasting op gevels veroorzaakt door railverkeer is de voorkeurswaarde 55 dB. Als deze waarde wordt overschreden kan een hogere waarde worden vastgesteld van maximaal 68 dB. Ten noorden van het plangebied ligt het havenspoor. De zonebreedte van het havenspoor is maximaal 900 meter aan weerszijden. Bij het toestaan van nieuwe geluidgevoelige objecten binnen deze zone moet de geluidbelasting van het spoorverkeer op de gevels worden berekend. Meerdere ontwikkellocaties liggen binnen de geluidzone van dit spoortraject. De geluidbelasting op deze locaties is ruim lager dan de voorkeurswaarde, zodat er voor de geluidbelasting vanaf het havenspoor geen hogere waarden hoeven te worden vastgesteld. De metrolijnen C en D lopen ten zuiden en oosten van het plangebied. De geluidzone van de metrolijn is 100 meter. Locatie 8 ligt binnen de zone van de metrolijnen. De hoogste berekende geluidbelasting van de metro op deze locatie is 59 dB. Deze geluidbelasting zal als hogere waarde op de gevels van locatie

41

8 worden vastgesteld.

6.5.3

Industrielawaai

Bij de geluidbelasting op gevels veroorzaakt door industrie is de voorkeurswaarde 50 dB(A). Als deze waarde wordt overschreden kan een hogere waarde worden vastgesteld van maximaal 55 dB(A). Alle ontwikkellocaties liggen binnen de geluidzone (50 dB(A)-toetsingszone) rondom het industrieterrein Pernis, Botlek. Tevens ligt een deel van de locaties binnen de geluidzone van het industrieterrein Waalen Eemhaven. Deze industrieterreinen zijn dus relevante geluidbronnen voor dit bestemmingsplan. In de onderstaande tabel staan de resultaten van het onderzoek naar de geluidbelasting veroorzaakt door de industrieterreinnen Pernis, Botlek en Waal- en Eemhaven op de ontwikkellocaties aangegeven. Het gaat om onderzoek naar de geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen. Dit betekent dat gerekend is op de grenzen van de locaties waar woningen worden toegestaan, maar waar deze nog niet aanwezig zijn.

Locatie

Bouwlagen

Hoogste geluidbelasting industrieterrein Botlek, Pernis in dB(A)

Hoogste geluidbelasting industrieterrein Waal- Eemhaven in dB(A)

1

1-3 4-6 7-10

54/53* 54 55

-

2

1-3 4-6 7-19

53 54 55

-

3

1-3

53

50

4

1-3

53

50

5

1-3 4-6 7

53 54 55

-

6

1-3

53

50

7

1-3

53

50

8

1

49

51

*Het noordelijke deel van de locatie, waar maximaal 3 bouwlagen zijn toegestaan, ligt binnen de 54 dB contour. De hoogbouw ligt buiten deze contour. De geluidbelasting vanaf het industrieterrein Waal- Eemhaven is op de locaties 3, 4, 6 en 7 50 dB(A), gelijk aan de voorkeurswaarde. Bij locatie 8 is de geluidbelasting vanaf dit industrieterrein 51 dB(A), deze geluidbelasting zal als hogere waarde worden vastgesteld. De andere locaties liggen buiten de toetsingszone van het industrieterrein Waal- Eemhaven. Het geluid vanaf industrieterrein Pernis, Botlek zorgt bij alle locaties behalve locatie 8 voor een overschrijding van de voorkeurswaarde. Voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld zullen de hoogste berekende geluidbelastingen per verdieping per locatie als hogere waarden worden vastgesteld. Waarbij er conform het RAK (zie hieronder) op de hogere verdiepingen 1 of 2 dB bij de berekende geluidbelasting is opgeteld.

Regionaal Afsprakenkader geluid en ruimtelijke ordening (RAK) Op 8 juli 2015 hebben verschillende partijen waaronder de gemeenten in de Rijnmondregio en het Havenbedrijf Rotterdam (HbR) het “Regionale afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling” (RAK) getekend. In dit convenant zijn afspraken gemaakt over de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de geluidzones van Europoort - Maasvlakte en Pernis, Botlek. Doel van het convenant is om geluidoverlast vanwege activiteiten in het havengebied te beperken en het realiseren van een zo hoog mogelijke woonen leefkwaliteit bij woningbouwontwikkelingen in het havengebied zonder daarbij de milieugebruiksruimte

42

van de haven te beperken. Woningbouwplannen en ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom zo vroeg mogelijk in het planproces te worden afgestemd met de betrokken partijen (HbR en DCMR). In het RAK zijn onder andere procesafspraken gemaakt met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden. Binnen de geluidzone worden de 1 dB geluidcontouren (60 tot 55 dB(A) en 55 tot 48 dB(A)) gehanteerd voor het vaststellen van hogere waarden. Voor gevels hoger dan 5 meter boven maaiveld gelden de volgende toeslagen: a. Voor de vierde, vijfde en zesde woonlaag wordt de hogere waarde met 1 dB verhoogd. b. Voor de zevende en hogere woonlagen wordt de hogere waarde met 2 dB verhoogd.

6.5.4

Scheepvaartlawaai

Voor Scheepvaartlawaai bestaat geen wettelijk kader. Het is echter wel een geluidbron die in het kader van een goede ruimtelijke ordening in overweging moet worden genomen bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen langs scheepvaartroutes en nabij industrieterreinen met afgemeerde schepen. Voor dit bestemmingsplan is de bijdrage aan de geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen vanwege afgemeerde schepen in de havens van de industrieterreinen Pernis, Botlek en Waal- Eemhaven relevant. Daarom is een onderzoek uitgevoerd naar deze geluidbelasting, dat als bijlage 5 bij de toelichting is gevoegd. In dit onderzoek zijn 12 locaties meegenomen, terwijl er nu sprake is van 8 locaties waar nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt (locatie 1 is al gerealiseerd, locatie 4 is gesplitst en de locaties 5, 8 en 10 en 6, 9 en 11 zijn samengevoegd, zie bijlage 2 in het onderzoek). Dit doet geen afbreuk aan de bruikbaarheid van het onderzoek voor het bestemmingsplan Hoogvliet omdat de ligging ten opzichte van de industrieterreinen niet wezenlijk is veranderd. De locaties die hieronder worden besproken zijn de 8 locaties zoals aangegeven bij 'plangebied', de nieuwe geluidgevoelige objecten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. De hoogste geluidbelasting (52 dB) vanwege nestgeluid afkomstig van industrieterrein Pernis, Botlek is berekend op locatie 1, op hoogtes vanaf 10 meter.

Op locaties 2, 3, 7 en 8 komen waarden van maximaal 51 dB voor. De hoogste geluidbelasting vanwege nestgeluid afkomstig van industrieterrein Waal- Eemhaven is berekend op locatie 7, en bedraagt 48 dB. De geluidbelasting door nestgeluid van beide industrieterreinen samen is nergens hoger dan 52 dB. Ook is de bijdrage van nestgeluid bepaald in relatie tot de geluidweringstoets onder de huidige regels en de regels van de Crisis- en herstelwet en de Omgevingswet. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de realisatie van woningen moet de benodigde geluidwering van de gevels worden bepaald die nodig is om te kunnen voldoen aan de wettelijke binnenwaarde van maximaal 33 dB. De bijdrage van nestgeluid bij het bepalen van de geluidwerende maatregelen is relevant. Onder de huidige wetgeving (Wgh) vloeit een strengere eis voor de mate van geluidwering van de gevel dan 20 dB alleen voort uit het wegverkeerslawaai. Onder de Crisis en herstelwet treedt een maximaal te bereiken geluidwering van 22 dB op bij een aantal gevels waarvoor onder de Wgh een lagere gevelwering vereist is. Daarbij dient rekening gehouden te worden met een spectrum met relatief meer bijdrage in de lage geluidfrequenties. Dit geldt voor de locaties 1, 3, 6 en 7. Onder de Omgevingswet neemt de benodigde geluidwering op enkele rekenpunten van locaties 1, 3, 6 en 7 met 1 of 2 dB toe ten opzichte van de Wgh.

Op alle overige locaties is de vereiste geluidwering minder streng dan onder de Wgh. Op deze plaatsen is de vereiste geluidwering onder de Omgevingswet maximaal 23 dB.

6.5.5

Conclusie

Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige objecten, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: »

De hoogte van de geluidbelasting vanaf zoneplichtige geluidbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt);

»

De hoogte van de geluidbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidbronnen (30 km/uur wegen, tramlijnen en parkeerterreinen); De gecumuleerde geluidbelasting; Maatregelen aan de geluidbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de

» «

43

»

geluidbelaste locatie; De regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB, van railverkeer niet hoger is dan 55 dB en van industrieterreinen niet hoger is dan 50 dB(A)).

Cumulatie geluidbronnen Wanneer nieuwe geluidgevoelige locaties in verschillende geluidzones liggen en de voorkeurswaarde vanwege meer dan één bronsoort wordt overschreden, moet de geluidbelasting worden gecumuleerd. Dit betekent dat de geluidbelastingen van verschillende bronnen (wegen, spoorwegen en industrie) bij elkaar worden opgeteld. Als er verschillende bronnen zijn die elk een hoge geluidbelasting op de gevel veroorzaken, dan kan de gecumuleerde geluidbelasting aanzienlijk hoger zijn dan de geluidbelasting vanaf de geluidbron met de hoogste bijdrage. De gecumuleerde geluidbelasting moet worden betrokken bij de afwegingen om een nieuwe geluidgevoelige bestemming toe te staan en hiervoor een hogere waarde vast te stellen. Op meerdere locaties is op een aantal rekenpunten sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde voor zowel wegverkeer als industrielawaai. Op locatie 8 is er tevens een overschrijding van de voorkeurswaarde vorr railverkeerslawaai. Uit de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeer, industrie en railverkeer samen 2 tot 6 dB hoger is dan de gecumuleerde geluidbelasting per bronsoort. Bij de locaties 1 t/m 7 wordt de totale gecumuleerde geluidbelasting bepaald door wegverkeer en industrielawaai, in ongeveer gelijke mate (railverkeer levert geen bijdrage aan deze geluidbelasting).

De hoogste gecumuleerde geluidbelastingen liggen tussen 60 dB op locatie 1 en 56 dB op de locaties 4, 5 en 7. Bij locatie 8 zorgt de gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeer en railverkeer samen voor een geluidbelasting van 65 dB (industrielawaai levert hier geen bijdrage aan). Het railverkeer levert maar een beperkte bijdrage aan deze geluidbelasting, aangezien de geluidbelasting vanaf de Koddeweg zonder aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder al bijna 65 dB is. Om deze reden, en omdat het wegverkeersgeluid en het railgeluid uit dezelfde richting komen en de gevel aan de achterzijde geluidluw is, wordt de gecumuleerde geluidbelasting van 65 dB als acceptabel gezien. Omdat de gecumuleerde geluidbelasting niet ongewoon hoog is voor een stedelijk gebied, en omdat de gecumuleerde geluidbelasting alleen bij locatie 8 hoger is dan de maximale hogere waarde (voor binnenstedelijk verkeer) van 63 dB, ziet de gemeente geen aanleiding om op basis van de gecumuleerde geluidbelasting tot een andere conclusie te komen bij de geluidbelastingen per geluidbron.

Maatregelen Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidbelastingen als hogere waarden vast te stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel de geluidkwaliteit kan worden verbeterd. In het akoestisch onderzoek is aangegeven welke maatregelen overwogen kunnen worden. Bij zowel de A15 als bij de binnenstedelijke wegen is als bronmaatregel het toepassen van een stiller wegdek denkbaar. Het toepassen van stiller asfalt kan bij de A15 tot 1 á 2 dB geluidreductie leiden en bij de binnenstedelijke wegen tot 2 á 3 dB geluidreductie. Deze geluidreducties zijn echter bij de meeste locaties onvoldoende om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeurswaarde. Vanwege het beperkte effect van geluidreducerend asfalt, en vanwege het gegeven dat de geluidbelastingen op de gevels van de nieuwe woningen voor een stedelijk gebied niet hoog zijn, kiest de gemeente er niet voor om geluidreducerend asfalt als voorwaarde te stellen bij deze woningbouwontwikkelingen. Als bronmaatregel kan ook worden gedacht aan het verlegen van de maximumsnelheid. Bij de A15 ligt de bevoegdheid daarvoor bij Rijkswaterstaat. Bij de binnenstedelijke wegen geldt dat waar dit verkeerskundig wenselijk is de rijsnelheid al tot 30 km/uur is beperkt. Bij locatie 8 wordt de voorkeurswaarde voor railverkeer overschreden.

Maatregelen aan het spoor vallen onder het domein van de spoorbeheerder, in dit geval de RET. Binnen het kader van dit bestemmingsplan kunnen op het gebied van maatregelen daarom geen eisen worden gesteld. Voor beide industrieterreinen is reeds een saneringsprogramma vastgesteld en uitgevoerd. Daarin zijn alle mogelijke bronmaatregelen onderzocht en uitgevoerd. Bij overdrachtsmaatregelen kan gedacht worden aan geluidschermen of het vergroten van de afstand

44

tussen de weg en de woningen. Bij de A15 zijn al geluidschermen aanwezig. Geluidschermen langs stedelijke wegen, en langs de metro, zijn vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt geen optie. Gelet op de beschikbare ruimte binnen de ontwikkellocaties zal een afstandsvergroting geen significante geluidreductie kunnen bewerkstelligen. Voor een goede woonkwaliteit is de aanwezigheid van een geluidluwe gevel bij een woning bepalender dan de hoogte van de geluidbelasting op de meest geluidbelaste gevel. Het plaatsen van een lang scherm langs de industrieterreinen heeft weinig tot geen effect, omdat het hierbij om een uitgestrekt industrieterrein gaat waarop de geluidbronnen verspreid liggen. Tevens zijn er wegens de aanwezigheid van hoge geluidbronnen hoge geluidschermen nodig. Het plaatsen van een hoog scherm nabij het plangebied is vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Bovendien is het plaatsen van lange en hoge schermen langs het industrieterrein of het plangebied niet doelmatig en financieel niet haalbaar. Bij ontvangermaatregelen (maatregelen aan de woningen) kan worden gedacht aan het realiseren van geluidluwe gevels, en aan het realiseren van de slaapkamers aan de geluidluwe zijde van de woning. Geluidluwe gevels worden hieronder besproken.

Geluidluwe gevel Een van de belangrijkste criteria in het beleid dat de gemeente Rotterdam heeft voor het vaststellen van hogere toegestane geluidbelastingen op de gevel van een woning is dat elke nieuwe woning in principe over tenminst één geluidluwe gevel moet beschikken. Een geluidluwe gevel is een gevel waarop de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan 53 dB vanwege het wegverkeer en 50 dB(A) vanwege industrie, dit geldt als een geluidniveau waarbij men in het algemeen buiten kan zitten of het raam open kan laten staan zonder dat de geluidbelasting als hinderlijk wordt ervaren. Uit het geluidonderzoek blijkt dat alle locaties bij wegverkeer, industrie en railverkeer over tenminste één geluidluwe gevel kunnen beschikken. Dit betekent niet dat alle nieuwe woningen binnen deze locaties vanzelfspreken over een geluidluwe gevel beschikken. Bij het positioneren van nieuwe woningen binnen deze locaties moet zorg gedragen worden dat deze woningen over een geluidluwe gevel beschikken. Bijvoorbeeld door de afschermende werking van de woning zelf.

Afweging Maatregelen om de geluidbelasting te beperken ziet de gemeente niet als reële mogelijkheid, gezien de hoge kosten in relatie tot de relatief beperkte geluidbelastig en geluidreductie. En vanwege de stedenbouwkundige, verkeerskundige en technische beperkingen die de bovengenoemde maatregelen met zich meebrengen. Het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder schrijft voor dat nieuwe woningen in principe over ten minste één geluidluwe gevel dienen te beschikken. Het hebben van tenminste één geluidluwe gevel is als voorwaarde in de regels voor de nieuwe woningen vastgelegd. Om de hierboven genoemde redenen zullen burgemeester en wethouders de geluidbelastingen, zoals die hierboven bij 'wegverkeer' 'railverkeer en 'industrie' zijn aangegeven, als hogere waarden vaststellen voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het Ontwerpbesluit hogere waarden is als bijlage 4 bij de regels opgenomen.

45

6.6

Uitbreiding kV-station en nieuwe geluidzone industrie

Stedin Netbeheer B.V. is voornemens het vermogen van het huidige 150 kV elektriciteitsstation op de locatie in het Oudelandsepark uit te breiden. Dit 150 kV station is op de verbeelding van het bestemmingsplan aangegeven met de bestemming 'Bedrijf-Nutsvoorziening'. Door de toename van duurzame initiatieven en de grotere vraag naar elektriciteit is Stedin genoodzaakt om de capaciteit van het netwerk te versterken. Momenteel is het een gezamenlijk transformatorstation waar zowel Stedin als TenneT gevestigd zijn. Dit gaat veranderen naar een situatie waar alleen Stedin op deze locatie gevestigd is. De vrijkomende ruimte op het perceel zal worden benut door Stedin. Binnen de bestemming Bedrijf-Nutsvoorziening worden aanpassingen gedaan aan de gebouwen en de technische installatie. Deze veranderingen vallen volledig binnen de huidige perceels- en bestemmingsgrens. De uitbreiding betreft drie nieuwe transformatoren van 100 MVA per stuk. Daarmee zal het totaal aan opgesteld elektrotechnisch vermogen meer dan 200 MVA bedragen. Daarnaast worden nieuwe 150kV schakeltuinen toegevoegd. Hieronder wordt ingegaan op een aantal specifieke milieu-onderwerpen in relatie tot de uitbreiding van het 150 kV station.

6.6.1

Geluidzone nieuw gezoneerd industrieterrein

Als in de toekomst het opgestelde elektrische vermogen van het 150 kV station meer dan 200 MVA bedraagt is het kV station daarmee anders dan nu een 'grote lawaaimaker1 geworden, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Het terrein van het kV station (de bestemming 'Bedrijf-Nutsvoorziening') moet daarom worden aangewezen als een gezoneerd industrieterrein in het kader van de Wet geluidhinder. Met het vaststellen van het bestemmingsplan wordt dit terrein formeel aangewezen als het gezoneerde industrieterrein 'Elektriciteitsstation Oudelandsepark'. Rondom gezoneerde industrieterreinen moet een geluidzone worden vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein op geluidgevoelige objecten (woningen) niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Met het vaststellen van het bestemmingsplan wordt de op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrieterrein 4' vastgesteld als de geluidzone rondom het 150 kV station (het nieuwe gezoneerde industrieterrein). De op de verbeelding opgenomen geluidzone is gebaseerd op een herberekening van de in Bijlage 6 voorgestelde geluidzone, waaruit blijkt dat de geluidproductie van het kV station lager is en de geluidzone daarmee kleiner kan zijn. De geluidzone ligt op minimaal 85 meter van de woningen langs de Oudelandseweg.

De geluidbelasting vanwege het toekomstig opgesteld vermogen van het 150 kV station is dus minder dan de voorkeurswaarde voor industrielawaai van 50 dB(A). De gemeente vindt een dergelijke lage geluidbelasting zonder meer aanvaardbaar. De nieuwe geluidzone valt alleen over de bestemmingen Groen en Water, waarbinnen geen geluidgevoelige objecten aanwezig zijn en niet zijn toegestaan. De nieuwe geluidzone valt volledig binnen de geluidzones van de grote industrieterreinen ten noorden van de A15, zodat het gebied waarbinnen onderzoek naar industrielawaai moet worden gedaan niet groter wordt.

6.6.2

Electromagnetische velden

Voor blootstelling - kortdurend of langdurend - aan magnetische velden zijn in Nederland geen wettelijke grenswaarden vastgesteld. Wel hebben het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Europese Commissie adviezen gegeven voor grenswaarden voor blootstelling aan magnetische velden. Voor 50 Hz magnetische velden volgt uit deze richtlijn als advies een grenswaarde van 100 microtesla voor de hele bevolking. Dit advies is gebaseerd op de richtlijnen van de International Commision on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) en wordt tevens onderschreven door de World Health Organization en de Nederlandse Gezondheidsraad. Het huidige en het toekomstige 150 kV station in het Oudelandsepark voldoen aan deze normen. Daarnaast wordt door de Nederlandse overheid een voorzorgsbeleid gehanteerd van 0,4 microtesla in geval van bovengrondse hoogspanningslijnen in combinatie met gevoelige bestemmingen. Onder gevoelige bestemming in deze context wordt verstaan waar kinderen gedurende langere periode vrijwel dagelijks langdurig per dag aanwezig zullen zijn. In de directe omgeving liggen geen gevoelige bestemmingen. De elektriciteitskabels van Stedin worden ondergronds aangelegd, derhalve is het voorzorgbeleid hierop niet van toepassing.

Elektromagnetische velden vormen geen belemmering voor de uitbreiding van het vermogen van het kV station.

46

6.7

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: » « » « »

er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

47

6.7.1

Plangebied

Voor het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. In het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost worden in totaal 409 nieuwe woningen mogelijk gemaakt, verdeeld over acht locaties. Deze woningen zorgen voor een toename van wegverkeer. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (307o van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. In en rondom dit plangebied wordt in de huidige situatie (peiljaar 2020) aan de grenswaarden voldaan. Ook in de toekomst (tussen nu en 2030) wordt aan de grenswaarden voldaan. Zoals hierboven is beschreven maakt het bestemmingsplan in totaal 409 nieuwe woningen mogelijk.

De ontsluiting vindt plaats middels de Aveling, de Laning, de Groene Kruisweg en Oudelandseweg/Hoefsmitstraat/Gaderingviaduct, dus via ten minste een tweezijdige ontsluiting volgens de definitie van de NIBM regelgeving (Besluit NIBM, Regeling NIBM). Bij een tweezijdige ontsluiting mogen volgens deze regelgeving maximaal 3.000 woningen worden gebouwd. Omdat 409 woningen minder is dan de 3.000 woningen wordt voldaan aan de NIBM regelgeving. De in paragraaf 6.6 besproken uitbreiding van het kV station zorgt voor maximaal 2 extra verkeersbewegingen per week. Dat is aanzienlijk minder dan de verkeersbewegingen van 1 woningen, deze beperkte verkeerstoename heeft dus geen invloed op de hierboven getrokken conclusie. De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg.

6.7.2

Conclusie

Het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost.

6.8

Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

48

6.8.1

Plangebied

De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. In Tussenwater ten oosten van de Karvelsedijk en in het zuidelijk deel van het bedrijventerrein Gadering is de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) naar verwachting schoon. De bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld is in dit gebied eveneens schoon. In Oudeland en het noordelijk deel van het bedrijventerrein Gadering is de bodemkwaliteit in de contactzone naar verwachting zeer licht verontreinigd. De bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld is in dit gebied eveneens zeer licht verontreinigd. Het is daarom aannemelijk dat de bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van de in het bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen niet in de weg staat. Op 7 mei 2020 heeft er een verkennend onderzoek plaatsgevonden voor het gehele Oudelandsepark, in het kader van de herinrichting van het park. Uit dit onderzoek blijkt dat de verontreiniging niet ernstig is en voldoende onderzocht. Voor de uitbreiding van het 150 kV-station (de bestemming 'Bedrijf-Nutsvoorziening') die in het Oudelandsepark is gelegen is er daarom in de bouwplanfase geen aanleiding voor vervolgonderzoek dan wel het uitvoeren van saneringsmaatregelen.

6.9

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.

Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.

Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname

49

de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Plangebied Het plangebied van Hoogvliet Noordoost ligt wat betreft de Oude Maas buiten de 200 meter zone die genoemd wordt in artikel 8 lid 1 van het Bevt. Dit betekent dat (de verandering van) het groepsrisico niet verantwoord hoeft te worden. Het plangebied ligt binnen de 200 meter zone van het Bevt als het gaat om de rijksweg A15 en het doorgaande spoor (Betuwelijn). Dit betekent dat (de verandering van) het groepsrisico van deze twee risicobronnen verantwoord moet worden. Ook een aantal ondergrondse buisleidingen en een aantal inrichtingen (bedrijven) hebben invloed op het plangebied. De risico's van de bovengenoemde risicobronnen worden hieronder besproken. Alleen bij de propyleenleiding en één van de aardgasleidingen is het plaatsgebonden risico relevant. Daarom wordt bij de andere onderstaande risicobronnen alleen het groepsrisico behandeld.

De onderstaande gegevens zijn afkomsting van het onderzoek externe veiligheid en het onderzoek groepsrisico (een update van het eerdere onderzoek, uitgevoerd met versie 8.3 van het safeti risico-berekeningsprogramma), die als bijlagen 7 en 8 bij de toelichting zijn gevoegd.

6.9.1

Leidingen

Aardgasleiding De hoge druk aardgasleiding A517 van de Gasunie gaat dwars door het plangebied. De 10-6-plaatsgebonden risicocontour van deze leiding ligt niet over bestaande kwetsbare bestemmingen, hetgeen betekent dat er geen knelpunten zijn in de huidige situatie. De ontwikkelingen zijn allemaal kwetsbare bestemmingen (woningen), ook deze blijven buiten de 10-6-plaatsgebonden risicocontour. De 10 letaalzones van de volgende hoge druk aardgasleidingen reiken tot over het plangebied: aan de noordoostelijke kant de aardgasleiding W-504-01 en ten noorden van de A15 de aardgasleidingen A559 en A-537. Uit de berekeningen blijkt er bij aardgasleiding W-504-01 geen sprake is van een groepsrisico. De groepsrisico's van de andere leidingen zijn weergegeven in de tabel. De groepsrisico's van de A-537 -deel-1 en de A-517-deel-1 zijn kleiner dan 300 van de oriëntatiewaarde, dat van A-559-deel-1 is nagenoeg nul. Deze groepsrisico's veranderen niet door de ontwikkelingen binnen Noordoost. Hoge druk aardgasleidingen

N

Freq/jr

Factor OW

A-559-deel-1

13

1,3 x 10-9

2,203x10-5

A-517-deel-1

214 3,88x10--8

0,178

A-537-deel-1

175 2,02x10-8

0,062

Propyleenleiding De propyleenleiding is binnen het plangebied gelegen (ter plaatse van het bedrijventerrein Gadering en aan de oostkant van het plangebied). Bij deze leiding is dus ook het plaatsgebonden risico relevant. De 10-6-plaatsgebonden risicocontour ligt niet over bestaande kwetsbare bestemmingen, hetgeen betekent dat er geen knelpunten zijn in de huidige situatie. De ontwikkelingen zijn allemaal kwetsbare bestemmingen (woningen), ook deze blijven buiten de 10-6-plaatsgebonden risicocontour. Uit de berekening van het groepsrisico van de propyleenleiding blijkt dat dit groepsrisico heel laag is, 0,0148 maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkelingen in Hoogvliet Noordoost zorgen niet voor een toename van dit groepsrisico.

Chloorleiding Ten noorden van Hoogvliet Noordoost is een chloorleiding gelegen. Het groepsrisico in de huidige situatie en het effect van de ontwikkelingen in het plangebied op de hoogte van het groepsrisico zijn berekend. Uit deze berekening blijkt dat het groepsrisico van de chloorleiding in de huidige situatie 1,78 maal de oriëntatiewaarde bedraagd. Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het groepsrisico toe tot 2,51 maal de oriëntatiewaarde.

50

6.9.2

Transport gevaarlijke stoffen over weg

Door de ontwikkelingen binnen het plangebied neemt het groepsrisico van de A15 minimaal toe. Het groepsrisico is kleiner dan 100Zo van de oriëntatiewaarde.

6.9.3

Transport gevaarlijke stoffen over rail

Door de ontwikkelingen binnen het plangebied neemt het groepsrisico van het spoor minimaal toe. Het groepsrisico is kleiner dan 1007o van de oriëntatiewaarde.

6.9.4

Inrichtingen

Bedrijven met invloedsgebieden die over het plangebied Hoogvliet Midden heen gaan zijn: Hexion, het emplacement van Prorail in Pernis, de Raffinaderij van Shell en Koole (voorheen Odfjell). Door de grote afstanden tot het plangebied spelen de 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van deze bedrijven geen rol. De invloed van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan Hoogvliet Midden mogelijk maakt op het groepsrisico van deze bedrijven wordt hieronder beschreven.

Groepsrisico Hexion Uit de berekening van het groepsrisico van Hexion blijkt dat er géén sprake is van een groepsrisico vanwege dit bedrijf. Dit geldt zowel voor de huidige situatie als in de situatie waarin de ontwikkelingen die het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost mogelijk maakt zijn gerealiseerd. In de conclusie over het groepsrisico wordt Hexion daarom buiten beschouwing gelaten.

Emplacement Pernis (Prorail) Uit de berekening van het groepsrisico van het Emplacement Pernis blijkt dat dit groepsrisico heel laag is, 0,0148 maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkelingen in Hoogvliet Noordoost zorgen niet voor een toename van dit groepsrisico.

Shell Raffinaderij Uit de berekening van het groepsrisico van de Shell raffinaderij blijkt dat dit groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt, 0,635 maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkelingen in Hoogvliet Noordoost zorgen niet voor een toename van dit groepsrisico.

Koole Het groepsrisico van Koole Terminal Botlek is berekend inclusief alle medewerkers in het haven industrieel complex. Uit deze berekening komt naar voren dat er sprake is van een hoog groepsrisico van 17,7 maal de oriëntatiewaarde. Dit groepsrisico wordt nagenoeg helemaal veroorzaakt door de persoonsdichtheid ter plaatse van de bedrijven rondom Koole. Door de ontwikkelingen in het plangebiedneemt het groepsrisico van Koole niet toe.

6.9.5

Conclusie

De ontwikkellocaties liggen buiten de 10-fVjr plaatsgebonden risicocontouren (veiligheidszones) en buiten de plasbrandaandachtgebieden, de zoneringsafstanden en de belemmeringsstroken van de verschillenden risicobronnen. Alleen de groepsrisico's van de risicobronnen zijn relevant voor het bestemmingsplan. Hieronder wordt aangegeven waarom de gemeente deze groepsrisico's in het kader van dit bestemmingsplan verantwoord vindt. Alle ontwikkellocaties zijn goed bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten. Het gemeentelijke Beleidskader Groepsrisico gaat bij het verantwoorden van het groepsrisico uit van drie categorieën. Een groepsrisico kleiner of gelijk aan 0,3 maal de oriëntatiewaarde valt in de categorie 'licht'. Dit is het geval bij het groepsrisico vanaf het spooremplacement Pernis, de aardgasleidingen, de propyleenleiding, de A15 en het spoor. Bij de A15 neemt het groepsrisico minimaal toe door de ontwikkelingen in het plangebied. Bij de andere hier genoemde risicobronnen neemt het groepsrisico door de planontwikkeling niet toe. Deze (zeer) lage groepsrisico's worden door de gemeente Rotterdam verantwoord geacht. Mede gelet op het gegeven dat het groepsrisico niet of minimaal toeneemt, en gezien de grote afstand van de risicobronnen tot de ontwikkellocaties.

51

Een groepsrisico tussen de 0,3 maal de oriëntatiewaarde en de oriëntatiewaarde valt in de verantwoordingscategorie 'midden'. Het groepsrisico van de Shell raffinaderij valt in deze categorie. De volgende punten zijn van belang bij het verantwoorden van deze groepsrisico's: » «

het groepsrisico neemt door de ontwikkelmogelijkheden in het bestemmingsplan niet toe; de afstanden tussen de chloorleiding en de de ontwikkellocaties zijn groot, en de afstanden tussen de Shell raffinaderij en de ontwikkellocaties zijn zeer groot;

Het groepsrisico van de Shell raffinaderij wordt als verantwoord gezien omdat deze lager is dan de oriëntatiewaarde en niet toeneemen door de planontwikkeling. Maatregelen om de effecten van een calamiteit te verminderen leveren ter plaatse van de ontwikkellocaties gezien de grote afstand tot de risicobronnen weinig effectreductie. Daarom zullen effectreducerende maatregelen niet worden voorgeschreven. Het treffen van bronmaatregelen behoort voor de gemeente niet tot de mogelijkheden. Een groepsrisico hoger dan de de oriëntatiewaarde valt in de categorie 'zwaar1. Over de verantwooding van de groepsrisico's die in deze categorie vallen moet een expliciet bestuurlijk besluit worden genomen. De groepsrisico's van het bedrijf Koole en van de chloorleiding vallen in deze categorie.

Koole Het groepsrisico van Koole Terminal Botlek is 17,7 maal de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de ontwikkelingen in het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost. Het groepsrisico van Koole is zo hoog omdat het is berekend inclusief alle medewerkers in het haven industrieel complex. Voor het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost vindt de gemeente dit groepsrisico verantwoord omdat gezien de grote afstand de persoonsdichtheid in het plangebied nauwelijks bijdraagt aan de hoogte van het groepsrisico. Hetgeen ook betekent dat bij een calamiteit bij Koole de kans op een effect binnen het plangebied gering is.

Chloorleiding Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het groepsrisico toe van 1,78 maal de oriëntatiewaarde tot 2,51 maal de oriëntatiewaarde. Chloor is een giftige stof. Bij een beschadiging van de chloorleiding kan er een gifwolk ontstaan die zich door de wind over een groot gebied kan verspreiden. De kans op een dergelijke gifwolk is zeer gering, maar het aantal slachtoffers kan bij mensen die in de buitenlucht verblijven groot zijn. Daarom is het zaak om bij het optreden van een gifwolk te schuilen in goed afsluitbare ruimten, en als er sprake is van een mechanische ventilatie deze uit te zetten. Het groepsrisico is in de huidige situatie al hoger dan de oriëntatiewaarde. Bij het berekenen van de bijdrage van de planontwikkeling is (worst-case) aangenomen dat de te ontwikkelen woningen nieuw zijn ten opzichte van de huidige situatie. De nieuwe woningen worden echter voornamelijk gerealiseerd ter vervanging van woningen die al gesloopt zijn of nog gesloopt gaan worden. Per saldo is er door deze herstructurering sprake van een afname van de persoonsdichtheid. De nieuwbouw biedt ook een mogelijkheid om goed afsluitbare woningen te realiseren (daaraan dient in de bouwplanfase extra aandacht te worden besteed). Om deze redenen vindt de gemeente het groepsrisico van de chloorleiding ten aanzien van het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost verantwoord.

6.10 Natuur Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te

52

dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets).

Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

6.10.1

Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Op de natuurkaart is te zien dat het hele noordelijk (waaronder het Oudelandse Park) en oostelijk deel van het bestemmingsplangebied buiten de bebouwde kom is aangewezen als Parkbos. Verschillende houtopstanden binnen het Oudelandse Park en de wijk Oudeland zijn aangewezen als Groene Wijkdooradering. Binnen de ontwikkellocaties 6, 9 en 11 liggen aangewezen Groene wijkdooradering. Dit betreffen bomen (paardenkastanje en gewone es) op het grasland naast een watergang.

6.10.2 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd va het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen).

Natura 2000 Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effecten ontstaan op Natura 2000 gebieden. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende Natura 2000 gebieden aanwezig, te weten: Solleveld en Kapittelduinen, Westduinpark & Wapendal, Nieuwkoopse Plassen, Broekvelden Vettenbroek & Polder Stein en het Haringvliet. Het dichtsbijgelegen van deze Natura 2000 gebieden is het Haringvliet met 9,9 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard van de ontwikkelingen (woningbouw) zijn directe effecten zoals verstoring, effecten op waterhuishouding en dergelijke op voorhand uit te sluiten. Effecten die wel op grotere afstand kunnen plaatsvinden zijn depositie effecten als gevolg van toename van stikstofemissies. Natura 2000-gebieden waar sprake is van overbelasting als gevolg van stikstofdepositie betreffen 'Solleveld en Kapittelduinen', 'Westduinpark & Wapendal', 'Nieuwkoopse Plassen'. Deze gebieden liggen op meer dan 10 km afstand. Het Natura-2000 gebied Oude Maas neemt een bijzondere plaats in ten opzicht van het plangebied van Hoogvliet Noordoost omdat dit Natura 2000-gebied relatief dichtbij het plangebied ligt (circa 1,2 kilometer ten westen van het bestemmingsplangebied).

Het Natura 2000-gebied Oude Maas is echter niet gevoelig voor de depositie van stikstof, zodat de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt geen effect hebben op de natuur in dat gebied.

53

Voortoets stikstofdepositie Voor het bestemmingsplan is een AERIUS-berekening uitgevoerd waarbij alle ontwikkelingen binnen het bestemmingsplangebied zijn meegenomen. Uit de berekening blijkt dat er zowel bij de aanlegfase als de gebruiksfase geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr optreedt. Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn derhalve uitgesloten. Uit deze voortoets blijkt dus dat er geen (significante) stikstofdepositie wordt veroorzaakt door het bestemmingsplan, en dat een passende beoordeling niet vereist is. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar.

Natuurnetwerk Nederland Rondom het bestemmingsplangebied liggen meerdere onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Oude Maas en aangrenzende oevers zijn volledig aangegeven als NNN-gebied. Op 1,9 kilometer ten oosten van het bestemmingsplangebied ligt het Binnenland van Rhoon. Het dichtstbijzijnde 'belangrijk weidevogelgebied' ligt op een afstand van circa 5,1 kilometer ten zuidwesten van het bestemmingsplangebied en betreft polder Simonshaven. Dichtstbijzijnd onderdeel 'strategische reservering natuur' is aanwezig op een afstand van 18,8 kilometer ten westen van het plangebied en betreft de Schapengors grenzend aan Rockanje.

6.10.3 Soortbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: » «

strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.

Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is. De resultaten daarvan worden hieronder per soortgroep beschreven.

Vogels In de natuurdatabase zijn in het bestemmingsplangebied meerdere waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig, te weten de huismus en gierzwaluw. De verblijfplaatsen van zowel huismus zijn geclusterd in de wijk ten noorden van de Fideliolaan, in de wijk Oudeland. Hier zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig onder de boeiborden van woningen met een plat dak. Ook de woningen rondom de Toscalaan en Don Carloshof, zijn geschikt voor de huismus. Waarnemingen van gierzwaluw zijn bekend uit de wijk ten zuiden van het Fledermauspad. Dit zijn binnen Oudeland de enige woningen met een zadeldak met dakpannen. Binnen het bestemmingsplangebied zijn met name de bebouwing belegd met dakpannen geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw. De woningen met een plat dak herbergen doorgaans geen geschikte openingen voor deze soorten om te broeden. In enkel deelwijken wijkt het boeibord dusdanig dat hier onder geschikte ruimten aanwezig zijn. Voor overige vogels met een jaarrond beschermde verblijfplaatsen gebouwen is de bebouwde kom binnen het bestemmingsplangebied ongeschikt wegens de stedelijke ligging. In het bestemmingsplangebied is potentieel geschikt habitat voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen aanwezig.

In het Oudelandsepark of de boomgroepen grenzend aan de A15 kunnen sperwer, ransuil of buizerd tot broeden komen. In het plangebied is broedhabitat aangetroffen voor soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Deze zogeheten Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het bestemmingsplangebied kunnen soorten verwacht worden zoals spreeuw, koolmees, pimpelmees, boomkruiper, zwarte kraai en ekster. Wat betreft algemene broedvogels kan in het bestemmingsplangebied een scala aan water-, boom-, struweel- en gebouwbroedende vogelsoorten verwacht worden. Waargenomen in het bestemmingsplangebied zijn onder andere roodborst, wilde eend, meerkoet, waterhoen, zanglijster, houtduif, winterkoning en kleine mantelmeeuw.

Vleermuizen Volgens de natuurdatabase van de Gemeente Rotterdam zijn in het bestemmingsplangebied

54

waarnemingen van vleermuizen bekend, verspreid over meerdere jaren. Het betreft waarnemingen van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis, laatvlieger (zomer-, kraam-, paaren (massa) winterverblijfplaatsen), en van gewone grootoorvleermuis en rosse veermuis (overvliegend en foeragerend). Nagenoeg alle woonhuizen, kantoorgebouwen en appartementencomplexen in het bestemmingsplangebied zijn geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De overgrote meerderheid van deze bebouwing bevat open stootvoegen, openingen rondom regenpijpen, ruimtes tussen gevel en dakpannen, wijkende boeiborden en/of metalen dakstrips die toegang verschaffen tot de spouwmuren en nissen in de gevels. Hier is potentie voor individuele winter-, zomer-, paar- en kraamverblijfplaatsen van met name gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen kunnen aanwezig zijn in de aanwezige bebouwing met een grotere massa zoals hoge appartementencomplexen, woontorens en kantoorgebouwen. In het Oudelandse Park zijn bomen aanwezig met afgebroken takken en/of spechtenholten.

Hier is potentie aanwezig voor vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, zijnde ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, waterveermuis en gewone grootoorvleermuis voor zomer-, kraam-, en paar-, en winterverblijfplaatsen. Alle soorten zijn in het Oudelandse Park waargenomen. Binnen het bestemmingsplangebied bevinden zich meerdere lijnvormige structuren (watergangen, bomenrijen, bosgebieden) die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als foerageergebied en/of (essentiële) vliegroute. Het Oudelandse park is onderdeel van essentieel foerageergebied.

Grondgebonden zoogdieren Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren, opgenomen in de Habitatrichtlijn, zoals bever, Noordse woelmuis en otter. Het plangebied is gelegen in stedelijk gebied, waardoor geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt. Het bestemmingsplangebied is geschikt voor Nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvoor geen vrijstelling geldt in de provincie Zuid-Holland. Aanwezigheid van steenmarter is in het plangebied vastgesteld. Er is een waarneming van steenmarter in het noordelijk deel van het Oudelandse park. De soort kan binnen het gebied gebruik maken van de aaneengesloten groene linten langs sloten en wegen, de begraafplaats en groene achtertuinen. Vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in konijnenholen, puinhopen of in ondergrondse ruimten onder schuurtjes en gebouwen. Het plangebied is ongeschikt voor andere Nationaal beschermde zoogdieren zonder provinciale vrijstelling. Geschikt habitat in de vorm van aaneengesloten bosgebied, nat veenweidegebied of anderzijds ecologisch beheerde terreinen is afwezig. In het bestemmingsplangebied kunnen verder Nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren worden verwacht waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Dit betreffen met name verschillende soorten (spits-) muizen, egel, vos en konijn.

Geschikt habitat voor deze soorten is aanwezig in de groene zones en tuinen.

Vissen Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor Habitatrichtlijn soorten vissen zoals Atlantische steur, houting, fint, zalm en rivierprik. Geschikt habitat in de vorm van rivieren en getijdenwateren zijn afwezig. Open water is verspreid aanwezig binnen het bestemmingsplangebied. Deze watergangen zijn ongeschikt voor Nationaal beschermde soorten vissen. Beschermde vissen betreffen met name beekvissen en grote modderkruiper. Het plangebied ligt niet binnen het verspreidingsgebied van deze soorten. Binnen het bestemmingsplangebied kunnen wel algemeen voorkomende vissoorten waaronder brasem, karper, blankvoorn, vetje en tiendoornige stekelbaars worden verwacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=d060b484-eabd-4f78-897b-98eeeadd1e96