CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb005237] Bijlage 1 behorende bij 23bb5277 - Ontwerpbestemmingsplan Hoogvliet Noordoost

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 12 september 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting ontwerpbestemmingsplan Hoogvliet Noordoost36.025 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen. Wederopbouwaandachtsgebieden Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming. Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden.

Voor Hoogvliet is een cultuurhistorische Quick Scan opgesteld, hierin zijn een aantal objecten als beeldbepalend gewaardeerd. Het plangebied Binnen het plangebied bevindt zich geen beschermd stadsgezicht. Er is wel een beeldbepalend pand gelegen: »

Mariakerk aan de Parelvisserstraat 131 Jaar: 1961 Architect: P.C.J. Blaauwhof

Dit beeldbepalende pand heeft de dubbelbestemming Verbroken kruisverwijzing naar 'Waarde - Cultuurhistorie ' gekregen.

21

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Opzet van het plan

Het bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij de geldende bestemmingsplannen. Daar waar in het bestemmingsplan wordt gesproken over nieuwe ontwikkelingen zijn deze veelal overgenomen uit de geldende bestemmingsplannen "Hoogvliet Oudeland'V'Gadering-Tussenwater" en "Deeldijk (het noordelijk stuk) ". Bij het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan zijn wel de al toegestane, maar nog niet gerealiseerde, woningbouwmogelijkheden onderzocht op milieuaspecten. Tevens is een toets op concreetheid van de mogelijkheden in de bestaande bestemmingsplannen gedaan, om te bezien of de ontwikkeling nog steeds financieel haalbaar is.

4.2

Ontwikkelingen

De meeste van de bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan waren al in het geldende bestemmingsplan opgenomen (Afbeelding 1) maar ze zijn niet tot een uitvoering gebracht.

Legenda bouwveld

Afbeelding 1.

Deze bebouwingsmogelijkheden zijn in het kader van dit bestemmingsplan geactualiseerd conform het woningbouwprogramma Hoogvliet. Ze zijn opnieuw onderzocht op milieu- en financiële haalbaarheidsaspecten zodat ze opnieuw opgenomen kunnen worden in dit bestemmingsplan.

22

Voor de wijk Oudeland is een ruimtelijk kader opgesteld waarin diverse bouwvelden gedefinieerd zijn. Onderstaande afbeelding (Afbeelding 2) bevat de indeling van de bouwvelden.

Afbeelding 2. De bouwvelden hebben in dit bestemmingsplan elk een bestemming "Woongebied 1 t/m 5 " gekregen waar een maximaal aantal woningen aan gekoppeld is. Op een locatie na zullen er binnen de bouwvelden voornamelijk grondgebonden woningen gerealiseerd worden. Binnen een bestemming Woongebied -3 mag ter plekke van een hoogte aanduiding tot en met zeven lagen gebouwd worden. In totaal zullen er maximaal 254 woningen gebouwd worden. WG 1: 6 woningen (max. 3 lagen). WG 2: 6 woningen (max. 3 lagen). WG 3: 6 woningen (max. 3 lagen) en 50 appartementen (max. 7 lagen). WG 4: 108 woningen (max. 3 lagen). WG 5: 78 woningen (max. 3 lagen).

Voor alle ontwikkelingen rond het hart van Oudeland met 2 bouwvelden (Afbeelding 3) geldt 3 bouwlagen als uitgangspunt. Daarnaast is er ruimte voor twee hoogte-accenten, variërend van 9-10 bouwlagen, die gezamenlijk het hart van de wijk markeren. De maximale bouwhoogte wordt per bouwveld bepaald aan de hand van het ruimtelijk laadvermogen. Voor het bouwveld langs de Troubadourlaan wordt een L-vormig volume geintroduceerd dat het bouwblok zorgvuldig afrondt richting het park. Op de hoek aan het park wordt een maximum van 10 bouwlagen gehanteerd, wat inspeelt op de omliggende open ruimte. Het bestaande parkeerdek blijft behouden. Het onderliggend supermarktvolume wordt door Arlan vastgoed getransformeerd naar parkeergarage, waardoor ca. 60 woningen kunnen worden gerealiseerd. Voor het bouwveld aan de Wilhelm Tellhof 4 t/m 32 heeft Weboma een nieuwe ontwikkeling voorzien die ca. 80 koop- en huurwoningen omvat in het middensegment. Het plan laat ook een gemengd programma van maximaal 200 m2 toe voor wijkgebonden functies zoals maatschappelijke voorzieningen, commerciële voorzieningen en/of bedrijven. Een deel van het parkeren wordt gebouwd op de begane grond binnen het gebouw en een deel is opgelost in het openbaar gebied. Hier is ruimte voor een 9 bouwlagen hoog accent aan het plein voor villa vonk wat inspeelt op de omliggende open ruimte.

23

GD-3

V-VB

Afbeelding 3. Het hart van Oudeland.

4.2.1

Reeds gerealiseerde ontwikkelingen

Daarnaast zijn er een aantal ontwikkelingen die reeds gerealiseerd zijn. Deze worden rechtstreeks bestemd in het bestemmingsplan conform de gerealiseerde situatie en worden niet meer in het bestemmingsplan als ontwikkeling benoemd. Het gaat om bouwvelden uit Afbeelding 1: «

Oudeland Bouwveld J (Marthalaan) Woningbouw, start 2018 en oplevering in september 2019, 25 eengezinswoningen

»

Oudeland bouwveld L (Acapella langs de Troubadourlaan)

«

Oudeland bouwveld K (Parelvisser)

Woningbouw, gestart in 2017 en inmiddels opgeleverd, 15 eengezinswoningen Woningbouw, gestart in 2017 en inmiddels opgeleverd, 61 eengezinswoningen »

De voorziene woningbouw op bouwveld M is reeds vergund.

De maximale aantallen woningen en de maximale hoogtes bij nieuwe ontwikkelingen worden onderzocht in de milieuonderzoeken. Voordat ontwikkelingen direct opgenomen worden in het bestemmingsplan dienen ze ook vooraf voorzien te zijn van een anterieure overeenkomst/GREX, uiterlijk voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gaat.

Bestemmingswijziging Een aantal ongerealiseerde woningbouwlocaties uit het huidige bestemmingsplan Oudeland zullen van bestemming wijzigen. Het gaat om de volgende locaties: « » »

Locatie aan de Manonstraat. De bestemming wijzigt van woongebied naar verkeer-verblijfsgebied. Locatie aan de Traviataweg. De bestemming wijzigt van woongebied naar groen. Locatie aan Tannhauserpad. De bestemming wijzigt van woongebied naar groen.

De wijzigingen van de bestemming zijn gevolg van gewijzigde woningbouwprogramma en gekozen inrichtingsprincipes.

24

In het gebied van het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost heeft in het verleden een grootschalige sloop plaatsgevonden. Met de realisatie van de beoogde woningbouw zal nog steeds sprake zijn van het afnemen van een aantal woningen. Daarentegen zal in het centrum (Hoogvliet Midden) sprake zijn van verdichting. De werkzaamheden aan het bestemmingsplan voor Hoogvliet Midden lopen parallel aan dit bestemmingsplan.

4.2.2

Thema's:

4.2.2.1 Detailhandel In het detailhandelsbeleid wordt ingezet op verkleinen van het winkelgebied. Er is sprake van leegstand. Daarom in dit bestemmingsplan wordt naast detailhandel ook ruimte geboden aan kleinschalige bedrijvigheid, dienstverlening en maatschappelijke functies in de bestaande plinten.

4.2.2.2 Duurzaamheid Het Rotterdamse kwaliteitsbeleid wonen is van toepassing op nieuwbouwprojecten en bij transformaties, waarbij de functie wijzigt naar wonen. Het kwaliteitsbeleid zal initiatiefnemers van nieuwbouw- en transformatieplannen van tevoren duidelijk maken welke elementen de gemeente van belang acht voor het realiseren van woningbouw met toekomstwaarde. De duurzaamheidsambities voor de herontwikkeling van Hoogvliet Noordoost zijn om de bestaande kwaliteiten zoals het vele groen en water te behouden en kansen te benutten. Er wordt gestuurd op een gezonde leefomgeving: groen en water wordt de buurt ingetrokken en geactiveerd met langzaam verkeersroutes. De woningbouwontwikkelingen worden duurzaam door het gebruik van verantwoorde materialen, energiezuinige bouw, klimaat adaptieve en natuur inclusieve toepassingen.

4.3

Juridische planbeschrijving

4.3.1

Belwinkels

De aanwezigheid van belwinkels wordt in Rotterdam in menig deelgebied in toenemende mate als problematisch ervaren. Voor belwinkels die alleen de mogelijkheid bieden om (goedkoop) te telefoneren geldt de Winkeltijdenwet niet en dat betekent dat die dienst 24 uur per dag, 7 dagen in de week, mag worden aangeboden. Dit kan leiden tot overlast door het komen en gaan van klanten op late uren in straten waar wonen en detailhandel van oudsher worden gecombineerd. Via de inmiddels vervallen leefmilieuverordening Belhuizen, is een beperkt aantal belhuizen gelegaliseerd onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zodra het gebruik als belhuis definitief is beëindigd of vervangen door een andere toegelaten functie, een belhuis niet langer is toegestaan. In het vorige bestemmingsplan was een belhuis aan Wilhelm Tellplaats 11 positief bestemd.Omdat het gebruik als belhuis definitief is beëindigd is de mogelijkheid tot het vestigen van een nieuwe belhuis ter plekke van een aanduiding 'belhuis toegestaan' op het adres aan Wilhelm Tellplaats 11 vervallen. De aanduiding is in dit bestemmingsplan verwijderd. Voor dit adres zal alleen de hoofdbestemming 'Gemengd-3' gaan gelden.

4.3.2

Groen

Structurele groengebieden zijn bestemd als "Groen". Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

4.3.3

Horeca

Horeca definitie en afbakening

25

In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

Wat is horeca? Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting. De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel.

Exploitatievergunning of niet? In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0. Basisvrijstelling

Geopend tussen 07:00 en 22:00 uur alleen achtergrondmuziek aanbieden; alleen een gevelzitplaats (max. 1m uit de gevel over de breedte van de gevel) exploiteren; geen kansspelen, seks- en/of drugsgerelateerde activi­ teiten aanbieden en/of gelegenheid bieden tot het roken met gebruik van een waterpijp; de horeca-activiteiten passen binnen de bestemming van het object; de openbare inrichting niet vergunningplichtig is op grond van de Drank- en Horecawet.

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

26

Vrijstelling met horecabestemming

* Geopend tussen 07:00 en 23:00 uur; * een gevelterras exploiteren tot max. 3m uit de gevel over de breedte van de gevel; * alcoholische drank schenken indien zij in het bezit zijn van een Drank- en Horecawetvergunning.

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten: muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.) Vrijstelling voor bijzondere objecten A instellingen

Geopend tussen 07:00 en 23:00 uur; een gevelterras exploiteren tot max. 3m uit de gevel over de breedte van de gevel; alcoholische drank schenken indien zij in het bezit zijn van een Drank- en Horecawetvergunningř.

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. In die gevallen is dus altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren.

Exploitatievergunning Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten.

Exploitatiecategorieën De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie).

Gebiedsgericht werken Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z'n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd.

Terrassen

27

Binnen de bestemming Verkeer-Verblijfsgebied zijn tevens ongebouwde terrassen toegestaan aangrenzend aan bestemmingen die horeca toelaten.

4.3.4

Evenementen

De gemeenteraad heef op 9 juli 2019 het nieuwe 'Beleidskader Evenementen' vastgesteld. Rotterdam wil zijn positie als evenementenstad behouden en uitbouwen. Daarnaast is één van de doelen in het beleid een goede balans tussen levendigheid en leefbaarheid. Er is ingezet op een betere spreiding van evenementen over de stad om de lusten en de lasten gelijkmatig over de stad te verdelen. Op basis van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid is vanwege de pijler Cultuur voor Rotterdam Zuid ingezet op verlevendiging. In dit bestemmingsplan is op basis van historische cijfers en toekomstige ambities afgewogen hoeveel evenementen binnen de bestemmingsplangrens kunnen plaatsvinden waarbij er een goede balans tussen rust en reuring is. In de regels is opgenomen hoeveel evenementen toegestaan zijn, de maximale duur van alle evenementen samen, de omvang en de maximale geluidbelasting. In artikel 43.1 is opgenomen hoeveel evenementen binnen dit plangebied ruimtelijk mogelijk zijn. De aantallen evenementen, evenementendagen en de maximale geluidbelasting worden aanvaardbaar geacht, mits voldoende spreiding in datum en plaats bewerkstelligd wordt. Spreiding van evenementen in datum en plaats vndt plaats op basis van het afwegingskader van de evenementenvergunning en het evenementenoverzicht.

4.3.5

Leidingen

In het plangebied is een planologisch relevante hogedruk aardgastransportleiding (GT4/GT5) gelegen. Deze leiding is met een zone van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn aangegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan en bestemd met een dubbelbestemming "Leiding - Gas". Het bestemmingsplan gebruikt ter bescherming van deze leiding een aanlegvergunningstelsel. In de regels is aangegeven welke werkzaamheden verboden zijn. Ook is aangegeven voor welke werkzaamheden een vergunning verleend kan worden na een positief advies van de leidingbeheerder. De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor een ondergrondse hogedruk gastransportleiding, inclusief de bijbehorende voorzieningen, alsmede de bijbehorende belemmeringenstroken.

4.3.6

Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn. In dit bestemmingsplan zijn in de bestemming "Maatschappelijk - 1" zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dit betekent dat een functie die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere functie binnen deze definitie. In de bestemming "Maatschappelijk - 2" zijn alleen de niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan.

4.3.7

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken.

28

Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel Verbroken kruisverwijzing naar 'Voorwaardelijke verplichting over parkeren' een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd.

Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.

4.3.8

Seksinrichtingen

Het schrappen van het algemene bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht maakt het mogelijk de exploitatie van seksinrichtingen aan gemeentelijke regelgeving te onderwerpen. In de "Nota prostitutie en seksbranche, Rotterdam 2015" staat hoe dit in de gemeente Rotterdam is geregeld. Het beleid is gericht op het tegengaan van misstanden en mensenhandel in de seksbranche, op een beheersbare vergunde sector, op het versterken van de positie van de sekswerker en op het beschermen van het woon- en leefklimaat. Het vergunningstelsel wordt als middel gebruikt om de grip op de vergunde branche te behouden en te verbeteren. Het vormt daardoor een barrière voor mensenhandel. De gestelde voorwaarden en vereisten worden streng gecontroleerd en bij nieuwe vergunningaanvragen worden exploitanten gescreend op grond van de Wet Bibob. Het nieuwe vergunningstelsel sluit beter aan bij de verschillende activteiten die in de seksbranche worden aangeboden. Daarnaast kunnen vergunningen voor nieuwe seksbedrijven worden aangevraagd via een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan. Het vergunnen van seksbedrijven dient niet ten koste te gaan van de veiligheid en aantrekkelijkheid van de stad. Overlastgevende seksbedrijven worden aangepakt en nieuwe vergunningen worden alleen verleend wanneer aan de strikte vestigingsvoorwaarden voor seksinrichtingen wordt voldaan.

Binnen dit bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen bestemd.

29

4.3.9

Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied

Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied (op grond van artikel 2 van Bijlage II Bor) is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invoed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 2 Bijlage II Bor. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling uit artikel 2 toelaat. Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied.

Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn. In het voorliggende bestemmingsplan is ervoor gekozen om een regeling voor het bouwen van aan- en uitbouwen en [bijgebouwen] op te nemen.

4.3.10 Verkeers- en verblijfsgebied De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming "Verkeer - Verkeersweg" gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming "Verkeer - Verkeersweg" zijn doorgaans de 50-km wegen opgenomen. De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

4.3.11

Voorzieningen van openbaar nut

Deze bestemming is toegekend aan gebouwen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen). Kleine bouwwerken van openbaar nut zijn niet bestemd en kunnen in principe overal worden gerealiseerd. Het gaat hierbij om gebouwtjes met een inhoud van minder dan 80 m3. In dit bestemmingsplan zijn er vier voorzieningen van openbaar nut als "Bedrijf - Nutsvoorziening" bestemd.

4.3.12 Werken aan huis In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 300Zo van de woning voor beroeps-Zbedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

30

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.

5.1.2

Provinciaal beleid

De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van de hoogwaterrisico's. Het beleidskader is opgenomen in de Provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de Provinciale Verordening Ruimte.

5.1.3

Regionaal beleid

Het college van B&W heeft in februari 2019 het Rotterdams Weerwoord vastgesteld. Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwater onder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. In 2019 wordt samen met de waterschappen gewerkt aan uitvoeringsafspraken.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in Hoogvliet is het waterschap Hollandse Delta. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvoeden.

31

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied zijn een aantal hoofdwatergangen en andere watergangen en waterpartijen gelegen. Met name in het Oudelandsepark en rond de begraafplaats. Ook tussen Oudeland en Gadering/Tussenwater is veel oppervlaktewater, en bij het metrostation Tussenwater ligt een grote waterpartij. De beschermingszones langs de hoofdwatergangen hebben de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterstaatkundige functie' gekregen. De hoofdwatergangen en de bredere watergangen hebben de bestemming 'Water' gekregen. Kleinere watergangen (sloten) zijn toegestaan in de bestemmingen 'Groen' en 'Agrarisch'. Het plangebied ligt bijna helemaal binnen één peilgebied met een vast oppervlaktewaterpeil van 2,4 meter beneden NAP. Het agrarische gebied aan de oostkant van het plangebied heeft een zomerpeil van 2,4 meter beneden NAP en een winterpeil van 2,55 meter beneden NAP.

5.3.2

Grondwater

Voor grondwater liggen er een groot aantal peilbuizen in het plangebied. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Verschillende peilbuizen meten een ontwateringsdiepte van minder dan 80 centimeter, in het woongebied is de kleinste ontwateringsdiepte 32 centimeter. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte in een deel van het plangebied kleiner is dan 80 centimeter is er kans op grondwateroverlast in het plangebied. Er zijn met name in de wijk Oudeland problemen bekend met (grond)wateroverlast in kruipruimtes. Een te lage grondwaterstand (grondwateronderlast) is binnen het plangebied geen aandachtspunt omdat er niet is gefundeerd op houte palen die kunnen gaan rotten.

5.3.3

Waterkering

Aan de noordzijde van het plangebied is de primaire waterkering gelegen, in het noordwesten voor een klein deel binnen het plangebied. De beschermingszones vallen geheel binnen het Oudelandsepark. Aan de oostzijde loopt een regionale waterkering (compartimenteringskering) door het plangebied, de Deeldijk. Deze waterkering wordt echter binnenkort uit de legger gehaald en de met de waterkering samenhangende beperkingen komen dus te vervallen. Vooralsnog hebben beide waterkeringen in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' gekregen. En de beschermingszones lang de waterkeringen hebben de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-dijk' gekregen.

5.3.4

Riolering

Het bestemmingsplangebied ligt geheel binnen rioleringsdistrict 21 (Oudeland). Het rioolwater wordt door het districtsgemaal aan de Toscalaan via een persleiding naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Hoogvliet aan de Venkelweg gepompt alwaar het, na zuivering, in de Oude Maas wordt geloosd. In het plangebied ligt overwegend een gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering. In de woonwijk Oudeland liggen langs de Troubadourlaan, Marthalaan, Toscalaan en Oudelandseweg regenwaterstelsels. Deze liggen naast het de gemengde riolering en komen uit op het oppervlaktewater. In de noordrand van deze wijk ligt ook een drainagestelsel. In de zuidelijke helft van bedrijvenpark Gadering ligt een verbeterd gescheiden stelsel.

5.3.5

Klimaat

De verharding, gebouwen en het gebruik leidt in stedelijk gebied tot hogere temperaturen vergeleken met het omliggende platteland. Vergeleken bij grote delen van Rotterdam is in het plangebied het warmte-eilandeffect beperkt; circa 1 tot 1,6 oC (ter vergelijk; ongeveer 2,5 oC in het centrum van Rotterdam). Dit komt door de grote oppervlakten grasveld in Oudeland.

32

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

Op dit moment zijn grote delen van het herstructureringsgebied onverhard. Er is in nieuw oppervlaktewater voorzien door de aanleg van een nieuwe waterlopen en de mogelijkheid tot het verbreden van bestaande waterlopen. In het bestemmingsplan Oudeland is voor het herstructureringsgebied in de wijk Oudeland de aanleg van maximaal 6,6 ha nieuw oppervlaktewater mogelijk gemaakt. De ligging van dit te maken oppervlaktewater is in onderstaande uitsnede van de plankaart weergegeven. Dit oppervlaktewater betreft invulling van de bestaande wateropgave. Het mogelijk gemaakte nieuwe oppervlaktewater is nog niet gerealiseerd.

ĮJM3

1 jwvtn,

WD12

ĮUU

įmì

ļ

OTPlPBľi

mīH-H-h-

-tef'

PPgTT

Q#«ã rjlimi rļ.

Op de verbeelding van het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost is de invulling van het nieuwe oppervlaktewater anders over het plangebied verdeeld. En binnen de bestemmingen Woongebied is oppervlaktewater mogelijk, maar er is niet vastgelegd waar dit oppervlaktewater gerealiseerd moet worden. De toekomstige inrichting van het herstructureringsgebied is nog niet precies bekend. Er is dus niet goed in te schatten of het nieuw mogelijk gemaakte water voldoende oppervlakte zal hebben voor de, als gevolg van de verhardingstoename, benodigde watercompensatie. De nieuw voorgestelde ligging van oppervlaktewater binnen het bestemmingsplangebied biedt wel betere mogelijkheden voor het naar

33

oppervlaktewater afkoppelen van neerslagwater. De te dempen delen van oppervlaktewateren moeten geheel gecompenseerd worden op een andere locatie. Deze compensaties tellen niet mee als compensatie voor verhardingstoename.

5.4.2

Grondwater

In de door het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn geen nieuwe ondergrondse objecten voorzien. Ook bij de voorgenomen bouw van het appartementencomplex aan Wilhelm Tellhof 4-32 is geen ondergrondse parkeergarage voorzien. Door de plannen zal wel toename van de verharding plaats vnden ten opzichte van de feítelijke huidige situatie. Er kan hierdoor een effect op zowel de grondwaterstand als de rioolbelasting verwacht worden indien deze verhardingstoename wordt aangesloten op het riool. Vanwege de huidige grondwaterproblematiek in de wijk Oudeland wordt geadviseerd in te zetten op kruipruimteloos bouwen. Bij werkzaamheden in de buitenruimte moet het maaiveld teruggebracht worden op uitgiftepeil.

5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (Hiermee wordt bedoeld dat de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op de 100.000 per jaar). De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen is er een landelijk informatiesysteem overstromingen. Doordat de berekening op een hoog abstractieniveau is uitgevoerd is het detailniveau van de kaarten beperkt. Wel kan uit de kaart worden opgemaakt dat bij een dijkdoorbraak in nagenoeg het hele plangebied een waterdiepte kan ontstaan van circa 2,5 tot 5,0 meter. Hoewel een overstroming met een dergelijke diepte tot veel schade zal leiden, is de kans op slachteroffers klein. Bij een overstroming is evacuatie noodzakelijk. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico door overstromingen. Ook de economische waarde neemt niet significant toe.

5.4.4

Riolering

Afvalwater Door de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen kan het aantal woningen met enkele tientallen toenemen ten opzichte van het oude bestemmingsplan. Naar verwachting neemt het daadwerkelijk aantal woningen echter af ten opzichte van het vorige bestemmingsplan én ten opzichte van het aantal woningen voor aanvang de stedelijke vernieuwing. In dat geval zal er geen toename zijn van de belasting door huishoudelijk afvalwater van het nu aanwezige rioolstelsel. Bij een eventuele nieuwe bedrijfsvestiging op het bedrijventerrein Gadering moet de rioolbelasting opnieuw berekend worden indien deze bedrijven aangesloten worden op het gemeentelijk stelsel.

Hemelwater Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 70 mm regenwater in een uur en 80 mm regenwater in een dag. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering. Na bergen op eigen terrein zal het water alsnog vertraagd afgevoerd moeten worden. Voor de ontwikkelingen in het plangebied kan dat bijvoorbeeld door te kiezen voor het laten afstromen van regenwater naar oppervlaktewater in de directe omgeving.

34

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.1

Plangebied

Toetsing bestemmingsplan aan m.e.r.-beoordelingsplicht Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De nieuwbouw van maximaal 409 woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt moet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of

uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In Hoogvliet vinden verschillende ontwikkelingen plaats verspreid over de bestemmingsplannen Hoogvliet Noordoost, Hoogvliet Midden en Hoogvliet Zuidwest. Het gaat om verschillende ontwikkelende partijen. En de ontwikkelingen lopen uiteen in de tijd. Om deze redenen kan worden gesteld dat er geen sprake is van financiële, organisatorische of bouwkundige samenhang tussen de ontwikkelingen in de drie bestemmingsplannen. Ook is de realisatie van ontwikkelingen in het ene bestemmingsplan niet afhankelijk van de realisatie van de ontwikkelingen in de andere bestemmingsplannen. Daarom kan er een m.e.r.-beoordelingsbesluit per bestemmingsplan worden genomen in plaats van een gezamenlijk m.e.r.-beoordelingsbesluit.

Planm. e.r.-b eoordeling Door de wijze van bestemmen van het bedrijvenpark Gadering in het bestemmingsplan, waarbij op een

35

deel van het bedrijvenpark bedrijven in milieucategorie 3.2 en op het verder van de woningen gelegen deel bedrijven in milieucategorie 4.2 mogelijk wordt gemaakt, valt niet uit te sluiten dat bedrijven in de toekomst (vormvrij) m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten in het plangebied zullen gaan uitvoeren. Daarmee is het bestemmingsplan in beginsel kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Daarom is er voor gekozen om dergelijke m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten boven de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. uit te sluiten door middel van een specifieke bedrijvenlijst. En wordt er voor activiteiten onder de drempelwaarden door middel van een planm.e.r.-beoordeling onderbouwd dat er door deze activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op zullen treden.

Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn de volgende bedrijfsactiviteiten toegestaan die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (de toegestane activiteit is daarbij teruggebracht tot onder de in het Besluit aangegeven drempelwaarde): D18.1 een installatie voor de verwijdering van afval; D18.4 een rioolwaterzuiveringsinstallatie; D18.7 een installatie bestemd voor de verbranding of chemische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen; D18.8 een inrichting voor de opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken; D20.1 een installatie voor het vervaardigen van papierpulp; D20.2 een installatie voor het vervaardigen van papier of karton; D21.6 een geïntegreerde chemische installatie; D22.1 een installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water; D22.2 een windturbinepark; D28 intensieve aquacultuur van vis; D30 een installatie bestemd voor het vervaardigen van cement; D32.2 een installatie bestemd voor verwerking van ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers, of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal; D32.3 een installatie voor de oppervlaktebehandeling van metalen en plastic materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé; D32.5 een installatie voor het vervaardigen of assembleren van automobielen; D32.6 een installatie bestemd voor het bouwen, onderhouden, repareren of behandelen van de

oppervlakte van metalen schepen; D32.7 testbanken voor motoren, turbines of reactoren of van installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen; D32.8 een spoorwegmaterieelfabriek; D33 een installatie voor het vervaardigen van glas en glasvezels; D34.2 een installatie voor het vervaardigen van farmaceutische producten; D34.3 een installatie bestemd voor het vervaardigen van verven en vernissen; D34.4 een installatie, behorend tot de chemische industrie, bestemd voor de behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën; D34.5 een chemische installatie bestemd voor het vervaardigen van farmaceutische producten; D35 een installatie voor het vervaardigen van dierlijke of plantaardige oliën of vetten, vismeel of vsolie, conserven van dierlijke of plantaardige producten; D36 een installatie van een zuivelfabriek; D37.1 een installatie van een bierbrouwerij; D37.2 een installatie van een mouterij; D38.2 een installatie van een siroopfabriek; D38.3 een suikerwarenfabriek; D39.1 een installatie voor het slachten van dieren; D40 een installatie van een zetmeelfabriek; D41.1 een installatie bestemd voor de voorbehandeling of het verven van vezels of textiel; D42.2 een installatie voor het looien van huiden; D46 een installatie bestemd voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels; D47 een installatie

bestemd voor het vervaardigen van keramische producten. De bovenstaande bedrijfsactiviteiten kunnen bij vestiging op het bedrijventerrein Gadering geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Het gaat hier niet om een nieuw bedrijventerrein, als bovengenoemde bedrijven zich vestigen is dat in plaats van andere activiteiten in dezelfde milieucategorieën. Gezien de structuur van het bedrijventerrein kunnen deze activiteiten geen grote omvang hebben. De genoemde activiteiten op de D-lijst zorgen voor minder (vracht)verkeer dan de huidige activiteiten, zodat er bij verandering ook gunstige gevolgen voor het milieu zijn.

Conclusie Zoals uit het bovenstaande blijkt is er voor het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost een vormvrije m.e.r.-beoordeling en een planm.e.r.-beoordeling nodig. Deze beoordeling is uitgevoerd. Het college heeft besloten dat er geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat er geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten zijn voor het milieu. Zie ook Bijlage 3 M.e.r.-beoordelingsbesluit.

36

6.3

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.3.1

Plangebied

Bedrijven in of nabij het plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als woongebied en industriegebied I. Dit houdt in dat binnen het woongebied bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zijn toegestaan, en binnen het industriegebied I bedrijven in de milieucategorieën 1 tot en met 4.2. In het woongebied van dit bestemmingsplan zijn enkele bedrijven in milieucategorie 1 en 2 aanwezig, en toegestaan in de bestemmingen Gemengd 1 en 3. In de praktijk laten deze bedrijven zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. In de bedrijfsbestemming in het noorden van het bedrijventerrein Gadering zijn bedrijven in de milieucategorieën 1 tot en met 4.2 mogelijk gemaakt. In het zuiden, dichter bij de woonbebouwing, zijn bedrijven in de milieucategorieën 1 tot en met 3.2 mogelijk gemaakt. Bij de 4.2 bedrijven op het industrieterrein vindt de gemeente een afstand van 200 meter tot woningen acceptabel. Bij een paar woningen in het noordoosten van Oudeland wordt hier net niet aan voldaan. Dit is echter een bestaande situatie. Bij de nieuwe woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt wordt aan deze afstand voldaan.

Bij bedrijven in categorie 3.2 op een industrieterrein ziet de gemeente een afstand van 50 meter tot woningen als acceptabel. Bij zowel de bestaande woningen als de woningen die nieuw mogelijk worden gemaakt wordt aan deze afstand voldaan. Het 150 kV station ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf-Nutsvoorziening' is een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 4.2. De indicatieve afstand van milieucategorie 4.2 tot woningen is 300 meter en wordt bepaald door geluid. De kortste afstand van het kV station tot de woningen aan de Oudelandseweg is 115 meter. De gemeente vindt deze kortere afstand acceptabel omdat uit geluidonderzoek blijkt (zie paragraaf 6.6.1) dat de geluidbelasting vanwege het kV station op de woningen lager is dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A). Ten noorden van het plangebied (op meer dan 400 meter van de woningen in het plangebied) bevindt zich het gezoneerde industrieterrein Vondelingeplaat. Geluid en externe veiligheid zijn bepalend voor de afstand die tussen dit industriegebied en woningen aangehouden moet worden. Voor deze milieuthema's is onderzoek gedaan dat hieronder bij de betreffende paragrafen wordt besproken.

37

Overige activiteiten in of nabij het plangebied De overige activiteiten in het plangebied (scholen, detailhandel, kantoor, kinderboerderij) hebben milieucategorie 1 of 2, en passen daarmee in een woongebied. In de nabijheid van het plangebied zijn geen overige activiteiten die va invloed zijn op (de nieuwbouw in) het plangebied.

6.3.2

Conclusie

In Hoogvliet Noordoost en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.

6.4

Geur

Beleid en Normstelling Er is geen wettelijk kwantitatief beoordelingskader voor geur. Het beperken van bestaande geurhinder en het voorkomen van nieuwe geurhinder vindt in het havengebied vooral plaats via de milieuvergunningverlening aan bedrijven. De aanpak van geur is vastgelegd in het 'Geurbeleid kerngebied Rijnmond' (provincie Zuid-Holland, 2005) en de Beleidsnota geurhinderbeleid (provincie Zuid-Holland, 2010). Deze aanpak kan als volgt worden samengevat: Het streven is dat geen geur van de inrichting buiten de terreingrens waarneembaar mag zijn. Dit streven wordt via maatregelen en een algemene zorgplicht voor bedrijven om continu te werken aan vermindering van (kans op) geuremissies vastgelegd in de vergunning. Aan het uitgangspunt 'het voorkomen van additionele bijdragen van geur(hinder) aan de aanwezige hoge geurbelasting van het Rijnmondgebied' wordt invulling gegeven door het toepassen van de Best Beschikbare Technieken (BBT) volgens de Europese richtlijn Industriële Emissies (2010-75-EC), onder in beschouwing nemen van de specifieke bedrijfssituatie en geurhindersituatie. Daarbij wordt in de praktijk een indeling in drie maatregelniveaus onderscheiden, die als 'vangnet-voorschrift' worden opgenomen in de vergunning: » « »

Maatregelniveau I: 'buiten de terreingrens mag geen geur afkomstig van de inrichting waarneembaar zijn'. Maatregelniveau II: ter plaatse van een geurgevoelige locatie mag geen geur afkomstig van de inrichting waarneembaar zijn'. Maatregelniveau III: ter plaatse van een geurgevoelige locatie mag geen geuroverlast veroorzaakt worden door de inrichting'.

In de praktijk streeft de DCMR namens de provincie Zuid-Holland naar het realiseren van maatregelniveau I en valt slechts in specifieke situaties waar dit niveau niet haalbaar blijkt terug op maatregelniveau II.

Onderzoek en conclusie In het Rijnmondgebied is sprake van een mate van geurbelasting. De geurcontouren van 1 ge/m3 (1 geureenheid per m3, waarbij geldt dat de geurbelasting 980Zo per jaar op of onder deze waarde ligt), als richtwaarde voor een goede milieukwaliteit, liggen tot op een afstand van circa 10 km vanaf de industriële bronnen in het havengebied. Op onderstaande figuur is af te lezen dat het plangebied grotendeels binnen de geurcontour van 3 ge/m3 ligt. Binnen dit gebied is niet uitgesloten dat af en toe geur waarneembaar is. Omdat de nieuwbouw van woningen in het plangebied plaatsvindt binnen de bestaande woonbebouwing, en grotendeels ter vervanging van andere woningen, wordt de geurhinder ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar geacht. Daarnaast wordt verwacht dat een verdergaande dalende trend in geurbelasting en daarmee in geurhinder en geurklachten, als gevolg van verdergaande maatregelen bij de industrie en de scheepvaart, zal zijn. Bij effectieve uitvoering van de Geuraanpak Rijnmondgebied bij vergunningverlening, mag verwacht worden dat geen nieuwe geurhinder ontstaat.

38

I

liOūaWsa-p

Geurcontoure

1=1 I

I tgarhi'lS-P

*

Oeirtnon

Broru: DCMR Figuur: Geurcontouren Rijnmondgebied

6.5

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.

Plangebied Het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost maakt het mogelijk dat op een aantal locaties nieuwbouw van woningen kan plaatsvinden. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidgevoelige objecten worden beschouwd. Het

39

betreft de 8 op de onderstaande kaart aangegeven locaties. Bij locatie 8 gaat het om de mogelijkheid de begane grond van een bestaand gebouw te transformeren naar woningen. Bij de ander locaties gaat het om nieuwbouw op onbebouwde grond, of sloop en nieuwbouw. De nieuwbouw krijgt bij locatie 1 deels drie en deels tien bouwlagen krijgt, op locatie 2 deels drie en deels negen bouwlagen en op locatie 5 deels drie bouwlagen (of twee bouwlagen met kap) en deel zeven bouwlagen. Op de locaties 3, 4, 6 en 7 krijgen de nieuwe woningen maximaal drie bouwlagen. Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan is voor de ontwikkellocaties een geluidonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de uitkomsten uit het geluidonderzoek beschreven.

SiĚĴĩmÊÊ

WİÊĚMİmm.

tafğaUÌrJr Hg® ff i

K MM

SSŝlŝi

řS^

6.5.1

Wegverkeer

Wegen met een rijsnelheid van 50 of meer km/uur hebben aan weerszijden een geluidzone. Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.

Tabel Breedte geluidzones langs wegen Soort gebied

Stedelijk- -gebied

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=d060b484-eabd-4f78-897b-98eeeadd1e96