CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb004228] Bijlage 1 behorende bij 23bb004227 over ontwerpbestemmingsplan Grote Hagen 98

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Grote Hagen 98’.18.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (Bijvoorbeeld een verpleeg- verzorgingstehuis). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: ^ ^

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. Planspecifiek Doordat het plangebied in een gebied met woningen, een winkelcentrum en maatschappelijke functies ligt, is het een gebied dat aangemerkt dient te worden als 'gemengd gebied'. Om die reden mogen de richtafstanden zoals aangegeven in de VNG-publicatie met één stap worden verlaagd. Wanneer het maatgevende aspect 'gevaar' betreft, mag de richtafstand niet met één stap verlaagd worden. Relevant voor de beoogde ontwikkeling zijn de Groene tuinkerk ten zuidoosten van het plangebied en het winkelcentrum Keizerswaard dat ten westen van het plangebied ligt.

26

Groene Tuinkerk Ten zuidoosten van het plangebied, aan de Groene Tuin 353, staat de Groene Tuinkerk. Uitgaande van de VNG-publicatie geldt er voor een kerk en millieucategorie van 2 en een richtafstand van 10 meter. De werkelijke afstand tot de kerk bedraagt 40 meter. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de kerk niet voor een belemmering zal zorgen voor de beoogde ontwikkeling. Winkelcentrum Keizerswaard Ten westen van het plangebied bevindt zich winkelcentrum Keizerswaard. Voor winkelcentra heeft de VNGpublicatie geen exacte richtafstand. Wel kan aan de hand van een berekening bepaald worden in wat voor milieucategorie moet worden voldaan. Voor het winkelcentrum geldt een milieucategorie van 2 en een richtafstand van 10 m. De daadwerkelijke afstand tot het plangebied is ca. 110 meter. Er wordt dus ruim aan de richtafstand voldaan. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit'. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3^. bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 pg/m3 voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3^. bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren, sloot het Rijk in 2020 het zogeheten Schone Lucht Akkoord (SLA)met provincies en tientallen gemeenten. Gestreefd wordt naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Op 26 maart 2021 is de uitvoeringsagenda 2021-2023 gepubliceerd, waarin staat welke maatregelen, pilots en activiteiten de deelnemers uitvoeren om de afspraken in praktijk te brengen. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een zorgcomplex met 216 zorgeenheden gerealiseerd. Er zal sprake zijn van een minimale toename van het aantal voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een NIBM-project; er is geen sprake van een 'groot' project waar meer dan 3^. bij wordt gedragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 pg/im voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De ontwikkeling draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 pg/irŕ voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide.

De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 17,1 pg/m3 PM10, 9,4 pg/m3 PM2,5 en 19,9 pg/iT NO2. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 drastisch verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 pg/irŕ. Er

27

wordt niet voldaan aan deze aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: ^ ^

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

^

vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen ^1.500 m2). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.

Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op

28

het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.

Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd.

29

Onderstaande afbeelding toont de risicokaart.

■roeninx vanTbeîēntSį

^äO^oefenlaa"

Risicokaart (plangebied zwart omkaderd, bron: Atlas Voor Leefomgeving)

Op de bovenstaande kaart is te zien dat er direct ten zuiden van het plangebied een aardgasleiding van Gasunie (NEN 3650-leiding) loopt. De leiding loopt parallel aan de Groeninx van Zoelenlaan en ligt op iets minder dan 50 meter van het plangebied. Gezien de korte ligging van de leiding tot het plangebied moet worden bepaald of wat de effecten zijn op het groepsrisico. Hiertoe is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (SPAWNP Ingenieurs, d.d. 7 juni 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9). Tevens is door Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond advies uitgebracht (VRR, d.d. 3 januari 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10). Hieruit blijkt dat het plaatsgebonden risico in geen gevallen een risico vormt voor de beoogde ontwikkeling. Tevens blijft het groepsrisico na de planrealisatie onder de oriëntatiewaarde. De ontwikkeling leidt ten aanzien van de nabijgelegen aardgasbuisleiding niet tot een berekenbaar verschil van het groepsrisico. Omdat er wel sprake is van een toename van het aantal personen, bestaat de verplichting om het groepsrisico te verantwoorden. Verantwoording groepsrisico Personendichtheid Op basis van de uitgevoerde QRA zijn de dichtheden van personen binnen het invloedsgebied van de buisleiding vermeld. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt het aantal personen toe.

Omvang groepsrisico Het groepsrisico is lager dan de oriëntatiewaarde en blijft met de ontwikkeling onder 10% van de oriëntatiewaarde. De ontwikkeling leidt niet tot een wijziging van het groepsrisico. Bestriidbaarheid Het plangebied en de bronnen zijn vanuit diverse richtingen goed bereikbaar voor de brandweer. Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Bij een instantaan ongeval kunnen de hulpdiensten echter geen mensen redden die zich binnen de 100% letaliteitscontour van de risicobron bevinden, ongeacht hun zelfredzaamheid. De

30

hittestraling is te intens voor de hulpdiensten om veilig te kunnen werken. Pas na het doven van de fakkelbrand kunnen de hulpdiensten het rampgebied veilig betreden. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. Van belang is dat het risico op een ongewenst voorval zoveel mogelijk wordt beperkt. Dit betekent dat de buisleiding met rust wordt gelaten of werkzaamheden in de directe nabijheid van de buisleiding alleen worden uitgevoerd onder toezicht van een deskundige, zodat de kans, dat er iets mis gaat, klein is. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) adviseert hierbij om zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Dit wordt nader uitgewerkt buiten de context van het bestemmingsplan. Zelfredzaamheid Binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor personen om zich in tegenovergestelde richting van de aardgasbuisleiding te begeven. Bij een instantaan ongeval is het echter niet mogelijk voor mensen, die binnen de 100% letaliteitscontour verblijven, om veilig te vluchten uit het rampgebied, dit vanwege de intense hitte.

Dit risico is beperkt, omdat het plangebied maar voor een beperkt deel binnen de 100% letaliteitscontour ligt. Aanwezigen, die minder of niet-zelfredzaam zijn, dienen bij een incident door het personeel en/of de BHV-organisatie begeleidt te worden bij de evacuatie. Het aanwezige personeel wordt geïnstrueerd hoe te handelen in het geval van het incident en op welke wijze zij eveneens in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten' vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek De initiatiefnemer is voornemens een bestaand zorgcomplex gefaseerd te slopen ten behoeve van nieuwbouw. In het kader van de ontwikkeling wordt aannemelijk het gehele plangebied ingrijpend aangetast. Er is dan ook een ecologische quickscan uitgevoerd (Eceau Ecologisch adviesbureau, d.d. 21 mei 2020, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat het gefaseerd slopen van de bestaande bebouwing en alle bijbehorende werkzaamheden voor het realiseren van nieuwbouw, behoudens vleermuizen, algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet leiden tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken.

31

Soortenbescherming Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocaties zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten geldt dat nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen voor de huismus nodig is. Ook voor de eventuele aanwezigheid van vleermuizen geldt dat nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. In 2019 is dit aanvullend ecologisch onderzoek (Eceau Ecologisch adviesbureau, 4 september 2020, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4.) uitgevoerd. Naar aanleiding van de ecologische quickscan is een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd (Eceau Ecologisch adviesbureau, 4 september 2020, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4.). Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de ontwikkeling leidt tot aantasting van verblijfslocaties van gewone dwergvleermuizen. Er is geen sprake van aantasting van overige essentiële gebiedsfuncties. Desondanks is de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.

Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met het zomerverblijf van gewone dwergvleermuis vlak buiten het plangebied en met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen in de periode april t/m oktober. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten. Hiervoor is door Eceau Ecologisch adviesbureau een Activiteitenplan opgesteld, ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag (d.d. 5 november 2020, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5). De ontheffingsaanvraag is reeds verleend (d.d. 22 september 2021, zie bijlagen bij toelichting). Gebiedsbescherming De planlocatie is gelegen op een afstand van ca. 5,5 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Dit betreft Natura 2000-gebied 'Boezems Kinderdijk'. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 6,2 km afstand.

Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen zijn gelegen op een afstand van 15,5 km en meer, het dichtstbijzijnde gebied betreft Natura 2000-gebied 'Biesbosch'. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Voorbeelden van externe werking betreffen een permanente toename van geluid, licht of stikstofdepositie of door optreden van een (grote) tijdelijke toename in dergelijke effecten. Gelet op de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en het tussengelegen stedelijk gebied, kunnen mechanische en optische effecten en geluidsverstoring uitgesloten worden. Wel zal de ontwikkeling eventueel effect kunnen hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van een verandering in stikstofdepositie. Derhalve zijn stikstofberekeningen uitgevoerd (d.d. 10 mei 2022, zie bijlagen bij toelichting. bijlage 8a en 8b). Het nieuwe verpleeghuis wordt geheel gasloos, derhalve is er geen sprake van gebouwemissies. Uit berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden, samen met het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering. Op grond daarvan is geen beoordeling meer nodig van de stikstofuitstoot in de bouwfase ('bouwvrijstelling').

Desondanks zijn ook voor de aanlegfase stikstofberekeningen uitgevoerd. Uit die berekeningen blijkt dat er in de aanlegfase (sloop- en bouwfase) geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De uitkomsten van de berekening dienen 5 jaar te worden bewaard, zodat bij controle kan worden aangetoond dat dit aspect is onderzocht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet wordt belemmerd door het aspect ecologie.

32

4.8 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: ^

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

^

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het waterschap Hollandse Delta (hierna: WSHD) heeft haar waterbeheerprogramma voor de periode 2022-2027 vastgesteld op 10 november 2021. In het waterbeheerprogramma worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Deze onderdelen van het beheer van het watersysteem zien tevens op het plangebied waarin de waterkering zal worden verlegd en waarin een opgave voor waterberging aanwezig is Eén van de instrumenten om het waterbeleid vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Hollandse Delta is aangesloten op de landelijke website van de Digitale Watertoets.

33

Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Met de beoogde ontwikkeling wordt een deel van de bestaande bebouwing gesloopt en worden twee nieuw bouwblokken gebouwd. In stedelijk gebied dient er conform het beleid van het Waterschap Hollandse Delta bij een toename van meer dan 500 m2 aan verharding gecompenseerd te worden in de vorm van nieuw oppervlaktewater. Met de beoogde ontwikkeling zal het totale verhard oppervlakte van het plangebied juist afnemen. Watercompensatie in het plangebied is daarom niet vereist. Het aspect water vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. In de directe omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele cultuurhistorische waarden aantast.

4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gronden van het plangebied hebben in het vigerende bestemmingsplan 'IJsselmonde-Centrum' de 'Waarde -Archeologie 3'. Hiervoor geldt dat hier enkel mag worden gebouwd met een rapport van een archeologische deskundige. Derhalve is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd door de afdeling archeologie van de gemeente Rotterdam (25 februari 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6).

Tijdens het verkennend inventariserend veldonderzoek zijn twee mechanische boringen gezet. In deze boringen werden rivierduinafzettingen aangetroffen. De rivierduinafzettingen hebben een hoge verwachting voor de

34

aanwezigheid van archeologische waarden uit de Midden- en Nieuwe Steentijd. Omdat de twee boringen deze afzettingen in een te geringe mate in kaart brachten, is een vervolgonderzoek uitgevoerd, wederom bestaande uit twee mechanische boringen (bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Houtskool dat in het rivierduinzand werd aangetroffen, zal nog worden onderzocht om het duin te dateren. Na afronding van deze tweede fase van onderzoek is besloten om het duin niet verder te onderzoeken. Het duin wordt alleen door de heiwerkzaamheden geraakt en het palenplan was niet specifiek intensief. Op basis van de resultaten luidt de aanbeveling voor het plangebied dat er geen voorzieningen hoeven te worden getroffen om archeologische waarden te behouden of te ontzien. In verband met eventuele toekomstige bouw- of inrichtingsplannen is de dubbelbestemming archeologie gehandhaafd.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied aan de Grote Hagen herontwikkeld. Het aantal zorgeenheden zal in de toekomstige situatie toenemen. Dit zal ook een toename betekenen voor de verkeersgeneratie van het plangebied. In de CROW-publicatie 'Toekomst bestending parkeren' is voor een verpleeg- en verzorgingstehuis geen verkeersgeneratie opgenomen. Derhalve wordt er uitgegaan van de categorie 'Serviceflat'.

Zo kan er voor de ontwikkeling toch een indicatie worden gegeven betreft de toename in de verkeersgeneratie. Hierbij wordt uitgegaan van een 'zeer sterk stedelijk' woonmilieu in de 'schil centrum'. Per eenheid geldt een verkeersgeneratie van gemiddeld 0,8 per etmaal. Toename verkeersgeneratie In de toekomstige situatie neemt het aantal zorgeenheden toe van 127 naar 216. Dit betekent een toename van in totaal 89 zorgunits. De bewoners van de zorgeenheden hebben geen auto of mogen niet zelf rijden. De verkeersgeneratie wordt dan ook veroorzaakt door de bezoekers en door de werknemers. Op basis van de CROW-normen bedraagt de gemiddelde verkeersgeneratie 89 x 0,8 = 71,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit is een zeer beperkte toename en is voldoende reden om met het plan door te gaan. De bestaande ontsluitingsstructuur, die voor de auto verloopt via Grote Hagen naar Groene Tuin en dan naar de Groeninx van Zoelenlaan (S105), is in staat om deze beperkte toename op te vangen. Daarbij speelt ook een rol dat het hier een ligging betreft nabij tramhaltes en bushaltes en er sprake is van goede fietsverbindingen, waardoor het autogebruik relatief beperkt kan blijven. Conclusie Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

35

4.10.2 Parkeren Voor de beoogde ontwikkeling is de beleidsregeling 'Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' van kracht. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt er een nieuw zorgcomplex gebouwd met een totaal van 216 zorgeenheden. Het toekomstige complex geeft huisvesting aan cliënten met intramurale zorgvraag die zelf geen auto bezitten of mogen rijden. Het betreft 24 uurs zware zorg waarbij de parkeerbehoefte vooral overdag ligt en minder in de nacht. In totaal zullen er circa 300 werknemers parttime in dienst zijn. De CROW publiceert documenten met parkeernormen die landelijk wordt gehanteerd. Rotterdam kent echter al decennialang eigen parkeernormen voor auto's. Deze normen worden regelmatig aangepast aan de voortdurend veranderende mobiliteit en de ambities op het gebied van stedelijke kwaliteit. Het gemeentelijk beleid hanteert een norm van 0,5 parkeerplaats per zorgunit. In de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' is er de mogelijkheid om af te wijken (artikel 18). Het afwijken dient onderbouwd te worden aan de hand van de specifieke kenmerken van de locatie, de functie of de doelgroep van het project. Voor vergelijkbare projecten in de plint (PIT 010, dagbesteding) waarvoor geen parkeren nodig is, zijn doorgaans parkeeronderzoeken uitgevoerd. Een referentieproject binnen Aafje is Schiehoven/Kralingseweg.

Uit onderzoek bij die locatie is gebleken dat er op het drukste moment op zondagmiddag omgerekend 0,31 auto's van bewoners, personeel en bezoekers geparkeerd stonden per 100 m2 brutovloeroppervlak. Dit gegeven is iets opgehoogd naar een parkeernorm van 0,35 autoparkeerplaats per zorgeenheid. Op basis van 216 geplande zorgeenheden komt de parkeereis dan uit op 76 autoparkeerplaatsen. Afgesproken is: ^

om 50 parkeerplaatsen te realiseren op eigen terrein;

^

om 26 parkeerplaatsen op te lossen in het openbaar gebied van de Grote Hagen en Herenwaard. Een parkeertelling in 2 werkdagnachtperiodes in april 2021 heeft laten zien dat binnen een loopafstand van 200 meter die parkeerplaatsen te vinden zijn; om 25 parkeerplaatsen niet te realiseren maar wel in te tekenen. Achteraf na oplevering van het plan wordt binnen 6 maanden bepaald of extra realisatie noodzakelijk is. Dit als het autogebruik in de praktijk veel hoger blijkt uit te vallen dan vooraf gepland.

^

Dit maakt een totaal van 101 parkeerplaatsen voor Meerweide. Het voorliggende voorstel voorziet hier in. Voorts wordt voorzien in voldoende stallingsmogelijkheden voor fietsen. Deze zullen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Fiets parkeren voor personeel is verdeeld over twee plaatsen; een plek buiten het plangebied en een plek bij de personeelsingang. Voor bezoekers komt er een beperkte opstelmogelijkheid voor fietsen bij de entree op het voorplein. Conclusie Gezien het bovenstaande wordt het aspect parkeren niet als belemmering gezien.

4.11 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 0A reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2023 dient verder de bijdrage van duurzame energie 16 0A van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 0A van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn.

36

Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor nieuwbouw geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De BENG kijkt naar de energieprestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren: 1. 2. 3.

de energiebehoefte indicator; de primaire fossiele energie-indicator; het aandeel hernieuwbare energie.

Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden meerdere maatregelen getroffen met betrekking tot duurzaamheid, zoals warmtepompen, extra isolatie en duurzaam materiaalgebruik. Het zorgcomplex wordt gasloos gebouwd. Met deze maatregelen zullen de zorgeenheden als nul-op-de-meter uitgevoerd worden.

37

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan, inclusief de bijlagen.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: ^ ^ ^

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);

^ ^

afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

38

afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.5 Wijze van bestemmen De regels sluiten aan bij het geldende bestemmingsplan 'IJsselmonde-Centrum'. Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Maatschappelijk De gronden in het plangebied zijn volledig voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk'. Deze gronden zijn bestemd voor een zorgcomplex op het gebied van 24 uurszorg en intramurale zorgvraag met de daarbij behorende voorzieningen en ruimten, zoals gemeenschappelijke woonkamers, keukenfaciliteiten, recreatieen verpleegruimten, dagverblijven en inpandige bergingen.

Op de begane grond wordt ruimte geboden aan ondergeschikte horeca tot een maximum van 375 m2 b.v.o., alsmede aan ondergeschikte detailhandel voor de bewoners tot een maximum van 200 m2 b.v.o. per zorggebouw. Daarnaast is op de begane grond een dienstencentrum toegelaten ten behoeve van sociale en/of medische doeleinden. Hiervan mag de oppervlakte maximaal 500 m2 b.v.o. bedragen. Tevens zijn de bij deze bestemming bijbehorende parkeervoorzieningen, fietsenstalling, groen- en speelvoorzieningen, water, ontsluitingswegen en paden toegelaten. De bebouwing moet worden geplaatst in de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Daarop zijn ook de bouwhoogtes aangegeven. Ook de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijn geregeld. In de Specifieke gebruiksregels is voorts een bepaling opgenomen die er op toeziet dat voldaan wordt aan de voorwaarden vanuit het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder. Het betreffende besluit is als bijlage toegevoegd aan de regels. Er is hiervoor ook een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Artikel 4 Waarde - Archeologie 3 De gronden van het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. De regeling is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

39

Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bouwregels over de afdekking van gebouwen, dakkapellen en souterrains opgenomen. Artikel 7 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om - onder voorwaarden - af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 8 Overige regels In dit artikel zijn de regels omtrent het benodigde parkeren voor auto's en fietsen opgenomen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 9 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 10 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat de titel van het plan.

40

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: ^

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

^

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

^

Planspecifiek Het project wordt op initiatief van de initiatiefnemer gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Rotterdam worden geregeld. Hierin zal opgenomen worden dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

41

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Participatie De bewoners, personeel, mantelzorgers en vrijwilligers zijn reeds op de hoogte. Ook de eigenaren van de gebouwen SOR en Woonbron zijn op de hoogte en hebben geen bezwaren tegen de nieuwe plannen. Voor de omwonenden zal Aafje samen met SOR en Woonbron een participatietraject opzetten om hen te informeren. Voor de inrichting van de buitenruimte zullen de omwonenden een hogere mate van participatie hebben dan bij het gebouw.

7.3 Overleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het concept-bestemmingsplan op 23 november 2021 voorgelegd aan de wettelijke vooroverlegpartners. Daarbij is verzocht om uiterlijk 4 januari 2022 te reageren en dat, indien binnen deze termijn niet is gereageerd, ervanuit gegaan wordt dat ingestemd wordt met het bestemmingsplan. Gasunie, Waterschap Hollandse Delta en Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond hebben gereageerd. Gasunie en Waterschap Hollandse Delta hadden geen opmerkingen op de voorgenomen ontwikkeling. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft advies uitgebracht. Dit advies is als bijlage 10 bij het onderhavig bestemmingsplan gevoegd. De bevindingen zijn, voor zover relevant voor het bestemmingsplan, verwerkt.

7.4 Zienswijzen Het bestemmingsplan zal in de toekomst ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode kunnen er zienswijzen worden ingediend.

42

Regels

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL. IMRO.0599. BPGroteHagen98-on01

Datum:

13 mei 2022

Contactpersoon Buro SRO:

H.J.M. van Arendonk | F.M. Polderman

Kenmerk Buro SRO:

SR200330

Opdrachtgever:

Propos Consultancy

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleidende regels..................................................................................................................................................... 5 Artikel 1 Begrippen..................................................................................................................................................... 5 Artikel 2 Wijze van meten........................................................................................................................................... 9 2 Bestemmingsregels.............................................................................................................................................. 10 Artikel 3 Maatschappelijk.......................................................................................................................................... 10 Artikel 4 Waarde - Archeologie 3..............................................................................................................................12 3 Algemene regels....................................................................................................................................................14 Artikel 5 Anti-dubbeltelregel.....................................................................................................................................

14 Artikel 6 Algemene bouwregels................................................................................................................................ 14 Artikel 7 Algemene afwijkingsregels.........................................................................................................................14 Artikel 8 Overige regels............................................................................................................................................. 14 4 Overgangs- en slotregels..................................................................................................................................... 15 Artikel 9 Overgangsrecht........................................................................................................................................... 15 Artikel 10 Slotregel.................................................................................................................................................... 15

3

4

1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 Plan het bestemmingsplan Grote Hagen 98 met identificatienummer NL.IMRO.0599.BPGroteHagen98-on01 van de gemeente Rotterdam;

1.2 Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en de daarbij behorende bijlagen);

1.3 Aanbouw (uitbouw) Een uitbreiding van het hoofdgebouw in één bouwlaag (hieronder wordt tevens een uitbouw begrepen);

1.4 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 Archeologische deskundige Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie.

1.7 Bebouwing Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.8 Bebouwingspercentage Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen;

1.9 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak;

1.10 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

5

1.11 Bouwaanduidingen Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken;

1.12 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.13 Bouwgrens De grens van een bouwvlak c.q. een lijn welke niet door gebouwen mag worden overschreden;

1.14 Bouwlaag Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt;

1.15 Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.16 Bouwperceelgrens Een grens van een bouwperceel;

1.17 Bouwverordening Bouwverordening Rotterdam 2012, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan;

1.18 Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.19 Brutovloeroppervlakte (b.v.o.) Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend;

1.20 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

6

1.21 Bijgebouw Vrijstaand gebouw dat door constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde perceel;

1.22 Detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, ondergeschikt verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.23 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.24 Hoofdgebouw Gebouw dat door zijn constructie en/of afmeting als dominant is aan te merken ten opzichte van de bijbehorende bijgebouwen gelegen op hetzelfde perceel;

1.25 Horeca Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank;

1.26 Kap Een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek ten minste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt;

1.27 Onzelfstandige woonruimte woonruimte, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte;

1.28 Peil (straat-) a. b.

voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein.

Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend;

1.29 Souterrain Een gebruiksruimte in een gebouw dat zich gedeeltelijk ondergronds bevindt;

7

1.30 Tuin Terrein ten behoeve van de aanleg van groenvoorzieningen, met de daarbij behorende verharding (paden, terrassen) en vijvers en dat in overwegende mate niet voor bebouwing in aanmerking komt;

1.31 Uitstekende delen aan gebouwen Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d.

8

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=6f1f8eab-dc06-4acf-81f7-443bf9f18b55