CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb003535] Bijlage 1 behorend bij 23bb3533 - Ontwerpbestemmingsplan Slinge 303

Gemeenteraad 22 juni 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Slinge 303’.16.735 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De wegen in de directe omgeving van het plangebied behoren tot een 30 km/h-zone. Deze wegen vallen dan ook buiten het aandachtsgebied van de Wet geluidhinder. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening berekend wat de gezamenlijke geluidsbelasting is van de omliggende 30 km/h-wegen. De berekende geluidsbelasting van deze wegen bedraagt gezamenlijk maximaal 46 dB voor de woningen en 45 dB voor de onderwijsvoorziening. Deze waarde zijn lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Gesteld wordt, dat de blootstelling aan geluid vanwege de 30 km/h-wegen niet relevant is voor de beoogde herontwikkeling. Overige geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen een toetsingszone van een zoneplichte spoorweg of binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Ook de geluidscontouren van Rotterdam - The Hague Airport zijn niet over het plangebied gelegen. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbronnen niet aan de orde is. Conclusie De geluidsbelasting vanwege het wegverkeer over de Slinge overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat het treffen van geluidsreducerende maatregelen vanuit financieel, stedenbouwkundig en/of akoestisch oogpunt niet redelijk, wenselijk dan wel onvoldoende effectief is. Vandaar dat een ontheffing van de Wet geluidhinder noodzakelijk is.

Het gemeentelijk ontheffingsbeleid, dat alleen gericht is op woningen, schrijft hierbij voor dat alle woningen over minimaal één geluidluwe gevel moeten beschikken. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat aan deze voorwaarde uit het gemeentelijk ontheffingsbeleid kan worden voldaan. Vandaar dat een ontheffing van de

3 DGMR, Slinge 303 Rotterdam; Akoestisch onderzoek wegverkeersgeluid, mei 2022, rapportnr.:

M.2021.0066.00.R002.

- 30 -

Wet geluidhinder kan worden verleend. Het aspect ‘geluid’ staat realisatie van de beoogde woningen niet in de weg. 4.4

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het plangebied is een basisschool van circa 4.000 m2 bvo voorzien, alsook maximaal 52 woningen. Aangezien de verkeersaantrekkende werking van dit bouwplan lager is dan de verkeersaantrekkende werking van een woningbouwplan bestaande uit 1.500 woningen, wordt de beoogde ontwikkeling als niet in betekenende mate beschouwd. Omdat de geplande woningen op gepaste afstand zijn gelegen van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2-contouren van deze wegen niet over het projectgebied. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Rotterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2020) ter hoogte de dichtstbijzijnde rekenpunten (Slinge en Larenkamp) lager is dan 35 μg/m3. Dit geldt ook voor de PM10-concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.5

Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 31 -

groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. In de omgeving van het plangebied zijn diverse risicobronnen aanwezig. Het betreffen hier zowel stationaire bronnen als transportroutes, die hieronder nader worden beschouwd. Stationaire bronnen Een relevante risicovolle inrichting betreft het spoorwegemplacement Rotterdam WaalhavenZuid. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt hierbij 150 meter. Aangezien de afstand tot het plangebied zo’n 2.500 meter bedraagt, vormt deze risicocontour geen belemmering. Volgens mondelinge opgave van de DCMR milieudienst Rijnmond is rondom dit emplacement sprake van een generiek invloedsgebied, uiteenlopend van 1.700 meter naar het noorden en zuiden, 2.400 meter naar het westen en 3.000 meter naar het oosten. De hoogte van het groepsrisico wordt voornamelijk bepaald door vervoer en rangeerbewegingen met ketelwagons brandbaar gas. De primaire zone die het groepsrisico bepaalt, strekt zich daarbij uit tot 460 meter. Het plangebied ligt hier ruim buiten. Daarnaast wordt gesteld, dat het aandeel van de beoogde ontwikkeling, gelet op de persoonsdichtheid in de omgeving, zeer beperkt is en geen rekenkundig effect heeft op het groepsrisico.

De overige stationaire inrichtingen in de omgeving van het plangebied zijn op een dusdanige afstand gelegen, dat de bij deze inrichtingen behorende plaatsgebonden risicocontouren en invloedsgebieden niet over het plangebied uitstrekken. Vandaar dat deze risicobronnen niet nader beschouwd worden. Transportroutes De dichtstbijzijnde transportroute ligt volgens de risicokaart op circa 975 meter ten zuiden van het plangebied. Het betreft hier een transportroute over spoor, te weten de Kortsluitroute en de Pendrechtboog. Deze spoorlijnen kennen een 10-6 plaatsgebonden risicocontour van minimaal 17 en maximaal 73 meter vanuit het hart van de spoorbundels. Daarnaast is sprake van een plasbrandaandachtsgebied met een omvang van 30 meter. Geen van deze contouren reikt tot aan het plangebied. Direct ten zuiden van deze spoorlijnen ligt de Rijksweg A15, waarover ook gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Uit het Basisnet Weg blijkt, dat ter hoogte van het plangebied langs deze weg sprake is van een 10-6 plaatsgebonden risicocontour van 80 meter en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Deze contouren raken het plangebied niet.

Voor deze transportroutes geldt, dat op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, artikel 8, lid 1) een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is, als het plangebied binnen een afstand van 200 meter van de transportroute ligt. Omdat dit voor beide risicobronnen niet het geval is, is een nadere groepsrisicoverantwoording niet aan de orde. Ten zuiden van de Rijksweg A15 en op een afstand van zo’n 1.250 meter van het beoogde bouwplan zijn ter hoogte van Carnisserbaan nog drie verschillende buisleidingen gelegen. Allereerst betreft het een K1-leiding van de NAM (NM-415101) met een diameter van 10 inch en een maximale werkdruk van 95 bar. Deze leiding kent een 10-6 plaatsgebonden risicocontour van 13 meter en een invloedsgebied van 105 meter. Aangezien deze contouren niet over het plangebied zijn gelegen, is een nadere beschouwing niet aan de orde. - 32 -

De andere twee leidingen betreffen hogedruk aardgasleidingen, te weten leiding A-559 (diameter van 36 inch en een werkdruk van 66 bar) en leiding A-517 (diameter van 30 inch en werkdruk van 66 bar). Voor beide leidingen geldt, dat de 10-6 plaatsgebonden risicocontour op de leiding is gelegen. Het invloedsgebied bedraagt voor beide 430 meter. Ook voor deze leidingen geldt, dat deze contouren niet over het plangebied zijn gelegen en een nadere beschouwing niet aan de orde is. Conclusie Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat geen van de risicobronnen leidt tot belemmeringen op de voorgenomen ontwikkeling. Desalniettemin ligt het projectgebied bij een eventuele rampsituatie binnen de invloedsfeer van de rijksweg A15, de aanwezige spoorlijnen en het emplacement "Waalhaven Zuid". Hoewel vanuit planologisch perspectief geen beperkingen aanwezig zijn, wordt geadviseerd een aantal maatregelen te nemen, zodat het aantal (dodelijke) slachtoffers bij een eventuele ramp zo laag mogelijk is. Hierbij wordt gedacht aan het toepassen van afsluitbare deuren, ramen en ventilatieopeningen in combinatie met een met één druk op de knop uit te schakelen ventilatiesysteem. Bovendien kan worden ingezet op goede voorlichting en instructie om toekomstige bewoners voor te bereiden op een eventuele ramp. 4.6

Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerstgenoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Uit de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart blijkt, dat de bovengrond (0 tot 1 meter beneden maaiveld) aangemerkt kan worden als klasse ‘Landbouw. Dat betekent, dat de aanwezige bodem naar verwachting ten hoogste zeer licht verontreinigd is. Ook de ondergrond (1 tot 2 meter beneden maaiveld) is op deze kaart aangemerkt als klasse ‘Landbouw’. Ter plaatse van het projectgebied is een bodemonderzoek 4 uitgevoerd. Uit het vooronderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied geen bodemvreemde lagen te verwachten zijn. Vandaar dat de onderzoeksstrategie is gebaseerd op ‘onverdachte niet-lijnvormige locatie’.

Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden in januari 2021, waarbij in het onderzoeksgebied in totaal 16 boringen zijn verricht. De diepte varieert van circa 0,9 tot 2,5 meter beneden maaiveld (m-mv). Eén boring is afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van de bemonstering van het grondwater. Uit de analyseresultaten blijkt, dat de bodem over het algemeen licht verontreinigd is met zware metalen, minerale olie, PAK of PCB. Plaatselijk is een aanwezige kleilaag sterk verontreinigd met nikkel. Uit een horizontale en verticale afperking is gebleken dat hier geen

4 Gemeente Rotterdam, Verkennend bodemonderzoek Slinge 303 te Rotterdam, februari 2021, documentnr.: IB-

2020-0170.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 33 -

sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het freatisch grondwater is licht verontreinigd met arseen, barium en molybdeen. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn zodanig licht verhoogd, dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de beoogde nieuwbouwontwikkeling. Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.7

Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.

De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Archeologische verwachting Het plangebied wordt op de gemeentelijke Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) aangemerkt als een gebied met een redelijk tot hoge archeologische verwachting direct onder maaiveld of dieper. Hierdoor is het noodzakelijk dat bouw- en graafwerkzaamheden worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Bescherming van de archeologische waarden Op grond van de archeologische verwachting en om mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen, is in het bestemmingsplan “Zuidwijk” aan de gronden van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' toegekend. Dit betekent, dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlak van meer dan 200 m² beslaan. Dit is door middel van een vergunningstelsel in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' vastgelegd en eveneens opgenomen in dit bestemmingsplan.

4.8

Ecologie De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. - 34 -

Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het plangebied bevindt zich op ruime afstand (ruim 3,6 kilometer) van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ligt. Door deze afstand zijn de meeste effecten op Natura 2000gebieden op voorhand uit te sluiten. Emissie van stikstof kan echter ook op grotere afstand een aandachtspunt zijn. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft de Biesbosch, dat op ruim 18 kilometer afstand ligt. Uit een uitgevoerde stikstofberekening 5 blijkt, dat geen sprake is van relevante stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw of het toekomstig gebruik.

Het dichtstbijzijnde gebied dat toebehoort aan het Natuurnetwerk Nederland ligt tussen Barendrecht en Rhoon, op zo’n 2,8 kilometer afstand van het plangebied. Door de aard van de ingrepen, de relatief grote afstand en de ligging in de bebouwde kom, zijn effecten op het Natuurnetwerk Nederland op voorhand uit te sluiten. Ook belangrijke weidevogelgebieden liggen op grote afstand, waardoor deze gebieden niet nadelig worden beïnvloed. Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. In 2017 is een ecologisch onderzoek 6 uitgevoerd die in 2020 7 geactualiseerd is. Uit deze onderzoeken bleek dat in het plangebied de volgende beschermde diersoorten verwacht konden worden: • vleermuizen; • vogels (algemeen beschermd) • vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Vleermuizen waren alleen mogelijk in een restant van de inmiddels gesloopte kelder van het oude wijkgebouw. De aanwezige bomen in en om het plangebied zijn niet geschikt als verblijfplaats, aangezien geen holtes en/of spleten aanwezig zijn. DGMR, Slinge 303 Rotterdam; Onderzoek stikstofdepositie, april 2022, rapportnr.: M.2021.0066.00.R003. 6 Gemeente Rotterdam, notitie VO Wet Natuurbescherming Wijkaccommodatie Larenkamp Slinge 303 (Zuidwijk) te Rotterdam, april 2017. 7 Gemeente Rotterdam, Update ecologisch vooronderzoek – Slinge 303, Charlois te Rotterdam, maart 2020. 5

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 35 -

Het plangebied is als foerageergebied voor vleerrmuizen potentieel geschikt. Door het vrij geringe oppervlak in relatie tot overig foerageergebied in de omgeving, wordt op voorhand echter gesteld dat geen sprake is van essentieel foerageergebied. De bomenrij in het oosten vormt een potentieel essentiële vliegroute, aangezien deze een verbinding vormt tussen potentiele verblijfplaatsen in omringende bebouwing en foerageergebied ten noorden van het plangebied. De aanwezige bomen en struiken zijn mogelijk geschikt als nestlocatie voor algemeen voorkomende broedvogels, zoals houtduif, ekster, merel en roodborst. Het betreft allen uiterst algemene soorten van categorie 5, waarvan nesten niet jaarrond beschermd zijn als voldoende alternatieven aanwezig zijn. In de omgeving zijn ruimschoots alternatieven aanwezig, zodat geen sprake is van bijzondere ecologische redenen op basis waarvan sprake is van jaarronde bescherming. Door eventuele werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, of na controle door een deskundig ecoloog, treedt geen overtreding van de Wet natuurbescherming op. In het plangebied kunnen algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën voorkomen, met name in die delen van het plangebied waar lage beplanting of bladafval aanwezig is. Hierbij gaat het om soorten zoals egel, bosmuis, bruine kikker en gewone pad.

Deze soorten zijn door de provincie Zuid-Holland vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten niet benodigd. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (art. 1.1 Wnb). Dit is mogelijk door vegetatie vanuit één kant te verwijderen, zodat dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen naar een veilige omgeving. Conclusie Doordat de werkzaamheden beperkt van aard zijn, zijn géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Gesteld wordt dat de Wet natuurbescherming realisatie van de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat. 4.10

Duurzaamheid en energie Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie eisen. Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie-eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De gemeente heeft daartoe in september 2019 het Duurzaamheidskompas vastgesteld. Deze geeft richting, zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken.

Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een ‘levend’ document dat regelmatig wordt geactualiseerd met nieuwe speerpunten. De doelstellingen van de gemeente op het gebied - 36 -

van duurzaamheid zijn onder te verdelen in vier ambities; de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie en een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. De gemeente Rotterdam beschikt naast het benoemde Programma Duurzaam, ook over het document ‘De Rotterdamse Woningkwaliteit’ (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit 2012 en bestaat uit de zes thema’s oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Het RWK is vrijblijvend te gebruiken. Bij het informatiepunt Duurzaam Rotterdam van gemeentewerken Rotterdam kunnen medewerkers, partners en bewoners van de gemeente Rotterdam informatie aanvragen over duurzaam bouwen en duurzame voorbeeldprojecten in Rotterdam. Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan compact en tevens flexibel bouwen, en het toepassen van gerecyclede en tevens emissieloze bouwmaterialen. Daarnaast hecht de gemeente aan een ontwikkeling van het gebied op basis van de ‘Rotterdam Resilence Strategie’. Binnen deze Strategie zijn drie trends voor de gemeente extra belangrijk: Circulariteit, Klimaatadaptatie en Energietransitie. Binnen deze trends komen steeds vier centrale thema’s aan de orde: Water, Groen, Energie en Materialen.

Van belang is de mate waarin en de manier waarop de woningen, de buitenruimten en de gebiedsontwikkeling als geheel worden ontworpen in het kader van deze Strategie, Trends en Thema’s. Algemeen kan worden opgemerkt dat de beoogde woningen en school worden gebouwd conform het huidige Bouwbesluit. Daardoor dient voldaan te worden aan de hierin opgenomen duurzaamheidseisen. Dit betekent onder andere dat de woningen gasloos worden uitgevoerd. De nieuwbouw ligt in een deel van de gemeente waar het verplicht is om een aansluiting op het stadsverwarmingsnetwerk te realiseren. Dit leidt er toe dat minder CO2 wordt uitgestoten en een betere energie-efficiënte. Het plangebied ligt in een centrale groene zone. Deze zone is essentieel voor de klimaatbestendigheid en leefbaarheid van de wijk. In de nota van uitgangspunten zijn kansen benoemd om deze groene zone te benadrukken en tegelijk bij te dragen aan de doelstellingen in dit domein: • Klimaatadaptief: Vergroening brengt verkoeling en kan zorgen voor waterberging. Hemelwater wat valt in het gebied wordt opgevangen in het gebied en waar mogelijk nuttig toegepast. Het te ontwikkelen gebied moet een neerslaggebeurtenis kunnen verwerken van 50 mm in 1 uur en 80 mm in 24 uur, zonder dat water wordt afgegeven aan water- en rioolsystemen grenzend aan het te ontwikkelen gebied.

Hierbij heeft het de gemeentelijke voorkeur om water van particuliere verharding op particulier terrein te verwerken. Bomen brengen de meeste verkoeling (verdamping en schaduw) en zorgen ook voor meer waterberging. • Natuur(beleving): We willen natuurontwikkeling in de stad een stimulans geven. Dit levert een bijdrage aan een prettige leefomgeving, aan de mogelijkheden voor natuurbeleving in de stad en daarmee samenhangend een bijdrage aan het welzijn en de gezondheid van mensen. De manier van vergroenen is belangrijk om dit voor elkaar te krijgen. Bomenlanen (populier, wilg, es en meidoorns), bomengroep met ondergroei van bloeiende planten, hooilanden, natuurvriendelijke oevers en struweelzones zijn kenmerkend voor het natuurbeeld in onze tuinsteden. Dit is aantrekkelijk voor vlinders, insecten, kleine zoogdieren (egels) en vogels. De inrichting van buitenruimte sluit hierbij aan. • Natuurinclusief bouwen: Door kleine aanpassingen in de architectuur van gebouwen kunnen specifieke soorten worden geherbergd. Ambassadeurssoorten in de tuinsteden

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 37 -

•

zijn de grote bonte specht en dwergvleermuizen. Dergelijke soorten kunnen een plek vinden in het gebouw. Multifunctioneel daken: Het vergroenen en de natuurbeleving kan verder worden doorgetrokken op het dak van het gebouw. Hierdoor wordt de groene zone nog verder versterkt en krijgt natuur(beleving) nog meer kansen. Daarnaast kunnen de daken ook nog voor het opwekken van energie met zonnepanelen of kleine windturbines. Ook biedt het dak eventuele nog mogelijkheden voor educatief gebruik, bijvoorbeeld door een voedseltuin.

Daarnaast wordt aandacht besteed aan de circulaire economie en verantwoord materiaalgebruik. Al deze aspecten zijn niet juridisch te borgen in een bestemmingsplan, maar maken op basis van de Nota van Uitgangspunten dus wel deel uit van de toetsing. Het is voorts aan de eindgebruikers van hun woning om deze naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen, toepassen van LEDverlichting en/of het vergroenen van gevels. De ontwikkeling van het plangebied zelf kan eveneens gezien worden als een duurzame ontwikkeling. Met deze ontwikkeling wordt immers ingespeeld op een bredere differentiatie van woningen. Dit draagt tevens bij aan een opwaardering van het wooncomfort en daarmee ook de leefbaarheid in de buurt. 4.11

Besluit m.e.r. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is, staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen wordt per activiteit de drempelwaarden beschreven. Voor deze ontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r-(beoordelings)plichtig is, te weten: 1. D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Het bestemmingsplan voorziet in maximaal 52 woningen en een school met een oppervlak van 4.000 m2 BVO. Daarmee blijft de omvang ruim onder de drempelwaarden uit onderdeel D11.2.

De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een milieueffectrapport noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten. B&W heeft bij de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is. - 38 -

5.

JURIDISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een plankaart (verbeelding) met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.

5.2

De opzet van de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Bestemmingsregels; • Algemene regels; • Overgangs- en slotregels. Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc. Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden.

Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemmingen Artikel 3 Gemengd Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied

Dubbelbestemmingen Artikel 5 Waarde - Archeologie - 2

In het vervolg van deze paragraaf wordt per bestemming een nadere toelichting gegeven. Artikel 3 - Gemengd De gronden binnen het uit te geven gebied zijn voorzien van de bestemming Gemengd. Deze bestemming is gekozen om de hier gewenste flexibiliteit ten aanzien van het gebruik mogelijk te maken. Immers betreft het een gebouw met meer dan één functie, namelijk een school met daarboven woningen. Het maximaal aantal woningen mag niet minder dan 50 en niet meer dan 52 bedragen. De school mag een maximum bruto vloeroppervlak van 4.000 m2 beslaan. Bebouwing is uitsluitend toegestaan binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak en Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 39 -

tot de aangegeven bouwhoogte. Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen toegestaan en zijn de gronden hoofdzakelijk bedoeld als bij het gebouw behorende buitenruimte. Naast benoemde maatschappelijke functie, geldt voor de woningen tevens de standaard regeling voor aan-huis-verbonden beroepen/bedrijven. Daarbij dient tevens voldaan te worden aan de beleidsregeling parkeernormen. Artikel 4 - Verkeer - Verblijfsgebied De gronden buiten het deel dat is bestemd als ‘Gemengd’, zijn voorzien van de bestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied’. Het betreffen hier gemeentelijke gronden die bij het bestemmingsplan betrokken zijn om te voorkomen dat nog een deel van de oude bestemming ‘Maatschappelijk - 2’ zou resteren. De gronden zijn bestemd voor voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen (trottoirs, voetpaden en dergelijke), alsook voor voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan rijstroken, parkeerplaatsen en fietspaden. Ook groenvoorzieningen, waterpartijen en -lopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen worden als passend ervaren. De in deze bestemming opgenomen bouwmogelijkheden zijn beperkt; enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden toegestaan, evenals uitstekende delen aan gebouwen en kleine gebouwen voor openbaar nut en verkeer en vervoer.

De maximale maten staan in de bouwregels. Artikel 4 - Waarde – Archeologie - 2 Het gehele plangebied is voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie - 2'. Uitgangspunt voor deze bestemmingen is dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. In het concreet komt dit neer op een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen. Dit geldt zowel voor bouwwerkzaamheden als voor overige werkzaamheden. Aan een te verlenen vergunning kunnen voorwaarden verbonden worden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemverstorende activiteiten die een terreinoppervlak van meer dan 200 m² beslaan en dieper reiken dan een diepte van 1,5 meter beneden maaiveld. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat vier algemene regels. Artikel 5 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 6 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een bepaling opgenomen waarmee burgemeester en wethouders onder voorwaarden met maximaal 10% kunnen afwijken van de in de regels gestelde afmetingen, maten en percentages. Tevens is een afwijking opgenomen inzake een verhoging van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw ten behoeve van een architectonisch verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag c.q. kap/schuin dakvlak. De bouwhoogte kan in dat geval met 1 meter verhoogd worden. - 40 -

Artikel 7 Voorwaardelijke verplichting over parkeren Vanaf 1 januari 2022 is de nieuwe ‘Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022’ van kracht geworden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto’s én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto’s conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen.

Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto’s en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Overgangs- en slotregels In artikel 8 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste artikel is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 41 -

- 42 -

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Financiële uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien, wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake, omdat deze kosten zijn verzekerd middels (toekomstige) gronduitgifte. Daartoe wordt een ontwikkelovereenkomst afgesloten met de initiatiefnemer. Daarin worden de nodige financiële afspraken over de gronduitgifte opgenomen en wordt de financiële haalbaarheid onderbouwd. De gemeente Rotterdam vervult voorts enkel een kaderstellende en toetsende rol. Gelet op het vorenstaande is het plan financieel uitvoerbaar.

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het concept ontwerpbestemmingsplan is dan ook toegezonden aan de volgende partijen: • Provincie Zuid-Holland; • Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; • Ministerie van Defensie; • Rijkswaterstaat; • Metropoolregio Rotterdam Den Haag; • Waterschap Hollandse Delta; • DCMR Milieudienst Rijnmond; • Bureau voor Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR); • Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR); • ProRail; • Luchtverkeersleiding Nederland; • VWS Pipeline Control; • KPN Telecom; • Tennet; • Stedin; • GasUnie. Alleen van de VRR en het waterschap is een formele reactie ontvangen. VRR geeft aan dat geen sprake is van relevante externe veiligheidsaspecten en daarmee met het plan ingestemd kan worden. Wel wordt geadviseerd om zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Dit betreft echter een aspect in het kader van de planuitwerking.

Het waterschap heeft aangegeven akkoord te zijn met de waterparagraaf en heeft verder geen opmerkingen. Van de overige overlegpartners is binnen de gevraagde termijn geen reactie ontvangen, op basis waarvan wordt gesteld dat deze partners zich kunnen vinden in dit bestemmingsplan.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 43 -

- 44 -

II.

REGELS

- 46 -

INHOUDSOPGAVE PLANREGELS HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS.............................................................................................. 49 Artikel 1 – Begrippen......................................................................................................................... 49 Artikel 2 – Wijze van meten .............................................................................................................. 52 HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS.......................................................................................... 53 Artikel 3 – Gemengd ......................................................................................................................... 53 Artikel 4 – Verkeer - Verblijfsgebied ................................................................................................. 55 Artikel 5 – Waarde - Archeologie - 2 ................................................................................................. 56 HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS ............................................................................................... 59 Artikel 6 – Antidubbeltelregel ........................................................................................................... 59 Artikel 7 – Algemene afwijkingsregels ..............................................................................................

59 Artikel 8 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren ................................................................... 59 HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS .............................................................................. 61 Artikel 9 – Overgangsrecht................................................................................................................ 61 Artikel 10 – Slotregel ......................................................................................................................... 61

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Regels

- 47 -

- 48 -

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 – Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: Plan het bestemmingsplan “Slinge 303” met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2183Slinge303on01 van de gemeente Rotterdam. Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. Verbeelding de digitale plankaart. Aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. Archeologisch deskundige het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige. Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming. Bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Bouwgrens de grens van een bouwvlak. Bouwlaag Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en een plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, zolder, souterrain, parkeerplint, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als afzonderlijke bouwlaag beschouwd.

Alleen ingeval een dakopbouw breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als aparte bouwlaag geteld.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Regels

- 49 -

Bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. Bruto vloeroppervlak het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeer- en fietsvoorzieningen worden hiertoe niet gerekend. Buitenruimte een al dan niet besloten ruimte voor het in de buitenlucht verrichten van voor de functie kenmerkende activiteiten. Dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel wordt hier niet onder begrepen. Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Geluidsgevoelige objecten (in de zin van de Wet geluidhinder) Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidsgevoelig kan worden beschouwd.

(Kleinschalige) voorzieningen voor openbaar nut op het openbaar leidingennet aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, (stads)verwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt hier niet onder begrepen). Maaiveld de bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. Maatschappelijke voorzieningen voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. Milieudeskundige de DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie.

- 50 -

NAP het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. Onderbouw de onderste bouwlagen van een gebouw die gezien vanaf maaiveldniveau, als bepalend kunnen worden aangemerkt voor de beleving in stedenbouwkundige, architectonische en functionele zin. Peil de hoogte van het terrein ter hoogte van (hoofd)toegang bij voltooiing van de bouw. Straatmeubilair voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken en plantenbakken. Uitstekende delen aan gebouwen erkers, luifels, balkons, galerijen en dergelijke. Wet geluidhinder de Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Regels

- 51 -

Artikel 2 – Wijze van meten 2.1

Meten Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: a. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. b. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. Dakoverstekken, luifels, balkons en dergelijke worden hierbij niet meegeteld, mits zij niet verder uitsteken dan 1 meter.

2.2

Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, dakgoten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.

- 52 -

HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 – Gemengd 3.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding ‘wonen’; b. maatschappelijke voorzieningen; met daaraan ondergeschikt: c. al dan niet ondergrondse (gebouwde) parkeervoorzieningen; d. berg- en stallingsruimten; e. paden en ontsluitingswegen; f. groenvoorzieningen en water; g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen Op de in 3.1 bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 3.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b. het totaal aantal woningen mag niet minder dan 50 en niet meer dan 52 bedragen; c. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte. d. de hoogte van de onderbouw mag niet minder dan 8,4 meter bedragen; 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen. 3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Aan huis gebonden beroep/bedrijf Woningen mogen mede worden gebruikt voor aan huis gebonden beroep/bedrijf, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30% mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; b. ten aanzien van een aan huis gebonden bedrijf sprake is van een bedrijf tot en met categorie 1 als bedoeld in de bij deze regels horende lijst van bedrijfsactiviteiten; c. de gevels van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame-uitingen;

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Regels

- 53 -

d. er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; e. er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf. 3.3.2 Maatschappelijke voorzieningen Voor de maatschappelijke voorzieningen als bedoeld in 3.1 onder b gelden de volgende regels; a. de voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in de onderbouw van het gebouw; b. het bruto vloeroppervlak aan maatschappelijke voorzieningen mag niet meer dan 4.000 m2 bedragen. Daarnaast is maximaal 1.500 m2 aan buitenruimte toegestaan. 3.3.3 Voorwaarden hogere waarden Ten aanzien van het bepaalde in 3.1 geldt dat woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder, dat als bijlage bij deze regels is gevoegd, uitsluitend zijn toegestaan als wordt voldaan aan de in dit besluit opgenomen voorwaarden.

- 54 -

Artikel 4 – Verkeer - Verblijfsgebied 4.1

Bestemmingsomschrijving De voor “Verkeer - Verblijfsgebied” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen, zoals trottoirs, voetpaden en trappen; b. voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, fietspaden, parkeerplaatsen; c. groenvoorzieningen, waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; d. bouwwerken voor kleinschalige openbaar nutsvoorzieningen, verkeer en vervoersvoorzieningen; e. geluidswerende voorzieningen; f. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming.

4.2

Bouwregels

4.2.1 Op de voor “Verkeer - Verblijfsgebied” bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a. in de bestemming passende bouwwerken (geen gebouwen zijnde), zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers (al dan niet ondergronds) niet groter dan 10 m3, abri's, alsmede niet voor bewoning bestemde kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, welke gebouwen niet groter mogen zijn 80 m3; b. uitstekende delen aan gebouwen als bedoeld in 4.1 onder f, niet dieper dan 2 meter uit de gevel en tenminste 2,2 meter boven maaiveld.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Regels

- 55 -

Artikel 5 – Waarde - Archeologie - 2 5.1

Bestemmingsomschrijving De voor “Waarde - Archeologie - 2” aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

5.2

Bouwregels

5.2.1 Algemeen In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in 5.3.1. 5.2.2 Verplichting Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 5.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

5.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de in 5.3.2 onder a t/m f genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan. 5.3.2 Vergunningsvereisten Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodem verlagen, afgraven;

- 56 -

e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen. 5.3.3 Uitzondering Het vergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 5.3.4 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 5.3.5 Aan een omgevingsvergunning verbonden regels Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Regels

- 57 -

- 58 -

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 6 – Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen b uiten beschouwing.

Artikel 7 – Algemene afwijkingsregels 7.1

Afwijking toegestane afmetingen, maten en percentages Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor afwijkingen van toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages tot niet meer dan 10% van die afmetingen, maten en percentages, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie.

7.2

Afwijking toegestane bouwhoogte architectuur Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 meter, uitsluitend toe te passen ingeval extra bouwhoogte nodig is voor een architectonische verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag c.q. kap/schuin dakvlak.

Artikel 8 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het gebruik van gronden of bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen, overeenkomstig het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Regels

- 59 -

- 60 -

HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 9 – Overgangsrecht 9.1

Overgangsrecht bouwwerken

9.1.1 Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 9.1.2 Burgemeester en wethouders kunnen éénmalig afwijken van het bepaalde in 9.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 9.1.3 Het bepaalde in 9.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 9.2

Overgangsrecht gebruik

9.2.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 9.2.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 9.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 9.2.3 Indien het gebruik, bedoeld in 9.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 9.2.4 Het bepaalde in 9.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 10 – Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Slinge 303”, gemeente Rotterdam.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Regels

- 61 -

- 62 -

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV

VERBEELDING

VERKLARING

Plangebied Slinge 303

Enkelbestemmingen

V-VB

GD

Gemengd

V-VB

Verkeer - Verblijfsgebied

Dubbelbestemmingen WR-A2

Waarde - Archeologie - 2

Functieaanduidingen (w)

WR-A2

wonen

Bouwvlakken bouwvlak

Maatvoeringen

(w) 40

13

13

16

maximum bouwhoogte (m)

project:

Slinge 303 gemeente:

Rotterdam fase:

GD

Ontwerpbestemmingsplan opdrachtgever:

Stichting De Verre Bergen datum : 6 oktober 2022 schaal : 1 : 500 identificatienummer: : NL.IMRO.0599.BP2183Slinge303-on01 NL.IMRO.0599.BP2183Slinge303-on01 ondergrond: :

Postbus 6083 3002 AB Rotterdam email: info@bodg.nl tel: 06-48384580

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=a078b73c-b6d3-4af5-9a0d-daa492da4351