CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb003535] Bijlage 1 behorend bij 23bb3533 - Ontwerpbestemmingsplan Slinge 303

Gemeenteraad 22 juni 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Slinge 303’.16.735 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN SLINGE 303

6 oktober 2022

CONCEPT ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN SLINGE 303

concept ontwerp ontwerp vaststelling

23 april 2021 6 oktober 2022

direct

pers

creatief

oonli

jk vlot

betrokken atisch

pragm

kundig

held

er

dyna

misc

h

BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl

INHOUDSOPGAVE I.

TOELICHTING

II.

REGELS

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV.

VERBEELDING

I.

TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.

2.

3.

4.

INLEIDING .............................................................................................................................. 11 1.1

Aanleiding ............................................................................................................................... 11

1.2

Ligging en begrenzing ............................................................................................................. 11

1.3

Vigerend bestemmingsplan .................................................................................................... 11

1.4

Gekozen planopzet ................................................................................................................. 12

BELEIDSKADER ....................................................................................................................... 13 2.1

Nationaal beleid ...................................................................................................................... 13

2.2

Provinciaal beleid .................................................................................................................... 14

2.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 16

2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................... 19

BESCHRIJVING VAN HET PLAN ............................................................................................... 21 3.1

Omgeving en huidig gebruik ................................................................................................... 21

3.2

Projectbeschrijving ................................................................................................................. 22

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN.................................................................................. 27 4.1

Water ...................................................................................................................................... 27

4.2

Milieuzonering ........................................................................................................................ 28

4.3

Geluid ...................................................................................................................................... 30

4.4

Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 31

4.5

Externe veiligheid ................................................................................................................... 31

4.6

Bodem ..................................................................................................................................... 33

4.7

Archeologie ............................................................................................................................. 34

4.8

Ecologie ................................................................................................................................... 34

4.10 Duurzaamheid en energie ...................................................................................................... 36 4.11 Besluit m.e.r. ........................................................................................................................... 38 5.

6.

JURIDISCHE ASPECTEN ........................................................................................................... 39 5.1

Inleiding .................................................................................................................................. 39

5.2

De opzet van de planregels .................................................................................................... 39

UITVOERBAARHEID ............................................................................................................... 43 6.1

Financiële uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 43

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ............................................................................................ 43

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

-9-

- 10 -

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding De omgeving van de Slinge, behorend tot Zuidwijk, is één van de buurten in Rotterdam-Zuid waar op veel fronten wordt gestuurd op het wegwerken van achterstanden en differentiatie van de woningvoorraad. Dit met het oog op de doelstellingen van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid, waartoe ook de realisatie van goede onderwijsvoorzieningen behoort. Onder de noemer “Stichting Epos Onderwijs Rotterdam” wil ook de Stichting De Verre Bergen hier een bijdrage aan leveren. In 2020 is deze stichting een eigen particuliere onderwijsleergang gestart, in combinatie met de nodige voorzieningen op het vlak van sport en cultuur. Door deze voorzieningen over meerdere locaties te spreiden kunnen ze een eigen gezicht krijgen en op de Zuidwijkse schaal worden ingepast. In 2019 heeft de gemeente zich positief uitgesproken over het initiatief en tevens de wens uitgesproken voor de realisatie van woningen. Omdat het nu geldende bestemmingsplan “Zuidwijk” de realisatie daarvan niet toestaat (zie § 1.3) is een planherziening noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin en maakt naast een schoolgebouw tevens de realisatie van maximaal 52 woningen mogelijk.

1.2

Ligging en begrenzing Het plangebied betreft de gronden waarop voorheen een wijkgebouw gevestigd was en wordt begrensd door de Slinge aan de zuidzijde en de Hiet- en Larenkamp aan respectievelijk de west- en oostzijde. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door een openbaar parkeerterrein dat is gelegen ten zuiden van het woongebouw de Hietkamp.

Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in Rotterdam (links) en in de directe omgeving (rechts).

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van de locatie is momenteel het bestemmingsplan "Zuidwijk" het geldende juridisch-planologisch kader. Dit plan is door de gemeenteraad van Rotterdam op 22 november 2011 vastgesteld en onherroepelijk sinds 9 juni 2012. Ter plaatse van het plangebied (zie afbeelding 2) zijn twee bestemmingen van kracht. De gronden van het voormalige, maar reeds gesloopte wijkgebouw zijn nog altijd voorzien van de bestemming ‘Maatschappelijk - 2’. Hier zijn gebouwen en voorzieningen toegestaan op het gebied van onderwijs, religie, cultuur, gezondheidszorg, maatschappelijke- en publieke dienstverlening, met de daarbij behorende

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 11 -

erven. Feitelijk is binnen deze bestemming een school al mogelijk, alleen zijn de maten en afmetingen afwijkend, omdat deze geheel waren gericht op de destijds aanwezige bebouwing. De toegestane bouwhoogte is maximaal 10 meter en niet meer dan 60% van het gehele terrein mocht worden bebouwd. Woningen zijn binnen deze bestemming geheel niet toegestaan. De onbebouwde gronden rondom de maatschappelijke bestemming, zijn bestemd als ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ en feitelijk alleen bestemd voor voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen. Ook zijn uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming toegestaan. Net als straatmeubilair, huisvuilcontainers (al dan niet ondergronds), abri's en niet voor bewoning bestemde kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer. De bouwmogelijkheden zijn hier dus beperkt en niet toereikend voor de gewenste realisatie van een nieuwe school met woningen.

Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Zuidwijk” (plangebied oranje omkaderd).

Het gehele plangebied is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. Deze dubbelbestemming beschermt eventuele archeologische waarden. Bouw- en/of graafwerkzaamheden met een oppervlak van meer dan 200 m2 en die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld moeten worden getoetst op de noodzaak van onderzoek door Archeologie Rotterdam (BOOR). 1.4

Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de gronden voor woningbouwdoeleinden met bijbehorende voorzieningen in te kunnen zetten. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

- 12 -

2.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder die voor dit plan.

2.1

Nationaal beleid Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld en is vanaf 12 februari 2021 bindend voor het Rijk als geldende visie onder de Wro. Nederland staat voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het betreffen opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen en door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn de opgaven als volgt ingedeeld: 1. ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. verduurzamen van de economie en behouden van groeipotentieel; 3. sterker en leefbaarder maken van steden en regio’s; 4. toekomstbestendig ontwikkelen van landelijk gebied. Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden. Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER‐ladder'). Deze is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden.

Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen. Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (NPRZ) In september 2011 heeft de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tezamen met de gemeente Rotterdam en andere partners (corporaties, kennis-/zorginstellingen en ondernemers) een handtekening gezet onder het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Met deze ondertekening geven deze partijen uitwerking aan het advies, dat de commissie Deetman/Mans eerder dat jaar in opdracht van het Rijk opstelde. Deze commissie stelde dat Rotterdam-Zuid een omvangrijke stapeling van sociaaleconomische problemen in het zwakste deel van de woningmarkt in Nederland kent. Om een structurele verbetering te realiseren is een krachtige coalitie van deze partijen nodig. In het NPRZ staat de ambitie beschreven hoe Rotterdam-Zuid er in 2030 uit moet zien. De doelstelling hierbij is dat het gemiddelde van de wijken op Rotterdam-Zuid in 2030 vergelijkbaar wordt met het gemiddelde van de vier grote steden.

Dit houdt voor de fysieke pijler onder meer in, dat het de ambitie is om de wijken meer divers te maken: qua woningaanbod, bevolkingssamenstelling, voorzieningen en inkomensniveau. Door het creëren van aantrekkelijke woonmilieus worden de mensen die het sociaal en economisch beter krijgen (en nu vaak verhuizen) voor Zuid behouden. Hiervoor zijn investeringen nodig in de woningvoorraad en in de randvoorwaarden die de aantrekkelijkheid van het wonen bepalen. Uitgangspunt voor deze aantrekkelijke woonmilieus voor heel Zuid zijn de drie typen

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 13 -

woonmilieus die in potentie aanwezig zijn: centrumstedelijk, rustig stedelijk en groenstedelijk wonen. Voor Zuidwijk is het de ambitie om een rustig stedelijk woonmilieu te ontwikkelen. Conclusie nationaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Op basis van het Rijksbeleid kunnen de decentrale overheden maatwerk leveren en inspelen op specifieke wensen. Daarnaast blijkt uit paragraaf § 2.4, dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee aan de SER-ladder. Tevens draagt het project bij aan de doelstelling uit het NPRZ om meer scholen te realiseren en te voorzien in een grotere differentiatie aan woningen. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan de doelstelling uit het NPRZ om het woonmilieu te verbeteren. Geconcludeerd wordt, dat het plan in overeenstemming is met het nationaal beleid. 2.2

Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta. • Naar een nieuwe economie: the next level. • Naar een levendige meerkernige metropool. • Energievernieuwing. • Best bereikbare provincie. • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven.

Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 20 februari 2019 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 april 2019 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stadsen dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op - 14 -

(sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.

• Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten.

Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 15 -

Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stads- en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De beoogde herontwikkeling van het plangebied draagt hieraan bij en voorziet feitelijk in nieuwe bebouwing op een plek waar lange tijd een wijkgebouw heeft gestaan. De woningen passen binnen de woningbouwbehoefte van de gemeente Rotterdam en de realisatie van een school sluit tevens aan bij de doelstellingen van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Omdat voor de herontwikkeling geen nieuw ruimtebeslag wordt geclaimd, past de herontwikkeling van het plangebied binnen de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee ook binnen het provinciaal beleid (zie ook § 2.4). 2.3

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Rotterdam De Omgevingsvisie Rotterdam is vastgesteld op 2 december 2021 door de gemeenteraad van Rotterdam. De visie is een plan voor de fysieke leefomgeving en geeft weer hoe de stad er in de toekomst uit gaat zien, want Rotterdam verandert snel. De stad groeit en het aantal inwoners ook. Met de fysieke leefomgeving wordt alles bedoeld dat nodig is om in de stad te kunnen leven, wonen, werken, studeren en recreëren. Daarbij is aandacht voor water, lucht, bodem, natuur, wegen en gebouwen. De visie heeft tot doel de stad ook op lange termijn sterk, veerkrachtig en toekomstbestendig te houden. Het realiseren van voldoende woningen, werkgelegenheid en voorzieningen is daarbij essentieel. De visie gaat daarbij niet specifiek in op individuele projecten, zoals de hier beoogde ontwikkeling. Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020 De in december 2016 vastgestelde Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad.

In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld: • Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: o de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; o te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en o woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. • Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: o een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad, o ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden, en o energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen. • De basis op orde houden door: o het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; o betaalbaarheidsproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; - 16 -

o o o

goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt, en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

In 2019 heeft de gemeenteraad een aanvulling op de Woonvisie Rotterdam 2030 vastgesteld, de nota ‘Thuis in Rotterdam’. Met dit addendum wil de gemeente het woningaanbod in Rotterdam nog beter laten aansluiten op de behoefte van Rotterdammers. De belangrijkste punten hieruit zijn: • Het harder laten groeien van de woningvoorraad om voor iedereen een thuis te kunnen bieden. • Het meer in evenwicht brengen van het woningaanbod zodat de woningvoorraad meer in verhouding komt met de samenstelling van de Rotterdamse bevolking. • Het toevoegen van extra nieuwe huurwoningen voor Rotterdammers met een middeninkomen zoals verwoord in het ‘actieplan middenhuur’. Dit moet er mede aan bijdragen dat deze groep mensen in de stad blijft wonen. Met de vaststelling van een addendum op de woonvisie en de intrede van de Gebiedsatlas (augustus 2020) is de visie gebiedsgericht van aard geworden. Op basis van de gebiedsatlas wordt gestreefd naar het in balans brengen van de woningvoorraad. Die balans wordt niet zozeer in woningtypologie uitgedrukt, als wel in verhouding tussen prijssegmenten. Het streven is om op Zuid, en daarmee ook in Zuidwijk, het aandeel aan sociale woningbouw meer richting het stedelijk gemiddelde te verschuiven van 57% in 2030. De ontwikkeling zal dan ook moeten voldoen aan de het ‘Nieuw Rotterdams Kwaliteitsbeleid Wonen, 2020’.

Dit beleid biedt handvatten voor het bouwen van hoge kwaliteit nieuwbouwwoningen en woongebouwen. Uitgangspunt is het realiseren van woonkwaliteit ten behoeve van een toekomstbestendige woningvoorraad. Het beleid toetst woningbouwontwikkelingen aan vier onderdelen: gebruiksoppervlakte, flexibiliteit, collectiviteit en gebruikskwaliteit. Afwijking is in sommige gevallen mogelijk, bijvoorbeeld door het toevoegen van extra kwaliteiten. De gebruiksoppervlakte van een woning is een belangrijk aspect van de woonkwaliteit. De woninggrootte is sterk afhankelijk van het woonmilieu waarin het is gelegen. De ontwikkeling van de Slinge 303 is gelegen in het woonmilieu groenstedelijk wonen. Er wordt een minimaal gemiddelde woninggrootte van 70 m2 gbo gehanteerd voor appartementen, om het mogelijk te maken woningen van verschillend formaat te realiseren. Om de bandbreedte niet te groot te maken is ook een minimale woninggrootte aangegeven van 60 m2 gbo. In § 3.2 wordt nader beschreven op welke wijze het project voldoet aan de criteria uit het ‘Nieuw Rotterdams Kwaliteitsbeleid Wonen, 2020’. Verder is het ‘Actieplan middenkoop, 2021’ van toepassing. Voor middenkoop gelden een antispeculatiebeding en zelfbewoningsplicht. Deze woningen mogen de eerste vijf jaar alleen door eigenaar-bewoners worden bewoond.

Dit wordt, met een kettingbeding, vastgelegd in de koopakte of de anterieure overeenkomst. Nationaal programma Rotterdam-Zuid (NPRZ) Hoewel het NPRZ reeds is behandeld onder het Rijksbeleid in §2.1, wordt ook hier aandacht besteed aan dit beleid. Het NPRZ is namelijk uitgewerkt in een aantal gemeentelijke beleidsnota’s die van belang zijn. Ook het ambitiedocument “Ruimtelijk perspectief Rotterdam Zuid” (2014) en opgesteld door de partners van het NPRZ, betreft een uitwerking van het programma. Dit document bestaat uit een ruimtelijke visie en een ontwikkelingsstrategie op Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 17 -

hoofdlijnen. Het legt de relatie tussen de lange en de korte termijn, waarbij de ambitie is om van Rotterdam-Zuid een stabiele woonomgeving te maken, vergelijkbaar met de rest van de vier grote steden in Nederland. Het document is bedoeld om de gezamenlijke uitvoering kracht bij te zetten. Masterplan Onderwijs / Gelijke kansen voor elk talent / Integraal Huisvestingsplan Onderwijs In 2017 is het Masterplan Onderwijs door de gemeenteraad vastgesteld. Dit masterplan schetst een visie op de toekomst van het onderwijs en biedt ook inzicht in de ruimtelijke spreiding en variatie van het scholenaanbod en de kwaliteit van huisvesting. In 2035 is het Rotterdamse onderwijsaanbod zo aantrekkelijk dat iedere leerling in Rotterdam de school van zijn keuze kan vinden in de buurt. Omdat alle scholen in 2035 kwalitatief goed onderwijs bieden is goed onderwijs voor iedereen bereikbaar. Dit geldt zowel voor basisschoolleerlingen, als voor leerlingen in het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs. Goed onderwijs betekent vanuit een professionele organisatie, een kwalitatief en aantrekkelijk aanbod in de nabijheid door: goede spreiding, voldoende variatie, school als afspiegeling van de wijk en solide schoolomvang. Het Masterplan vormt het vertrekpunt voor het Rotterdamse onderwijsbeleid, dat is vastgelegd in het onderwijsbeleid 2019-2022 (‘Gelijke kansen voor elk talent’).

Rotterdam wil samen met onderwijsinstellingen en kinderopvang ervoor zorgen dat meer kinderen een hoger en passend onderwijsniveau halen. Om dit te bereiken wordt geïnvesteerd in kansengelijkheid in het Rotterdamse onderwijs. Daarnaast richt het beleid zich op het verkleinen van de kwaliteitsverschillen tussen scholen, alsook op de aanpak van het lerarentekort en op een succesvolle overgang tussen de verschillende onderwijssoorten. Een sterk, gevarieerd en aantrekkelijk aanbod aan scholen is hierbij van belang. De gemeente heeft immers de wettelijke zorgplicht om te zorgen voor adequate onderwijshuisvesting voor het primair en voortgezet (speciaal) onderwijs. Samen met de in Rotterdam gevestigde schoolbesturen is het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) opgesteld. Het centrale doel van het IHP is om bij te dragen aan het verbeteren van het onderwijskwaliteit van scholen. Hierbij worden twee ambities onderscheiden: • Evenwichtiger onderwijsaanbod: betere geografische spreiding over de stad en de wijken, zodat vraag en aanbod beter op elkaar aansluiten. • Betere kwaliteit huisvesting: duurzamere en flexibelere schoolgebouwen, zodat groei, krimp en medegebruik makkelijker op te vangen en in te passen zijn. Welstandsnota Rotterdam Het welstandsbeleid is op 11 oktober 2012 door de gemeenteraad vastgelegd in de 'Welstandsnota Rotterdam'.

Deze nota is een geactualiseerde versie van de 'Koepelnota Welstand Rotterdam' uit 2004 die hiermee is komen te vervallen. Op de kaart 'Welstandsniveaus' behorende bij deze nota is aangegeven welk welstandsregiem van toepassing is: vrij, regulier of bijzonder. Het plangebied valt binnen het welstandsregiem 'regulier' en binnen het gebiedstype ‘Stempel- en strokenbouw’. Woongebieden binnen dit gebiedstype zijn karakteristiek voor de wederopbouwperiode en kwamen tot stand tussen 1950 en 1970. Bij dit gebiedstype zijn bebouwing, openbare ruimte en groen in samenhang met elkaar ontworpen. Kenmerkend is dat de onderdelen van de openbare ruimte in elkaar overlopen; geheel omgrensde ruimtes komen niet voor. Gebouwen en groen werken samen als coulissen en vormen ‘schermen‘ in de ruimte. De bebouwing is eenvoudig en bestaat merendeels uit lage eengezinswoningen, - 18 -

(portiek-)etageflats en hoge galerijflats . Omdat deze locatie langs de stedenbouwkundige hoofdstructuur ligt is er ruimte voor verbijzondering. Bij de toetsing door de Commissie Welstand en Monumenten zal ook de samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en (groen)structuur een belangrijke rol spelen. Wijkagenda 2019-2022 Zuidwijk - Zuidrand Eind 2018 heeft de gebiedscommissie Charlois de wijkagenda 2019-2022 aan het college van burgemeester en wethouders aangeboden. Ten aanzien van Zuidwijk wordt in deze wijkagenda opgemerkt, dat wijk vooral last lijkt te hebben van een imagoprobleem. De tevredenheid over de huidige woonsituatie is in vergelijking tot 2014 en 2016 gedaald. De wil om te verhuizen uit de buurt is groter geworden en de tevredenheid over de buurt is gedaald. Een van de doelen is het verbeteren en toekomstbestendiger maken van het woningaanbod met de toevoeging van woonmilieus met middeldure en dure woningen met aandacht voor het historische karakter van de omgeving. Andere aandachtspunten die in deze wijkagenda genoemd worden, hebben betrekking op het verbeteren van de leefomgeving en veiligheidsgevoel. Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is erop gericht om meer woningdifferentiatie toe te voegen en te voorzien in de realisatie van een nieuw schoolgebouw.

Beide sluiten aan op de doelstelling van het NPRZ, maar ook die van de wijkagenda. De beoogde woningen dragen bij aan de beweging naar een andere balans in de wijk, zoals beschreven in de Woonvisie en de bijbehorende Gebiedsatlas. Het toevoegen van nieuwe woningen leidt ertoe dat de woningvoorraad in deze buurt gevarieerder wordt en bewoners die graag in Zuidwijk blijven wonen, een volgende stap in hun wooncarrière kunnen maken. Dit is ook een van de belangrijkste doelstellingen van de Woonvisie. De toevoeging van de beoogde onderwijsvoorziening draagt bij aan een gezond voorzieningenniveau en aan een meer evenwichtiger onderwijsaanbod. Daarnaast betreft het hier een goed bereikbare locatie binnen de wijk Zuidwijk. Gesteld wordt dat het plan aansluit op de doelstellingen zoals die omschreven zijn in het gemeentelijk beleid. 2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening, in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking, in werking getreden. Met deze aanpassing zijn drie leden van artikel 3.1.6 van het Bro gewijzigd. In deze leden worden eisen gesteld aan de toelichting op een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Het nieuwe derde lid maakt het mogelijk dat bij bestemmingsplan kan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt opgenomen in de toelichting van het wijzigings- of het uitwerkingsplan. Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Vooropgesteld wordt dat in de huidige situatie binnen het plangebied reeds bebouwing is toegestaan in de vorm van een wijkgebouw. Hoewel deze bebouwing reeds is gesloopt, leidt de beoogde ontwikkeling dus niet tot een nieuw ruimtebeslag. Daarnaast maakt de herontwikkeling deel uit van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Gezien dit programma en de urgentie daarvan, staat de vraag naar deze ontwikkeling niet ter discussie. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 52 woningen mogelijk.

Dat er behoefte is aan de beoogde woningen blijkt uit de meest actuele provinciale Woningbehoefteraming (WBR2019). Deze provinciale prognose is bedoeld als “neutrale” kwantitatieve basis voor het provinciale woningbouwbeleid. Voor elke regio is berekend hoeveel extra

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 19 -

woningen er nodig zijn, voor het huisvesten van nieuwe huishoudens. WBR2019 is een scenarioberekening van een demografisch model, waarbij (o.a.) wordt gerekend met ‘binnenlands migratiesaldo nul’ per gemeente. Op basis van deze raming blijkt de woningbouwproductie ten opzichte van de afgelopen jaren flink naar boven is bijgesteld. Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt evenwel dat het uitgangspunt “binnenlands migratiesaldo nul” in Rotterdam niet opgaat; de groei van Rotterdam wordt immers voor een belangrijk deel óók veroorzaakt door de vestiging van mensen van buiten de stad. De vraag naar woningen is in werkelijkheid dan ook groter, vandaar dat in het Rotterdamse coalitieakkoord het opschroeven van de woningbouwproductie een belangrijk beleidsvoornemen is. Naast de woningen wordt een school gerealiseerd die bijdraagt aan de noodzakelijke voorzieningen voor een goed woon- en leefklimaat en een kwalitatief en aantrekkelijk aanbod van scholen in de nabijheid. Gezien het bovenstaande wordt gesteld dat geen sprake is van strijdigheid met het Rijks- en provinciaal beleid op het gebied van de ‘ladder voor duurzame verstelijking’. De realisatie van maximaal 52 woningen en een school voorziet in de behoefte en de ontwikkeling past daarmee geheel binnen het nationaal en provinciaal beleid.

- 20 -

3.

BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens in te gaan op de beoogde nieuwe situatie, wordt eerst aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis van Zuidwijk, alsook de bestaande situatie en het huidig gebruik.

3.1

Omgeving en huidig gebruik

3.1.1

De wijk Zuidwijk De eerste bewoningssporen in de Maasdelta stammen al van voor de jaartelling. Na de overstromingen in de late middeleeuwen wordt het gebied ten zuiden van de Maas ingepolderd en ontstaan de polder van Charlois, de Smeetslandpolder en de Binnenlandpolder. Zuidwijk ligt, als onderdeel van voormalige deelgemeente Charlois, op de linker Maasoever in Rotterdam. De wijk werd direct na de Tweede Wereldoorlog samen met de wijken Pendrecht en Lombardijen, de Zuidelijke Tuinsteden genaamd, aangewezen voor de bouw van nieuwe woonwijken. Het stedenbouwkundig plan werd ontworpen onder verantwoordelijkheid van architect Van Tijen. De stedenbouwkundige hoofdstructuur van de wijk vindt de basis in de voormalige polderstructuur waarin de Schere, de Langehorst en de Meyenhage de belangrijkste dragers vormen. Binnen de stedenbouwkundige hoofdstructuur ontstonden acht buurten (de Horsten, Burgen, Steinen, Velden, Kampen, Lo's, Hoeken en Mare's/Rode's) met een geheel eigen identiteit met een heldere begrenzing van de randbebouwing en groenstroken. Naast een groot aantal winkelvoorzieningen aan de Slinge, die dwars door Zuidwijk loopt, is binnen elke buurt een eigen winkelstrook gesitueerd.

Locatie Slinge 303

Afbeelding 3: De wijk Zuidwijk.

3.1.2

Cultuurhistorie Het gebouwde cultuurhistorische erfgoed is belangrijk voor de stad. Een cultuurhistorische verkenning, ofwel een onderzoek naar- en waardering van de bestaande kenmerken vanuit historische perspectief, is een instrument om cultuurhistorisch erfgoed in te zetten als afwegingsfactor bij gebiedsontwikkelingen. In 2008 is door het toenmalige college besloten om bij gebiedsontwikkelingen een cultuurhistorische verkenning (cv) te laten opstellen zodat er

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 21 -

een cultuurhistorisch afwegingskader beschikbaar is. Daarnaast is ook besloten om cultuurhistorie structureel mee te nemen in de ruimtelijke planvorming (zoals bijvoorbeeld het bestemmingsplan). Dit besluit wordt versterkt door de kadernotitie "Cultuurhistorie in bestemmingsplannen: de Rotterdamse Aanpak" en de ambities die in de Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 benoemd zijn. Binnen de opzet van Zuidwijk ligt Slinge 303 precies op de plek waar twee belangrijke hoofdstructuren elkaar kruisen; De Slinge en de zogenoemde groene middenzone . In de directe nabijheid van Slinge 303 is onder meer de flat de Hietkamp (47 meter hoog) gesitueerd en een parkeerplaats waar de bewoners van de Hietkamp parkeren (58 pp). Deze parkeerplaats vormt met de Hietkamp momenteel de beëindiging van de noordelijke poot van de groene middenzone vanuit het Zuiderpark. Aan weerszijden wordt het groene karakter bepaald door de brede groen opgezette straatprofielen (Hietkamp en Larenkamp), waarbij de bestaande lanen een robuuste boomstructuur vormen. Daarnaast had het voormalige wijkgebouw door zijn hexagonale opzet de nodige groene restruimten aan de achterzijde, die de groene middenzone visueel tot aan het wijkgebouw poogden door te trekken. Binnen het plangebied is nu echter geen bebouwing meer aanwezig en daarmee evenmin sprake van gebouwen met cultuurhistorische waarden.

Afbeelding 4: Zicht op het nu onbebouwde terrein van Slinge 303.

3.2

Projectbeschrijving Voor de ontwikkeling is door de gemeente een Nota van Uitgangspunten (NvU) opgesteld, die als basis dient voor dit bestemmingsplan. Onderstaand worden deze uitgangspunten beknopt toegelicht, maar de nota zelf vormt tevens een bijlage van dit bestemmingsplan 1. Voor een meer uitgebreide beschrijving, wordt dan ook verwezen naar dat document. Zoals aangegeven wordt binnen het bestemmingsplan ruimte geboden aan de realisatie van en maximaal 52 woningen en een school. In de planregels is tevens vastgelegd dat het minimaal aantal woningen 50 moet bedragen. Op grond van de uitgangspunten dient de nieuwe invulling te bestaan uit een compositie van twee heldere alzijdige volumes, zodat deze goed passen binnen de bestaande ruimtelijke situatie. Door de ontwikkeling wordt het

1 Nota van Uitgangspunten Slinge 303, Zuidwijk, 17 juni 2022.

- 22 -

Slingeplein duidelijker als pleinruimte gedefinieerd. De gevel ligt terug ten op zichten van andere bebouwing langs de Slinge maar de nieuwe wand loopt wel parallel met de Slinge. De basis wordt gevormd door een onderbouw die zich voegt naar de bestaande structuren op maaiveld en de gebouwen in de directe nabijheid. Op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding zijn de maximaal toegestane hoogtes opgenomen, afgerond op hele meters. Daarmee is sprake van een zeer beperkte marge ten opzichte van de maten in de Nota van Uitgangspunten, maar daarmee bestaat wel de zekerheid dat het definitieve bouwplan past binnen de juridische regeling. Het basement - in het bestemmingsplan bepaald op 13 meter, gelijk aan drie maal een verdiepingshoogte van een modern schoolgebouw – is afgestemd op de hoogte van de bestaande bebouwing langs de Slinge. Bovenop het basement is ruimte voor een woontoren en een optopping van de school in de vorm van een gymzaal. Voor de optopping van de school is een maximale hoogte opgenomen van 16 meter, terwijl het woongedeelte in het bestemmingsplan is vastgelegd op maximaal 40 meter. Het woonvolume is aan de Westzijde/Hietkampzijde van het gebouw gepositioneerd en heeft daarmee ook de entree aan deze straat. Het bestemmingsplan biedt daartoe de flexibiliteit.

Een plezierige openbare ruimte wordt voor een groot gedeelte bepaald door de kwaliteit van de bebouwing op de begane grond. Naast een hoge kwalitatieve inrichting van openbare ruimte zullen activiteiten in deze plint, zowel overdag als ’s nachts, immers bijdragen bij aan het gevoel van sociale veiligheid. Het bestemmingsplan biedt daarom de flexibiliteit om in de plint een programma te realiseren dat hieraan bijdraagt. Natuurlijk is ook de vormgeving daarbij van belang, maar daarover kan een bestemmingsplan geen uitspraak doen.

Afbeelding 5: Schematische weergave uit de Nota van Uitgangspunten.

De rooilijnen van de nieuwe bebouwing zijn grotendeels gebaseerd op de maat van de groene middenzone (37 meter) en de boomstructuren. Er ontstaat een compacter gebouw ten opzichte van de voormalige bebouwing. Op deze manier worden zo veel mogelijk bestaande bomen en bermen gerespecteerd als dragers van het tuinstedelijk karakter en kan dit karakter op dit terrein zelfs verder versterkt worden. Het uiteindelijke bouwplan zal in gezamenlijk overleg met de gemeente en op basis van de NvU worden vormgegeven. Daarbij wordt gestreefd naar een actieve onderste laag. Plinten aan de zuid- en oostkant grenzen daarbij direct aan de buitenruimte. Aan de noord- en

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 23 -

oostzijde is in de Nota van Uitgangspunten opgenomen dat sprake moet zijn van een fysieke en visuele verbinding met de (privé) buitenspeelruimte. Tevens is een vrije uitloop vanuit de school-functies gewenst. Programma De onderbouw van het gebouw moet in de eerste plaats gaan dienen voor de huisvesting van het primair onderwijs en de benodigde buitenruimte. Het bestemmingsplan biedt de ruimte om deze functies te realiseren. Voor de school is onderstaand programma gedefinieerd in de Nota van Uitgangspunten. Dit programma past functioneel binnen de begripsomschrijving voor ‘maatschappelijke voorzieningen’, zoals vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan.

Afbeelding 6: programma voor de school op grond van de Nota van Uitgangspunten.

De maximale woningbouwopgave bestaat dus 52 woningen. De woningen dragen bij aan een meer gedifferentieerd woningaanbod en zijn bedoeld voor verschillende doelgroepen. De ontwikkeling zal daarbij voldoen aan het ‘Nieuw Rotterdams Kwaliteitsbeleid Wonen, 2020’, waarbij wordt getoetst aan vier onderdelen: gebruiksoppervlakte, flexibiliteit, collectiviteit en gebruikskwaliteit. Afwijking is in sommige gevallen mogelijk, bijvoorbeeld door het toevoegen van extra kwaliteiten: Gebruiksoppervlakte De projectlocatie ligt in het woonmilieu Groenstedelijk wonen. Zoals beschreven in de beleidsparagraaf wordt in dit woonmilieu een gemiddelde gebruiksoppervlakte voor appartementen voorgestaan van 70m2 en zijn appartementen nooit kleiner dan 60m2. Alle te realiseren woningen betreffen koopwoningen in het middensegment. Dit segment is bedoeld voor mensen met een middeninkomen. Tot deze doelgroep behoren onder andere mensen in onmisbare beroepsgroepen, zoals politieagenten, onderwijzers en verpleegkundigen. De woningen zijn rolstoeltoegankelijk (3 ster woningen), waarmee ze hoger scoren dan de minimumeis (een 2 ster woning die rollator toegankelijk is). De woningen zijn daarmee

- 24 -

toekomstbestendig en toegankelijk voor een bredere doelgroep, waaronder personen met een beperking of zorgbehoevende ouderen. De gemiddelde gebruiksoppervlakte de woningen betreft 67m2 en de kleinste woning is 59m2. Het plan wijkt af van het kwaliteitsbeleid, maar dit is acceptabel omdat de woningplattegronden van voldoende kwaliteit zijn en er extra kwaliteit aan het plan is toegevoegd. Flexibiliteit Het gebouw is flexibel voor veranderend gebruik in de toekomst. Ook de woningen zelf zijn in voldoende mate flexibel in te delen. Collectiviteit Er is een extra collectieve voorziening toegevoegd. Dankzij de leefgalerij is er op elke verdieping ruimte voor ontmoeting. De entree van het gebouw is ruim en hier is ook ruimte voor ontmoeten en sociale controle. Gebruikskwaliteit De woningen zijn voldoende groot, hebben een eigen buitenruimte en de meeste slaapkamers bieden voldoende ruimte voor een 2-persoonsbed en kastruimte. De buitenruimte is met minimaal 8 m2 per woning vrij ruim. De buitenruimte loopt over de gehele lengte van de woning en er is voldoende ruimte voor het plaatsen van een zitje en/of tafel. Parkeren en mobiliteit Op grond van de ‘Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2022’ is de locatie gelegen binnen Zone C, waarbinnen voor de hier beoogde woningen een parkeereis geldt die varieert van 0,1 tot 1,4 parkeerplaatsen per woning.

Deze parkeerplaatsen dienen op eigen terrein gerealiseerd te worden. De parkeereis van het onderwijsprogramma is te salderen, dus de onderwijsfunctie kent geen aanvullende parkeereis. Voor de school en aanvullende functies geldt dat de geldende fietsparkeereis geheel op eigen terrein dient te worden opgelost. Toetsing aan de parkeernormen vindt plaats in het kader van de bouwaanvraag. Het bestemmingsplan voorziet in een regeling waarmee deze toetsing is geborgd. Tevens maakt het bestemmingsplan het mogelijk dat deze op eigen terrein en al dan niet ondergronds kunnen worden gerealiseerd. De grootste parkeer- en verkeersdruk bij basisscholen ontstaat door het halen en brengen van kinderen. De hoeveelheid auto’s die hiermee gepaard gaat, is mede afhankelijk van de grootte van de school (aantal kinderen), hoeveel kinderen begeleidt naar school komen, hoeveel kinderen met de auto worden gebracht en hoeveel kinderen overblijven. Op deze school blijven alle kinderen tussen de middag op school. Momenteel wordt in de wijk Zuidwijk zo’n 35% van de kinderen met de auto naar school gebracht. Uiteraard is een beperking van dit autogebruik wenselijk. De toename van het verkeer van de nieuwe school zal de druk in deze buurt tijdens haal- en brengmomenten verhogen.

Daarom is het van belang om lopen en fietsen te stimuleren, ouders daarin actief te begeleiden en het resterend autoverkeer goed te reguleren om de veiligheid van de schoolgaande kinderen en de andere verkeersdeelnemers te waarborgen. Aan de noordzijde van het plangebied ligt een parkeerterrein dat gebruikt kan worden voor bezoekers van de school, als ook voor het halen en brengen van de kinderen. De ontsluiting van dit parkeerterrein vindt plaats via de Hietkamp en het verkeer zal vanaf daar in zuidelijke of noordelijke richting haar weg vervolgen. Op basis van de verkeersgegevens die mede ten Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 25 -

grondslag hebben gelegen aan de geluidrapporten (zie § 4.2 en 4.3) is op te maken dat al het verkeer zich concentreert op de Hietkamp en dat driekwart in zuidelijke richting en één kwart in noordelijke richting deze straat inrijdt of verlaat. Bij de kruisingen van de Hietkamp met de Slinge of Schere is de toename vanwege de verkeersgeneratie door de school en de woningen zeer beperkt en niet meer relevant ten opzichte van de totale verkeersintensiteit. Gezien de locatie in het centrum van de wijk ligt, zijn de maximale loop- en fietsafstanden kort (14 minuten lopen, 4 minuten fietsen) en is de potentie om leerlingen te stimuleren te voet of per fiets naar school te gaan hoog. Zo kan het autogebruik en daarmee dus de verkeersdruk worden verlaagd. Dit draagt bij aan het beleid van de gemeente, wat graag de veranderende mobiliteit wil faciliteren. Dat betekent dat de fiets, de voetganger en het openbaar vervoer meer ruimte moet krijgen ten koste van het autoverkeer. De verkeerstoename is dan ook beperkt. Voor het halen en brengen met de auto wordt er vanuit gegaan dat dit geldt voor maximaal 50 kinderen. Dit komt neer op maximaal 100 auto’s per dag. Voor het eigen personeel is uitgegaan van 10 auto’s die in de ochtend aankomen en aan het einde van de middag wegrijden.

Op een dag kan incidenteel een vrachtwagen komen voor het ophalen van afval (papier- en restafval) of voor incidentele grote leveringen (meubels, e.d.). Uitganspunt is dat dit slechts zeer incidenteel meer dan 1 vrachtwagen betreft. Daarom is in de bedrijfssituatie uitgegaan van 1 vrachtwagen per dag. De vrachtwagens rijden dan tot het schoolplein ten noorden van de school. Daarnaast kunnen de standaard koeriersdiensten naar het gebouw komen. Dit betreft dan twee bestelbussen op een dag. Ook deze parkeren in de omgeving en lopen vervolgens naar het schoolgebouw. In § 4.2 wordt op basis van onderzoek meer aandacht besteed aan de (akoestische) gevolgen van de ontwikkeling. Nieuwe schone vervoersmiddelen en ander reisgedrag zijn dus de inzet en daartoe is in de eerder benoemde Nota van Uitgangspunten een aantal maatregelen benoemd, onder andere met betrekking tot de plaatsing van fietsenstallingen en entrees, als ook het inrichtingsplan de breedte van trottoirs en aantrekkelijke routes met fietspaden en fietsstraten. De benoemde maatregelen betreffen veelal aspecten die behoren bij de nadere uitwerking van het bouwplan, het inrichtingsplan of behoren tot goede voorlichting aan ouders en kinderen.

Het zijn aspecten waarvoor het bestemmingsplan niet het geëigende instrument is om dit juridisch te borgen, maar de aandacht hiervoor volgt mede uit de afspraken hierover op grond van de Nota van Uitgangspunten.

- 26 -

4.

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.

4.1

Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2 & Rotterdams Weerwoord). Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 20162021. Dit programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling.

Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 3.500 m² en heeft een maaiveldhoogte van circa NAP -1,25 m. Het plangebied bevindt zich, net als de gehele Zuidwijk, binnen het peilgebied 50-1 van bemalingsgebied Korpersweg. Het gemaal Korperweg bevindt zich circa 2 km ten westen van het plangebied. Het inlaten van water gebeurt middels een hevel vanaf De Nieuwe Maas of vanuit IJsselmonde-Midden. De bodem bestaat uit een of enkele meters ophoogzand waaronder de oorspronkelijke klei- en veenbodem zich bevindt. Hoewel de bestaande bebouwing reeds is gesloopt en daardoor tijdelijk geen sprake is van verharding, was in de oorspronkelijke situatie (zoals ook vastgelegd in het bestemmingsplan Zuidwijk) nagenoeg het gehele plangebied verhard. Het verhard oppervlak werd gevormd door de voormalige bebouwing en de daaromheen liggende verhardingen. Ook in de nieuwe situatie zal dit het geval zijn, al zal hierbij meer aandacht bestaan voor het langer vasthouden van hemelwater.

Dit door bijvoorbeeld de vergroening van daken (zie ook § 4.10). De herontwikkeling leidt, met het oog op het reeds toegestane gebruik, hoe dan ook niet tot een toename van het verhard oppervlak groter dan 500 m2, waardoor op grond van het waterschapsbeleid geen sprake is van een verplichte watercompensatie.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 27 -

Het plangebied ligt niet in een waterkering, noch binnen de bij een kering behorende beschermingszone. De dichtstbijzijnde waterkering ligt ter hoogte van de Charloisse Lagedijk / Rijksweg A15, op zo’n 1.200 meter ten zuidwesten van het plangebied. Het betreft hier een regionale waterkering die onderdeel uitmaakt van dijkring 17. Deze waterkering heeft een beschermingsniveau van 1 op de 4.000 per jaar.

Afbeelding 7: Overzicht aanwezige waterkeringen in omgeving plangebied (oranje omkaderd).

Het plangebied valt binnen rioleringsdistrict 24, waar de wijken Zuidwijk en Pendrecht toe behoren. Binnen Zuidwijk zijn drie overstorten aanwezig. Het rioolwater wordt verzameld in het collecteurriool onder de Slinge en wordt via een persleiding afgevoerd naar de RWZI Dokhaven. In Zuidwijk is overwegend sprake van een gemengd rioolstelsel, zo ook ter hoogte van het plangebied. Dit betekent, dat zowel het regenwater als het afvalwater gezamenlijk wordt afgevoerd. Het beoogde bouwplan wordt uitgerust met een aansluiting voor een gescheiden stelsel, maar wordt aangesloten op het huidige gemengde stelsel. Daar waar mogelijk wordt het hemelwater afgekoppeld, zodat het ter plaatse kan infiltreren. Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen, is het voor de nieuwe bebouwing van belang om duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen. Zink, lood, koper en PAK´s-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets. In dit kader is het waterschap betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan. Door hen is aangegeven akkoord te zijn met de ontwikkeling en geen nadere eisen te stellen. 4.2

Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de - 28 -

ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Uit de geldende bestemmingsplannen blijkt, dat in de omgeving van het plangebied hinder veroorzakende functies aanwezig (mogen) zijn. Het betreffen hier de activiteiten binnen de bestemming ‘Gemengd - 3’ en ‘Maatschappelijk - 1’, zoals detailhandel, kantoren, maatschappelijke voorzieningen en bedrijven. Het betreffen hier activiteiten die op grond van de VNG-uitgave worden aangemerkt als ten hoogste milieucategorie 2. Hierdoor is sprake van een hindercontour van 30 meter. Omdat de omgeving van het projectgebied aangemerkt wordt als ‘gemengd gebied’, mag deze hindercontour met één afstandsstap verkleind worden tot 10 meter. Voor categorie 1-inrichtingen geldt in dat geval een hindercontour van 0 meter. Voor alle toegestane functies geldt, dat aan de hinderafstand voldaan kan worden. Daarnaast worden dergelijke inrichtingen op grond van het geldende bestemmingsplan toelaatbaar geacht in een woonomgeving. Zo zijn deze functies direct naast en/of onder woningen toegestaan. In het beoogde bouwplan zelf is een maatschappelijke functie in de vorm van een school voorzien.

Op grond van de Rotterdamse vertaling van de VNG-uitgave wordt een dergelijke functie als passend in een woonomgeving ervaren. Aangezien het bouwplan voorziet in woningen boven op het schoolgebouw en omdat scholen een relatief grote invloed hebben qua geluid, is een akoestisch onderzoek 2 uitgevoerd. Voor de overige milieuaspecten (geur, gevaar, stof) is de richtafstand 0 meter en is geen invloed te verwachten. Uit onderzoek blijkt de maximale geluidsniveaus en de geluidniveaus als gevolg van de verkeersaantrekkende werking voldoen aan de toetswaarden uit stap 2 van het stappenplan zoals opgenomen in de VNG-publicatie. Daaruit blijkt dat voor deze aspecten sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voldoen niet aan de toetswaarden uit stap 2, maar er wordt wel voldaan aan de toetswaarden uit stap 3. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door het stemgeluid van spelende kinderen. Omdat het plangebied in een gebied ligt waar veel omgevingsgeluiden aanwezig zijn, kan het stemgeluid hier deels in opgaan. Daarnaast wordt dit type geluid aangemerkt als normaal geluid dat te verwachten is in een stedelijke omgeving. Tevens geldt dat de overschrijding alleen overdag plaatsvindt, waardoor geen slaapverstoring optreedt.

Bij de uitwerking van het bouwplan wordt rekening gehouden met het voorkomen van hinder van de school op de nog te realiseren woningen (en vice versa). Een akoestisch acceptabel binnenklimaat kan gegarandeerd worden door toepassing van normale gevelwerking. Zodoende zal zowel voor de bestaande als de nog te realiseren woningen sprake zijn van een van een goed woon- en leefklimaat. Tevens kan gesteld worden dat de beoogde school een belangrijke bovenwijkse functie vervult. Op grond van jurisprudentie (uitspraak van ABRS 200603295/1) gaat dit bovenwijkse belang boven het individuele belang. Op grond van zowel de VNG-uitgave als de Rotterdamse systematiek wordt gesteld, dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast worden vergunde rechten van de aanwezige bedrijven niet ingeperkt. Het thema 'milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied.

2 DGMR, Slinge 303 Rotterdam; Onderzoek Bedrijven en milieuzonering, april 2022, rapportnr.:

M.2021.0066.00.R001.

Ontwerpbestemmingsplan “Slinge 303” – Toelichting

- 29 -

4.3

Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk woningen en een onderwijsvoorziening. Deze liggen binnen de toetsingszone van een zoneplichtige weg. Vandaar dat een akoestisch onderzoek 3 is uitgevoerd. De rekenresultaten worden hieronder uiteengezet. Wegverkeerslawaai De voorziene geluidsgevoelige objecten bevinden zich binnen de toetsingszone van de volgende zoneplichtige weg: Slinge. De berekende geluidsbelasting op de gevels van de beoogde woningen bedraagt hierbij maximaal 53 dB; ter plaatse van de onderwijsvoorziening is een geluidbelasting van ten hoogste 56 dB berekend. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. Dit geldt niet voor de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Een ontheffing van de Wet geluidhinder is benodigd om het beoogde bouwplan te kunnen realiseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=a078b73c-b6d3-4af5-9a0d-daa492da4351