CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb003390] Bijlage 2A behorende bij 23bb003399 over Aanvulling ROER Verstedelijking Oostflank

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 14 juni 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Herziening Omgevingsvisie Oostflank42.907 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

5.3.4 Welzijn Inclusiviteit In de huidige situatie zijn er op het gebied van inclusiviteit grote verschillen tussen wijken, en tussen Noord en Zuid. Het aantal sterke schouders en het bereikbare banen is op de noordoever veel groter dan op de zuidoever. Bloemhof en Hillesluis worden subjectief negatief beoordeeld op het vlak van bijvoorbeeld participatie en zelfredzaamheid. In Het Lage Land is de situatie voor veel van de indicatoren in de sociale index een stuk beter. De Esch scoort redelijk, en Kralingen Oost scoort zeer positief. Daarnaast speelt het aantal voorzieningen een rol in de beoordeling. In de referentiesituatie zullen er meer banen en meer woningen toegevoegd worden binnen AZ. Dit leidt ertoe dat de baanbereikbaarheid licht zal verbeteren. Ook zullen er meer gemengde wijken kunnen ontstaan, wat de inclusiviteit ten goede kan komen. Tegelijkertijd is ook de vrees dat de stad nauwelijks betaalbaar blijft voor bepaalde groepen, waardoor de stad moeilijker toegankelijk wordt. het draagvlak voor voorzieningen zal toenemen, waar op verschillende plekken verschillende mensen gebruik van kunnen maken.

Alternatief Concentreren Alternatief Concentreren gaat uit van een station Stadionpark, een brug en een HOVtramlijn van Zuidplein naar Kralingse Zoom. Dit zorgt voor reistijdverbeteringen voor het openbaar vervoer. Vooral voor De Esch is de reistijdverbetering fors (gemiddeld zo’n 14 minuten). Maar ook in Bloemhof en Hillesluis, Feyenoord City en de Boszoom zien we flinke verbeteringen. Voor elk deelgebebied geldt dat de reistijd met openbaar vervoer korter wordt. Voor fietsers zien we ook forse verbeteringen in reistijd, die gelijk zijn aan de spreidingsvariant. Dit geldt het meest voor Feyenoord City, maar zeker ook voor De Esch en Bloemhof en Hillesluis. Ook voor alle andere gebieden zien we een verbetering. Tenslotte zien we voor de auto hetzelfde beeld als voor de spreidingsvariant: de reistijd blijft grofweg hetzelfde, maar verbetert heel erg licht voor Bloemhof en Hillesluis, Feyenoord City en De Esch, waarschijnlijk als gevolg van de mogelijkheid die de nieuwe stadsbrug (beperkt gebruik door auto’s) biedt.Alternatief Concentreren gaat uit van een station Stadionpark, een brug en een HOV-tramlijn van Zuidplein naar Kralingse Zoom. Dit zorgt voor reistijdverbeteringen voor het openbaar vervoer. Vooral voor De Esch is de reistijdverbetering fors (gemiddeld zo’n 14 minuten). Maar ook in Bloemhof en Hillesluis, Feyenoord City en de Boszoom zien we flinke verbeteringen.

Voor elk deelgebebied geldt dat de reistijd met openbaar vervoer korter wordt. Voor fietsers zien we ook forse verbeteringen in reistijd, die gelijk zijn aan de spreidingsvariant. Dit geldt het meest voor Feyenoord City, maar zeker ook voor De Esch en Bloemhof en Hillesluis. Ook voor alle andere gebieden zien we een verbetering. Tenslotte zien we voor de auto hetzelfde beeld als voor de spreidingsvariant: de reistijd blijft grofweg hetzelfde, maar verbetert heel erg licht voor Bloemhof en Hillesluis, Feyenoord City en De Esch, waarschijnlijk als gevolg van de mogelijkheid die de nieuwe stadsbrug (beperkt gebruik door auto’s) biedt.

Alternatief Spreiden In alternatief Spreiden verbetert het openbaar vervoer sterk, en zal er een behoorlijk woon- werk- en voorzieningenprogramma worden toegevoegd. Dit zorgt ervoor dat er voor heel veel inwoners veel meer banen binnen bereik komen; dat komt de inclusiviteit ten goede. Dit effect is sterker op de zuidoever dan op de noordoever, omdat daar de ‘vervoersarmoede’ groter is. Ook kunnen nu eenzijdige deelgebieden meer gemengd worden, waardoor verschillende delen van A-Z bereikbaar worden voor verschillende doelgroepen, meer dan nu het geval is. Daarnaast groeit het aantal voorzieningen. Ook hier blijft de (financiële) toegankelijkheid van wonen, werken, voorzieningen en vervoer een belangrijk aandachtspunt. Alternatief Concentreren Ook in alternatief Concentreren verbetert het openbaar vervoer sterk, en zal er een zeer fors woon- werk- en voorzieningenprogramma worden toegevoegd op goed bereikbare plekken. Dit zorgt ervoor dat er voor heel veel inwoners veel meer banen binnen bereik komen; dat komt de inclusiviteit ten goede. Dit effect is sterker op de zuidoever dan op de noordoever, omdat daar de ‘vervoersarmoede’ groter is. Ook kunnen nu eenzijdige deelgebieden meer gemengd worden, waardoor verschillende delen van A-Z bereikbaar worden voor verschillende doelgroepen, meer dan nu het geval is. Daarnaast groeit het aantal voorzieningen.

Ook hier blijft de (financiële) toegankelijkheid van wonen, werken, voorzieningen en vervoer een belangrijk aandachtspunt.

62

5.3.5 Overzicht

Sociale samenhang Randvoorwaardelijk voor sociale samenhang is de ontmoeting tussen verschillende groepen mensen. Dit kan bijvoorbeeld in de openbare ruimte, bij voorzieningen of andere soorten ontmoetingsplekken. Ook hier zijn de cijfers van het wijkprofiel nuttig, enerzijds in het duiden van plekken die ontmoeting faciliteren, zoals groen om te picknicken of voorzieningen, anderzijds door te kijken naar de sociale binding.

In onderstaande tabellen is de beoordeling van de referentiesituatie en de effecten van de bouwstenen (verschil met de referentiesituatie) opgenomen.

Lage Land Boszoom Kralingse Zoom

In de beide alternatieven wordt op de knopen fors verdicht. Grofweg geldt dat hoe meer er verdicht wordt, hoe beter de score voor sociale veiligheid wordt. In de Alexanderknoop en Feyenoord City zorgt Concentreren (bouwstenen AK1, FCPLus) daarom voor een forse verbetering, en Spreiden (bouwstenen AK2, FC Basis) voor een lichte verbetering. In de Kralingse Zoom verbeterd de situatie ook, net als Hart van Zuid in de referentiesituatie al. In Het Lage Land en Bloemhof en Hillesluis gebeurt wat betreft sociale veiligheid in beide varianten niet zoveel; een neutrale score. In De Esch is de situatie al vrij positief; nauwelijks een verbetering daarom, ondanks de verdichting. In de Boszoom verbetert de situatie fors door een nieuwe wijk in alternatief Spreiden (BZ2); in alternatief Concentreren (BZ1) verbetert de situatie licht door een intensiever gebruik wat betreft voorzieningen en werken.

De Esch Feyenoord City Bloemhof/Hillesluis Hart van Zuid

63

welzijn

mobiliteit

deelgebied Alexanderknoop

Sociale veiligheid De sociale veiligheid van een plek wordt onder andere bepaald door ‘ogen op straat’. A-Z kent een behoorlijk aantal vrij desolate plekken die weinig sociale controle kennen – en daardoor kunnen leiden tot een gevoel van (sociale) onveiligheid. In de huidige situatie scoort de noordoever iets beter dan de zuidoever voor deze indicator. De verwachting is dat verdichting over het algemeen zal zorgen voor sociaal veiligere plekken, hoewel een kanttekening gemaakt moet worden dat dit niet altijd overal zal gelden.

woonomgeving

Voor beide alternatieven geldt dat er flink wat woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen bijkomen. Parallel daaraan wordt geïnvesteerd in het aantrekkelijker maken van de openbare ruimte. Als dit zorgvuldig gedaan wordt, kan dit bijdragen aan de sociale samenhang. Dit geldt voor alle deelgebieden. Daarom een licht positieve score voor beide alternatieven.

wonen

Tabel 5.10: Beoordeling van de referentiesituatie per deelgebied

5.4. Economische omgeving

Tabel 5.11: Beoordeling van de effecten van de bouwstenen (ten opzichte van de referentiesituatie)

bouwsteen

wonen

woonomgeving

mobiliteit

welzijn

5.4.1 Ruimtegebruik

AK1

+

+

±

+

AK2

+

+

+

+

LL 1

+

±

±

±

LL 2

+

+

+

+

BZ 1

±

±

±

±

BZ 2

+

±

++

+

KZ

++

+

+

+

E1

+

-

++

±

E2

+

±

++

±

FC Basis

++

+

++

±

FC Plus

++

+

++

+

Bloemhof/Hillesluis

B/H

+

+

++

±

Hart van Zuid

HvZ

±

±

+

±

deelgebied Alexanderknoop

Lage Land

Boszoom

Kralingse Zoom

De Esch

Feyenoord City

Ruimtebeslag Voor een goed draaiende economie moet voldoende ruimte voor bedrijvigheid beschikbaar zijn op de juiste locaties . Van belang zijn bereikbaarheid, planologische beschikbaarheid (ook gezien de milieucategorisering en de ruimtelijke structuur (kavels e.d.) maar ook steeds meer de verblijfskwaliteit (voorzieningenniveau). De hoeveelheid ruimte voor bedrijven staat onder druk door autonome ontwikkelingen, zoals het omzetten van bedrijfspanden naar een woonfunctie. Het beleid van de gemeente komt er kort gezegd op neer dat er voldoende en bereikbare ruimte voor bedrijvigheid moet zijn en moet blijven: het juiste bedrijf op de juiste plek. Belangrijk daarbij is dat er ook voor praktisch geschoolde Rotterdammers voldoende banen dicht bij hun woning moeten zijn. Dat impliceert dus dat ook ruimte voor bedrijvigheid -die deze banen kan bieden- ook bereikbaar moet zijn voor praktisch geschoolde Rotterdammers. Relevante factoren hierbij zijn de situering van de bedrijfsruimte ten opzichte van de woongebieden en de multimodale bereikbaarheid (infrastructuur voor OV, fiets en auto). Bij de bouwstenen AK1 en KZ gaat (bestaande) ruimte voor bedrijvigheid verloren door omzetting naar gebieden met meer gemengd wonen en bepaalde soorten van (kleinschalige) bedrijvigheid. Voor dit aspect is dat licht negatief beoordeeld in vergelijking met de referentiesituatie.

Bij bouwsteen AK2 blijft een deel van de bestaande ruimte voor bedrijvigheid aanwezig. De beoordeling van deze bouwsteen is daarom neutraal in vergelijking met de referentiesituatie. De beoordeling van de bouwstenen LL1 en LL2 is licht negatief omdat de inpassing van bedrijfsruimte hier minder kansrijk wordt. Concentratie werklocaties Uit de analyse van economische informatie blijkt dat concentratie van bedrijfsonroerend goed op multimodaal ontsloten en goed bereikbare locaties met het juiste vestigingsmilieu bijdraagt aan het succes van bedrijven en aan de werkgelegenheid. Door de jaren is er sprake van een steeds sterkere concentratie van bedrijfsonroerend goed in Rotterdam. Dit is deels het gevolg van gemeentelijk beleid, maar ook het gevolg van de wens van bedrijven en organisaties om gevestigd te zijn in gebieden die hiervoor specifiek zijn ingericht en beschikken over het gewenste vestigingsmilieu. Ook op lokaal niveau blijkt hierbij sprake te zijn van agglomeratie-effecten: in

64

prioritaire concentratiegebieden groeit werkgelegenheid sterker dan daarbuiten. 4 In kantoren concentratiegebieden groeit de kantorenwerkgelegenheid zelfs twee keer zo snel als daarbuiten.5

(zoals methaan) zijn nagenoeg afwezig. De beschrijving en beoordeling van de CO 2uitstoot vindt plaats op basis van de principes van het Greenhouse Gas Protocol 6. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen scope 1 (directe emissie vanuit het beschouwde gebied), scope 2 (indirecte emissies, bijvoorbeeld als gevolg van het gebruik van elders met behulp van fossiele brandstoffen opgewekte elektriciteit) en scope 3 (‘downstream’ emissies die elders plaatsvinden). Actuele gegevens voor Rotterdam zijn opgenomen in figuur 5.27. Na een daling in de afgelopen jaren is in 2021 er weer een lichte toename van de emissie zichtbaar.

De verwachting voor Rotterdam als geheel is dat het bedrijfsonroerend goed autonoom steeds sterker in concentratiegebieden geconcentreerd zal zijn. Bedrijven en organisaties zullen zich bij voorkeur in een concentratiegebied vestigen vanwege de specifiek aanwezige vestigingskwaliteiten. Bovendien zullen in deze gebieden eigenaren eerder geneigd zijn om de investeringen te plegen die nodig zijn om het bedrijfsonroerend te verduurzamen. Buiten concentratiegebieden ligt transformatie naar wonen meer voor de hand waardoor relatief gezien een steeds groter deel van de voorraad bedrijfsonroerend goed in concentratiegebieden zal zijn geconcentreerd. In het gebied van A-Z bieden de deelgebieden Alexanderknoop, Kralingse Zoom,Feyenoord City en Hart van Zuid al geconcentreerde ruimte voor bedrijvigheid. In de Kralingse Zoom (Brainpark 1) is een proces van omvorming van kantoorruimte naar woningen aan de gang. Daardoor neemt op korte termijn de hoeveelheid ruimte voor werkgelegenheid hier af. De overige deelgebieden (Het Lage Land, Boszoom, De Esch. Bloemhof/Hillesluis) spelen geen rol als onderdeel van de geconcentreerde werklocaties maar zijn daaraan wel gerelateerd vanwege woon-werkrelaties. De effecten van de bouwstenen waarin veel programma wordt toegevoegd bij de knopen (dit zijn de bouwstenen AK2 en AK1, KZ en FCPlus) zijn voor dit aspect zeer positief beoordeeld.

Voor de overige bouwstenen is de inschatting dat er geen groot verschil is met de referentiesituatie. In de bouwsteen AK2 (alternatief Spreiden) in de Alexanderknoop (Metaalbuurt) blijft ruimte voor bedrijvigheid in de hogere milieucategorieën aanwezig. Bij de bouwsteen AK1 vervalt dat ten koste van wonen en (in mindere mate) kantoorachtige werktypen.

Figuur 5.26: Scope voor de beoordeling van de emissie van broeikasgassen

Voor A-Z is vooral de CO2-emissie gerelateerd aan de bebouwde omgeving en de mobiliteit relevant. Voor de bebouwde omgeving gaat het om de emissie uit de woningen, emissies gerelateerd aan dienstverlening (publiek en commercieel), de bouw en de zuivering van afvalwater (AWZI). Daarnaast is er een relatie met de emissie die verband kan houden met inwoners als werknemer: deels is dat al meegenomen in de sectoren dienstverlening (waar een deel van de inwoners werkzaam is c.q. zal zijn), maar deels is dat verbonden aan de emissies door de industrie. Dergelijke

5.4.2 Energie en grondstoffen Energie en broeikasgassen Bij dit aspect wordt gekeken naar het (totale) energiegebruik en de daaraan gerelateerde emissie van broeikasgassen. Voor de bebouwde omgeving van A-Z gaat het hierbij eigenlijk alleen om de emissie van CO2. Bronnen van andere broeikasgassen 4

Zie o.a. Bal, G.J. (2018), Verbreding Rotterdamse economie zet door en Manshanden et al. (2018), Rotterdam centrum aanjager van de regionale economie.

5 6

65

Gemeente Rotterdam (2019), Nota kantoren. zie https://ghgprotocol.org/

relaties met de emissie van CO2 staan echter los van het verstedelijkingsvraagstuk en zijn niet van belang voor de keuzes op het niveau van A - Z. De afgelopen jaren is de emissie van scope 1 ongeveer op het gelijk niveau gebleven (figuur 5.27 links). De emissie van scope 2 is tot 2020 gedaald, maar de dalende trend lijkt gestopt (figuur 5.27 rechts). Vanwege de doelstellingen voor de energietransitie is de verwachting dat de emissie van CO2 de komende jaren substantieel zal afnemen.

Bij de beoordeling van de bouwstenen voor het aspect CO 2-emissie en energie is het noodzakelijk om niet alleen naar de emissie van CO2 te kijken maar ook naar de totale energievraag. Immers, hoe groter de vraag naar energie hoe meer ruimte nodig is voor duurzame opwek. Bij de beoordeling kan gebruik worden gemaakt van de (mede) voor de energiestrategie A-Z ontwikkelde ‘tegels’ voor de het energiegebruik en de CO 2-emissie vanuit de bebouwde omgeving (woningen). Uit deze analyse blijkt dat als gevolg van de ontwikkelingen ten aanzien van de bouw- en installatietechniek (en de regulering daarvan) de verschillen tussen de verschillende woningtypologieën en woningdichtheden kleiner worden als het gaat om het energiegebruik en de CO 2-emissie. Wel is het zo dat de mogelijkheden om duurzame energie te produceren (zon op dak en gevels) verschillen: bij minder grote woningdichtheden is daarvoor meer ruimte beschikbaar.

.

Op hoofdlijnen: • compacter bouwen (zoals in alternatief Concentreren) geeft als gevolg van de doorgaande ontwikkelingen in duurzaam, energiezuinig bouwen niet of nauwelijks meer voordelen ten opzichte van minder compact bouwen als het gaat om het gebruik van energie (per woning/inwoner); • bij een minder grote bouwopgave is er (per woning c.q. inwoner/gebruiker) meer ruimte beschikbaar voor het lokaal opwekken van duurzame energie; eventueel in combinatie met andere functies; • de energievraag als gevolg van mobiliteit is meer maatgevend en onderscheidend voor de beoordeling (wat zijn de potenties voor duurzame verplaatsingen); • deze energievraag is vooral gerelateerd aan de locatie van de verstedelijking (aantal verplaatsingen, verplaatsingsafstand, bereikbaarheid voor OV en fiets) en de voorzieningen voor duurzame verplaatsingen (OV, fiets).

Figuur 5.27: CO2-emissie Rotterdam, gebouwde omgeving periode 2012 - 2021. Links scope 1, rechts scope 2 (bron: DCMR, 2022)

Effecten en beoordeling Uitgangspunt voor de nieuwe woningen in alle bouwstenen is dat deze goed geïsoleerd, gasloos en energieneutraal zullen worden. Scope 1-emissies van CO2 uit de nieuwe woningen zijn daardoor gering. Daartegenover staat dat de nieuwe woningen zullen leiden tot een toename van de elektriciteitsvraag. In hoeverre dat leidt tot de emissie van CO2 (scope 2) hangt af van de mogelijkheden om via duurzame opwek aan deze energievraag te voldoen. Een afgeleide vraag is welke ruimte daarvoor nodig zou zijn binnen of -als dat niet past – buiten het gebied van A – Z..

Tabel 5.12: Beoordeling energie CO2 uitstoot scope 1 (bebouwde omgeving)

Daarnaast zal de mobiliteit van de bewoners en gebruikers van de nieuwe woongebieden leiden tot een energievraag. De omvang daarvan is onder andere afhankelijk van de modal split (verdeling fiets – OV – auto) en de afstanden die worden afgelegd (vervoersprestatie per modaliteit).

Potenties lokale opwek Emissie CO2 scope 2 (woningen)

66

Concentreren

Spreiden

Nieuwe woningen: geen emissie

Nieuwe woningen: geen emissie

Klein door relatief klein bruikRelatief meer ruimte beschikbaar oppervlak (per inwoner/gebaar per inwoner/gebruiker bruiker) Afhankelijk van de herkomst van de elektriciteit. Gebruik per woning/inwoner geen relevante verschillen

Emissie CO2 scope 2 (mobiliteit)

Concentreren

Spreiden

Door de situering van de woningen veel mogelijkheden voor duurzame verplaatsingen;

Mogelijkheden voor duurzame verplaatsingen zijn goed;

Effect (vooral) gerelateerd aan de nieuwe oeververbinding en de situering van de woningen ten opzichte daarvan

Verder is ruimte voor circulaire bedrijvigheid van belang; dit vraagt om plekken waar zowel fysieke ruimte als milieuruimte aanwezig is. In die zin verschilt de referentiesituatie niet veel van de huidige situatie; voor elk deelgebied een neutrale score. Alternatief Spreiden In het alternatief Spreiden wordt gekozen voor verdere verdichting binnen de bestaande stad. Er worden op sommige bestaande bedrijventerreinen binnen A - Z woningen gebouwd: denk bijvoorbeeld aan bedrijventerrein Prinsenland en een deel van bedrijventerrein Hoofdweg/Koperstraat. Dit beperkt de mogelijk in de toekomst gewenste ruimte voor circulaire bedrijvigheid met een hogere milieucategorie. Wel wordt er op die plekken ruimte gecreëerd – en in nieuwe ontwikkelingen elders in de zone –voor bedrijvigheid die wel mengbaar is met wonen, waardoor er circulaire activiteiten met een lagere milieucategorie juist meer ruimte kan ontstaan. Tegelijkertijd blijft er in deze variant op bepaalde plekken in A tot Z wel ruimte voor (circulaire) bedrijventerreinen met een hoge milieucategorie: bijvoorbeeld bij de HoofdwegWest/Chroomdistrict en de Stadionweg. De beoordeling is hierdoor neutraal.

Effect (ook) gerelateerd aan de nieuwe oeververbinding, maar relatief meer gebruik van bestaande voorzieningen

Dit samengenomen is er voor CO2 een lichte voorkeur voor alternatief Concentreren, met name vanwege de (in beperkte mate) betere beoordeling vanwege mobiliteit. Doordat bij Concentreren het zwaartepunt van de nieuwe woningen en voorzieningen wat centraler in de stad ligt en de deelgebieden Feyenoord City en De Esch (met het grootste programma)is dit model wat gunstiger voor de duurzame mobiliteit. Daartegenover staat dat alternatief Concentreren minder mogelijkheden voor duurzame opwek heeft (in de verhouding aantal inwoners/gebruikers versus beschikbaar oppervlak voor zon of wind).

Alternatief Concentreren In alternatief Concentreren wordt gekozen voor een nog stevigere verdichting binnen de bestaande stad. Verder worden op de meeste bestaande bedrijventerreinen binnen A - Z woningen gebouwd: bedrijventerrein Prinsenland, bedrijventerrein Hoofdweg/Koperstraat, de Autostrada en bedrijventerrein Stadionweg. Dit beperkt de mogelijk in de toekomst gewenste ruimte voor circulaire bedrijvigheid met een hogere milieucategorie. Wel wordt er op die plekken ruimte gecreëerd – en in nieuwe ontwikkelingen elders in de zone –voor bedrijvigheid die wel mengbaar is met wonen, waardoor er circulaire activiteiten met een lagere milieucategorie juist meer ruimte kan ontstaan. Bedrijven met een hogere milieucategorie zullen veelal elders in de stad en regio moeten worden gehuisvest. De flexibiliteit om in de toekomst een circulaire economie vorm te geven wordt daardoor beperkt. Daarmee scoort alternatief Concentreren minder positief voor materiaalvoetafdruk dan de variant spreiding.

Grondstoffen (materiaalvoetafdruk) We zullen steeds meer richting een circulaire economie moeten, waarbij afval een grondstof is. De keuzes in A-Z hebben hier invloed op, maar vertellen zeker niet het hele verhaal. Het realiseren van nieuwe woningen én arbeidsplaatsen zorgt voor een grotere materiaalvoetafdruk. Tegelijkertijd worden deze woningen in A tot Z gerealiseerd. Als dat niet het geval was werden ze mogelijk elders gerealiseerd, waarbij ze ook een negatief effect op materiaalvoetafdruk zouden hebben. Daarbij is de keuze voor verstedelijking in deze zone al eerder beschreven en beoordeeld in de omgevingsvisie en ROER uit 2021. Ook is het in bepaalde dichtheid mogelijk om efficiënter met materiaal om te gaan. Met een aantal aandachtspunten is de materiaalvoetafdruk te beperken: • Ga in de gebieden waar woningen worden toegevoegd uit van wat er nu als is. Transformatie of renovatie heeft de voorkeur boven sloop-nieuwbouw. • Bouw zo flexibel mogelijk. Woningen zet je neer voor 100 jaar, dus bouw ze zo de gebouwen flexibel genoeg zijn om met veranderende woningbehoefte richting de toekomst kunnen omgaan. • Zet daarnaast in op alternatieve materialen die minder effecten hebben op klimaatverandering, zoals hout. 7

5.4.3 Economische vitaliteit Werkgelegenheid De beschrijving van de bestaande situatie met betrekking tot de werkgelegenheid is gebaseerd op CBS-cijfers en van gegevens uit de EVR (2022). Deze informatie is niet beschikbaar op het niveau van de deelgebieden 7. In de afgelopen jaren is de

De gebiedsindelingen (bijvoorbeeld van het CBS) komen niet overeen met de indeling in deelgebieden die in deze Aanvulling ROER zijn gebruikt.

67

werkloosheid flink gedaald, maar Rotterdam steekt nog steeds negatief af tegen het landelijk gemiddelde. Het studiegebied ten zuiden van de Maas heeft een lagere deelname aan het arbeidsproces en een groter aandeel van werkenden met flexibele contracten. De werkloosheid is de laatste jaren afgenomen, maar ligt in Rotterdam nog boven het landelijk gemiddelde. De werkloosheid is het hoogst onder lager opgeleiden (figuur 5.29). Het beschikbaar zijn van voldoende gekwalificeerde werknemers is cruciaal voor het bedrijfsleven. Voor de toekomst wordt de schaarste aan arbeidskrachten als één van de grote risico’s gezien voor een vitaal bedrijfsleven. Dat houdt onder andere ook in dat woon-werkafstanden (of beter: reistijden) niet te groot mogen zijn. Figuur 5.29: Werkloosheid naar opleidingsniveau (bron: EVR, 2022

Statistische informatie over de werkgelegenheid en arbeidsparticipatie is niet beschikbaar op het niveau van de deelgebieden van de gebiedsontwikkeling, maar wel voor de (deels daarmee overlappende) wijken. De figuren 5.30 en 5.31 laten zien dat de arbeidsdeelname in de wijken ten zuiden van de Nieuwe Maas gemiddeld lager is dan in de wijken op de andere oever. Voor de werkgelegenheid betekent de gebiedsontwikkeling een duidelijke verbetering. Door het toevoegen van woningen en ruimte voor bedrijvigheid ontstaat meer en (door de multimodale oeververbinding) beter bereikbare werkgelegenheid. Deze positieve impuls komt vooral door de bouwstenen AK1 en AK2 (met overigens een andere invulling dan AK1 doordat bij deze bouwsteen het bestaande bedrijventerrein bij de Metaalstraat aanwezig blijft), KZ, E1 en FCPlus. Op het niveau van de twee alternatieven is de beoordeling van het alternatief Concentreren positiever dan van alternatief Spreiden doordat meer en ook beter bereikbare werkgelegenheid wordt toegevoegd.

Figuur 5.28: Werkloosheid in Rotterdam in perspectief (bron: EVR, 2022)

68

voor een structurele impuls voor de kwantiteit en de kwaliteit van het arbeidsaanbod. Naast arbeid noemt de EVR innovatie als bron van voortgezette groei. Daarbij wordt een relatie gelegd met de energietransitie die grote kansen biedt voor de haven. De EVR gaat over Rotterdam en de regio Rijnmond als geheel, en zoomt niet in op het detailniveau van het gebied A-Z. Voor de referentiesituatie bestaan er als gevolg van de actuele toestand in de wereld veel onzekerheden. De oorlog in Oekraïne en de maatregelen tegen Rusland hebben grote impact op de markten van (fossiele) energie. Dat kan de energietransitie versnellen en kansen bieden voor Rotterdam, maar is ook een risico. Voor het gebied AZ is de impact op de activiteiten in de haven van minder direct belang.

Figuur 5.30: Arbeidsparticipatie voor het studiegebied ten noorden van de Maas (bron: CBS)

Figuur 5.32: Kerncijfers economische ontwikkeling Rijnmond

Figuur 5.31: Arbeidsparticipatie voor het studiegebied ten zuiden van de Maas (bron: CBS)

In de referentiesituatie verandert de bijdrage van de deelgebieden van A-Z aan de economische groei van Rotterdam en regio niet wezenlijk in vergelijking met de bestaande situatie. De bestaande clusters (Alexanderknoop, Feyenoord City en in mindere mate ook de Kralingse Zoom) blijven een bijdrage leveren aan de economische groei, maar kunnen wellicht negatieve effecten ondervinden van een gebrek aan personeel.

Economische groei Informatie opgenomen in Economische Verkenning Rotterdam8 laat zien dat het met de economie van Rotterdam – ondanks corona – goed gaat. De werkloosheid ligt op het laagste niveau van de afgelopen 20 jaar. De EVR noemt personeelstekort als belangrijke rem op de verdere economische groei. In de EVR wordt daarom gepleit 8

EVR 2002: De economie van Rotterdam tijdens en na corona, Stadsontwikkeling gemeente Rotterdam

69

De ontwikkelingen zoals opgenomen in de bouwstenen kunnen de bijdrage van het gehele gebied A-Z aan de economische groei versterken. Daarbij gaat het zowel om de ruimte die in de knopen wordt gegeven aan bedrijvigheid (bouwstenen AK1 en AK2, KZ, E1 en FCPlus) als de uitbreiding van de woningbouw in (alle) deelgebieden. De nieuwe woningen kunnen bijdragen aan het op peil houden en vergroten van het arbeidsaanbod. De stedelijke ontwikkeling biedt kansen voor (ook kleinschalige en innovatieve) bedrijvigheid in het gebied van A-Z zelf. Daarnaast kan de combinatie van verbeterde bereikbaarheid van werkgebieden (door de oeververbinding) en de groei van het aantal inwoners op bereikbare afstanden van de werkgebieden bijdragen aan het verminderen van de dreigende tekorten aan werknemers.

De voorgenomen ontwikkeling van A-Z kan een sterke impuls geven tot het verbeteren van het vestigingsklimaat. De opzet van de bouwstenen is zodanig dat ruimte wordt geboden aan nieuwe en innovatieve vormen van bedrijvigheid, op locaties die goed en multimodaal bereikbaar zijn. Dit positieve aspect wordt verwacht bij alle bouwstenen. Alleen voor de bouwstenen BZ1, BZ2 en E2 wordt een neutraal effect verwacht.

5.4.4 Ruimtelijk economische structuur Bereikbaarheid economische clusters Bij de bereikbaarheid van de economische clusters wordt gekeken naar de bereikbaarheid per auto, OV en fiets.

Voor de effecten op de economische groei is het alternatief Concentreren wat gunstiger dan het alternatief Spreiden. Bij Concentreren is de groei van het aantal potentiële werknemers wat groter en op (enigszins) beter bereikbare locaties dan bij Spreiden. Voor Rotterdam-Zuid biedt de oeververbinding kansen: betere baanbereikbaarheid vanuit zuid van bedrijvigheid in noord, groter arbeidspotentieel voor de bedrijven ten noorden van de Nieuwe Maas doordat de verbinding tussen noord en zuid veel inniger wordt.

De economische clusters in het gebied A-Z worden gekenmerkt door een goede bereikbaarheid. De Alexanderknoop en de campus van de Erasmus Universiteit en Brainpark onderscheiden zich met een goede auto-bereikbaarheid. Deze clusters zijn met de auto binnen 45 minuten door ruim 4 miljoen personen te bereiken. Zuidplein is voor meer dan 1 miljoen mensen met het ov te bereiken binnen 45 minuten, terwijl ook Brainpark/EUR en de Alexanderknoop een zeer goede OV-bereikbaarheid kennen. Met de fiets is de relatief centraal gelegen locatie Brainpark vrij goed bereikbaar, de Alexanderknoop scoort hier juist minder positief op. De kanttekening hierbij is dat de Nieuwe Maas een barrière is binnen het gebied A-Z. In de referentiesituatie treden er geen wezenlijke veranderingen in de bereikbaarheid op.

Vestigingsklimaat In het ROER is dit aspect beoordeeld op basis van het aantal bedrijven (het saldo van oprichtingen en opheffingen) en het aantal snelgroeiende vestigingen (per 1000 vestigingen). Het aantal snelgroeiende vestigingen bleef als aandeel van het totaal aantal vestigingen afgelopen jaren relatief constant. Rekening houdend met de (forse) toename van het totale aantal vestigingen nam ook het aantal snelgroeiende vestigingen toe. Maar waar het aantal snelgroeiende vestigingen in Rotterdam een aantal jaren geleden nog ver boven het landelijk gemiddelde en dat in andere grote steden lag, is dit inmiddels niet meer het geval. Anders is de situatie voor wat betreft het saldo van oprichtingen en opheffingen. Dit ligt in Rotterdam ver boven het landelijk gemiddelde en inmiddels ook boven het niveau in andere grote steden. Dit duidt op een relatief goed startersklimaat in Rotterdam. Deze informatie in het ROER heeft betrekking op Rotterdam als geheel. De ruimtelijk-economische structuur van het gebied A-Z is voor starters minder gunstig dan van de stad als geheel. De verwachting is daarom dat het startersklimaat in de deelgebieden van A-Z (waarschijnlijk uitgezonderd Kralingse Zoom en Alexanderknoop) onder het Rotterdams gemiddelde ligt.

9

Informatie over de effecten van de oeververbinding op de bereikbaarheid van banen en onderwijsinstellingen kan worden ontleend aan Buck (2022)9. Door de nieuwe oeververbinding verbetert de banenbereikbaarheid van alle economische clusters. Dit geldt zowel voor OV als fiets. Onderstaande figuren RES1 en RES2 laten zien dat de grootste effecten optreden bij de buurten in de directe omgeving van de oeververbinding. Het effect is het grootst voor OV op de zuidoever en op de noordoever tussen de Maas en de Kralingse Zoom. De oeververbinding leidt daarnaast tot een verbetering van de bereikbaarheid van (hoger) onderwijs per fiets en OV. Dit effect treedt vooral op voor de wijken ten zuiden van de Maas. Door de oeververbinding komen de onderwijsinstellingen op de noordoever (Erasmus, vestiging Hogeschool Rotterdam) veel meer binnen het bereik

MIRT Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam. Effectbeoordeling Verstedelijking & Kansen voor Mensen, Buck Consultants International, 2022. Voor de beoordeling voor A – Z wordt uitgegaan van de

beoordeling van alternatief 2 Trambrug A. In dit alternatief is geen autoverbinding opgenomen die wel in het voorkeursalternatief zit

70

vanuit zuid. Voor de wijken ten noorden van de Maas heeft de oeverbinding in dit opzicht weinig meerwaarde.

Deze effecten kunnen worden toegeschreven aan het realiseren van de oeververbinding, conform het effectenonderzoek in de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam. Gerelateerd aan de effecten van de bouwstenen kan worden geconstateerd dat de bouwstenen die het meeste programma toevoegen op (mede door de oeververbinding) goed bereikbare locaties de grootste bijdrage leveren aan de bereikbaarheid van de economische clusters. Het gaat dan om de bouwstenen AK1 en AK2, KZ, E1 en FCPlus. Op het niveau van de alternatieven is de beoordeling van alternatief Concentreren wat gunstiger dan dat van het alternatief Spreiden. Opleidingsniveaus Evenals voor de andere sociaal-economische indicatoren zijn geen gegevens beschikbaar op het niveau van de deelgebieden van deze Aanvulling ROER. Het ROER geeft aan dat in de Rotterdamse beroepsbevolking het aantal personen met een hoog onderwijsniveau de afgelopen jaren fors is toegenomen. Het gemiddelde opleidingsniveau blijft weliswaar nog achter bij dat in Amsterdam en Utrecht, maar verhoudt zich inmiddels wel tot het landelijke gemiddelde. Ook het gemiddelde beroepsniveau van banen in Rotterdam stijgt. Tegelijkertijd blijft deze stijging in tempo wat achter bij de stijging van het onderwijsniveau van de beroepsbevolking.

Dit vergroot de (potentiële) mismatch op de arbeidsmarkt: op het elementaire en lage niveau is er sprake van een steeds groter overschot aan banen, op middelbaar en hoog niveau is er sprake van een tekort aan banen.

Figuur 5.33: Ontwikkeling banenbereikbaarheid OV (bron: Buck 2022)

Als wordt gekeken naar de deelgebieden van A-Z kan worden geconstateerd dat de gegevens van het CBS (in figuur 5.35 en figuur 5.36) het beeld dat bestaat met betrekking tot Rotterdam ten zuiden en ten noorden van de Maas bevestigen. Ten zuiden van de Nieuwe Maas is het opleidingsniveau gemiddeld lager (30 – 50 % lage opleiding) met relatief kleine verschillen tussen de wijken en buurten. Ten noorden van de Nieuwe Maas is het aandeel inwoners met een middelbare en hoge opleiding groter en zijn ook de verschillen tussen de wijken en buurten groter.

Figuur 5.34: Ontwikkeling banenbereikbaarheid fiets (bron: Buck 2022)

71

Door de ontwikkelingen die zijn opgenomen in de bouwstenen ontstaat werkgelegenheid voor alle opleidingsniveaus. Daarnaast is van belang dat de door de ontwikkeling van de multimodale oeververbinding de barrière tussen noorden en zuid grotendeel wordt weggenomen. Dat vergroot het areaal waarin kan worden gezocht naar passende werkgelegenheid. De bouwstenen met de grootste toevoegingen van ruimte voor bedrijvigheid (AK1 en AK2, KZ.E1 en FCPlus) worden voor dit aspect als meest positief beoordeeld. Bij bouwsteen AK2 wordt het behoud van het bedrijvengebied bij de Metaalstraat positief beoordeeld, omdat daar naar verachting ook arbeidsplaatsen voor praktisch opgeleiden aanwezig blijven. Vestigingslocaties In het ROER is aangegeven dat er in Rotterdam sprak is van een toenemende schaarste van bedrijfsonroerend goed. Ook de opgaven voor verduurzaming van bedrijfspanden kan ten koste gaan van (betaalbare) ruimte voor bedrijvigheid. In de toekomst is (ook) ruimte nodig voor bedrijven die actief zijn in de circulaire economie. De verwachting is dat in de referentiesituatie het aanbod verder zal afnemen waardoor schaarste en stagnatie van de gewenste circulaire ontwikkeling dreigt. Dit geldt ook voor de deelgebieden van A-Z.

Figuur 5.35: Opleidingsniveaus van wijken ten noorden van de Nieuwe Maas (bron: CBS)

De verwachting is dat door de autonome ontwikkelingen de opleidingsniveaus geleidelijk zullen stijgen. De verwachting is echter dat de groei van het aantal banen voor werknemers met een elementair en laag opleidingsniveau zal achterblijven.

De bouwstenen van de beide alternatieven kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het op peil houden en uitbreiden van de vestigingslocaties. Alternatief Concentreren is hierbij wat positiever beoordeeld dan alternatief Spreiden omdat dit alternatief wat meer ruimte biedt.

Figuur 5.36: Opleidingsniveaus van wijken ten zuiden van de Nieuwe Maas (bron: CBS)

72

Tabel 5.14: Beoordeling van de effecten van de bouwstenen (ten opzichte van de referentiesituatie)

5.4.5 Overzicht In onderstaande tabellen is de beoordeling van de referentiesituatie en het effect van de bouwstenen (relatief, verschil met referentiesituatie) weergegeven.

ruimtegebruik

concentratie werklocaties

energie/broeikassen gebouwd

energie.broeikasgassen mobiliteit

grondstoffen

werkgelegenheid

economische groei

vestigingsklimaat

bereikbaarheid economische clusters

opleidingsniveaus

vestigingslocaties

vestigingslocaties

opleidingsniveaus

bereikbaarheid economische clusters

vestigingsklimaat

economische groei

structuur

werkgelegenheid

vitaliteit

grondstoffen

grondstoffen

energie.broeikasgassen mobiliteit

gebruik

energie/broeikassen gebouwd

economische

concentratie werklocaties

economische

ruimtebeslag

deelgebied Alexanderknoop

energie en

-

+

±

+

-

++

+

+

+

+

+

AK2

±

++

±

+

±

+

±

++

+

+

+

LL 1

-

-

±

±

±

±

±

±

±

±

±

LL 2

-

-

±

±

±

±

±

±

±

±

±

BZ 1

±

±

±

±

±

±

±

±

±

±

±

BZ 2

±

±

±

±

±

±

+

±

±

±

±

KZ

-

++

±

±

±

+

+

++

+

+

+

E1

±

±

±

+

±

+

+

+

+

+

+

E2

±

±

±

±

±

±

±

±

±

±

±

FC Basis

±

+

±

+

±

+

+

+

+

±

+

FC Plus

+

++

±

+

-

++

++

++

+

+

++

±

±

±

±

±

±

±

±

±

+

±

+

+

±

±

±

+

+

+

+

+

+

bouwdeelgebied steen Alexanderknoop

Lage Land

Lage Land Boszoom

Boszoom Kralingse Zoom

Kralingse Zoom

De Esch

De Esch Feyenoord City

Feyenoord City

Bloemhof/Hillesluis

Bloemhof/Hillesluis

B/H

Hart van Zuid

HvZ

Hart van Zuid

73

ruimtelijkeconomische structuur

AK1

ruimtelijkruimte-

economische vitaliteit

ruimtebeslag

Tabel 5.13: Beoordeling van de referentiesituatie per deelgebied

energie en grondstoffen

Deze figuur laat zien dat -zoals beschreven in het ROER – voor de meeste aspecten het voorgenomen beleid van de omgevingsvisie leidt tot een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie. Aandachtspunten zijn aanwezig bij bodem en geluid. We zijn bij de beoordeling van de alternatieven uitgegaan van de ‘worst case’ voor verschillende aspecten; als er niet expliciet gemaakt wordt welke maatregelen worden genomen om bepaalde negatieve effecten te mitigeren, pakken de scores zo negatief uit als zonder maatregelen te verwachten is. Dit geldt bijvoorbeeld op het gebied van bodem en water, waar niet automatische keuzes uit het Rotterdams WeerWoord verankerd zijn.

Beoordeling alternatieven 6.1. Werkwijze en verbeelding

In dit hoofdstuk is de beoordeling van de alternatieven opgenomen. In hoofdstuk 3 is aangekondigd dat hierbij gebruik is gemaakt van ‘schuifjesfiguren’. Deze figuren, ook al toegepast in het ROER, geven aan de hand van beoordelingskader een beeld van de Staat van de leefomgeving. Per aspect van het beoordelingskader is een schuifje opgenomen. De verticale positie van de schuifjes laat zien in hoeverre de ambities voor het betreffende aspect worden gerealiseerd; de breedte van het schuifje representeert de onzekerheid.

6.2. Beoordeling van de referentiesituatie

De beoordeling van de referentiesituatie in het ROER heeft betrekking op de stad als geheel. Omdat in dit rapport wordt ingezoomd op de keuzes voor het gebied A – Z is – aanvullend op het ROER een beoordeling gemaakt van de referentiesituatie in het gebied A-Z (figuur 6.2).

In het ROER is een schuifjesfiguur opgenomen voor de beoordeling van de effecten van de omgevingsvisie ten opzichte van de beoordeling van de referentiesituatie. Deze figuur is gereproduceerd in figuur 6.1.

Deze beoordeling is gebaseerd op de beschrijving van de Staat van de leefomgeving in hoofdstuk 5 en de daar onder liggende technische deelrapporten. In deze beoordeling van de referentiesituatie is niet uitgegaan van het effect dat het beleid van de omgevingsvisie. Dat is gedaan omdat het hier gaat om een verdere uitwerking van dat beleid. De beoordeling in figuur 6.2 laat zien dat voor een aantal aspecten de beoordeling van de referentiesituatie voor het gebied A-Z negatiever is dan voor de stad als geheel. Dat geldt voor de aspecten water, bodem, veiligheid, gezond gedrag, mobiliteit en voor aspecten van de economische omgeving in de rechterkant van de figuur. Vanuit de ambities en doelen van de Omgevingsvisie zou de ontwikkeling van A-Z er op gericht kunnen (of moeten) zijn de relatief negatief beoordeelde aspecten te verbeteren, zonder dat de relatief goed beoordeelde aspecten negatief worden beïnvloed. De schuifjes voor de referentie A-Z zijn als de referentie opgenomen in de figuren 6.3 en 6.4 voor de beoordeling van de twee alternatieven.

Figuur 6.1: Beoordeling van het voorgenomen beleid van de Omgevingsvisie, ten opzichte van de referentiesituatie (bron: ROER).

74

Vanuit de onderlaag – die wordt gerepresenteerd door de linkerkant van het beoordelingskader – is het bouwen in zettingsgevoelige en (deels) laaggelegen gebieden negatief beoordeeld. Dit vraagt om het toepassen van stringente ontwikkelprincipes om ervoor te zorgen dat de te ontwikkelen gebieden klimaatadaptief worden. De ontwikkeling kan daarbij ook leiden tot een verbetering in de bestaande woonwijken Het Lage Land en Alexanderknoop in de diepe Prins Alexanderpolder. Bij dit alternatief blijft de Boszoom vrij van nieuwe bebouwing. Daardoor blijft in de diepe polder ruimte beschikbaar die eventueel in de toekomst kan worden ingezet voor de wateropgave. Door de groene kwaliteitsmaatregelen (in combinatie met maatregelen voor water) is er een licht positief oordeel voor de effecten op natuur. In hoofdstuk 6 is al geconstateerd dat voor enkele onderdelen van bouwstenen aandachtspunten aanwezig zijn vanuit de netwerklaag en de (ontwikkeling van de) occupatielaag. Dit geldt vooral voor het woonprogramma dat wordt gesitueerd tussen de snelweg en de spoorlijn in Alexander (geluid, externe veiligheid), langs de A16 (Kralingse zoom) en in De Esch (vooral effect door stedelijke hoofdontsluiting). Het ontwikkelprincipe is hier het rekening houden met afscherming (gebouwen, schermen) en het beperken van de bouwhoogte (‘achter en onder’ de afscherming blijven).

De bebouwing in De Esch gaat ten koste van landschappelijke en groene waarden. De conclusie en beoordelingen per deelgebied en voor het alternatief als geheel zijn vertaald in ontwerpopgaven. Deze zijn weergegeven in figuur 6.4. Figuur 6.2: Beoordeling van de referentiesituatie in A-Z, vergeleken met de referentiesituatie zoals opgenomen in het ROER.

6.3. De twee alternatieven 6.3.1 Beoordeling alternatief Concentreren Alternatief Concentreren is gericht op een intensieve verstedelijking geconcentreerd rond de knooppunten. De beoordeling van dit alternatief in vergelijking met de referentiesituatie is opgenomen in figuur 6.3. De intensieve verstedelijking (woningen, ruimte voor bedrijvigheid van dit alternatief in combinatie met de locatie daarvan (de goed bereikbare knooppunten) is voor de aspecten in de rechterkant van het beoordelingskader (woonomgeving, economische omgeving) positief beoordeeld. De positieven effecten worden aangejaagd door de multimodale oeververbinding waardoor de nu nog grotendeels gescheiden werelden van Rotterdam-zuid enerzijds en Kralingen, Lage Land en Alexander anderzijds in elkaars bereikbaarheid komen te liggen.

75

Figuur 6.3: Beoordeling van alternatief Concentreren, vergeleken met de referentiesituatie in A-Z.

Figuur 6.4: Ontwerpopgaven bij alternatief Concentreren

76

6.3.2 Beoordeling alternatief Spreiden In vergelijking met alternatief Concentreren is het programma (woningen, ruimte voor ontwikkelingen) wat kleiner en meer gespreid. Bij dit alternatief wordt de tram doorgetrokken van Kralingse Zoom tot de Alexanderknoop. Door dit kleinere programma en de minder sterke focus op de knooppunten is de beoordeling voor de economische aspecten nog steeds positief ten opzichte van de referentiesituatie, maar minder dan bij alternatief Concentreren. Met dit alternatief lijkt minder geprofiteerd te worden van de kansen die de multimodale, goed bereikbare knooppunten bieden. Ook bij dit alternatief zijn de positieve beoordelingen aanwezig in het rechterdeel van het beoordelingskader (figuur 6.5): Woonomgeving en economische omgeving laten een duidelijke verbetering zien in vergelijking met de referentiesituatie. Voor aspecten van de onderlaag (bodem en water) leidt in dit alternatief de bouw van woningen in de Boszoom (onderdeel van het diepste deel van de Prins Alexanderpolder) en een grotere opgave voor (even laag gelegen) Het Lage Land tot een negatieve beoordeling. Toevoegen van meer woningen (ten opzichte van de referentie en ten opzichte van het alternatief Concentreren) vergroot de druk op de ruimte die in de Prins Alexanderpolder (in de toekomst mogelijk) nodig kan zijn voor waterberging.

Een randvoorwaarde voor het ontwikkeling in het diepe deel van de Prins Alexanderpolder is daarom dat voldoende zekerheid moet bestaan dat het waterbeheer klimaatadaptief kan worden gerealiseerd. Vanuit de netwerken en occupatielaag ontstaan aandachtspunten voor geluid en externe veiligheid. Deze vragen om ontwikkelprincipes om te kunnen komen tot eenacceptabele omgevingskwaliteit. Positief van dit alternatief is dat er een minder grote ingreep plaatsvindt in De Esch, waardoor er minder impact is op de waarden van landschap en groen in dit gebied.

Figuur 6.5: Beoordeling van alternatief Spreiden, vergeleken met de referentiesituatie in A-Z.

De beoordelingen van dit alternatief zijn omgezet in ontwerpopgaven c.q. ontwikkelprincipes die bij dit alternatief van toepassing zijn (figuur 6.6).

77

Figuur 6.6: Ontwerpopgaven bij alternatief Spreiden

78

pakket aan bebouwing daardoor zal leiden tot meer bodemdaling dan bij Spreiden; ofwel een sterk negatieve score op fysische bodemkwaliteit. Qua bodem- en grondwaterverontreiniging scoren beide alternatieven vrij positief, omdat ze door de voorgenomen verdichting leiden tot een versnelling van het tempo waarin de bodemkwaliteit overeenkomt met de bodemfunctie. Dit geldt sterker voor Concentreren (want meer ontwikkelingen) dan voor Spreiden. Toch wordt bodemdaling zwaarder beoordeeld, en is de score overall voor beide alternatieven sterk negatief.

6.3.3 De twee alternatieven vergeleken In figuur 6.7 zijn de beoordelingen van de twee alternatieven Spreiden en Concentreren samengevoegd.

Water Beide alternatieven scoren negatief; locaties waar het slechter wordt verschillen per model. In Concentreren is dat meer bij De Esch en Feyenoord City, in Spreiden is dat meer bij Boszoom en het Lage Land. Aanbevelingen zijn daarom meer ruimte voor waterberging en lokale zuivering te realiseren. Verstedelijking kan ook kansen biedt om het watersysteem als geheel te verbeteren (meer verbinden) en te versterken (bergend vermogen), inclusief bronmaatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit (zoals gescheiden riolering in combinatie met aanvulling van grond- en oppervlaktewater met regenwater) en inrichtingsmaatregelen voor het ecologisch functioneren (gezonde bodems en natuurvriendelijke oevers). Maar ook voor klimaatadaptief bouwen (op palen, meer in de hoogte, niet of minder in de diepte, en met minder verharding). Buitendijks is dry en wetproof bouwen een optie, in combinatie met een verantwoord uitgiftepeilen beleid. Natuur Beide alternatieven hebben een (beperkt) negatief effect op natuur. Zowel het alternatief Spreiden als het alternatief Concentreren leidt veelal tot een (beperkt) negatief effect op ecologische kerngebieden door toename van de recreatiedruk. Vergroening van lanen en straten en de aanleg van rivierparken leidt in beide alternatieven tot een verbetering van de ecologische verbondenheid.

Realisatie van een getijdenpark tussen Oude Plantage en natuurpolder de Esch zorgt voor een nieuwe verbinding tussen kerngebieden, maar de functionaliteit daarvan is nog wel volledig afhankelijk van de ruimtelijke inpassing van de brug. Overkluizing van het spoor in het alternatief Concentreren is voor ecologische verbondenheid een extra plus ten opzichte van het alternatief Spreiden.

Figuur 6.7: De twee alternatieven vergeleken

Op basis van de vergelijking tussen de twee alternatieven kan een aantal conclusies worden getrokken. Deze zijn hieronder beschreven per aspect. De conclusies geven richting voor het op te stellen voorkeursmodel verstedelijking.

De aanleg van rivierparken, de toenemende ecologische verbondenheid, en met name de aanleg van de Bos-as leiden in het alternatief Spreiden naar verwachting tot een verbetering van de biodiversiteit, ondanks een negatief effect in de Boszoom door verstedelijking, afname van groen en toename van verstoring. Maar er is een negatief effect op biodiversiteit in De Esch te verwachten door afname van het areaal groen en toename van de verstoring, met name in het alternatief Concentreren.

Bodem Voor het aspect bodemdaling laten beide alternatieven een negatief effect zien, en dat Concentreren negatiever scoort dan Spreiden. De voornaamste reden hiervoor is dat bij Concentreren meer woningen worden toegevoegd, en dat dit zwaardere

79

Aanbeveling is om nog meer aandacht te besteden aan de realisatie van nieuwe en robuuste ecologische verbindingen.

waar dit aan de orde is verschillen per alternatief. Ook wat betreft waterveiligheid verslechtert de situatie licht; de kans dat een overstroming plaatsvindt wordt niet per se groter, maar de gevolgen wel, omdat er meer mensen in binnen- en buitendijkse gebieden worden toegevoegd. Omdat er meer mensen komen te wonen in het alternatief concentreren scoort dat alternatief iets negatiever dan spreiden. Adaptatiestrategieën, hoge uitgiftepeilen en op termijn dijkversterkingen kunnen deze effecten ten dele mitigeren.

De toevoeging van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen leidt mogelijk tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van de inzet van bouwmaterieel en van meer verkeersbewegingen. Vooralsnog worden die, vanwege mobiliteits- en energietransities, als niet significant beschouwd, zie ook de uitgevoerde risicoanalyse voor Natura 2000 gebieden in de bijlage.

Gezond gedrag Beide alternatieven scoren positief op gezond gedrag, in dezelfde mate. De goede score wordt veroorzaakt doordat de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan het uitnodigen tot meer bewegen. Zo wordt in beide alternatieven ingezet op nabijheid en goede verbindingen voor voetganger en fiets. Daarbij wordt de woonomgeving verbeterd en hebben mensen meer arbeidsplaatsen binnen bereik, wat voor een verbetering in de mentale gezondheid kan zorgen.

Landschap en erfgoed De alternatieven Concentreren en Spreiden hebben beiden een licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie. Voor Concentreren komt dat vooral door de stevige verstedelijking in De Esch, terwijl dat voor Spreiden vooral komt door de woonwijk aan de Boszoom. In beide alternatieven geeft het deels afgraven van Polder De Esch als gevolg van de komst van de brug (en de daaraan gerelateerde nautische effecten) sterk negatief effect, zowel op het landschap als op het gebouwd erfgoed – dat al dan niet (deels) zou kunnen verdwijnen. In Het Lage Land kunnen positieve effecten optreden door de verbetering en vergroening van de openbare ruimte.

Wonen Beide alternatieven scoren positief op het aspect wonen, omdat er forse aantallen nieuwe woningen worden toegevoegd. Die komen het aanbod en de gemiddelde kwaliteit van de totale voorraad ten goede. Dit geldt iets meer voor het alternatief concentreren, omdat daar meer woningen worden toegevoegd.

Geluid Voor beide alternatieven geldt dat de situatie verslechtert ten opzichte van de referentiesituatie. Dit komt omdat er meer mensen bijkomen op plekken die geluidsbelast zijn. Op specifieke plekken, met name locaties nabij grote infrastructuren (weg en spoor), kan de situatie verslechteren. Wel worden er stille, groene gebieden toegevoegd in beide alternatieven. Het verdient stevige aanbeveling om in de ontwikkelingen mitigerende maatregelen te nemen voor geluid, denk bijvoorbeeld aan geluidsschermen bij nieuwe ontwikkeling nabij de snelweg.

Woonomgeving Voor woonomgeving scoort Spreiden net iets beter dan Concentreren. De belangrijkste lessen hieruit zijn dat te veel woningen zonder stevige investeringen in groen leiden tot een minder goede woonomgeving. Ook zien we dat het toevoegen van woningen zorgt voor meer voorzieningen nabij. Dit geldt voor beide alternatieven, alleen het spreidingspatroon van de voorzieningen is anders.

Lucht Wat betreft het aspect lucht scoren beide alternatieven negatief ten opzichte van de referentiesituatie, omdat er meer mensen worden toegevoegd op locaties waar de luchtkwaliteit matig is (in de nabijheid van hoofdinfrastructuur). De nieuwe EU-richtlijn voor luchtkwaliteit is een belangrijk aandachtspunt voor de vervolguitwerking en in de monitoring.

Mobiliteit De bereikbaarheid van het gebied verbetert sterk met de komst van de nieuwe multimodale brug, de HOV-tram en het station Stadionpark. Dit geldt nog meer voor de variant Spreiden dan voor Concentreren, omdat in het spreidingsalternatief de tram doorloopt tot de Alexanderknoop.

Veiligheid Beide alternatieven laten een wat negatievere score dan de referentiesituatie, en Concentreren scoort iets negatiever dan Spreiden. De voornaamste reden voor de verslechtering is dat er meer mensen komen te werken en te wonen op plekken waar ze blootgesteld worden aan risico’s van externe veiligheid, en de afstand tussen risicobron en risico-ontvanger bij sommige ontwikkelingen kleiner wordt. De locaties

Welzijn Beide alternatieven scoren positief op welzijn. Er komen meer banen binnen bereik, en er komen meer plekken om anderen te ontmoeten. Ook de sociale veiligheid verbetert, door meer ‘ogen op straat’. In het alternatief spreiden gaat de sociale veiligheid in de Boszoom flink omhoog door het toevoegen van wonen, werken en voorzieningen, terwijl in het alternatief concentreren de sociale veiligheid juist vooral

80

verbetert op de bedrijventerreinen bij de Alexanderknoop en Stadionpark. Dit is het gevolg van een ander model van spreiding van het programma, en met name het wonen.

6.3.4 Conclusies Uit de analyse kunnen conclusies worden verbonden voor het voorkeursmodel voor de verstedelijking. Hieronder is beschrijven hoe de conclusies leiden tot aanbevelingen voor een voorkeursmodel.

Ruimtegebruik Voor het aspect ruimtegebruik zien we dat beide alternatieven positief scoren, voornamelijk omdat op goede locaties (de goed bereikbare en aantrekkelijke knopen) werkprogramma wordt toegevoegd. Tegelijkertijd zien we dat het alternatief Spreiden minder positief scoort dan het alternatief Concentreren. Een belangrijke verklarende factor hiervoor is de ruimte voor bedrijventerreinen die geboden wordt: bij Concentreren blijft er minder ruimte voor bedrijven met een hogere milieucategorie over dan bij Spreiden.

Verstedelijking op de knopen Verstedelijking nabij goed openbaar vervoer heeft allerlei positieve effecten op het gebied van economische omgeving, woonomgeving en beperkt negatieve effecten voor goede omgevingskwaliteit. Het leidt tot meer werkprogramma op goed bereikbare, aantrekkelijke plekken en tot een forse hoeveelheid nieuwe woningen van goede kwaliteit. Daarnaast wordt het voorzieningenniveau versterkt. Ingrepen en aandacht voor veilige, gezonde fysieke leefomgeving Een belangrijk aandachtspunt is het cluster veilige, gezonde fysieke leefomgeving. Door het toevoegen van programma (wonen, werken, voorzieningen) worden meer mensen toegevoegd op plekken nabij bronnen die milieuhinder kunnen veroorzaken, zoals spoor of snelwegen. Specifiek de aspecten veiligheid en geluid verdienen aandacht; er zijn mitigerende maatregelen nodig om tot een gezonde leefomgeving te komen, en verdere uitwerking is nodig in de vervolgfase. Het gaat bijvoorbeeld om het realiseren van geluidswering.

Energie en grondstoffen Op het aspect energie en grondstoffen scoren beide alternatieven ongeveer gelijkwaardig. De compacte verstedelijking nabij goed openbaar vervoer leidt over het algemeen tot minder CO2-uitstoot; daarin doet alternatief Concentreren het goed. Tegelijkertijd zijn voor een grondstoffentransitie locaties (bedrijventerreinen) nodig voor verwerking van materialen, soms met bijvoorbeeld veel geluid tot gevolg. Alternatief Spreiden biedt hier meer ruimte aan. Economische vitaliteit Beide alternatieven laten een positieve score zien voor economische vitaliteit. Dit geldt nog sterker voor concentreren dan voor spreiden. Dit komt omdat in het concentratiealternatief meer banen op kwalitatief betere locaties worden toegevoegd en omdat er nog meer potentiële werknemers komen wonen.

Behoud van bedrijventerreinen Als ruimte voor bedrijven met een hogere milieucategorie moet worden behouden zijn bedrijventerreinen nodig waar (op het terrein zelf of in de directe omgeving) niet gewoond wordt. Deze bedrijventerreinen bieden enerzijds vaak ruimte aan praktisch geschoold werk, maar kunnen anderzijds ook een plaats bieden aan bedrijven die afvalstromen (of beter: materiaalstromen) verwerken. Daarmee zijn ze belangrijk voor het werken richting een circulaire economie.

Ruimtelijk-economische structuur Voor het aspect ruimtelijk-economische structuur geldt dat beide alternatieven positief scoren, waarbij Concentreren nog beter scoort dan Spreiden. Dit zit met name in de mate waarin programma wordt toegevoegd op goed bereikbare plekken, voornamelijk op de knopen. Bij Concentreren wordt meer en beter bereikbaar programma toegevoegd dan bij Spreiden. Tegelijkertijd zien we wel dat het behoud van bedrijventerreinen in het alternatief Spreiden kan zorgen voor het behouden van praktisch geschoolde werkgelegenheid.

Vergroening randvoorwaardelijk voor verstedelijking Forse verstedelijking heeft op een aantal aspecten stevige positieve effecten, maar ook een aantal negatieve aspecten. Bijvoorbeeld als het gaat om aspecten als woonomgeving (hitte, openbare ruimte), natuur (ecologie, biodiversiteit) en water. Tegelijkertijd scoort een aantal van die aspecten autonoom al matig; verbetering van de situatie daarom zeer gewenst. Verstedelijking moet daarom hand in hand gaan met vergroening (en hier en daar ook ‘vernatting’). Op die manier profiteert de stad wel van de positieve effecten van de verstedelijking maar wordt ook gebouwd aan een meer klimaatadaptieve, groene stad voor mens, plant en dier – en worden de mogelijk negatieve effecten van verstedelijking gemitigeerd.

81

Bodem en water sturend Beide alternatieven scoren negatief op de aspecten bodem en water, terwijl deze aspecten al in de referentiesituatie erg matig scoren. Er is daarom extra inzet nodig op deze thema’s. De hierboven beschreven vergroening helpt daarbij, maar het vraagt om meer: expliciet meer ruimte maken voor (oppervlakte)water tijdens piekbuien en adaptief bouwen. Zo moet de ‘footprint’ voor bebouwing op plekken als de Boszoom worden beperkt, om ruimte te houden voor waterberging. Daarbij is het realiseren van extra waterbuffercapaciteit op kleine en grote schaal nodig om de situatie ook ten opzichte van de autonome ontwikkeling te verbeteren. Om hier verder onderzoek naar te doen, zijn in het kader van de Aanvulling ROER nog twee extra subvarianten onderzocht, waarin specifieker is gekeken naar Bodem & Water. Dit is in hoofdstuk 8 behandeld.

82

voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geven deze kaarten ook een beeld van de gebieden waar externe veiligheid (groepsrisico) een factor is waar rekening mee moet worden gehouden; • voor de occupatielaag is een kaartbeeld opgenomen met aanwezige bebouwing en de periode waarin de bebouwing is gerealiseerd 12.

Effectbeschrijving per deelgebied 7.1. Inleiding

7.1.2 De deelgebieden in het geheel van de Oostflank

7.1.1 Analyse en aanbevelingen per deelgebied

Om de beschrijvingen per deelgebied in een breder kader te plaatsen is in deze paragraaf een korte beschrijving opgenomen van het gehele gebied A-Z.

In de paragrafen 7.2 tot en met 7.9 is per deelgebied en per bouwsteen een samenvattende beschrijving opgenomen van de referentiesituatie. Daarbij is een indeling gehanteerd die is gebaseerd op de lagenbenadering en de onderscheiden systemen. Vervolgens zijn per deelgebied de effecten van de bouwstenen samenvattend beschreven. Tot slot zijn per deelgebied de aandachtspunten ten behoeve van het aanduiden van het voorkeursalternatief beschreven. De informatie in dit hoofdstuk is gebaseerd op de onderliggende rapporten en op de thematische informatie van hoofdstuk 5.

De onderlaag van het gebied bestaat uit het historische landschap. Dit landschap is gevormd door afzettingen van rivier en zee, het ontstaan van dikke veenpakketten en vervolgens steeds verder door menselijke ingrepen beïnvloed. Er is (ook in het gebied van A-Z) een markant verschil tussen Rotterdam ten zuiden en Rotterdam ten noorden van de Nieuwe Maas (figuur 7.1). De hoogteverschillen binnen het gebied (figuur 7.2) zijn het gevolg van de landschapsgenese, de menselijke ingrepen door ontwatering en ophoging (onder andere met verontreinigd havenslib), en de gevolgen daarvan. Bodemdaling treedt in meerdere of mindere mate op het gehele gebied. In het noorden is de Prins Alexanderpolder, een diepe 19e eeuwse droogmakerij (duidelijk herkenbaar in figuur 7.2) een bepalend onderdeel van de onderlaag. Aan weerszijden van de Nieuwe Maas en in mindere mate rond de Kralingse Plas zijn ophooglagen aangebracht. Aan weerszijden van de Nieuwe Maas liggen primaire keringen. De buitendijkse delen van het gebied liggen relatief hoog.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=1ed163dc-615c-4631-a061-0eb1fb1e5f27