[23bb003350] Bijlage 1 behorende bij 23bb3349 - Ontwerpbestemmingsplan ‘Langeweg, Hoek van Holland’;
Tekst van het document
Wegverkeer
Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de beoogde woningen vanwege de Langeweg en de Harwichweg de voorkeurswaarde van 48 dB overschrijdt. De maximaal berekende geluidbelasting ten gevolge van deze beide wegen (afzonderlijk) bedraagt 51 dB. Dat betekent dat de voorkeursgrensaarde (48 dB) wordt overschreden. De berekende geluidbelastingen zijn echter niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen binnen de geluidzone van een stedelijke weg (63 dB). In het kader van dit bestemmingsplan zullen de benodigde hogere waarden worden vastgesteld. Zie paragraaf 6.4.6. De geluidbelasting vanwege de overige relevante zoneplichtige wegen voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB. 6.4.2
Railverkeer
Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting op de onderzochte woningen vanwege de Hoekse Lijn de voorkeurswaarde van 55 dB niet overschrijdt. 6.4.3
Industrielawaai
De geluidbelasting vanwege het industrielawaai afkomstig van het industrieterrein Maasvlakte – Europoort wordt op de ontwikkellocatie overschreden. De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt 59 dB(A). Dat betekent dat sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (50 dB(A)), maar dat de maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen met toepassing van de zeehavennorm (60 dB(A)) niet wordt overschreden. In het kader van dit bestemmingsplan zullen de benodigde hogere waarden worden vastgesteld. Zie paragraaf 6.4.6. 6.4.4
Nestgeluid
Nestgeluid is het geluid van afgemeerde schepen in havengebieden, dat niet is opgenomen in individuele vergunningen van bedrijven. Op dit moment is er nog geen wettelijk kader voor nestgeluid. Er wordt nu wel in het project facetbestemmingsplan geluid (FBG) gewerkt aan een nieuw juridisch ruimtelijk kader voor het industrielawaai inclusief het nestgeluid van het hele Rotterdamse Haven- en industriecomplex (HIC). De voorwaarde daarbij is een binnenwaarde van maximaal 33 dB (Lden) voor nieuw te bouwen woningen als gevolg van industrielawaai. Daarom is bij het onderzoek naar nestgeluid gekeken naar de extra gevelisolatie die nodig is om aan deze binnenwaarde te voldoen wanneer het nestgeluid energetisch wordt opgeteld bij het bestaande industrielawaai op grond van de Wgh. De benodigde geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijke geluid (industrielawaai en nestgeluid) per bronsoort (per gezoneerd industrieterrein) en de vereiste binnenwaarde voor aanwezige woningen (33 dB Lden), met een minimum van 20 dB. In het onderzoek is ook gekeken welke mate van gevelisolatie nodig is om te voldoen aan de Omgevingswet. Op grond van de Omgevingswet geldt voor aanwezige woningen een maximale binnenwaarde van 36 dB als gevolg van het gecumuleerde geluid van alle wettelijke geluidbronnen (wegverkeer, railverkeer, industrie en nestgeluid).
Ook hier volgt de benodigde geluidwering uit het verschil tussen het gezamenlijke geluid en de vereiste binnenwaarde voor aanwezige woningen (36 dB), met een minimum van 20 dB. De hoogste geluidbelasting (vanwege nestgeluid afkomstig van afgemeerde schepen op industrieterrein Maasvlakte/Europoort) is berekend op de zuidelijke helft van de zuidwestelijke gevel van het bouwblok vanaf de derde bouwlaag. De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt 52 dB Lden.
58
Dat betekent dat de berekende geluidbelasting ten gevolge van de aangemeerde schepen in de havens relatief beperkt is. De bijdrage van het nestgeluid is meegenomen bij de beoordeling van de benodigde gevelgeluidwering, onder de huidige regels, de Crisis- en herstelwet en de Omgevingswet. De bijdrage van het nestgeluid is relevant bij het bepalen van de geluidwerende maatregelen. Op basis van de uitkomsten van de berekeningen wordt geconcludeerd dat de benodigde gevelwering zonder meer haalbaar is (technisch en financieel). De benodigde gevelisolatie zal in het kader de van de omgevingsvergunning voor het bouwen verder worden gedetailleerd. Daarbij wordt getoetst aan de op dat moment geldende geluidwet- en regelgeving. 6.4.5
Cumulatie van geluid
De cumulatieve geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh, vanwege de relevante onderzochte zoneplichtige wegen is bij de ontwikkellocatie hoger dan 55 dB. De plandrempel van 55 dB, zoals genoemd in het Rotterdams Actieplan geluid 2013-2018, wordt bij de ontwikkellocatie overschreden. De plandrempel is een signaalwaarde en wordt alleen gebuikt voor het kiezen en afwegen van maatregelen in het kader van het Actieplan. De overschrijding van de plandrempel uit het Actieplan heeft geen directe consequenties voor het bestemmingsplan. De maximale geluidbelasting door alle bronnen samen (wegverkeer, industrielawaai en nestgeluid) bedraagt 59 dB (Lden). Op grond van de methode Miedema wordt bij een cumulatieve geluidbelasting van 59 dB het akoestisch klimaat beoordeeld als 'matig'. De hoogste cumulatieve geluidbelastingen treden op ter plaatse van de zuidelijk/westelijk geörienteerde gevels. Ter plaatse van de noordelijk/oostelijk geörienteerde gevels is de cumulatieve geluidbelasting zeer beperkt (< 50 dB). Dat betekent dat op die gevels het akoestisch klimaat wordt beoordeeld als 'goed'. 6.4.6
Hogere waarden
Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarden voor wegverkeerslawaai en industrielawaai zullen hogere waarden worden vastgesteld. In dat kader wordt getoetst aan de voorwaarden uit het gemeentelijk ontheffingsbeleid. Woningen dienen te beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte (zie toelichting in bijlage 4). Gezien de optredende geluidbelastingen zullen de appartementen die zijn gesitueerd aan de zuidelijke en westelijke gevels (zonder maatregelen) niet beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. In het gemeentelijk ontheffingsbeleid wordt voor dergelijke situaties verwezen naar de toolbox ‘Bouwen op geluidbelaste locaties'. Voor de woningen die niet beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte zal worden voorzien in afgeschermde buitenruimtes (loggia's en serres) die zo worden vormgegeven dat de achterliggende geveldelen geluidluw zijn. Het ontwerpbesluit hogere waarden wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. In de planregels (artikel 6 lid 6.3.1) is een koppeling gelegd met het besluit hogere grenswaarden en de daarin opgenomen voorwaarden. 6.4.7
Conclusie
Op delen van het plan is de geluidbelasting ten gevolge van gezoneerde wegen en het industrieterrein Europoort-Maasvlakte hoger dan de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarden worden echter niet overschreden. In het kader van het voorliggende bestemmingsplan zullen daarom hogere waarden worden vastgesteld. Voor de woningen die niet beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte zullen maatregelen worden getroffen in de vorm van serres/loggia's om te komen tot een aanvaardbaar akoestisch verblijfsklimaat. Het ontwerpbesluit hogere waarden (zie separate bijlage) wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. In de planregels is een koppeling gelegd met (de voorwaarden uit) het besluit hogere grenswaarden. De benodigde gevelwering is op hoofldijnen in beeld gebracht. Daarbij is ook rekening gehouden met het geluid door afgemeerde schepen (nestgeluid). Op basis van de uitkomsten van de berekeningen wordt geconcludeerd dat de benodigde gevelwering zonder meer haalbaar is (technisch en financieel). De benodigde gevelisolatie zal in het kader de van de omgevingsvergunning voor het bouwen verder worden gedetailleerd. Daarbij wordt getoetst aan de op dat moment geldende geluidwet- en regelgeving.
59
6.5
Luchtkwaliteit
6.5.1
Beleid
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd.
Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. 6.5.2
Grenswaarden en actuele waarden
Grenswaarden De in de Wet luchtkwaliteit genoemde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) geldt vanaf 01-01-2015 en is 40 µg/m3. De grenswaarde voor fijn stof (PM10) is 40 µg/m3 en geldt sinds 01-07-2011. Het aantal dagen waarop de daggemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 voor PM10 mag worden overschreden is 35. Deze daggemiddelde grenswaarde wordt overschreden bij een jaargemiddelde concentratie van 32,4 µg/m3 en hoger. Actuele waarden Volgens de NSL Monitoringstool-2020 wordt in het plangebied aan de grenswaarde voor NO2 voldaan. Ook wordt aan de grenswaarden (daggemiddelde en jaargemiddelde) voor fijn stof voldaan. De concentraties van de overige stoffen die ingevolge de Wet luchtkwaliteit moeten worden getoetst zijn zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood en de uurgemiddelde grenswaarde van stikstofdioxide (NO2). De waarden van deze stoffen liggen in Rotterdam en omgeving ruim onder de grenswaarden en worden daarom buiten beschouwing gelaten.
60
6.5.3
Conclusie
In en rondom het plangebied wordt in de huidige situatie aan de grenswaarden voldaan. Ook in de toekomst (2030) wordt aan de grenswaarden voldaan. Het wegverkeer dat door de 150 nieuwe woningen wordt gegenereerd, leidt in de plansituatie tot een geringe verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aantal van 150 nieuwe woningen is veel kleiner dan het aantal van 1.500 dat mag mogen worden gebouwd onder de NIBM regelgeving (Besluit NIBM, Regeling NIBM). Het onderhavige bestemmingsplan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet luchtkwaliteit. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Dit blijkt ook uit het onderzoek luchtkwaliteit van 16 juni 2021, zoals opgesteld door de gemeente Rotterdam. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Langeweg.
6.6
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Voor het verkrijgen van een bouwvergunning, moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit goed genoeg is om te bebouwen ten behoeve van de toegekende bestemming (bodemgeschiktheidsverklaring): er mag pas worden gebouwd als de bodem schoon genoeg is bevonden. In het kader van de bouwplannen zal de bodem ter plaatse nader worden onderzocht.
Indien nodig zal de bodem voorafgaand of tijdens de bouw geschikt gemaakt worden op basis van de nota "Naar een gezamenlijk Bodemsaneringsbeleid in provincie en stad". 6.6.1
Plangebied
De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Wat algemene bodemkwaliteit betreft is het plangebied in de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) licht verontreinigd (geschikt voor wonen) en is de bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld zeer licht verontreinigd.
61
Figuur 6.2 Bovenste 1 meter van de bodem (bodemtoepassing)
Figuur 6.3 Bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld Op basis van de indicatieve Bodemkwaliteitskaart is de verwachting dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de locaties waar het bestemmingsplan woningbouw mogelijk maakt thans al schoon genoeg is voor de woonfunctie. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is dan ook geen nader onderzoek nodig. In het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning zal een bodemonderzoek moeten worden aangeleverd waaruit blijkt dat het aspect bodem de bouw inderdaad niet in de weg staat. 6.6.2
Conclusie
Het aspect bodem staat de uitvoering van de plannen niet in de weg.
62
6.7
Externe veiligheid
Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. Het onderzoek naar de externe veiligheid voor de onderhavige ontwikkeling is opgenomen in bijlage 7. In de onderstaande beschouwing is uitsluitend ingegaan op relevante risicobronnen. 6.7.1
Transport gevaarlijke stoffen
Transport over de Nieuwe Waterweg, Scheur en Nieuwe Maas Vanuit de monding van de Nieuw Waterweg tot aan de Waalhaven (Raai 1004) vindt transport plaats met zowel zeeschepen als binnenvaartschepen. Volgens bijlage III van de Regeling Basisnet ligt de PR 10-6-contour op 0 meter afstand van het hart van de waterweg. De PR 10-6-contour van de Nieuw Maas ligt dus buiten het plangebied. Het plangebied ligt op meer dan 320 meter van de Nieuwe Waterweg en daarmee buiten het groepsrisico-aandachtsgebied van 200 meter. Dit betekent dat het plan geen invloed heeft op het groepsrisico van deze risicobron. De ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt ligt buiten de zone 40 meter vanaf de kade waarin door de Provincie Zuid-Holland voorwaarden worden gesteld met betrekking tot veiligheid. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied (toxische stoffen) van de Nieuwe Waterweg. Hierdoor is een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Beknopte verantwoording groepsrisico In het kader van de verantwoording dient te worden ingegaan op maatregelen in het kader van hulpverlening (bestrijdbaarheid en bereikbaarheid) en zelfredzaamheid.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende zijn geborgd. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren, om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied is goed bereikbaar via de Langeweg (N211) aan de westzijde van Hoek van Holland. Het plangebied is via meerdere aanvalswegen bereikbaar. Ook kunnen de aanwezige personen op deze manier via meerdere wegen van de bron af vluchten. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid ten goede.
63
Zelfredzaamheid Ter plaatse het plangebied worden nieuwe appartementen mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zullen dan ook over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. 6.7.2
Risicovolle inrichtingen
DSM Synres De inrichting heeft geen PR 10-6-contour die tot het plangebied reikt. Dit bedrijf aan de Slachthuisweg ligt op 2 km van het plangebied. Het invloedsgebied bedraagt 1612 meter (bron: DCMR) waardoor het invloedsgebied buiten het plangebied ligt. Hierdoor leidt het bestemmingsplan niet tot een toename van het groepsrisico van dit bedrijf en is geen berekening of verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. StenaLine De inrichting heeft geen PR 10-6-contour die tot het plangebied reikt. Het invloedsgebied bedraagt 1650 meter (bron: DCMR). Voor de afstand van 1.650 m is uitgegaan van het midden van de stack waar volgens de vergunning gevaarlijke stoffen mogen worden opgeslagen en waar het invloedsgebied bepalende scenario kan plaatsvinden. Het plangebied ligt op 1.700 meter van de locatie waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Het plangebied is daarmee buiten het invloedsgebied van StenaLine gelegen. Hierdoor leidt het bestemmingsplan niet tot een toename van het groepsrisico van dit bedrijf en is geen berekening of verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. 6.7.3
Conclusie
Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10-6-contour van omliggende risicobronnen. De groepsrisico’s als gevolg van risicobronnen buiten het plangebied nemen door de ontwikkeling in dit plangebied niet toe. Het plangebied ligt uitsluitend binnen het invloedsgebied van de Nieuwe Waterweg. In een beknopte verantwoording van het groepsrisico is ingegaan op maatregelen in het kader van hulpverlening en zelfredzaamheid. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende kunnen worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het beoogde plan.
6.8
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur, het behouden en herstellen van de biodiversiteit, het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt de bovenstaande doelen via actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt.
64
De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.8.1
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Daarom is een stikstofberekening gemaakt met behulp van de AERIUS-calculator, zie bijlage 8. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Solleveld & Kapittelduinen, direct grenzend aan het bestemmingsplangebied. Uit de berekening blijkt dat er rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Om die reden is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Deze is op 29 december 2020 verleend, zie bijlage 9. In de opgestelde natuurtoets door Koolstra Advies (Bestemmingsplan Langeweg, Voortoets en Quickscan Wet natuurbescherming, 2019) is geconcludeerd dat de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen een gering maar op voorhand geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied.
De natuurtoets is als bijlage 10 opgenomen bij dit bestemmingsplan. Daarnaast zijn er de gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Het aangrenzende bosgebied maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en is daarin grotendeels aangeduid als natuurbeheertype N15.01 Duinbos.Ook hiervoor geldt dat het bestemmingsplan leidt tot kleine, niet significante effecten op de kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk. 6.8.2
Soortenbescherming
Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de staat van instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten. Uit de Natuurtoets (Koolstra Advies, update 2022, zie bijlage 10) volgt dat de uitvoering van het bestemmingsplan mogelijk leidt tot overtredingen van de verbodsbepalingen ten aanzien van soortenbescherming van de Wet natuurbescherming. Voor deze overtredingen is een ontheffing mogelijk, of ze zijn middels maatregelen te voorkomen. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar.
65
Vervolgonderzoek is nodig naar de mogelijke migratieroute van vleermuizen langs de zuidrand van het Roomse Duin en de mogelijke aanwezigheid van glad biggenbruid in het plangebied. Omdat effecten op vleermuizen te mitigeren zijn, en bij aanwezigheid van glad biggenkruid ontheffing mogelijk is, is het niet noodzakelijk dit vervolgonderzoek uit te voeren voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het nader onderzoek kan worden uitgevoerd in voorbereiding op de uitvoeringsfase. Buiten het plangebied (op circa 30 m afstand) bevinden zich twee roekennesten. De bouwwerkzaamheden en de aanwezigheid van de bebouwing zullen niet leiden tot verstoring van de roek. Voorafgaand aan de start van de ontwikkeling en voordat bomen worden gekapt moet worden vastgesteld of zich mogelijk een kolonie heeft gevestigd in bomen die ook binnen het plangebied staan. Mocht daarvan sprake zijn, is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig om de bomen met roekennesten te mogen vellen. Gezien het bovenstaande is de conclusie dat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
6.9
Verkeer en parkeren
6.9.1
Toetsingskader
Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig Parkeren). De gemeente Rotterdam wordt met een omgevingsadressendichtheid van 3.966 aangemerkt als zeer sterk stedelijk gebied. Binnen Hoek van Holland ligt het plangebied in de resterende bebouwde kom. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022, hierna parkeernormenbeleid. Voor de te hanteren norm ligt het plangebied in zone C. 6.9.2
Ontsluiting
Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt ontsloten door de Langeweg, Dirk van den Burgweg en Harwichweg. Dit zijn alledrie gebiedsontsluitingswegen waar een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. De Langeweg en Dirk van den Burgweg zijn belangrijke hoofdontsluitingswegen om het doorgaand verkeer af te wikkelen richting het hoger gelegen netwerk. De Langeweg verbindt in westelijke richting de Strandweg, Dirk van den Burgweg en in oostelijke richting de Harwichweg en Hoeksebaan. De Hoeksebaan is een gebiedsontsluitingsweg waar een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. De Hoeksebaan verbindt de kern van Hoek van Holland met het hoger gelegen netwerk naar de provinciale wegen N223, N213 en A20 voor de richtingen Naaldwijk en Poeldijk (Den Haag) en Rotterdam. De Dirk van den Burgweg sluit in noordelijke richting aan op de N211 voor de richtingen 's-Gravenzande en Monster. De Harwichweg is een wijkontsluitingsweg en sluit in noordelijke richting aan op de Dirk van den Burgweg. Openbaar vervoer Het RSR/metrostation Hoek van Holland Haven ligt op een afstand van circa 400 meter van het plangebied. Hier halteert de metrolijn richting Nesselande. Deze lijn rijdt 3x in het uur richting station Schiedam Centrum. Direct naast het plangebied ligt een bushalte aan de Harwichweg. Hier halteert lijn 31 richting Den Haag - 's-Gravenzande. De buslijn heeft een frequentie van 3x per uur.
Langzaam verkeer Het fietsverkeer gaat over vrijliggende fietspaden in twee richtingen langs de Langeweg, Dirk van den Burgweg, Strandweg en Harwichweg. Langs deze fietsroutes zijn voetpaden aangelegd. 66
Figuur 6.4 Ontsluitingswegen rondom plangebied 6.9.3
Verkeer
Verkeersgeneratie In de huidige situatie is het plangebied een groenstrook en dit genereert geen verkeer. De beoogde planontwikkeling van 150 appartementen zorgt voor een verkeerstoename op het omliggende wegennet. In de toekomstige situatie zijn 150 appartementen beoogd, waarvan 31 huurappartementen in de vrije sector en 119 koopappartementen in het midden segment. Tabel 6.1 toont de maximale verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling. Tabel 6.1 Toekomstige situatie verkeersgeneratie in mvt/etmaal Functie
Kencijfer
Verkeersgeneratie weekdag mvt/etmaal
Verkeersgeneratie werkdag* mvt/etmaal
Huur, 31 appartementen woningen duur
5,5 (max) per appartement
170,5 mvt/etmaal
190 mvt/etmaal
Koop, 119 appartementen woningen midden
5,5 (max) per appartement
654,5 mvt/etmaal
726 mvt/etmaal
825 mvt/etmaal
916 mvt/etmaal
Totaal
Aantal
150 woningen
*Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de standaard factor 1,11 voor woonfuncties (CROW 381). De verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling is maximaal 825 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de standaard factor 1,11 voor woonfuncties. De verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling op een gemiddelde werkdag is maximaal 916 mvt/etmaal.
67
Verkeersafwikkeling Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is de afwikkeling in een spitsuur maatgevend, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. In een gemiddeld spitsuur zorgt de ontwikkeling daarmee voor een verkeerstoename van maximaal 92 verkeersbewegingen. Dit verkeer zal zich evenredig afwikkelen op de Langeweg richting Hoeksebaan (50%) en Dirk van den Burgweg (50%). Verkeersveiligheid De Langeweg is een GOW type II 50 km/uur en heeft een capaciteit van maximaal 15.000 mvt/etmaal. De rijbaan is breed van opzet en langs de rijbaan is een vrijliggend fietspad in rood asfalt aanwezig en een voetpad. Richting de Dirk van den Burgweg sluit de Langeweg aan op een rotonde. Hier kan 20.000-25.000 mvt/etmaal op worden afgewikkeld en de fietser zit in de voorrang. Voor voetgangers is een veilige oversteekvoorziening aanwezig door middel van een zebrapad. Richting de Harwichweg is een voorrangskruising aanwezig waarop 15.000 mvt/etmaal kunnen afwikkelen. Hier kunnen fietsers en voetgangers gefaseerd oversteken. Fietsers hebben op deze kruising voorrang en voor voetgangers is een veilige oversteek aanwezig door middel van een zebrapad. Conclusie De Langeweg heeft voldoende restcapaciteit om de verkeerstoename te kunnen afwikkelen.
De toename van het verkeer is beperkt, zodat deze ter hoogte van deze gebiedsontsluitingsweg zal opgaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. Dit zal niet leiden tot knelpunten op het omliggende wegennet. 6.9.4
Parkeren
Parkeerbehoefte auto- en fietsparkeren De toekomstige parkeerbehoefte van het plangebied kan worden berekend aan de hand van het parkeernormenbeleid. Het plangebied ligt in zone C. De 150 appartementen zijn onderverdeeld per woonfunctie. Tabel 6.2 toont de normatieve parkeerbehoefte op basis van de bijbehorende parkeernorm. Tabel 6.2 Normatieve autoparkeerbehoefte Functie
Aantal
Parkeernorm (zone C)
Normatief
Wonen Woonfunctie 65 - 85 m2
67
1
67 pp
Woonfunctie 85 - 120 m2
59
1,4
82,6 pp
Woonfunctie > 120m2
24
1,8
43,2 pp
Totaal
192,8 pp
Vrijstellingen Het parkeernormenbeleid kent vrijstellingen om de parkeereis te verlagen. Echter vanwege het hoge autobezit gelden deze vrijstellingen niet voor ontwikkelingen in Hoek van Holland. Conclusie Het aantal benodigde autoparkeerplaatsen is op het maatgevend moment 193 parkeerplaatsen. Fietsparkeren Tabel 6.3 toont op basis van het parkeernormenbeleid dat er voor de beoogde ontwikkeling 474 fietsparkeerplaatsen nodig zijn. 68
Tabel 6.3 Fietsparkeerbehoefte Functie
Aantal
Fietsparkeernorm
Normatief
Wonen Woonfunctie 65 - 85 m2
67
3
201 pp
Woonfunctie 85 - 120 m2
59
3
177 pp
Woonfunctie > 120m2
24
4
96 pp
Totaal
474 pp
Parkeeraanbod Om de totale parkeerbehoefte op te vangen zullen totaal 193 autoparkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. De behoefte aan fietsparkeerplaatsen wordt voorzien in de bergingen van de appartementen (artikel 17, Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022). Conclusie De parkeerbehoefte voor alle woningen kan volledig worden opgelost op eigen terrein en leidt daarmee niet tot knelpunten. 6.9.5
Conclusie
Het plangebied is bereikbaar door middel van verschillende vervoerswijzen. De ontsluitingswegen zijn veilig ingericht en de verwachting is dat de er voldoende restcapaciteit is op de Langeweg om de verkeerstoename op te vangen. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling is beperkt en leidt niet tot knelpunten op het omliggende wegennet. De parkeerbehoefte dient te worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen, binnen de plangrenzen is er voldoende ruimte aanwezig om hierin te voorzien. De inzet van deelmobiliteit kan een positief effect hebben op het milieu (stikstof) en is mogelijk om toe te passen maar zonder vrijstelling op de parkeereis. Binnen de beoogde ontwikkeling is voorzien in 228 parkeerplaatsen. Daarnaast zal er voldoende ruimte aanwezig zijn voor het realiseren van 474 fietsparkeerplaatsen. De parkeerbehoefte kan volledig worden opgelost op eigen terrein en leidt daarmee niet tot knelpunten. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
6.10
Niet gesprongen explosieven
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is ook het gebied van de gemeente Rotterdam doelwit geweest van bombardementen. Daar zaten zogenaamde blindgangers bij, explosieven die niet tot explosie kwamen en in de grond zijn blijven liggen. Een groot deel van die blindgangers is tijdens de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Een deel daarvan kan nog steeds in de grond liggen. Deze niet gesprongen explosieven (verder NGE genoemd) vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. Als een gebied verdacht is van explosieven dient er een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd door een gecertificeerd explosieven opsporingsbedrijf. Uit de risicokaart van de gemeente Rotterdam (zie figuur 6.5) blijkt dat het plangebied niet verdacht is voor de aanwezigheid van explosieven.
69
Figuur 6.5 Risicokaart NGE gemeente Rotterdam
6.11
Duurzaamheid
Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie-eisen. In paragraaf 2.3 is ingegaan op het gemeentelijk beleid. Door de gemeente zijn uitgangspunten geformuleerd met betrekking tot duurzaamheid die aan de basis staan van de marktselectieprocedure. In het plangebied zal zoveel als mogelijk voorzien worden in het gebruik van duurzame (bouw)materialen. Hiernaast kunnen de toekomstige bewoners een bijdrage leveren door hun woning naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen en toepassen van LED-verlichting. In het algemeen kan worden opgemerkt dat de beoogde woningen worden gebouwd conform het huidige Bouwbesluit. Daardoor dient voldaan te worden aan de hierin opgenomen duurzaamheidseisen. Dit betekent onder andere dat de woningen gasloos worden uitgevoerd.
De ontwikkeling van het plangebied zelf kan eveneens gezien worden als een duurzame ontwikkeling. Met deze ontwikkeling wordt ingespeeld op een bredere differentiatie van woningen. Dit draagt tevens bij aan een opwaardering van het wooncomfort en daarmee ook de leefbaarheid in de buurt.
70
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
71
72
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
De gemeente Rotterdam heeft het plangebied volledig in haar bezit. Het bestemmingsplan wordt vanuit een gemeentelijke grondexploitatie uitgevoerd. Voor de Langeweg betekent dit dat de gemeente voor eigen rekening en risico de gronden bouw- en woonrijp maakt om de bouwkavels vervolgens uit te kunnen geven en grondopbrengsten te realiseren. Daarmee is het kostenverhaal via de gronduitgifte anderszins verzekerd, zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 onder a van de Wro. Bovendien is het bepalen van een tijdvak/fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in respectievelijk artikel 6.12 lid 2 onder b en onder c van de Wro niet noodzakelijk, dan wel wordt dit geregeld via de gronduitgifte. Hieruit volgt dat het opstellen van een exploitatieplan niet nodig is. De locatie Langeweg maakt als deelexploitatie onderdeel uit van de overkoepelende grondexploitatie Waterweg Centrum. In het kader van de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient het saldo van de deelexploitatie ten minste neutraal te zijn. In de deelexploitatie Langeweg zijn meer opbrengsten dan kosten geprognosticeerd en deze heeft nominaal een positief saldo à € 2 miljoen.
De gemeenteraad heeft op 20 december 2018 besloten de deelexploitatie Langeweg als onderdeel van de overkoepelende grondexploitatie Waterweg Centrum te activeren en heeft daarmee het benodigde krediet voor de uitvoering van het bestemmingsplan beschikbaar gesteld. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onderbouwd.
73
74
Hoofdstuk 9 9.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Informatievoorziening en vooroverleg
Er is een website gemaakt en er worden regelmatig nieuwsbrieven uitgebracht. Geïnteresseerden kunnen zo de planvorming volgen. Het concept van het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening aan diverse instanties voorgelegd. De ontvangen reacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota overleg (zie bijlage 11).
9.2
Zienswijzen
Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan wordt een ieder gedurende zes weken in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond worden georganiseerd.
75
Regels
102
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
INLEIDENDE REGELS
Begrippen
Plan
Het bestemmingsplan Langeweg, Hoek van Holland met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2192HvHLangeweg-on01 van de gemeente Rotterdam. 1.2 Bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 Achtererfgebied Erf aan de achterkant van het oorspronkelijke hoofdgebouw en aan de zijkant(en) ervan, op meer dan 1 meter van de erfgrens aan de zijde van het openbaar toegankelijke gebied, alsmede op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.6 Archeologisch deskundige Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.7 Bebouwing Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.8 Bebouwingspercentage Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen. 1.9 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.10 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11 Bouwaanduidingen Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken.
1.12 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.13 Bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.14 Bouwlaag Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. 1.15 Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
103
1.16
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.17 Bruto vloeroppervlak (b.v.o.) Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.18 Bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.19 Bijgebouw Vrijstaand gebouw dat door constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde perceel. 1.20 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.21 Geluidzone - industrie Een geluidszone zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. 1.22 Gestapelde woningen Woningen, gestapeld met woningen (soms ook gestapeld met andere functies, welke dan in de bestemmingsomschrijving vermeld dienen te zijn).
1.23 Hoofdgebouw Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.24 Kap Een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek ten minste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt. 1.25 Maaiveld De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.26 Milieudeskundige De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. 1.27 NAP Het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. 1.28 Openbare nutsvoorzieningen Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen). 1.29 Peil (straat-) a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein.
Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend.
104
1.30
Souterrain
Een gedeeltelijk onder het maaiveld gelegen gebruiksruimte van een gebouw. 1.31 Straatmeubilair Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 1.32 Tuin Terrein ten behoeve van de aanleg van groenvoorzieningen, met de daarbij behorende verharding (paden, terrassen) en vijvers en dat in overwegende mate niet voor bebouwing in aanmerking komt. 1.33 Uitstekende delen aan gebouwen Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d. 1.34 Water Waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater.
105
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. 2.6 de breedte van een gebouw Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte.
2.7 de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens Vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens.
106
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
BESTEMMINGSREGELS
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen en watergangen; b. voet- en fietspaden en in- en uitritten, alsmede aan de noordoostzijde van de aangrenzende bestemming Wonen een weg ter ontsluiting van de woningen in het plangebied en maximaal 30 parkeerplaatsen op maaiveld; c. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming; d. kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer; e. 'Waarde - Archeologie', voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd. 3.2
Bouwregels
3.2.1 Algemeen Op de voor 'Groen' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke in de bestemming passen, zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers, niet groter dan 10 m3 (al dan niet ondergronds), bovenleidingsmasten c.q. -portalen ten behoeve van trambanen, bruggen, duikers; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van waterbouwkundige aard als een brug, een duiker en een vlonder. 3.2.2 Medebestemming Voor zover de gronden mede zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie' is voor het bouwen het bepaalde terzake in de genoemde bestemming mede van toepassing.
107
Artikel 4 4.1
Natuur
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; b. de daarbij behorende watergangen en paden, ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen; c. 'Waarde - Archeologie', voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd. 4.2
Bouwregels
4.2.1 Algemeen Op de voor 'Natuur' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals bruggen, duikers, beschoeiingen. 4.2.2 Medebestemming Voor zover de gronden mede zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie' is voor het bouwen het bepaalde terzake in de genoemde bestemming mede van toepassing. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1 Verbod Op de voor 'Natuur' bestemde gronden, is het verboden zonder schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de onderstaande werken (geen bouwwerken zijnde) en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen en afgraven, alsmede door ophogen; b. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het dempen, graven, afdammen, vergroten of herprofileren van waterlopen;' d. het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting. 4.3.2 Uitgezonderde werkzaamheden Het in lid 4.3.1 genoemde verbod geldt niet voor: a. normaal onderhoud en beheer; b.
werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. 4.3.3 Vergunning Vergunning wordt verleend, indien de natuur- en landschapswaarden niet in onevenredige mate worden of kunnen worden aangetast. Alvorens de vergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de vergunning aan burgemeester en wethouders een schriftelijk advies van een deskundige van de DCMR (danwel een door de DCMR aan te wijzen deskundige) op het gebied van natuur- en landschapsbeheer te overleggen.
108
Artikel 5 5.1
Verkeer - Wegverkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer - Wegverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, fietspaden, met de daarbij behorende kunstwerken zoals viaducten, bruggen, duikers; b. voorzieningen ten behoeve van wandelen en verblijven, zoals trottoirs, paden en trappen; c. groenvoorzieningen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; d. geluidswerende voorzieningen; e. 'Waarde - Archeologie' voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd; 5.2
Bouwregels
5.2.1 Algemeen Op de voor 'Verkeer - Wegverkeer' bestemde gronden mag niet worden gebouwd. 5.2.2 Medebestemming Voor zover de gronden mede zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie' is voor het bouwen het bepaalde terzake in de genoemde bestemming mede van toepassing.
109
Artikel 6 6.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maximaal 150 gestapelde woningen; b. met de daarbij behorende voorzieningen zoals inpandige bergingen, alsmede tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en -paden; c. een gebouwde parkeergarage; d. ongebouwde parkeervoorzieningen op maaiveld, voor zover gelegen buiten het bouwvlak; e. 'Waarde - Archeologie', voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd; met dien verstande dat een zone van minimaal 70 m breed ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'groen' uitsluitend bestemd is voor groen, water en paden. 6.2
Bouwregels
6.2.1 Algemeen Op de voor 'Wonen' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 6.2.2 Gebouwen en overkappingen a. gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'groen' een zone met een breedte van minimaal 70 m vrij blijft van gebouwen en overkappingen; b. er worden ten hoogste 6 woongebouwen gebouwd; c. het aantal bouwlagen bedraagt ten hoogste het met de aanduiding 'maximum bouwlagen' aangegeven aantal; d. de parkeergarage wordt in ten hoogste 1 bouwlaag, niet gelegen boven woonlagen, uitgevoerd; e. de breedte van de zuidelijk georiënteerde gevel van een gebouw (uitgezonderd de parkeergarage) bedraagt maximaal 40 meter; f. gebouwen worden plat afgedekt. 6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m; b. ter plaatse van de aanduiding 'groen' blijft een zone met een breedte van minimaal 70 m vrij van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, met uitzondering van keerwanden en trappen. 6.2.4 Medebestemming Voor zover de gronden mede zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie' is voor het bouwen het bepaalde terzake in de genoemde bestemming mede van toepassing.
110
6.3
Specifieke gebruiksregels
6.3.1 Geluid Het gebruik voor wonen is uitsluitend toegestaan als is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder dan wel de hogere waarden (en bijbehorende voorwaarden) uit het hogere waardenbesluit d.d. ..., dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd. 6.3.2 Aan huis gebonden beroep op bedrijf Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30% mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; b. ten aanzien van een aan huis gebonden bedrijf sprake is van een bedrijf tot en met categorie 1 als bedoeld in de bij deze regels horende Staat van Bedrijfsactiviteiten; c. de gevel en dakrand van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame-uitingen; d. er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; e. er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf. 6.4
Afwijken van de gebruiksregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.3 terzake van de toegestane bedrijfsactiviteiten ten behoeve van andere bedrijfsactiviteiten dan die primair zijn toegelaten, welke - gehoord de milieudeskundige - daarmede naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn.
111
Artikel 7 7.1
Waarde - Archeologie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 7.2
Bouwregels
7.2.1 Rapport archeologisch deskundige In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 7.3.1. 7.2.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 7.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1 meter beneden NAP en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m2 beslaan. 7.3.2 Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen. 7.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden Het aanlegvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
112
7.3.4 Vergunning Aanlegvergunning wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 7.3.5 Rapport archeologisch deskundige Alvorens de aanlegvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de aanlegvergunning aan burgemeester en wethouders hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen. 7.3.6 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
113
Hoofdstuk 3 Artikel 8
ALGEMENE REGELS
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.