[23bb003304] Bijlage 1. Ontwerpbestemmingsplan Transformatie Voetbalvelden Overschiese Kleiweg
Tekst van het document
60/138
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: * soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; * soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; * overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
61/138
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' bevindt zich op circa 13,6 kilometer van het plangebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bevindt zich op circa 18,5 kilometer (figuur 5.4).
Het plangebied valt buiten Natuurnetwerk Nederland (figuur 5.5).
Figuur 5.4 Natura 2000-gebieden t.o.v. het plangebied (zwart omcirkeld) (bron: Aerius Calculator)
62/138
irįZm Figuur 5.5 Natuurnetwerk Nederland t.o.v. plangebied (zwart omcirkeld) (bron: Provincie Zuid-Holland) Omdat de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van maximaal 99 woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening heeft uitgewezen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 5. De bijbehorende berekeningen zijn opgenomen in bijlagen 6, 7, 8, 9 en 10. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er voor aanleg- en gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Conclusie Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Soortenbescherming In opdracht van Stadsontwikkeling gemeente Rotterdam is er een ecologische quickscan uitgevoerd in het plangebied Overschiese Kleivelden. De ecologische quickscan is opgenomen in bijlage 11 van dit bestemmingsplan. In deze paragraaf worden de conclusies en adviezen beschreven. Na het uitvoeren van de bureaustudie en het locatiebezoek zijn de waarnemingen geïnterpreteerd. Uit de resultaten van de bureaustudie en het locatiebezoek zijn conclusies getrokken en wordt advies gegeven over de te nemen vervolgstappen.
63/138
Nader onderzoek steenmarter Om na te gaan of het projectgebied geschikt is voor de steenmarter heeft er van 17 mei tot 29 juni 2022 nader onderzoek plaatsgevonden. Tijdens dit onderzoek is de steenmarter niet aangetroffen. Negatieve effecten op de steenmarter zijn derhalve uitgesloten (zie bijlage 12). Tijdens dit onderzoek zijn er wel aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een vossenbouw in (de directe omgeving van) het plangebied. In het kader van de zorgplicht dient er rekening te worden gehouden met deze vossenbouw. Door buiten de gevoelige periode van vossen (begin maart tot half september) te werken, worden negatieve effecten op (jonge) vossen voorkomen. Vliegroute vleermuizen Verder ligt er een essentiële vliegroute voor vleermuizen in de Steilrandzone, boven de watergang direct ten noorden van het plangebied. Langs deze watergang is in het bestemmingsplan een bestemming 'Groen' opgenomen. Op deze gronden zijn de aanwezige bomen (o.a. enkele grote populieren) essentieel voor de geleiding van de vleermuizen. Deze bomen behouden is essentieel voor het functioneren van de vliegroute. Daarnaast staan er enkele bomen langs de watergang. Ook deze bomen zijn essentieel voor de functionaliteit van de vliegroute. Dit groen dient behouden te blijven, anders is er mogelijk sprake van overtreding van de Wet Natuurbescherming.
Verder geldt dat verlichting vanuit het plangebied op de watergang en bijbehorende bomen niet meer dan 2 lux mag bedragen. Conclusie Uit nader onderzoek blijkt dat de steenmarter niet in het projectgebied is aangetroffen. Negatieve effecten op de steenmarter zijn dan ook uitgesloten. Indien de opstallen aan de zuid- en zuidoostzijde in het project worden gesloopt dient een update van de ecologische quickscan plaats te vinden. De (voormalige) bedrijven zijn mogelijk geschikt leefgebied voor uilen en vleermuizen. Deze gebieden waren ten tijde van het veldbezoek niet toegankelijk. Het nader onderzoek uit 2020 naar roofvogels, uilen en vleermuizen toonde aan dat er geen beschermde soorten en leefgebieden zijn in het projectgebied. Deze resultaten zijn nog steeds geldig aangezien de situatie van het plangebied onveranderd is. De geldigheid van de nader onderzoeken is 3 jaar. Mochten de beoogde ontwikkelingen in het bestemmingsplan niet binnen deze termijn worden gestart dan dient eerst overlegd te worden met de Stadsecoloog omtrent het actualiseren van de onderzoeken. Er is nader onderzoek nodig naar vleermuizen als verstoring op de Steilrand niet wordt voorkomen. Verder dienen ten minste de volgende maatregelen genomen te worden: *
Er dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen, ter bescherming van algemene broedvogels (artikel 3.1 Wnb). Het rooien van bomen en struiken en overige werkzaamheden met negatieve effecten op het aanwezige groen, dienen buiten het vogelbroedseizoen uitgevoerd te worden. Het broedseizoen loopt globaal van 1 maart tot 31 juli, maar kan per jaar enigszins verschuiven afhankelijk van de weersomstandigheden;
*
Er dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Dit is mogelijk door vanuit één kant te werken, zodat dieren de kans krijgen om zich veilig te verplaatsen; Lichtuitstraling van meer dan 2 lux op de Steilrand dient zowel tijdens de werkzaamheden als bij de definitieve inrichting worden voorkomen. Er dient met een lichtberekening voor de inrichting worden aangetoond dat er geen sprake is van lichtverstrooiing op de Steilrand; Er dient een groene bufferzone tussen het woongebied en de Steilrand te worden gerealiseerd. Dit als compensatie voor de gebieden op de Rotterdamse Natuurkaart en ten behoud van de beoogde verbinding van de Steilrand.
*
*
64/138
5.9
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: * ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; * rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie wordt een woningbouw gerealiseerd met maximaal 99 woningen. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich woningen, de HSL-lijn en belangrijke ontsluitingswegen waardoor de omgeving getypeerd kan worden als een 'gemengd gebied'. In het zuidoosten van het plangebied bevindt zich een autobedrijf. Volgens de VNG-brochure valt dit in milieucategorie 3.2 en het maatgevende aspect betreft geluid met een richtafstand van 50 meter in een gemengd gebied. De afstand van het plangebied tot dit bedrijf is kleiner dan 50 meter. Er wordt niet voldaan aan deze richtafstand. Voor de aspecten geur en gevaar is de richtafstand 10 meter, voor het aspect stof is dit 30 meter. Aan de hand van de milieuvergunning zal bekeken worden welke activiteiten daadwerkelijk op de locatie plaatsvinden. In het westen en zuiden van het autobedrijf bevinden zich al woningen die het autobedrijf beperken in zijn bedrijfsvoering. Ter plaatse van deze dichtbij gelegen woningen moet al voldaan worden aan de wettelijke geldende milieunormen uit het Activiteitenbesluit. Tevens moet er gekeken worden of op basis van een goede ruimtelijke ordening wel sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het autobedrijf moet voldoen aan de milieuwetgeving zoals vermeld in de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit. De bestaande woningen en de beoogde woningen liggen op vergelijkbare afstand tot het autobedrijf.
Hieruit kan geconcludeerd worden dat er ter plaatse van de beoogde ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een gevel- en dakrenovatiebedrijf. Volgens de VNG-brochure valt dit in milieucategorie 3.1 en het maatgevende aspect betreft geluid met een richtafstand van 30 meter in een gemengd gebied. De afstand van het plangebied tot dit bedrijf is kleiner dan 30 meter. Er wordt niet voldaan aan deze richtafstand. Voor de aspecten geur en gevaar is de richtafstand 0 meter, voor het aspect stof is dit 10 meter. Aan de hand van de milieuvergunning zal bekeken worden welke activiteiten daadwerkelijk op de locatie plaatsvinden. Ten zuiden van het gevel- en dakrenovatiebedrijf bevinden zich al woningen die het bedrijf beperken in zijn bedrijfsvoering. Ter plaatse van deze dichtbij gelegen woningen moet al voldaan worden aan de wettelijke geldende milieunormen uit het Activiteitenbesluit. Tevens moet er gekeken worden of op basis van een goede ruimtelijke ordening wel sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
65/138
Het gevel- en dakrenovatiebedrijf moet voldoen aan de milieuwetgeving zoals vermeld in de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit. Het is mogelijk dat de beoogde woningen dichterbij het gevel- en dakrenovatiebedrijf worden gerealiseerd, dan de nu al bestaande woningen. Het mogelijke effect hiervan op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt nog onderzocht. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich de bestemming nutsvoorziening, dit betreft een elektriciteitsvoorziening. Volgens de VNG-brochure valt dit onder milieucategorie 2 met het maatgevende aspect geluid en een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. De afstand van het plangebied tot deze elektriciteitsvoorziening is groter dan 10 meter. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Ten aanzien van het gevelen dakrenovatiebedrijf wordt parallel aan het ter inzage leggen van het bestemmingsplan nader gekeken of met de huidige planregeling sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat of dat er nog een aanpassing aan het plan benodigd is.
5.10 Duurzaamheid Toetsingskader Duurzaamheid is van fundamenteel belang voor de leefbaarheid in Rotterdam: nu en in de toekomst. Als stad wil Rotterdam uitgroeien tot een duurzame hotspot met een gidsrol op het gebied van duurzaamheid. Bij nieuwe initiatieven is duurzaam bouwen een integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Voor de ontwikkelopgave zijn specifieke ambities geformuleerd ten aanzien van duurzaamheid: hierbij is de opgave om een landschappelijke, klimaatadaptieve, biodiverse en natuurinclusieve inpassing te realiseren. Daarnaast wordt circulair bouwen, materiaalgebruik en circulair handelen in bij deze ontwikkeling sterk gestimuleerd. Deze ambities dragen bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Rotterdam. De stad Rotterdam heeft uitdagingen ten aanzien van de gezonde en klimaatbestendige leefomgeving en te maken met de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie. Hierbij streven we er naar deze ambities zoveel mogelijk met elkaar te verbinden, zodat ze elkaar in de uitvoering kunnen versterken. Klimaatadaptief Het inrichten van een klimaatadaptieve stad vraagt om maatwerk. Elke wijk is anders en verschilt in kwetsbaarheid en mogelijkheden. De opgave op deze projectlocatie liggen op het gebied van water, vergroening en ecologie. Water Gebouwen en hun omgeving dragen bij aan het vasthouden en verwerken van regenwater.
Door de lage ligging van de Overschiese Voetbalvelden is de integrale ontwerpoplossing voor de wateropgave extra van belang. Vergroening en ecologie Op de locatie wordt het verbeteren van de biodiversiteit, de vergroening en het multifunctioneel gebruik van buitenruimte en daken gestimuleerd. Dit draagt bij aan de verkoeling, wateropvang, toekomstbestendigheid en de verbetering van de gezonde leefomgeving van de stad.
66/138
Het plangebied grenst aan de steilrand en heeft een relatie met nabijgelegen landgoederen, parken en de polders van de Noordrand van Rotterdam. Daarnaast zijn er ecologische relaties met de tuinen van de woningen aan de Overschiese Kleiweg. De gemeente heeft de voorkeur om op deze locatie Natuurtype polder te mengen met het Natuurtype parkbos. De locatie biedt verschillende kansen voor het verbeteren van de biodiversiteit van de buitenruimte en de inpassing van de locatie in de bestaande ecologische structuren. Bij de inrichting van de stad en ontwikkeling van gebouwen houdt Rotterdam rekening met flora en fauna. Dit noemen we natuurinclusief bouwen. Hiermee wil Rotterdam een stimulans geven aan natuurontwikkeling van de stad en ervoor zorgen dat de bijzondere flora en fauna in woningen en gebouwen van de stad behouden blijft en uitgebreid wordt. Dit levert een bijdrage aan een prettige leefomgeving, aan de mogelijkheden voor natuurbeleving in de stad en daarmee samenhangend een bijdrage aan het welzijn en de gezondheid van mensen. Natuurinclusief bouwen is maatwerk en alleen succesvol indien er integraal is ontworpen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de afstemming van het stedelijke ontwerp, de architectuur en de toe te passen specifieke soorten en verzorging hiervan. Daarom wordt aanbevolen om een ecoloog en /of landschapsarchitect in te schakelen voor deze uitwerking.
Circulair De basis voor een circulaire economie is het voorkomen en het verminderen van het gebruik van primaire grondstoffen, het verlengen van levensduur van producten, het hergebruik van producten en onderdelen en het recyclen van materialen en grondstoffen. Oftewel: reduce, re-use and recycle. Rotterdam is in de transitie naar een volledig circulaire leefomgeving. In 2030 willen we dat circulair de maatstaf is in de stad en dat het fossiele grondstoffengebruik met 50% is verminderd. In 2050 is de Rotterdamse samenleving volledig circulair, alle materiaalen energiestromen zijn dan gesloten. Materialen De opgave voor de stad is om circulariteit in de bouw te stimuleren. Een circulair gebouwontwerp vraagt om een wijze van ontwerpen waarbij de materiaalkeuze en het type bouwaansluiting aansluit bij de circulaire doelstellingen. Hierbij is een van de doelen om de hoeveelheid bouwafval tijdens de bouw, in de gebruiksfase en na de gebruiksfase te beperken en kringlopen zo goed mogelijk te sluiten. Om hier inzicht in te krijgen kan een materiaalpaspoort opgesteld worden waar de milieu-impact en het toekomstig hergebruik (o.a. de losmaakbaarheid) van een gebouw inzichtelijk wordt gemaakt. Energie Rotterdam is in 2050 aardgasvrij. Woningen worden ontworpen op een lage energievraag en voorzien zoveel mogelijk in hun eigen energiebehoefte.
Alle nieuwbouwprojecten voldoen aan de eisen van een bijna energieneutrale gebouw (BENG) en streven naar energieneutraal. Hierbij wordt gestimuleerd om te onderzoeken op welke manier de verschillende energiestromen (vraag en aanbod) gesloten kunnen worden binnen de ontwikkelopgave.
67/138
Gezonde leefomgeving Intensiever ruimtegebruik zal in de toekomst meer hinder, maar ook gezondheids- en veiligheidsrisico's, voor Rotterdammers met zich meebrengen. Aandacht voor een gezonde leefomgeving is hierin van groot belang en biedt kansen voor de realisatie van hoogwaardige plannen en aantrekkelijke gebieden. Maatregelen voor geluids-, geur- of fijnstof-overlast en omgevingsveiligheid dienen integraal te worden opgenomen in de ruimtelijke kwaliteit van het ontwerp. De bewoners dienen daarom voldoende middelen en instructies om hun woning, gezond, duurzaam, energiezuinig en comfortabel te kunnen gebruiken. Conclusie Bovenstaande maatregelen worden toegepast bij de nieuwbouw van het plangebied. De ontwikkeling wordt zo duurzaam mogelijk gerealiseerd.
5.11 Mer-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: * * *
De kenmerken van de projecten; De plaats van de projecten; De kenmerken van de potentiële effecten.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. * Door het bevoegd gezag moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. * Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Onderzoek en conclusie De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is als bijlage 13 toegevoegd. Op basis hiervan heeft het bevoegd gezag een m.e.r. beoordelingsbesluit opgesteld. Dit besluit is toegevoegd in bijlage 14. Hierin is aangegeven er geen MER nodig is.
68/138
Hoofdstuk 6 6.1
Financiële uitvoerbaarheid
Inleiding
De eigendomssituatie van gronden in het plangebied is divers. Het grootste deel van de gronden in het plangebied is in eigendom van de gemeente Rotterdam. De rest van het plangebied is in eigendom van enkele eigenaren. Op deze percelen heeft de gemeente de Wet voorkeursrecht gemeenten gevestigd. Tot op heden heeft de gemeente nog geen koopovereenkomst of anterieure overeenkomst gesloten met de betreffende eigenaren. Dit bestemmingsplan geeft directe bouwtitels (ook aan de gronden die niet in eigendom zijn van de gemeente); dat betekent dat sprake is van aangewezen bouwplannen.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De gemeente Rotterdam heeft een grondexploitatie gemaakt voor de beoogde ontwikkeling. Hierin is onder andere rekening gehouden met de verwerving van de benodigde gronden voor de ontwikkeling en met een grondverkoop aan een met een tender te selecteren partij. Op basis van deze grondexploitatie is de economische uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling voldoende aangetoond.
6.3
Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 2 Wet ruimtelijke ordening (hierna: 'Wro') bepaalt dat de gemeenteraad, als er sprake is van één of meerdere aangewezen bouwplannen, verplicht is een exploitatieplan vast te stellen indien: * het verhaal van kosten van grondexploitatie niet anderszins is verzekerd; * het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c 4^ respectievelijk 5° Wro noodzakelijk is; * het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, respectievelijk b, c of d Wro noodzakelijk is. Binnen het plangebied zijn percelen in eigendom bij verschillende particuliere eigenaren waarmee de gemeenten geen anterieure overeenkomst van grondexploitatie heeft gesloten. In het bestemmingsplan worden bouwplannen mogelijk gemaakt die in het geldende bestemmingsplan nog niet mogelijk zijn, waardoor in beginsel de plicht bestaat tot kostenverhaal. Het bestemmingsplan voorziet op genoemde percelen in de realisering van woningen met bijbehorende voorzieningen, waarvoor omgevingsvergunningen zijn vereist. Met de eigenaren van de eerder genoemde percelen zijn tot op heden geen (anterieure) overeenkomsten van grondexploitatie gesloten.
Op basis van artikel 7c, lid 10, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet maakt de gemeente gebruik van de mogelijkheid om het opstellen van een exploitatieplan uit te stellen tot het moment van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor het kostenverhaal niet anderszins verzekerd is. Dit betekent dat indien er op het moment van aanvraag omgevingsvergunning geen anterieure overeenkomst is gesloten met de betreffende grondeigenaar, het college van B&W kan overgaan tot het vaststellen van een exploitatieplan. Uitgangspunt blijft het sluiten van anterieure overeenkomsten.
69/138
In de anterieure overeenkomst danwel het exploitatieplan wordt het verhaal van kosten van de grondexploitatie, inclusief gebiedsoverstijgende kosten, gewaarborgd. In de tweede plaats worden eisen opgenomen met tot de werken en werkzaamheden (bouw- en woonrijp maken) en de fasering. Ten slotte worden kwaliteitseisen opgenomen om de wijze waarop de werken en werkzaamheden moeten worden uitgevoerd te waarborgen.
70/138
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg
In het kader van het wettelijke bestuurlijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, is het concept bestemmingsplan toegezonden aan diverse bestuurlijke partners. Naar aanleiding hiervan zijn op het bestemmingsplan verschillende overlegreacties ontvangen: Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard Het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard (HHSK) geeft aan dat ze de conclusie dat er geen negatieve effecten zijn op het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse te voorbarig vinden. Er zijn in het gebied bijzondere met het waterbeheer verbonden belangen waar rekening mee gehouden moet worden in het plan. Deze zijn genoemd onder de volgende aandachtspunten: Pagina 33 paragraaf 4.1.2 onder kopje Waterschapsbeleid: De tekst 'waterbeheerplan' graag vervangen door 'Waterbeheerprogramma. Pagina 35 onder kopje Waterkwantiteit: * Hier is vermeld dat als eis 5^! van de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2. Het is niet duidelijk waar deze eis op gebaseerd is. In een eerder opgesteld concept ontwerpbestemmingsplan Franciscus is voor dit gebied een compensatie-eis van 15^! doorgegeven. De waarden om de compensatie-eis te bepalen zijn gebaseerd op de watersysteemanalyse. Hierin is het peilgebied GPG-1040 niet als los gebied meegenomen.
Deze waarden zijn dus niet bruikbaar voor het vaststellen van een compensatie-eis. Waterstandsmetingen zijn er niet en of het vigerende peil ook het daadwerkelijk peil is en welke peilstijgingen optreden bij neerslag is onbekend. Het komt erop neer dat er te weinig bekend is van dit gebied om een definitieve eis aan te kunnen geven. Een veldbezoek en nader onderzoek is nodig om een realistische compensatie-eis vast te stellen. * De sportvelden liggen circa 30 tot 60 cm lager dan het waterpeil in GPG-1040 (NAP -3,30 m). De richtlijn voor drooglegging in stedelijk gebied is 1,30 meter. Dit betekent dus dat het gebied fors moet worden opgehoogd. Waarschijnlijk worden de sportvelden actief gedraineerd en kan het peil daarom afwijken van het vigerende peil zonder permanent onder water te staan. Bij beschouwing van de bodemopbouw (sonderingen dinoloket) is er een laag van ca. 8,00 meter aan slappe lagen. Ook dit zal een aandachtspunt moeten zijn bij het opbrengen van zand. * De civieltechnische kunstwerken in de waterafvoer richting het oosten zijn in zeer slechte staat. Bijgaande foto toont een aanwezige 'stuw'. De duiker (geel) heeft een dimensie van 0,22 m. Dit is zeer zeker onvoldoende voor de afvoer van een nieuw te realiseren woonwijk.
71/138
Pagina 37 onder kopje Conclusie: Hier wordt gesteld dat de strategie ' stad achter de dijk' geen consequenties heeft voor deze ontwikkeling. Deze conclusie kunnen wij niet goed volgen en is volgens ons ook onjuist. Ligging achter de dijk heeft wel degelijk consequenties voor deze ontwikkeling. Regen valt overal, buien worden heftiger en periodes van droogte langer. Dit heeft wel degelijk effect voor deze woonwijk en daar moet goed over na worden gedacht. Het hoogheemraadschap denkt daarom graag mee over de inrichting van deze wijk. Overig: * *
Er moet een rioleringsplan worden opgesteld. In het rioleringsplan wordt toegelicht welk type riolering wordt toegepast en wat de effecten van de planontwikkeling op de riolering zijn. Voor bepaalde onderdelen van het plan kan een vergunning van het hoogheemraadschap nodig zijn. In de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard is terug te vinden voor welke activiteiten een vergunningplicht geldt. U vindt de keur op onze website onder het kopje 'Wat doen we'.
Reactie De tekst 'waterbeheerplan' is vervangen door 'Waterbeheerprogramma'. Verder is de tekst aangepast en verduidelijkt op hetgeen het HHSK heeft aangegeven, voor wat betreft de waterkwantiteit en de conclusie. Het rioleringsplan zal bij de planuitwerking worden opgesteld. Als laatste zal een vergunning (of meerdere) worden aangevraagd als dat volgens de Keur nodig is. Luchtverkeersleiding Nederland De Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) geeft aan dat een toetsingsvlak, welke behoort bij het zendstation opgesteld op de luchthaven Rotterdam The Hague Airport, van toepassing is. De maximale hoogten (t.o.v. maaiveld) blijven onder de waarden van dit toetsingsvlak en daarom is geen verder onderzoek door LVNL nodig. Indien een maximale hoogte van een bouwplan wel het toetsingsvlak zal doorsnijden is alsnog toetsing en advisering door Luchtverkeersleiding nodig voor het effect van het bouwplan op het zendstation. Reactie Deze overlegreactie wordt voor kennisgeving aangenomen.
72/138
Prorail Prorail heeft een reactie gegeven op het voorliggende bestemmingsplan. Bereikbaarheid ProRail verzoekt om met het bestemmingsplan de duurzame bereikbaarheid op de volgende manieren te verbeteren: 1. De parkeernorm is geregeld in artikel 11.1 van de planregels. De norm wordt gekoppeld aan een beleidsstuk dat geen deel uitmaakt van de planregels. De norm ziet echter zelf niet in een concreet maximum aantal parkeerplaatsen. Daarmee is dit bestemmingsplan voor de parkeernorm niet juridisch bindend. Bovendien is die norm zoals blijkt uit de planregels een minimum norm, om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Er is dus geen regeling voor een maximum aantal parkeerplaatsen. Verzocht wordt om alsnog een juridisch bindende parkeernorm in de planregels op te nemen. Het station Rotterdam Centraal is redelijk nabij gelegen en de nabijgelegen ontsluitingswegen kunnen het verwachte extra autoverkeer niet aan. Met het plan is ook een groene, parkachtige leefomgeving beoogd. Overweeg daarom een lage parkeernorm, bijvoorbeeld 0,3, Combineer dit met het faciliteren van meer deelauto's; 2. Juist voor de bereikbaarheid en het groene karakter van het gebied zou het klassieke wegontwerp - waar de auto domineert - heroverwogen moeten worden. Faciliteer de lopers en fietsers (met volledig vrijliggende fietspaden) eerst, en pas dan de auto.
Dan blijft er ook ruimte over, omdat de auto de grootste gebruiker van openbare ruimte is. Zo heeft Breda een "groene loper" naar het station gefaciliteerd. Doe dit bij voorkeur voor de gehele route naar station Rotterdam; 3. 4.
Plan de grootste dichtheden van de woningbouw op locaties die op de kortste afstand van stads-OV liggen; De bestaande busroute over de Copernicuslaan biedt een 10-minutendienst. De halte Copernicuslaan is een halte aan de rand van het plangebied. De bereikbaarheid van het plangebied met stads-OV wordt aanzienlijk beter, als de busroute wordt aangepast me een of meer haltes in het plangebied zelf.
De genoemde suggesties hebben samen ook positieve gevolgen voor: leefbaarheid (minder auto's betekent onder andere minder lawaai), duurzaamheid (compacte bouw en minder auto's betekenen minder energieverbruik), kosten nieuwe infra (de bestaande infra wordt beter benut), verkeersveiligheid, ruimte voor andere omgevingsopgaven (energietransitie, klimaatadaptatie, etc.), karakteristiek landschap (als het buitengebied zo min mogelijk wordt bebouwd), alsmede inclusiviteit/brede welvaart (lopen en fietsen kan bijna iedereen, een auto aanschaffen kan niet iedereen). Reactie: Het gemeentelijk beleid ten aanzien van mobiliteit is vastgelegd in de omgevingsvisie. Gemakshalve verwijzen wij u naar deze visie. Dit bestemmingsplan houdt rekening met de keuzes die op stedelijk niveau zijn gemaakt. Geluid Prorail verzoekt om in het ontwerpbestemmingsplan rekening te houden met laag frequent geluid. Reactie Er bestaan geen wettelijke normen voor laagfrequent geluid. Laagfrequent geluid van treinverkeer heeft samenhang met trillingshinder. In de regeling zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen die regelt dat de omgevingsvergunningen pas kunnen worden afgegeven als uit een onderzoek naar trillingshinder duidelijk wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
73/138
Aspect trillingen Prorail adviseert om rekening te houden met trilhinder. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trilhinder vraagt Prorail hier wel aandacht voor. In het kader van goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten raadt Prorail aan om het aspect trillingshinder af te wegen, zoals door Kenniscentrum Infomil wordt aanbevolen. Tevens verwijst ProRail u naar de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Reactie De toelichting zal worden aangevuld met een paragraaf over trillingshinder. Tevens zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen die regelt dat de omgevingsvergunningen pas kunnen worden afgegeven als uit een onderzoek naar trillingshinder duidelijk wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Percelen Prorail In het concept ontwerpbestemmingsplan "Transformatie Voetbalvelden Overschie" zijn mogelijk percelen opgenomen die in eigendom zijn van Railinfratrust B.V./ProRail B.V. (verder te noemen 'ProRail"). ProRail merkt in dit kader op dat deze percelen onder nadrukkelijke schriftelijke toestemming van ProRail niet mogen worden gebruikt. Deze percelen zijn door ProRail benodigd ten behoeve van de uitvoering van haar wettelijke taken en voor eventuele toekomstige uitbreidingsplannen.
De percelen van ProRail, alsmede de spoorbaan, dienen door ProRail, haar aannemers of hulpdiensten te allen tijde onbelemmerd toegankelijk te zijn en te blijven met het materieel dat ook momenteel wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden en in het geval van calamiteiten. Dit geldt ook voor overVonderbouwingen en/of overkragingen van deze gronden. Bouwen naast het spoor mag geen belemmeringen opleggen aan het treinverkeer. Zo moet bijvoorbeeld onderhoud en reiniging van ramen en gevel mogelijk zijn zonder buitendienststelling van het spoor en mogen ramen niet open kunnen boven het spoor of perron. Reactie Er liggen binnen het plangebied geen percelen die in eigendom zijn van Prorail die betrokken worden bij een verandering of ontwikkeling. De gemaakte opmerkingen worden voor kennisgeving aangenomen. Waterpeil/stabiliteit In verband met het borgen van de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen mag het waterpeil niet wijzigen. Tevens dient uw gemeente te borgen dat werkzaamheden geen invloed hebben op de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen, alsmede op het ongehinderd gebruik van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen. Reactie Het waterpeil zal niet wijzigen. Het waterpeil ligt nu op 3,30 meter NAP. Deze hoogte zal in de toekomst worden gehandhaafd.
Daarbij zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen die regelt dat de omgevingsvergunningen pas kunnen worden afgegeven als uit een onderzoek trillingshinder duidelijk wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In dit onderzoek zal tevens de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen worden betrokken. Tevens zal de bouw van de woningen en het aanleg van het terrein zo worden georganiseerd dat de spoorbaan niet gehinderd wordt.
74/138
Spoorwegdoeleinden ProRail verzoekt u zorg te dragen dat gronden welke momenteel voorzien zijn van de bestemming Spoorwegdoeleinden of Railverkeer, deze bestemming ook in de toekomst zullen behouden. Ook verzoekt ProRail uw gemeente om geen dubbelbestemmingen mogelijk te maken. Reactie Deze bestemmingen komen nu niet voor in het plangebied. Deze overlegreactie wordt voor kennisgeving aangenomen. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) kan zich vinden in de bevindingen en voorgenomen maatregelen uit de beknopte verantwoording van paragraaf 5.4. Daarnaast wilt de VRR u graag informeren over het feit dat de VRR een regionale 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' heeft. Deze kunt u gebruiken om zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Reactie De overlegreactie wordt voor kennisneming aangenomen.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan zal gelet op de wettelijke verplichtingen voor een periode van 6 weken ter inzage komen te liggen. Tijdens deze termijn kunnen zienswijzen worden ingediend door een ieder.
75/138
76/138
Hoofdstuk 8 8.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels. De regels bevatten regels voor gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking; maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. In onderhavig hoofdstuk worden de planuitgangspunten naar de regels en verbeeldingen verder verwoord.
8.2
Opzet van de planregels
Voor het gehele plangebied is de huidige wijze van bestemmen binnen de gemeente Rotterdam in hoge mate richtinggevend voor de wijze waarop de bestemmingen zijn geregeld. De planuitgangspunten zoals verwoord in onderhavig hoofdstuk zijn vertaald op de verbeelding en in de planregels. Er is gekozen voor een globale opzet van het plan. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 komen de inleidende regels aan bod. Het betreft hier de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 bestemmingsregels zijn de regels behorende bij de verschillende bestemmingen opgenomen (artikel 3 tot en met 5). De meeste bestemmingen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen: * een bestemmingsomschrijving; * bouwregels; en indien van toepassing: * * * * *
nadere eisen; afwijking van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijking van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Hoofdstuk 3 bevat verschillende algemene regels die van toepassing zijn (artikel 6 tot en met 10). Tot slot zijn de overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 11 en 12).
77/138
8.3
Artikelgewijze toelichting op de planregels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hierin is tevens een wijze van meten opgenomen voor de hoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdstuk 2 Bestemmingen De volgende bestemmingen komen voor: Artikel 3 Groen De gebieden langs de HSL-tunnel en aan de noordzijde van het plan zijn bestemd als 'groen'. Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden, auto-ontsluitingen en speeltoestellen toegestaan. Ook is de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). De groenbestemming biedt bouwmogelijkheden voor zaken als straatmeubilair en kleine nutsvoorzieningen mist deze een beperkte omvang hebben.
Artikel 4 Wonen- Landgoed Wonen is mogelijk binnen deze bestemming. Daarnaast geldt dat naast het wonen ook 'werken aan huis' is toegestaan, net als bijbehorende voorzieningen zoals bergingen, tuinen, groen en water. Deze bestemming is opgenomen aan de noordzijde van het plangebied. Het landgoed bestaat uit appartement-gebouwen die los in een parkomgeving staan. Het landgoedpark is collectief. De appartementen zijn 5 lagen hoog, met de mogelijkheid voor accenten tot 7 lagen. De maximale bouwhoogte die hier is toegestaan betreft 15 meter. Daarnaast zijn er hoogteaccenten tot 21 meter toegestaan. Het maximum aantal wooneenheden dat binnen deze bestemming is toegestaan betreft 60 wooneenheden. In deze bestemming zijn ook bouwregels opgenomen die toezien op de realisatie van geluidgevoelige objecten.
78/138
Artikel 5 Wonen - Lint Wonen is mogelijk binnen deze bestemming. Daarnaast geldt dat naast het wonen ook 'werken aan huis' is toegestaan, net als bijbehorende voorzieningen zoals bergingen, tuinen, groen en water. Deze bestemming opgenomen aan de zuidzijde van het plangebied. Binnen deze bestemming zijn grondgebonden woningen en Tiny houses toegestaan. De grondgebonden woningen zijn vrijstaand en/of twee-onder-één-kap. Alle woningen worden uitgevoerd met een kap. De grondgebonden woningen zijn onderdeel van het doorzetten van het bestaande lint, de 'verdikking' ervan achter de bestaande bebouwing van de Overschiese Kleiweg. De grondgebonden woningen hebben een goot- en bouwhoogte van maximaal 5 en 8,5 meter. De Tiny houses zijn een zeer specifieke, kleine variant van permanente, vrijstaande, grondgebonden woningen met een oppervlakte van maximaal 50 m2 en een maximale bouwhoogte van 6 meter. Het maximum aantal wooneenheden dat binnen deze bestemming is toegestaan betreft 39 wooneenheden. In deze bestemming zijn ook bouwregels opgenomen die toezien op de realisatie van geluidgevoelige objecten. Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 Een zogenaamde dubbelbestemming regelt een medegebruik van gronden naast het primaire gebruik. Een dubbelbestemming kan meerdere enkelbestemmingen overlappen.
Vaak is dit een niet-tastbaar gebruik of een beschermende regeling zoals een archeologische verwachtingswaarde of de beschermingszone van een waterkering. Ook is er sprake van een rangorde tussen de enkel- en dubbelbestemming. In dit bestemmingsplan komen de volgende dubbelbestemmingen voor: 'Waarde - Archeologie 2' is opgenomen ten behoeve van de bescherming van eventuele archeologisch waardevolle resten in de bodem. De regeling gaat uit van een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek wanneer er vanaf een bepaalde diepte onder NAP bodemverstorende werkzaamheden met een bepaalde oppervlakte worden uitgevoerd. Deze onderzoeksverplichting geldt ter plaatse van Waarde - Archeologie 2 en dit is respectievelijk 100 m2 of groter én dieper dan 0,5 meter beneden NAP. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Hiermee is geborgd dat gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, buiten beschouwing blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 8 Algemene bouwregels Om te voorkomen dat kleine ontwikkelingen leiden tot het volgen van aparte procedures, is in dit lid opgenomen dat voor bepaalde ontwikkelingen de bouwgrenzen overschreden mogen worden.
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Ter plaatse van de HSL-tunnel is de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - spoor' opgenomen, die een vergunningstelsel bevat voor werkzaamheden vanwege de spoortunnel.
79/138
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt het mogelijk gemaakt om af te wijken van de regel dat bouwgrenzen niet mogen worden overschreden (voor zover deze afwijkingen niet onder de regel 'algemene bouwregels' vallen te scharen). Om deze afwijking mogelijk te maken kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen. Ook biedt dit artikel de mogelijkheid om via een omgevingsvergunning af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages. Artikel 11 Overige regels In dit artikel is een regel opgenomen bij de gebiedsaanduiding 'overige zone - exploitatiegebied'. Hierin wordt geregeld dat een exploitatieplan wordt vastgesteld alvorens een omgevingsvergunning voor een bouwplan wordt verleend waarvoor het kostenverhaal niet anderszins verzekerd is. In dit artikel zijn tevens twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Een voorwaardelijke verplichting die toeziet op de realisatie en aanbod van voldoende parkeergelegenheid en een voorwaardelijke verplichting die voorschrijft dat de omgevingsvergunning voor bouwen pas kan worden verleend als er aangetoond is dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect trillingshinder conform SBR richtlijn B. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregel Artikel 12 Overgangsrecht Onderscheid wordt gemaakt tussen overgangsrecht voor bouwwerken en het gebruik.
Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk wanneer het bevoegd gezag afwijkt in het kader van een omgevingsvergunning. De overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 13 Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
80/138
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
RHO ADVISEURS
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek
LBP SIGHT»
Transformatie voetbalvelden Overschiese Kleiweg in Rotterdam Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer
Opdrachtgever Rho Adviseurs B.V. Contactpersoon De heer T. Hartemink Kenmerk R001_03_072487aa.22h29rt.ka Projectnummer 072487aa Versie 003 Datum 23 februari 2023 Auteur ing. K. (Karin) Auée
Kelvinbaan 40 2e verd., 3439 MT Nieuwegein | Postbus 1475, 3430 BL Nieuwegein | T (030) 231 13 77 | F (030) 234 17 54 E info@lbpsight.nl | www.lbpsight.nl | IBAN: NL62 RABO 036 42 36 558 | KvK 30073990 | BTW NL007076083B01
LBP SIGHT» Inhoudsopgave
1
2
3
4
5
Inleiding.............................................................................................................................. 3 1.1
Onze opdracht........................................................................................3
1.2
Het project............................................................................................ 3
Akoestisch onderzoek......................................................................................................... 5 2.1
Onderzoeksgebied...................................................................................5
2.2
Gegevens geluidbronnen........................................................................... 5
2.3
Rekenmethoden......................................................................................5
2.4
Akoestisch rekenmodel............................................................................. 6
Geluid weg- en railverkeer...................................................................................................7 3.1
Juridisch kader........................................................................................7
3.2
Rekenresultaten en toetsing....................................................................... 8
3.3
Geluidbelasting vanwege 30kmAi wegen....................................................... 13
Gemeentelijk geluidbeleid.................................................................................................15 4.1
Samenvatting gemeentelijk geluidbeleid....................................................... 15
4.2
Geluidluwe gevel....................................................................................15
Conclusie........................................................................................................................... 17
Bijlage Bijlage I
Wegverkeergegevens
Bijlage II
Overzicht model
R001J03J072487aa | 3 februari 2023
2
LBP SIGHT» 1
Inleiding
1.1
Onze opdracht
Op de voormalige voetbalvelden aan de Overschiese Kleiweg in Rotterdam is de realisatie van een woningbouwplan voorzien. In het plangebied geldt het bestemmingsplan Fransiscus (NL.IMRO.0599.BP1037Franciscus-va01 d.d. 12 mei 2016). Het woningbouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Dit betekent dat een planologische procedure nodig is voor de herontwikkeling. In dat kader is het onder meer noodzakelijk om een akoestisch onderzoek uit te voeren. Dit rapport betreft de beoordeling van de akoestische situatie vanwege het weg- en railverkeer. Het doel van het onderzoek is om te bepalen hoe de nieuwbouw met inachtneming van de Wet geluidhinder en het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam gerealiseerd kan worden.
1.2
Het project
De nieuwbouw wordt gerealiseerd op de voormalige voetbalvelden aan de Overschiese Kleiweg in Rotterdam. In het plan zijn twee deelgebieden voor wonen opgenomen. In deelgebied Wonen Landgoed aan de noordzijde worden woongebouwen tot een hoogte van 21 mogelijk gemaakt. Hier worden maximaal 60 appartementen gerealiseerd. In deelgebied Wonen-Lint aan de zuidzijde van het plangebied zijn grondgebonden woningen tot een hoogte van 8,5 meter voorzien. In Wonen-Lint worden maximaal 39 woningen (maximaal 22 grondgebonden woningen en minimaal 5 tiny houses) gerealiseerd. In figuur 1.1 is de locatie van het plan weergegeven. Figuur 1.2 geeft de verbeelding van het bestemmingsplan.
«3» y»*' stJfil į
VA" J Overschiese Kleiweg
'
‘V-Ä*
Figuur 1.1 Ligging plangebied
R001J03J072487aa | 3 februari 2023
3
LBP SIGHT» Ē]
Deelgebied Wonen-Landgoed
-
!7 Ťl+ţDeelgebied Wonen-Lint GEMEENTE ROTTERDAM Transformatie Voetbalvelden Oversehiese Kleiweg bestemmingsplan FORMAAT A2 SCHAAL 1:100» KAART Ifl BETEKEND P.FlJiumu (DH MLIURO.D5t?.OSK-onOI
RHO ADVISEURS
Vasţqesieíd OntTVPrp Vooronlvarp Concept
1&-1Z-20Ì2 31-01.2033 35-ÛI-Ĵ023 Ä -Ŵ-
Figuur 1.2 Verbeelding bestemmingsplan
R001J33J372487aa | 3 februari 2023
4
LBP SIGHT» 2
Akoestisch onderzoek
2.1
Onderzoeksgebied
Het plan wordt gebouwd op een geluidbelaste locatie. Voor het bepalen van de geluidbelasting zijn de volgende geluidbronnen relevant: "
wegverkeer: rijkswegen A13 en A20, provinciale weg N471 (G.K. van Hogendorpweg)
"
railverkeer
De nieuwbouw ligt binnen de van toepassing zijnde geluidzones. Daarom moet de geluidbelasting onderzocht worden. Daarnaast zijn de nabijgelegen 30kmAi-wegen, waaronder de Overschiese Kleiweg, van belang.
2.2
Gegevens geluidbronnen
Wegen De wegverkeergegevens van de rijkswegen zijn overgenomen uit het wettelijk geluidregister. De wegverkeergegevens van alle overige relevante wegen in het projectgebied zijn door de gemeente Rotterdam verstrekt per mail van 11 januari 2022. De gehanteerde gegevens zijn in bijlage I opgenomen.
Railverkeer De railverkeergegevens van de spoorlijn zijn overgenomen uit het wettelijk geluidregister.
2.3
Rekenmethoden
De geluidbelasting in Lden is de geluidbelasting op de gevel over een jaargemiddeld etmaal. De geluidbelasting is bepaald volgens het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012) als bedoeld in artikel 110d Wet geluidhinder. De geluidbelasting door wegverkeer is berekend met Standaardrekenmethode 2, bijlage III van het RMG 2012. De geluidbelasting door railverkeer is berekend met Standaardrekenmethode 2, bijlage IV van het RMG 2012.
R001J03J072487aa | 3 februari 2023
5
LBP SIGHT» 2.4
Akoestisch rekenmodel
Van de situatie is een driedimensionaal rekenmodel gemaakt. Hierbij is gebruikgemaakt van de software Geomilieu versie 2022.2. De ligging van de bestaande gebouwen is verkregen uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Voor de hoogtes van de percelen en de bebouwing is uitgegaan van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3). Zowel de BAG als het AHN3 zijn beschikbaar via Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK).
Contouren Contouren zijn lijnen van gelijke geluidbelasting. Bij het bepalen van de contouren wordt rekening gehouden met de emissie van de geluidbron, geometrische uitbreiding, overdrachtsverzwakking en, wanneer van toepassing, schermwerking door en/of reflecties tegen schermen en gebouwen. De ligging van de contouren is representatief voor het bepalen van de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren eerstelijnsbebouwing. De contouren geven een ongunstiger beeld van de akoestische situatie achter deze bebouwing door het in de berekeningen achterwege blijven van de afschermende werking van de daarvoor gelegen bebouwing. De toekomstige geluidbelasting is bepaald voor de hoogten 2, 8, 14 en 20 meter ten opzichte van plaatselijk maaiveld.
Bodemgebied en geometrie In het rekenmodel is rekening gehouden met harde, reflecterende bodems zoals wegen en parkeerplaatsen en akoestisch absorberende bodems zoals taluds en grasvlakken. In het model is uitgegaan van een harde bodem (0) en een zachte bodem is waar nodig toegevoegd. Het rekenmodel is digitaal verstrekt aan de gemeente Rotterdam en DCMR. In bijlage II is een modeloverzicht opgenomen. Hierin zijn de gebouwen, de zachte bodemgebieden en het grid met gridpunten weergegeven.
R001J03J072487aa | 3 februari 2023
6
LBP SIGHT» 3
Geluid weg- en railverkeer
3.1
Juridisch kader
Wet geluidhinder Voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden In de zin van de Wet geluidhinder is voor de nieuwbouw met betrekking tot de N471 sprake van nog niet geprojecteerde woningen in stedelijk gebied langs een bestaande weg. Voor de rijkswegen is sprake van nog niet geprojecteerde woningen in buitenstedelijk gebied langs bestaande wegen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels van de woningen is 48 dB voor elke weg afzonderlijk. Op grond van artikel 83 lid 1 en lid 2 Wet geluidhinder is de maximale ontheffingswaarde 53 dB voor de rijkswegen en 63 dB voor de N471. Op grond van het Besluit geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde voor geluidbelasting op de gevels van een woning 55 dB voor de spoorlijnen. Op grond van artikel 4 lid 10 Besluit geluid hinder bedraagt de maximale ontheffingswaarde 68 dB.
Geluidbeperkende maatregelen Als de geluidbelasting vanwege een weg hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, moeten in principe maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen tot die waarde. Hierbij hanteert de Wet geluidhinder de volgende volgorde van voorkeur: "
maatregelen bij de bron (het aanbrengen van een geluidreducerend wegdek, het toepassen van een bouwbouwconstructie met een lagere geluidemissie, het reduceren van de verkeersintensiteit of het verlagen van de snelheid);
"
maatregelen in de overdracht (het situeren van niet-geluidgevoelige bebouwing tussen de bron en de nieuwbouw of het plaatsen van een geluidscherm of geluidwal).
Hogere waarde Als de hiervoor genoemde maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, kan bij de gemeente Rotterdam een zogenoemde hogere waarde voor de geluidbelasting op een gevel aangevraagd worden tot ten hoogste de maximale ontheffingswaarde.
R001J03J072487aa | 3 februari 2023
7
LBP SIGHT» Begrip gevel De geluidbelasting mag niet hoger zijn dan de maximale ontheffingswaarde, tenzij die gevels worden uitgevoerd als een dove gevel. Een dove gevel is: "
een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A). Én,
"
een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. In de toelichting wordt gesproken over delen die in bijzondere omstandigheden moeten kunnen worden geopend, bijvoorbeeld een nooduitgang.
Aandachtspunt bij het realiseren van een verblijfsruimte aan alleen een dove gevel is de spuiventilatie. Met spuien wordt een veelvoud van de ventilatiecapaciteit bereikt ten opzichte van 'gewone' continue ventilatie. Spuien is bedoeld om kortstondig de ruimte te doorluchten, bijvoorbeeld bij het aanbranden van voedsel. In het Bouwbesluit is opgenomen dat voor iedere verblijfsruimte beweegbare constructieonderdelen in de uitwendige scheidingsconstructie moeten zijn opgenomen ten behoeve van de spuiventilatie. Ten minste een van die beweegbare constructieonderdelen is een beweegbaar raam.
Cumulatie De Wet geluidhinder verplicht bij verlening van een hogere waarde de cumulatie van verschillende geluidbronnen in beeld te brengen. De hogere waarde wordt niet verleend als de gecumuleerde geluidbelasting leidt tot (naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders) onaanvaardbare geluidhinder. De cumulatieberekening wordt alleen uitgevoerd als sprake is van een relevante blootstelling aan meerdere geluidbronnen. Dit is het geval als de zogenoemde voorkeursgrenswaarde wordt overschreden.
3.2
Rekenresultaten en toetsing
N471 De berekeningen geven aan dat vanwege de N471 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Voor de N471 zijn er vanuit de Wet geluidhinder geen bezwaren tegen de nieuwbouw.
R001J03J072487aa | 3 februari 2023
8
LBP SIGHT» Rijkswegen In de figuren 3.1 t/m 3.4 is de berekende geluidbelasting vanwege de rijkswegen samengevat. "
Ter plaatse van de groen weergegeven gebieden overschrijdt de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet. Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen bezwaren tegen de realisatie van woningen.
"
Ter plaatse van de geel weergegeven gebieden is de geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar overschrijdt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB niet. Realisatie van woningen is mogelijk mits voldaan wordt aan het gemeentelijke geluidbeleid en de gemeente hogere waarden voor de geluidbelasting op de gevels toestaat.
"
Ter plaatse van de rood, bruin en paars weergegeven gebieden is de geluidbelasting hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Realisatie van woningen is in principe niet mogelijk. o Ter plaatse van het rood weergegeven gebied is de geluidbelasting hoger dan 53 dB en
maximaal 56 dB. o Ter plaatse van het bruin weergegeven gebied is de geluidbelasting hoger dan 56 dB en
maximaal 59 dB. o Ter plaatse van het rood weergegeven gebied is de geluidbelasting hoger dan 59 dB en
maximaal 61 dB. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege de rijkswegen voor het hele plangebied hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Vanaf de tweede bouwlaag wordt voor een groot deel van het plangebied ook de maximale ontheffingswaarde overschreden.
Figuur 3.1
Figuur 3.2
Geluidbelasting rijkswegen 2 m
Geluidbelasting rijkswegen 8 m
R001J03J072487aa | 3 februari 2023
9
LBP SIGHT»
rUrĻ
Figuur 3.3
Figuur 3.4
Geluidbelasting rijkswegen 14 m
Geluidbelasting rijkswegen 20 m
Spoorlijnen In de figuren 3.5 t/m 3.8 is de berekende geluidbelasting vanwege de rijkswegen samengevat. "
Ter plaatse van de groen weergegeven waarneempunten overschrijdt de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet. Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen bezwaren tegen de realisatie van woningen.
"
Ter plaatse van de geel weergegeven waarneempunten is de geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar overschrijdt de maximale ontheffingswaarde van 68 dB niet. De 57, 59 en 61 dB contouren zijn in het gele gebied met zwarte lijnen weergegeven. Realisatie van woningen is mogelijk mits voldaan wordt aan het gemeentelijke geluidbeleid en de gemeente hogere waarden voor de geluidbelasting op de gevels toestaat.