CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb001257] Bijlage 1 behorende bij 23bb001265 over Ontwerpbestemmingsplan Rijnhaven

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 8 maart 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen44.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Indien hier wel sprake van is, kan mogelijk op basis van objectieve gegevens significante effecten alsnog op voorhand worden uitgesloten (voortoets). Wanneer een significant effect niet op voorhand kan worden uitgesloten is een nadere beoordeling noodzakelijk (passende beoordeling). Uit het onderzoek blijkt het volgende: De uitvoering van bestemmingsplan Rijnhaven leidt tot een toename van de stikstofemissie door de aanleg- en bouwactiviteiten en als gevolg van een toename van verkeer in de gebruiksfase. Maar deze toename van de stikstofemissie heeft vanwege de grote afstand tot de stikstofgevoelige natuur geen depositie-effect. Ofwel de bijdrage op Natura 2000-gebieden is zowel in de aanleg- als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jr. Er is dan ook geen kans op significante effecten op Natura 2000-gebieden. Er zijn geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan vanuit de Wet natuurbescherming wat betreft effecten op Natura 2000-gebieden.

77

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op circa 130 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland (NNN)-gebied, de Nieuwe Maas. De Rijnhaven staat in open verbinding met de ecologische verbinding de Nieuwe Maas, ten noorden van het plangebied. Directe effecten van de ontwikkeling van de Rijnhaven op dit NNN-gebied worden redelijkerwijs uitgesloten, aangezien de werkzaamheden voornamelijk in de havenkom zelf en aan de oostkant plaatsvinden. In de provinciale verordening is opgenomen dat vervolgstappen alleen nodig zijn bij ruimtebeslag, en dit is niet het geval. Indirecte effecten zijn daardoor niet van toepassing. Vervolgstappen zijn wat betreft de gebiedsbescherming van Natuurnetwerk Nederland niet nodig. 6.7.4

Soortbescherming

Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: » »

strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.

Bij het voor het bestemmingsplan uitgevoerde ecologisch vooronderzoek is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt, danwel geschikt is. De resultaten daarvan worden hieronder per soortgroep beschreven. Flora Bij het veldbezoek is specifiek aandacht besteed aan muurvarens. De zuidelijke en oostelijke kademuren vormen een geschikt biotoop voor (beschermde) muurvarens. Bij een bezoek van de locatie zijn op de zuidelijke oever een aantal varens waargenomen die voormalig beschermd waren onder de Flora- en Faunawet. De volgende planten zijn op de kades aangetroffen: tongvaren, steenbreekvaren, eikvaren, muurvaren, muurpeper, kaukasische muurpeper en wolfspoot. Ook is bij een aanvullend veldbezoek de blaasvaren waargenomen op de zuidelijke kade van de Rijnhaven. Het betreft één exemplaar. Voor deze soort wordt een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd, omdat de groeiplek niet behouden kan worden tijdens de werkzaamheden. Vogels Tijdens het veldbezoek zijn binnen het onderzoeksgebied geen (vogels met) jaarrond beschermde nesten waargenomen. Het onderzoeksgebied vormt geen geschikt broedhabitat voor de gebouwbewonende soorten huismus, gierzwaluw en slechtvalk wegens het ontbreken van bebouwing. Nestlocaties van deze soorten binnen het onderzoeksgebied kunnen daardoor op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

Tijdens het veldbezoek zijn verder binnen het onderzoeksgebied geen nesten waargenomen in de bomen en geen sporen die duiden op de aanwezigheid van jaarrond beschermde vogels. Tevens wordt niet verwacht dat de bomen in de toekomst potentieel geschikt broedhabitat vormen voor vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals sperwer en boomvalk. Dit komt doordat het aanwezige groen onvoldoende beschutte broedplekken biedt waar roofvogels of uilen ongestoord kunnen broeden, en door de urbane omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn binnen het project- en onderzoeksgebied geen nesten van algemene broedvogels aangetroffen. De aanwezige bomen binnen het onderzoeksgebied zijn wel geschikt als nestlocatie voor algemene broedvogels (o.a. houtduif en merel) en categorie 5-broedvogelsoorten (o.a. zwarte kraai en ekster). Voor de categorie 5-soorten geldt geen reden voor jaarronde bescherming van de nesten. In de directe omgeving zijn namelijk voldoende alternatieve nestlocaties van minimaal eenzelfde kwaliteit aanwezig. Doordat jaarrond beschermde nesten in de bebouwing en bomen binnen het onderzoeksgebied niet worden verwacht, kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten redelijkerwijs worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig.

Het kan niet worden uitgesloten dat het onderzoeksgebied potentie biedt voor nestlocaties van algemene broedvogelsoorten. Wanneer rooiwerkzaamheden en overige werkzaamheden in de directe omgeving (binnen 5 meter) van bomen en struiken plaatsvinden buiten het broedseizoen van vogels, dan zijn

78

vervolgstappen voor algemene broedvogels niet nodig. Grondgebonden zoogdieren Het landgedeelte van het onderzoeksgebied bestaat uit verharding, gazon, struiken en bomen. Dit biotoop is geschikt als leef- en foerageergebied voor algemene grondgebonden zoogdiersoorten, zoals konijn, bruine rat en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten. Het onderzoeksgebied wordt niet geschikt geacht als vaste rust- en voortplantingsplaats voor de steenmarter. Ook wordt het onderzoeksgebied niet geschikt geacht als vaste rust- en voortplantingsplaats voor de waterspitsmuis. Geschikt biotoop ontbreekt en het onderzoeksgebied ligt buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van de soort. Soorten zoals konijn, bruine rat en algemene muizensoorten zijn door de provincie Zuid-Holland vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten niet nodig. Wel moet altijd rekening gehouden worden met de zorgplicht, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het schaden van aanwezige dieren en planten te voorkomen. Beschermde functies voor strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn daarom niet nodig.

Vleermuizen Binnen het onderzoeksgebied zijn geen geschikte gebouwen of bomen aanwezig waar mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig kunnen zijn. De bomen zijn niet geschikt, omdat er geen holtes of loshangend schors is waargenomen. In de eerder uitgevoerde onderzoeken in de omgeving komt naar voren dat vleermuizen aanwezig zijn in de omliggende wijken van het projectgbied. Het onderzoeksgebied is wegens het open karakter en veel verlichting nauwelijks geschikt als foerageergebied. Ook zijn er geen geschikte doorgaande lijnvormige elementen die als vliegroute kunnen dienen. Het wordt daarom niet verwacht dat het aanwezige groen en de haven essentieel onderdeel vormen van het foerageergebied van vleermuizen of als essentiële vliegroute. Omdat binnen het onderzoeksgebied geen essentiële functies voor vleermuizen worden verwacht, worden negatieve effecten voor vleermuizen evenmin verwacht. In de bouwplanfase (als bekend is op welke wijze de hoogbouw zal worden vormgegeven) moet bekeken worden of er sprake is van negatieve effecten voor vleermuizen op de omliggende bebouwing (door bijvoorbeeld lichtuitstraling). Amfibieën Het projectgebied biedt door afwezigheid van vergraafbare zandbodem, pionierssituatie en ondiepe visvrije wateren geen geschikt biotoop voor de strikt beschermde rugstreeppad en alpenwatersalamander.

Beide soorten worden niet binnen of in de directe omgeving van de projectgebieden verwacht. Wel kunnen de gewone pad en de bruine kikker voorkomen. Deze soorten zijn door de provincie Zuid-Holland algemeen vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingsprojecten. Wel geldt ook voor deze soorten de zorgplicht. Reptielen Het project- en onderzoeksgebied bieden geen geschikt habitat voor reptielsoorten door het ontbreken van geschikte biotoop en reliëf, en de urbane aard van de omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen reptielen aangetroffen en deze worden op basis van verspreidingsgegevens ook niet verwacht. Omdat er geen effecten op reptielen worden verwacht zijn vervolgstappen niet nodig. Vissen Binnen het project- en onderzoeksgebied is oppervlaktewater aanwezig dat potentieel geschikt is als leefgebied voor beschermde vissoorten. Uit de verspreidingsgegevens blijkt dat beschermde vissoorten niet voorkomen in de omgeving van het plangebied. Om deze reden worden beschermde vissoorten uitgesloten. Effecten op beschermde vissoorten binnen het onderzoeksgebied zijn uitgesloten. Algemene vissoorten zijn wel aanwezig in de havenkom. Bij deze soorten dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten niet nodig.

Voor de werkzaamheden dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld, waarin de ecologische maatregelen worden weergegeven. Ongewervelden

79

Beschermde soorten ongewervelden worden niet verwacht op basis van biotoopkenmerken in combinatie met recente verspreidingsgegevens. Door het ontbreken van waterplanten binnen het onderzoeksgebied wordt vestiging van (beschermde) libellensoorten en het voorkomen van beschermde ongewervelden zoals platte schijfhoren binnen het onderzoeksgebied niet verwacht. Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen waardplanten van beschermde vlindersoorten aangetroffen. Omdat er geen effecten op ongewervelden worden verwacht zijn vervolgstappen niet nodig. 6.7.5

Conclusie

Onderzocht is of (de ontwikkeling van) het bestemmingsplan Rijnhaven negatieve effenten heeft op beschermde natuurgebieden en op beschermde soorten. De aanleg en het gebruik van de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan Rijnhaven kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek blijkt dat de uitstoot van stikstof door de ontwikkeling van de Rijnhaven niet leidt tot een kans op significante effecten op Natura 2000-gebieden. Er zijn vanuit de Wet natuurbescherming, voor wat betreft effecten op Natura 2000-gebieden, geen belemmeringen om het bestemmingsplan vast te stellen. Ook heeft het bestemmingsplan geen negatief effect op het Natuurnetwerk Nederland. In het plangebied is één exemplaar van een beschermde plantensoort (de blaasvaren) aanwezig. Voor deze soort wordt een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd, omdat de groeiplek niet behouden kan worden tijdens de werkzaamheden. Verder zijn er, behalve algemeen beschermde broedvogels en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren, geen beschermde soorten in het plangebied aangetroffen en worden deze ook niet verwacht. Nader ecologisch onderzoek is in het kader van het bestemmingsplan niet nodig.

Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is voor beschermde broedvogels niet nodig, mits buiten broedseizoen wordt gewerkt of anders door middel van broedvogelinspectie wordt aangetoond dat de nestfunctionaliteit niet wordt geschaad.

6.8

Windklimaat

In overeenstemming met het Hoogbouwbeleid is er met behulp van Computational Fluid Dynamics (CFD) windklimaatonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de te verwachten knelpunten en de invloed van keuzes in de volumeopbouw op het windklimaat. (Bijlage 8). Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 nl Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Deze norm geeft eisen en bepalingsmethoden voor de toetsing van het lokale windklimaat in de gebouwde omgeving op looprespectievelijk verblijfsniveau in relatie tot het effect van wind op voetgangers. De norm is bedoeld te worden toegepast bij bouwplannen. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: »

» «

«

« »

Met de in de basissituatie doorgerekende voorbeeldinvulling van het plangebied Rijnhaven is het windklimaat rond de geplande nieuwbouw op veel punten slecht, waarbij er sprake is van een overschrijding van het criterium voor windgevaar. Dit ongunstige windklimaat wordt voor een deel verklaard door de ongunstige ligging van het plan aan open water, voor een deel door de forse hoogte van de geplande bebouwing. Zonder torens is het windklimaat vrijwel overal goed tot matig voor doorlopen. Door het optimaliseren van de torenvolumes is het windklimaat significant te verbeteren, maar is zonder aanvullende windremmende maatregelen het windklimaat op het maaiveld op een aantal punten nog steeds slecht. Lokaal is nog steeds sprake van een overschrijding van het criterium voor windgevaar. Een getrapt ontwerp van de torens op de de originele locatie zou leiden tot een lichte verbetering van het windklimaat aan de noord- en zuidhoek van het plan, en een toename van de gevaarkans ten noordoosten van het plan. Het is de ambitie van de gemeente om nergens windgevaar te introduceren door de ontwikkeling en zeker niet op plekken waar dat vanwege het gebruik zeer ongewenst is. Een verbetering van de windsituatie kan worden verkregen door aanpassingen in de bouwmassa en de terreininrichting.

80

«

«

Door de vormgeving en situering van torens is de kwaliteit van het windklimaat te beïnvloeden en kan het optreden van windgevaar worden beperkt en voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door de breedte en oriëntatie van de torens aan te passen, afronding van de torens en/of door het realiseren van afdoende setbacks. Bij de verdere uitwerking van de bouw- en inrichtingsplannen worden op een meer gedetailleerd niveau de gevolgen voor het windklimaat in de omgeving onderzocht en eraan ontworpen.

6.9

Bezonning

6.9.1

Kader en visie

Voor dit bestemmingsplan zijn voor de bezonning de regels uit de Hoogbouwvisie en het Afwegingskader Bezonning als uitgangspunt genomen. In de Hoogbouwvisie zijn regels voor de bezonning van openbare ruimtes vastgelegd. In de visie zijn twee typen ruimtes gedefinieerd. In de gebieden en plekken die zijn aangewezen als de zogenaamde sunspot mag geen vermindering van zonuren optreden binnen de aangewezen tijden. Daarnaast zijn er representatieve ruimtes waar zon belangrijk is, maar waar wel enige vermindering in zonuren mag optreden. In de omgeving van de Rijnhaven is momenteel één sunspot aangegeven. Er zijn geen representatieve ruimtes in het invloedsgebied. De directe omgeving van het plangebied is aangemerkt als gebied met basiskwaliteit bezonning. Met de ontwikkeling van de Rijnhaven wordt een aanzienlijke hoeveelheid openbare ruimte toegevoegd, het Rijnhavenpark, waarbij de mogelijkheid ontstaat om een sunspot aan de noordkant en een representatieve ruimte aan de oostkant van het park (ten westen van de nieuwe bebouwing) toe te voegen. Deze aanvullingen op de hoogbouwvisie zullen in een actualisatie van het beleidskader worden verwerkt.

Uitsnede Hoogbouwvisie 2019 met sunspot (geel) en gebied basiskwaliteit (wit) 6.9.2

Bebouwing

De gevolgen voor de bezonning voor de bestaande woningen in de omgeving zijn onderzocht op basis van het volume dat in het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Dit is een worst case benadering, omdat bouwplannen niet de gehele bestemmingsplanruimte zullen en kunnen invullen. Het uitgangspunt voor het Rotterdamse afwegingskader voor bezonning heeft als leidraad de (lichte) TNO-richtlijn en als toetsingsdatum is op 21 september gemeten. Hiermee is de maatgevende periode van 21 maart t/m 21 september beoordeeld. Hierbij wordt gekeken naar de mogelijke bezonningsduur en naar de afname van de mogelijke bezonningsduur. Er wordt bekeken of de woningen per dag minimaal 2 uur zon hebben in deze periode. Er is overeenkomstig het afwegingskader alleen gekeken naar de eerste woonlaag van de gebouwen in

81

het invloedsgebied van het bestemmingsplan. Dit omdat in verreweg de meeste gevallen de onderste woonlaag de kleinste kans op zon heeft. Daarmee geeft de toets dus relatieve aantallen woningen. 6.9.3

Onderzoeksresultaten

Binnen het invloedsgebied van het bestemmingsplan zijn rekenpunten gelegd op 490 woningen. Op 15 van de 490 getoetste woningen is er minder dan twee uur zon mogelijk, waarbij dit in de huidige situatie wel het geval is. Daarnaast is er op 6 woningen die nu al minder dan twee uur zon hebben sprake van een achteruitgang van de bezonning van 150Zo of meer. Van de woningen die niet voldoen zijn er vier die op enige afstand gelegen zijn aan de overzijde van de Spoorweghaven. Elf van de woningen zijn gelegen op de woontorens aan de Laan op Zuid (Cité) en zes aan het Zuiderspoorpad.

«SLJ Uitsnede uit het onderzoek naar bezonning Het Afwegingskader Bezonning bevat een stappenplan met criteria om af te wegen of de effecten acceptabel zijn. Als de bezonningsafname groter dan 150Zo is en onder de twee uur komt, moet worden afgewogen of de voordelen van het nieuwbouwplan opwegen tegen de afname van bezonning van bestaande woningen. Het gaat hierbij over een 'proportionele afweging', een 'verdichtingsafweging' en een 'typologische afweging'. 6.9.4

Conclusie

Het Afwegingskader Bezonning is op dit bestemmingsplan van toepassing, omdat het plan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt die vallen binnen het toepassingsbereik van dit afwegingskader. Aan de hand van de uitgevoerde bezonningssimulaties wordt het volgende geconcludeerd. »

»

»

Op 15 van de 490 getoetste woningen is er ten gevolge van de maximale bestemmingsplan volumes minder dan twee uur zon mogelijk, waar dit in de huidige bebouwingssituatie wel het geval is. Daarnaast is er op 6 van de 490 woningen die nu al minder dan twee uur zon hebben sprake van een achteruitgang van de bezonning van 150Zo of meer. Bij beoordeling van stappen één en twee uit het Afwegingskader kan dus vastgesteld worden dat 21 van de 490 getoetste woningen niet voldoen als de 'bestemmingsplanenvelop' volledig wordt bebouwd. Bij een verdere uitwerking van de plannen zal de bezonningssituatie rond het plan altijd wat gunstiger zijn. Er zijn mogelijk 5 of 6 van de 21 rekenpunten die in de simulatie niet, maar bij een verdere uitwerking wel zullen voldoen.

Het is aan de gemeente om in de nadere afweging van stap drie uit het Afwegingskader te beslissen of

82

de effecten van de plannen op de bezonning van de woningen rond de plannen acceptabel zijn of niet.

Het aantal van 21 woningen van de 490 waar in worst case de criteria van de lichte TNO-richtlijn niet wordt gehaald is beperkt in relatie tot de 2.500 a 3.000 woningen die met deze ontwikkeling gerealiseerd kunnen worden. Rotterdam heeft een opgave om 50.000 woningen toe te voegen voor 2040. Rotterdam wil dat doen door middel van goede groei. De ontwikkeling van de Rijnhaven levert een significante bijdrage aan zowel de aantallen als de goede groei-ambitie. De ontwikkeling is een verdichting in de nabijheid van het openbaar vervoer, heeft een hoge stedelijke dichtheid met functiemenging en voegt een groot stadspark toe. De locatie is met de vele ontwikkelingen in de omgeving een onderdeel van de binnenstad op twee oevers en daarmee typologisch als centrumgebied te zien. Bovendien zijn de woningen in Cité huurwoningen voor studenten en starters, waarvan de woonduur in de betreffende woning beperkt is.

Kijkend naar de effecten van bezonning op de omgeving, de bijdrage van de gebiedsontwikkeling aan de stedelijke beleidsdoelstellingen en de criteria van proportionaliteit, verdichting en typologie uit het afwegingskader bezonning, wordt in deze afweging de ontwikkeling van de Rijnhaven op het aspect van bezonning als acceptabel beoordeeld. De nieuwe ontwikkeling voldoet aan het afwegingskader.

6.10

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.10.1 Plangebied Het bestemmingsplan Rijnhaven maakt de realisatie mogelijk van een nieuw, hoogstedelijk milieu, voor een groot deel bestaande uit woningen, aangevuld met kantoren, bedrijfsruimtes, commerciële voorzieningen (horeca, winkels, en vrijetijdsvoorzieningen) en maatschappelijke voorzieningen. Het programma dat mogelijk wordt gemaakt heeft een omvang van maximaal 365.000 vierkante meter b.v.o. exclusief parkeren, waarbinnen zo'n 2.500 tot 3.000 woningen.

Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Bij het bepalen of er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht moet ook worden bekeken of er samenhang (een financiële of voorwaardelijke binding) is tussen de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en andere ontwikkelingen. Van een voorwaardelijke binding is sprake als de ontwikkelingen in het bestemmingsplan alleen mogelijk zijn als tegelijk of eerst andere ontwikkelingen plaatsvinden, of vice versa. De demping van de Rijnhaven wordt niet mogelijk gemaakt met het bestemmingsplan Rijnhaven, maar vindt plaats op basis van het geldende bestemmingsplan. Wel is het een voorwaarde voor het realiseren van de drie bouwblokken dat de demping heeft plaatsgevonden. Daarom moet de demping bij de m.e.r.-beoordeling als een onderdeel van de te beoordelen ontwikkeling worden gezien. Verder is er geen sprake van samenhang tussen de ontwikkelingen in het bestemmingsplan Rijnhaven en andere ontwikkelingen.

Er dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Als uitgangspunt geldt dat alleen een

83

milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de m.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de 3 criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Het college neemt, tegelijk met het besluit tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit. De strekking van dit besluit is dat er vanwege het bestemmingsplan Rijnhaven geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht. Daarom heeft het college besloten dat er voor dit bestemmingsplan geen milieueffectrapport zal worden opgesteld. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit ligt tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan als afzonderlijk besluit ter inzage, en is als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Conclusie B&W heeft besloten dat er geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat er geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten zijn voor het milieu. Zie ook Bijlage M.e.r.-beoordelingsbesluit.

84

Hoofdstuk 7

Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2021 - 2025, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding. De ambities en uitgangspunten zijn onderdeel van het beleidsplan. De daadwerkelijke uitwerking staat in het Integraal Handhavingsplan (IHP), Meerjarenplan Fysieke Veiligheid (MJP), een uitvoeringsagenda en - als het om organisatiespecifieke onderdelen gaat - kaders.

85

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

De Rijnhaven is een integrale gebiedsontwikkeling bestaande uit een verstedelijkingsprogramma (grondexploitatie) en de aanleg van het Rijnhavenpark (Stadsproject). Deze ontwikkelingen beïnvloeden elkaar inhoudelijk maar zijn financieel van elkaar gescheiden. De dekking voor de aanleg van het Rijnhavenpark loopt via de dekkingssystematiek van de Stadsprojecten en wordt opgenomen in het jaarlijkse investeringsvoorstel als onderdeel van de Voorjaarsnota. Voor de ontwikkeling van de nieuwbouwlocatie is een sluitende gemeentelijke grondexploitatie vastgesteld in december 2020. De ontwikkeling bestaat uit drie bouwplots met ondergronds parkeren en de inrichting rondom de bouwblokken inclusief het park aan de westzijde. Het kostenverhaal is op deze manier verzekerd. De detaillering in functies die in dit bestemmingsplan is aangebracht, is op basis van uitgangspunten uit het Masterplan Rijnhaven 2020. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

86

Hoofdstuk 9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM; 2. WSHD, Waterschap Hollandse Delta; 3. BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam; 4. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; 5. DCMR, Milieudienst Rijnmond; 6. MRDH, Metropoolregio Rotterdam Den Haag; 7. HbR, Havenbedrijf Rotterdam; 8. Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit; 9. WBR, Warmtebedrijf Rotterdam, beheerder warmtetransportnetwerk; 10. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk; 11. K.P.N. Telecom; 12. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators; 13. NGU, N.V. Nederlandse Gasunie; 14. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland; 15. Evides, bedrijf voor distributie drinkwater; 16. Pipeline Control, beheerder pijpleidinginstallaties; 17. Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen; 18. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; 19. Ministerie van Infrastructuur en Milieu; 20. RWS, Rijkswaterstaat directie Zuid-Holland.

9.1

GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM

Het concept ontwerpbestemmingsplan is door het invullen van het E-formulier aangeboden aan GS. Het E-formulier stelt vragen en de daarop gegeven antwoorden geven inzicht in de vraag of het bestemmingsplan mogelijk strijdig is met het provinciaal beleid en dus door de porvincie bekeken moet worden. Het provinciaal ruimtelijk beoordelingskader is vastgelegd in het Omgevingsbeleid, bestaande uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland, de Programma(s) en de Omgevingsverordening Zuid-Holland (vooral Afdeling 3.2, 6.2 en artikel 6.40). In de visie, Programma(s) en de verordening zijn beleid respectievelijk regels opgenomen voor de borging en bescherming van provinciale ruimtelijke belangen. GS geven aan dat de gebiedsontwikkeling Rijnhaven, een gemengd hoogstedelijk gebied met met circa 3.000 nieuwe woningen, commerciële- en culturele voorzieningen en een stadspark past binnen de door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. Het levert zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin een belangrijke bijdrage aan de woningbouwopgave. Ten aanzien van het plan willen GS een aantal opmerkingen meegeven. De reactie heeft betrekking op de volgende onderdelen detailhandel, bedrijventerrein, kantoren, 3D-Ordening en klimaatadaptatie. 9.1.1

Detailhandel

Uitgangspunt van het provinciaal detailhandelsbeleid is dat nieuwe detailhandel primair gevestigd wordt binnen of aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk. Buiten de centra kan alleen ruimte worden geboden aan specifieke branches van detailhandel (‘perifere detailhandel’) of, onder voorwaarden, een aantal vormen van kleinschalige detailhandel, ondergeschikte detailhandel en afhaalpunten voor niet-dagelijkse goederen. Nieuwe detailhandel moet voldoen aan de in het Omgevingsbeleid beschreven ontwikkelingsperspectief. Aangetoond dient te worden dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto vloeroppervlak (b.v.o.) in de binnenstad van Rotterdam of

87

2.000 m2 bruto vloeroppervlak in de andere centra dient advies gevraagd te worden aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. In relatie tot de toevoeging van detailhandel benadrukt Rotterdam in de toelichting dat er door sloop en nieuwbouw de komende jaren per saldo meer bewoners bij komen in en rondom het plangebied. GS merken in dat kader op dat het hier weliswaar nieuwe woningbouw betreft, maar dat deze is gelegen in binnenstedelijk gebied met al de nodige detailhandel in de omgeving. GS gaan ervan uit dat de vraag naar fysieke winkelruimte de komende jaren verder afneemt en stelt strikte eisen aan uitbreidingsplannen. De detailhandel dient zo veel als mogelijk gebundeld en geconcentreerd te worden binnen of aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties in centrumgebieden en bestaande winkelcentra om deze aantrekkelijk en leefbaar te houden of in een nieuwe wijkwinkelvoorziening in een nieuwe woonwijk. Voor GS is onvoldoende onderbouwd dat de toevoeging van detailhandel in de Rijnhaven, naast eerder toegevoegde detailhandel in de omgeving van het plangebied noodzakelijk is en op de juiste locatie wordt mogelijk gemaakt. In de toelichting van het plan geeft Rotterdam aan dat een nieuwe wijkwinkelvoorziening in de Pols van Katendrecht het uitgangspunt is.

In de vooroverlegreactie voor het bestemmingsplan Katendrecht Pols hebben GS al kritische vragen gesteld over de toevoeging van detailhandel. Voor dit plan hebben GS gevraagd deze toevoeging nader te onderbouwen in relatie tot de bestaande winkelconcentraties in de Afrikaanderwijk en rond de Wilhelminapier. Direct in de omgeving zijn in ieder geval de wijkwinkelconcentraties Entrepothaven, Vuurplaat en de winkelconcentratie aan de Pretorialaan gelegen die eenzelfde verzorgingsfunctie hebben als de beoogde nieuwe wijkwinkelvoorziening. GS zijn met Rotterdam in gesprek over de ruimtelijke effecten van alle uitbreidingsplannen in en rondom dit plangebied op de winkelconcentraties binnen dezelfde verzorgingsstructuur. GS zetten dit gesprek graag voort om ervoor te zorgen dat eventuele toevoeging van detailhandel, ook voor wat betreft de Rijnhaven, aansluit bij de beoogde doelstellingen van het provinciaal detailhandelsbeleid. In de toelichting van het Rijnhaven-plan concludeert Rotterdam overigens dat er geen advies van de detailhandels-adviescommissie noodzakelijk is, omdat de hoeveelheid detailhandel gemaximeerd is op 3.000 m2 b.v.o. Hierbij gaat Rotterdam er kennelijk van uit dat de locatie Rijnhaven onderdeel uit maakt van het bestaande winkelconcentratiegebied in het centrum van Rotterdam. Voor de toevoeging van meer dan 2.000 m2 b.v.o.

detailhandel in de (nieuwe) wijkwinkelconcentratie in de Pols van Katendrecht is een advies van de commissie detailhandel Zuid-Holland noodzakelijk. Ook bij een toevoeging van 3.000 m2 b.v.o. detailhandel in de Rijnhaven is een advies van deze commissie noodzakelijk. GS zien de toevoeging van detailhandel op deze plekken nadrukkelijk niet als onderdeel van het kernwinkelgebied in de binnenstad van Rotterdam. De toevoeging van aanvullend 3.000 m2 detailhandel in Rijnhaven zien GS nu als verspreide bewinkeling en daarmee niet passend in het provinciaal detailhandelsbeleid. Commentaar: Aanvullend onderzoek moet aantonen dat het winkelprogramma nodig is als onderdeel van het totale voorzieningenpakket en aansluit bij de beoogde ontwikkeling. In het aanvullend onderzoek wordt een distributieplanologische verantwoording gegeven op het beoogde winkelprogramma. Daarin is aandacht voor de positionering van de Rijnhaven-ontwikkeling en het winkel- en voorzieningenprogramma in een grotere stedelijke context. 9.1.2

Bedrijventerrein

In de omgeving van het plangebied (op Katendrecht) zijn twee bedrijven gelegen met een hoge milieucategorie: » »

Cordrico, een graanverwerkingsbedrijf in milieucategorie 4.1; Provimi, een mengvoederbedrijf in milieucategorie 5.1.

Voor deze bedrijfsactiviteiten gelden indicatieve afstanden tot woningen van 200 meter (Codrico) en 500 meter (Provimi). Deze afstanden zijn niet over de locaties gelegen waar het bestemmingsplan woningbouw mogelijk maakt. Midden in de Rijnhaven is het Maritiem Centrum (red. publiekstrekker)

88

gepland, een gebouw waarin een bijzondere publieke functie kan komen. De ontwikkeling van het Maritiem Centrum is volgens de toelichting in het plan afhankelijk van de herontwikkeling van Codrico en kent een programma tot maximaal 15.000 m2 b.v.o. De ontwikkeling van het Maritiem Centrum is in het kader van dit plan nog nader (milieutechnisch) onderzocht. Omdat het bedrijf Codrico nog aanwezig is, is in de toelichting van het plan aangegeven dat de ontwikkelingen gefaseerd uitgevoerd zullen worden. Het plan maakt het Maritiem Centrum, op grond van de regels echter rechtstreeks mogelijk. Om akkoord te kunnen gaan met dit plan, dient de gemeente de verplaatsingen van Codrico en Provimi succesvol te hebben afgerond. De nieuwe bestemmingen mogen in ieder geval geen belemmering vormen voor bedrijven in de hogere milieucategorie van de betreffende bedrijventerreinen. Hoewel geen onderdeel van onderhavig bestemmingsplangebied, wijzen GS Rotterdam er voor de volledigheid nogmaals op dat er compensatie van bedrijventerreinen dient plaats te vinden bij de transformatie van de bedrijventerreinen (Provimi en Codrico) naar een andere functie. Gezien de grote vraag naar -vooral watergebonden- bedrijventerreinen in de regio vragen GS dat bij functiewijziging nader toe te lichten.

Commentaar: Het plan voor de publiekstrekker (voorheen Maritiem Centrum genoemd) zal niet eerder in uitvoering zijn dan nadat de activiteiten van Codrico zijn gestaakt. Een en ander is in 2020 privaatrechtelijk vastgelegd. Op de locatie voor de publiekstrekker dient eerst nog een vaarweg voor het scheepvaartverkeer in stand gehouden te worden. Deze bepaling vervalt als het gebruik van de vaarweg voor het scheepvaartverkeer is beëindigd. Zo is dit ook publiekrechtelijk vastgelegd. Ook voor Provimi vinden al beëindigingsgesprekken plaats en de verwachting is dat de activiteit in 2024 zal worden beëindigd. De beëindiging van de havenactiviteiten is onderdeel van een reeds jaren geleden ingezette koers en maakt onderdeel uit van de Omgevingsvisie Rotterdam (zie ook hoofdstuk 2). 9.1.3

Kantoren

Rijnhaven krijgt een functiemix van wonen, maatschappelijke voorzieningen, commerciële voorzieningen (leisure, horeca, retail) en kantoor- en bedrijfsruimte. Voor kantoor- en bedrijfsruimte wordt rekening gehouden met 20.000 - 35.000 m2 b.v.o. Ten aanzien van het programma toe te voegen zelfstandig kantoren verwijst Rotterdam in de toelichting van het plan naar de regionale kantorenvisie die aanvaard is in 2016. De MRDH is momenteel bezig met het actualiseren van de regionale kantorenvisie. In dat opzicht verwijst Rotterdam dus niet naar de meest actuele kantorenvisie. De verwachting is dat deze nieuwe visie begin 2022 ter beoordeling wordt ingediend bij de provincie. In de conceptversie van de nieuwe kantorenvisie is t.a.v. Rijnhaven in de planlijst van de MRDH voor de Kop van Zuid en Rijnhaven met 37.000 m2. GS adviseren de locatie apart in de planlijst van de MRDH te vermelden en in de toelichting van het plan naar de juiste regionale kantorenvisie te verwijzen. Commentaar: De Rijnhaven zal in het vervolg als locatie apart in de planlijst van de MRDH worden opgenomen. 9.1.4

3D-Ordening

In de paragraaf ‘Optimaal benutten en beheren van de bodem en ondergrond’ van het Omgevingsbeleid Zuid-Holland (7.1.4.) is een toelichting gegeven op 3D-Ordening. Deze beleidskeuze heeft tot doel het duurzaam beschermen, benutten en beheren van de kwaliteit van het bodem- en grondwatersysteem in relatie tot het verantwoord aanbrengen, beheren en afbouwen van functies in de ondergrond. Het provinciaal belang is gelegen in het op een rechtvaardige manier benutten van potenties van bodem en ondergrond voor de maatschappelijke opgaven op regionale schaal. De provincie beoogt daarbij - in samenwerking met andere overheden - om 3D-Ordening standaard en structureel onderdeel te laten worden van alle relevante ruimtelijke planprocessen in Zuid-Holland. De paragrafen 3.1. ‘Archeologie’ en 6.6 ‘Bodem’ van de toelichting op onderhavig bestemmingsplan geven de gebruikelijke korte toelichting op de archeologische waarden respectievelijk milieuhygiënische

89

bodemkwaliteiten, maar niet op de aanwezige bodemtype(n), grondsoort(en), etc. Zeker gezien het beoogde grootschalig ondergronds én buitendijks bouwen in de Rijnhaven zijn de kwaliteiten van bodem en ondergrond ter plaatse van essentieel belang bij het bepalen van de (on)mogelijkheden voor realisatie van de drie bouwblokken langs de Posthumalaan (zie hierop volgende alinea ‘Klimaatadaptatie’). GS constateren dat het plan nog onvoldoende invulling geeft aan 3D-Ordening. GS verzoeken Rotterdam het plan op dit punt aan te scherpen en verwijzen voor betreffende kennis en expertise naar de Milieudienst Rijnmond (https://www.dcmr.nl/themas/ondergrond-en-de-omgevingswet) en de ervaringen die de gemeente recentelijk heeft opgedaan met de DNA-aanpak Stad à Omgeving ‘Pilot Rotterdam’. Daarmee samenhangend attenderen GS tevens op de webpagina’s van 'PZH Z onderwerpen / ruimte / bodem-ondergrond / 3D-Ordening', 'Samen de diepte in / Bodembeheer van de toekomst' en 'Klimaatadaptatie Nederland: Bodem en Ondergrond'. Commentaar: De demping en ophoging van een deel van de Rijnhaven vindt plaats op basis van het huidige bestemmingsplan, de werkzaamheden daarvoor zijn al aangevangen. Doordat in de Rijnhaven nieuw land wordt gemaakt kan maatwerk worden geleverd ten aanzien van de kwaliteit en draagkracht van de bodem. De bodemparagraaf in hoofdstuk 6 is aangevuld met informatie over de demping.

Het deel van de gedempte Rijnhaven waar gaat worden gebouwd wordt opgehoogd tot een veilig uitgiftepeil (zie hieronder bij 'Klimaatadaptatie'). De ideeën over 3D-Ordening zijn nog in ontwikkeling en de gemeente ziet op dit moment geen meerwaarde in het in het opnemen in het bestemmingsplan van een beschouwing daarop. 9.1.5

Klimaatadaptatie

Met beoogde drijvende uitloper van het stadspark (rondje Rijnhaven), het onlangs gerealiseerde ‘tijdelijk drijvend kantoorgebouw’ (FOR) en bovenal de beoogde drijvende publiekstrekker (Maritiem Centrum) wordt Rijnhaven - naar verwachting - het internationaal toonbeeld van klimaatadaptieve stedelijke ontwikkeling. Deze vooruitstrevende initiatieven verdienen alle aandacht, lof en complimenten. Juist daarom attenderen GS, in relatie tot voorgaande alinea over 3D-Ordening, op artikel 6.50 ‘Risico’s van klimaatverandering’ van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. In dit recent toegevoegde artikel wordt verzocht om rekening te houden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering ten aanzien van: wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte en droogte. Tevens wordt verzocht rekening te houden met de effecten van voorgenoemde risico’s ten behoeve van het risico op bodemdaling. Het verbaast dat Hoofstuk 5 ‘Water’ van voorliggende bestemmingsplan - in relatie tot klimaatadaptief bouwen cq. Rotterdams Weerwoord - slechts verwijst naar de korte paragrafen ‘Klimaatbestendigheid’ (4.7) en ‘Klimaatkansen’ (5.7) van het ‘Wateradvies’ in betreffende bijlagen.

Juist in dit bestemmingsplan mag een toelichting worden verwacht hoe en in hoeverre mogelijke risico’s van klimaatverandering te Rijnhaven kunnen worden voorkomen en/of beperkt, danwel aanvaardbaar worden geacht, met beoogde (deels drijvende) stedelijke ontwikkelingen. GS adviseren Rotterdam dan ook om expliciet aan te geven welke klimaatrisico’s er zijn voor dit ‘gedeeltelijk te dempen buitendijks plangebied’ en welke maatregelen en/of voorzieningen zijn overwogen en/of genomen, met een toelichting op eventuele afwegingen om maatregelen en/of voorzieningen niet te treffen. Specifiek vragen GS om aan te geven hoe en in hoeverre de schade door bodemdaling beheersbaar blijft, welke restzettingseis na demping van een deel van de Rijnhaven zal worden aangehouden en welke maatregelen over de ontwerplevensduur dan het meest kosteneffectief zullen zijn rondom de drie bouwblokken langs de Posthumalaan. Daarmee samenhangend attenderen GS erop dat Gemeente Rotterdam in 2018 het Convenant Klimaatadaptief Bouwen heeft medeondertekend en sinds 2019 deelneemt aan het ‘UP-traject DNA van de Stad à Omgeving’. Voor nadere operationalisering van klimaatadaptatie te Rijnhaven wijzen GS dan ook op betreffende 'Leidraad | Bouw Adaptief met 'Minimale eisen | Bouw Adaptief en voorgenoemde DNA-aanpak Pilot Rotterdam.

Commentaar: De gemeente is het met de provincie eens dat het concept ontwerpbestemmingsplan nog aanvulling behoeft op het gebied van waterveiligheid en klimaatadaptatie. In het ontwerpbestemmingsplan is de naam van paragraaf 5.4.5 gewijzigd in 'Waterveiligheid en klimaatadaptatie'. In deze paragraaf wordt uiteengezet wat er nodig is voor een goede waterveiligheid in buitendijks gebied, en waarom de ontwikkeling van de Rijnhaven daaraan voldoet. Ook wordt er meer invulling gegeven aan

90

klimaatadaptatie. Bij klimaatadaptatie gaat het echter voor een groot deel om keuzes die moeten worden gemaakt bij de inrichting van het park en bij het ontwerp van de bebouwing. In het bestemmingsplan worden deze keuzes nog niet gemaakt, en het bestemmingsplan kan daarop niet vooruitlopen. Er mag en zal in dit opgehoogde buitendijkse gebied geen sprake zijn van significante bodemdaling. Voor de nieuwbouw moet gezien het grote volume diep worden geheid, zodat schade aan deze bebouwing door bodemdaling als deze al op zou treden zeer beperkt zou zijn. 9.1.6

Conclusie

Op basis van de aangeboden gegevens hebben GS geconstateerd dat het plan op bovengenoemde punten onvoldoende rekening houdt met de betrokken provinciale ruimtelijke belangen en GS verzoeken Rotterdam daarom om het plan op deze onderdelen aan te passen. Commentaar: Met de aanpassingen en aanvullingen in de toelichting is tegemoet gekomen aan de opmerkingen van GS. Aanvullend onderzoek toont aan welk winkelprogramma nodig is als onderdeel van het totale voorzieningenpakket. De opmerkingen en aanvullingen zijn afgestemd met de provincie.

9.2

WSHD, Waterschap Hollandse Delta

WSHD geeft aan dat het adviesverzoek is geregistreerd onder dossiernummer VTH2021-6738. En geeft als advies: Na beoordeling van het verzoek is gebleken dat er geen belangen zijn voor waterschap Hollandse Delta. De werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de zonering van de waterkering. Commentaar: Wij danken het waterschap voor de reactie.

9.3

VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

De afdeling Risicobeheersing van de VRR brengt in het kader van externe veiligheid advies uit over de verantwoording van het groepsrisico en de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Zij doet dit door middel van een analyse van de omgeving, waarbij risicobronnen, mogelijke scenario's en hun effecten worden beschouwd. Zowel de Wet ruimtelijke ordening als de Wet veiligheidsregio's bieden mogelijkheden om maatregelen ten behoeve van de verbetering van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid te borgen. Bij de Wet ruimtelijke ordening gaat het daarbij voornamelijk om voorwaarden die kunnen worden gesteld aan (het gebruik van) bestemmingen. Ook bouwkundige maatregelen kunnen in het bestemmingsplan geborgd worden. De Wet veiligheidsregio's biedt mogelijkheden op het gebied van organisatorische maatregelen en voorlichting. Voor dit plan geldt het volgende advies: De VRR kan zich vinden in de conclusie die wordt getrokken in paragraaf 6.7.2. van de ruimtelijke onderbouwing. Zoals in de onderbouwing benoemd, adviseert de VRR om in het plangebied zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven.

Daarnaast adviseert de VRR om de te realiseren gebouwen aan de Posthumalaan met een verblijfsgebied-vloer hoger dan 70 meter boven meetniveau te construeren conform de ‘Handreiking brandveiligheid in hoge gebouwen’. Commentaar: Voor gebouwen hoger dan 70 meter biedt het Bouwbesluit geen universele bouwtechnische voorschriften. Door de hoogte vallen dergelijke gebouwen buiten het directe toepassingsgebied van het Bouwbesluit 2012, waardoor een aan het Bouwbesluit gelijkwaardig veiligheidsniveau moet worden aangetoond. Dat houdt in dat er ten opzichte van het Bouwbesluit aanvullende bouwkundige, installatietechnische of organisatorische voorzieningen (BIO) nodig zijn.

91

Bij het ontwerpen van brandveiligheid in hoge gebouwen heeft het bevoegd gezag c.q. de brandweer, de mogelijkheid om zelf nadere eisen te stellen aan de te nemen brandveiligheidsmaatregelen. De handreiking is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen marktpartijen, bevoegd gezag en Brandweer Nederland en biedt handvatten om een optimale brandveiligheid van hoge gebouwen te realiseren. De handleiding is te zien als een algemeen advies met handvatten voor het realiseren van een optimale brandveiligheid van hoge gebouwen. Van dit advies wordt kennisgenomen.

9.4

DCMR, Milieudienst Rijnmond

DCMR geeft aan geen formele reactie te geven in het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Commentaar: Wij danken voor deze opmerking en nemen het voor kennisgeving aan.

9.5

HbR, Havenbedrijf Rotterdam

Het HbR waardeert het dat het betrokken wordt bij het bestemmingsplan en heeft op de volgende punten een reactie. 9.5.1

Mobiliteit

De extra verkeersdruk die de verdichting van het gebied zuidelijk van de Wilhelminapier mee gaat brengen kan de kwaliteit van de ontsluiting van de pier voor autoverkeer verder beperken, zeker in combinatie met de ontwikkelingen op de pier. HbR vraagt of er inmiddels een wegverkeersmodel beschikbaar is waar deze verdichtingsambities zijn doorgerekend. En vraagt of dit model met hen te delen is. Naast de ontsluiting van het wegverkeer en de bestaande knelpunten op de Wilhelminapier vraagt HbR ook aandacht voor de sterke toename van het fietsverkeer alsmede voetgangers, mede als gevolg van autonome ontwikkelingen, maar ook de recreatieve functies die in dit gebied mogelijk worden gemaakt. De sterke toename van het fietsverkeer kan leiden tot een verslechtering van de doorstroming op de kruispunten en als gevolg daarvan een verslechtering van de bereikbaarheid. HbR verzoekt dit nader te onderbouwen in het bestemmingsplan. Commentaar: Het beleid van de gemeente Rotterdam is erop gericht om een betere balans te krijgen tussen de verkeersmodaliteiten. En daarmee zo veel mogelijk van de verkeerstoename te laten plaatsvinden met de fiets en het openbaar vervoer (inclusief lopen) en om de groei van het autoverkeer te beperken.

Waar we in het verleden ervoor kozen om de auto maximaal te faciliteren, kiezen we er nu vaker voor om meer ruimte en prioriteit te geven aan langzaam verkeer en OV. Hiervoor heeft de gemeente begin 2020 de Rotterdamse Mobiliteitsaanpak (RMA) vastgesteld. In paragraaf 4.4 is aangegeven dat voor de gebiedsontwikkeling Rijnhaven diverse studies zijn gedaan met verkeersmodellen. Speciaal voor Rijnhaven zijn drie specialistische verkeersonderzoeken uitgevoerd (Technische rapportage Verkeersmodelstudie, Verkeersmodelstudie oplegnotitie en meest recent het Addendum Verkeersmodelstudie). De onderzoeken gaan over diverse modaliteiten van verkeer, waaronder ook openbaar vervoer, fietsverkeer en voetgangers. Het Addendum is nu als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. De andere twee onderzoeken zijn ook met het HbR gedeeld. Voor het bestemmingsplan is de conclusie van het meest recente onderzoek van belang. Met het verkeersonderzoek is het effect in beeld gebracht van het nieuwe programma in Rijnhaven.

92

9.5.2

Geluid

Volgens onderstaande figuur (pagina 176 van Rijnhaven_co05_Bijlagen.pdf) uit het akoestisch rapport ligt een deel van de te realiseren woningen binnen de grens van het gezoneerde industrieterrein. HbR adviseert daarom de grens van het gezoneerde industrieterrein aan te passen, zodat de nieuwe woningen erbuiten komen te liggen.

V.JČŬ

Kaappark

ĩ

ļSasšk,

HbR mist een nadere onderbouwing dat het gebruikte geluidmodel de bestemmingsplanmatige maximale situatie representeert. HbR mist bovendien een beschouwing van het nestgeluid. Bij cumulatie van nestgeluid en industrielawaai (IL) geldt dat geluidsbelasting IL in dB(A)-etmaalwaarde gelijk is aan geluidsbelasting Lden in dB. HbR verzoekt dan ook om het ontwerpbestemmingsplan op deze punten aan te vullen. Commentaar: De grens van het gezoneerde industrieterrein, zoals die in de jaren '90 is vastgesteld, is een keer formeel aangepast (bij het bestemmingsplan Katendrecht-Zuid). Daarnaast is de grens van het gezoneerde industrieterrein een aantal keer feitelijk aangepast door gronden een bestemming te geven die geen grote lawaaimakers toestaat. Dit gebeurt met het bestemmingsplan Rijnhaven ook. Het heeft geen meerwaarde om (zoals HbR adviseert) de grens van het gezoneerde industrieterrein formeel aan te passen. Bovendien wordt er gewerkt aan een parapluherziening om zowel de geluidzones als de begrenzingen van de industrieterreinen Feijenoord en Maas- en Rijnhaven te verkleinen. Voor wat betreft de nadere onderbouwing over het gebruikte geluidmodel en de maximale situatie kan het volgende gezegd worden. In het akoestisch onderzoek van dBVision is gerekend met het geluidmodel dat de DCMR heeft aangeleverd.

Er is geen reden om aan te nemen dat hiermee niet de juiste uitgangspunten gebruikt zijn en gerekend is met de maximale planologische ruimte voor grote lawaaimakers. In het ontwerpbestemmingsplan is een beschouwing van het nestgeluid opgenomen. Deze beschouwing is gebaseerd op een berekening van het nestgeluid met de wijzigingen in het geluidmodel zoals de gemeente die heeft voorgesteld (waarin o.a. rekening is gehouden met walstroom bij de Maashaven en een zeer beperkt aantal ligplaatsen in de Rijnhaven). Het HbR en de gemeente zijn nog in overleg over het geluidmodel. Als het HbR en de gemeente overeenstemming hebben bereikt over het geluidmodel zal een berekening met dat geluidmodel worden uitgevoerd.

93

9.5.3

Gezondheid

Alhoewel in het bestemmingsplan in het kader van gezondheid wordt verwezen naar de nog vast te stellen omgevingsvisie mist HbR in dit ontwerpbestemmingsplan daar een uitwerking van. HbR geeft als suggestie om de GGD-richtlijn (medische milieukunde: omgevingsgeluid en gezondheid) te betrekken om in het milieu-onderzoek de effecten op gezondheid en leefomgevingskwaliteit in beeld brengen, kwalitatief en kwantitatief. Commentaar: Wij danken het HbR voor deze suggestie, maar nu er nog geen wettelijke basis is om dit te kunnen verankeren nemen we de suggestie niet over voor dit bestemmingsplan.

9.6

NGU, N.V. Nederlandse Gasunie

Het plan is door de NGU getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor NGU aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komt NGU tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1o0o letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen leiding van NGU valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Commentaar: Wij danken NGU voor de reactie en nemen deze voor kennisgeving aan.

9.7

LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland

De LVNL beoordeelt of voorgenomen bouwplannen I werktuigen van invloed zijn op de correcte werking van elektronische navigatie-, communicatie- en surveillancehulpmiddelen (CNS). In het vooroverleg is advies gevraagd aan de LVNL. Er is geen aanleiding om toetsingsvlakken of extra bouwregels op te nemen in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan ligt binnen een zone van 3 tot 10 kilometer van de communicatieapparatuur. Dit deel van het toetsingsvlak is enkel van toepassing op windturbines. Windturbines zijn niet aan de orde in Rijnhaven. Daarom heeft de LVNL geen officiële reactie kenbaar gemaakt. Commentaar: Wij danken de LVNL voor de extra toelichting en nemen deze voor kennisgeving aan.

9.8

Participatie en informatie

In de startfase wijst de gebiedsdirecteur in overleg met de gebiedscoördinator enkele leden van de gebiedscommissie (in dit geval de Wijkraad Katendrecht - Wilhelminapier) aan die een actieve rol vervullen bij het nieuw op te starten bestemmingsplan. De gebiedscoördinator maakt wensenIadvies voor het nieuwe bestemmingsplan kenbaar bij de startbijeenkomst. Tijdens de startbijeenkomst in maart 2021 is aangegeven dat de ontwikkelingen uit het Masterplan ten grondslag liggen aan de onderzoeken voor het nieuwe bestemmingsplan. Met het vaststellen van de startnotitie is aangegeven dat een iets hoger programma wordt onderzocht. Voor de projecten van de Rijnhaven wordt breed ingezet op communicatie en participatie. In oktober 2021 vonden er inloopavonden plaats in de Rijnhavenkeet naast het Nieuwe Luxor Theater. Voor deze dagen zijn 10.000 huishoudens huis-aan-huis uitgenodigd, naast dat er veel publiciteit gegenereerd is via gemeentelijke mediakanalen en social media. Tijdens deze inloopdagen zijn het schetsontwerp van het Rijnhavenpark en het concept stedenbouwkundig plan gepresenteerd. Het bestemmingsplan vormt het juridisch kader voor realisatie van deze plannen.

94

Ook voor het ontwerpbestemmingsplan worden naast de reguliere middelen extra middelen ingezet op communicatie over de inhoud van het ontwerp, zoals een themapagina in de stadskrant. Verder wordt tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een informatieavond gehouden. Dit gebeurt in overleg met de gebiedscoördinator en de wijkraden. In de procedure van het bestemmingsplan krijgen bewoners en geïnteresseerden informatie via een huis-aan-huisblad (wijkkrant) en de reguliere website. Iedereen kan een zienswijze indienen in de periode dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt. Op het moment dat het ontwerp ter inzage ligt wordt de Wijkraad Katendrecht - Wilhelminapier en de Wijkraad Afrikaanderwijk om advies gevraagd. Met RED Company is afstemming geweest. RED Company is de enige stakeholder die zich met haar eigendom van het FOR direct in het plangebied bevindt. Het FOR is met een vergunning van 10 jaar ontwikkeld en is toegestaan binnen de aanduiding voor het tijdelijk programma op het water. De wens van RED Company om eerder zekerheid te krijgen over een verlenging wordt nog besproken. Op termijn kan verplaatsing of verlenging worden afgewogen en kunnen benodigde procedures worden doorlopen.

95

96

Regels

97

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

INLEIDENDE REGELS

Begrippen

plan:

Het bestemmingsplan Rijnhaven met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP1141Rijnhaven- van de gemeente Rotterdam. 1.2

bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanbouw (uitbouw)

Een uitbreiding van het hoofdgebouw in één bouwlaag (hieronder wordt tevens een uitbouw begrepen). 1.4

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6

Achtererfgebied

Erf aan de achterkant van het oorspronkelijke hoofdgebouw en aan de zijkant(en) ervan, op meer dan 1 meter van de erfgrens aan de zijde van het openbaar toegankelijke gebied, alsmede op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.7

Archeologisch deskundige

Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.8

Archeologisch monument

Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet. 1.9

Ashoogte van een windturbine

De bouwhoogte van een windturbine exclusief het uiteinde van de rotor. 1.10

Bebouwing

Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.11

Bebouwingspercentage

Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen. 1.12

Bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is. 1.13

Bedrijven

De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels.

98

1.14

Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond

Het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond" dat als bijlage 4 is gevoegd bij de regels van dit plan of een herziening of wijziging van dit beleidskader. 1.15

Belwinkel

Een inrichting waarvan de bedrijfsvoering onder welke benaming dan ook is gericht op het ter plaatse tegen betaling bieden van gelegenheid tot elektronische berichtenuitwisseling in de vorm van telefonie of door middel van toegang tot het internet. Een op de openbare weg geplaatste telefooncel wordt hier niet onder begrepen. 1.16 a. b. c. d.

e.

Beperkt kwetsbare objecten

woningen, kantoorgebouwen, hotels, restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover deze objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; sporthallen, zwembaden, speeltuinen; sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; andere objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

1.17

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidt ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.18

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.19

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.20

Bouwaanduidingen

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.21

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=fe290cc2-7cd7-4bd1-9da9-f41afac323ca