CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb001257] Bijlage 1 behorende bij 23bb001265 over Ontwerpbestemmingsplan Rijnhaven

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 8 maart 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen44.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Bij het dempen en ophogen van het oostelijk deel van de Rijnhaven zal het uitgiftepeil ter plaatse van de drie bouwblokken op minimaal 4,00 meter boven NAP worden gebracht, hoger dan de advieshoogte voor waterbestendigheid. Bij dit uitgiftepeil is, ook bij de hogere hoge waterstanden die voor het jaar 2100 worden verwacht, de kans op water op het maaiveld (en daarmee de kans op waterschade) gering. Als er sprake is van een overstroming van het gebied rondom de drie bouwblokken dan zal de waterdiepte daarvan zeer waarschijnlijk beperkt zijn. Omdat de hoogte van het park afloopt naar de waterlijn toe is de kans op overstroming van het westelijk deel van het park aanzienlijk groter. Het park zal zo worden ingericht dat de schade daarvan beperkt zal zijn. Omdat het hier gaat om buitendijks gebied zijn bewoners en gebruikers zelf verantwoordelijk voor de waterveiligheid. Bij hoge waterstanden op het maaiveld kan evacuatie naar andere gebieden lastig zijn. Voor de gebruikers van de drijvende gebouwen is dat ook niet nodig. In het gebied komen daarnaast voldoende hoge gebouwen voor waar verticale evacuatie plaats kan vinden. Gezien het bovenstaande kan worden gesteld dat sprake zal zijn van een goede waterveiligheid en een lage kans op maatschappelijke ontwrichting. Nautische veiligheid Het plangebied ligt buiten de vrijwaringszone van 25 meter vanaf de begrenzing van de vaarweg.

De ontwikkelingen kunnen geen invloed hebben op de nautische veiligheid. Piekbelasting Door de ligging van het gedempte deel van de Rijnhaven direct naast buitendijks oppervlaktewater kan er bij hevige neerslag direct worden afgewaterd op het oppervlaktewater. Hierdoor zal de kans op wateroverlast door hevige neerslag gering zijn. Klimaatkansen Nuttig gebruik van afvalwater: De gemeente heeft als doel op de lange termijn om afvalwater te zien als grondstof. De geheel nieuw te realiseren forse bouwvolumes bieden goede kansen om de warmte van afvalwater (bijvoorbeeld douchewater of waswater) binnen het energiesysteem te gebruiken (Riothermie). Nuttig gebruik van regenwater: Beleid is standaard dat regenwater op eigen terrein moet worden opgevangen. Hierbij heeft het de voorkeur dat het opgevangen regenwater vervolgens nuttig wordt gebruikt. De ontwikkelingen in het gebied bieden kansen om opgevangen regenwater te gebruiken voor toiletspoeling of voor de klimaatbeheersing van gebouwen. Ook kan regenwater worden gebruikt op groene daken of voor groene gevels. Het groene dak zorgt ervoor dat een deel van het regenwater verdampt voordat het afgevoerd wordt. Het overschot wordt vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater. Groene daken en groene gevels hebben daarnaast het voordeel dat ze mitigerend werken bij hitte.

Opgeslagen regenwater kan in droge perioden gebruikt worden als gietwater voor het aan te leggen,

60

deels drijvende, park. Mitigatie Hittestress: De ontwikkelingen (demping, Rondje Rijnhaven, verleggen overstortbemaling) bieden goede kansen voor de realisatie van een stadsstrand waar Rotterdammers op warme dagen verkoeling kunnen vinden. Bij de ontwikkeling van de Rijnhaven is ook de aanleg van een park en een stadsstrand opgenomen, waardoor het plan bijdraagt aan het verminderen van hittestress. Door de aanwezigheid van het water van de Rijnhaven en na realisatie van het park zal er in het plangebied minder sprake zijn van hittestress dan in stedelijke gebieden zonder deze verkoelende elementen.

61

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam streeft ernaar om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit als totaal te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden.

Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen nieuwe bedrijven/activiteiten en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven/activiteiten, of welke bedrijven en activiteiten aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen.

In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

62

6.2.1

Plangebied en omgeving

De omgeving van de Rijnhaven geldt in het Rotterdamse beleid als een gemengd woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 3 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Het plangebied zelf is nu grotendeels water, maar zal na planrealisatie het karakter van de omgeving aannemen (gemengd woongebied). Het bestemmingsplan maakt geen bedrijfsactiviteiten hoger dan milieucategorie 2 mogelijk. In de praktijk laten activiteiten in milieucategorie 1 en 2 zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen, zeker wanneer sprake is van nieuwbouw, waar bij het ontwerp goed rekening kan worden gehouden met technisch noodzakelijke voorzieningen en bijvoorbeeld installaties. De drijvende parken en de zone met park en strandjes zijn gelegen op voldoende afstand van woningen en bij de inrichting kan zorgvuldig rekening worden gehouden met zonering, detaillering en voldoende afstand houden. Dit geldt ook voor de mogelijkheden in het tijdelijk programma en voor de locatie met de publiekstrekker. In de omgeving van het plangebied (op Katendrecht) zijn twee bedrijven gelegen met een hoge milieucategorie: » »

Codrico, een graanverwerkingsbedrijf in milieucategorie 4.1; Provimi, een mengvoederbedrijf in milieucategorie 5.1.

Voor deze bedrijfsactiviteiten gelden indicatieve afstanden tot woningen van 200 meter (Codrico) en 500 meter (Provimi). Deze afstanden zijn niet over de locaties gelegen waar het bestemmingsplan woningbouw mogelijk maakt. In de omgeving van het plangebied zijn ook drie stedelijke activiteiten die in te delen zijn in milieucategorie 3, te weten de metrostations Rijnhaven en Wilhelminaplein (categorie 3.2) en het Nieuwe Luxor theater (categorie 3.1). Voor de metrostations en het theater geldt dat in stedelijk gebied een afstand van 50 respectievelijk 30 meter tot woningen als passend wordt gezien. De activiteit rond de metrostations is geconcentreerd rond de in- en uitgangen. De in- en uitgangen zijn gelegen op afstanden van meer dan 50 meter tot nieuwe woningen. Voor het theater is de activiteit geconcentreerd rond de entree en gevel aan de kade en deze zijn gelegen op meer dan 30 meter tot nieuwe woningen. 6.2.2

Conclusie

In het plangebied van bestemmingsplan 'Rijnhaven' en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.

6.3

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, wegverkeer, spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden, maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen die in de Wet geluidhinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt (maar dit wel kunnen zijn) en naar de typologie en inrichting van de gebieden, zoals een levendig gebied met horeca, parken of plekken voor voorzieningen of installaties.

63

Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen. Plangebied In het bestemmingsplan Rijnhaven wordt de nieuwbouw van drie bouwblokken mogelijk gemaakt (C1, C2 en C3 op de onderstaande afbeelding). Elk bouwblok bestaat uit enkele vlakken waarin verschillende maximale bouwhoogtes zijn toegestaan: het gaat om middenhoogbouw tot 40 meter en torens tot 120 meter, 200 meter of 250 meter. Voor de ontwerpvrijheid is het lage binnengedeelte niet exact bestemd. Binnen de drie bouwblokken worden in totaal zo'n 2.500 tot 3.000 woningen mogelijk gemaakt.

Ten behoeve van het bestemmingsplan is geluidsonderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting van de relevante geluidsbronnen in de omgeving op de locaties waar gevels van woningen mogelijk worden gemaakt. Dit geluidsonderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. In het geluidsonderzoek is op een aantal rekenpunten per hoogtevlak (zoals hieronder met verschillende kleuren aangegeven), en op elke toegestane verdieping, de geluidsbelasting berekend. De relevante geluidsbronnen zijn drie geluidsbronnen die vallen onder de Wet geluidshinder: wegverkeer, railverkeer (de metro) en industrie. Soms zijn ook niet-wettelijke geluidsbronnen relevant, zoals 30 km/uur-wegen en scheepvaart. De scheepvaart over de Nieuwe Maas en de Koningshaven is echter door de grote afstand (meer dan 250 meter tot C1) niet relevant. En de nabijgelegen 30 km/uur-wegen zijn door het lage aantal vervoersbewegingen per etmaal evenmin relevant voor de geluidsbelasting op de ontwikkellocaties.

40\1

64

6.3.1

Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven. Tabel Breedte geluidszones langs wegen Soort gebied

Stedelijk- -gebied

Aantal rijstroken

1 of 2

3 of meer

1 of 2

3 of 4

5 of meer

200 meter

350 meter

250 meter

400 meter

600 meter

Zonebreedte

Buiten-

-stedelijk-

-gebied

Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 decibel (dB). Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen (snelwegen worden altijd als buitenstedelijk gezien) en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. In de onderstaande tabel zijn de resultaten van de geluidsberekening weergegeven. Geluidsbelastingen kleiner of gelijk aan de voorkeurswaarde van 48 dB worden niet weergegeven, er wordt in die gevallen zonder meer voldaan aan de Wet geluidhinder. Per bouwblok is per relevante weg de hoogste berekende geluidsbelasting op de gevel aangegeven.

Locatie

Weg

Rekenpunt

Hoogte rekenpunt M

[dB]

Erasmusbrug í+tramļ

C1,a [5]

73,5

51

Posthumalaan

CO [5]

7,5-22,5

ŮO

Veemstraat

C1Jĵ [5]

7,5-28,5

49

Overige

A Lie

Alle

s 48

Posthumalaan

C2-a [5]

4,5-25,5

61

Veemstraat

C2-a [5]

10,5-22,5

50

Overige

Alle

Alle

s 43

Posthumalaan

C2-a [6]

4,5-28,5

ĠO

Hillelaan

C3.c [7j

4,5-28,5

56

Laan op Zuid (*tram)

C3.c [ů]

145,5

49

Overige

Alle

Alle

s 43

C1

C2

C3

Uit de geluidsberekening blijkt dat de voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting op de gevel wordt overschreden door de geluidsbelasting vanaf enkele wegen (zoals te verwachten is in een stedelijk gebied). De maximaal hogere waarde die kan worden verleend (63 dB) wordt echter niet overschreden. De Posthumalaan en de Hillelaan zorgen op de lagere verdiepingen voor een relatief hoge geluidsbelasting op de naar deze wegen toegekeerde gevels. Op bouwblok C1 is de geluidsbelasting vanaf de Posthumalaan op de derde t/m de achtste bouwlaag 60 dB. Op bouwblok C2 is de geluidsbelasting vanaf deze weg op de tweede t/m de negende bouwlaag 61 dB. Op bouwblok is de

65

geluidsbelasting vanaf de Posthumalaan en de geluidsbelasting vanaf de Hillelaan op de tweede t/m de tiende bouwlaag respectievelijk 60 dB en 58 dB. De Erasmusbrug, Veemstraat en Laan op Zuid zorgen voor geluidsbelastingen die maar een paar dB boven de voorkeurswaarde liggen. 6.3.2

Railverkeer

Een bovengrondse metro moet worden gezien als een spoortraject met een geluidszone van 100 meter aan weerszijden. Bij nieuwbouw van geluidsgevoelige bebouwing binnen de zone van 100 meter moet de geluidsbelasting vanaf de metro op de gevels van de nieuwbouw worden berekend, en moet de uitkomst worden getoetst aan de geluidsnormen uit de Wet geluidhinder. Voor railverkeer geldt er een voorkeurswaarde van 55 dB voor de geluidsbelasting op de gevel. De maximaal toegestande geluidsbelasting vanwege railverkeer is 68 dB. Alleen bouwblok C3 ligt binnen de zone van 100 meter vanaf de metro. De maximaal berekende geluidsbelastingen vanwege de metro is 68 dB en is berekend op rekenpunt C3^ [10] op 16,5 meter hoogte. Dit betekent dat de geluidsbelasting vanwege het railverkeer op bouwblok C3 hoger is dan de voorkeurswaarde van 55 dB, maar niet hoger dan de maximaal toegestane geluidsbelasting van 68 dB. 6.3.3

Industrielawaai

In het Rijnmondgebied is reeds in de jaren '90 rond meerdere industrieterreinen waarop de zogenaamde grote lawaaimakers zich bevinden een geluidscontour van 50 dB(A) vastgesteld. Deze vastgestelde geluidscontour mag door de op het industrieterrein gelegen bedrijven niet worden overschreden. Het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de daaromheen vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontour is de geluidszone. De drie bouwblokken waarin nieuwe woningen worden toegestaan liggen binnen de geluidszone van het industrieterrein Maas- en Rijnhaven. Een deel van het plangebied ligt ook binnen de geluidszone van het industrieterrein Waal- en Eemhaven, maar de drie bouwblokken liggen buiten de geluidszone van het industrieterrein Waal- en Eemhaven. Daarom is alleen het industrieterrein Maas- en Rijnhaven een relevante geluidsbron voor dit bestemmingsplan. De geluidsbelasting vanaf dit industrieterrein op de drie bouwblokken is berekend. Uit de resultaten van deze berekening blijkt dat de voorkeurswaarde van 50 dB(A) vanwege industrieterrein Maas- en Rijnhaven niet wordt overschreden. De hoogste geluidsbelasting wordt berekend op het bouwblok C1 en bedraagt 49 dB(A). Het bestemmingsplan Rijnhaven voldoet dus zonder meer aan de wettelijke normen. Het is niet nodig hogere waarden industrielawaai vast te stellen. 6.3.4

Scheepvaartlawaai

Ten noorden van het plangebied is de Nieuwe Maas gesitueerd. Op de Nieuwe Maas varen schepen. Varende schepen produceren geluid en kunnen de omgeving belasten met geluidhinder. Voor het aspect scheepvaartlawaai bestaat geen wettelijk kader. Bij het formuleren van het beoordelingskader wordt daarom uitgegaan van een streefwaarde van 55 dB die overeenkomt met de voorkeurswaarde van spoorweglawaai. Deze waarde wordt gehanteerd vanwege de overeenkomst in de dosis-effectrelatie zoals die tussen railverkeerslawaai en scheepvaartlawaai bestaat. Het college van burgemeester en wethouders zullen de geluidsbelasting afkomstig van de scheepvaart in overweging nemen bij het vaststellen van een hogere waarde. In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht van de berekende geluidsbelastingen weergegeven vanwege de scheepvaart op de Nieuwe Maas bij de onderzochte ontwikkellocaties. Uit de resultaten blijkt dat de streefwaarde van 55 dB vanwege scheepvaart niet wordt overschreden. De hoogste geluidsbelasting wordt berekend op het locatie C1 en bedraagt 55 dB.

66

6.3.5

Afgemeerde schepen

Het geluid afkomstig van afgemeerde schepen in de Rijnhaven, de Maashaven en aan de Parkkade op de gevels van de nieuwe woningen is voor dit bestemmingsplan een relevante geluidbron. Dit geluid wordt nestgeluid genoemd. Voor het geluid afkomstig van schepen bestaat geen wettelijk kader. Het is echter wel een geluidbron die in het kader van een goede ruimtelijke ordening in overweging moet worden genomen bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen. Onder de Omgevingswet wordt de benodigde geluidwering van de gevels bepaald aan de hand van het gezamenlijke (gecumuleerde) geluid; dit is het energetisch opgetelde geluid van alle relevante wettelijke geluidbronnen (weg, rail, industrie en nestgeluid). De geluidsbelasting van afgemeerde schepen op de locaties waar het bestemmingsplan Rijnhaven nieuwe woningen mogelijk maakt is berekend. De bijdrage van nestgeluid van schepen is meegenomen bij de beoordeling van de geluidsbelasting op de nieuwbouwlocatie, waarbij achtereenvolgens volgens de normering uit de Wet geluidhinder en de Omgevingswet wordt getoetst. Daarnaast zijn de consequenties voor de geluidwering van de gevels bepaald, zodat deze ook onder de Omgevingswet voldoet. Uit de berekeningen blijkt dat de maximale geluidsbelasting vanwege nestgeluid 55 dB is. De maximale geluidsbelasting van industrie en nestgeluid gezamenlijk is 56 dB.

Op gevels waar de geluidsbelasting vanwege wegverkeer hoog is (aan de oostkant) is de gecumuleerde geluidsbelasting van weg, rail, industrie en nestgeluid niet hoger dan de geluidsbelasting van het wegverkeer alleen. Als de Omgevingswet in werking is getreden hoeven deze gevels niet met extra geluidwering te worden uitgevoerd. Aan de westkant wordt de geluidsbelasting op de gevels minder door wegverkeer bepaald, en meer door industrie en nestgeluid. Op deze gevels zorgt de gecumuleerde geluidsbelasting van weg, rail, industrie en nestgeluid ervoor dat (als de vergunning voor het bouwen onder de Omgevingswet wordt afgegeven) de gevelisolatie 1 of 2 decibel hoger moet zijn om aan het maximaal toegestane geluidniveau in de woningen (binnenwaarde) te voldoen. 6.3.6

Conclusie

Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige objecten, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige objecten), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: » » » » «

De hoogte van de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige geluidsbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt); De hoogte van de geluidsbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidsbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen); De gecumuleerde geluidsbelasting; Maatregelen aan de geluidsbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidsbelaste locatie; De regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidsluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB), en indien van toepassing over één geluidluwe buitenruimte beschikken.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer nieuwe geluidsgevoelige locaties in verschillende geluidszones liggen en de voorkeurswaarde vanwege meer dan één bronsoort wordt overschreden, moet de geluidsbelasting worden gecumuleerd. Dit betekent dat de geluidsbelastingen van verschillende bronnen (wegen, spoorwegen en industrie) bij elkaar worden opgeteld. Als er verschillende bronnen zijn die elk een hoge geluidsbelasting op de gevel veroorzaken, dan kan de gecumuleerde geluidsbelasting aanzienlijk hoger zijn dan de geluidsbelasting vanaf de geluidsbron met de hoogste bijdrage. De gecumuleerde geluidsbelasting moet worden betrokken bij de afwegingen om een nieuwe geluidsgevoelige bestemming toe te staan en hiervoor een hogere waarde vast te stellen. Bij bouwblok C3 is op een aantal rekenpunten sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde vanwege zowel wegverkeer als railverkeer (de metro). De Posthumalaan/Hillelaan zorgt voor hoge geluidsbelastingen op de bouwblokken, andere wegen vooreen lage geluidsbelasting. De gecumuleerde

67

geluidsbelasting van alle wegen samen is daardoor even hoog als de geluidsbelasting vanaf alleen de Posthumalaan/ Hillelaan. De gecumuleerde geluidsbelasting van het wegverkeer en het railverkeer is op een deel van de rekenpunten op bouwblok C3 rond de 1 decibel hoger dan de geluidsbelastingen van wegverkeer en railverkeer afzonderlijk. Omdat de gecumuleerde geluidsbelasting niet veel hoger is dan de geluidsbelasting per geluidsbron ziet de gemeente geen aanleiding om op basis van de gecumuleerde geluidsbelasting tot een andere conclusie te komen over de geluidsbelastingen per geluidsbron. Maatregelen Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidsbelastingen als hogere waarden vast te stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel de geluidskwaliteit kan worden verbeterd. In het akoestisch onderzoek is aangegeven welke maatregelen overwogen kunnen worden. Wegverkeer: Wat betreft maatregelen aan de geluidsbron zijn stille wegdekken, snelheidsverlaging en vermindering van (vracht)verkeer denkbaar. Omdat de Posthumalaan/Hillelaan voor verreweg de hoogste geluidsbelasting zorgt zijn maatregelen aan andere wegen niet doelmatig.

Gelet op de (toekomstige) ontwikkelingen binnen en in de directe omgeving van het plangebied is een vermindering van (vracht)verkeer op de Posthumalaan/Hillelaan niet aan de orde. Rotterdam is voorstander van het breed toepassen van snelheidsverlaging en invoering van 30 km/u zones is onderwerp van onderzoek naar de doelmatigheid van deze maatregel. Met het toepassen van stillere asfalttypes op de Posthumalaan/ Hillelaan zou de geluidsbelasting vanaf deze wegen met 2 a 3 dB kunnen worden teruggebracht. Ook als daarvoor wordt gekozen zou de geluidsbelasting vanaf deze wegen nog steeds ruim boven de voorkeurswaarde liggen. Bij overdrachtsmaatregelen kan worden gedacht aan afstandsvergroting en/of afschermende maatregelen (geluidsschermen). Voor het vergroten van de afstand tussen de wegen en de bouwblokken is te weinig ruimte. Geluidsschermen langs stedelijke wegen zijn vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt geen optie. Uit het bovenstaande blijkt dat bron- en/of overdrachtsmaatregelen mogelijk onvoldoende zijn om de geluidsbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken. Daarom moet bij woningen met een geluidsbelasting hoger dan 53 dB (de norm voor een geluidsluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam, zie hieronder) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd.

Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidsgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidsgevoelige ruimtes, vooral (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels. Railverkeer: Bij bouwblok C3 wordt naast de voorkeurswaarde van het wegverkeer ook de voorkeurswaarde van het railverkeer (55 dB) overschreden. Langs de voor de locatie akoestisch relevante delen van het spoor staan momenteel geen geluidschermen. Hier kan een geluidscherm worden geplaatst. Conform het reken en meetvoorschrift is een scherm tot 2 meter toelaatbaar (het effect van een hoger scherm moet met een apart onderzoek worden aangetoond). In het akoestisch onderzoek is berekend wat het effect van een dergelijk scherm is voor het geluid op locatie C3. Uit de rekenresultaten blijkt dat vooral op de lagere bouwlagen een geluidreductie tot wel 14 dB gerealiseerd kan worden. Op hogere bouwlagen (na een bouwhoogte van 20 meter) neemt het geluid reducerende effect echter sterk af tot 0 dB (het scherm schermt het geluid op de hogere bouwlagen niet af). Voor de kosten en doelmatigheid van een aanvullend geluidscherm is uitgebreid geluidonderzoek nodig dat buiten de kaders van het akoestisch onderzoek voor dit bestemmingsplan valt. Het plaatsen, verhogen en vervangen van geluidschermen direct langs het spoor is aan de spoorbeheerder RET.

Binnen het kader van het bestemmingsplan kunnen daarom geen bronmaatregelen worden voorgeschreven. Bron- en/of overdrachtsmaatregelen zijn mogelijk, maar kunnen niet in het bestemmingsplan worden geborgd, of zijn onvoldoende om de geluidsbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken. Voor woningen met een hogere geluidsbelasting dan de voorkeurswaarde geldt daarom hetzelfde als bij

68

wegverkeer. Geluidsluwe gevel Een van de belangrijkste criteria in het beleid dat de gemeente Rotterdam heeft voor het vaststellen van hogere toegestane geluidsbelastingen op de gevel van een woning is dat elke nieuwe woning in principe over ten minste één geluidsluwe gevel moet beschikken en indien van toepassing één geluidsluwe buitenruimte. Een geluidsluwe gevel is een gevel waarop de gecumuleerde geluidsbelasting niet hoger is dan 53 dB voor wegverkeer, 55 dB voor railverkeer en 50 dB(A) voor industrie. Dit geldt als een geluidsniveau waarbij men in het algemeen buiten kan zitten of het raam open kan laten staan, zonder dat de geluidsbelasting als hinderlijk wordt ervaren. Wegverkeer: De gecumuleerde geluidsbelasting vanaf de relevante 50 km/uur-wegen op de gevels van de bouwblokken is per bouwlaag berekend. Uit deze berekening blijkt dat de gevels gericht op de Posthumalaan en de Hillelaan, evenals delen van de noord en zuidgevels, niet geluidsluw zijn. De overige zijden van de locaties zijn wel geluidsluw. Realisatie van woningen die eenzijdig gericht op de Posthumalaan en Hillelaan of op de hoeken van de torens vragen aandacht bij de het ontwerp en de uitwerking van het plan. Bij de uitwerking van de woningen in een bouwplan is de ontwikkelaar verplicht om ervoor zorg te dagen dat in het uiteindelijke ontwerp iedere woning over een geluidsluwe gevel beschikt.

Railverkeer: De geluidsbelasting vanaf de metro op de gevels van bouwblok C3 is per bouwlaag berekend. Uit deze berekening blijkt dat bouwblok C3 beschikt over minimaal één geluidsluwe zijde. Het bouwblok als geheel voldoet daarmee aan het ontheffingsbeleid. Bij een deel van de woonblokken binnen het bouwblok zal een groot deel van de woningen niet zonder meer over een geluidsluwe gevel beschikken. Bij de definitieve bouwplannen zal het daarom aandacht vergen om alle woningen te laten voldoen aan het ontheffingsbeleid. Industrie: De voorkeurswaarde vanwege industrielawaai wordt op de locaties niet overschreden. Alle locaties zijn geluidsluw vanwege industrielawaai. Afweging Maatregelen om de geluidsbelasting op de gevel te verminderen tot de voorkeurswaarde ziet de gemeente niet als reële mogelijkheid: gezien de hoge kosten om de geluidsbelasting met een beperkt aantal decibel te verminderen, en aangezien er na het toepassen van maatregelen nog steeds sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarden. En vanwege de stedenbouwkundige, verkeerskundige en technische beperkingen die de bovengenoemde maatregelen met zich brengen. In het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder is opgenomen dat nieuwe woningen in principe ten minste één geluidsluwe gevel moeten hebben en indien van toepassing één geluidsluwe buitenruimte.

In de regels van het bestemmingsplan is bepaald dat elke woning over minimaal één geluidsluwe gevel, en indien van toepassing één geluidsluwe buitenruimte moet beschikken. Uit het geluidsonderzoek blijkt dat er bij elk van de drie bouwblokken geluidsluwe zijden zijn, meestal aan de binnenkant van het bouwblok. Ook zijn de daktuinen in de drie bouwblokken goed in te richten als geluidsluwe buitenruimten. Daarmee is het in theorie mogelijk om elke woning een geluidsluwe gevel en buitenruimte te laten hebben. In de praktijk kan echter blijken dat het alleen mogelijk is om tot een realiseerbaar ontwerp te komen, waarbij niet elke woning een geluidsluwe gevel heeft. Daarom is in de regels opgenomen dat burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen afwijken van de bepaling dat alle woningen ten minste één geluidsluwe gevel moeten hebben. Een afwijking kan gemotiveerd worden door de stedenbouwkundige structuur, bezonning, oriëntatie geluidsbronnen en het bieden van compensatie. Compensatie moet bijdragen aan een verbetering van het woon- en leefklimaat. In het plan voor de Rijnhaven zijn uitgangspunten en instrumenten meegegeven, waarmee de gemeente én ontwikkelende partijen aan de slag kunnen op deze uitdagende plek. Het bestemmingsplan is niet

69

(meer) het eindpunt voor milieuaspecten bij een planontwikkeling. De bebouwing aan de Posthumalaan zorgt voor optimale condities voor de realisatie van een stadspark in de Rijnhaven, autovrij, geen blokkade op zon en met geluidsafschermde werking voor metro en het wegverkeer. Daarmee geven we heel de stad én de bewoners van de Rijnhaven en omgeving een fraai nieuw stadspark waar men kan recreëren en waar rust en reuring te vinden is. De bebouwing aan de Rijnhaven heeft de vorm van bouwblokken met torens, waardoor geluidsluwe ruimte als compensatie te ontwerpen is. In het stedenbouwkundig plan (in afrondende fase) is uit te werken hoe de daken op de Rotterdamse laag én in de torens tot groene/collectieve ruimtes voor bewoners gerealiseerd kunnen worden. Om ontmoeting Z gemeenschap te stimuleren, maar ook als mogelijke compensatie kunnen dienen. Een stevig gemengd programma is planologisch verankerd, waarin meer dan alleen wonen boven een stedelijke plint. Minimaal een kwart bestaat uit andere functies dan wonen (vaak niet-geluidgevoelig), wat betekent dat er door slim positioneren op geluidsbelasting ontworpen kan worden. Veel van de woningen hebben in potentie een geluidsluwe gevel en er zijn mogelijkheden om deze in het ontwerp te realiseren, zoals oriëntatie en ontsluitingsprincipes van woningen (bijv. galerij vs.

portiek), dubbele gevels, uitkragingen/teruglegging van gevelvlakken (afstand vergroten of afscherming). Die ruimte/vrijheid zit in het bestemmingsplan door ruime bouwenveloppen, met meer strenge regels voor de volumes in stedenbouwkundig plan, waarbij ontwerpen op aspecten zon, wind en geluid ook benoemd worden. De inclusieve programmering, vastgelegd in masterplan en stedenbouwkundig plan, is ook een ontwerpmiddel. Zowel grote als kleine woningen, huur- als koopwoningen, alles kan ook bij ontwerpen op geluid ingezet worden. Een grote woning kan bijvoorbeeld makkelijker een geluidsluwe gevel hebben door die woning slim te positioneren in het blok. En als er woningen gerealiseerd worden op locaties in een blok met een geluidsbelasting boven de voorkeurswaarde én zonder geluidsluwe gevel en/of afdoende compensatie, dan zijn deze in bepaald segment/type te zetten. Waarbij te denken is aan shortstay, studentenhuisvesting, et cetera waardoor de bewoning niet langdurig is. Om dit ontwerpen op alle aspecten naar optimaal resultaat in te zetten, is er in de planvorming flink wat gereedschap. Ontheffing hogere grenswaarden is en blijft in die gereedschapskist ook nodig. Naast instrumenten voor de planontwikkeling neemt Rotterdam bronmaatregelen. Deze bronmaatregelen zijn niet allemaal onderdeel van het bestemmingsplan of de gebiedsontwikkeling.

Dat betekent dat we in de onderzoeken met heden (''worst case'') rekenen, en onderstaande bronmaatregelen tot verbetering leiden: » »

« »

Posthumalaan/Hillelaan naar 30km7u, besluit genomen, een uitvoeringsplan in opstelling; Upgrade metrostation Rijnhaven om meer OV-reizigers te kunnen accommoderen, door meerdere entrees, OV en deelmobiliteit een meer aantrekkelijke optie dan automobiliteit te laten zijn en waarbij ook de geluidshinder van de metro aangepakt kan worden, bijvoorbeeld door de overkapping te verlengen / schermen te plaatsen. Een studie naar de upgrade gaat in 2022 lopen met MRDH en staat op meedere lijsten voor financiering. Verlegging van de weg-as Hillelaan, naar andere zijde van het metrostation, bij herinrichting ervan. Dit is vooral van belang voor studies voor blok C3. Hogere band aanleggen bij de herinrichting Posthumalaan / Hillelaan zijn maatregelen op het niveau van de inrichting en uitvoering van het bestemmingsplan.

Om de hierboven genoemde redenen zullen burgemeester en wethouders de berekende geluidsbelastingen die hoger zijn dan de voorkeurswaarden als hogere waarden vaststellen, voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het besluit hogere waarden wordt als bijlage in de toelichting opgenomen.

70

6.4

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: « » » » »

er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

71

6.4.1

Plangebied

Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (tot 30Zo van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en ten minste twee ontsluitingswegen. In het bestemmingsplan Rijnhaven worden zo'n 2.500 tot 3.000 woningen én een omvangrijk programma aan niet-woonfuncties mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan Rijnhaven draagt dus wel in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Dit betekent dat met een luchtkwaliteitsberekening na moet worden gegaan of de ontwikkeling van de Rijnhaven al dan niet voor een overschrijding van de grenswaarden zorgt. Bij het nagaan of een ontwikkeling in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging hoort ook dat er wordt gekeken of er sprake is van cumulatie met andere ontwikkelingen in de omgeving. Als ontwikkelingen die in ongeveer dezelfde tijd plaatsvinden binnen 1 kilometer afstand van elkaar zijn gelegen, en voor meer dan 500Zo van dezelfde ontsluitingsweg gebruik maken, dan moeten deze ontwikkelingen voor de toets aan de grenswaarden als één ontwikkeling worden gezien.

Uit een verkeersanalyse uitgevoerd voor de bestemmingsplannen Kop van Zuid en Katendrecht blijkt dat circa 3507o van het verkeer van/naar het schiereiland Katendrecht over de Posthumalaan/Hillelaan gaat en dat circa 320Zo van het verkeer van/naar het schiereiland Kop van Zuid over deze route gaat. Voor het bestemmingsplan Rijnhaven is het aannemelijk dat voor de verkeersafwikkeling ongeveer hetzelfde geldt als voor Kop van Zuid. Er is daarom geen sprake van cumulatie tussen de ontwikkeling Rijnhaven en de ontwikkelingen op Katendrecht. Met de vaststelling van Kop van Zuid in 2021 zijn de ontwikkelingen in dat plan onderdeel geworden van de autonome ontwikkeling. De verkeerseffecten van die ontwikkelingen zijn meegenomen in de verkeersmodellen die als uitgangspunt hebben gediend voor de onderzoeken. 6.4.2

Resultaten

Met AERIUS Lucht (versie 2020) zijn de concentraties en wegbijdragen (voor 2030) ten gevolge van de ontwikkeling berekend voor het zichtjaar 2030. Zie Bijlage 5. In onderstaande tabel 1 zijn de berekende concentraties en bijdragen weergegeven voor de componenten NO2, PM10 en PM2.5. Tabel 1. Maximale concentraties na ontwikkeling Rijnhaven ten opzichte van de grenswaarden Concentratie N02 [Įig/m3]

Concentratie PM [|jgŕm3]

Concentratie PM: [Įig/m3]

Na ontwikkeling Rijnhaven Grens waa rde

De grootste toename in NO2 bedraagt 2,1 gg/m3. Deze toename wordt berekend op een rekenpunt naast de nieuwe toegangsweg tot het plangebied. De NO2 concentratie op dit rekenpunt bedraagt 25,5 gg/m3. De maximale NO2 concentratie na de ontwikkeling van de Rijnhaven bedraagt 33,2 gg/m3, zie tabel 1. Deze maximale NO2 concentratie vinden we terug langs Westblaak. De berekende toenames in NO2 concentraties op de rekenpunten rondom het plangebied zijn weergegeven in figuur 2 in Bijlage 5. Voor PM10 betreft de maximale toename in concentratie 0,4 gg/m3 en voor PM2.5 betreft de maximale toename in concentratie 0,1 gg/m3. De grenswaarde van 40 gg/m3 wordt dus nergens overschreden. De maximale concentraties voor PM10 en PM2.5 bedragen respectievelijk 20,5 en 10,8 gg/mtè. Hiervoor worden de grenswaarden van respectievelijk 40 en 25 gg/m3 eveneens niet overschreden.

72

6.4.3

Conclusie

De effecten op de luchtkwaliteit als gevolg van de verkeersaantrekkende werking door de ontwikkelingen in de Rijnhaven zijn berekend. Hieruit volgt dat binnen 3 km van het plangebied op geen enkel NSL toetspunt of zelf gedefinieerd rekenpunt, de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 worden overschreden. Er is sprake van een beperkte toename van de concentratie van de NO2, namelijk 5,207o van de grenswaarde. Deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect, te weten de binnenstedelijke verdichting en bouw van 2.500 a 3.000 woningen en overige stedenlijke functies op een locatie nabij het openbaar vervoer en voorzieningen. Hierdoor is aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling aan de Rijnhaven in Rotterdam op grond van art 5.16, lid 1 sub a voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

6.5

Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.5.1

Plangebied

De Indicatieve Bodemkwaliteitskaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Deze indicatie wordt echter alleen gegeven voor de landbodem. Het plangebied van bestemmingsplan Rijnhaven bestaat nu nog bijna volledig uit water. Alleen op de hoek van de Antoine Platekade en de Tillemakade is land aanwezig, ingericht als park. De algemene bodemkwaliteit (0 - 2 m onder maaiveld) in dit gebied wordt gekenmerkt als licht verontreinigd, en is daarmee in principe geschikt voor woningen. Het bestemmingsplan voorziet binnen dit gebied echter niet in (woning)bouw maar in verblijfsgebied, waarbij dit gedeelte op hetzelfde niveau als het te dempen gebied zal worden gebracht (ophoging). Het dempen van een deel van de Rijnhaven is mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan, en de werkzaamheden daarvoor (o.a. baggeren) zijn al aangevangen. Ten behoeve van de bagger- en dempingswerkzaamheden zijn er verschillende bodemkwaliteitsonderzoeken uitgevoerd. Voor het bestemmingsplan Rijnhaven is de kwaliteit van de bodem nadat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd van belang. Het vervuilde slib wordt zo veel mogelijk verwijderd en afgevoerd. Het vervuilde slib dat niet wordt verwijderd zal afdoende worden afgedekt door de grond die bij het dempen wordt gebruikt. Deze grond zal ten minste de kwaliteitsklasse Wonen hebben.

Hierdoor staat vast dat na demping de kwaliteit van de bodem in het plangebied geschikt is voor de realisatie van de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen en andere functies.

73

6.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op-en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spooren buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden.

In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR). Risicobronnen Voor het bestemmingsplangebied Rijnhaven is één risicobron relevant, het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas. De veiligheidsafstanden uit het provinciale oeverbeleid liggen niet over het plangebied. Maar het groepsrisicoaandachtsgebied van 200 meter vanaf de Nieuwe Maas ligt voor een klein deel over het plangebied. Dit blijkt uit de onderstaande afbeeling. De Nieuwe Maas (het deel daarvan waarover transport van o.a. gevaarlijke stoffen plaatsvindt) is donkerblauw weergegeven.

De grens ven het groepsrisicoaandachtsgebied ligt over de Rijnhaven net ten zuiden van de Antoine Platekade.

74

Het groepsrisicoaandachtsgebied van het vervoer van gevaarlijke over het spoor ligt niet over het plangebied. Ook het invloedsgebied voor toxische stoffen van 750 meter ligt net niet over het plangebied. Het spoor is daarmee geen relevante risicobron voor het bestemmingsplan Rijnhaven. Andere risicobronnen liggen verder weg en zijn dus eveneens niet relevant. 6.6.1

Transport gevaarlijke stoffen over water

Voor het bestemmingsplan Rijnhaven is alleen het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas relevant, omdat een klein deel van het plangebied binnen het groepsrisicoaandachtsgebied ligt. Het groepsrisico binnen het aandachtsgebied en een eventuele stijging van het groepsrisico door de planontwikkeling moeten daarom worden verantwoord. Bij het bestemmingsplan Kop van Zuid is een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat het groepsrisico, met de ontwikkelingen binnen dat bestemmingsplan meegenomen, kleiner is dan 0,107o (0,001 maal) van de oriëntatiewaarde. Deze rekenuitkomst komt overeen met de eindrapportage voor het Basisnet Water. Daarin wordt op basis van een risicoanalyse de conclusie getrokken dat dermate veel vervoer per binnenvaartschip vervoerd mag worden, voordat er een relevant groepsrisico aanwezig is, dat dit niet realistisch is. Bij de risicoanalyse die hieraan ten grondslag ligt, is rekening gehouden met een groei van maximaal een factor 10. Het deel van de Rijnhaven dat binnen het groepsrisicoaandachtsgebied ligt maakt geen ontwikkelingen mogelijk. Dit betekent dat het groepsrisico bij het bestemmingsplan Rijnhaven eveneens kleiner is dan 0,10Zo van de oriëntatiewaarde, en dat dit bestemmingsplan niet voor een stijging van het groepsrisico zorgt. 6.6.2

Conclusie

Vaarweg Nieuwe Maas

75

Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas is niet beperkend voor dit bestemmingsplan. Het groepsrisico is kleiner dan 0,001 (0,10Zo) maal de oriëntatiewaarde, de ontwikkelingen van dit plan hebben geen invloed op het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Het groepsrisico van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas blijft zeer ruim onder de oriëntatiewaarde en neemt door de ontwikkeling van de Rijnhaven niet toe. Het groepsrisico moet door het bestuur worden verantwoord bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. Volgens het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam geldt voor deze risicobron een lichte verantwoording van het groepsrisico. Het groepsrisico geeft geen beperkingen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de definitieve inrichting van de te ontwikkelen locaties dient ten aanzien van de blusvoorzieningen en bereikbaarheid door hulpdiensten advies te worden gevraagd bij de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond. Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.

6.7

Natuur

6.7.1

Inleiding

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: » » » «

het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies.

De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar1 betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets).

Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

76

6.7.2

Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Plangebied Het plangebied maakt onderdeel uit van de ecologische structuur die op de Natuurkaart Rotterdam zijn aangeduid als kerngebied Getijdenrivier. Daarnaast wordt de potentie weergegeven om de kades van de Rijnhaven te vergroenen. Fysieke negatieve effecten op de Rotterdamse structuur worden door de voorgenomen werkzaamheden in de haven echter niet verwacht. De potentie voor het vergroenen van de kades en de potentie voor de aanleg van getijdennatuur worden in dit project juist bevorderd. 6.7.3

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Natura 2000 Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende Natura 2000-gebieden aanwezig, te weten: 'Solleveld en Kapittelduinen', 'Biesbosch', 'Oude Maas', 'Westduinpark à Wapendal', 'Nieuwkoopse Plassen à De Haeck' en 'Broekvelden, Vettenbroek à Polder Stein'. Gelet op de afstand van meer dan 10 kilometer tot Natura 2000-gebieden, en de aard van de ontwikkeling (voornamelijk woningbouw) zijn directe effecten (zoals verstoring, effecten op waterhuishouding en dergelijke) op voorhand uit te sluiten. Effecten die wel op grotere afstand kunnen plaatsvinden zijn de effecten van depositie als gevolg van toename van stikstofemissies.

Stikstof die in de omgeving wordt uitgestoten komt daarbij terecht in de natuurgebieden, wat een schadelijk effect heeft op beschermde soorten. Natura 2000-gebieden waar sprake is van overbelasting als gevolg van stikstofdepositie betreffen ‘Solleveld en Kapittelduinen’, ‘Biesbosch’, ‘Westduinpark à Wapendal’, ‘Nieuwkoopse Plassen à De Haeck’. Deze gebieden liggen op meer dan 20 km afstand van het plangebied. Voortoets stikstofdepositie De aanleg en het gebruik van de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan Rijnhaven kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Om na te gaan of dat het geval is is onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 7 bij de toelichting gevoegd. Met het programma AERIUS Calculator 2021 zijn berekeningen uitgevoerd voor de beoogde eindsituatie met bijhorende verkeersgeneratie en de aanlegfase, om inzicht te geven in de eventuele bijdrage van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden. Op grond van de stikstofberekeningen kunnen significant negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten wanneer het plan niet leidt tot een depositietoename op een stikstofgevoelig habitattype/leefgebied waar de kritische depositiewaarde (bijna) wordt overschreden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=fe290cc2-7cd7-4bd1-9da9-f41afac323ca