CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb001154] Bijlage 2 behorende bij 23bb1152 - Ecologische beoordeling Buisleiding RoCa

Gemeenteraad 23 februari 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan buisleiding RoCa'.15.822 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.5

Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Het Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein is op 24 maart 2000 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken aangewezen als Natura 2000-gebied. Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein betreft een Vogelrichtlijngebied. Het Habitatrichtlijngebied is aangemeld voor de communautaire lijst, maar is er nog geen aanwijzingsbesluit opgesteld en zijn er nog geen doelen geformuleerd voor habitattypen en habitatsooren. De instandhoudingsdoelen zijn in Tabel 3.5.1 tot en met 3.5.3 weergegeven. Daarin zijn ook de aangemelde habitattypen en -soorten benoemd. In de hierna volgende tabellen vindt de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats. Groen gemarkeerde doelen worden niet nader beschouwd.

25

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

3.5.1

Habitattypen Tabel 3.5.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein) (Aanmelding). Kritische Kwal / Hoogste Doel Hoogste depositietrend achterOmplanbijwaarde Habitattypen grondRelevant vang/ drage waarde4 (KDW)3 kwal (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H6430A Ruigten en zomen Nee, niet stikstofgevoelig moerasspirea H6510B Glanshaver- en Nee, geen (naderende) vossenstaarthooilan overschrijding KDW. 0,02 1571 1308 den grote vossenstaart

Voor beide habitattypen geld dat deze in aanmelding zijn en dat er nog geen doelen zijn geformuleerd. Het habitattypen H6430A Ruigten en zomen moerasspirea is niet stikstofgevoelig. Negatieve effecten van stikstofdepositie kunnen voor dit habitattype dan ook worden uitgesloten. Voor het habitattype H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden grote vossenstaart is wel sprake van een planbijdrage, maar dit betreft niet (naderend) overbelast gebied. Ook voor dit habitattype kunnen negatieve effecten van stikstofdepositie dus worden uitgesloten.

3.5.2

Habitatsoorten Tabel 3.5.2: Afbakening habitatsoorten Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (Aanmelding). Doel Behalen Habitatsoort Pop/Omvang/ doel? Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie Kwal H1134 Bittervoorn Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. H1149 Kleine Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze modderkruiper soort. H4056 Platte Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze schijfhoren soort.

De bittervoorn, kleine modderkruiper en platte schijfhoren zijn in aanmelding. Er zijn voor deze soorten nog geen doelen geformuleerd. Binnen het Natura 2000-gebied is geen sprake van een planbijdrage op (naderend) overbelast leefgebied van deze soorten. Negatieve effecten van stikstofdepositie kunnen voor deze soorten dan ook worden uitgesloten.

26

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

3.5.3

Niet-broedvogelsoorten Tabel 3.5.3: Afbakening niet-broedvogels Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (aanwijzingsbesluit). Doel Niet-broedvogelsoort Omvang/Kwal/ Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie Pop A037 Kleine zwaan = = 40 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze vogelsoort. A050 Smient = = 7500 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. A051 Krakeend = = 70 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. A056 Slobeend = = 50 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort.

Voor alle niet-broedvogelsoorten geldt dat stikstof niet relevant is voor het leefgebied. Voor deze niet-broedvogelsoorten is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie uit te sluiten.

27

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

4

Conclusie afbakening instandhoudingsdoelstellingen ten behoeve van fase 2 In onderstaande tabel worden alle habitattypen weergegeven die voortkomen uit de afbakening van Hoofdstuk 3. In de tabel is te zien welke habitattypen er in welke Natura 2000-gebieden relevant zijn voor de ecologische analyse. Tabel 4.1. Overzicht habitattypen in de Natura 2000-gebieden welke nader onderzocht worden in fase 2. Habitattypen KDW Natura 2000-gebied H2130A *Grijze duinen, kalkrijk 1071 Meijendel en Berkheide H2130B *Grijze duinen, kalkarm 714 Meijendel en Berkheide H6120 *Stroomdalgraslanden 1286 Uiterwaarden Lek H6410 Blauwgraslanden 1071 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) 1429 Uiterwaarden Lek H7140A Overgangs- en trilvenen trilvenen 1214 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck H91D0 *Hoogveenbossen 1786 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

De bovenstaande habitattypen worden wel nader beschouwd in de ecologische analyse. Voor een toelichting van de afbakening wordt verwezen naar Hoofdstuk 3. In onderstaande tabel worden alle vogelsoorten en habitatsoorten weergegeven die voortkomen uit voorgaande afbakening. In onderstaande tabel is te zien het alleen bruine kiekendief in de Biesbosch (instandhoudingsdoel als broedvogel) betreft. Tabel 4.2. Overzicht vogelsoorten en habitatsoorten in de Natura 2000-gebieden. Vogelsoorten en habitatsoorten Natura 2000-gebied A081 Bruine kiekendief Biesbosch

In de ecologische analyse worden leefgebieden voor deze vogelsoort niet meegenomen. Bij leefgebieden gaat het om meer complexe relaties tussen onder andere de stikstofdepositie, chemische veranderingen in bodem en water, vegetatiesamenstelling en -structuur en doorwerking in voedselketens, die uiteindelijk kunnen leiden tot kwaliteitsverlies voor soorten, die in de Natura 2000-gebieden bescherming genieten. Er zijn nauwelijks directe effecten van stikstofdepositie op deze soorten. Bij de effecten gaat het daarnaast om zeer kleine (en tijdelijke) toenames van de depositie in gebieden. Als deze toenames al tot effecten leiden, grijpen deze het eerst aan op het niveau van de standplaats en vegetatiesamenstelling. Uitwerking hiervan vindt plaats via de habitattypen. Habitattypen reageren directer, en meestal kritischer op depositietoenames dan soorten, en zijn daarmee geschikter als effectindicator. Negatieve effecten van de kleine (tijdelijke) planbijdrage kunnen voor deze vogelsoort op voorhand worden uitgesloten.

28

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

5

Ecologische analyse kritische habitattypen Bij de ecologische beoordeling is gebruik gemaakt van de reeds beschikbare informatie. De profielen van de habitattypen en de PAS- gebiedsanalyses dienen als basis voor de ecologische beoordeling. Beheerplannen zijn gebruikt als aanvulling op de informatie uit de profielen van de habitattypen en de PAS- gebiedsanalyses. Voor een algemene beschrijving van het tijdelijke effect wordt verwezen naar paragraaf 2.6.

5.1

H2130A Grijze duinen (kalkrijk) In het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide is sprake van een tijdelijke planbijdrage (0,01 mol/ha/jr) op dit habitattype op (naderend) overbelast gebied. Het instandhoudingsdoel voor dit habitattype is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit in het Natura 2000-gebied Meijdendel & Berkheide. Dit subtype komt vooral voor in de van nature kalkrijke duinen ten zuiden van Bergen, maar lokaal ook in de niet-ontkalkte jonge duinen van enkele Waddeneilanden. Een bijzondere vorm is het duingrasland van het ‘zeedorpenlandschap’. Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 71% van het habitattype overbelast is (uitgangsjaar 2015). Er is 575 ha aan kalkrijke grijze duinen aanwezig in het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Hiervan komt 406 ha voor in vlakken die geheel uit kalkrijk grijs duin bestaan, het overige oppervlak komt voor in samengestelde vlakken samen met andere habitattypen (H2120, H2130B, H2160, H2190). In Meijendel is 329,4 ha aan kalkrijk grijs duin aanwezig, in Berkheide ruim 244 ha en in de natuurontwikkelingsgebieden in de binnenduinrand nog eens 1 ha. Het grootste aaneengesloten oppervlak van dit habitattype is te vinden in Meijendel ten westen van het fietspad (in de deelgebieden Zeereep Meijendel en Helmduinen en Prinsenduin).

Verder is het habitattype over grote oppervlaktes aanwezig in de deelgebieden Langestrook, Tafelberg, ’t Scheepje, Uilenbosch en Waalsdorp en Kijfhoek, Bierlap, Meeuwenhoek. In het oosten van Meijendel is het type veelal in mozaïek aanwezig met andere habitattypen (H2130B, H2160, H2190). Berkheide bestaat voor een groot deel uit kalkrijke grijze duinen. Vooral in het noordelijke deel zijn veel bijzondere plantensoorten aanwezig. Op basis van de kwaliteit van de aanwezige vegetaties kan, ten aanzien van H2130A Grijze duinen, kalkrijk, worden geconcludeerd dat de kwaliteit van het habitattype in Meijendel over het algemeen goed is. De trend is echter negatief. Het habitattype grijze duinen (kalkrijk) is gebaat bij beperkte overstuiving met kalkrijk zand en zoutspray. Voorts zijn sturende processen ontkalking, bodemvorming en biomassaontwikkeling. Het habitattype ontstaat door geleidelijke stabilisatie van witte duinen of ook door retrograde successie uit duindoornstruweel, maar dan ook in de vorm van duinroosvegetaties. Om verzuring te remmen is geregelde verstuiving met vers zand en een vitale konijnenpopulatie nodig. Knelpunten ontstaan grotendeels als gevolg van vergrassing en/of verstruweling. De verbeteropgaven in de diverse gebieden richten zich ook op het tegengaan van vergrassing en verstruweling en het op gang brengen van kleinschalige verstuiving.

Verhoogde stikstofdepositie, en wegvallen van dynamiek en konijnenbegrazing, die mede veroorzaakt worden door de stikstofdepositie, versnellen de natuurlijke successie, waardoor vergrassing en verstruweling 29

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

optreedt. De natuurlijke processen in het duingebied worden gestimuleerd door mogelijkheden tot verstuiving toe te laten en te bevorderen binnen het zeereepbeheer. Gezien de zeewerende functie van de duinen (en andere functies als recreatie, waterwinningen een gastransportleiding) is er weinig ruimte voor grootschalige verstuivingen en zal aanvullend beheer noodzakelijk blijven. Het planeffect zal de ontwikkeling in dit Natura 2000 gebied niet belemmeren. Conclusie Gezien de zeer geringe, tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van het plan, in combinatie het wegvallen van dynamiek en konijnenbegrazing die als sleutelfactoren bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling (en waar het plan geen invloed op heeft), is er geen sprake van een belemmering van de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van dit habitattype. Een significant negatief effect is uitgesloten.

5.2

H2130B Grijze duinen (kalkarm) In het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide is sprake van een tijdelijke planbijdrage (0,01 mol/ha/jr) op dit habitattype op (naderend) overbelast gebied. Het instandhoudingsdoel voor dit habitattype is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit in het Natura 2000-gebied Meijdendel & Berkheide. Het habitattype betreft de min of meer droge graslanden van het duingebied (en vergelijkbare plaatsen in aangrenzende delen van het kustgebied). Het gaat hierbij om soortenrijke begroeiingen met dominantie van laagblijvende grassen, kruiden, mossen en/of korstmossen. Vermengd met deze begroeiingen kunnen kruidenrijke zoombegroeiingen graslanden met dominantie van de dwergstruik duinroos (Rosa pimpinellifolia) voorkomen. Vooral in dit subtype kunnen korstmossen een opvallende plaats innemen. Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is (uitgangsjaar 2015). Er is in totaal 299 ha aan kalkarme grijze duinen aanwezig in het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Hiervan komt 157 ha voor in vlakken die geheel uit kalkarm grijs duin bestaan, het overige oppervlak van het type komt voor in samengestelde vlakken met andere habitattypen (H2130A, H2160).

In Meijendel zijn grote oppervlaktes kalkarm duingebied aanwezig ten oosten van het fietspad Pompstationweg tot aan de Wassenaarse Slag in de deelgebieden Kijfhoek, Bierlap, Meeuwenhoek, Vallei Meijendel en De Loopert. In de deelgebieden Harstenhoek en Uilenbosch en Waalsdorp zijn eveneens grote aaneengesloten kalkarme duingraslanden aanwezig. In Berkheide zijn relatief kleine oppervlakten aanwezig. Grotere aaneengesloten oppervlakten liggen verspreid in de deelgebieden Valleien en duinen Midden Berkheide (Knollentjesdel) en Binnenduinrand Katwijk (Tasjesduin). In totaal gaat het om circa 48 ha in Berkheide, circa 251 ha in Meijendel en 1 ha in de natuurontwikkelingsgebieden in de binnenduinrand. De kwaliteit van het habitattype H2130B Grijze duinen, kalkarm, laat een wisselend beeld zien. Aaneengesloten vlakken met een goede kwaliteit worden afgewisseld met een matige kwaliteit. De kwaliteit is de afgelopen decennia achteruit gegaan, zowel qua oppervlakte als kwaliteit. Het habitattype Grijze duinen (kalkarm) heeft regelmatige overstuiving met zand nodig om verzuring te beperken. Daarnaast spelen ‘salt spray’ en lichte bodemvorming een belangrijke rol bij de ontwikkeling van dit habitattype. Het habitattype ontstaat door geleidelijke stabilisatie van Witte duinen of door geleidelijke ontkalking van kalkrijke Grijze duinen onder voedselarme 30

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

omstandigheden. Het subtype komt voor op kalkarm duinzand, en op kalkrijk duinzand dat in de eerste paar decimeters zo ver is ontkalkt dat zwak tot matig zure omstandigheden zijn ontstaan. De hoge stikstofdepositie (overschrijding van de kritische depositiewaarde) in combinatie met een gebrek aan dynamiek hebben geleid tot vergrassing (onder andere Duinriet) en verstruweling (met name Duindoorn). Lokaal domineren mossoorten als grijs kronkelsteeltje en gewoon haarmos. Er treedt eveneens verruiging op door periodes met lage konijnenstand. Voor een groot aantal sleutelfactoren geldt dat het plan hier geen invloed op heeft. Conclusie Gezien de zeer geringe, tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van het plan, in combinatie het belang van het wegvallen van dynamiek en konijnenbegrazing die naast stikstofdepositie als sleutelfactoren bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling (en waar het plan geen invloed op heeft), is er geen sprake van een belemmering van de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van dit habitattype. Een significant negatief effect is uitgesloten.

5.3

H6120 Stroomdalgraslanden Alleen in het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek is sprake van een tijdelijke planbijdrage (0,01 mol/ha/jr) op dit habitattype, op overbelast gebied. Het instandhoudingsdoel voor dit habitattype is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit in het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek. Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is (uitgangsjaar 2015). Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een planbijdrage op overbelast oppervlak op 2,7 ha., op naderend overbelast oppervlak op 10,1 ha. en op niet (naderend) overbelast oppervlak op <0,01 ha van H6120 Stroomdalgraslanden. De grootste aaneengesloten oppervlakte van dit habitattype in de Uiterwaarden Lek is gelegen in de Koekoekswaard (ruim 3 ha.). Kleinere gebieden zijn momenteel aanwezig in De Horde, de Willige Langerak, De Bol en in de Achthovense uiterwaarden. Voor het habitattype H6120 stroomdalgraslanden is een zandige bodem een eerste voorwaarde. Deze zandbodem is als een oeverwal van de rivier de Lek in de loop van de afgelopen eeuwen afgezet. Een deel van het afgezette zand verstuift vervolgens tot rivierduinen. Het aanwezige reliëf zorgt voor veel verschillen in micromilieus; in het algemeen is dat droog en zonnig. Door het inperken van de rivier door kades, strekdammen en stuwen, is dit proces grotendeels tot staan gebracht.

Indien de oeverwallen in hun huidige vorm behouden blijven, is er dus ruimte voor dit habitattype om zich hier in stand te houden en te ontwikkelen zolang ook aan andere voorwaarden voldaan wordt. Verder dient het systeem ook enige dynamiek te kennen. Dat is nodig om de standplaats te voorzien van mineralen, omdat anders door uitspoeling de standplaats verzuurd. Dynamiek draagt ook bij aan het creëren van open plekken in de vegetatie, waar planten kunnen kiemen. Vooral voor de vele pionierssoorten van dit habitattype is het nodig dat dergelijke open plekken bestaan. De lagere delen van het Natura2000-gebied overstromen regelmatig. Hierbij wordt zand en fijner materiaal afgezet en ontstaan open plekken door erosie. Op de hogere delen, waar het habitattype vooral voorkomt, zijn inundaties schaars of komen helemaal niet meer voor. Mineraalaanvoer via water is hier dus beperkt of afwezig. Via rivierwater in de wortelzone kan nog wel wat mineralen aangevoerd worden. Soorten als 31

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

kattendoorn en sikkelklaver wortelen diep. Konijnen zorgen door graven lokaal voor de aanvoer van wat mineraalrijker dieper gelegen zand, terwijl verstuiving van zand van de strandjes ook enige invloed heeft. Op de hoogste plekken, zoals het oostelijke deel van de Koekoekswaard, is de ontkalking al zo diep, dat de konijnen daar waarschijnlijk nauwelijks mineralen omhoog brengen. Van oudsher zijn de rivierduinen extensief begraasd. Doordat op deze wijze jaarlijks de meeste biomassa wordt afgevoerd, treedt geen verruiging op. Dergelijke begrazing komt vrijwel niet meer voor in dit gebied. In De Horde zorgen koeien voor begrazing en enige dynamiek. In Luistenbuul, De Bol en de Willige Langerak is alleen enige begrazing en dynamiek door konijnen. Deze gebieden worden wel grotendeels gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Knelpunten voor dit habitattype zijn:  Het gebrek aan rivierdynamiek. De rivier is inmiddels grotendeels vastgelegd hierdoor vindt er nauwelijks meer sedimentatie en opstuiving van zand plaats. Er ontstaan daardoor feitelijk geen nieuwe standplaatsen meer.  Inundaties zoals in 1995 dragen bij aan verbeteren van de mineraalhuishouding. Door de klimaatsverandering wordt vaker een hoge afvoer van het Rijnsysteem verwacht. De kans op flinke inundaties neemt daardoor toe.

Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om de effecten van dergelijke inundaties vanuit redenen van veiligheid te beperken. Het is aannemelijk dat die maatregelen voldoende succesvol zullen zijn om de hoogte van die inundaties te beperken.  De lokale verslechtering van de kwaliteit van de aanwezige stroomdalgraslanden is vooral het gevolg van verruiging, vergrassing en/of verstruweling. Verhoogde stikstofdepositie speelt hierin een belangrijke rol doordat het de natuurlijke successie, door vergrassing en verstruweling, versneld.  Een algemeen knelpunt bij Stroomdalgraslanden is de slechte verspreiding van veel typische soorten. In combinatie met de snelle afname van de oppervlaktes van dit type zijn ook de populaties van veel soorten ingestort, waardoor de zaadproductie en verspreiding ook is afgenomen.  In de Achthovense uiterwaarden (Luistenbuul) is het oppervlakte Stroomdalgrasland zodanig klein en versnipperd dat het robuuster maken op (korte) termijn noodzakelijk is om de huidige kwaliteit te behouden. Zeker gezien het feit dat er steeds meer maïspercelen rondom dit habitattype in Luistenbuul zijn verschenen. Een dergelijke ontwikkeling leidt tot (extra) aanvoer van voedingsstoffen door bemesting van de omliggende percelen.

 Een laatste knelpunt is de erosie welke in de Achthovense waard al geleid heeft tot het verdwijnen van een heel rivierduin met daarop voorkomende vegetaties, en welke nu delen van het Stroomdalgrasland in de Willige Langerak en Glanshaverhooiland en mogelijk ook Stroomdalgrasland weg erodeert in De Horde. De oorzaak is de enerzijds gewenste rivierdynamiek, maar omdat deze niet voldoende is om te zorgen dat elders nieuwe oeverwallen of rivierduinen ontstaan betekend dit een netto afname van de oppervlakte aan geschikte habitats. De knelpunten blijken dus grotendeels niet stikstofgerelateerd. Het planeffect zal de ontwikkeling in dit Natura 2000 gebied niet belemmeren. Conclusie Gezien de zeer geringe, tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van het plan, in combinatie het belang van een complex aan factoren als rivierdynamiek, zaadproductie van typische soorten en erosie die als sleutelfactor bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling (en waar het plan geen invloed op heeft), is er geen sprake van een belemmering van de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van dit habitattype. Een significant negatief effect is uitgesloten. 32

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

5.4

H6410 Blauwgraslanden In het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is sprake van een tijdelijke planbijdrage (0,01 mol/ha/jr) op dit habitattype op (naderend) overbelast gebied. Het instandhoudingsdoel voor dit habitattype is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit in het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is (uitgangsjaar 2015). Blauwgrasland komt vooral voor in de schraallanden langs de Meije. In De Haak komt het type verspreid over zeer kleine oppervlakten voor langs de randen. De kwaliteit is over het algemeen matig. Blauwgrasland is in de Nieuwkoopse Plassen door verdroging en verzuring in oppervlakte sterk afgenomen. In totaal is er ongeveer 16 ha Blauwgrasland aanwezig. Blauwgrasland komt voor in De Haak waar lokale kwel vanuit de plassen onder de Hollandse kade door de basenrijkdom buffert en zorgt voor voldoende hoge zomergrondwaterstanden. Ook in de Schraallanden langs de Meije (SBB) komt Blauwgrasland nog vrij veel, zij het matig ontwikkeld, voor. Verder groeien lokaal soorten van blauwgrasland aan de randen van sloten. Uit de centrale delen van veel percelen van de Schraallanden langs de Meije zijn blauwgraslandsoorten verdwenen door toename van de inundatieduur en verzuring (holle percelen met inklinking).

Lokaal zijn er potenties aanwezig voor een geringe uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. De kwaliteit van H6410 Blauwgraslanden is over het algemeen matig. Blauwgrasland is in de Nieuwkoopse Plassen in oppervlakte sterk afgenomen. Soorten van dit habitattype zijn Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), blauwe knoop (Succisapratensis), kleine valeriaan (Valeriana dioica) en knotszegge (Carex buxbaumii). Lokaal komt welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia) voor. Blonde zegge (Carex hostiana) is uit het gebied verdwenen. Biezenknoppen (Juncus conglomeratus) en blauwe zegge (Carex panicea) zijn vaak dominant in matig ontwikkelde typen. Op veel locaties zijn rompgemeenschappen aanwezig. Blauwgraslanden zijn sterk afhankelijk van een goede waterkwaliteit (lage P- en N-gehalten, lage Cl en SO4 gehalten), een hoge en matig wisselende waterstand (drooglegging 0-40 cm) en een jaarlijks hooilandbeheer (afvoer voedingsstoffen). Het type verdraagt geen verdroging, bemesting en regelmatige beweiding en is gevoelig voor verzuring. Essentieel voor dit habitattype is de toevoer van basenrijk kwelwater, direct of door aanvoer via het oppervlaktewater. De basen in het kwelwater zorgen voor buffering van de zuurgraad en het aanwezige ijzer voor de binding van fosfaat.

Hierdoor is het habitattype tevens beter bestand tegen verzurende effecten, optredend door natuurlijke verzuring (veenmosvorming) en Ndepositie. De lage fosfaatbeschikbaarheid zorgt ervoor dat snelgroeiende planten niet gaan domineren. In verzuurde vegetatietypen met een matig kwaliteit komt een lagere pH voor (pH <5.5). Bij toenemende kans op verzuring gaan deze typen over in soortenarme rompgemeenschappen die niet meer tot het habitattype behoren. De belangrijkste knelpunten voor de instandhouding van Blauwgrasland in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zijn verdroging, eutrofiëring (o.a. door stikstofdepositie) en verzuring. Deze drie factoren hangen nauw met elkaar samen. Door verdroging treedt zowel eutrofiëring als verzuring op. Eutrofiëring wordt veroorzaakt door verdroging (interne eutrofiëring, voornamelijk door fosfaat) en stikstofdepositie. Verdroging, eutrofiëring en verzuring zorgen er gezamenlijk voor dat typische soorten niet (meer) voorkomen, dat het habitattype vaak matig ontwikkeld is door 33

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

verruiging en dat versnelde successie optreedt naar soortenarme rompgemeenschappen. Daarnaast vormt dispersie en vestiging een probleem. Omdat goed ontwikkelde blauwgraslanden slechts zeer beperkt en zeer verspreid voorkomen, kunnen doelsoorten het gebied niet gemakkelijk koloniseren wanneer zij eenmaal zijn verdwenen. Daar komt bij dat veel plantensoorten van Blauwgrasland een kortlevende zaadbank hebben, waardoor ook vestiging uit de zaadbank na herstel van goede abiotische condities zeer beperkt is. In de Schraallanden langs de Meije wordt een zeer intensief beheer gevoerd, gericht op de instandhouding van Blauwgrasland. Dit zorgt ervoor dat verruiging en versnelde successie worden tegengegaan. Het allerbelangrijkste knelpunt voor Blauwgrasland in de Schraallanden langs de Meije is echter het ontbreken van voldoende basenaanvulling in de wortelzone (Van der Welle et al., 2012). Dit hangt sterk samen met verzuring als gevolg van ammoniakdepositie, maar wordt versterkt door verdroging en ontwatering in de omgeving van het gebied. De doelstelling toename van de kwaliteit, kan (deels) opgelost worden door op geschikte locaties bestaand grasland te plaggen of via maaien om te vormen tot blauwgrasland.

Conclusie Gezien de zeer geringe, tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van het plan, in combinatie met het gegeven dat verdroging de sleutelfactor is, is een significant negatief effect van deze toename op de oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype uitgesloten.

5.5

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) Alleen in het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek is sprake van een tijdelijke planbijdrage (0,01 mol/ha/jr) op dit habitattype, op overbelast gebied. Het instandhoudingsdoel voor dit habitattype is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit in het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek. Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 49% van het habitattype overbelast is (uitgangsjaar 2015). Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een planbijdrage op overbelast oppervlak op 2,0 ha., op naderend overbelast oppervlak op 1,8 ha. en op niet (naderend) overbelast oppervlak op 26,2 ha van H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver). Rivierdynamische processen in de Lek hebben in het verleden geleid tot oeverwalvorming en daarna door opstuiving van kalkrijk rivierzand tot "rivierduinen". In afgezwakte vorm bestaan die processen nog steeds. Meer naar het westen neemt de invloed van de rivierdynamiek af en neemt de getijde invloed toe. Dat leidt tot zaveliger en meer kleiiger afzettingen. Op de oeverwal sedimenteert vooral grover zand. Achter de oeverwal is dat wat fijner zand en meer zavel en klei afgezet. Op deze plekken zijn de omstandigheden geschikt voor de ontwikkeling van Glanshaverhooilanden. Deze ontstaan door langdurig hooilandbeheer.

Van groot belang is op het juiste moment te maaien, nadat gewenste soorten zaad gezet hebben. Nadat dit type zich gevormd heeft, kan het bij het juiste beheer langdurig voortbestaan. Hierbij is een aanvulling van de mineralen incidenteel noodzakelijk om ontkalking te voorkomen. Dat gebeurt vooral door inundatie waarbij mineralen uit het water of de sedimenten afkomstig zijn. Naar mate er meer klei of zavel in de bodem zit, is de noodzaak van aanvulling van de mineralenvoorraad kleiner door de grotere voorraad in de bodem zelf. Als mineralenaanvoer uitblijft verzuurd het type en kan overgaan in bijvoorbeeld heischraal grasland. 34

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

De in dit gebied aanwezige Glanshaverhooilanden worden al langere tijd als schrale graslanden beheerd (hooilandbeheer). De overstromingen zijn beperkt (tot 1 keer per >10 jaar) en vinden altijd buiten het groeiseizoen plaats. In de praktijk ontstaat dit type ook vaak op de buitentaluds van winterdijken omdat deze aan bedekt zijn met voldoende zavelig materiaal en vaak een geschikt beheer hebben. Bij de Bol en De Willige Langerak was dit habitattype ook aanwezig op het dijktalud. Bij de dijkverbreding is dit geheel verloren gegaan. De belangrijkste knelpunten voor de glanshaverhooilanden in de Uiterwaarden Lek bestaan uit: • De frequentie van inundatie en sedimentatie is sterk afgenomen. Hierdoor is het risico op verzuring toegenomen. • Stikstofdepositie leidt tot de aanvoer van voedingsstoffen, waardoor er een hogere gewasproductie ontstaat. Om het habitattype in de vereiste conditie te houden is er daardoor een hogere beheersinspanning nodig dan zonder stikstofdepositie. • In Luistenbuul is het oppervlak habitattype relatief klein en omringd door maisteelt, waardoor er effecten zijn door de hoge bemestingsdruk vanuit dat gewas, er luwtewerking is en daarnaast speelt ook de isolatie van andere graslanden een rol waardoor de kans op de vestiging van nieuwe soorten gering is.

Het plan heeft geen invloed op aan factoren als inundatie, sedimentatie en maisteelt nabij het habitattype die als sleutelfactor bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling. Het planeffect zal de ontwikkeling in dit Natura 2000 gebied niet belemmeren. Conclusie Gezien de zeer geringe, tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van het plan, in combinatie het belang van een complex aan factoren als inundatie, sedimentatie en maisteelt nabij het habitattype die als sleutelfactor bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling (en waar het plan geen invloed op heeft), is er geen sprake van een belemmering van de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van dit habitattype. Een significant negatief effect is uitgesloten.

5.6

H7140A Overgangs en trilvenen (trilvenen) In het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is sprake van een tijdelijke planbijdrage (0,01 mol/ha/jr) op dit habitattype op (naderend) overbelast gebied. Het instandhoudingsdoel voor dit habitattype is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit in het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 78% van het habitattype overbelast is (uitgangsjaar 2015). Trilvenen komen over een (zeer) kleine oppervlakte voor in De Haak en in het plassen- en moerasgebied. Het komt voor in zeer smalle zones aan de rand van veenmosrietland. Waar het voorkomt, bedekt het wel het grootste deel van de oppervlakte. In totaal gaat het om ruim één hectare trilveen. Er is in 2019 geen areaal gekarteerd als H7140A. Volgens de kartering uit 2009 was in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 1,2 ha aanwezig dat kwalificeerde als Overgangs- en trilvenen (trilvenen). Kwalificerende vegetatietypen zijn nu volledig uit de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck verdwenen. Dit habitattype is niet als aanwezig gekarteerd, derhalve kan niets gezegd worden over de onderliggende kwalificerende vegetatietypen. 35

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

Trilvenen bestaan uit mosrijke op het water drijvende kraggen. Van de vaatplanten voeren kleine zeggensoorten de boventoon; in goed ontwikkelde stadia domineren slaapmossen als rood schorpioenmos (Scorpidium scorpioides) of het zeldzame trilveen-veenmos (Sphagnum contortum). Voorts komen er zeldzame orchideeënsoorten als groenknolorchis (Liparis loeselii) en Veenmosorchis (Hammarbya paludosa) voor. De meest kenmerkende plantengemeenschap voor trilvenen is de associatie van schorpioenmos en ronde zegge (9Ba1 ScorpidioCaricetumdiandrae). Deze gemeenschap ontstaat door verlanding van petgaten, en start als een dunne, deels nog ondergedoken kraggeverlanding (van bijvoorbeeld riet, waterdrieblad, paddenrus of holpijp) in beschut, zoet, basenrijk, licht tot hooguit matig voedselrijk water. Het basenrijke water wordt aangevoerd door opkwellend grondwater in het petgat, of indirect via oppervlaktewater uit de wijdere omgeving. In het begin staat de drijvende kragge nog geheel in contact met het basenrijke water; boven in de kragge treedt een neutrale pH op. Door verdere veenvorming neemt de kragge geleidelijk in dikte toe en komt een steeds groter deel boven het oppervlaktewaterpeil te liggen. In die delen kunnen regenwaterlenzen ontstaan, waardoor de bovenlaag zuurder wordt.

Naarmate deze kragge dikker wordt, neemt de invloed van het basenrijke oppervlaktewater af en worden de regenwaterlenzen dikker. In de moslaag maken slaapmossen en levermossen geleidelijk plaats voor veenmossen. Ook in de kruidlaag treedt een verschuiving op van basenminnende soorten naar zuurminnende soorten. Alleen soorten die wat dieper in de kragge wortelen staan nog met hun wortels in basenrijk milieu. In deze successie verandert de vegetatie geleidelijk in zuurdere kleine zeggengemeenschappen. In gebieden met kwelwater ontstaat dan de Associatie van Draadzegge en Veenpluis (Eriophoro-Caricetum lasiocarpae). Voor een duurzaam behoud van dit habitattype is het van belang om regelmatig nieuwe verlandingen op gang te brengen, op plekken waar de waterkwaliteit goed is (lage P- en N- en SO4-belasting). Voor een duurzaam behoud en ontwikkeling van trilvenen dient er voldoende (mesotroof) gebufferd kwelwater toe te kunnen stromen. Deze invloed is zelfs essentieel voor de instandhoudingsdoelstellingen gericht op uitbreiding (waaronder nieuwvorming) en een duurzaam behoud van de kwaliteit. Indien op termijn een verbeterde toestroom van mesotroof, gebufferd kwelwater niet kan worden gerealiseerd, zullen er vooral verzuurde, soortenarme stadia overblijven en is behoud van kwaliteit niet meer te garanderen.

Een vergrote invloed van gebufferd kwelwater kan worden bevorderd door de wegzijging te beperken, de kwel te bevorderen en de invloed van vermesting uit inliggende en aangrenzende landbouwgebieden af te laten nemen. Door het open graven van petgaten op standplaatsen die voldoen aan bovenstaande randvoorwaarden kan mogelijk op termijn ook nieuwvorming ontstaan. Daarnaast is ook aanvoer en efficiënt gebruik van mesotroof gebufferd oppervlaktewater een belangrijke herstelmaatregel. Bij voortschrijdende verzuring ontstaan soortenarmere vegetatietypen met Sterzegge (Carex echinata) en veenmossen, zoals de Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge (9Aa3 Carici curtae-Agrostietum caninae). Deze veenmosrijke vegetatietypen gaan uiteindelijk over in H7140B Veenmosrietland of H4010B Vochtige laagveenheide. Bij verdroging of sterke verzuring ontstaan soortenarme rompgemeenschappen met dominantie van Gewoon haarmos (Polytrichum commune), Blauwe zegge (Carex panicea), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en/of Zwarte zegge (Carex nigra).

36

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

De belangrijkste knelpunten bij herstel en ontwikkeling van Trilvenen in de Nieuwkoopse Plassen zijn het ontbreken van initiële verlanding, de waterkwaliteit, verdroging en (verzuring en eutrofiëring door) stikstofdepositie. Onder natuurlijke omstandigheden is Trilveen een tussenstadium in de natuurlijke verlandingsreeks. Stikstofdepositie zorgt ervoor dat de natuurlijke successie sneller verloopt. Om Trilveen in stand te houden is intensief beheer nodig om de successie te vertragen. Een andere mogelijkheid is het steeds opnieuw laten beginnen van de successie, bijv. door het graven van nieuwe petgaten. De waterkwaliteit speelt een belangrijke rol bij het succes van deze maatregel en daarmee de verlanding succesvol naar dit stadium te laten verlopen: water moet (matig) voedselarm maar basenrijk zijn, een kwaliteit die vaak - en met name in dit deel van Nederland (want geen kwel) – een resultante is van de mengvorm die ontstaat op plekjes waar regenwater samenvloeit met niet al te hard, voedsel-, chloride- en sulfaatarm water. Bemoedigend is snelle kolonisatie met waterplanten in recent gegraven petgaten. Ook dispersie van soorten vormt een knelpunt voor Trilvenen, omdat het habitattype zeer beperkt en versnipperd voorkomt.

Bemoedigend is met name de relatief massale vestiging van Groenknolorchis en vooral ook Rood schorpioenmos op tot net onder de waterspiegel kleine geplagde plekjes dicht langs watergangen diep het watersysteem in waar dan (blijkbaar) precies de goede mengvorm van waterkwaliteit ontstaat. Waaruit is af te leiden dat - minimaal in een deel van het gebied, en dan vooral dieper het watersysteem in – de kwaliteit van het oppervlaktewater goed is (geworden). De hiervoor genoemde knelpunten spelen in beide deelgebieden een rol. Veel typische soorten van Trilvenen worden niet in het gebied waargenomen. Dit kan zowel door een hoge stikstofdepositie worden veroorzaakt als door afwezigheid van bronpopulaties in de omgeving. Stikstofdepositie veroorzaakt verder een versnelde successie, waardoor een intensief beheer van de Trilvenen noodzakelijk is. Omdat het plan geen invloed heeft op veel van de sleutelfactoren (o.a. geringe dispersie van soorten, afwezigheid kwelwater, verdroging), kan gesteld worden dat de planbijdrage de ontwikkeling van dit habitattype niet in de weg staat. Conclusie Gezien het belang van een complex aan ecologische sleutelfactoren dat bepalend is voor het halen van de instandhoudingsdoelen waar het plan geen invloed op heeft (o.a.

geringe dispersie van soorten, afwezigheid kwelwater, verdroging), in combinatie met de zeer geringe, tijdelijke planbijdrage is een significant negatief effect van de instandhoudingsdoelstelling voor oppervlak en kwaliteit van dit habitattype uitgesloten.

5.7

H91D0 *Hoogveenbossen Alleen in het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is sprake van een planbijdrage op dit habitattype, op overbelast gebied. Het instandhoudingsdoel voor dit habitattype is behoud oppervlakte en kwaliteit in het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Het habitattype komt in het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck voor met een oppervlakte van circa 36 ha. Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 7% van het habitattype overbelast is (uitgangsjaar 2015). Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een planbijdrage op overbelast oppervlak op 0,3 ha., op naderend overbelast oppervlak op 0,3 ha. en op niet (naderend) overbelast oppervlak op 35,5 ha. van H91D0 *Hoogveenbossen. Op het 37

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

overgrote deel van het oppervlakte kunnen negatieve effecten van de planbijdrage dan ook worden uitgesloten. Hoogveenbos komt verspreid door het gebied voor, maar ontbreekt in polder Westveen en de schraallanden langs de Meije. De oppervlakten zijn meestal klein, hoewel het lokaal over wat grotere oppervlakten voorkomt. De wat grotere, aaneengesloten stukken Hoogveenbos bevinden zich vooral in het centrale deel van het gebied. Hoogveenbos komt voor op natte of vochtige grond en bestaat grotendeels uit elzen- of berkenbroekbos. Broekbossen zijn bossen die dankzij een hoge, stabiele grondwaterstand altijd nat zijn. In de ondergroei vormt zich veen en leven diverse veenmossoorten. Belangrijk voor het bos is de aanwezigheid van dikke dode bomen. Een typische vogel in het hoogveenbos is de matkop, een bedreigde soort die in de dode bomen nestelt. Het habitattype Hoogveenbos is op basis van de vegetatiekartering vooral matig ontwikkeld. Alleen in het plassen- en moerasgebied komen lokaal vegetaties voor die een goede ontwikkeling van het habitattype indiceren. Een groot deel van het Hoogveenbos is verruigd. In de ondergroei komen soorten voor als Braam en Appelbes en in De Haak lokaal ook Pijpenstrootje. Alleen in het plassen- en moerasgebied en in De Haak komen typen voor met veenmossen en Moerasvaren in de ondergroei. In De Haak komt ook lokaal Gewone dopheide voor.

Oude, dikke bomen of dood hout ontbreekt grotendeels. Uit een vergelijking van vegetatiekarteringen uit 1996 en 2009 blijkt dat het oppervlak Hoogveenbos licht is toegenomen. Het belangrijkste knelpunt bij de ontwikkeling is de aanwezigheid van appelbes. Die kan in jonge fasen van berkenbroekbos snel gaan domineren. Door sterke beschaduwing benadeelt hij andere soorten. Daarnaast belemmeren hoge voedselrijkdom en verdroging herstel en ontwikkeling van het hoogveenbos. Conclusie Gezien de zeer geringe toename van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden op een klein oppervlak, in combinatie het belang van de aanwezigheid van appelbes en verdroging die als sleutelfactoren bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling (en waar het plan geen invloed op heeft), is er geen sprake van een belemmering van de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van dit habitattype. Een significant negatief effect is uitgesloten.

38

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

6

Cumulatie Ingevolge artikel 2.7, tweede lid van de Wnb is het verboden zonder vergunning een plan te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dit betekent dat ingeval een plan op zichzelf niet leidt tot significante gevolgen, ook beoordeeld moet worden of het plan in combinatie met andere plannen of projecten alsnog kan leiden tot significante gevolgen. Dit laatste wordt in de praktijk ook wel de cumulatietoets genoemd. Wanneer een depositiebijdrage plaatsvindt op een overbelast gebied, staat het systeem al onder druk en kleinere toenames kunnen in dat geval een mogelijk significant effect veroorzaken. In dat geval is in de ecologische beoordeling het planeffect beoordeeld in het licht van de huidige staat van instandhouding waarbij bijvoorbeeld bestaand beheer, sturende knelpunten, geëffectueerde maatregelen, trend en dergelijke een rol spelen bij de beoordeling of de bijdrage significant negatief kan zijn. In voorliggende ecologische beoordeling is voor de habitattypen geoordeeld dat het plan op zichzelf met zekerheid niet leidt tot significante gevolgen, ondanks een (geringe) bijdrage aan stikstofdepositie.

Deze ecologische conclusie is alleen mogelijk in de volgende situaties:  de kwaliteit van het betreffende habitattype/leefgebied gunstig is en of sprake is van een positieve trend, ondanks de (veelal grote) overbelasting van de KDW; of  stikstofdepositie niet het sturende knelpunt is voor de kwaliteit van de betreffende habitattypen. Door deze ecologische conclusie alleen te trekken in bovenstaande situaties zal het plan ook in combinatie met andere plannen/projecten niet alsnog tot significante gevolgen leiden. De hoge stikstofbelasting vormt immers geen belemmering voor de kwaliteit.

39

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

7

Conclusie Gasunie Transport Services B.V. is voornemens tracé LOT 2: G-H Uniper ROCA Rotterdam om te bouwen. Het tracé is gelegen nabij Nieuwekerk aan den IJssel. Uit de Natuurtoets komt naar voren dat (significant) negatieve effecten van storingsfactoren, anders dan effecten als gevolg van een toename in stikstofdepositie, zijn uitgesloten. Daarnaast is geadviseerd om een stikstofberekening uit te voeren. Uit deze AERIUS-berekening komt naar voren dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie op habitattypen en leefgebieden van vijf Natura 2000-gebieden (Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, Biesbosch, Uiterwaarden Lek, Meijendel & Berkheide en Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein). In het kader van de plan-toets Wet natuurbescherming is een ecologische beoordeling uitgevoerd om te beoordelen of significante gevolgen uitgesloten kunnen worden. Op basis van deze beoordeling is gebleken dat voor het plan, ook cumulatief, significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. Hiermee kan uit deze ecologische beoordeling worden geconcludeerd dat - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden op voorhand de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.

40

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

8

Bronnen Arcadis, Royal Haskoning en Sweco, 2021. Natuurdoelanalyse Natura 2000. 103 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Provincie Zuid-Holland. November 2021. Dobben H. van, R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra, Onderzoekcentrum B-WARE , Ministerie van Economische Zaken (Programmadirectie Natura 2000) en Planbureau voor de Leefomgeving Alterra-rapport 2397, Wageningen UR, Wageningen. Kleijberg, R. 2019. Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities; Bouwstenen voor redeneerlijnen bij toestemmingsverlening voor tijdelijke projecten en activiteiten. Arcadis. Provincie Noord-Brabant, 2017. Gebiedsanalyse Biesbosch (112) Programma Aanpak Stikstof (PAS). 15 december 2017. Provincie Utrecht, 2017. Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de programmatische aanpak stikstof (PAS) Uiterwaarden Lek (082). Oktober, 2017 Provincie Zuid-Holland, 2018. Beheerplan Meijendel & Berkheide (097). Programma Aanpak Stikstof (PAS). Provincie Zuid-Holland, 2015. Beheerplan Nieuwkoopse Plassen & de Haeck (103). Juni, 2015. Provincie Zuid-Holland, 2017. Gebiedsanalyse Meijendel & Berkheide (097). Programma Aanpak Stikstof (PAS). December, 2017. Provincie Zuid-Holland, 2017. Gebiedsanalyse Nieuwkoopse Plassen & de Haeck (103). Programma Aanpak Stikstof (PAS). December, 2017.

Provincie Zuid-Holland, 2020. Beheerplan bijzondere natuurwaarden Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein 2020-2025. Maart 2020. Provincie Zuid-Holland, 2022. Natuurdoelanalyse Natura 2000. 112 Biesbosch. 15 april 2022. Provincie Zuid-Holland, 2022. Natuurdoelanalyse Natura 2000. 97 Meijendel & Berkheide. 15 april 2022. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), 2017. Natura 2000-beheerplan Biesbosch (112). Oktober 2017. Royal Haskoning/DHV, 2016. Beheerplan Uiterwaarden Lek. Juni, 2016 Smits, N.A.C. & D. Bal, 2014. Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deel I: Algemene inleiding herstelstrategieën: beleid, kennis en maatregelen. Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken. 41

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

Overig: Sovon.nl

42

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.

Contactgegevens Tolhuisweg 57 8443 DV HEERENVEEN Postbus 24 8440 AA HEERENVEEN E. jos.vanseters@anteagroup.nl

www.anteagroup.nl

Copyright © 2020 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c05c24ad-c167-4597-a12f-ff034076023a