CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb001154] Bijlage 2 behorende bij 23bb1152 - Ecologische beoordeling Buisleiding RoCa

Gemeenteraad 23 februari 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan buisleiding RoCa'.15.822 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam (fase 1 en 2)

projectnummer 456717 definitief revisie rev04 16 februari 2023

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam (fase 1 en 2) projectnummer 456717 definitief revisie rev04 16 februari 2023

Auteur S.M. Weterings

Opdrachtgever N.V. Nederlandse Gasunie Concourslaan 17 9727 KC GRONINGEN

datum vrijgave 16-02-2023

beschrijving revisie rev04 definitief

gecontroleerd C. Schellingen

vrijgave L. de Jong‐van Twisk

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Doel Werkwijze en uitgangspunten Leeswijzer

3 4 4 6

2

Werkwijze afbakening ecologische analyse en kleine bijdragen

7

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Natura 2000-gebieden met een planbijdrage Habitattypen in de ecologische beoordeling Habitatsoorten en Vogelsoorten in de ecologische beoordeling Uitwerking meest kritische habitattypen Effecten van zeer geringe tijdelijke deposities

7 7 8 9 10

3

Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen per Natura 2000-gebied 12

3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4 3.4 3.4.1 3.4.2 3.5 3.5.1 3.5.2 3.5.3

Biesbosch Habitattypen Habitatsoorten Broedvogelsoorten Niet-broedvogelsoorten Meijendel en Berkheide Habitattypen Habitatsoorten Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Habitattypen Habitatsoorten Broedvogelsoorten Niet-broedvogelsoorten Uiterwaarden Lek Habitattypen Habitatsoorten Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Habitattypen Habitatsoorten Niet-broedvogelsoorten

4

Conclusie afbakening instandhoudings-doelstellingen ten behoeve van fase 2 28

5

Ecologische analyse kritische habitattypen

29

5.1 5.2 5.3 5.4

H2130A Grijze duinen (kalkrijk) H2130B Grijze duinen (kalkarm) H6120 Stroomdalgraslanden H6410 Blauwgraslanden

29 30 31 33

12 12 13 13 14 16 16 18 19 19 21 23 23 24 24 25 25 26 26 27

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

5.5 5.6 5.7

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) H7140A Overgangs en trilvenen (trilvenen) H91D0 *Hoogveenbossen

34 35 37

6

Cumulatie

39

7

Conclusie

40

8

Bronnen

41

Bijlage 1: Aerius berekening (apart bijgevoegd) Bijlage 2: Planbijdrage op hexagoonniveau (apart bijgevoegd) Bijlage 3: Kaartenbijlage (apart bijgevoegd)

2

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Gasunie Transport Services B.V. is voornemens tracé LOT 2: G-H Uniper ROCA Rotterdam om te bouwen. Het tracé is gelegen nabij Nieuwekerk aan den IJssel. Het werkgebied waar het tracé gelegen is ligt op circa 7,9 km ten noorden van Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk. Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein ligt op circa 9,3 km afstand, en Donkse Laagten ligt op circa 13,3 km afstand van het werkgebied. In het kader van de Wet natuurbescherming moet beoordeeld worden of het voornemen significante gevolgen kan hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarbij moet onder meer gekeken worden naar de effecten van het voornemen op de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000gebieden. In Figuur 1.1 is de locatie van de werkzaamheden ten opzichte van het bovengenoemde Natura 2000-gebieden weergegeven.

Figuur 1.1: Globale ligging van het plangebied t.o.v. beschermde Natura 2000-gebieden.

Voor de voorgenomen werkzaamheden dient het vigerende bestemmingsplan te worden gewijzigd. Het nieuwe bestemmingsplan kan worden vastgesteld als de geplande werkzaamheden niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

3

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

Een Natuurtoets is uitgevoerd om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van het plangebied en de effecten hierop (Antea Group, 2019). Uit de Natuurtoets komt naar voren dat (significant) negatieve effecten van storingsfactoren, anders dan effecten als gevolg van een toename in stikstofdepositie, zijn uitgesloten. Om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, is in de Natuurtoets geadviseerd om een stikstofberekening uit te voeren. Om deze reden is een AERIUSberekening (versie 2020, zie bijlage 1) uitgevoerd. Uit deze AERIUS-berekening komt naar voren dat er sprake is van een tijdelijke toename (40 dagen) in stikstofdepositie op 5 Natura 2000-gebieden. Een aantal van de habitattypen in deze Natura 2000-gebieden zijn wat betreft stikstofdepositie ‘overbelast’, omdat de Kritische Depositie Waarde (KDW) op dit moment wordt overschreden als gevolg van de hoge achtergronddepositie. Op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het ‘Stappenplan Toestemmingsverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten’ (www.rijksoverheid.nl) dient door middel van een ecologische beoordeling het risico op aantasting van de natuurlijke kenmerken ecologisch te worden beoordeeld. Deze beoordeling is gefaseerd aangepakt. Fase 1 bestaat uit de afbakening van de nader te onderzoeken N2000-gebieden c.q.

instandhoudingsdoelen. Deze worden in fase 2 nader uitgewerkt. Voorliggend rapport omvat de afbakening voor de ecologische beoordeling (fase 1, in hoofdstuk 3 en 4) en de ecologische analyse (fase 2 in hoofdstuk 5) van de kritische habitattypen.

1.2

Doel Indien een plan significante gevolgen kan hebben voor de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied, kan dat plan uitsluitend worden vastgesteld indien is voldaan aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming. In dat geval kan het plan alleen worden vastgesteld indien uit een ecologische beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In voorliggende rapportage wordt de afbakening van instandhoudingsdoelen gegeven op basis waarvan in fase 2 wordt onderbouwd wat de effecten zijn van de realisatiefase op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden. In voorliggend rapport worden beide fases uitgewerkt.

1.3

Werkwijze en uitgangspunten Ten gevolge van de activiteit is een toename in stikstofdepositie berekend op diverse Natura 2000-gebieden. In deze stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de ruimere omgeving van het projectgebied is in de huidige situatie sprake van een (deels) overbelaste situatie. Dat wil zeggen dat de huidige depositie boven de KDW (kritische depositie waarde) liggen. De kritische depositie waarde wordt daarbij als volgt gedefinieerd: “De grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben et al. 2012). Stikstofdepositie kan daarom voor veel habitattypen een bedreiging vormen voor de kwaliteit. Daarom zijn significant negatieve effecten niet bij voorbaat uit te sluiten en is de voorliggende ecologische beoordeling opgesteld. 4

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

In deze afbakening voor fase 2 van de ecologische beoordeling worden de benamingen ‘niet overbelast’, ‘naderend overbelast’ en ‘overbelast’ gehanteerd voor habitattypen en leefgebieden. Deze benamingen hebben betrekking op het al dan niet overschrijden van de KDW. Afhankelijk van de reeds aanwezige stikstofdepositie (achtergrondwaarde) en de berekende (toegevoegde) depositie wordt vastgesteld of de KDW wordt overschreden. Van een naderende overbelasting is sprake wanneer de achtergrondwaarde minder dan 70 mol/ha/jr onder de KDW ligt. Daar waar de KDW wordt overschreden, wordt gesproken van overbelast gebied. Daar waar de achtergrondwaarde meer dan 70 mol/ha/jr onder de KDW ligt, wordt de term ‘niet overbelast’ gehanteerd. Bij de afbakening voor de ecologische beoordeling is gebruik gemaakt van de reeds beschikbare informatie. De PAS- gebiedsanalyses van de Natura 2000-gebieden bevat in veel gevallen de meest recente informatie en dient dan als basis voor de ecologische beoordeling. De beheerplannen zijn gebruikt als aanvulling op de informatie uit het PAS- gebiedsanalyse. De PASgebiedsanalyse maakt onderscheid tussen een ingetekend en een gekarteerd oppervlak van habitattypen en leefgebieden, deze oppervlakken komen niet in alle gevallen overeen.

In de AERIUS-calculator wordt uitgegaan van de ingetekende oppervlakken, dit vormt dan ook de input voor de uitgevoerde berekeningen. In voorliggende ecologische beoordeling wordt, in lijn met de AERIUS-calculator, uitgegaan van de ingetekende oppervlakken. Bij het opstellen van de afbakening voor de ecologische beoordeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  De ecologische beoordeling is gebaseerd op de uitkomsten van de AERIUS-berekening (kenmerk: RtMpvZ3dB2du, 7 februari 2023, 13:52). Voor de uitgangspunten voor deze berekening wordt naar de begeleidende memo bij deze berekening verwezen.  De analyse van stikstofgevoelige instandhoudingsdoelen (ISHD) wordt gebaseerd op de PAS-gebiedsanalyse van het betreffende Natura 2000-gebied en de NDA’s voor zover gepubliceerd (https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/natuur-landschap/natuurrijkzuid/natura-2000/). Voor de afbakening van de stikstofgevoelige ISHD wordt verwezen naar de PAS-gebiedsanalyse.  Er wordt niet gekeken naar typische soorten. Bij het in beeld brengen van de gevolgen van de stikstofdepositie volstaat de toetsing aan de andere kwaliteitsaspecten (abiotische randvoorwaarden, vegetatietypen, structuur en functie) van een habitattype omdat deze (samen met het natuurbeheer) bepalend zijn voor de omstandigheden voor typische soorten.

In dit geval kan worden volstaan met deze conclusie en heeft er geen afzonderlijke toets voor typische soorten plaatsgevonden.  Voor de stikstofgevoelige habitat- en vogelsoorten wordt het stikstofgevoelige leefgebied getoetst, zoals het begrensd is in AERIUS-calculator en toegeschreven is aan de desbetreffende soort in de PAS-gebiedsanalyse. Dit houdt in dat wordt beoordeeld of het habitattype of leefgebied te maken heeft met een planbijdrage op stikstofgevoelig habitat/leefgebied, of sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW en wordt beoordeeld of de betreffende soort ook daadwerkelijk gebruik maakt van het gebied.

5

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

1.4

Leeswijzer Uit de AERIUS-berekening blijkt een toename in stikstofdepositie op vijf Natura 2000-gebieden te zijn. In Hoofdstuk 2 wordt de ecologische afbakening toegelicht en wordt uitleg gegeven over kleine tijdelijke planbijdrages. In Hoofdstuk 3 worden de relevante Natura 2000-gebieden (Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, Biesbosch, Uiterwaarden Lek, Meijendel & Berkheide en Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein) waarbij sprake is van een toename in stikstofdepositie beschreven en vindt de afbakening plaats van de in fase 2 nader te beschouwen instandhoudingsdoelstellingen. In Hoofdstuk 4 wordt de conclusie gegeven van de afbakening en wordt inzichtelijk gemaakt welke habitattypen in fase 2 nader dienen te worden beschouwd. In Hoofdstuk 5 vindt de ecologische analyse plaats van de kritische habitattypen. Hoofdstuk 5 behandelt de cumulatie van het plan. In hoofdstuk 6 is de conclusie opgenomen.

6

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

2

Werkwijze afbakening ecologische analyse en kleine bijdragen

2.1

Natura 2000-gebieden met een planbijdrage Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van een toename in stikstofdepositie in vijf Natura 2000-gebieden. In Tabel 2.1. is een overzicht gegeven van deze gebieden met daarbij de hoogste stikstofdepositie. Zoals in Tabel 2.1 te zien is, bedraagt de hoogste planbijdrage 0,02 mol/ha/jaar (Nieuwskoopse Plassen & De Heack). Voor de overige Natura 2000-gebieden (Biesbosch, Uiterwaarden Lek, Meijendel & Berkheide, Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein) geldt een planbijdrage van 0,01 mol/ha/jaar. Tabel 2.1: Tijdelijke stikstofdepositie in N2000-gebieden als gevolg van het plan Natura 2000-gebieden Depositie [mol N/ha/jaar]

2.2

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

0,02

Biesbosch

0,01

Uiterwaarden Lek

0,01

Meijendel & Berkheide

0,01

Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein

0,01

Habitattypen in de ecologische beoordeling In de ecologische beoordeling worden alle habitattypen meegenomen waarbij 1. sprake is van een planbijdrage 2. op een (naderend) overbelast gebied en 3. met een slechte kwaliteit en of een negatieve trend (d.w.z. het habitattype heeft een slechte kwaliteit en of kent een negatieve trend). Er is sprake van een planbijdrage op een gebied of habitattype wanneer er als gevolg van het plan een toename van de stikstofdepositie ontstaat op dat gebied of habitattype. Alleen wanneer er sprake is van een planbijdrage en een overschrijding van de KDW, worden de kwaliteit en de trend in de tabellen weergegeven. Wanneer er geen planbijdrage is of wanneer er een planbijdrage is op niet overbelast gebied, kunnen negatieve effecten van stikstofdepositie namelijk sowieso al worden uitgesloten. In onderstaande tabel is weergegeven welke categorieën er aan de huidige kwaliteit en de trend in oppervlakte en kwaliteit gegeven worden. Het betreft de trend van de afgelopen jaar. Dus niet de te verwachten trend in de toekomst. Huidige kwaliteit + Goed matig matig slecht

Trend (kwaliteit en oppervlakte) + Positief = Stabiel Negatief

7

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

In de PAS-gebiedsanalyse zijn er verschillende manieren gebruikt om de kwaliteit van een habitattype te beoordelen. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar de vegetatiesamenstelling, maar ook naar de structuur en de functie en het voorkomen van typische soorten. Ook komt het voor dat de huidige kwaliteit overwegend goed is, maar dat er op enkele plaatsen een minder goede kwaliteit is. In dat geval is de kwaliteit weergegeven als goed. Voor wat betreft de trend in oppervlakte en kwaliteit, is in de tabellen telkens de meest slechte trend weergegeven. Dus als de trend in oppervlakte stabiel is, maar de trend in kwaliteit negatief, dan wordt er in de Tabel een ‘- ‘ gezet. Habitattypen met een planbijdrage en een overschrijding van de KDW worden nader beschouwd in de ecologische analyse wanneer:  De huidige kwaliteit slecht is en/ of;  De trend in oppervlakte negatief is en/of;  De trend in kwaliteit negatief is. Habitattypen met een matige huidige kwaliteit en een stabiele trend (+- / =) voor zowel oppervlakte als kwaliteit worden wel meegenomen in de ecologische analyse. Habitattypen met een matige kwaliteit en een positieve trend (+- / +) worden niet meegenomen in de ecologische analyse. Het beperkte planeffect vormt in dit laatste geval geen belemmering voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling.

Hieronder wordt de legenda van de tabellen met de habitattypen weergegeven. Habitattypen * Prioritair habitattype Instandhoudingsdoelen = Behoud omvang / kwaliteit > Uitbreiding omvang / verbetering kwaliteit = (<) behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde > (<) uitbreiding oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van andere in besluit met name genoemde waarde Kwaliteit/Trend + Goede kwaliteit/ Positieve trend ten aanzien van kwaliteit = Stabiele trend ten aanzien van kwaliteit Slechte kwaliteit/ Negatieve trend ten aanzien van kwaliteit

2.3

Habitatsoorten en Vogelsoorten in de ecologische beoordeling In de ecologische beoordeling worden alle habitatsoorten en vogelrichtlijnsoorten meegenomen waarbij 1. sprake is van een planbijdrage op het leefgebied (habitattype of leefgebied) 2. op een (naderend) overbelast gebied en waarbij 3. het instandhoudingsdoel niet behaald wordt. Alleen wanneer er sprake is van een planbijdrage en een overschrijding van de KDW (op het habitattype of leefgebied waarin de soort voorkomt), wordt in de Tabel weergegeven of het instandhoudingsdoel van desbetreffende soort bereikt wordt. Wanneer er geen planbijdrage is of wanneer er een planbijdrage is op niet overbelast gebied (habitattype of leefgebied), kunnen negatieve effecten van stikstofdepositie namelijk sowieso al worden uitgesloten. 8

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

In onderstaande tabel is weergegeven welke categorieën er aan ten aanzien van het behalen van het instandhoudingsdoel gegeven worden. Behalen doel? + = ?

Ruimschoots / positieve ontwikkeling Blijft gelijk Het gaat slecht met de soort / achteruit Onbekend

In de verschillende gebiedsanalyses wordt op verschillende manieren bepaald of het instandhoudingsdoel van een soort behaald wordt. Soms wordt er gekeken naar aantallen van de soort en soms wordt er gekeken naar de potentie die het leefgebied heeft (kwaliteit en omvang). Dit wordt in de tekst onder de tabellen nader beschreven. Hieronder wordt de legenda van de tabellen over de Habitatrichtlijnsoorten en de Vogelrichtlijnsoorten weergegeven. Habitatsoort * Prioritaire habitatsoort Instandhoudingsdoelen = Behoud omvang / kwaliteit/ populatie > Uitbreiding omvang / verbetering kwaliteit/ uitbreiding populatie + Vestiging populatie

2.4

Uitwerking meest kritische habitattypen Na bovenbeschreven afbakening blijven er habitattypen, vogelsoorten en habitatsoorten over die in meerdere Natura 2000-gebieden kunnen voorkomen. Per habitattype zijn vervolgens die Natura 2000-gebieden geselecteerd waar de betreffende habitattypen voorkomen, waarvoor een definitieve instandhoudingsdoelstelling is (waardoor informatie in beheerplannen en PASgebiedsanalyses is opgenomen), waar sprake is van een overschrijding van de KDW en een kritische situatie. Voor deze gebieden wordt beoordeeld wat de gevolgen van de daar optredende stikstofdepositie is voor de hierboven genoemde habitattypen. Door per habitattype een aantal gebieden te selecteren voor een effectbeoordeling, zijn ook verschillende omstandigheden waarmee deze habitattypen in Nederlandse Natura 2000gebieden voorkomen in de beoordeling opgenomen. Daarmee kan een representatieve en betrouwbare beoordeling gemaakt worden van de effecten van de stikstofdepositie op Nederlandse Natura 2000-gebieden. De gevolgtrekkingen uit deze gerichte uitwerking van meest kritische habitattypen en situaties zijn doorgetrokken naar dezelfde habitattypen in andere Natura 2000-gebieden. Uitgangspunt daarbij is dat de beoordeling van het effect in een aantal Natura 2000-gebieden representatief is voor andere gebieden waar het habitattype ook voorkomt.

9

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

2.5

Effecten van zeer geringe tijdelijke deposities Ten gevolge van het plan is sprake van slechts geringe bijdragen in stikstofdepositie. Deze bijdragen leiden op zichzelf nooit tot een meetbaar effect. Dit is als volgt te onderbouwen:

1

Directe schade aan individuele planten door stikstofdepositie is uitgesloten. Directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen, en daarmee de leefgebieden van soorten1 als gevolg van kleine deposities zijn met zekerheid uitgesloten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland namelijk zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol.

Kleine toenames leiden niet tot zichtbare of meetbare effecten en niet tot een verzwaring van de reguliere beheeropgave. Dergelijke kleine en tijdelijke depositietoenames leiden tevens niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de plant, gerelateerd aan de hoeveelheid die een plant nodig heeft om te groeien. Dit is als volgt te onderbouwen (Kleijberg, 2019).: o een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N per hectare; o de productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al, 2006) ; o het aandeel stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten (https://www.nutrinorm.nl/nl-nl/Paginas/Hoofdelementen-Waarom-heeft-eenplant-stikstof-nodig.aspx#.X2349L0zbIV) ; o voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 tot 90 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met circa 2.150 en 6.400 mol N/ha/jaar.

Dit betreft de totale aanvoer van stikstof; dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing); o een depositie van 1 mol/ha/jaar komt overeen met 0,02 en 0,05% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie (dus het uitspoelen van stikstok niet mee beschouwend), leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie.

Effecten van stikstofdepositie via effecten op de planten/vegetatie kunnen zijn: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit en kwaliteit voedselplanten, afname kwaliteit voedselplanten, afname bloemdichtheid, afname beschikbaarheid gastheer, afname nestgelegenheid of afname prooibeschikbaarheid (bron: Smits & Bal, 2014) 10

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

Een tijdelijke beperkte bijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr is dermate gering dat hierover het volgende kan worden geconcludeerd: o Er treedt geen waarneembare verandering op van de standplaats; o Er treedt geen meetbare verandering in de groeisnelheid van individuele planten op, ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie (wat niet het geval is, bijvoorbeeld door uitspoeling) en daarmee leidt de bijdrage niet tot veranderingen in concurrentiepositie; o Er is dan ook geen sprake van doorwerking in de kwaliteit van het habitattype; o Er is dan ook geen sprake van negatieve gevolgen (zeker niet significant) op de instandhoudingsdoelen van het habitattype (behoud of verbetering kwaliteit) voor het Natura 2000-gebied; o Er is dan ook geen sprake is van verlies van areaal van het habitattype als gevolg van stikstofdepositiebijdrage.

Pas in geval van een relevante stikstofdepositiebijdrage treden na tientallen jaren ecologische effecten in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk areaalverlies op. Dit kan zich afspelen, afhankelijk van de gevoeligheid van een habitattype, in een periode van 10-20 jaar. Hierbij is geen rekening gehouden met het huidig regulier beheer om de habitattypen in stand te houden en/of de lokale gebufferde omstandigheden. Wanneer geen sprake is van een relevante stikstofdepositiebijdrage kan eenvoudigweg geen sprake zijn van ecologische doorwerking en is er geen sprake van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen. In de navolgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de specifieke habitattypen en leefgebieden die een stikstofbijdrage ondervinden ten gevolge van het plan.

11

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

3

Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen per Natura 2000-gebied

3.1

Biesbosch Het Natura 2000-gebied Biesbosch is in 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. De Biesbosch betreft een Habitat- en Vogelrichtlijngebied. De instandhoudingsdoelen zijn in Tabel 3.1.1 t/m 3.1.4 weergegeven. In de hiernavolgende tabellen vindt de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats. Groen gemarkeerde doelen worden niet nader beschouwd.

3.1.1

Habitattypen Tabel 3.1.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Biesbosch (PAS-gebiedsanalyse en aanwijzingsbesluit). Hoogste Kritische Hoogste Doel achterdepositieplanKwal / Habitattypen Omvang/ grondwaarde Relevant bijdrage4 trend 3 kwal waarde (KDW) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H3260B Beken en rivieren met waterplanten Nee, geen == (grote planbijdrage fonteinkruiden) H3270 Slikkige Nee, geen >> rivieroevers planbijdrage H6120 *Stroomdalgraslan Nee, geen >= den planbijdrage H6430A Ruigten en zomen Nee, geen == (moerasspirea) planbijdrage H6430B Ruigten en zomen Nee, geen >= (moerasspirea) planbijdrage H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooil Nee, geen => anden planbijdrage (glanshaver) H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooil Nee, geen => anden (grote planbijdrage vossenstaart) H91E0A *Vochtige alluviale bossen Nee, geen = (<) > (zachthoutooiboss planbijdrage en) H91E0B *Vochtige alluviale Nee, geen bossen (essen>> planbijdrage ipenbossen)

Voor alle habitattypen is er geen sprake van een toename aan stikstofdepositie. Voor al deze habitattypen is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie - ongeacht of ze stikstofgevoelig zijn – uit te sluiten. Een nadere ecologische analyse is voor deze habitattypen daarom niet aan de orde. 12

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

3.1.2

Habitatsoorten Tabel 3.1.2: Afbakening habitatsoorten Natura 2000-gebied Biesbosch (PAS-gebiedsanalyse, aanwijzingsbesluit en wijzigingsbesluit Aanwezige waarden). Doel Habitatsoort Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie Pop/Omvang/Kwal H1095 Zeeprik >== Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1099 Rivierprik >== Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1102 Elft >== Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1103 Fint >== Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1106 Zalm >== Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1134 Bittervoorn === Geen stikstofgevoelig leefgebied aanwezig in de Biesbosch. H1145 Grote modderkruiper === Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1149 Kleine modderkruiper === Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1163 Rivierdonderpad === Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1318 Meervleermuis === Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1337 Bever === Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H1340 *Noordse woelmuis >>> Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort.

H1387 Tonghaarmuts >>> Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. H4056 Platte schijfhoren === Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort.

De bittervoorn maakt geen gebruik van stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebied in het Natura 2000-gebied Biesbosch. Voor alle overige habitatsoorten is stikstof niet relevant voor het leefgebied. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie door het plan op alle habitatsoorten zijn - ongeacht of ze stikstofgevoelig zijn – uit te sluiten. Een nadere ecologische analyse is daarom niet aan de orde.

3.1.3

Broedvogelsoorten Tabel 3.1.3: Afbakening broedvogels Natura 2000-gebied Biesbosch (PAS-gebiedsanalyse en aanwijzingsbesluit). Doel Behalen doel? Analyse stikstofgevoeligheid en Broedvogelsoort Omvang/Kwal/ # relevantie broedparen A017 Aalscholver Stikstof is niet relevant voor de = = 310 leefgebieden van deze habitatsoort. A021 Roerdomp Geen stikstofgevoelig leefgebied > > 10 aanwezig in de Biesbosch. A081 Bruine kiekendief = = 30 Relevant, soort komt in Biesbosch voor in stikstofgevoelig H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver), H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote

13

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

Broedvogelsoort

A119

Porseleinhoen

A229

IJsvogel

A272

Blauwborst

A292

Snor

A295

Rietzanger

Doel Omvang/Kwal/ # broedparen

Behalen doel?

Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie vossenstaart), Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland en Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivierenen zeekleigebied. Er is geen sprake van een planbijdrage op de habitattypen. Op beide leefgebieden is wel een planbijdrage aan de orde op overbelast gebied. De trend van de bruine kiekendief is negatief. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. Geen stikstofgevoelig leefgebied aanwezig in de Biesbosch. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort.

>>9 = = 20 = = 1300 = = 130 = = 260

Voor de bruine kiekendief is er sprake van een planbijdrage op de leefgebieden. De trend is negatief en onder de doelstelling van 30 paren. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de bruine kiekendief. De overige broedvogelsoorten zijn óf niet stikstofgevoelig óf hebben geen stikstofgevoelig leefgebied in de Biesbosch. Voor deze broedvogels is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie door het plan - ongeacht of ze stikstofgevoelig zijn – uit te sluiten.

3.1.4

Niet-broedvogelsoorten Tabel 3.1.4: Afbakening niet-broedvogels Natura 2000-gebied Biesbosch (PAS-gebiedsanalyse en aanwijzingsbesluit). Doel Niet-broedvogelsoort Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie Omvang/Kwal/ Pop* A005 Fuut = = 450f Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A017 Aalscholver = = 330s/f Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A027 Grote zilverreiger = = 10f/60s Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A034 Lepelaar = = 10f Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A037 Kleine zwaan = = 10s Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A041 Kolgans = = 1800f/34200s Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A043 Grauwe gans = = 2300s Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A045 Brandgans = = 4900s/870f Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A050 Smient = = 3300s/f Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A051 Krakeend = = 1300f Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A052 Wintertaling = = 1100f Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. A053 Wilde eend = = 4000f Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort.

14

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

A054

Pijlstaart

Doel Omvang/Kwal/ Pop* = = 70f

S056

Slobeend

= = 270f

A059

Tafeleend

= = 130f

A061

Kuifeend

= = 3800f

A068

Nonnetje

= = 20f

A070

Grote zaagbek

= = 30f

A075

Zeearend

= = 2f

A094

Visarend

= = 6f

A125

Meerkoet

= = 3100f

A156

Grutto

= = 60s/f

Niet-broedvogelsoort

Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie Niet relevant. Pijlstaarten komen de laatste jaren steeds meer voor in de Biesbosch en ze verblijven dan in de nieuwe natuurontwikkelingsgebieden. Daar foerageren ze in het ondiepe water. Het leefgebied daar (Zoet getijdenwater) is niet gevoelig voor stikstofdepositie, maar kan op termijn wel door successie naar andere vegetaties ongeschikt worden. Echter indien er regelmatig een proces optreedt waarbij de successie wordt teruggezet naar het pionierstadium, blijft het leefgebied van de pijlstaart ook op langere termijn bestaan. Dat proces treedt van nature enigszins op en er zijn in het beheerplan maatregelen voor opgenomen. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. Geen stikstofgevoelig leefgebied aanwezig in de Biesbosch. Geen stikstofgevoelig leefgebied aanwezig in de Biesbosch. Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze habitatsoort. Niet relevant.

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat de grutto in de Biesbosch vooral voorkomt in de nieuwe natuurontwikkelingsgebieden (leefgebied zoet getijdenwater, niet stikstofgevoelig) en niet in de stikstofgevoelige leefgebieden Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland en Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied, waarop sprake is van een planbijdrage. De nieuwe natuurontwikkelingsgebieden hebben niet te lijden van verzuring door regelmatige overstroming met rivierwater. Negatieve effecten zijn daarom uit te sluiten.

* s = slaap- en rustplaats en f = foerageergebied

De niet-broedvogelsoorten zijn óf niet stikstofgevoelig óf hebben geen stikstofgevoelig leefgebied in de Biesbosch óf maken geen gebruik van stikstofgevoelig leefgebied in de Biesbosch. Voor deze niet-broedvogels is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie ongeacht of ze stikstofgevoelig zijn – uit te sluiten.

15

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

3.2

Meijendel en Berkheide Het Natura 2000-gebied Meijendel en Berkheide is op 25 april 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken aangewezen als Natura 2000-gebied. Het Natura 2000gebied Meijendel en Berkheide betreft een Habitatrichtlijngebied. De instandhoudingsdoelen zijn in Tabel 3.2.1 en Tabel 3.2.2 weergegeven. In de hierna volgende tabellen vindt de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats. Groen gemarkeerde doelen worden niet nader beschouwd.

3.2.1

Habitattypen Tabel 3.2.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Meijendel en Berkheide (NDA, PAS-gebiedsanalyse, aanwijzingsbesluit en wijzigingsbesluit Aanwezige waarden). Kritische Kwal / Hoogste depositietrend Doel Hoogste achterwaarde Habitattypen Omvang/ planbijdrage grondKwal (mol/ha/jr) waarde4 (KDW)3 (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) Embryonale H2110 == duinen H2120

Witte duinen

=>

H2130A

*Grijze duinen, kalkrijk

>>

0,01

1071

1622

+/-

H2130B

*Grijze duinen, kalkarm

>>

0,01

714

1737

matig/ -

H2160

Duindoornstruwelen

=(<) =

0,01

2000

1609

H2180Abe

Duinbossen, droog (berkeneikenbos)

==

0,01

1071

1669

+/+

H2180Ao

Duinbossen, droog (overig)

==

0,01

1429

1769

+/+

H2180B

Duinbossen, vochtig

==

0,01

2214

1680

H2180C

Duinbossen, binnenduinrand

=>

0,01

1786

1603

16

Relevant

Nee, geen planbijdrage Nee, geen planbijdrage Ja, overschrijding KDW, planbijdrage en de trend is negatief. Ja, overschrijding KDW, planbijdrage en de kwaliteit is matig en de trend negatief. Nee, geen (naderende) overschrijding KDW. Nee, overschrijding KDW en planbijdrage, maar goede kwaliteit en positieve trend. Nee, overschrijding KDW en planbijdrage, maar goede kwaliteit en positieve trend. Nee, geen (naderende) overschrijding KDW. Nee, geen (naderende) overschrijding KDW.

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

Habitattypen

H2190Ae

H2190Aom

H2190B H2190C

H2190D H3140 H6430A

Vochtige duinvalleien, open water (matig) eutrofe vormen) Vochtige duinvalleien, open water (oligo- tot mesotrofe vormen) Vochtige duinvalleien, kalkrijk Vochtige duinvalleien Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten Kranswierwater en Ruigten en zomen, moerasspirea

Doel Omvang/ Kwal

>>

Hoogste planbijdrage (mol/ha/jr)

0,01

Kritische depositiewaarde (KDW)3 (mol/ha/jr)

2143

Hoogste achtergrondwaarde4 (mol/ha/jr)

1205

Kwal / trend Relevant

Nee, geen (naderende) overschrijding KDW.

>>

Nee, geen planbijdrage

>>

Nee, geen planbijdrage

>>

Nee, geen planbijdrage

>>

Nee, niet stikstofgevoelig

==

Nee, geen planbijdrage

==

Nee, niet stikstofgevoelig

De habitattypen H6430A Ruigten en zomen, moerasspirea en H2190D Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten zijn niet stikstofgevoelig. Voor deze habitattypen is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie dan ook uit te sluiten. Deze habitattypen worden niet nader beschouwd. Voor de habitattypen H2110 Embryonale duinenH2120 Witte duinen, H2190Aom Vochtige duinvalleien, open water (oligo- tot mesotrofe vormen), H2190C Vochtige duinvalleien, H3140 Kranswierwateren en H2190B Vochtige duinvalleien, kalkrijk geldt dat er geen sprake is van een planbijdrage. Voor deze habitattypen is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie ongeacht of ze stikstofgevoelig zijn – uit te sluiten. Deze habitattypen wordt niet nader beschouwd. Voor de habitattypen H2180B Duinbossen, H2180C Duinbossen, binnenduinrand, H2160 Duindoornstruwelen, vochtig en H2190Ae Vochtige duinvalleien, open water (matig) eutrofe vormen) geldt dat er wel sprake is van een planbijdrage, maar dit betreft niet overbelast gebied. Ook voor deze habitattypen is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie uit te sluiten. Voor de overige habitattypen H2130A Grijze duinen, kalkrijk, H2130B Grijze duinen, kalkarm, H2180Abe Duinbossen, droog (berken-eikenbos), H2180Ao Duinbossen, droog (overig)) geldt dat er sprake is van een planbijdrage en een overschrijding van de KDW.

Op basis van de kwaliteit van de aanwezige vegetaties kan, ten aanzien van H2130A Grijze duinen, kalkrijk, worden geconcludeerd dat de kwaliteit van het habitattype in Meijendel over het algemeen goed is. Tijdens het opstellen van de NDA zijn geen gegevens bekend over de trend 17

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

van de oppervlakte. Wel is er op basis van een vergelijking tussen luchtfoto’s van 2011 t/m 2020 te zien dat er lokaal sprake is van verbossing in het duingebied. Hierdoor is het oppervlakte van areaal van grijze duinen waarschijnlijk afgenomen. De trend is dus negatief. Dit habitattype wordt nader beschouwd in de ecologische analyse. De kwaliteit van het habitattype H2130B Grijze duinen, kalkarm, laat een wisselend beeld zien. Aaneengesloten vlakken met een goede kwaliteit worden afgewisseld met een matige kwaliteit. De kwaliteit is de afgelopen decennia achteruit gegaan, zowel qua oppervlakte als kwaliteit. Dit habitattype wordt nader beschouwd in de ecologische analyse. In Meijendel is de kwaliteit (gelet op vegetatietypen) van het type (H2180Abe Duinbossen, droog (berken-eikenbos), H2180Ao Duinbossen, droog (overig)) over het algemeen goed, alleen in deelgebied Uilenbosch en Waalsdorp is de kwaliteit matig. Van het type berken-eikenbos in Meijendel is de kwaliteit in alle gevallen goed. De typische soorten zijn merendeels aanwezig in de deelgebieden in Meijendel. In deelgebieden met slechts kleine arealen (duin)bos is echter duidelijk te zien dat het aantal typische soorten achterblijft, waarschijnlijk gerelateerd aan het beperkte areaal en de versnipperde ligging. Het areaal droge duinbossen heeft zich op langere termijn bezien langzaam maar zeker uitgebreid.

Door de veroudering van bossen neemt hun kwaliteit van nature toe doordat het aantal dikke en dode bomen toeneemt en daarmee structuur en functie als leefgebied voor typische bossoorten wordt vergroot. Daarom zijn significante negatieve effecten als gevolg van de geringe tijdelijke planbijdrage uit te sluiten en worden deze habitattypen niet nader beschouwd.

3.2.2

Habitatsoorten Tabel 3.2.2: Afbakening habitatsoorten Natura 2000-gebied Meijendel en Berkheide (NDA, PAS-gebiedsanalyse, aanwijzingsbesluit en wijzigingsbesluit Aanwezige waarden). Doel Behalen Habitatsoort Pop/ Omvang/ doel? Analyse stikstofgevoeligheid em relevantie Kwal H1014 Nauwe korfslak === + De nauwe korfslak komt voor in het stikstofgevoelige habitattype H2190B, H2160 en Lg12. Voor H2160 geldt dat er sprake is van een planbijdrage, maar dat er geen sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW. Voor het andere habitattype (H2190B) en het leefgebied geldt dat er geen sprake is van een planbijdrage. H1149 Kleine === + Potentieel en huidig leefgebied van de kleine modderkruiper modderkruiper in Meijendel en Berkheide bestaat uit de habitattypen H2910A, H2910B, H2190C. Voor H2190A geldt dat er sprake is van een planbijdrage maar dit betreft niet (naderend) overbelast gebied. Voor de andere habitattypen geldt dat er geen sprake is van een planbijdrage. H1166 Kamsalamander === + Potentieel en huidig leefgebied van de kamsalamander in Meijendel en Berkheide bestaat uit de habitattypen H2910A, H2910B, H2190C. Voor H2190A geldt dat er sprake is van een planbijdrage maar dit betreft niet (naderend) overbelast gebied. Voor de andere habitattypen geldt dat er geen sprake is van een planbijdrage.

H1318 Meervleermuis === + De meervleermuis is niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied.

De meervleermuis is niet stikstofgevoelig. Negatieve effecten van stikstofdepositie zijn dan ook uitgesloten. 18

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

De nauwe korfslak komt voor in het stikstofgevoelige habitattypen H2190B, H2160 en Lg12. Voor H2160 geldt dat er sprake is van een planbijdrage, maar dat er geen sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW. Voor het andere habitattype (H2190B) en het leefgebied geldt dat er geen sprake is van een planbijdrage. Significant negatieve effecten ten aanzien van nauwe korfslak zijn dan ook op voorhand uit te sluiten en deze soort wordt dan ook niet meegenomen in de ecologische analyse. Potentieel en huidig leefgebied van de kleine modderkruiper en de kamsalamander in Meijendel en Berkheide bestaat uit de habitattypen H2910A, H2910B, H2190C. Voor H2190A geldt dat er sprake is van een planbijdrage maar dit betreft niet (naderend) overbelast gebied. Voor de andere habitattypen geldt dat er geen sprake is van een planbijdrage. Significant negatieve effecten ten aanzien van kleine modderkruiper en kamsalamander zijn dan ook op voorhand uit te sluiten en deze soorten worden dan ook niet meegenomen in de ecologische analyse.

3.3

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is op 25 november 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken aangewezen als Natura 2000-gebied. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck betreft een Habitat- en Vogelrichtlijngebied. De instandhoudingsdoelen zijn in Tabel 3.3.1 en 3.3.4 weergegeven. In de hierna volgende tabellen vindt de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats. Groen gemarkeerde doelen worden niet nader beschouwd.

3.3.1

Habitattypen Tabel 3.3.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (NDA, PAS-gebiedsanalyse en aanwijzingsbesluit). Kritische Kwal / Hoogste Hoogste depositietrend Doel achterplanwaarde Habitattypen Omvan grondRelevant bijdrage g/kwal waarde4 (KDW)3 (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H3140 Kranswierwateren >> Nee, geen (naderende) 0,02 2143 1583 overschrijding KDW. H3150 Meren met >> Nee, overschrijding KDW krabbenscheer en Goed tot en planbijdrage, maar 0,01 2143 2913 fonteinkruiden matig / = goede tot matige kwaliteit en stabiele trend. H4010B Vochtige heiden >> Nee, overschrijding KDW en planbijdrage, maar een 0,01 786 1577 +/+ goede kwaliteit en positieve trend. H6410 Blauwgraslanden >> Ja, overschrijding KDW, planbijdrage en een 0,01 1071 1547 matig / matige kwaliteit en een negatieve trend. H6430A Ruigten en zomen == Nee, niet stikstofgevoelig. moerasspirea H7140A Overgangs- en >> Ja, overschrijding KDW, trilvenen trilvenen 0,01 1214 1279 -/planbijdrage en een slechte kwaliteit

19

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

Habitattypen

H7140B

H7210 H91D0

Doel Omvan g/kwal

Overgangs- en trilvenen veenmosrietlanden

>>

*Galigaanmoerasse n *Hoogveenbossen

==

Hoogste planbijdrage (mol/ha/jr)

Kritische depositiewaarde (KDW)3 (mol/ha/jr)

Hoogste achtergrondwaarde4 (mol/ha/jr)

0,02

714

1765

0,01

1571

1142

0,01

1786

1765

Kwal / trend Relevant

+ tot matig /+

== matig (-) / =

Nee, overschrijding KDW, planbijdrage, maar goede tot matige kwaliteit en een positieve trend. Nee, geen (naderende) overschrijding KDW. Ja, naderende overschrijding KDW, planbijdrage en habitattype is verdwenen.

Het habitattype H6430A Ruigten en zomen moerasspirea is niet stikstofgevoelig. Een negatief effect van stikstofdepositie kan voor dit habitattype worden uitgesloten. Op de overige habitattypen is wel sprake van een planbijdrage. Voor H3140 Kranswierwateren en H7210 Galigaanmoerassen is er geen sprake van een naderende overschrijding van de KDW. Ook voor deze habitattypen is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie dus uit te sluiten. Voor de overige habitattypen is wel sprake van een planbijdrage en een overschrijding van de KDW. De oppervlakte van H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden is nagenoeg hetzelfde gebleven. De vegetatiekundige kwaliteit is matig tot goed. Dit habitattype wordt niet nader beschouwd in de ecologische analyse. Voor H4010B Vochtige heiden geldt dat de vegetatiekundige kwaliteit voor verreweg het grootste deel goed is. Slechts 0,4 van de 23,4 ha heeft een matige vegetatiekundige kwaliteit. Het habitattype kent in totaal één relevante typische soort, namelijk de ronde zonnedauw (zie Tabel 4-7). In de afgelopen periode van 6 jaar is deze soort meer dan 100 keer in de deelgebieden Plassen- en moerasgebied en De Haak aangetroffen. De trend in oppervlakte is positief.

Gezien deze situatie in combinatie met de geringe, tijdelijke toename zijn significant negatieve effecten op dit habitattype als gevolg van dit plan bij voorbaat uit te sluiten. Dit habitattype wordt niet nader beschouwd in de ecologische analyse. De kwaliteit van H6410 Blauwgraslanden is over het algemeen matig. Blauwgrasland is in de Nieuwkoopse Plassen in oppervlakte sterk afgenomen. Dit habitattype wordt meegenomen in de ecologische analyse. Er is in 2019 geen areaal gekarteerd als H7140A. Volgens de kartering uit 2009 was in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 1,2 ha aanwezig dat kwalificeerde als Overgangs- en trilvenen (trilvenen). Kwalificerende vegetatietypen zijn nu volledig uit de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck verdwenen. Dit habitattype is niet als aanwezig gekarteerd, derhalve kan niets gezegd worden over de onderliggende kwalificerende vegetatietypen. Dit habitattype wordt meegenomen in de ecologische beoordeling. De huidige kwaliteit van het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen veenmosrietlanden is goed (167 ha.) tot matig (66 ha.). Het oppervlak van het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen veenmosrietlanden bedraagt 232,9 ha. Bijna het volledige areaal ligt verspreid in deelgebied Plassen- en moerasgebied. Daarnaast ligt 7,8 ha in de Haak, 2,6 ha in Meije 20

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

graslanden en 1,3 ha in Binnenpolder. Volgens de kartering uit 2009 was in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 168 ha aanwezig dat kwalificeerde als Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland). Het oppervlak is flink toegenomen, als gevolg van genomen maatregelen (stoppen met branden, omschakelen naar zomermaaien). Dit habitattype wordt niet nader beschouwd. Het habitattype Hoogveenbos (H91D0) is matig ontwikkeld. De kwaliteit is beoordeeld als matig tot slecht. De trend sinds 2004 is stabiel. Dit habitattype wordt nader beschouwd in de ecologische analyse.

3.3.2

Habitatsoorten Tabel 3.3.2: Afbakening habitatsoorten Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (NDA, PASgebiedsanalyse, aanwijzingsbesluit en wijzigingsbesluit Aanwezige waarden). Doel Behalen Pop / doel? Habitatsoort Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie Omvang/ Kwal H1016 Zegge-korfslak === De soort komt voor in het stikstofgevoelige habitattype H7210 en het leefgebied Lg05. Voor het leefgebied geldt dat er sprake is van een planbijdrage maar dit betreft niet overbelast gebied. Voor het habitattype geldt dat er geen sprake is van een (naderend) overbelaste situatie. H1082 Gestreepte >>> Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze waterroofkever soort. H1134 Bittervoorn === De bittervoorn komt voor in het stikstofgevoelige habitattype H3150 en Lg 02 geïsoleerde meander en Petgat. Voor dit habitattype is sprake van een overschrijding van de KDW en een planbijdrage, maar de kwaliteit is goed en de trend is positief. Voor het leefgebied geldt dat er sprake is van een planbijdrage maar dit betreft niet overbelast gebied. H1149 Kleine === Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze modderkruiper soort. H1163 Rivierdonderpad === In principe kan de rivierdonderpad leefgebied vinden op locaties met de habitattypen H3140 Kranswierwateren en H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden. Dit is ruim voorhanden in het Natura 2000-gebied.

Voor H3140 geldt dat er geen (naderende) overschrijding van de KDW is en voor H3150 geldt dat er wel een overschrijding van de KDW is en planbijdrage, maar het habitattype heeft een goede tot matige kwaliteit en een stabiele trend. H1318 Meervleermuis === Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. H1340 *Noordse === Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze woelmuis soort. H1903 Groenknolorchis === = De groenknolorchis komt voor in het stikstofgevoelige habitattype H7140A. Voor dit habitattype is sprake van een planbijdrage, een overschrijding van de KDW en een slechte kwaliteit. De trend van de soort is echter stabiel, zowel voor het leefgebied als voor de soort zelf. H4056 Platte === De platte schijfhoren komt voor in het schijfhoren stikstofgevoelige habitattype H3150 en Lg 02 geïsoleerde meander en Petgat. Voor dit habitattype is sprake van een overschrijding van de KDW en een

21

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

planbijdrage, maar de kwaliteit is goed en de trend is positief. Voor het leefgebied geldt dat er sprake is van een planbijdrage maar dit betreft niet overbelast gebied.

De kleine modderkruiper, de gestreepte waterroofkever, de meervleermuis en de noordse woelmuis zijn niet afhankelijk van stikstofgevoelig leefgebied. Negatieve effecten van stikstofdepositie kunnen voor deze soorten dan ook worden uitgesloten. De zeggekorfslak, de bittervoorn, de rivierdonderpad, de groenknolorchis en de platte schijfhoren komen voor in stikstofgevoelige habitattypen. De bittervoorn en platte schijfhoren komen voor in het stikstofgevoelige habitattype H3150 en Lg 02 geïsoleerde meander en Petgat. Voor dit habitattype is sprake van een overschrijding van de KDW en een planbijdrage, maar de kwaliteit van het habitattype is goed en de trend is positief. Voor het leefgebied geldt dat er sprake is van een planbijdrage, maar dit betreft niet overbelast gebied. Voor deze habitatsoorten is een significant negatief effect als gevolg van stikstofdepositie door het plan uit te sluiten. De habitatsoorten worden niet meegenomen in de ecologische analyse. De zeggekorfslak voor in het stikstofgevoelige habitattype H7210 en het leefgebied Lg05. Voor het leefgebied geldt dat er sprake is van een planbijdrage, maar dit betreft niet overbelast gebied. Voor het habitattype geldt dat er geen sprake is van een (naderend) overbelaste situatie. Voor deze habitatsoort is een significant negatief effect als gevolg van stikstofdepositie door het plan uit te sluiten.

De habitatsoort wordt niet meegenomen in de ecologische analyse. In principe kan de rivierdonderpad leefgebied vinden op locaties met de habitattypen H3140 Kranswierwateren en H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden. Dit is ruim voorhanden in het Natura 2000-gebied. Voor H3140 geldt dat er geen (naderende) overschrijding van de KDW is en voor H3150 geldt dat er wel een overschrijding van de KDW is en planbijdrage, maar het habitattype heeft een goede tot matige kwaliteit en een stabiele trend. De habitatsoort wordt niet meegenomen in de ecologische analyse. De groenknolorchis komt voor in het stikstofgevoelige habitattype H7140A. Voor dit habitattype is sprake van een planbijdrage, een overschrijding van de KDW en een slechte kwaliteit. De trend van de soort is echter stabiel, zowel ten aanzien van het leefgebied van de soort als ten aanzien van de soort zelf. Voor deze habitatsoort is een significant negatief effect als gevolg van stikstofdepositie door het plan uit te sluiten. De habitatsoort wordt niet meegenomen in de ecologische analyse.

22

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

3.3.3

Broedvogelsoorten Tabel 3.3.3: Afbakening broedvogels Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (NDA, PAS-gebiedsanalyse en aanwijzingsbesluit). Doel Behalen Broedvogelsoort Omvang/Kwal/ doel? Analyse stikstofgevoeligheid en relevantie # broedparen A021 Roerdomp >>6 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. A029 Purperreiger = = 120 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. A176 Zwartkopmeeu ==9 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze w soort. A197 Zwarte stern > > 115 De zwarte stern komt voor in het stikstofgevoelige habitattype H3150. Voor dit habitattype is sprake van een overschrijding van de KDW en een planbijdrage, maar de kwaliteit is goed en de trend is positief. A292 Snor = = 25 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. A295 Rietzanger = = 680 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort.

Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van de meeste broedvogelsoorten. Negatieve effecten van stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten. De zwarte stern komt voor in het stikstofgevoelige habitattype H3150. Voor dit habitattype is sprake van een overschrijding van de KDW en een planbijdrage, maar de kwaliteit is goed en de trend is positief. Daarom zijn voor de zwarte stern significant negatieve effecten door de geringe, tijdelijke planbijdrage uit te sluiten. De soort wordt niet nader beschouwd.

3.3.4

Niet-broedvogelsoorten Tabel 3.3.4: Afbakening niet-broedvogels Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (NDA, PASgebiedsanalyse en aanwijzingsbesluit). Doel Niet-broedvogelsoort Analyse stikstofgevoeligheid Omvang/Kwal/ Pop A027 Grote zilverreiger = = 60 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. A041 Kolgans = = 3000 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. A050 Smient = = 3500 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort. A051 Krakeend = = 90 Stikstof is niet relevant voor de leefgebieden van deze soort.

Voor alle niet-broedvogelsoorten geldt dat stikstof niet relevant is voor het leefgebied. Voor deze niet-broedvogelsoorten is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie uit te sluiten.

23

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

3.4

Uiterwaarden Lek Het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek is op 5 juli 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken aangewezen als Natura 2000-gebied. De Uiterwaarden Lek betreft een Habitatrichtlijngebied. De instandhoudingsdoelen zijn in Tabel 3.4.1 tot en met Tabel 3.4.2 weergegeven. In de hierna volgende tabellen vindt de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats. Groen gemarkeerde doelen worden niet nader beschouwd.

3.4.1

Habitattypen Tabel 3.4.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek (PAS-gebiedsanalyse, aanwijzingsbesluit en wijzigingsbesluit Aanwezige waarden). Hoogste Kritische achterDoel Hoogste depositiewaargrondKwal/ Habitattypen Omvang planbijdrage Relevant waarde4 trend de (KDW)3 / kwal (mol/ha/jr) (mol/ha/jr (mol/ha/jr) ) H3270 Slikkige Nee, niet == rivieroevers stikstofgevoelig H6120 *Stroomdalgrasl Ja, overschrijding anden KDW, plan>> 0,01 1286 1489 +/bijdrage en een negatieve trend. H6430B Ruigten en Nee, niet zomen harig >= stikstofgevoelig wilgenroosje H6510A *Glanshaver- en Ja, overschrijding vossenstaarthooi KDW, planlanden matig / bijdrage en een >> 0,01 1429 2047 glanshaver matige kwaliteit en negatieve trend. H91E0A Vochtige alluviale bossen, Nee, niet == zachthoutooistikstofgevoelig bossen

De habitattypen H3270 Slikkige rivieroevers, H6430B Ruigten en zomen, harig wilgenroosje en H91E0A Vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen zijn niet stikstofgevoelig. Voor deze habitattypen is een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie dan ook uit te sluiten. Op de overige habitattypen is sprake van een stikstoftoename door het planvoornemen. De huidige kwaliteit van H6120 Stroomdalgraslanden is voor wat betreft vegetatie, typische soorten en structuur en functie, als goed beoordeeld. De trend is licht negatief. Dit habitattype wordt dan ook meegenomen in de ecologische analyse. De huidige kwaliteit van H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden glanshaver is beoordeeld als matig tot goed. De trend is negatief. Ook dit habitattype wordt nader beschouwd in de ecologische analyse. 24

Rapportage stikstof Onderdeel Wnb gebiedsbescherming Lot 2 G-H ombouw Uniper ROCA Rotterdam projectnummer 456717 16 februari 2023 revisie rev04 N.V. Nederlandse Gasunie

3.4.2

Habitatsoorten Tabel 3.4.2: Afbakening habitatsoorten Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek (PAS-gebiedsanalyse en aanwijzingsbesluit). Doel Behalen doel? Pop Analyse stikstofgevoeligheid em Habitatsoort /Omvang/ relevantie Kwal H1166 Kamsalamander ==> De kamsalamander komt voor in de habitattypen H6120, H6510A, H3270, H6430B en het leefgebied Lg02. Op de habitattypen H6120 Stroomdalgraslanden en H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden glanshaver is sprake van een planbijdrage, een overschrijding van de KDW en een negatieve trend. Op het leefgebied is sprake van een planbijdrage, maar dit betreft niet (naderend) overbelast gebied. Deze soort kan in de Uiterwaarden Lek echter niet gekoppeld worden aan de vier habitattypen waar het gebied voor is aangewezen.

Voor Uiterwaarden Lek is de kamsalamander (H1166) aangewezen als instandhoudingsdoelstelling. Deze kan niet gekoppeld worden aan de vier habitattypen waar het gebied voor is aangewezen omdat deze voor de voortplanting afhankelijk is van geïsoleerd helder water met een rijke ondergroei aan waterplanten. Daarom is deze gekoppeld aan de plassen langs de dijkvoet. Deze zijn te vergelijken met het natuurdoeltype 3.17 (geïsoleerde meander en petgat). De KDW voor dat type (Lg02) is 2143 mol N/ha/jaar. De kamsalamander leeft daarnaast een groot deel van het jaar op het land. Daar blijkt deze soort voor te komen in allerlei vegetaties, vooral in kleinschalige landschapselementen met afwisseling van laag en hoog gras, ruigte, struweel en bomen. Er lijkt voor de landhabitats geen voorkeur te zijn voor stikstofarme habitats, noch blijkt stikstof een beperking te zijn voor de landhabitats van deze soort. Voor deze habitatsoort is een significant negatief effect als gevolg van stikstofdepositie door het plan uit te sluiten. De habitatsoort wordt niet meegenomen in de ecologische analyse.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c05c24ad-c167-4597-a12f-ff034076023a