CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb000367] Bijlage 2 behorende bij 23bb365 - Cultuurhistorische analyse Van den. Bergh en Jurgens margarine fabrieken, Nassaukade Rotterdam ( SteenhuisMeurs, 2022 )

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 20 maart 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken17.375 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam Cultuurhistorische analyse 514 | 2022

december 2022

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Luchtfoto circa 1928 [Upfield]

2

Inhoudsopgave Inleiding5 1. Historische context De uitvinder van de kunstboter De eerste margarinefabrieken Innovatie en groei Merken en marketing Van den Bergh versus Jurgens Margarine Unie en Unilever De mensen achter de margarine

7 9 11 13 15 17 19 21

2. Stedenbouwkundige context 23 Rotterdam-Zuid: havens 25 Nassaukade en Nassauhaven 29 Margarinefabriek33 Woonbuurten35

Ruimtelijke beschrijving 75 Hoofdopzet en uitbreidingsfases 77 Nassaukade85 Nassauhaven89 Roentgenstraat93 Nassaustraat97 De kades 99 5. Waardering101 Kernkwaliteiten102 Cultuurhistorische waarde 109 Bijlage: Overzicht bouwaanvragen tot 2000

112

Literatuur116 Eindnoten116

3. De fabriek aan de Nassaukade 37 Architect Nolen 39 Inrichting fabriek 41 Uitbreidingen45 Het bezoek van Wilhelmina aan Rotterdam 52

Colofon117

4. Gebruiksgeschiedenis57 Het houten tijdperk: ambachtelijke productie 59 Het aluminium tijdperk: mechanisering 63 Plastic tijdperk: automatisering 67 Het digitale tijdperk: differentiatie 71

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

3

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

4

Inleiding In 1891 bouwde de firma Simon van den Bergh aan de Nassaukade in Rotterdam een margarinefabriek, die de grootste en modernste van het land zou worden. In de jaren die volgden werd de fabriek uitgebreid, veranderde de receptuur van de margarine, ontstonden er nieuwe merken en verpakkingen en kwamen er steeds betere en snellere machines. Al die tijd draaide de productie door, jaar in, jaar uit. De naam van de fabriek veranderde van Firma Simon van den Bergh achtereenvolgens in Van den Berg’s Limited (1895), Van den Bergh’s fabrieken NV (1919), Van den Bergh en Jurgens’ Fabrieken NV (1938), Van den Bergh & Jurgens BV (1972) en uiteindelijk in Upfield (2019). Met het vertrek van Upfield uit Rotterdam komt een einde aan een tijdperk van ruim 130 jaar. De fabriekslocatie aan het water zal door VORM worden herontwikkeld tot een nieuw stuk stad. Ten behoeve van de herontwikkeling heeft de gemeente om een cultuurhistorisch onderzoek van het fabriekscomplex gevraagd. Dit rapport is hiervan het resultaat. De representatieve kantoorgebouwen aan de Nassaukade worden aangewezen als gemeentelijk monument. De overige delen van het complex zijn niet als monument beschermd, maar bevatten wel cultuurhistorisch waarden – in relatie tot de geschiedenis van Rotterdam-Zuid, Unilever en de margarinefabriek zelf.

Dit onderzoek richt zich op de margarinefabriek aan de Nassaukade, met het doel om het complex onderbouwd te typeren in zijn cultuurhistorische kenmerken en kwaliteiten. Het studiegebied beslaat het bouwblok, dat wordt begrensd door Nassaukade,

Nassaustraat, Roentgenstraat en Nassauhaven – met inbegrip van de kades rondom. Gebouw deBrug is, vanwege een andere eigendomssituatie, niet in het onderzoek meegenomen. De rapportage bestaat uit een historische ontwikkelingsschets van het bedrijf en het gebied, een ruimtelijke analyse en een cultuurhistorische waardering. Het rapport eindigt met aanbevelingen vanuit cultuurhistorie voor de toekomst. Hiermee worden bouwstenen aangeleverd om tot een weloverwogen ontwikkelingsplan voor het terrein te komen. De uitdaging is om de kwaliteiten van de plek in de planvorming te betrekken en te gebruiken als verbijzondering en identiteitsdrager van de nieuwe ontwikkeling. Het onderzoek is gebaseerd op archiefmateriaal (SAR, HNI, NA), locatiebezoek en bestaande literatuur. Het complex werd tweemaal bezocht, met dank aan Upfield. De geschiedenis van Unilever en de fabriek aan de Nassaukade is in verschillende publicaties beschreven en op beeldbanken terug te zien. Ook was een eerder onderzoek van Veerman Bouwhistorie beschikbaar. Van de vele verbouwingen die in de loop der jaren plaatsvonden, zijn bouwdossiers bewaard – hoewel het bombardement van 1940 ook de nodige hiaten in de vooroorlogse periode veroorzaakte. SteenhuisMeurs December 2022

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

5

1 Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

6

Historische context De geschiedenis van de margarine is het verhaal over een uitvinding uit de late negentiende eeuw, die een van de meest succesvolle innovaties in de voedingsmiddelenindustrie opleverde. Margarine vormde in 1929 samen met zeep de voedingsbodem voor het ontstaan van Unilever, de multinational die zou uitgroeien tot een van de grootste bedrijven ter wereld. De margarinefabriek aan de Nassaukade in Rotterdam was ruim 130 jaar lang het decor waarin miljarden vaten, kisten, pakjes en kuipjes margarine in allerlei soorten en maten, merken en smaken van de band kwamen. De fabriek behoorde achtereenvolgens toe aan de familie Van den Bergh, de Margarine Unie, Unilever en sinds 2018 Upfield. In dit hoofdstuk wordt de historische context van de fabriek in hoofdlijnen geschetst. Daarbij is dankbaar gebruikt gemaakt van publicaties over margarine (‘100 jaar margarine’) , het bedrijf (‘geschiedenis van Unilever’) en de fabriek zelf (‘100 jaar Nassaukade’).1

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

7

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Hippolyte Mège Mouriès, uitvinder van de margarine in 1869 [Van Eysselsteijn 1961, 39]

8

De uitvinder van de kunstboter De kunstboter ‘margarine’ werd in Frankrijk uitgevonden in de aanloop naar de Frans-Duitse oorlog (1870-71). Keizer Napoleon III bemoeide zich hoogst persoonlijk met de voedselvoorziening van het volk en het leger. De margarineliteratuur bevat verschillende versies van dit verhaal. Of het nu een prijsvraag voor goedkope en houdbare kunstboter was of een opdracht van de keizer aan zijn adviseurs – zeker is dat hij ertoe bijdroeg dat Hippolyte Mège Mouriès (1817-1880) in 1869 een octrooi aanvroeg voor kunstboter.2 Mège Mouriès had een achtergrond in het apothekerswezen en de scheikunde, maar was bovenal een uitvinder en vernieuwer die zich op voedingsmiddelen richtte.3 Vanwege de glans noemde hij zijn vinding ‘margarine’, dat was afgeleid van het Griekse woord voor parel: ‘margarites’. Mège Mouriès ontdekte de clou van de margarine met een dierproef: in zijn laboratorium stalde hij een koe zonder voer. De hongerige koe bleef onverschrokken melk geven, waaruit viel af te leiden dat zij rundvet in roomvet kon omzetten. Vanuit die constatering bedacht Mège Mouriès een procedé om kunstboter te bereiden uit niervet, fijn gesneden uier en melk. Het niervet werd gesmolten, met zout gezuiverd, gestold tot ‘premier jus’ en daaruit werd olie geperst. Deze ‘oleo’ was een grondstof voor de kunstboter.

In de pers bleef stearine achter, een restproduct waar zeep van kon worden gemaakt. Oleo (‘vetfase’) en melk (‘waterfase’) lossen niet in elkaar op, maar kunnen wel worden gekarnd. Zo maakte Mège Mouriès een emulsie, die moest afkoelen om te stollen en na flink kneden margarine opleverde. Hij verkocht zijn octrooi in verschillende landen. Helemaal gebruiksklaar was het recept nog niet, maar de theoretische basis voor kunstboter was gelegd.

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

9

Familie Jurgens [Wilson 1954, 17]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Familie Van den Bergh [Wilson 1954, 29]

10

De eerste margarinefabrieken De doorontwikkeling van de ideeën van Mège Mouriès vond vooral in Nederland plaats, in Oss om precies te zijn. Daar waren al langer bedrijven gevestigd die zich op de internationale boterhandel richtten. Hun connecties op de belangrijkste afzetmarkten voor boter en het netwerk op het Europese platteland waar alle boter vandaan kwam, bleken bepalend voor succes op de nieuwe margarinemarkt. De vraag naar boter kwam aanvankelijk vooral uit Engeland. De industrialisatie leverde er een grote welvaart op, die was terug te zien in de boterverkopen. Nederlandse handelaren kochten overal in Europa voorraden op en verscheepten die via Oss naar Engeland. Zo was de katholieke familie van Anton Jurgens (1805-1880) in deze handel actief en richtte ze zich vanaf eind jaren 1860 uitsluitend op de export. Een plaatselijk concurrent was de Joodse familie van Simon van den Bergh (1819-1907), die in 1858 uit het nabij gelegen Geffen naar Oss was verhuisd. Door reizen in Nederland, Duitsland, de Alpenlanden en Italië bouwde hij een netwerk van agenten op.

Nadat twee (van in totaal zeven) zoons zich in 1868 in Londen vestigden, kreeg hij een directe connectie met de belangrijkste afzetmarkt.4 Zodra het nieuws over de uitvinding van kunstboter in 1871 bij de firma Jurgens bekend werd, reisde zoon Jan Jurgens (1835-1913) met twee zakenpartners naar Parijs voor een ontmoeting met Mège Mouriès. Nederland had destijds

De fabrieken van Van den Bergh in Kleef en Rotterdam, ca. 1895 [SAR]

geen Octrooiwet, dus de uitvinding van de margarine was in ons land onbeschermd. Jurgens betaalde (naar verluid f. 60.000,-) om uit de eerste hand van Mège Mouriès te horen wat hij allemaal over het maken van margarine wist.5 Bij de proeven in Oss bleek dat de margarine van Mège Mouriès hard en bros was en eigenlijk helemaal niet naar boter smaakte. Stapsgewijs ging de kwaliteit omhoog, onder meer door de oleo voor het karnen met wat olijfolie te mengen.6 Voor de firma Jurgens had margarine de toekomst, zij opende in 1871 een margarinefabriek en stapte uit de boterhandel. Ondanks het feit dat de kunstboter nog lang niet op echte boter leek, was de afzet geen probleem vanwege de onophoudelijk grote vraag naar boters. Jan Jurgens was zo trots op zijn margarine dat hij in 1871 bij Simon van den Bergh langs ging met een monster. Zijn concurrent stelde meteen alles in werking om ook achter het geheim van margarine te komen. Via handelscontacten in Engeland en een studiereis naar Parijs deed Van den Bergh voldoende kennis op om een margarinefabriek te bouwen, die in 1872 ging draaien. Ook Van den Bergh hield de boterhandel voor gezien. Verspreid door het land ontstonden in deze periode tientallen margarinefabrieken.

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

11

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Reclame Van den Bergh’s margarine, ca. 1905 [SAR]

12

Innovatie en groei De verdere geschiedenis van de margarine-industrie omvat vele episodes en omslagmomenten. De constanten waren aanpassingen aan de receptuur, innovaties in de bereiding en het machinepark, marketing en reclame en de conjunctuur, die met de wereldoorlogen en de grote recessie voor de boeg bepaald grillig was te noemen. In de beginjaren vormde de aanvoer van dierlijk vet een bottleneck voor de productie. De vraag naar margarine overtrof de productie die met het beschikbare vet was te realiseren. Jurgens en Van den Bergh hadden profijt van hun Europese botercontacten, die ze nu konden aanwenden om bij slachthuizen geschikte vetten in te kopen. Jurgens liep bij het uitbouwen van een bevoorradingsorganisatie in Europa voorop. Vanaf ongeveer 1880 nam de margarineproductie in Europa een grote vlucht. Daar waren twee redenen voor. Allereerst kwam de import van rundvet uit Amerika op gang. Voor slachterijen uit de omgeving van Boston en Chicago ging het om een bijproduct, dat in grote hoeveelheden kon worden geleverd.7 Rotterdam werd de belangrijkste invoerhaven. De tweede reden voor de productiegroei was de vondst van de Franse margarinefabrikant en kunstverzamelaar August Pellerin (1853-1929) om de emulsie met ijskoud water te besproeien en zo het stollingsproces te versnellen. Voortaan konden grote hoeveelheden margarine tegelijk worden bereid.

In 1888, een jaar na de afkondiging van hoge invoertarieven in Duitsland, opende Van den Bergh een fabriek in Kleef en Jurgens in Goch. Weer drie jaar later verhuisde Van den Bergh zijn Nederlandse fabriek van Oss naar

Rotterdam. Daarover later meer. In deze periode maakte Van den Bergh een inhaalslag ten opzichte van Jurgens door het optimaliseren van de productieketen (inkoop van grondstoffen, productie en afzet) en de efficiency van de nieuwe fabriek. Rond 1900 waren beide bedrijven ongeveer even groot. De veruit belangrijkste ontwikkeling in de productie van margarine sinds het octrooi van Mège Mouriès vond in 1901 plaats. De Duitse chemicus Wilhelm Normann (18701939) bedacht een chemisch proces om plantaardige oliën uit te harden, waarop hij in 1903 patent kreeg. Andere onderzoekers claimden dezelfde vinding of kwamen met varianten voor vetharding.8 Met deze techniek kon dierlijk vet door plantaardig vet worden vervangen. In termen van nu lag de weg naar ‘vegan’ margarine open, ruim een eeuw voordat het zoeken naar vleesvervangers bon ton werd. Met plantaardige vetten waren nieuwe margarinerecepten mogelijk, die op basis van prijs, smeerbaarheid, smaak of gezondheid werden ontwikkeld. Een nadeel van de vetharding was dat er dure raffinaderijen nodig waren om de plantaardige grondstoffen te verwerken. Op het terrein van de Rotterdamse margarinefabriek van Van den Bergh verrees in 1912 een zogenaamde ‘raffi’. Voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog was er in Europa een enorme vraag naar margarine, die het voor de grote bedrijven lonend maakte om in de productie te investeren.

De Nederlandse bedrijven leverden op grote schaal naar Engeland, Duitsland en Frankrijk.

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

13

/

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Blue Band kwam in Nederland in 1923 op de markt [Verbeek 1991,99]

14

Merken en marketing In de late negentiende eeuw was margarine een eenheidsproduct, dat werd verpakt in kisten of tonnen. Winkeliers wogen de gewenste hoeveelheid product af en verpakten die voor de klanten. Ruim voor 1900 ontstonden de eerste merkproducten, zoals De Gekroonde Raaf (1890, David Jansen), Zeeuws Meisje (Van den Bergh, 1894, verpakt per 5 of 10 kilo), Solo (1899, Jurgens) en Vitello (1900, Van den Berg). Laatstgenoemde merken werden ook in consumentenverpakkingen geleverd, waartoe de inpakafdelingen in de fabrieken moesten worden aangepast. Op de ‘stukkenbank’ werden hele of halve ponden afgewogen en ingepakt. Bij de fabriek in Rotterdam kwam een drukkerij op zolder voor het bedrukken van het verpakkingsmateriaal. De merken maakten het mogelijk om reclame te maken, bijvoorbeeld met geëmailleerde borden en advertenties. Ook kregen margarines onderscheidende eigenschappen. Bij Vitello werd eigeel toegevoegd, zodat de margarine in de pan schuimde en bruin werd, precies zoals boter.9 In 1927 werden (door Lever Brothers) voor het eerst vitaminen aan margarine toegevoegd, waardoor de kunstboter op meer dan alleen prijs en houdbaarheid de ‘echte’ boter aftroefde.10 Om merkentrouw te bevorderen introduceerden de bedrijven loyaliteitsprogramma’s, waarmee ze klanten voor geschenken lieten sparen.

In de eerste jaren ging het om bijvoorbeeld een ongevallenpolis voor een week, later werden het luxe geschenken en in de jaren vijftig kon zelfs een complete Blue Band Encyclopedie bij elkaar worden gesmeerd of gebakken. In de roerige jaren twintig waren de merken een belangrijk middel om marktaandeel vast te houden of te vergroten. In deze periode introduceerde Van den Bergh het merk Blue Band, een modern, lux en prijzig product. Blue Band had in 1915 zijn debuut in Engeland gemaakt en

kwam in Nederland in 1923 op de markt. Deze margarine bevatte plantaardige vetten. De reclamecampagne van het Amsterdamse bureau Coppens voor Blue Band werd een klassieker. Baanbrekend was de wetenschappelijke aanpak en de poging tot psychologische beïnvloeding van consumenten. De slagzin ‘Blue Band – versch gekarnd’ laat ons nu wellicht onberoerd. Maar honderd jaar geleden was het een trigger van jewelste: ‘vers’ suggereerde iets natuurlijks en ‘gekarnd’ verwees naar zuivel. Zo werd elke associatie met goedkope namaakboter de kop in gedrukt en vervangen door een positief merkbeeld. Het beeldmerk van Blue Band was een wonderschoon meisje, met een grote hoed en een witte jurk met een blauw lint. Ze bestond ook echt, trad op bij beurzen en demonstraties, en zou later met een van de directeuren trouwen.11 In 1944 werd Blue Band door het bedrijf zelf van de markt gehaald, omdat de juiste grondstoffen niet meer beschikbaar waren. Pas in 1947 keerde het merk met een grote campagne weer terug in Nederland.

De meeste merken waren wel succesvol. Vanaf de jaren zestig ging het maar door, met oude en nieuwe merken die met dure reclamecampagnes werden gepusht: Zeeuws meisje (‘ons ben zuunig’, ‘geen cent teveel’), Blue Band (‘voor moeders die weten wat ze doen’), Brio (1963, als vervanger van Planta, in 2001 omgedoopt tot Bertolli), Croma (1962, ‘voor bakken en braden’), Bona (1966, ‘in een handig kuipje’), Becel (1968, ‘met linolzuur en meervoudig onverzadigde vetzuren’), Rama (1957, ‘goed tafelen met Rama’), de eerste halvarine Era (1969, een beetje aandacht voor je lijn’, ‘net zo slank zijn als je dochter’) en Lätta (1987, ‘gezond en lekker’).

In de naoorlogse periode produceerde de Rotterdamse margarinefabriek tientallen merken margarine. Inmiddels waren Van den Bergh en Jurgens allang gefuseerd en deel geworden van het Unilever concern (zie hieronder). De introductie van huismerken door supermarkten zette de eigen merken onder druk. De reactie van Van den Bergh en Jurgens was kwaliteitsdifferentiatie, waarbij er zoveel soorten en merken ontstonden, dat de consument een enorme keuze had en concurrenten schier onmogelijk een plek in de markt konden veroveren. Een enkele keer ging het mis. Het plantaardige merk Planta kwam in 1950 in Nederland op de markt, maar zou tien jaar later verdwijnen als gevolg van de Planta-affaire, waarbij consumenten mogelijk ziek werden van de anti-spat emulgator ME-18.

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

15

Rotterdams burgemeester W. Thomassen krijgt het zeven-miljardste pakje Blue Band aangeboden, 1973 [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Reglement van het bedrijfsziekenfonds, 1918 [Verbeek 1991, 33]

16

Van den Bergh versus Jurgens Van meet af aan bestond er flinke concurrentie op de margarinemarkt. In de beginjaren spitse die zich toe op de inkoop van grondstoffen. De Amerikaanse slachterijen speelden hier op in door een kartel te vormen dat de prijs van rundvet opdreef. De overstap naar plantaardige vetten loste dit probleem op, maar daar kwam een volgend probleem voor terug: de hoge investeringen in raffinaderijen en de modernisering van het machinepark. Alleen de grotere bedrijven konden overleven. De investeringen loonden nog wel, omdat er voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog in Europa een grote vraag naar margarine bleef bestaan. Na 1920 veranderde het perspectief en was er voor het eerst sprake van overproductie. De prijzen van boter en margarine daalden sterk, aangejaagd door prijsdumping. Margarine werd onder de kostprijs verkocht. Deze ontwikkeling leidde tot een concentratie van bedrijven door overnames en faillissementen. De grootste fabrieken in Nederland waren Van den Bergh (Rotterdam), Jurgens (Oss) en de Nieuwe Margarinefabrieken (Rijswijk, eigendom van Calvé).

Het beruchte Blue Band poststempel in Oss en Nijmegen, 1924 [Stroom 2007, 18]

poststempels overwogen.12 Op gezette tijden trachtten beide bedrijven met onderlinge afspraken marktaandeel en winstmarges op peil te houden. De eerste zogenaamde ‘poolafspraak’ uit 1908 regelde een verdeling van de gezamenlijke winst, waarbij Van den Bergh 60% en Jurgens 40% zou krijgen. Deze verdeling was gebaseerd op de resultaten uit de voorafgaande jaren en pakte ongunstig uit voor Jurgens, die een deel van zijn winst aan de concurrent moest overmaken. Het gevolg was dat Jurgens op allerlei manieren probeerde de winstcijfers te drukken.13 Na 1913 werd jarenlang niets verrekend, ondanks nieuwe poolovereenkomsten in 1913 en 1920.14 Wel waren er contingenteringsafspraken, maar die voorkwamen niet dat de opbrengst van de margarinefabrieken zwaar onder druk bleef staan. Directeur Joost de Blank van Van den Bergh schreef in 1927: ‘Wat zich in Holland afspeelt, kan men niet langer concurrentie noemen. Het is oorlog, en een oorlog op leven en dood. Wij verteren ons vermogen en zetten alles op het spel.’15

De concurrentiestrijd spitste zich toe op de strijd tussen marktleiders Jurgens en Van den Bergh. Tekenend voor de verhoudingen was de stunt die Van den Bergh in 1924 uithaalde met reclame op de poststempels van de PTT. Voor een bedrag van f. 21.000,- kocht Van den Bergh het recht om zes maanden lang op tien stempelmachines reclame te maken. De slogan ‘Blue Band versch gekarnd’ werd in het poststempel opgenomen en werd op alle post gestempeld in Oss en Nijmegen, de thuissteden van de firma Jurgens. Direct stak een storm van protest op en werden rechtszaken aangespannen. De reclame verdween binnen een maand. Van den Bergh betaalde eenzesde van het afgesproken bedrag en de PTT heeft nooit meer reclame op

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

17

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Geïndexeerde margarineproductie in Nederland en Groot Brittanië, 1877-1964 [Van Stuijvenberg 1969, 10]

18

Margarine Unie en Unilever Halverwege de jaren twintig waren de bedrijven verwikkeld in kostbare arbitragezaken over de afwikkeling van hun onderlinge afspraken en overeenkomsten. Het was ondoenlijk om voor beide conglomeraten van bedrijven, met vestigingen in vele landen, te bepalen welke winsten onder de gemaakte poolafspraken vielen, omdat hierover niets op papier stond.16 Uiteindelijk was er met al deze ruzies en een concurrentiestrijd die beide bedrijven kapot maakte volgens Jurgens maar een oplossing: ‘De gewenste verhouding tussen beide concerns kan slechts worden tot stand gebracht indien de bestaande belangentegenstelling geheel wordt geëlimineerd, het geen niet alleen in het belang zou zijn van de beide families, maar ook van alle andere aandeelhouders. De firma Jurgens is van mening dat de enige weg om dit doel te bereiken, gelegen is in een volkomen samengaan der beide familiebelangen.’17 Na vijftig jaar concurrentie en enkele maanden onderhandelingen kwam het uiteindelijk in september 1927 tot een fusie. De grootste opgave was om de wederzijdse antipathie te overwinnen en daadwerkelijk de krachten te bundelen. Het was onvermijdelijk dat de eerste president niet uit een van beide clans afkomstig kon zijn.

Nieuwe Margarinefabrieken in Rijswijk. Besloten werd om de Nederlandse margarineproductie in de fabriek van Van den Bergh in Rotterdam te concentreren. Op de internationale grondstoffenmarkt van oliën en vetten bleef er een grote concurrent over: het Engelse Lever Brothers Limited, dat zich in oorsprong op de zeepproductie concentreerde en ook tot een conglomeraat van bedrijven was uitgegroeid. Beide concerns waren complementair wat betreft productie, geografische spreiding en activiteiten. Verkennende bespreken over samenwerking leidden tot een volgende fusie in 1929, waarbij het model van een Engelse en een Nederlandse houdstermaatschappij wederom werd gebruikt. Zo ontstond Unilever, een Brits-Nederlandse multinational die tot een van de grootste bedrijven ter wereld zou uitgroeien. De Rotterdamse fabriek behield een bijzondere status, zoals de voorzitter van de Raad van Bestuur van Unilever, F. van den Hoven, het in 1983 verwoordde: ‘De margarinefabriek aan de Nassaukade werd door de jaren heen en nu nog steeds gerespecteerd en wordt beschouwd als het moederbedrijf van alle fabrieken van Unilever in de wereld’.18

De fusie leidde tot de oprichting van de Margarine Unie in 1927. Het bedrijf kreeg een Nederlandse en een Engelse houdstermaatschappij, om op verschillende beurzen genoteerd te kunnen zijn. Een dergelijke constructie had Van den Bergh al jaren eerder toegepast. Beide maatschappijen hadden hetzelfde bestuur en het concern opereerde feitelijk als een geheel. Kleinere margarineproducenten sloten zich bij de Unie aan en in de volgende jaren werden ook de vleesfabriek van Hartog uit Oss en Calvé overgenomen. Dit laatste concern opereerde eveneens in verschillende landen en was eigenaar van de

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

19

/

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Jan Jurgens en Simon van den Bergh, stamvaders van de Margarine Unie [van Esselsteijn 1969, 42 en 45]

20

De mensen achter de margarine Generaties oude en nieuwe Rotterdammers hebben sinds 1891 gewerkt voor Van den Bergh en Jurgens, en alle bedrijven die daarvoor of daarna kwamen. In de jaren tot de Eerste Wereldoorlog streefde de familie Van den Bergh naar een harmonieuze band met het personeel en creëerde gunstige werkomstandigheden, althans in vergelijk met andere bedrijven. Zo waren de lonen relatief hoog en bestond er sinds 1896 een eigen ziekenfonds, dat medische kosten voor de arbeiders en hun gezinnen vergoedde en een uitkering gaf bij overlijden. Dat werkte prima. Arbeiders kregen de kans om zich binnen het bedrijf naar vermogen te ontwikkelen. Bij familiefeesten werden ook de arbeiders uitgenodigd en defileerden ze langs de familie, achter de bedrijfsharmonie. De Vereeniging SVDB (‘Simon van den Berg’) organiseerde toneel, harmonie, zang en gymnastiek. Het overgrote deel van het personeel bestond uit mannen, maar op de oude foto’s zijn vooral de meisjes te zien, bijvoorbeeld van de inpakafdeling of de blikkenzolder. In 1914 werkten er maar 130 meisjes op 800 mannen in de fabriek. In de loop van de jaren tien kwam er wat meer balans, in 1920 waren er 1.250 mannen en 850 meisjes in dienst.

De meisjes van de fabriek stonden weinig flatteus bekend als ‘boterkledders’ of ‘boterlellen’.19 Aan de kleur van het schort was te zien op welke afdeling iemand werkte: wit met een blauwe ceintuur voor de verpakking, grijs voor de emballage, donkerblauw met een rode ceintuur voor de bussenmakerij. Stermeisjes, te herkennen aan een sterk op hun schort, hadden het voorrecht dat ze om een boodschap in de fabriek mochten worden gestuurd.20 Wanneer een meisje in het huwelijk trad volgde onherroepelijk ontslag. Het was in Nederland voor een getrouwde vrouw tot eind jaren vijftig haast ondenkbaar om in dienst te mogen blijven.

Binnen de ietwat patriarchale verhoudingen was er tot eind jaren tien geen plaats voor vakbonden in de fabriek, de directie bepaalde wat goed was voor de medewerkers. Na de Eerste Wereldoorlog veranderden de sociale verhoudingen in Nederland. De overheid kwam met meer sociale wetgeving en de vakbonden werden breed geaccepteerd als legitieme vertegenwoordiging van het personeel. Schoorvoetend ging Van den Bergh in deze ontwikkeling mee. Er kwamen verkiezingen voor een fabriekscommissie van het personeel en met de vakbonden werd onderhandeld over de lonen. Na de Tweede Wereldoorlog verbeterden de arbeidsomstandigheden snel met hogere lonen, een nieuwe pensioenregeling, kortere werktijden en betere secundaire arbeidsvoorwaarden. De eerste grote staking vond in 1954 plaats, het jaar dat ook de eerste CAO werd afgesloten. Wat betreft lonen en sociale voorzieningen, zoals opleidingsmogelijkheden, vervulde de fabriek aan de Nassaukade een voortrekkersrol binnen Unilever. Dat had als gevolg dat de arbeiders van de fabriek als lastig bekend stonden. Daar stond wel tegenover dat ze over het algemeen zeer loyaal aan het bedrijf waren en werk van goede kwaliteit leverden.21 Een constante in de bedrijfsgeschiedenis is het aantrekken van personeel, van steeds verder weg. Het begon al bij de opening in 1891, toen honderden arbeiders met hun gezinnen vanuit Oss naar Rotterdam-Zuid migreerden.

Dit werd in 1928 overgedaan met personeel van Jurgens en andere bedrijven die in de Margarine Unie waren opgegaan. In de naoorlogse jaren werd het personeelstekort deels ondervangen door pendels voor boeren(zonen) vanuit de Bommelerwaard en West-Brabant op te zetten. In de cafés

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

in Brabant werd het personeel in de kroeg geronseld met een glas bier, in de Betuwe gebeurde dat in de kerk, met een kop koffie.22 De eerste buitenlandse gastarbeiders kwamen uit Spanje en Portugal. Ze werden door het bedrijf zelf geworven. Hierna werkten verschillende bedrijven uit de regio samen, om arbeidskrachten in Turkije en andere landen te vinden. Het was een logische (tussen)stap in de steeds verdergaande internationalisering van de fabriek. De Nassaukade behield ook na de oorlog het familiegevoel, met tal van sociale activiteiten en bedrijfsfeesten. Er waren sportclubs en kaartclubs, de harmonie SVDB, de Technische Excursie Vereniging Unilever (anno 1950, alleen voor medewerkers van de Technische Dienst), de personeelsvereniging Nassaukade (1953-1980), naaien knipcursussen, excursies naar musea, revue- en toneelvoorstellingen voor en door het personeel, grote feesten in de Rivièrahal van Diergaarde Blijdorp en vanaf 1980 in de Doelen. Opmerkelijk was dat meer dan 25 jaar lang er ieder jaar met Witteveen Mode voorjaars- en najaarsmodeshows werden georganiseerd, met beroemde artiesten en eigen personeelsleden als mannequins. Deze shows, met Vito Giorgi als grote aanjager, trok publiek vanuit de hele Unilever gemeenschap. Ook opvallend was het filiaal van de Centrale Bibliotheek, dat in de fabriek was gevestigd. Er werden jaarlijks 10.000 titels uitgeleend.

21

2 Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

22

Stedenbouwkundige context Simon van den Bergh besloot in 1890 om zijn margarinefabriek uit Oss naar Rotterdam-Zuid te verplaatsen. Dit hoofdstuk schets de stad waarin het familiebedrijf terecht kwam en de ontwikkeling van de havens, zoals die zich op dat moment voltrok. Toen Van den Bergh in Oss begon met de opbouw van zijn boterhandel, was Rotterdam-Zuid nog boerenland en had amper met de havenstad aan de overzijde van de Maas van doen.23 Er waren boerderijen, weidse landschappen en er werd vlas geteeld aan de Maas. Zuid, dat was het Eiland IJsselmonde met de oude polders van Charlois, Katendrecht, de Hillepolder, Varkenoord en Smeetsland en dijkdorpen als Katendrecht, IJsselmonde en Ridderkerk, bevroren in de tijd. Een deel van de Rotterdamse elite bracht er de

zomermaanden door in chique buitenplaatsen, met een pont verbonden met de Veerhaven. Beplante dijken, soms met vijf rijen iepen, markeerden de vlaktes van de lager gelegen polders, en de schuine taluds gaven het landschap een monumentaal karakter. De Koedood, een vroegere rivierarm, doorsneed West- IJsselmonde over een lengte van vier kilometer en was schilderachtig en mooi begroeid. Bij eb waterde de stroom vrij uit in de Nieuwe Maas. Op één plek was sprake van industriële bedrijvigheid, namelijk bij de werf van de Nederlandsche Stoombootmaatschappij op het eiland Feijenoord. Dit bedrijf was hier sinds 1825 gevestigd op de plek van het oude pesthuis en stond onder leiding van Gerhard Moritz Roentgen (1795-1852).

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

23

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Rotterdam-Zuid in 1850. In de cirkel de (toekomstige) locatie van de margarinefabriek, [SAR]

24

Rotterdam-Zuid: havens Aan het einde van de negentiende eeuw begon het lieflijke Zuid te veranderen. De havenstad Rotterdam had ruimte nodig. Havens werden in de rivieroever uitgegraven en trokken op hun beurt bedrijven aan. Een beslissend jaar voor de grote metamorfose van de zuidoever was 1872. Twee grote rijksprojecten kwamen gereed: de Nieuwe Waterweg en de spoorverbinding naar België. Voor de waterweg werden de duinen over een afstand van 4,3 kilometer doorgraven en ontstond een directe toegang naar zee. Voor de spoorverbinding werd hoog boven de stad een spoorlijn aangelegd, die met spoorbruggen over de Maas richting Zuid-Nederland liep. Mede door deze projecten veranderde Rotterdam van een koopmansstad, waar de handelaren hun goederen in pakhuizen bewaarden, in een dynamische overslaghaven, waar alles draaide om snelle en efficiënte overslag. De vieze overslag kwam in de nieuwe havens op Zuid terecht. De ontwikkeling van de linker Maasoever tot hub van het industriële tijdperk trok Zuid resoluut bij de stad. Bij het graven van de Koningshaven in 1868 werd het noordelijke puntje van het Eiland IJsselmonde losgesneden en ontstond het Noordereiland. Aan de noordzijde van deze nieuwe haven kwam de Prins Hendrikkade en aan de zuidzijde de Nassaukade.

Het hoogspoor kreeg voorbij de Maasbruggen zijn vervolg met een draaibare spoorbrug over de nieuw gegraven haven, de iconische Hef. Voor de aanleg van havenbekkens op Feijenoord ontbrak het de gemeente aan middelen en de bestuurders durfden het niet aan om de lokale belasting te verhogen. De gemeente koos rond 1875 voor samenwerking met de zakenman en avonturier Lodewijk Pincoffs voor de aanleg van de Binnenhaven (1874-1878) en de Entrepothaven (18741879), alsmede voor de bouw van het Entrepotgebouw

Koningshaven met De Hef en de Koninginnebrug, 1927 [SAR]

en het Poortgebouw. Op initiatief van het Rijk werd de Spoorweghaven aangelegd (1873-1879). Na het faillissement van Pincoff in 1879 nam de gemeente de failliete boedel voor vier miljoen gulden over en werd zo de dominante speler in de haven. Vanaf 1882 stapte de gemeente Rotterdam in de business van kadeverhuur, snel gevolgd door verhuur van kranen en ander materieel. Onder G.J. de Jongh (1845–1917), die in 1879 was benoemd tot directeur Gemeentewerken, werden de havens thematisch geclusterd. Zuid was voor de bulkgoederen: kolen, graan en ertsen. Nog sterker gingen bedrijven concurreren op efficiëntie en innovatie. Al tijdens de aanleg in 1887 veranderde de Rijnhaven van functie. Het werd in plaats van een berghaven voor binnenschepen (bij ijsgang) een transitohaven (doorvoerhaven) voor de toen spectaculaire boord-boord-overslag van het ene schip op het andere. De grote werken van De Jongh lagen ten westen van de Koningshaven. Het eeuwenoude dorp Katendrecht met 3.500 inwoners moest na 1895 wijken voor de Maashaven, waar De Jongh de bedrijven voor graanoverslag concentreerde. De kolossale Waalhaven, die in fases van 1912 tot 1922 werd gegraven, bood plek aan vele nieuwe bedrijven. Met de aanleg van de Rijn, Maas- en Waalhaven werd de groei van het havenbedrijf naar het westen krachtig ingezet. Vanaf het Noordereiland oostwaarts concentreerden zich scheepswerven en fabrieken.

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

25

Koningshaven met de spoorbruggen, 1877. [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

e kad sau Nas

Pri

ns

Hen

dri

kka

de

26

Rotterdam, 1905. De stedelijke ontwikkeling van Zuid volgt (langzaam) op de aanleg van de havens.

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

27

Peru Guanoloodsen aan de Nassaukade, 1882. De Oranjeboom brouwerij zou later de lange loods (A, B en C) aankopen. De korte loods (D) werd deel van de margarinefabriek. Ter plaatse van de R.C. Kerk kwam de Nassaustraat. [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

28

Nassaukade en Nassauhaven Aan de Koningshaven en bij Feijenoord waren rond 1880 de grote infrastructurele werken gereed, maar lag nog veel grond te wachten op een invulling. Ten oosten van de spoorlijn stonden vier grote loodsen aan de Nassaukade voor Peru Guano. Guano is een soort versteende vogelpoep uit Peru en Ecuador, die zeer rijk is aan meststoffen. Vanaf 1843 werd deze meststof door twee Nederlandse bedrijven geïmporteerd, maar de voorraden raakten snel uitgeput en in de late negentiende eeuw werd Guano nog maar mondjesmaat ingevoerd. De loodsen bleven nog jaren staan en werden aan andere bedrijven verhuurd of verkocht. Opvallend is dat tussen de derde en de vierde loods een RK-kerk stond, precies ter hoogte van de tegenwoordige Nassaustraat. De gemeente wilde de gronden tussen de loodsen, de spoorbaan, de Nassaukade en Feijenoord op de markt brengen. Op een tekening uit 1883 is te zien dat gedacht werd aan een verkaveling aan weerszijden van de Feijenoorddijk. Binnen een jaar werd dit plan echter gewijzigd. Omwille van noodzakelijke terreinophogingen

werd besloten om een insteekhaven te graven, in de eerste plaats om grond te winnen voor het ophogen van de omringende terreinen. Zo ontstond het eerste deel van de Nassauhaven en veranderde de verkavelingsrichting. De Feijenoorddijk verdween als dijklichaam en de Nassauhaven werd het nieuwe structurerende element van het gebied. Tegenwoordig bestaat er nog een klein stukje van de Feijenoorddijk, schuin op de Nijverheidsstraat. Het is moeilijk voor te stellen dat deze dijk oorspronkelijk in een rechte lijn doorliep tot op het terrein van de margarinefabriek, over wat nu het Nassaupark, de Nassauhaven en het Nassauhavenpad is. In 1890 werd de Nassauhaven tot aan de Persoonsdam verlengd, wederom vanwege de ophoging van de omringende percelen. De aanleg van de Persoonshaven volgde in 1901. Zo ontstond een nieuwe indeling van het gebied, waarbij langs de Koningshaven en de Nassauhaven fabrieken en bedrijven verrezen met daarachter portieketagewoningen van drie tot vier lagen hoog.

eigenlijk geen havens in de ware zin des woords: ‘Het zijn eigenlijk niet bepaald havens, het zijn waterstraten, ontworpen in verband met het gewone wegennet, zoodat men bouwperceelen krijgt, aan de eene zijde aan het water gelegen en aan de andere zijde aan de gewone straat. Die waterstraten zijn per m2 vrij wat goedkooper in aanleg en onderhoud, dan een gewone straat met zijne riolen, enz. Daarenboven werpen zij door havengeld rente af.’24 De eerste grote fabriek aan de Nassaukade was brouwerij d’Oranjeboom. De firma kocht in 1884 een bouwterrein achter Guano loodsen A, B en C. In het bijbehorende verkavelingsplan waren tussen de spoorlijn en de Nassauhaven drie dwarsstraten bedacht. Uiteindelijk werd alleen de Nassaustraat aangelegd, als scheiding tussen twee grote bouwblokken die geleidelijk aan geheel in beslag werden genomen door de brouwerij en de margarinefabriek.

Voor De Jongh waren de Nassau- en de Persoonshaven

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

29

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Tekening van de te verhuren gronden achter de Nassaukade, 1882. De verkaveling is op de Feijenoorddijk gericht. [SAR]

30

Stratenplan achter de Nassaukade, 1883. Met de voorgenomen aanleg van de Nassauhaven verdwijnt de Feijenoordkade en wordt de verkaveling op deze nieuwe haven georiënteerd. [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

31

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Afronding van de zuidoostelijke hoek van de Koningshaven, 1890. Het uitbaggeren van de Nassaukade levert grond op voor het ophogen van het omringende gebied. [SAR]

32

Margarinefabriek Simon van den Bergh kocht in 1890 een terrein aan de Nassaukade voor de bouw van zijn margarinefabriek, iets ten oosten van Guano loods D. De bekende Rotterdamse jurist D. Hudig trad als zijn vertegenwoordiger op. Aan het besluit om Brabant vaarwel te zeggen ging een uitvoerig familieberaad vooraf. Oss lag onhandig voor de import van grondstoffen en de export van margarine. De stad had geen directe toegang tot een grote vaarweg. Van den Bergh was een van de initiatiefnemers geweest om een kanaal van Oss naar de Maas te graven, maar trok zich terug toen bleek dat de waterweg ver van zijn fabriek zou uitkomen, pal naast de fabriek van concurrent Jurgens. Hierop werd het hele plan afgeblazen. Volgens verschillende bronnen voelde de familie zich niet helemaal senang in Oss. Er was weliswaar een Joodse gemeenschap en een synagoge, maar ze bleef

buitenstaander in de lokale politiek en het Osse zakenleven. Alles overwegende lag Rotterdam als vestigingsplaats voor de hand. De haven was het wereldcentrum voor de handel in oliën en vetten. Op de Zuid-Hollandse eilanden en in de Hoekse Waard werd enorm veel melk geproduceerd, die met de tram naar de stad kon worden vervoerd. En uiteraard was de haven de ideale locatie voor de export. Vanuit Rotterdam was Londen 24 uur dichterbij dan vanuit Oss. De locatie aan de Nassaukade had een ideale bereikbaarheid, met een haven voor de deur, een havenspoorlijn rondom het complex en de tram vanaf de Zuid-Hollandse eilanden aan de achterkant, in de Roentgenstraat. Een ander voordeel was de nabijheid van Feijenoord, waar in hoog tempo huizen werden gebouwd en het personeel kon worden gehuisvest.

Simon, schreef hoe goed de beslissing om te verhuizen uitpakte: ‘Nu eerst zagen wij wat wij te Osch, in het kleine dorp, in een uithoek van Brabant, van het leven hadden gemist; nu woonden we temidden van vrijzinnigen in een der grootste handelssteden ter wereld, waar leven was en energie, waar wij door het gemeentebestuur en door de bevolking met open armen werden ontvangen, waar men den bloei der nieuwe industrie zoveel mogelijk trachtte te bevorderen. Hier heerschte een groote, ruime opvatting van zaken, in tegenstelling tot de bekrompenheid en kleinzieligheid van Brabant. Hier konden wij onze kinderen een goede opvoeding geven en zelf deelnemen aan het publieke leven, waarvan wij in Brabant ten eenenmale uitgesloten waren gebleven.’25

Sam van den Bergh (1864-1961), een van de zonen van

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

33

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Bebouwingsplan van het oostelijk gedeelte van Feijenoord, 1890. [SAR]

34

Woonbuurten De vestiging van nieuwe bedrijven zorgde voor werkgelegenheid op Zuid. De havenarbeiders kwamen aanvankelijk langs de oude bebouwde dijken te wonen, zoals dat aan de Zwijndrechtsestraat nog is te ervaren. In de Afrikaanderwijk werden rond 1900 langgerekte woonblokken aan smalle straten gebouwd. De immigranten in booming Rotterdam kwamen uit Brabant, Zeeland en Drenthe, en de cultuurschok was voor hen minstens zo groot als voor de immigranten in onze tijd. De kaart van de zuidoever laat in 1905 een nog grotendeels agrarisch gebied zien, met hier en daar wat plukjes speculatiebouw, de straten eindigend in de polder. Dat is het decor waarin in 1908 voetbalclub Wilhelmina werd geboren, de voorloper van Feyenoord. Destijds kwamen er elke maand duizend nieuwe Rotterdammers bij. Het dijkenlandschap raakte bebouwd met rijen huisjes, die van verre gezien het landschap in compartimenten indeelden of zelfs het gezicht op het land geheel afsloten. Directeur Gemeentewerken De Jongh liet in 1903 een uitbreidingsplan opstellen, waarvan de Brielse- en Dordtselaan werden uitgevoerd. Het stokte echter in de verdere uitvoering. Op de verstedelijking van Zuid bestond geen visie.

Aanvraag voor aankoop van grond aan de Nassaukade, bedoeld voor de margarinefabriek, 1890 [SAR] (1) Peru Guano Loodsen A, B, C en D (2) Koolzuurfabriek (3) Oranjeboombrouwerij 

1

3 2

In de omgeving van de margarinefabriek is de matige sturing op de ruimtelijke inrichting rond 1900 goed te zien en deels zelfs nog steeds zichtbaar. Bouwmaatschappijen slaagden er in om pal naast de fabrieken grond te verwerven en met woningen te bebouwen. De margarinefabriek lag aan de Nassaustraat en de Roentgenstraat gedeeltelijk verscholen achter de woningbouw. Op de hoek van beide straten was café Van der Heuvel, met ernaast een kapper en een sigarenzaak.

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

35

3 Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

36

De fabriek aan de Nassaukade Vanaf 1890 is haast onophoudelijk aan de margarinefabriek gebouwd. In de loop der jaren werden zo’n 250 bouwvergunningen aangevraagd (zie bijlage). Het ging om kleine en grote ingrepen waarmee het complex steeds opnieuw werd aangepast aan veranderingen in het productieproces en de introductie van nieuwe machines of producten. Zo bleef de fabriek al die jaren state-of-the-art, terwijl het complex gaandeweg veranderde in een labyrint van oude en nieuwe gebouwen. Dit hoofdstuk gaat in op de bouw van de fabriek en de uitbreidingen van de locatie tot het gehele bouwblok.

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

37

Architect A. Nolen, geportretteerd met zijn vrouw door Samuel Schotel, ca. 1900 [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

De Oranjeboom brouwerij aan de Nassaukade, 1927. Links zijn enkele gebouwen van de margarinefabriek te zien, waaronder het ketelhuis. [SAR]

38

Architect Nolen

Stoomgemaal Schieland aan de Admiraliteitskade in Kralingen, ontworpen door A. Nolen in 1898. Tegenwoordig een rijksmonument. [wikicommons]

Direct na het verwerven van grond aan de Nassaukade, kreeg architect Augustinus Nolen (1852-1925) opdracht voor het ontwerp van de margarinefabriek. Nolen kwam uit een artsenfamilie, hij was de middelste van vijf zoons. Ten tijde van deze opdracht werkte hij als directeur van gemeentewerken in Schiedam, waar hij in 1888 was aangesteld. Zijn werkenlijst in Schiedam bestond, naast het gebruikelijke onderhoud aan de stadseigendommen, uit weinig meer dan het dempen van grachten: Broersveld, Lange Kerkstraat, Kreupelstraat, Baan, Nieuwe Buurt en Laan.26 In 1894 kreeg Nolen eervol ontslag in Schiedam, na zijn benoeming tot ingenieur-landmeter van Schieland. Hij zou een aantal gemalen ontwerpen. In hetzelfde jaar werd hij ook benoemd tot directeur van de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam, een functie die hij tot 1914 bekleedde. Nolen combineerde zijn publieke functies met particulier architectenwerk. Zo ontwierp hij de Oranjeboombrouwerij aan de Nassaukade (1884), wat mogelijk verklaart waarom Van den Bergh hem benaderde.27 Andere grote ontwerpen waren het Zeehospitium in Katwijk en de Van Capellen Stichting (een bejaardentehuis) in Capelle aan de IJssel. Nolen bleef na de bouw van de margarinefabriek nog jaren als architect voor Van den Bergh werken. Hij ontwierp tal van uitbreidingen en verbouwingen aan de Nassaukade.

Voor de bouw van de fabriek was aannemer G. Key uit Rotterdam met een inschrijfsom van f. 247.500.- de laagste aanbieder.28 Net als Nolen bleef hij bij latere uitbreidingen betrokken (tot in ieder geval 1920).

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

39

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Margarinefabriek Nassaukade rond 1924. Rechtsonder de Peru Guana loodsen. Links de Lange en Korte Poot (inpakafdeling, met vlag), die nog niet tot de Nassauhaven WZ doorloopt. Bij de schoorstenen: het ketelhuis. Rechts het tankpark en de raffi, alsmede woningen in de Roentgenstraat en de Nassaustraat. [Upfield]

40

Inrichting fabriek



De eerste fabriek bestond uit een monumentaal gebouw aan de Nassaukade, met haaks daarop de productiehallen. Uiteraard bevonden zich de kantoren in de representatieve voorbouw. Het productieproces was over het gehele complex uitgesmeerd. Op de begane grond van het monumentale hoofdgebouw was bijna alle beschikbare ruimte nodig voor de ontvangst van grondstoffen en brandstoffen, alsmede de expeditie van de margarine. De opzet van het complex was rondom de productiestromen georganiseerd. Gezien vanaf de Nassaukade ging de melk via de linkerkant de fabriek binnen en de vetten via de rechterkant. In een ontvangstruimte werden de melkbussen met ijs gekoeld. Het rundvet werd op de Nassaukade gelost, tot oleo bewerkt en in oliebergplaatsen opgeslagen. Melk en oleo ontmoeten elkaar in het karnhuis, waar ze in kolossale, met stoom verwarmde karns werden gemengd. Toegevoegde kleurstoffen dienden om een boterkleur te verkrijgen. Na een uur karnen werd de margarine in een goot gestort, met ijskoud water bespoten en in een stenen kuip opgevangen. Het water liep hieruit weg en de opstijvende margarine bleef over.29 In houten bakken lekte de margarine verder uit om vervolgens, weer in het karnhuis, te worden gekneed. Er ging wat zout bij en door sommige deftige margarines werd ook roomboter gemengd.

Vanuit het centraal gelegen karnhuis liep de productiestroom weer terug naar de Nassaukade, van zuid naar noord. De margarine werd afgewogen en verpakt en vooraan bij de kade was de expeditie. Rondom de stromen van melk (links), vetten (rechts) en margarine (midden) kregen de andere functies van de fabriek een plek. Links aan de Nassaukade stond aanvankelijk het ketelhuis met twee stoomketels en een machinekamer met twee stoommachines. De

stoommachines dreven allerhande apparaten en pompen aan, ze leverden ijs voor de koeling en elektriciteit voor de verlichting. Rechts aan de kade, voor de oliebergplaatsen, was het schaftlokaal voor het personeel. Op de verdieping bevonden zich kantoren, opslagruimten en een conciërgewoning. De zolders boven de fabriek waren bestemd voor het maken van verpakkingen: blik, kisten en kratten. In een kuiperij konden vaten worden gerepareerd. In 1900 zou op een van de zolders ook een drukkerij in gebruik worden genomen, voor het bedrukken van verpakkingen (Vitello). Aan de kade was een laboratorium. Binnengekomen grondstoffen werden er gecontroleerd en geproefd.

Het karnhuis rond 1900. Op de achtergrond de karns, op de voorgrond Franse tafels, waarop de margarine werd gekneed. [Just de la Paisière 1921, 8] Margarinefabriek Nassaukade, voor de eerste uitbreiding in 1897 [SAR]

mag niet onvermeld blijven, het is de heer A. Nolen, architect-directeur der gemeentewerken te Schiedam. Zijn ontwerp, dat gebaseerd moest zijn op de groote draagkracht, sierlijke vorm en goede proportie, beantwoordt volkomen aan die eischen. Kunst en industrie gaan hand in hand!’30

Een bijzonder element dat Nolen ontwierp was de gietijzeren draagconstructie. De drie centrale kolommen in het karnhuis werden vervaardigd door de ijzer- en metaalgieterij Merkelbach van Enkhuizen & Cie uit Breda. Het werk werd lyrisch in de Maasbode besproken: ‘Heden waren wij wederom in de gelegenheid een stuk gietwerk te zien, waarvan de scherpe, zuivere lijnen, de correcte afwerking tot in de minste details en de – naar evenredigheid – losheid der vormen niet deed denken aan de gloeiende massa, gevloeid in een model, maar aan de kunstenaarshand, die de vorm aan een stuk steen ontwrong. Het door ons bedoelde stuk gietsel (..) bestaat uit een metalen kolom ter hoogte van 4.60 meter, terwijl het voetstuk eene breedte heeft van 2.60 meter. Drie deezer kolommen, die ieder ongeveer 6000 kilogrammen wegen, moeten dienen als steunpilaren in de groote margarinefabriek van de heer Simon van den Bergh te Feijenoord (Rotterdam). (..) Zonder kwestie verdient de heer Jacobsen, directeur der fabriek, onze hulde voor de schoone uitvoering van het werk; maar ook de ontwerper

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

41

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Aankoop van het perceel aan de Nassaukade door Simon van den Bergh, 24 april 1890 [SAR]

42

Ontwerp margarinefabriek door A. Nolen, begane grond, 1890. Links werd de melk ontvangen en voorbewerkt, rechts de vetten. De productielijn liep door midden, vanaf de karnhuis terug naar de Nassaukade. [SAR]

Ontwerp margarinefabriek door A. Nolen, eerste verdieping, 1890. [SAR]

Melkontvangst Melkkamer

Smeltkamer

Oliepompkamer Wagenkamer Olieverdunning Reservoirs

IJsmachinekamer

Karnhuis

Vetmagazijn

Oliebergplaats

Machinekamer

Ketelhuis Verpakkingslokaal

Magazijn Vetmagazijn Oliebergplaats Vaatwerk

Expeditie Portier Kolenbergplaats

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Schaftlokaal

Kantoren (4) Keuken

43

Ontwerp margarinefabriek door A. Nolen, oostelijke zijgevel (melkzijde) en voorgevel, 1890. [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Ontwerp margarinefabriek door A. Nolen, twee doorsnedes over het karnhuis, 1890. [SAR]

44

Uitbreidingen Het initiële perceel besloeg nog geen zesde van het huidige fabrieksterrein. Schuin achter deze fabriek, in de Nassaustraat, was destijds een koolzuurfabriek gevestigd. Ook stonden er woningen in de Nassaustraat en de Roentgenstraat. De rest van het bouwblok werd in de volgende jaren ontwikkeld, grotendeels door de margarinefabriek zelf. In de jaren na de bouw wist de firma Van den Bergh belendende grondstukken te kopen of van de gemeente te huren. De eerste slag werd in 1893 geslagen, met de aankoop van 4.240 centiare achter de fabriek, tot aan de Roentgenstraat, en 3.300 centiare aan de Nassaukade, ten oosten van de fabriek.31 Met deze aankoop kon Van den Bergh in 1897 enkele grote veranderingen doorvoeren: het ketelhuis en de machinekamer verhuisden van de Nassaukade naar de Roentgenstraat en kregen meer ruimte. In het nieuwe ketelhuis, waarvoor in 1896 een bouwvergunning werd aangevraagd, was plaats voor de twee oude en drie nieuwe stoommachines en nog een extra machine in de toekomst. Onderdeel van dit changement was de komst van een met stoom aangedreven ijsmachine van 12 pk.32 Tijdens de bouw van het ketelhuis vielen 10 ijzeren spanten plotseling om. De bouwvakkers van aannemer G.

Key holden in paniek weg, om bij terugkomst te ontdekken dat er een dode en twee zwaargewonden te betreuren waren.33 De plek aan de Nassaukade die vrijkwam met de verplaatsing van het ketelhuis, werd ingevuld door een nieuw pakhuis voor vetten en vaten. Met het pakhuis werd het monumentale fabrieksfront verlengd. In het pand werden delen van het oude ketelhuis opgenomen. In 1897

kocht Van den Bergh bovendien Guano loods D en kon het bijbehorend perceel in de Nassaustraat, tot aan de Koolstoffabriek worden gehuurd van de gemeente. Het bedrijf ging in 1897 een huurcontract aan met de gemeente voor een reep grond van 1100 m2, die van de Nassaukade tot de Roentgenstraat liep.34 De ruimte werd ingevuld met een langwerpig schaftlokaal, een bergplaats, koellokaal en een binnenplaats. Tussen de nieuwe gebouwen en de bestaande fabriek bleef een steeg open, die tot op de dag van vandaag herkenbaar is gebleven: de IJsgang. Iets ten westen van deze steeg verrezen achter op het terrein een smederij en een bliksmederij.35 Al deze uitbreidingen werden door Nolen ontworpen. De vele bouwactiviteiten in 1896-1897 maakten niet alleen uitbreiding van de productie mogelijk, maar ook de komst van andere productielijnen. In 1896 stichtte de familie Van den Bergh de Vereenigde Zeepfabrieken en een fabriek voor gecondenseerde melk. Nu kon het bedrijf grote melkcontracten afsluiten, omdat eventueel overtollige voorraden simpel werden verwerkt tot melk-in-blik voor de export. De room die overbleef, werd tot boter verwerkt, apart verkocht of aan bepaalde margarines toegevoegd. De zeep (‘stuiverzeep’) werd geproduceerd van de restproducten die bij het maken van oleo overbleven.

Ondanks de populariteit van Stuiverszeep leverde de zeepproductie onvoldoende op en werd in 1912 beëindigd. Ook de melkfabriek was geen lang leven beschoren.

op de hoek van de Nassaukade en de Nassauhaven verhuurd, maar niet aan Van den Bergh. In 1896 sloot de Rheinische Transportgesellschaft William Elan & Co een huurovereenkomst met de gemeente voor tien jaar, met een optie voor nog eens tien jaar. Deze transactie leidde binnen de gemeente tot een ongenoegen, omdat voor het bedrijf 180 meter kademuur diende te worden aangelegd, die niet in de huurprijs was verdisconteerd.36 Het perceel op de hoek van de Nassauhaven en de Roentgenstraat, achter de kavel van Elan, kon in 1899 door Van den Bergh worden gehuurd. Hier was ruimte om het tramspoor het fabrieksterrein binnen te leiden. Zo ontstond een station voor de ontvangst van melk, die vanaf de Zuid-Hollandse eilanden werd aangevoerd. Het bedrijf van William Elan ging in 1912 failliet.37 De huur van het terrein werd overgenomen door Rhenus Transportgesellschaft m.b.H. De aanwezigheid van dit bedrijf verklaart waarom de inpakafdeling van de margarinefabriek in een haak werd gebouwd (de ‘lange poot’ en de ‘korte poot’), om het perceel van de rederij heen. Pas in 1928 sloot de NV Van den Bergh’s Fabrieken met de Duitse reder een overeenkomst over de overdracht van de huur en de opstallen.38 De woningen in de Nassaustraat waren al eerder aangekocht en gesloopt. Pas in 1939 konden ook de panden op de hoek van de Nassaustraat en in de Roentgenstraat worden verworven.

Daarmee bereikte de fabriek zijn uiteindelijke oppervlakte, dat het hele bouwblok tussen Nassaukade, Nassauhaven, Roentgenstraat en Nassaustraat beslaat.

In deze periode werd het trapeziumvormige perceel

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

45

Uitbreiding met een nieuw ketelhuis aan de Roentgenstraat, ontwerp A. Nolen, 1896. [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Uitbreiding met een pakhuis aan de Nassaukade, links van de bestaande fabriek, ontwerp A. Nolen, 1897. [SAR]

46

Uitbreiding met een pakhuis aan de Nassaukade, plattegrond begane grond en eerste verdieping, waarin muren van het oude ketelhuis zijn opgenomen. Links: de IJsgang, die met een poort op de kade uitkomt. [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Plattegronden van de uitbreiding van het pakhuis met de oude wanden van het ketelhuis [SAR]

47

Aanvraag voor grondhuur door firma Van den Bergh, 1897 [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

48

Uitbreiding ten oosten van de fabriek, 1897. [SAR]

Uitbreiding met een nieuw schaftlokaal aan de IJsgang, 1897. [SAR]

Roentgenstraat

Smederij Schaftlokaal

IJsgang

Open plaats

Koellokaal Margarinefabriek

Bergplaats

Nassaukade

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

49

Aanvraag bij de gemeente voor de huur van een perceel op de hoek van de Nassaukade-Nassauhaven WZ, door W. Egan, 1896. [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Aanvraag bij de gemeente voor de huur van een perceel op de hoek van de Roentgenstraat-Nassauhaven WZ, door Van den Bergh Limited, 1899. [SAR]

50

Verleggen van de tramlijnen tussen Roentgenstraat en Nassauhaven, 1903 [SAR]

Van den Bergh en Jurgens margarinefabrieken, Nassaukade Rotterdam - SteenhuisMeurs

Sloop woningen Nassaustraat, 1940. {SAR]

51

Het bezoek van Wilhelmina aan Rotterdam Op 25 september 1899 bracht H.M. Koningin Wilhelmina samen met haar moeder Emma een bezoek aan Rotterdam. Het gezelschap kreeg een uitgebreide rondleiding door de fabriek van de familie Van den Bergh. Het bezoek vormde een erkenning voor Van den Bergh en voor de margarine, die in Nederland volgens de Wereldkroniek als surrogaat van natuurboter werd gezien en dus een imagoprobleem had.39 Uit de gedetailleerde rapportages in de verschillende dagbladen is een beschrijving van het complex en de fabricageprocessen samen te stellen. Voor dit kader zijn artikelen uit de Arnhemsche Courant, Scheepvaart, Het Vaderland en De Maasbode gebruikt. ‘Een bezoek werd gebracht aan de fabriek van roomboter, margarine, gecondenseerde melk en zeep der firma van den Bergh Limited. De drie directeuren, de heeren J., A. en S. van den Bergh ontvingen de Koninginnen, aan wie ook de 80-jarige vader van dit energieke drietal, de heer S. van den Bergh, werd voorgesteld.’40 ‘De fabriek van de heeren Van den Bergh (..) mag zeker als de grootste op dit gebied in ons land beschouwd worden en kan ook met succes de vergelijking doorstaan met fabrieken in het buitenland, van dezelfden aard.’41 ‘H.M.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=8d18181b-be88-4628-9684-85ad7e756d9e