CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

22bb1207 Brief Rekenkamer Rotterdam over rapport Tijd voor targets, beoordeling eindverantwoording 2018 - 2022 - lessen 20 jaar collegetargets

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: 12. De ‘Bestuurlijke Eindverantwoording college Rotterdam 2018-2022’, alsmede het rapport van de Rekenkamer Rotterdam ‘Tijd voor targets: beoordeling eindverantwoording; lessen 20 jaar collegeverantwoording’18.135 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

23 Gemeenteraad Rotterdam, motie Sörensen c.s. 24 Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, nulmeting collegeprogramma 2002-2006’. Rotterdam, 17 juni 2003, p.7. 25 Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, nulmeting collegeprogramma 2002-2006’. Rotterdam, 17 juni 2003, p. 8, 21, 41; Rekenkamer Rotterdam, ‘Gedreven en genuanceerd, tien jaar Rekenkamer Rotterdam 1998-2008’, 19 mei 2009, p. 30.

31

tijd voor targets

een ‘boek’, waardoor er nieuwe onduidelijkheid ontstond in plaats van meer transparantie. Hoewel de omvang van het definitieboekje niet goed werkbaar meer was, benadrukte de rekenkamer wel het belang van een duidelijke toelichting op de doelen: “Op het moment dat het college ter verantwoording wordt geroepen door de raad mag er geen verschil van inzicht kunnen bestaan over het te bereiken effect.” 26 In de jaren na 2010 werd het definitieboekje flink dunner. Zo telde het boekje in de collegeperiode 2018-2022 40 pagina’s. 27Ook het aantal targets was in deze collegeperiode flink lager dan in de periode voor 2010. Onder meer in 2005 benadrukte de rekenkamer ook het belang van methodische betrouwbaarheid van de targets, omdat “een politiek maatschappelijke beoordeling van, en debat over verantwoorde beleidsresultaten pas zin heeft indien volksvertegenwoordigers en burgers overtuigd zijn van de betrouwbaarheid van de te beoordelen beleidsresultaten.” 28 beoordeling nulmetingen Belangrijk onderdeel van het werken met de collegetargets is het gebruik van nulmetingen. In het eerste rapport over ‘meetbare doelen’ in 2003 oordeelt de rekenkamer dat het aantal nulmetingen dat volledig, juist en controleerbaar is, te laag is.

“De Rekenkamer wijst er daarnaast op dat indien een niet volledige/juiste nulmeting dan wel een niet controleerbare nulmeting niet gecorrigeerd wordt, deze volgend jaar voor de Raad niet kan dienen als goede meetlat om de dan gepresenteerde beleidsprestaties tegen af te zetten”. 29 Zonder goede nulmeting is het dus niet mogelijk om te beoordelen of er sprake is van een verbetering. De normen die de rekenkamer hanteerde en hanteert ten aanzien van nulmetingen staan in tabel 3-1. tabel 3-1: normen en criteria nulmeting norm

criterium

relevant

• de nulmeting is naar aard gelijk aan de target • de nulmeting dekt alle onderdelen van de target

tijdspecifiek

• duidelijk is op welke periode de nulmeting betrekking heeft

tijdig

• de nulmeting is actueel

aandeel bruikbare targets De beoordeling door de rekenkamer leidt tot targets die wel en targets die niet bruikbaar zijn voor de verantwoording. Al vanaf 2006 wordt geregeld de term ‘rekenkamerproof’ gebruikt voor targets die voldoen aan de normen. 30 De meest actuele versie van de normen staat in bijlage 1. In figuur 3-2 staat het aandeel targets dat beoordeeld wordt als ‘rekenkamerproof’. In de afgelopen twintig jaar was tenminste drie op de vijf targets rekenkamerproof en de laatste twee collegeperioden gold dat voor vier op de vijf targets.

26 Rekenkamer Rotterdam, notitie ‘Resultaat gericht bestuur, een stap verder’, 15 september 2010, p. 17. 27 College van B & W Rotterdam, Uitwerking collegetargets, 4 december 2018. 28 Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, verantwoording collegeprogramma 2004’. Rotterdam, 2 juni 2005, p. 42. 29 Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, nulmeting collegeprogramma 2002-2006’. Rotterdam, 17 juni 2003, p.42. 30 Zie bijvoorbeeld: College van B & W Rotterdam, brief inzake ‘Collegereactie Rekenkamerrapport Resultaten tellen’, 10 februari 2006.

32

tijd voor targets

figuur 3-2: aandeel targets wat beoordeeld is als 'rekenkamerproof'

bijsturen: voortgang en gebruik mijlpalen ontstaan en doel van mijlpalen In de motie Sörensen c.s. vroeg de raad om alle doelstellingen op te splitsen in jaarlijkse mijlpalen zodat er ook tussentijds verantwoord zou worden en er gediscussieerd kon worden over de stand van zaken. 31 In de notitie ‘Resultaat gericht bestuur’ gaf de rekenkamer aan dat het college zich jaarlijks dient te verantwoorden over de voortgang. Als de voortgang afwijkt van de planning, moet het college het verschil toelichten en aangeven of er aanleiding is voor maatregelen. Ook moet het college duidelijk maken welke maatregelen dit zijn en waarom deze maatregelen wel zullen kunnen bijdragen aan het gewenste effect. 32 Bij verschillende nieuwe collegetargets in 2014 ontbraken echter mijlpalen. De rekenkamer schreef dat dit de sturing niet ten goede komt, maar dat het uiteindelijk aan het college en de raad is om een afweging te maken tussen de voordelen van jaarlijkse mijlpalen en de nadelen zoals hogere kosten en hogere enquêtedruk. 33 Ook in de collegeperiode 2018-2022 beval de rekenkamer aan om wanneer mogelijk mijlpalen te gebruiken. Een uitzondering daarbij zijn targets waarbij gebruik wordt van enquêtering en waarbij het niet wenselijk is om jaarlijks te meten.

34 beoordeling mijlpalen Bij de publicatie van de realisatie van de mijlpalen beoordeelt de rekenkamer de verantwoording van de desbetreffende resultaten. Daarbij controleert de rekenkamer

31 Gemeenteraad Rotterdam, motie Sörensen c.s. over het tussentijds afrekenen van de wijze waarop het collegeprogramma wordt uitgevoerd, 02GR971, 3 oktober 2002. 32 Rekenkamer Rotterdam, notitie ‘Resultaat gericht bestuur, een stap verder’, 15 september 2010, p. 18. 33 Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘beoordeling targets collegeprogramma 2014-2018’, 25 september 2014, p. 5. 34 Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘beoordeling collegetargets 2018-2022’, 6 december 2018, p. 4.

33

tijd voor targets

of de verantwoorde resultaten “naar haar aard gelijk zijn aan de doelstelling”. Ook beoordeelt de rekenkamer of de verantwoording volledig, eenduidig, controleerbaar en juist is. 35 Bij de eerste beoordelingen van de doelstellingen van het college maakte de rekenkamer onderscheid tussen doelen die wel en doelen die niet behaald waren. Omdat deze tweedeling als te zwart-wit werd ervaren werd in 2006 een derde categorie toegevoegd, namelijk bijna gehaald. Het oordeel bijna gehaald volgt bij een realisatie van minder dan 100% en meer dan 80%. Daarbij gebruikt de rekenkamer de kleuren groen, oranje en rood. 36 Deze manier van beoordelen is de afgelopen vijftien jaar gehanteerd. tussentijdse aanpassingen targets Na het publiceren van de targets en ook na de publicatie van het definitieboekje (vanaf 2006) was er geregeld sprake van een wijziging van de targets. In 2003 deed de rekenkamer de aanbeveling aan de raad “om met het college af te spreken dat veranderingen in de formulering, streefwaarde, tijdpad of wijze van meting van de doelen worden vastgesteld en expliciet worden gemeld en toegelicht aan de Raad.” 37 Ook bijvoorbeeld in 2009 beval de rekenkamer aan dat raad en college afspraken maken over wanneer de raad over een verandering wordt geïnformeerd.

38 In 2020 luidde een aanbeveling ‘Informeer de raad expliciet over het bijstellen van targets.’ 39 De consistentie is belangrijk, omdat het anders onduidelijk wordt of het beoogde resultaat is behaald. Als er toch sprake is van een wijziging dan is het belangrijk dat de raad geïnformeerd wordt, omdat “deze op het oog soms verschillen van beperkte betekenis een inhoudelijke wijziging van het collegeprogramma kunnen betreffen of kunnen leiden tot een andere wijze van tellen en derhalve tot andere behaalde resultaten. 40 eindverantwoording Aan het eind van de collegeperiode verantwoordt het college de resultaten van de collegetargets in zijn eindverantwoording aan de raad. De rekenkamer controleert de resultaten en publiceert de bevindingen kort na de publicatie van de eindverantwoording. De aanbevelingen van de rekenkamer richtten zich meestal op onderdelen die meegenomen moesten worden in de overdracht naar de volgende collegeperiode. In figuur 3-3 staat de realisatie van de collegetargets in de verschillende collegeperioden. Het aandeel targets dat uiteindelijk verantwoord en controleerbaar is loopt uiteen van 64% tot 84%. Het aandeel gehaalde en bijna gehaalde collegetargets varieert tussen de 33% en 70%. Het aandeel niet gehaalde targets loopt uiteen van 8% tot 33%.

35 Rekenkamer Rotterdam, brief inzake ‘Beantwoording vragen inzake ‘Resultaten tellen 2008’, 2 juli 2009. 36 Rekenkamer Rotterdam, ‘Jaarverslag 2006, onderzoeksplan 2007’, 30 maart 2007, p. 9; Rekenkamer Rotterdam, ‘Gedreven en genuanceerd, tien jaar Rekenkamer Rotterdam 1998-2008’, 19 mei 2009. 37 Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, nulmeting collegeprogramma 2002-2006’. Rotterdam, 17 juni 2003, p. 45. 38 Rekenkamer Rotterdam, brief inzake ‘Beantwoording vragen inzake ‘Resultaten tellen 2008’, 2 juli 2009. 39 Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘tussentijdse beoordeling collegetargets’, 17 juni 2020, p. 3. 40 Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, verantwoording collegeprogramma 2004’. Rotterdam, 2 juni 2005, p. 35, 40.

34

tijd voor targets

figuur 3-3: realisatie collegetargets einde collegeperiodes

collegetargets als politiek instrument inleiding In deze paragraaf zal eerst worden ingegaan op de ontwikkelingen in de informatievoorziening over de collegetargets door de rekenkamer aan de gemeenteraad en vervolgens op het gebruik van de collegetargets door het college en de gemeenteraad. Dit laatste wordt beschreven aan de hand van de reacties van het college op de desbetreffende rekenkameronderzoeken en de raadsbehandeling hiervan. Er wordt een knip gemaakt in de periode voor 2010 en de periode daarna. In februari 2010 werd namelijk de zogeheten rondetafelbijeenkomst georganiseerd met onder meer raads- en collegeleden om van gedachten te wisselen over de kritiek van raad en college op het bestaande systeem van werken met meetbare doelen. Tijdens deze bijeenkomst werden er ook ideeën gedeeld over verbeteringen van het systeem, zodat het werken met meetbare doelen gecontinueerd kon worden. Naar aanleiding hiervan publiceerde de rekenkamer in september 2010 de notitie ‘resultaatgericht bestuur, een stap verder’. informatievoorziening gemeenteraad periode voor 2010 In de periode 2002-2010 heeft de rekenkamer ieder jaar een rapport opgesteld over de meetbare doelen van het college (de zogeheten ‘Resultaten tellen’-onderzoeken). 41 De

41 AL vanaf 2003 wordt de term ‘collegetarget’ geregeld gebruikt. Vanaf de collegeperiode 2010-2014 spreekt het college meestal niet meer over meetbare doelen maar over collegetargets.

35

tijd voor targets

rekenkamer hechtte grote waarde aan het politiek-bestuurlijke debat over de door het college gepresenteerde resultaten. “De primaire achterliggende gedachte was niet zozeer dat er een debat over de beleidsinhoud moest plaatsvinden, maar dat er sowieso een debat tussen politiek en bestuur over de resultaten plaatsvond”. 42 periode na 2010 Zoals eerder vermeld vond in februari 2010 een rondetafelbijeenkomst plaats waarbij de toepassing van het resultaatgerichte besturingsmodel van de gemeente en de rapportage hierover door de rekenkamer werden geëvalueerd. Dit leidde tot een aangepast besturingsmodel, waarbij de collegedoelen meer zouden worden geformuleerd in termen van te realiseren maatschappelijke effecten (zie paragraaf 32). Een eerste proeve van dit nieuwe resultaatgerichte besturingsmodel gericht op effecten was het collegewerkprogramma (CWP) 2010-2014. Op verzoek van de raad legde de rekenkamer het CWP 2010-2014 langs de lat van de notitie ‘resultaatgericht bestuur, een stap verder’. In oktober 2010 werd de raad geïnformeerd over de bevindingen. De rekenkamer schreef dat: • het collegewerkprogramma een goede stap op weg is naar het sturen op effecten; • een allesomvattende beoordeling van de collegedoelen nog niet mogelijk is; • het collegewerkprogramma onvoldoende transparant is en; • het collegewerkprogramma en de begroting niet volledig op elkaar aansluiten.

De raad nam de aanbevelingen in de brief integraal over. Het college gaf in reactie op de beoordeling van het CWP aan verder te gaan werken aan resultaatgericht bestuur waarin wordt gestuurd op outcome/effecten. In 2011 richtte de rekenkamer haar onderzoek op de inbedding van het nieuwe besturingsmodel in de gemeentelijke organisatie. De werking van het nieuwe model zou moeten blijken uit de gemeentelijke bestuursrapportages en het jaarverslag. De eerste en tweede bestuursrapportage 2011 bevatten weinig informatie over de collegedoelen. Om die reden besloot de rekenkamer het onderzoek naar de inbedding van het nieuwe model te combineren met het al voorgenomen onderzoek naar de verantwoording over de collegedoelen in het jaarverslag 2011. Dit resulteerde in 2012 in het rapport ‘Sturen op termijn’. 43 Op verzoek van het college heeft de rekenkamer geadviseerd over de targets uit het CWP 2014-2018. In het onderzoek heeft de rekenkamer getoetst of de voorgenomen targets ‘rekenkamerproof’ waren. Ook in deze collegeperiode heeft de rekenkamer de raad geïnformeerd over de (tussentijdse) realisatie van de collegetargets via zogeheten onderzoeksbrieven. In de huidige collegeperiode heeft de rekenkamer ook de collegetargets vooraf beoordeeld of ze ‘rekenkamerproof’ waren, maar dit keer gebeurde dit niet meer op formeel verzoek van het college of de raad.

Wel heeft het college een informeel verzoek gedaan. In de afgelopen jaren heeft de rekenkamer via onderzoeksbrieven de raad op de hoogte gehouden over de (tussentijdse) realisatie van de collegetargets.

42 Rekenkamer Rotterdam, ‘Gedreven en genuanceerd, tien jaar Rekenkamer Rotterdam 1998-2008’, mei 2009, p. 27. 43 Rekenkamer Rotterdam, ‘Sturen op termijn, bestuursmodel collegewerkprogramma, realisatie mijlpalen 2011’. Rotterdam, 13 juni 2012.

36

tijd voor targets

gebruik collegetargets door college en gemeenteraad periode voor 2010 De jaarlijkse rapportages van de rekenkamer werden in de periode 2002-2010 eerst behandeld in de betreffende raadscommissie (meestal de commissie Bestuur Veiligheid en Middelen, BVM) en daarna in de raad. In bijna alle gevallen was er sprake van een debat waarna de aanbevelingen door de raad werden overgenomen. Het college maakte gebruik van de kennis en expertise van de rekenkamer om de kwaliteit van de (eind)verantwoording te verhogen. Zo werd destijds het handboek kernindicatoren (in 2006) mede op basis van de bevindingen van de rekenkamer aangepast en verbeterd. In deze periode vonden er via de collegereacties en nawoorden discussies plaats over specifieke targets en over de strengheid van de beoordeling van de controleerbaarheid door de rekenkamer. 44 periode na 2010 In 2010 gaf de rekenkamer in de notitie ‘Resultaat gericht bestuur’ handreikingen aan de raad voor de behandeling van het collegeprogramma en de collegeverantwoording. De raad zou aandacht moeten hebben voor de relevantie van de doelstellingen, de relatie tussen doelstellingen en prestaties, de verklaring van het college over de realisatie en de relatie tussen prestaties, effecten en budget. 45 Het college gaf in 2010 aan het sturen op effecten verder te willen ontwikkelen.

De jaarlijkse rapportages van de rekenkamer zijn met name in het begin van deze periode behandeld in de commissie BVM en vervolgens in de raad. In de commissie gaf de directeur rekenkamer een mondelinge toelichting. Vanaf de collegeperiode 2014-2018 heeft de rekenkamer gekozen voor onderzoeksbrieven als rapportagevorm. Deze werden veelal niet meer eerst separaat behandeld in de raadscommissie, maar gelijk doorgeleid naar de raad. Ook lichtte de directeur van de rekenkamer deze brieven niet toe. Vooral in de collegeperiodes 2014-2018 en 2018-2022 nam de politieke aandacht voor de collegetargets af. Het college reageerde met weinig diepgang op de bevindingen van de rekenkamer en gaf meestal aan de aanbevelingen over te nemen. De bevindingen van de rekenkamer werden niet meer in een (raads)commissie besproken en ook niet meer toegelicht. De onderzoeksbrieven werden ter informatie naar de raad gestuurd en meestal afgedaan als hamerstukken. In de raad was er weinig tot geen debat over het onderzoek van de rekenkamer, maar ook nauwelijks over de realisatie van de collegetargets zelf. Er werd en wordt veel aandacht besteed aan het opstellen, verantwoorden en controleren van de verantwoording van de collegetargets, met het doel de raad in de gelegenheid te stellen te controleren in hoeverre het college ambities realiseert en de gewenste maatschappelijke effecten worden behaald.

Het systeem van collegetargets is geëvolueerd tot een nuttig instrument voor de raad om haar controlerende taak uit te oefenen. Ondanks de kwaliteit en bruikbaarheid van het instrument maakte de raad de laatste twee collegeperiodes weinig gebruik van de collegetargets bij het uitoefenen van haar controlerende taak.

44 Zie onder meer het nawoord van: Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, realisatie collegeprogramma in 2007’. Rotterdam, 12 juni 2008. 45 Rekenkamer Rotterdam, notitie ‘Resultaat gericht bestuur, een stap verder’, 15 september 2010, p. 18.

37

tijd voor targets

veranderende rol rekenkamer inleiding De rol van de rekenkamer is in de loop der tijd veranderd. De rekenkamer heeft in de afgelopen twintig jaar mede vormgegeven aan de ontwikkeling van de meetbare doelen naar collegetargets. In de beginjaren fungeerde de rekenkamer als extern onafhankelijke beoordelaar en toetser van de collegetargets zelf, inclusief het verzamelen van de daarvoor benodigde gegevens. Door de jaren heen zijn de activiteiten die de rekenkamer in eerste instantie op zich nam, gaandeweg binnen de gemeentelijke organisatie belegd. In deze paragraaf wordt deze ontwikkeling nader toegelicht aan de hand van de verschenen rapportages en onderzoeksbrieven. Ook hier wordt een knip gemaakt tussen de collegeperiode voor 2010 en vanaf 2010. collegetargets en rekenkamer, 2002 tot 2010 In de periode 2002-2010 verscheen jaarlijks een rapportage over de realisatie van de collegedoelstellingen. Dit gebeurde in de onderzoeksreeks ‘Resultaten tellen’. In de rapporten wordt uitgebreid ingegaan op de toetsing van de collegetargets. In de collegeperiode 2002-2006 waren er 88 targets en in de periode 2006-2010 55. Voor de controle werd veel personele inzet vanuit de rekenkamer vereist, soms werden alle medewerkers (tijdelijk) ingezet met externe inhuur.

Het kwam vooral in het begin van deze periode voor dat de rekenkamer zelf aanvullende onderzoeken moest uitvoeren, omdat er nog geen adequate registratie/monitoringssystemen beschikbaar waren of omdat de bestaande registratie niet betrouwbaar bleek te zijn. De rekenkamer hechtte veel belang aan een onafhankelijke toetsing bij het beoordelen van de doelrealisatie en investeerde daartoe in dataverzameling ten behoeve van deze toetsing. Later in deze periode gaf het college opdracht aan de toenmalige Audit Service Rotterdam (ASR) om de (tussentijdse) realisatie van de collegetargets te controleren. collegetargets en rekenkamer, 2010 tot 2022 In de periode na 2010 heeft de raad geen formele verzoeken meer neergelegd bij de rekenkamer om de kwaliteit van de verantwoording van de collegetargets te controleren. Het college heeft de rekenkamer in de collegeperiode 2014-2018 wel verzocht om advies uit te brengen over de targets uit het collegewerkprogramma. Daarna heeft de rekenkamer op eigen gezag de controle op de collegetargets voortgezet. De rekenkamer heeft vanaf 2010 geen zelfstandig onderzoeken naar de onderbouwing van de collegetargets meer uitgevoerd. Het controleren van de (tussentijdse) verantwoording van de collegetargets gebeurde door de onafhankelijk gepositioneerde stafafdeling Concern Auditing (CA), die de opvolger was van ASR.

Dat deze controlerende taak bij de gemeente zelf werd belegd was een gewenste, zo niet noodzakelijke ontwikkeling. Op die manier kwam de rekenkamer meer op afstand te staan, een plek die bij de onafhankelijke rol van de rekenkamer past. De rekenkamer toetste wel of de audits van CA aan de normen voldeden en voerde reviews uit. Met ingang van de huidige collegeperiode is deze controletaak niet meer belegd bij CA, maar wordt de onafhankelijke toetsing uitgevoerd door het onderdeel Middelen en Control. Ook Middelen en Control is onafhankelijk binnen de gemeentelijke

38

tijd voor targets

organisatie gepositioneerd. Deze onafhankelijke positionering is nodig om de kwaliteit van de toetsing te waarborgen. Deze onafhankelijkheid is niet meer gewaarborgd als controle in de lijn plaatsvindt, bijvoorbeeld bij het cluster Werk en Inkomen voor het collegetarget bijstand. Ondertussen verminderde, zoals eerder aangegeven, het aantal collegetargets in de opeenvolgende collegeperioden (drastisch) naar 24 in de periode 2010-2014, 10 in de periode 2014-2018 en 15 in de huidige collegeperiode. Doordat de rekenkamer zich beperkte tot een review en door de afname van het aantal targets, waren er minder controlewerkzaamheden nodig. De personele inzet vanuit de rekenkamer beperkte zich tot één à twee medewerkers. Vanaf 2013 koos de rekenkamer voor een kortere rapportagevorm (onderzoeksbrieven), waarin ook tot uitdrukking kwam dat de onderzoekwerkzaamheden zich beperkten tot een review.

39

tijd voor targets

Rekenkamer

Rotterdam

40

tijd voor targets

4

conclusies en lessen

inleiding In dit hoofdstuk komen de conclusies uit de beoordeling van de eindverantwoording collegetargets 2018-2022 eerst aan de orde. Met het oog op de komende gemeenteraadsverkiezingen zijn geen aanbevelingen opgesteld, maar worden de lessen die getrokken kunnen worden uit twintig jaar werken met collegetargets onder de aandacht gebracht.

conclusies eindverantwoording 2018-2022 1 Van de vijftien targets zijn er veertien verantwoord in de eindverantwoording van het college. Over deze targets concludeert de rekenkamer het volgende (zie voor een overzicht figuur 4-1): - Vier targets (27%) zijn gehaald, namelijk 1. CO2, 2. Luchtkwaliteit, 8. Taaltrajecten en 11. Groen - Drie targets (20%) zijn bijna gehaald. Dit betreft de collegetargets: 10. Waterbestendigheid, 12. Woningbouw en 13. Veiligheid. - Vijf targets (33%) zijn niet gehaald, namelijk: 3. Bijstand, 4b statushouders – bijstand, 5. Schulden, 7. Eenzaamheid en 14. Burgerparticipatie. - Twee collegetargets zijn niet controleerbaar. Dit zijn de collegetargets 4a. statushouders – inburgering en 9. Jeugdhulp. Bij beide targets blijkt de informatie van externe partijen niet betrouwbaar. 2 Eén collegetarget is niet verantwoord, namelijk collegetarget 6 onderwijs. Voor een deel van het target komt dit doordat de citotoets in 2020 niet is afgenomen. Voor een ander deel van het target komt dit doordat de informatie niet tijdig beschikbaar is. 3 Bij target 9. jeugdhulp blijkt uit controles van de rekenkamer dat externe partijen en de gemeente de betrouwbaarheid van de gegevens niet voldoende controleren. Target 9. jeugdhulp is daardoor niet controleerbaar (zie conclusie 1). 4 Van de vijftien targets is de realisatie bij twaalf targets voldoende volledig toegelicht.

De toelichting bij de targets 9. jeugdhulp, 10. waterbestendigheid en 13. veiligheid is (op onderdelen) onvoldoende volledig, waardoor het niet duidelijk is waarom het target wel of niet gehaald is. Op de meeste onderdelen is wel voldoende volledige toelichting gegeven, wat een inhoudelijk politiek-bestuurlijk debat tussen raad en college over de verantwoording mogelijk maakt.

41

tijd voor targets

figuur 4-1 resultaten collegetargets 2018-2022

lessen uit 20 jaar collegetargets Vanaf 2002 heeft de gemeente Rotterdam gepionierd met meetbare doelen en na twintig jaar worden de collegetargets nog steeds gebruikt. De ontwikkelde praktijk heeft bij goed gebruik voordelen, zoals duidelijke doelen om op te sturen, een concrete verantwoording, de mogelijkheid tot tussentijds bijsturen en het maakt een goed verantwoordingsdebat tussen raad en college mogelijk. Juist omdat de collegetargets zich bij goed gebruik richten op de prioriteiten in het collegeprogramma, is het ontwikkelde systeem een instrument voor de raad om integraal en op hoofdlijnen de prestaties van het college te beoordelen. Het omgekeerde is ook waar. Als de raad dit instrument niet of maar zeer beperkt inzet voor het uitoefenen van haar controlerende taak is het de vraag of het alle inspanningen waard is. Het moet niet verworden tot een corvee. De rekenkamer heeft steeds benadrukt dat het niet gaat om de getallen an sich, maar om het gesprek dat met behulp daarvan door de raad met het college kan worden gevoerd. Met alle mitsen en maren die inherent zijn aan elke poging tot het kwantificeren van maatschappelijke effecten heeft twintig jaar collegetargets in Rotterdam een volwassen systeem voortgebracht, dat helpt om collegetargets te formuleren, te toetsen en te verantwoorden, waarmee inzicht wordt geboden in de mate waarin politieke doelen zijn behaald.

Om de systematiek goed te benutten is het belangrijk dat de collegetargets op een serieuze wijze gebruikt worden. Daarom heeft de rekenkamer een aantal lessen geformuleerd op basis van de reflectie in hoofdstuk 3.

42

tijd voor targets

collegetargets moeten afspiegeling zijn van strategische politieke prioriteiten Het is wezenlijk dat collegetargets de strategische prioriteiten van het college weerspiegelen, zodat het college tot uitdrukking brengt wat politiek gezien het meest belangrijk is voor de komende collegeperiode. Als de collegetargets een afspiegeling zijn van de politieke prioriteiten is het mogelijk om focus aan te brengen zowel in het ambtelijke apparaat als in de wisselwerking met de gemeenteraad. collegetargets moeten qua aantal representatief zijn en verdeeld tussen collegeleden Naast het feit dat collegetargets een afspiegeling dienen te zijn van de politieke prioriteiten, dienen zij ook qua aantal representatief te zijn. De rekenkamer constateert dat in de afgelopen twintig jaar het aantal collegetargets varieerde van 88 tot 10. Op basis van de analyse over twintig jaar meetbare doelen stelt de rekenkamer dat het optimale aantal collegetargets ongeveer 15 is, waarbij er ook sprake moet zijn van een goede spreiding tussen de collegeleden. Het aantal is ook afhankelijk van het aantal enkelvoudige collegetargets en het aantal targets met samengestelde indicatoren. Als het aantal te veel is, dan trekt de uitvoering een te grote wissel op de ambtelijke organisatie en zorgt dat voor veel bureaucratie en wordt het voor de raad moeilijk om door de bomen het bos nog te zien.

Bij een te klein aantal, komt de representativiteit van de politieke prioriteiten in het geding. De meerwaarde van het systeem van collegetargets is dat het helpt om een integraal debat op hoofdlijnen te voeren en dat vergt zowel voldoende breedte als voldoende selectiviteit. jaarlijkse mijlpalen zijn behulpzaam voor tijdige (bij)sturing Het benoemen van jaarlijkse mijlpalen bij collegetargets helpt bij het tussentijds beoordelen van het collegeprogramma en daarmee voor tijdige (bij)sturing van het beleid. Door het tussentijds meten kan het college inzicht geven in de voortgang van het beleid. De raad kan vervolgens met het college in debat over de mate waarin het beleid nog past bij de gestelde doelen of mijlpalen. Wanneer nodig kan het college de maatregelen intensiveren of aanvullende maatregelen nemen, of kan de raad daar op aandringen. borging onafhankelijke toetsing en controle van de (tussentijdse) realisatie van collegetargets zijn nodig Onafhankelijke toetsing en controle van de (tussentijdse) realisatie van collegetargets zijn noodzakelijk ten behoeve van de betrouwbaarheid en vormen een wezenlijk onderdeel van het systeem met meetbare doelstellingen zoals dat ontwikkeld is. De interne toetsing en controle en de onafhankelijkheid daarvan, dient stevig verankerd te zijn in de gemeentelijke organisatie.

De externe toets van de rekenkamer, aanvullend op de interne controle binnen het concern, heeft tot nu toe geholpen bij de doorontwikkeling van zowel het systeem als geheel, als van de dataverzameling en monitoring van specifieke doelen. kleurscore collegetargets is niet het belangrijkste, het gaat om het verhaal en het gesprek Het is onontkoombaar om een score te hangen aan de mate waarin de collegetargets zijn gerealiseerd. Het uitgangspunt is immers dat de targets meetbaar moeten zijn en de realisatie ervan beoordeeld wordt. Hoe de scores worden gecommuniceerd kan echter ook bijdragen aan een onproductieve ‘afrekencultuur’. Om het goede debat te kunnen voeren, is het van groot belang om oog te houden voor het verhaal achter de cijfers. Het gaat uiteindelijk om de verantwoording over het al dan niet behalen van de

43

tijd voor targets

doelstellingen en welke inzet het college hiervoor heeft gepleegd. Daarbij kan een ‘rode’ score niet erg zijn als er een goede uitleg voor is. Een ‘groene’ score zonder toelichting kan juist onvoldoende inzicht in de prestaties van het college geven. De rekenkamer heeft dit steeds benadrukt, maar constateert ook dat de kleurcodes een bepaald politiek effect sorteren, wat ten koste gaat van aandacht voor het verhaal over hoe en op welke manier het gevoerde beleid bijgedragen heeft aan het al dan niet realiseren van de collegetargets en wat daarvan geleerd kan worden. meer aandacht van de raad voor politiek debat over collegetargets Het college dient altijd aan de raad verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid, zo ook over de realisatie van de collegetargets. De rekenkamerrapporten met bevindingen over de voortgang en eindverantwoording van de targets kunnen het desbetreffende debat tussen college en raad faciliteren. De bevindingen van de rekenkamer brengen de raad namelijk beter in positie om het college ter verantwoording te kunnen roepen en een openbaar debat te voeren over de resultaten. De gemeenteraad van Rotterdam heeft met het ontwikkelde systeem van collegetargets een instrument om het collegeprogramma op hoofdlijnen en in samenhang te beoordelen.

Die integrale controlemogelijkheid komt echter alleen tot zijn recht als de raad actief het debat voert over de collegeverantwoording, waarin de bevindingen van de rekenkamer betrokken worden. collegetargets in samenhang verantwoorden en behandelen De verantwoording van het college over de (voortgang van) collegetargets was in voorgaande collegeperioden verspreid over allerlei beleidsprogramma’s 46 en de collegetargets werden niet meer in samenhang behandeld in de raad. Een dergelijke versnipperde verantwoording en behandeling in aparte raadscommissies zorgen voor het ontbreken van een integraal debat over alle collegetargets in de gemeenteraad. Daardoor verliest het instrument aan kracht. Zoals hiervoor aangegeven moet het debat over de collegetargets juist raadsbreed en in samenhang plaatsvinden, zodat het college zich verantwoordt over de totale realisatie van de collegetargets en daarmee over de prioriteiten in het collegeprogramma. samengevat De belangrijkste conclusie uit twintig jaar collegetargets is dat in Rotterdam een interessant systeem ontwikkeld is, dat met alle mitsen en maren die horen bij elke poging tot het kwantificeren van politieke doelen en maatschappelijke ontwikkelingen, voor de gemeenteraad een uniek instrument is om het collegeprogramma, de voortgang en de realisatie daarvan, op hoofdlijnen en in samenhang te controleren.

Voor alle betrokkenen zijn lessen te trekken uit twintig jaar collegetargets. Het college dient zorg te dragen voor een goede opzet van de targets, door de targets een afspiegeling te laten zijn van strategisch politiek prioriteiten. Dat betekent ook een representatief aantal targets en een goede spreiding tussen de collegeleden. Daarnaast is het belangrijk dat de targets jaarlijks integraal verantwoord worden. Voor de controle van de targets is het belangrijk dat de onafhankelijke toetsing en controle geborgd wordt. Ten slotte is het belangrijk dat de raad aandacht heeft voor de collegetargets en het instrument gebruikt bij het uitoefenen van haar controlerende

46 In de collegeperiode 2018-2022 heeft het college de collegetargets wel in één document verantwoord, namelijk in een oplegger bij de P-en-Cproducten.

44

tijd voor targets

taak. Belangrijk daarbij is dat de raad de targets in samenhang behandelt en dat de raad inzet op een goed debat over het verhaal achter de cijfers.

45

tijd voor targets

Rekenkamer

Rotterdam

62

tijd voor targets

5

collegereactie

Met veel interesse hebben wij kennisgenomen van uw bevindingen over onze eindverantwoording. Wij willen u graag bedanken voor uw bijdrage aan het goed formuleren en meten van de collegetargets en de aandacht voor de toelichting op de realisatie van targets. Daarbij willen wij u bedanken voor een terugblik op twintig jaar collegetargets, een unieke werkwijze in Nederland, en de waardevolle lessen die daaruit kunnen worden getrokken. We willen graag een korte reactie geven op uw reflectie en bevindingen over individuele targets. In 2020 hebben wij bij de begroting 2021 en tweede herziening 2020 aangegeven dat vanwege de onzekerheden die de crisis met zich meebrengt niet al onze ambities en targets haalbaar zullen zijn in deze bestuursperiode. Desalniettemin hebben we ·aangegeven vast te houden aan onze ambities en de targets zoveel als mogelijk te willen realiseren. Hierdoor is het niet verrassend dat we meerdere targets niet hebben gehaald. Vaak is extra inzet gepleegd en een inhaalslag ingezet, dankzij grote inspanningen van onze organisatie en partners in de stad. Voor twee targets is het helaas, vooral vanwege de afhankelijkheid van andere partijen, niet gelukt om een goed controleerbare meting op te leveren. In uw rapport valt op dat de nadruk meer is komen te liggen op een goede toelichting van de realisatie en wat minder op de 'kleuren' die de realisatie weergeven.

Dat vinden wij een goede ontwikkeling, omdat we graag een inhoudelijk debat voeren . In het verleden domineerde de beeldvorming aan de hand van kleuren. U geeft aan dat de toelichting soms beter kan. Daar gaan we hieronder op in bij de reactie op twintig jaar collegetargets . twintig jaar collegetargets De geschiedschrijving van twintig jaar collegetargets vanuit het perspectief van de rekenkamer laat een unieke Rotterdamse aanpak zien waar stadbesturen zichtbaar resultaten willen boeken om de stad beter te maken. Er is een ontwikkeling te zien van een accent op de presterende overheid naar ook een samenwerkende overheid die samen met partners werkt aan maatschappelijke opgaven. De invloed van de gemeente daarop is dan wel beperkter dan voor gemeentelijke taken, maar voor de stad is die maatschappelijke opgave niet minder belangrijk. Voor de integrale sturing en verantwoording op alle maatschappelijke opgaven is deze collegeperiode de cyclus van planning en control verder verbeterd. Daarin is op watdoetdegemeente.rotterdam .nl per programma en taakveld aangegeven wat we willen bereiken en wat we daarvoor doen, inclusief mijlpalen. Dat is vanaf het jaarverslag 2019 aangevuld met een oplegger die overzichtelijk de voortgang en realisatie van de belangrijkste doelen en inspanningen in beeld brengt, inclusief collegetargets.

De laatste twee jaren is mede aan de hand van deze oplegger een verantwoordingsdebat gevoerd. Zo is een invulling gegeven aan de les dat een integraal debat moet worden gevoerd over de realisatie van doelen en inspanningen

47

tijd voor targets

en de collegetargets in het bijzonder. Daarvoor is - zoals de rekenkamer aangeeft - een duidelijke toelichting van de voortgang en realisatie van targets (op hoofdlijnen) nodig, gevolgd door een debat in de gemeenteraad. De les is ook dat een integrale sturing en verantwoording nodig is om inhoudelijk tegenstrijdige targets af te stemmen, zoals meer bouwen en meer groen. Bovendien is dat nodig om een breed perspectief te houden op de totale opgave, waarvan de collegetargets een meetbare indicatie zijn, zodat de organisatie goed samenwerkt, andere partijen betrokken zijn en blijven en andere (reguliere) taken niet worden veronachtzaamd. In aanvulling op de integrale sturing en verantwoording denken we als college dat het nodig blijft verdieping te zoeken in beleidsprogramma's en de verantwoording daarover in specifieke monitors en rapportages. Bovendien is het nodig de tijd te nemen voor duiding met onze samenwerkingspartners en bewoners, zoals hieronder wordt beschreven over de target veiligheid. Verdieping en duiding gebeurt van nature vanuit de verschillende portefeuilles en het debat daarover vindt plaats in raadscommissies en de gemeenteraad. Daar kan het verhaal achter de cijfers (collegetarget en andere indicatoren) voor een bepaalde opgave ook uitgebreider en beter worden toegelicht en verteld.

In raadscommissies en daarna in de raad kan voor die bepaalde opgave worden besproken hoe het gevoerde beleid heeft bijgedragen aan het al dan niet realiseren van de target en wat daarvan geleerd kan worden. Opbrengst van het debat kan ook zijn dat we collegetargets bijstellen als dat logisch is gezien bepaalde ontwikkelingen. Voor de targets van deze collegeperiode geldt dat, naast de relatief beknopte toelichting in de eindverantwoording, ook in specifieke rapportages aan de raad verantwoording is en wordt afgelegd over of en de wijze waarop deze targets zijn gerealiseerd. Verder is een belangrijke les die de rekenkamer formuleert dat de collegetargets een afspiegeling zijn van strategische politieke prioriteiten en representatief qua aantal en verdeeld tussen collegeleden. Dat zijn belangrijke en herkenbare lessen. Met vijftien collegetargets zijn we daarin geslaagd en we denken ook dat ze een goede afspiegeling zijn van de politieke prioriteiten. Dat geeft zowel bestuurlijk als ambtelijk focus in de aanpak en de inzet daarvoor. Kanttekening is dat meetbaarheid altijd een rol speelt en ook wordt benadrukt door toetsing van de betrouwbaarheid en controleerbaarheid van de cijfers. Het is deze periode duidelijk geworden dat afhankelijkheden van de administratie van derden de verantwoording kwetsbaar maakt.

Bovendien heeft bij sommige targets de administratie van de targets veel inspanning gevraagd. Dat geldt ook voor de toetsing van targets die bij de directie Middelen en Control is belegd. Daarmee is de borging van onafhankelijke toetsing en controle van de (tussentijdse) realisatie van collegetargets wel geregeld, maar staat die onder druk. De les die daarbij kan worden getrokken is dat bij de keuze van collegetargets zoveel als mogelijk gebruik wordt gemaakt van meting door bestaande systemen voor registratie en rapporteren. Tegelijkertijd zien we dat we juist daar waar meting moeilijk is, maar de target een belangrijke afspiegeling is van een politieke prioriteit, er wel vernieuwing en verbetering in de sturing en verantwoording is doorgevoerd. Dat is in het verleden gebeurd met bijvoorbeeld targets voor veiligheid en het schoonniveau en deze periode met bijvoorbeeld de targets gericht op bouwen en het beperken van wateroverlast. Juist het benoemen als collegetarget helpt om vernieuwing en verbetering van sturing en verantwoording door te voeren, maar je loopt als college wel het risico te worden afgerekend op een (nog) niet betrouwbare en controleerbare meting. De les is dan ook

48

tijd voor targets

dat de tijd moet worden genomen om een goed systeem te bouwen voor sturen en verantwoorden. Een externe toets van de rekenkamer draagt daaraan bij, maar een eenzijdige nadruk in de verantwoording en het debat op een niet controleerbare meting doet geen recht aan de vele inspanningen. Het is, zoals de rekenkamer aangeeft, ook een opgave voor de interne controle van de meting en advisering over targets om dat zoveel als mogelijk te voorkomen. Een exante toets van de beleidstheorie in beleidsprogramma's helpt ook om in te schatten of de maatregelen (voldoende) effect hebben op de target. Tegelijkertijd kan de aanpak van een maatschappelijke opgave niet altijd wachten op een goed ingeregeld systeem met bewezen effectieve maatregelen. Soms is een nieuwe aanpak nodig die we werkende weg moeten zien te vinden. Dan worden risico's genomen, maar is er ook vernieuwing. Daar ligt de kracht van een Rotterdamse aanpak. Hieronder volgen enkele opmerkingen over uw bevindingen ten aanzien van specifieke targets. target Jeugd: Het college heeft de volgende collegetarget geformuleerd voor jeugdhulp: van 2018 naar eind 2021 wordt ingezet op een daling van 10% Rotterdamse jeugdigen in instellingen. De achterliggende gedachte is om een verschuiving te realiseren van jeugdhulp in instellingen naar jeugdhulp in de thuissituatie of een gezinssetting.

De jeugdhulp moet zoveel mogelijk aansluiten op de leefsituatie van de jeugdigen. De nulmeting in 2018 was 245. Volgens de stukken van de zorgaanbieders zijn er eind 2021 177 cliënten in verblijf. Dat is daling van ruim 25%. De afgelopen jaren is er enorm ingezet op de realisatie van de collegetarget. Er zijn in de regio diverse pilots gestart, intensieve ambulante trajecten om opnames te voorkomen. Er is extra geïnvesteerd in Pleegzorg. Zo is de pleegzorg niet alleen verlengd tot 21 jaar, er zijn ook innovatieprojecten met extra zorg uitgevoerd, waardoor kinderen langer in pleegzorg kunnen blijven. Daarnaast zijn de kamertrainingcentra uitgebreid, en is er een kleinschalige woonvoorziening gestart waar jongeren langere tijd kunnen verblijven. Ook is de afbouw van de jeugdhulpplus in gang gezet. Naast alle regionale ontwikkelingen zijn er ook lokaal diverse acties opgepakt: wijkteams zijn verzwaard met expertise, dit om o.a. uithuisplaatsingen te voorkomen. Verder zijn er SPAN-teams gesubsidieerd, is het aantal POH'ers toegenomen en is het aanbod voor jeugdigen met een beperking alsmede het lokale BGGZ-aanbod verder uitgebreid. Al deze inspanningen hebben bijgedragen aan de sterke afname van het aantal Rotterdamse jongeren in instellingen. De afgelopen jaren is er naast de transformatie van de jeugdhulp ook veel tijd geïnvesteerd in de aanlevering van de juiste data.

De cijfers zijn zorgvuldig door de aanbieders aangeleverd, en ook telkens door de rekenkamer beoordeeld en goedgekeurd. Bij de laatste controle heeft de rekenkamer geconstateerd dat niet met zekerheid is vast te stellen of de beoogde daling is gehaald, doordat de cijfers over de jaren heen niet goed op elkaar aansluiten door een andere wijze van beoordelen. Dit is uiteraard teleurstellend. Alle inspanningen in de afgelopen jaren hebben geresulteerd in een aanzienlijke daling van het aantal Rotterdamse jongeren in instellingen. Deze trend is ook zichtbaar in de CBS cijfers over de jeugdzorg tussen 2018 en 2021. Daarnaast is op verschillende wijzen ingezet op ambulantisering en het stimuleren van jeugdhulp in een gezinssetting. De cijfers van jongeren in intramurale

49

tijd voor targets

voorzieningen laten dan ook duidelijk een dalende trend zien de afgelopen jaren. Een afname van bijna 25%. Hiermee is het naar onze mening zeer aannemelijk dat de collegetarget van 10% is behaald. target Waterbestendig: U geeft in uw rapport aan dat wij in de eindverantwoording de oude nulmeting van het collegetarget gebruiken, niet goed duidelijk maken dat de target tussentijds verhoogd is, en daarmee onterecht de indruk wekken dat het collegetarget gehaald is. In de toelichting in het Overzicht met collegetargets in de Bestuurlijke Eindverantwoording geven wij aan dat de nul-situatie door nieuwe inzichten in het model dat de wateroverlast bepaalt tussentijds is gewijzigd, en van 88% naar 86,7% is bijgesteld. Wij hebben er voor gekozen de oorspronkelijke ambitie van 90% niet naar beneden bij te stellen, waardoor de ambitie - zoals u ook constateert - in feite flink groter is geworden, namelijk van 2% stijging naar 3,3% stijging. Wij zijn het met u eens dat de collegetarget 10 bijna is behaald met een doelbereiking van 92%. De eindstand is 89,75%, waarmee een stijging van 3,02% is gerealiseerd, 0.28% onder het gestelde doel.

In de eindverantwoording hebben wij toegelicht welke maatregelen genomen zijn om panden waterbestendig te maken, namelijk het aanleggen van regenwaterriolering en extra waterberging binnen de reguliere rioolvervangings- en onderhoudsprojecten in de buitenruimte, de aanleg van waterbergingen en waterbuffers op of onder pleinen, maar ook kleinere maatregelen als vergroening in de stad (tegelwippen), en een regentonnenactie. U geeft in uw oordeel aan dat niet is toegelicht waarom het collegetarget niet helemaal, maar bijna gehaald is, en oordeelt dat daarmee realisatie van het collegetarget onvolledig is toegelicht. Aanvullend willen wij aangeven dat niet alle projecten die een bijdrage leveren aan de target zijn opgeleverd vóór het einde van de collegeperiode. Het Uitvoeringsprogramma Rotterdams Weerwoord heeft een looptijd tot en met 2022. Ondanks dat de target van 90% net niet behaald is, hebben ruim 3.296 panden een veiliger label gekregen, dat zijn er 796 meer dan het doel van 2.500 vóór de aanpassing van de nul-situatie. Wij zijn blij met dat behaalde resultaat op deze target. target Veiligheid: U geeft in uw rapport aan dat het college niet heeft toegelicht waarom de beoogde score in Carnisse niet gehaald is.

Onze reactie is dat het ten eerste belangrijk is te beseffen dat een nadere analyse in Carnisse met onze samenwerkingspartners en bewoners in de wijk nodig is om de ontwikkeling over de periode 2018-2022 goed te kunnen duiden. In de begeleidende brief van het wijkprofiel aan de gemeenteraad hebben we aangegeven dat er de komende maanden mede in het kader van Wijk aan zet per wijk een wijkanalyse wordt gemaakt met het Wijkprofiel als kern. Dit geldt ook voor Carnisse. Op basis van deze analyse kunnen we samen met partners, bewoners en ondernemers in Carnisse gerichter gaan werken aan verdere verbeteringen. Ten tweede willen wij opmerken dat de target veilig voor dit onderdeel weliswaar niet gehaald is, maar dat we in Carnisse over de afgelopen twee jaar - na een daling in 2018-2020 - een positieve ontwikkeling zien. We putten vertrouwen uit het feit dat we de trend hebben kunnen ombuigen en constateren dat de zichtbare aanwezigheid in de wijk zijn vruchten afwerpt. Als derde punt willen wij u het volgende onder de aandacht brengen. Carnisse kent naast veiligheid een aantal andere grote opgaven en het is waarschijnlijk dat deze op

50

tijd voor targets

elkaar ingrijpen. Zo heeft Carnisse een aantrekkingskracht op arbeidsmigranten en kenmerkt Carnisse zich door een kwetsbare particuliere woningmarkt. Alleen door een integrale aanpak zullen we op termijn verbeteringen gaan zien in de veiligheidssituatie. Tegelijkertijd realiseren we ons dat dat niet in een paar jaar is te veranderen. De ervaringen in andere wijken leert ons dat dit een proces van een lange adem betreft en daarom om een lange termijn aanpak vraagt. Tot slot is het goed ons te realiseren dat we als lokale overheid niet op alle elementen van de veiligheidsindex invloed hebben. Bijvoorbeeld als het gaat om veiligheidsbeleving, deze wordt beïnvloed door een groot aantal factoren, waarvan de daadwerkelijke ervaring met 'criminaliteit' ('objectieve veiligheid') er één van is. Persoonlijke factoren, zoals leeftijd, geslacht, gezondheid en sociale status spelen een grotere rol in de veiligheidsbeleving. Ook de leefomgeving blijkt van grote invloed, zoals kwaliteit van de buitenruimte, publieke anonimiteit en berichtgeving in de media. De gemeente kan slechts op een aantal van deze factoren invloed uitoefenen.

51

tijd voor targets

bijlagen

onderzoeksverantwoording onderzoeksmethoden Voor de beoordeling van de eindverantwoording van de collegetargets heeft het onderzoeksteam de normenkaders (zie bijlage 2) toegepast en nader toegelicht in paragraaf 2-3 onderzoeksaanpak. Ten behoeve van de beschouwing over twintig jaar werken met collegetargets heeft het onderzoeksteam documenten (zie bijlage 3) geraadpleegd. Daarnaast heeft het onderzoeksteam reacties van het college op rekenkameronderzoeken en de desbetreffende raadsbehandelingen hiervan geanalyseerd. Aanvullend is ook inbreng van enkele rekenkamer medewerkers die jarenlange kennis en ervaring hebben op het gebied van collegetargets in de beschouwing verwerkt. samenstelling onderzoeksteam en interne procedure/organisatie Het onderzoek is uitgevoerd door mevrouw Yiman Fung (projectleider) en de heer Geerd Struik (onderzoeker). Binnen de rekenkamer heeft regelmatig inhoudelijke afstemming plaatsgevonden met de directeur (mevrouw Marjolein van Asselt) en bureauhoofd (de heer Rolf Willemse) over alle onderdelen van het rapport. Alle stukken zijn intern op de kwaliteit getoetst door het bureauhoofd (conform interne richtlijnen zoals opgenomen in het onderzoekshandboek voor een zogeheten Quality Assurance) voordat zij voor bestuurlijk wederhoor werden aangeboden. De productie van de rapportage en de correspondentie zijn verzorgd door mevrouw Els Lems (bureaumanager).

externe procedures De beoordeling van de eindverantwoording is aan het begin van de collegeperiode aangekondigd in de rapportage ‘beoordeling collegetargets 2018-2022’ (R.O.18.06, d.d. 6 december 2018) en onderzoeksprogrammering. In deze rapportage was ook het normenkader opgenomen. Ook past het onderzoek in een reeks onderzoeken naar collegetargets met dezelfde onderzoeksmethoden. Tijdens de gehele afgelopen collegeperiode was er regelmatig op ambtelijk niveau contact over de collegetargets. De rekenkamer is vanaf oktober 2021 met de werkzaamheden gericht op de eindbeoordeling gestart. Het conceptrapport is op 27 januari 2022 voor bestuurlijk wederhoor voorgelegd aan het college van B en W. Op 1 februari 2022 heeft de rekenkamer de reactie van B en W ontvangen. De reactie van B en W is opgenomen in het rapport. Het definitieve rapport wordt door toezending aan de gemeenteraad en B en W openbaar op 3 februari 2022.

55

tijd voor targets

normenkaders collegetargets tabel A: normen ten aanzien van de doelformulering norm

criterium

specifiek

• de target is naar aard enkelvoudig • alle relevante termen in de target zijn gedefinieerd • de target is niet voor meerdere uitleg vatbaar • de jaarlijkse mijlpalen zijn relevant (in lijn met de target) • de mijlpaal van het laatste jaar is gelijk aan de target voor de gehele periode

meetbaar

• er is sprake van een gekwantificeerd streven in de target • het streven is cijfermatig uitgedrukt • er is een nulmeting indien nodig (zie hiervoor tabel 1-2)

tijdgebonden

• de targets hebben een begindatum in of vlak voor de collegeperiode • jaarlijkse mijlpalen hebben een tussendatum • jaarlijkse mijlpalen zijn naar aard gelijk aan de target • de targets hebben een einddatum in de collegeperiode

tabel B: normen ten aanzien van een nulmeting norm

criterium

relevant

• de nulmeting is naar aard gelijk aan de target • de nulmeting dekt alle onderdelen van de target

tijdspecifiek

• duidelijk is op welke periode de nulmeting betrekking heeft

tijdig

• de nulmeting is actueel

tabel C: normen ten aanzien van de controleerbaarheid norm

criterium

de controleerbaarheid

• er is tijdig (vanaf nulmeting) een registratiesysteem

van de te verantwoorden

• er is een registratiesysteem voor de gehele collegeperiode

resultaten is geborgd

• het bronbestand is betrouwbaar • er zijn waarborgen voor relevante, juiste, volledige en tijdige verantwoording

56

tijd voor targets

tabel D: normen ten aanzien van de toelichting bij de realisatie van collegetargets norm

criterium

de realisatie van het

• is er een toelichting?

collegetarget is

• is er toegelicht waarom het target wel/niet is gehaald?

voldoende toegelicht

• is er toegelicht wat men heeft gedaan om het beoogde doel te halen? • is er toegelicht wat men van plan is om te doen om het doel in de toekomst wel te halen? (alleen van toepassing op mijlpalen)

57

tijd voor targets

literatuurlijst publicaties rekenkamer meetbare doelen collegeperiode 2002-2006 • Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, nulmeting collegeprogramma 2002-2006’. Rotterdam, 17 juni 2003. • Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, uitvoering collegeprogramma in 2003’. Rotterdam, juni 2004. • Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, uitvoering collegeprogramma in 2004’. Rotterdam, 2 juni 2005. • Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, resultaten collegeprogramma in 2005 en 2002-2006’. Rotterdam, 9 februari 2006. collegeperiode 2006-2010 • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘Definitieboek Collegeresultaten 2006-2010’, 15 juni 2007. • Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, realisatie collegeprogramma in 2007’. Rotterdam, 12 juni 2008. • Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten tellen, realisatie collegeprogramma in 2008’. Rotterdam, 18 juni 2009. • Rekenkamer Rotterdam, ‘Resultaten geteld, realisatie collegeprogramma in 20062010’. Rotterdam, 15 januari 2010. collegeperiode 2010-2014 • Rekenkamer Rotterdam, notitie ‘Resultaat gericht bestuur, een stap verder’, 15 september 2010. • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘Collegewerkprogramma’, 27 oktober 2010. • Rekenkamer Rotterdam, ‘Onderzoeksopzet Rotterdams bestuursmodel en resultaten CWP’. Rotterdam, 5 april 2012.

• Rekenkamer Rotterdam, ‘Sturen op termijn, bestuursmodel collegewerkprogramma, realisatie mijlpalen 2011’. Rotterdam, 13 juni 2012. • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘Realisatie collegetargets 2012’, 6 juni 2013. • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘realisatie collegedoelstellingen 2010-2014’, 18 december 2013. collegeperiode 2014-2018 • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘beoordeling targets collegeprogramma 2014-2018’, 25 september 2014. • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘realisatie collegetargets 2015’, 6 juni 2016. • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘realisatie targets collegeprogramma 2014-2018’, 11 januari 2018.

58

tijd voor targets

collegeperiode 2018-2022 • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘beoordeling collegetargets 2018-2022’, 6 december 2018. • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘collegetargets: nulmeting en controleerbaarheid’, 4 november 2019. • Rekenkamer Rotterdam, brief aan gemeenteraad Rotterdam inzake ‘tussentijdse beoordeling collegetargets’, 17 juni 2020. overige publicaties rekenkamer • Rekenkamer Rotterdam, ‘Bakens in de mist, Resultaatmeting collegeprogramma 1998-2000’. Rotterdam, oktober 2002. • Rekenkamer Rotterdam, ‘Jaarverslag 2006, onderzoeksplan 2007’, 30 maart 2007. • Rekenkamer Rotterdam, ‘Gedreven en genuanceerd, tien jaar Rekenkamer Rotterdam 1998-2008’, 19 mei 2009. • Rekenkamer Rotterdam, brief inzake ‘Beantwoording vragen inzake ‘Resultaten tellen 2008’’, 2 juli 2009. • Rekenkamer Rotterdam, verslag Roundtable Resultaatgericht bestuur, 16 februari 2010. gemeente Rotterdam • College van B&W, Verantwoording collegebeleid 1998-2002, 21 december 2001. • College van B & W Rotterdam, brief inzake ‘Collegereactie Rekenkamerrapport Resultaten tellen’, 10 februari 2006. • College van B & W Rotterdam, Uitwerking collegetargets, 4 december 2018. • College van B & W, brief inzake ‘nulmeting en streefcijfers collegetargets inzake burgerparticipatie’, kenmerk 19bb20107, 10 september 2019.

• Gemeenteraad Rotterdam, Raadsvoorstel ‘Rapport 'Gedreven en vasthoudend’; evaluatie Rekenkamer Rotterdam 1998-2001’, 26 augustus 2002. • Gemeenteraad Rotterdam, motie Sörensen c.s. • Wethouder Handhaving, Buitenruimte, Integratie en Samenleven, brief inzake 'aanpassing meetmethodiek collegetarget 20 ha groen erbij', kenmerk 20bb016191, 2 november 2020. • Wethouder Handhaving, Buitenruimte, Integratie en Samenleven, brief aan Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte inzake ‘Voortgang collegetarget 10, afdoening toezegging 20bb17551’, 21 april 2021.

59

tijd voor targets

de rekenkamer De gemeenteraad van Rotterdam heeft in december 1997 de Rekenkamer Rotterdam ingesteld. Sinds 14 juni 2021 is mevrouw prof.dr.ir. Marjolein van Asselt directeur. Zij is door de gemeenteraad voor zes jaar benoemd en beëdigd.

doel De rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het beleid, het financieel beheer en de organisatie van het gemeentebestuur. Zij doet dat ten behoeve van de gemeenteraad. Met interdisciplinair onderzoek en beleidsevaluatie draagt de rekenkamer bij aan het versterken van de lokale democratie en de kwaliteit van het gemeentebestuur.

onafhankelijk De rekenkamer is net als de gemeentelijke Ombudsman onafhankelijk. Haar taken en bevoegdheden staan in de Gemeentewet en de verordening Rekenkamer Rotterdam. De rekenkamer bepaalt zelf waar ze onderzoek naar doet en heeft vergaande bevoegdheden om informatie te verzamelen. De raad en/of het college van B en W kunnen de rekenkamer wel vragen om onderzoek te doen. De rekenkamer stuurt hen jaarlijks haar onderzoeksplan en jaarverslag toe.

openbaar Het onderzoek resulteert in openbare rapporten die de rekenkamer ter behandeling aan de raad aanbiedt. Zij bevatten tevens de reacties van de onderzochte organen en instellingen op de conceptrapporten (ambtelijk en bestuurlijk wederhoor). De rapporten worden toegelicht in (commissies van) de gemeenteraad.

voor Rotterdam en regio Vijf regiogemeenten hebben zich in de loop der jaren aangesloten bij de Rekenkamer Rotterdam, namelijk Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Lansingerland.

Rekenkamer Rotterdam Postbus 70012 3000 kp Rotterdam telefoon 010 • 267 22 42 info@rekenkamer.rotterdam.nl www.rekenkamer.rotterdam.nl

fotografie Hans Straub / Nationale Beeldbank Claire Droppert Rotterdam-Marketing Rotterdam Image Bank basisontwerp dewerf • com, Zuid-Beijerland

uitgave Rekenkamer Rotterdam februari 2022

PERSBERICHT

Rotterdam, 3 februari 2022

Meer aandacht collegetargets nodig in politiek debat Het Rotterdamse college heeft aan het eind van de collegeperiode zeven targets van de vijftien collegetargets (bijna) gehaald. Vijf targets zijn niet gehaald en drie targets konden niet worden beoordeeld. Het is belangrijk dat de raad in debat gaat met het college over de resultaten. Dit gebeurt te weinig. Zo blijkt uit een van de zeven lessen in het licht van een reflectie over twintig jaar collegetargets door de rekenkamer. Dit en meer concludeert de Rekenkamer Rotterdam in haar rapport ‘Tijd voor targets.’ De rekenkamer heeft in haar rapport ‘Tijd voor targets’ de behaalde resultaten en de toelichting daarop beoordeeld, zoals die zijn opgenomen in de bestuurlijke eindverantwoording 2018-2022 van het college. De collegetargets zijn een belangrijk instrument van de raad om het collegebeleid in samenhang te controleren. Daarnaast heeft de rekenkamer lessen getrokken uit een reflectie over twintig jaar werken met collegetargets. beoordeling eindverantwoording 2018-2022 Voor de periode 2018-2022 heeft het college vijftien targets geformuleerd. De rekenkamer stelt vast dat zeven targets (47%) voor meer dan 80% zijn behaald. Vijf targets zijn niet gehaald (33%). Een overzicht van de beoordeling is hieronder weergegeven:

De rekenkamer constateert dat het college bij de targets meestal voldoende uitlegt waarom ze wel of niet zijn gehaald en wat het college heeft gedaan om het beoogde doel te halen. Deze toelichting is belangrijk voor de raad om het debat te voeren met het college over het behalen van de politieke doelen. lessen uit 20 jaar collegetargets Na twintig jaar collegetargets is een van de lessen dat onafhankelijke controle van de realisatie van collegetargets noodzakelijk is. Een andere les gaat over het feit dat de raad meer aandacht en tijd zou moeten hebben voor het politieke debat over de collegetargets. De raadsbehandeling van de targets vond de afgelopen jaren vaak versnipperd plaats. Dit ondanks het feit dat de raad in de afgelopen twintig jaar een nuttig instrument in handen had om het college te controleren. Volgens Marjolein van Asselt, de nieuwe directeur van de rekenkamer, is het daarom belangrijk dat dit unieke Rotterdamse instrument goed gebruikt wordt. “Benut het voor de politieke oordeelsvorming. Maak tijd voor targets.”

positie rekenkamer De rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het beleid, het financieel beheer en de organisatie van het gemeentebestuur. Zij doet dat ten behoeve van de gemeenteraad. Hiermee draagt de rekenkamer bij aan het versterken van de lokale democratie en de kwaliteit van het gemeentebestuur. De rekenkamer licht dit rapport toe in een openbare raadsbrede technische sessie op dinsdag 8 februari 2022. De gemeenteraad behandelt de eindverantwoording van collegetargets in de raadsvergadering van donderdag 24 februari 2022 en kan daarbij dit rapport van de rekenkamer benutten. contact Het rapport is digitaal beschikbaar op https://rekenkamer.rotterdam.nl/. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mevrouw Y. Fung via tel. 06-43249643.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=31a36aa6-87fa-422c-9f36-ee48515f2e56