CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb008359] Bijlage 1 behorende bij 22bb8327 - Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven

Gemeenteraad 2 februari 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Parkhaven’.29.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

A C B

Afbeelding 12: De bereikbaarheid van het gebied per auto.

Om de huidige en toekomstige bereikbaarheid in kaart te brengen, heeft een analyse plaatsgevonden van de verkeerseffecten 1. Na de realisatie van het project zullen de extra autoritten vrijwel allemaal via de Parkhaven het gebied in- en uitrijden. Daar zal de intensiteit ten opzichte van de autonome situatie nagenoeg verdubbelen, terwijl de andere ontsluitingen van het Scheepvaartkwartier vrijwel niet zullen worden gebruikt. Hier neemt het verkeer niet merkbaar toe. Uit de analyse van de verkeerseffecten blijkt dat de verkeersafwikkeling op Parkhaven na realisatie van de bebouwing goed blijft. Met de realisatie van het plan worden de wachtrijen voor de verkeerslichten wat langer, maar ook na realisatie van het plan zal geen sprake zijn van structurele overbelasting; in één of twee cycli van de verkeerslichten zal de wachtrij meestal verdwenen zijn.

1 Goudappel BV, Verkeersonderzoek Parkhaven 010,, november 2021, kenmerk 009617.20211103.R1.01.

- 32 -

Voor touringcars wordt op termijn voorzien in de aanleg van twee busparkeerplaatsen rond de Euromast. Hier kunnen touringcars kortstondig stil staan om reizigers in of uit te laten stappen. De bussen rijden vervolgens door naar een aangewezen plek in de stad waar ze langer mogen staan. Voor ‘Splashtours’ zal een locatie worden voorzien op de kade van de Parkhaven aan de noordzijde bij de Parkhavensluizen. Omdat de kade hier is verbreed, is hier voldoende ruimte voor opstellen en in- en uitstappen. Openbaar vervoer Het Scheepvaartkwartier is goed bereikbaar met tramlijnen 7 en 8. Het meest nabij gelegen metrostation is station Coolhaven op ongeveer 850 meter. Naar verwachting wordt vanaf 2022 een snelle, comfortabele (elektrische) busverbinding in gebruik genomen tussen het Centraal Station en Zuidplein. Deze verbinding gaat via de Maastunnel, waarbij tevens sprake is van een halte in de nabijheid van Parkhaven. De exacte locatie daarvoor is nog niet bekend. Bereikbaarheid voor de fiets en voetganger Het ontwikkelingsgebied ligt langs een aantal doorgaande fietsroutes, waardoor de bereikbaarheid per fiets dan ook zeer goed te noemen is. Daarin zal geen wijziging plaatsvinden, anders dan dat de fietsroute in de avonduren veiliger ervaren zal worden door betere verlichting en meer sociale controle. Voor voetgangers treedt door de ontwikkeling de grootste verandering op.

Zowel voor de routing naar en door het gebied, als voor het verblijf in het gebied zelf, wordt de omgeving sterk aangepast. De huidige parkeerkade wordt een groene voetgangerskade. Door het verplaatsen van het parkeren naar de ondergrondse garage komt ruimte vrij voor de voetganger. Aan de oostelijke zijde wordt een voetpad in het groen gelegd. Deze openbare route komt uit bij een nieuwe overbrugging op maaiveldhoogte vlakbij de Euromast. Met deze route voor voetgangers en fietsers wordt Het Park optimaal verbonden met de Parkhaven. Tussen de groene kade en het pad aan de parkzijde worden koppelingen gemaakt. Naast de koppelingen op de koppen van het gebied en bij de Euromast worden de eerder benoemde ‘greens’ geïntroduceerd. Parkeren Voor de leefbaarheid en bereikbaarheid is het beperken van autogebruik en de parkeermogelijkheden gewenst. Daarom wordt maximaal ingezet op om andere vormen van mobiliteit. Voetganger en fietser krijgen volop ruimte, met goede routes naar de OV-haltes. Verder worden toekomstige gebruikers gestimuleerd om gebruik te maken van deelmobiliteit. Er wordt voorzien in deelauto's en deelfietsen, waardoor het eigen autobezit wordt ontmoedigd.

Om met name fietsers en voetgangers optimaal de ruimte te bieden en de groene beleving van het gebied te vergroten, wordt het parkeren (waaronder ook het stallen van fietsen) opgelost in twee ondergrondse parkeervoorziening. Deze bieden voldoende ruimte om te kunnen voldoen aan de parkeernormen die gelden voor de nieuwbouw (daarvoor wordt nu uitgegaan van minimaal 366 auto’s en circa 3050 fietsen), maar ook zal voldoende ruimte worden geboden om te garanderen dat ook de nu bestaande 200 parkeerplaatsen op de kade een plek krijgen. Het is immers de bedoeling het parkeren uit het zicht te nemen en in de openbare ruimte geen parkeerplaatsen aan te leggen. Omdat voor nieuwe bewoners en gebruikers wordt voorzien in gebouwde parkeervoorzieningen, komen zij niet in aanmerking voor een parkeervergunning op straat in aangrenzende gebieden. Van extra parkeerdruk op straat, bijvoorbeeld elders in het Scheepvaartkwartier, zal dan ook geen sprake zijn. Vanaf 1 januari 2022 is de nieuwe ‘Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022’ van kracht gegaan. De locatie is gelegen binnen Zone A - Hoogstedelijk Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven – Toelichting

- 33 -

gebied. In het kader van de ontwikkeling moet deze nieuwe norm worden gehanteerd. In de planregels is daartoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De toetsing aan de parkeernormen vindt plaats in het kader van het bouwplan.

- 34 -

4.

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan, van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.

4.1

Water De watertoets 2 is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied behoort tot het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK), waarbij wordt opgemerkt dat het in zijn geheel buitendijks gebied betreft. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2 & Rotterdams Weerwoord). Ook het hoogheemraadschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerplan 20162021. Met dit beheerplan staat het hoogheemraadschap voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Meer nog dan in de huidige situatie wil het hoogheemraadschap zijn kerntaken uitvoeren samen met bedrijven, burgers, belangenorganisaties, mede-overheden en andere samenwerkingspartners in het beheergebied. Beschrijving watersysteem Het plangebied ligt geheel buitendijks.

Uit het peilbesluit ‘Rotterdam-Centrum’ blijkt, dat ter plaatse twee peilgebieden van kracht zijn. Ongeveer 2/3 deel van het plangebied maakt deel uit van het peilgebied ‘GPG-163’. Hier wordt een peil gehanteerd van 0,25 meter beneden NAP. Het noordelijk deel van het plangebied behoort toe aan het peilgebied ‘GPG-162’. Het vastgestelde peilniveau bedraagt hier 0,15 meter beneden NAP. Het oppervlaktewater in dit peilgebied wordt met een persleiding vanuit de Nieuwe Maas ingelaten. Overtollig water in peilgebied GPG-162 wordt via het gemaal Heemtuin afgevoerd; voor peilgebied GPG-163 wordt deze functie vervuld door gemaal ’t Park. Het maaiveld ter hoogte van het plangebied ligt op een hoogte van 3 tot 4,5 meter boven NAP, waardoor sprake is van een drooglegging van 3,25 tot 4,75 meter. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Onderstaande afbeelding laat zien, dat in de directe nabijheid van het plangebied een waterkering aanwezig is. Het betreft hier een primaire waterkering die zich ter hoogte van de Westzeedijk en G.J. de Jonghweg bevindt. Het dijklichaam (dikke rode lijn) valt net niet binnen het plangebied; wel strekken de kernzone (rode arcering) en de buitenbeschermingszone (groene arcering) zich voor een deel over het plangebied uit. Deze primaire waterkering maakt deel uit van traject 14-2.

Dit traject kent een beschermingsniveau van 1 op 100.000 jaar; dit betekent dat de waterkering bescherming biedt tegen een extreem hoogwaterpeil dat

2 Ingenieursbureau Land, Waterparagraaf Masterplan Parkhaven, december 2021, projectnummer B02-78343-KBU.

Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven – Toelichting

- 35 -

gemiddeld genomen eens in de 100.000 jaar voorkomt. Daarnaast beschermt deze waterkering de Maastunnel tegen instroom van hoog water.

Afbeelding 13: Aanwezige waterkering in omgeving plangebied (oranje omkaderd).

Het plangebied valt binnen rioleringsdistrict Centrum (9). Het afvalwater wordt onder de Nieuwe Maas door afgevoerd naar de RWZI Dokhaven. Het betreft hier een gemengd rioolstelsel, zodat zowel het regen- als afvalwater tegelijk wordt afgevoerd. Ook is gedeeltelijk binnen het plangebied een hemelwaterriool aanwezig. Binnen het plangebied zijn geen overstorten aanwezig; de dichtstbijzijnde overstorten zijn gelegen in het Museumpark en Het Park. Bij hevige regenval en een volledig gevuld rioolstelsel stort het met regenwater verdund afvalwater op deze locaties over op de Nieuwe Maas of op het oppervlaktewater. De ontsluitingsweg in de huidige situatie wordt verlegd vanwege de nieuwe inrichting. Het oude gemengde rioolstelsel en het hemelwaterriool komen daarmee te vervallen en het plan is om daarvoor in de plaats een gescheiden stelsel te leggen. De uitwerking van het ontwerp van het rioolstelsel wordt opgenomen in de nieuwe ontwikkeling. Het ontwerp wordt opgesteld in overleg met de gemeente en het Hoogheemraadschap. Na goedkeuring maakt het deel uit van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Ontwatering en hoogteligging plangebied In het nieuwe ontwerp dient er voldoende drooglegging te zijn. Drooglegging is het verschil tussen oppervlaktewaterpeil en het maaiveldniveau.

Voor stedelijke gebieden adviseert het hoogheemraadschap om onderstaande drooglegging aan te houden: - 1,3 m voor vloerpeil bebouwing; - 1,0 m voor hoofdwegen; - 0,7 m voor overige wegen. De hoogteligging van het vloerpeil van de nieuwe bebouwing varieert tussen +3,34 en +3,65 m NAP. De hoogteligging van de nieuwe ontsluitingswegen varieert tussen +3,34 en +3,39 m NAP. In de bestaande situatie liggen de vloerpeilen op +4 m NAP. De projectorganisatie heeft voor het bepalen van de hoogteligging van de vloerpeilen en de wegen gebruik gemaakt van de gegevens voor de Maatgevende Hoog Waterstand Buitendijksgebied (MHW).

- 36 -

Verdroging De toename van verharding in stedelijke gebieden zorgt naast versnelde afvoer voor nog een negatieve ontwikkeling: verdroging. Verharding zorgt ervoor dat water minder makkelijk infiltreert naar het grondwater. Naast meer onverhard terrein kan ook het gebruik van waterdoorlatende verharding de verdroging tegengaan. In de nieuwe inrichting worden verschillende typen klinkers voorzien, hierdoor zal een deel van het hemelwater direct in de grond kunnen infiltreren. Wateropgave Zoals aangegeven ligt het plangebied buitendijks, waardoor de Waterwet van toepassing is. Het plangebied maakt echter deel uit van het zogenaamde vrijstellingsgebied voor de vergunningplicht voor het onderdeel gebruik waterstaatswerk, zoals weergegeven in artikel 6.16 van het Waterbesluit. Het bestemmingsplan leidt tot een toevoeging van stedelijk programma op een terrein dat nu overwegend onbebouwd is. Daardoor is sprake van een toename van het verhard oppervlak. Omdat het plangebied buitendijks ligt, geldt echter geen compensatieplicht. Wel geldt als uitgangspunt voor nieuwbouwontwikkelingen, dat het hemelwater wat in het gebied valt ter plaatse wordt waar mogelijk nuttig toegepast. Het te ontwikkelen gebied moet een neerslaggebeurtenis kunnen verwerken van 50 mm in 1 uur en 80 mm in 24 uur, zonder dat water wordt afgegeven aan water- en rioolsystemen grenzend aan het te ontwikkelen gebied.

Hierbij heeft het de gemeentelijke voorkeur om water van particuliere verharding op particulier terrein te verwerken. Dit moet zodanig gebeuren dat er naar de toekomst toe voor bewoners een duidelijk en begrijpbaar systeem wordt aangelegd. Binnen de kernzone behorende bij de primaire waterkering zijn geen bouwwerkzaamheden voorzien. De twee meest noordelijke bouwblokken bevinden zich (deels) binnen de buitenbeschermingszone. Het oprichten van gebouwen binnen deze zone is toegestaan, mits de waterkerende functie van het betreffende dijklichaam niet wordt aangetast. Momenteel vinden hierover gesprekken met de beheerder van het dijklichaam plaats. Ter bescherming van de waterkerende functie van het dijklichaam is het betreffende deel van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Met deze dubbelbestemming is vastgelegd, dat bouwactiviteiten alleen zijn toegestaan nadat schriftelijk advies is ingewonnen bij de dijkbeheerder. De te realiseren gebouwen worden voorzien van een gescheiden rioolstelsel. Het hemelwater wordt afgekoppeld. Het is bij de bouw van nieuwe bebouwing wenselijk om duurzame, nietuitloogbare bouwmaterialen toe te passen. PAK´s-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Dit voorkomt diffuse verontreinigingen van water en bodem.

Overleg met de waterbeheerder(s) Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. In dit kader zijn de waterbeheerders betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan. De reactie van het waterschap is opgenomen in § 6.2 en aanvullingen/wijzigingen zijn reeds in de waterparagraaf verwerkt. 4.2

Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” (maart 2009) een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende

Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven – Toelichting

- 37 -

activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de milieugevoelige functie(s) en de bedrijven in de omgeving. Dit kan oplopen tot de maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 6 en die bedraagt 1.500 meter tot het omgevingstype rustige woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele inrichtingen aanwezig waarvan onderzocht is of er milieuhinder kan optreden. Het gaat hierbij om horecavoorzieningen en een nutsvoorziening (Parksluizen). In alle gevallen gaat het om inrichtingen die in de VNGuitgave "Bedrijven en milieuzonering" worden aangemerkt tot milieucategorie 1 of 2. De grootste hinderafstand bedraagt dan ook 30 meter.

Omdat het plangebied aan de noord- en oostzijde wordt begrensd door wegen die behoren tot de hoofdverkeersontsluiting en doordat diverse functies in de omgeving aanwezig zijn, wordt (de omgeving van) het plangebied aangemerkt als een ‘gemengd gebied’. Dit betekent, dat de hinderafstand met één afstandsstap verkleind mag worden. Hierdoor is dus sprake van een hindercontour met een omvang van 10 meter. Binnen deze zones zijn geen hindergevoelige objecten voorzien, waardoor voldaan kan worden aan de afstanden uit de VNG-uitgave. Aanvullend is wel onderzoek gedaan naar horecageluid 3. Euromast en New Ocean Paradise In het onderzoek zijn alle omliggende horecabedrijven en hun eventuele terrassen onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat alleen de horeca in de Euromast en New Ocean Paradise (zonder het treffen van maatregelen) van invloed zijn op de nieuwe woningen. Andersom is de komst van nieuwe woningen zonder het treffen van maatregelen van invloed op de bedrijfsvoering van deze twee bedrijven. De bedrijfsvoering van de Euromast (geluid van muziek en installaties) zorgt voor een maximale geluidsbelasting van 61 dB(A) etmaalwaarde inclusief muziektoeslag op de gevels van de nieuwe woningen. Bij New Ocean Paradise is dat 60 dB(A) etmaalwaarde inclusief muziektoeslag.

Dit zorgt voor overschrijdingen tot respectievelijk 11 en 10 dB(A) ten opzichte van de normen uit het Activiteitenbesluit. De overschrijdingen treden alleen op tijdens feesten en evenementen en niet tijdens reguliere ‘restaurantavonden’. Nadrukkelijk uitgangspunt is enerzijds dat de horecabedrijven niet beperkt worden in hun exploitatie, en dat anderzijds sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen. Vanwege de hoge geluidsbelasting van wegverkeer- en industrielawaai, scheepvaartgeluid en nestgeluid worden de woningen zwaar geïsoleerd (zie paragraaf 4.3). Hierdoor bedraagt het binnenniveau maximaal 33 dB en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Onderzocht is of de gevelisolatie nog zwaarder uitgevoerd moet worden vanwege het horecageluid. Dit blijkt niet het geval.

3 dBvision, Akoestisch onderzoek Horecageluid ParkHaven Rotterdam, december 2021, projectnummer ERA-01-

05sp.

- 38 -

Omdat binnenniveau maximaal 33 dB/35 dB(A) bedraagt kan een maatwerkvoorschrift verleend worden voor de Euromast en New Ocean Paradise. In het maatwerkvoorschrift is bepaald dat de horecabedrijven af mogen wijken van de standaardvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Hierdoor worden de bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering en zijn in principe geen maatregelen bij de bedrijven nodig. Hierdoor vormen de Euromast en New Ocean Paradise geen knelpunt voor de toekomstige woningbouw. Het is echter ook mogelijk dat er in overleg met de bedrijven maatregelen bij de bedrijven getroffen worden, waardoor een maatwerkvoorschrift niet nodig is. Een combinatie van maatregelen en een maatwerkvoorschrift is ook mogelijk. Dit zal in de periode tussen ontwerpbestemmingsplan en vaststelling samen met de bedrijven nader onderzocht worden. Een eventueel maatwerkvoorschrift wordt vóór de vaststelling van het bestemmingsplan verleend. Terrassen De terrassen van de nieuwe horeca in de plint zorgen voor een geluidbelasting tot 62 dB(A) etmaalwaarde op de nieuwe woningen. Dit is alleen het geval indien geen nieuwe woningen op de eerste verdieping (direct boven de terrassen) gesitueerd zouden worden. Dit is een overschrijding van 7 dB ten opzichte van de richtwaarden voor stemgeluid. De piekgeluiden van de terrassen zorgen voor overschrijdingen tot 5 dB.

Ook het bestaande terras van de Euromast (op de begane grond) zorgt voor een overschrijding van 1 dB als het gaat om piekgeluid. In het uiteindelijke bouwplan zal hier rekening mee gehouden worden. De terrassen van de nieuwe horeca zijn niet van invloed op bestaande woningen in de omgeving. 4.3

Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk woningen. Deze liggen binnen de toetsingszone van enkele zoneplichtige wegen en binnen de geluidszone van enkele gezoneerde industrieterreinen. Vandaar dat een akoestisch onderzoek 4 is uitgevoerd. De rekenresultaten worden hieronder uiteengezet. Wegverkeerslawaai De voorziene geluidsgevoelige objecten bevinden zich binnen de toetsingszone van de volgende zoneplichtige wegen (inclusief tramsporen en open tunnelbak): • ’s-Gravendijkwal (inclusief Maastunnel); • Droogleever Fortuynplein; • Westzeedijk/Parkhavenbrug; • Westzeedijk oost; • Willem Buytewechstraat; • Puntegaalstraat; • Parkhaven/Parkkade; 4 Kraaij Akoestisch Adviesbureau, Akoestisch onderzoek Plan Parkhaven in Rotterdam, januari 2022,

projectnummer VL.1862.R01.

Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven – Toelichting

- 39 -

•

G.J. de Jonghweg.

Uit de rekenresultaten blijkt, dat de ter plaatse van elk beoogd woongebouw als gevolg van het wegverkeer op één of meerdere gezoneerde wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximaal berekende geluidsbelasting bedraagt 61 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt hierbij niet overschreden. Industrielawaai Het plangebied ligt in zijn geheel binnen de 50 dB(A)-contour van de gezoneerde industrieterreinen “Maas-/Rijnhaven” en “Waal-/Eemhaven”. In het eerder aangehaalde akoestisch onderzoek wordt aan het aspect 'industrielawaai' dan ook aandacht geschonken. Maas-/Rijnhaven Zoals aangegeven ligt het gehele plangebied binnen de 50 dB(A)-contour van het gezoneerde industrieterrein “Maas-/Rijnhaven”. In het eerder genoemde akoestisch onderzoek zijn berekeningen uitgevoerd aangaande dit industrieterrein. Hieruit blijkt dat niet op alle beoogde bouwblokken sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Alleen ter plaatse van de gebouwen Z1 t/m Z5 geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale berekende geluidsbelasting bedraagt 52 dB(A) en is daarmee lager dan de maximale ontheffingswaarde. Hogere waarden kunnen worden aangevraagd. Waal-/Eemhaven In december 2010 is door diverse partijen, waaronder de gemeente Rotterdam, het ‘Convenant geluidruimte Waal-/Eemhaven’ ondertekend.

In dit convenant zijn afspraken vastgelegd over de geluidsruimte en –verdeling bij vergunningverlening op basis van de Wabo en de geluidseffecten hiervan op de ruimtelijke ordening in de omgeving. In dit convenant wordt onderscheid gemaakt tussen het communicatiegebied (gebied binnen de 55 dB(A)contour) en het ‘gebied voor standaard onderzoek’ (gebied dat gelegen is buiten de 55 dB(A)contour). Indien een nieuwe geluidsgevoelige ontwikkeling is gelegen in eerstgenoemd gebied, dient een open planproces te worden gevolgd, zoals bijvoorbeeld de Stad- en milieubenadering (afspraak 14). Daarnaast dient in een zo'n vroeg mogelijk stadium van de planvorming overleg plaatst te vinden met Deltalinqs en het Havenbedrijf Rotterdam (afspraak 13). Omdat het plangebied gelegen is buiten de 55 dB(A)-contour en daarmee niet in het communicatiegebied, zijn deze afspraken niet aan de orde. Op basis van het convenant is een handreiking vastgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze de geluidsbelasting berekend moet worden. In het eerder genoemde akoestisch onderzoek zijn berekeningen uitgevoerd aangaande het industrielawaai. Hieruit blijkt, dat de maximaal berekende geluidsbelasting 56 dB(A) bedraagt.

Deze belasting is alleen berekend op één rekenpunt op de zuidgevel van gebouw Z2 (hoogte van 34,5 meter); voor de overige rekenpunten van dit gebouw, net als voor alle andere gebouwen, is een geluidbelasting berekend van maximaal 55 dB(A). De reguliere maximale ontheffingswaarde is 55 dB(A), maar indien het geluid afkomstig is van een industrieterrein met activiteiten die zeehavengebonden zijn en die noodzakelijkerwijs in de open lucht plaatsvinden, geldt een maximale ontheffingswaarde van 60 dB(A) op basis van de zeehavennorm. Waal-Eemhaven voldoet aan deze definitie, hier vindt veel container op- en overslag plaats. Verder is het voor het kunnen toepassen van de zeehavennorm noodzakelijk dat sprake is van woningbouw aansluitend aan het bestaande woongebied en dat sprake is van een beperkte uitbreiding van het bestaande woongebied. Gezien de binnenstedelijke ligging - 40 -

vlak bij bestaande woongebieden als Little C, het Coolhaveneiland en het Lloydkwartier en de schaal van Parkhaven is hier sprake van. Toepassing van de zeehavennorm voor een zeer beperkt deel van de nieuwbouw is daarom mogelijk. Daarbij is toepassing van deze norm alleen noodzakelijk voor het hoogste rekenpunt van gebouw Z2; voor de overige rekenpunten geldt dat volstaan kan worden met de reguliere maximale ontheffingswaarde. Overige geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen een toetsingszone van een zoneplichtige spoorweg. Ook de geluidscontouren van Rotterdam - The Hague Airport zijn niet over het plangebied gelegen. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbronnen niet aan de orde is. Niet-aan wetgeving gebonden geluidsbronnen Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is ook onderzoek gedaan op de invloed van andere relevante, maar niet-wettelijke geluidsbronnen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Voor deze locatie betreft dit het geluid afkomstig van varende schepen en nestgeluid (het geluid van afgemeerde schepen aan de Parkkade, in de Maas-Rijnhaven en in de Waal-Eemhaven). Deze bronnen tellen naast de wettelijke bronnen (wegverkeers- en industrielawaai en het geluid van de horeca en terrassen) mee bij het bepalen van de uiteindelijke benodigde gevelisolatie.

Uitgangspunt is dat binnen in de woningen niet meer dan 33 dB optreedt als gevolg van al deze bronnen samen. Dit sluit aan bij de toekomstige regelgeving onder de Omgevingswet en hierdoor is er sprake van een goed woon- en leefklimaat in de woningen. De uitkomsten van het onderzoek naar nestgeluid en het geluid van varende schepen geven aanleiding tot nader onderzoek. Er zal onder andere een geluidmetingprogramma worden opgezet om te bepalen wat de exacte geluidsbelasting van deze bronnen is. De geluidsbelasting is nu berekend op basis van generieke gegevens zoals bronvermogen en ligt zeer waarschijnlijk lager dan nu berekend. Uit het onderzoek blijkt al wel dat het technisch mogelijk is om de woningen zo te isoleren dat het binnenniveau niet meer bedraagt dan 33 dB wanneer de nu berekende geluidsbelastingen van het nest- en scheepvaartgeluid aangehouden worden (en met inbegrip van de overige geluidsbronnen). In het vervolgtraject zullen metingen plaatsvinden, worden de oplossingsrichtingen nader uitgewerkt en wordt er een uiteindelijke oplossingsrichting gekozen. Om dit te borgen is in het ontwerpbestemmingsplan een voorwaardelijke bepaling opgenomen. Hierin staat dat het geluidniveau binnen in de woningen niet meer dan 33 dB mag bedragen. Deze bepaling zorgt ervoor dat de woningen hoe dan ook voldoende geïsoleerd moeten worden.

De gekozen oplossingsrichting bepaalt de uiteindelijke mate van isolatie. Conclusie Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat zowel voor het aspect ‘wegverkeerslawaai’ als voor ‘industrielawaai’ de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt hierbij niet overschreden. Omdat het treffen van geluidswerende voorzieningen vanuit stedenbouwkundig en financieel oogpunt niet doelmatig is, dient voor de realisatie van de voorziene woningen een ontheffing van de Wet geluidhinder verkregen te worden. Hierbij dient voldaan te worden aan de eisen uit het Rotterdamse ontheffingenbeleid, zoals de aanwezigheid van een geluidsluwe gevel en/of buitenruimte per woning. Doordat het industrielawaai afkomstig van de Waal-/Eemhaven van meerdere kanten komt, dringt dit diep door in het plangebied. Omdat eventuele geluidsluwe zijden weer binnen de invloedssferen van gezoneerde wegen liggen, zal nauwelijks sprake zijn van een geluidsluwe gevel. Het Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven – Toelichting

- 41 -

Rotterdamse ontheffingenbeleid kent de mogelijkheid om van deze voorwaarde af te wijken, indien wordt ingezet op een zo optimaal mogelijke leefomgeving. De beoogde ontwikkeling is gericht op het tot stand brengen van een duurzame woonwijk met diverse woningtypologieën - gericht op zowel gezinnen, jongeren en ouderen - in een groene omgeving (zie § 3.2). Hiermee wordt met deze ontwikkeling een belangrijke bijdrage geleverd aan het oplossen van de enorme vraag naar woningen in Rotterdam. Het Park, direct ten oosten van de woningbouw, kan dienen als geluidsluw verblijfsgebied met een hoge verblijfskwaliteit ter compensatie van de geluidsbelasting bij de woningen. De ligging vlak bij Het Park zorgt ook voor extra woonkwaliteit, net als de nabijheid van veel voorzieningen zoals horeca, winkels, sport, onderwijs en gezondheidszorg. De locatie is zowel met de auto als per OV goed bereikbaar. De woningen zijn dermate geïsoleerd dat er binnen in de woningen niet meer dan 33 dB optreedt. Daarnaast worden nagenoeg alle woningen voorzien van een afsluitbare loggia zodat deze toch over een geluidsluwe buitenruimte kunnen beschikken. Aan de af te geven hogere waarde worden voorwaarden voor de realisatie van de geluidsgevoelige objecten verbonden.

Zo dienen nagenoeg alle woningen te worden voorzien van een afsluitbare loggia, zodat deze toch over een geluidsluwe buitenruimte kunnen beschikken. Omdat in de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat voldaan moet worden aan het hogere waardenbesluit, vormen ook de hierin opgenomen voorwaarden een onderdeel van de bouwregels. Gesteld wordt, dat hiermee voldaan wordt aan het Rotterdamse ontheffingenbeleid en aan de Wet geluidhinder en daarmee op dit vlak tevens een goede ruimtelijke ordening. 4.4

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die hierop betrekking hebben.

Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het plangebied mogen maximaal 650 woningen en 15.700 m2 aan voorzieningen gerealiseerd worden. Aangezien de verkeersaantrekkende werking van dit bestemmingsplan lager is dan de verkeersaantrekkende werking van een woningbouwplan bestaande uit 1.500 woningen, wordt de beoogde ontwikkeling als niet in betekenende mate beschouwd.

- 42 -

Met een luchtkwaliteitsonderzoek 5 is onderzocht wat de concentraties luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van de beoogde gebouwen is. Uit dit onderzoek blijkt, dat bij alle beoogde gebouwen voldaan wordt aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Gesteld wordt, dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Rotterdamse luchtkwaliteitsbeleid. 4.5

Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden in twee categorieën van risicobronnen: transportroutes (route gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buis) en stationaire (inrichtingen, zoals LPG-stations). Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde.

Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. Uit een uitgevoerde risicobeschouwing 6 blijkt, dat in de omgeving van het plangebied diverse risicobronnen liggen. Het betreffen hier zowel transportroutes als stationaire bronnen. Stationaire bronnen Ten zuiden van het plangebied – aan de overzijde van de Nieuwe Maas – ligt een deel van het havengebied van Rotterdam. Hier bevinden zich diverse stationaire risicobronnen. Uit de risicobeschouwing blijkt dat de bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontouren en de inventarisatiegebieden groepsrisico niet over het plangebied liggen. Een nadere beschouwing en/of groepsrisicoberekening is voor deze bronnen dan ook niet noodzakelijk. Transportroutes gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied zijn enkele transportroutes aanwezig. Zo worden over de rijksweg A20 en over de spoorlijn Rotterdam CS – Rotterdam Lombardijen gevaarlijke stoffen getransporteerd. Voor deze transportroutes geldt, dat de bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontour niet tot aan het plangebied reikt.

Het invloedsgebied ligt wel over het plangebied, maar het uitvoeren van een groepsrisicoberekening is op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes niet aan de orde aangezien deze risicobronnen op meer dan 5 Peutz, Plan Parkhaven te Rotterdam; Windtunnelonderzoek naar luchtkwaliteit, december 2021, nummer H 7443-

9-RA.

6 Antea Group, Risicobeschouwing Parkhaven Externe veiligheid, januari 2022, projectnummer 0436089.100.

Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven – Toelichting

- 43 -

200 meter afstand liggen. Daarnaast kan zowel over de ’s-Gravendijkwal als over het Droogleever Fortuynplein vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Er bevinden zich in de directe omgeving echter geen risicovolle inrichtingen. Op grond van de Handleiding Risicoanalyse Transportroutes (HART) dient derhalve geconcludeerd te worden dat er geen sprake is van een 10-6 plaatsgebonden risicocontour en dat het groepsrisico nihil is. Direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich de Nieuwe Maas, waarover ook gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour ligt daarbij tot op de waterlijn. Tevens is sprake van een plasbrandaandachtsgebied, dat zich vanaf de waterlijn 25 meter landinwaarts uitstrekt. Beide contouren reiken niet tot over de beoogde bouwblokken, zodat deze contouren geen belemmering vormen. Voor deze risicobron geldt dat een groepsrisicoberekening benodigd is, aangezien de afstand tussen Nieuwe Maas en het plangebied kleiner is dan 200 meter. Vandaar dat in de eerder genoemde risicobeschouwing een groepsrisicoberekening is uitgevoerd. Hieruit blijkt, dat de hoogte van het groepsrisico na realisatie van het beoogde bouwplan gelijk is ten opzichte van de huidige situatie en dat het groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarde ligt.

Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek naar het aspect ‘externe veiligheid’ wordt geconcludeerd, dat geen van de in de omgeving liggende risicobronnen leidt tot belemmeringen op de voorgenomen ontwikkeling. Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas, rijksweg A20 en de spoorlijn Rotterdam CS - Rotterdam Lombardijen. Deze verantwoording is opgenomen in de eerder aangehaalde risicobeschouwing. Uit deze verantwoording volgt, dat het wenselijk is om een aantal maatregelen te nemen zodat het aantal (dodelijke) slachtoffers bij een eventuele ramp zo laag mogelijk is. Hierbij wordt gedacht aan het toepassen van afsluitbare deuren, ramen en ventilatieopeningen in combinatie met een met één druk op de knop uit te schakelen ventilatiesysteem. Bovendien kan worden ingezet op goede voorlichting en instructie om toekomstige bewoners voor te bereiden op een eventuele ramp. Bij de nadere uitwerking van het bouwplan wordt met deze aspecten rekening gehouden 4.6

Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerst genoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Uit de Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam blijkt, dat zowel de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) als de ondergrond in het plangebied ten hoogste licht verontreinigd is (klasse ‘Wonen’).

- 44 -

Om de daadwerkelijke bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied te bepalen, is een verkennend bodem- en asbestonderzoek 7 uitgevoerd. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden in maart 2020, waarbij ten behoeve van het verkennend onderzoek in het plangebied in totaal 81 boringen zijn verricht. De diepte varieert hierbij van 3 tot 9 meter beneden maaiveld (m-mv). Acht boringen zijn afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. De boringen zijn zoveel als mogelijk gelijkmatig over het terrein verspreid. Uit het vooronderzoek blijkt, dat ter plaatse van de Euromast een omvangrijke olieverontreiniging aanwezig is. Daarnaast hebben tussen de Parkhaven en de Parkkade in het verleden op- en overslagactiviteiten plaatsgevonden. De overige terreingedeelten lijken hoogstens licht verontreinigd te zijn. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt, dat in het plangebied sprake is van matige tot sterke verontreinigingen met zware metalen. Daarnaast is lokaal sprake van sterk verhoogde gehalten aan PAK, minerale olie en drins (som). Deze verontreinigingen zijn in de bovenste meter van het bodemprofiel aangetroffen. Met aanvullend laboratoriumonderzoek zijn deze verontreinigingen globaal inzichtelijk gemaakt. De verontreiniging met zware metalen, koper, lood en zink in de bovenste halve meter komen heterogeen verspreid in een groot van het deel van onderzoeksgebied voor.

Mogelijk dat aan de randen en in het zuiden van de locatie een paar aaneengesloten terreindelen zijn waar géén sterke verontreiniging wordt aangetroffen. In het tweede traject (0,5 tot 1,0 meter diepte) zijn in beduidend minder monsters matige of sterke verontreiniging aangetoond. Er lijkt daarmee een graduele afname in verticale richting. Oftewel hoe dieper men komt hoe minder vervuiling. In de diepere ondergrond is hooguit sprake van een licht verhoogd gehalte. In het grondwater zijn voor barium concentraties boven de streefwaarde gemeten. Daarnaast zijn licht verhoogde concentraties aan zink en/of nikkel aangetoond en in één peilbuis is sprake van een licht verhoogd gehalte aan molybdeen. Uit het onderzoek blijkt dat in het merendeel van de onderzochte mengmonsters in het geheel geen asbest is aangetroffen. In de mengmonsters van de bouwplot is géén asbest aangetoond. In één mengmonster van het onverdachte terreindeel en twee monsters van deelgebied “voormalige bedrijfsactiviteiten langs Parkhaven” is asbest aangetoond in lage concentraties. De hoogste vastgestelde concentratie bedraagt 2,8 mg/kg droge stof. Op basis van de onderzoeksresultaten moet geconcludeerd worden, dat nader onderzoek noodzakelijk is. De omvang van de aangetroffen verontreinigingen is in zowel verticale als horizontale richting nog onvoldoende in beeld gebracht.

Geadviseerd wordt om de verontreiniging in kaart te brengen op die plaatsen waar daadwerkelijk bodemverstorende activiteiten gaan plaatsvinden. Mogelijk volgt uit dit aanvullende onderzoek dat het uitvoeren van een bodemsanering via een saneringsplan of BUS-melding noodzakelijk is. Indien dat het geval is, wordt de sanering uitgevoerd door de gemeente met het oog op het bouwrijp overdragen van de gronden. In de exploitatie is rekening gehouden met de daaraan verbonden kosten, waardoor de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding is. 4.7

Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter 7 Hopman en Peters, Verkennend bodem- en asbestonderzoek NEN 5740 en NEN 5707 Parkhaven te Rotterdam,

juni 2020, rapportnummer P1900414.

Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven – Toelichting

- 45 -

plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP’s), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese ‘Verdrag van Malta’ is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

Archeologische verwachting Het plangebied wordt op de gemeentelijke Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) aangemerkt als een gebied met een redelijk tot hoge archeologische verwachting dieper dan 0 meter NAP. Indien bouw- en graafwerkzaamheden deze dieptemaat overschrijden, is sprake van een noodzaak tot archeologisch onderzoek. Bescherming van de archeologische waarden Op grond van de archeologische verwachting en om mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen, is in het bestemmingsplan “Scheepvaartkwartier” aan de gronden van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie - 2' toegekend. Dit betekent, dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0 meter NAP en die tevens een oppervlak van meer dan 200 m² beslaan. Dit is door middel van een vergunningstelsel in de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie - 2' vastgelegd en eveneens opgenomen in dit bestemmingsplan. Eventueel onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de vergunningverlening, omdat op dat moment helderheid bestaat over ontgravingsdiepte en het zogenaamde palenplan (diepte heipalen en de afstand tussen de palen). 4.8

Cultuurhistorie In het kader van het project 'modernisering monumentenzorg' (MoMo) hebben per 1 januari 2012 enkele wijzigingen in de wet- en regelgeving plaatsgevonden. Voor het bestemmingsplanproces is de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de belangrijkste, namelijk dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening dienen te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. De inzet van het cultuurhistorisch erfgoed en architectuur bij ontwikkelingen van de stad is tevens één van de kernbeslissingen uit de Rotterdamse Stadsvisie. Hiermee is cultuurhistorie, het opsporen van bestaande kwaliteiten die de geschiedenis heeft voortgebracht en het voortbouwen erop bij de actuele opgaven van de stad, een structureel onderdeel van de Rotterdamse ruimtelijke planvorming. Om dit in de praktijk tot uitvoering te brengen is sinds eind 2007 het collegebesluit van toepassing, dat bij gebiedsontwikkeling een Cultuurhistorische Verkenning wordt opgesteld als blijkt dat cultuurhistorische waarden in een gebied aanwezig zijn. In een dergelijke verkenning worden de cultuurhistorische waarden van een gebied benoemd, geanalyseerd en gewaardeerd. - 46 -

Met het oog op het masterplan is gedetailleerd cultuurhistorisch onderzoek 8 verricht. Dit onderzoek bestaat uit twee delen. Het Cultuurhistorisch onderzoek Parkhaven – Rotterdam bevat een historische en ruimtelijke analyse van de Parkhavenkade, met een cultuurhistorische waardenstelling van de vier rijksmonumenten: • Parksluizencomplex; • Het Park; • Euromast; • Maastunnelcomplex, o.a. ’s-Gravendijkwal en Drooglever Fortuynplein. In het onderzoek wordt specifiek gekeken wat de relatie is tussen ieder monument en de beoogde ontwikkeling. De hieruit voortkomende te borgen cultuurhistorische waarden zijn geformuleerd in 11 punten die het verband tussen de vier monumenten en de Parkhavenzone expliciteren en waarin de te borgen waarden zijn samengebracht (in het cultuurhistorisch onderzoek zijn deze punten vanaf pagina 82 beschreven). In aanvulling op het cultuurhistorisch onderzoek is het transformatiekader 9 opgesteld. Hierin zijn de beschreven waardes uit deel 1 omgezet in uitgangspunten voor transformatie van de Parkhavenstrook. Hiermee ontstaat een zoekgebied voor bouwinitiatieven, dat verder wordt ingekaderd en verfijnd om nieuwbouw in de omgeving in te kunnen passen. Hierbij is vooral de samenhang tussen Euromast en het groene grondvlak van de Parkhavenstrook van belang.

Bouwinitiatieven staan niet aan de kade of naast het park, maar worden onderdeel van het groene plantsoen aan de voet van de Euromast. In het document zijn nadere randvoorwaarden opgenomen voor verdere invulling op het gebied van stedenbouw, landschap en architectuur. Tot slot zijn, ter illustratie, enkele bebouwingsopties weergegeven.

Afbeelding 14: Beschermd stadsgezicht Scheepvaartkwartier (plangebied zwart omkaderd)

De 11 beschreven cultuurhistorische waarden hebben een belangrijke invloed gehad op de uiteindelijke keuzes in het masterplan. Zo is onder andere de ruimte rondom de Euromast 8 Steenhuismeurs BV, Parkhaven Rotterdam; Cultuurhistorisch onderzoek, september 2020, rapportnummer

451a|2020.

9 Steenhuismeurs BV, Parkhaven Rotterdam; Transformatiekader, september 2020, rapportnummer 451b|2020.

Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven – Toelichting

- 47 -

vergroot, is het zicht op de mast vanuit de stad verbeterd en is de totale landschappelijke setting meer gerelateerd aan de periode waarin de Euromast is gerealiseerd. Het Park maakt daarnaast samen met een groot deel van het ten oosten hiervan gelegen Scheepvaartkwartier deel uit van het beschermd stadsgezicht “Scheepvaartkwartier”. De waarde van het beschermd stadsgezicht ligt besloten in het voor Nederland vrij unieke karakter van de midden 19e eeuwse ontwikkeling ter weerszijden van de Veerhaven, in het zeer eigen karakter van het voormalige lusthovengebied en het Park, waarin zowel aanleg van het terrein als aard en samenstelling van de zeer zware en dominerende beplanting van belang zijn en in de wijze, waarop de drie samenstellende delen van de wijk door de historische ontwikkeling met elkaar samenhangen. Daarnaast is in het gebied een fraai en zeldzaam bomenbestand aanwezig. Conclusie De herontwikkeling van het plangebied leidt niet tot aanpassingen aan de in de omgeving aanwezige gemeentelijke en/of Rijksmonumenten. Ook de waarde van het beschermd stadsgezicht “Scheepvaartkwartier” wordt door de herontwikkeling niet nadelig beïnvloed. Het bestemmingsplan stelt wel voorwaarden aan de herontwikkeling van het gebied. Dit is juridisch geborgd in de vorm van een bij de planregels behorende beleidsregel.

Daarnaast worden de criteria voor de beeldkwaliteit nader uitgewerkt in een welstandsparagraaf die net als dit bestemmingsplan wordt vastgesteld en daarmee een juridische borging vormt. 4.9

Natuur De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet Natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Uit een uitgevoerde quickscan 10 blijkt, dat het plangebied op ruime afstand (ruim 7,0 kilometer) van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ligt. Door deze afstand zijn de meeste effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Emissie van stikstof kan echter ook op grotere afstand een aandachtspunt zijn. Uit een uitgevoerde AERIUS-berekeningen 11 blijkt, dat zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de omringende Natura 2000-gebieden.

10 Ecoresult, Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte; Parkhaven Rotterdam,

oktober 2021, rapportkenmerk ER20210923v01.

11 Ecoresult, Aerius berekening - stilstofdepositie: Parkhaven Rotterdam, januari 2022, rapportkenmerk

ER20220121v02.

- 48 -

Het dichtstbijzijnde gebied dat toebehoort aan het Natuurnetwerk Nederland is de Nieuwe Maas, dat direct ten zuiden van het plangebied ligt. Het betreft hier een zéér drukke vaarweg. Door de aard van de ingrepen (een gelijkaardig gebruik in de nieuwe situatie) en het feit dat in het zuidelijk deel van het plangebied geen ontwikkelingen zijn voorzien, zijn effecten op het Natuurnetwerk Nederland op voorhand uit te sluiten. Ook belangrijke weidevogelgebieden liggen op grote afstand (7 kilometer), waardoor deze gebieden niet nadelig worden beïnvloed. Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Uit de eerder aangehaalde quickscan blijkt dat in het plangebied de volgende beschermde diersoorten verwacht kunnen worden: • vleermuizen; • vogels (algemeen en jaarrond beschermd).

Hieronder wordt nader op deze diersoorten ingegaan. Vanwege het ontbreken van een geschikt leefgebied worden andere diersoorten niet verwacht, met uitzondering van vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht. Vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn diverse soorten vleermuizen waargenomen. De bebouwing in het plangebied is echter ongeschikt om als vaste rust- en verblijfplaats voor gebouw bewonende soorten te fungeren. Voor boom bewonende vleermuizen geldt, dat in het plangebied wel diverse potentiele verblijfplaatsen aanwezig zijn. In diverse bomen zijn geschikte holtes, gaten en scheuren aangetroffen die kunnen dienen als invliegopening. Het plangebied is als foerageergebied potentieel geschikt. Door het vrij geringe oppervlak in relatie tot overig foerageergebied in de omgeving, wordt op voorhand gesteld dat geen sprake is van essentieel foerageergebied. Mogelijk dat het plangebied ook deel uitmaakt van een vliegroute. Naar aanleiding van de resultaten uit een eerdere quickscan (2019) was reeds aanvullend onderzoek 12 naar vleermuizen uitgevoerd. Uit dit aanvullende onderzoek is gebleken, dat in het plangebied geen voortplantings-, vaste rust- en/of verblijfplaatsen aanwezig zijn. Verder ontbreken essentieel foerageergebied en vliegroutes.

Dit aanvullende onderzoek zal in het kader van het bouwplan worden geactualiseerd, zodat zekerheid bestaat over de meest recente situatie. Vogels In / nabij het plangebied zijn diverse algemene vogels van categorie 5 te verwachten. Nesten van dergelijke vogelsoorten zijn niet jaarrond beschermd als voldoende alternatieven aanwezig zijn. In de omgeving zijn ruimschoots alternatieven aanwezig, zodat geen sprake is van bijzondere ecologische redenen op basis waarvan sprake is van jaarronde bescherming. 12 Ecoresult, Aanvullend onderzoek vleermuizen In het kader van de Wet natuurbescherming, november 2019,

rapportkenmerk ER20191107v01.

Ontwerpbestemmingsplan Parkhaven – Toelichting

- 49 -

Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Zodoende kan de aanwezigheid van huismus en gierzwaluw in het plangebied worden uitgesloten. Andere gebouw bewonende soorten zoals kerkuil, steenuil, ooievaar of slechtvalk zijn redelijkerwijs uit te sluiten. De bebouwing is uitpandig onderzocht op sporen van met name uilen. In geen van de gebouwen zijn nestkasten aanwezig of zijn sporen van aanwezigheid zoals poepstrepen, braakballen of veren aangetroffen. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn in de bomen in en rondom het plangebied geen nesten waargenomen die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Daarnaast ligt het plangebied te midden van een drukke stedelijke omgeving. Mede op basis hiervan kan de aanwezigheid van soorten als boomvalk, buizerd, havik, roek, wespendief en zwarte wouw redelijkerwijs worden uitgesloten. Voor sperwer is het plangebied geschikt. Van deze soort zijn echter geen nesten in en rond het plangebied aangetroffen. Verder werden er geen braakballen en uitwerpselen aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van soorten als ransuil. Grote gele kwikstaart is een wintergast in Rotterdam en geen broedvogel. Daarnaast is geschikt habitat in de vorm van snelstromende beken binnen het plangebied afwezig.

Conclusie Op grond van de uitgevoerde onderzoeken, wordt geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming de realisatie van de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat. Het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming en/of het treffen van maatregelen is niet nodig, al zal het aanvullend onderzoek nogmaals worden geactualiseerd om zekerheid te hebben over de huidige situatie. Wel dienen (tijdelijke) schadelijke effecten op nesten van algemeen voorkomende vogelsoorten voorkomen te worden. Dit kan bereikt worden door rekening te houden met het broedseizoen. Tevens blijft de algemene zorgplicht gelden. Ondanks dat het treffen van maatregelen niet aan de orde is, heeft de gemeente als voorwaarde gesteld dat de beoogde nieuwbouw natuurinclusief gebouwd moet worden. Dit is ook als verplichting in de planregels van dit bestemmingsplan vastgelegd. 4.10

Duurzaamheid en energie Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie-eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. Zoals aangegeven in de beleidsparagraaf is daartoe in september 2019 het Duurzaamheidskompas vastgesteld. Deze geeft richting, zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een ‘levend’ document dat regelmatig wordt geactualiseerd met nieuwe speerpunten. De doelstellingen van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn onder te verdelen in vier ambities; de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie en een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. - 50 -

De gemeente Rotterdam beschikt naast het benoemde duurzaamheidskompas, ook over het document ‘De Rotterdamse Woningkwaliteit’ (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit 2012 en bestaat uit de zes thema’s oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Het RWK is vrijblijvend te gebruiken. Bij het informatiepunt Duurzaam Rotterdam van gemeentewerken Rotterdam kunnen medewerkers, partners en bewoners van de gemeente Rotterdam informatie aanvragen over duurzaam bouwen en duurzame voorbeeldprojecten in Rotterdam. Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan compact en tevens flexibel bouwen, en het toepassen van gerecyclede en tevens emissie loze bouwmaterialen. Daarnaast hecht de gemeente aan een ontwikkeling van het gebied op basis van de ‘Rotterdam Resilence Strategie’. Binnen deze Strategie zijn drie trends voor de gemeente extra belangrijk: Circulariteit, Klimaatadaptatie en Energietransitie. Binnen deze trends komen steeds vier centrale thema’s aan de orde: Water, Groen, Energie en Materialen. Van belang is de mate waarin en de manier waarop de woningen, de buitenruimten en de gebiedsontwikkeling als geheel worden ontworpen in het kader van deze Strategie, Trends en Thema’s. Algemeen kan worden opgemerkt dat de beoogde woningen worden gebouwd conform het huidige Bouwbesluit.

Daardoor dient voldaan te worden aan de hierin opgenomen duurzaamheidseisen. Dit betekent onder andere dat de woningen gasloos worden uitgevoerd. De nieuwbouw ligt in een deel van de gemeente waar het verplicht is om een aansluiting op het stadsverwarmingsnetwerk te realiseren. Dit leidt er toe dat minder CO2 wordt uitgestoten en een betere energie-efficiënte. De ontwikkeling van Parkhaven tot een inclusieve en hoogwaardige woonomgeving vraagt om manieren van bouwen en gebruiken die zo duurzaam mogelijk zijn. Om de maatregelen te borgen zoals opgenomen in het masterplan, waaronder het natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen, wordt in dit bestemmingsplan gebruik gemaakt van de ‘verbrede reikwijdte’ (zie ook § 5.2). Daarmee wordt een duurzame ontwikkeling publiekrechtelijk geborgd via beleidsregels die behoren tot de bijlagen van de regels. 4.11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=1158e03c-9b5e-42f8-b871-7a9f04905165