CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb005978] Bijlage behorende bij 22bb5977 - rapport “HET IS EEN PROBLEEM, MAAR NIET VOOR MIJ” Een onderzoek naar de achtergronden van wapens en wapengeweld onder jongeren in Rotterdam

Commissie Bestuur, Organisatie, Financiën en Veiligheid (2022 - 2026) 6 oktober 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Veiligheid42.064 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Een aantal respondenten legde uit dat de hoge prijs van vuurwapens maakt dat deze – ondanks hun beschikbaarheid – door jongeren niet vaak worden aangeschaft. De zwarte markt voor wapens blijft volgens de geïnterviewde leerlingen zeker niet beperkt tot hun (offline) netwerk. Ook online bestaan volgens de respondenten voor jongeren legio mogelijkheden om aan vuur- of steekwapens te komen. Met name Telegram en Snapchat worden door jongeren genoemd als platformen waarop wapens laagdrempelig te verkrijgen zijn, zoals de volgende uitspraken illustreren:

93

‘Ja je hoeft alleen Telegram te downloaden en dan typ je gewoon in “wapens” en dan heb je het gevonden.’

En: ‘Tegenwoordig is het ook niet meer moeilijk om aan een pistool te komen, want je hebt Snapchat en dat soort platformen… je hoeft maar door iemand toegevoegd te worden via via en je hebt al een vuurwapen’.

Uit bovenstaand voorbeelden wordt duidelijk dat jongeren niet eens op zoek hoeven te zijn naar wapens om deze te krijgen aangeboden. Een andere respondent vertelde in een vergelijkbaar relaas hoe pagina’s waarop wapens worden aangeboden soms bij jongeren op hun social media-feed verschijnen, zonder dat zij hier expliciet naar op zoek zijn: ‘Ik heb gewoon bijvoorbeeld heel vaak op Snapchat-accounts gezien, weet je wel die dat soort dingen verkopen. Op Telegram bijvoorbeeld ook, waar ze messen verkopen’

Volgens de betreffende respondent maakt de anonimiteit op Telegram dit platform voor jongeren die op zoek zijn naar wapens extra interessant. ‘Het dragen van een mes is niet normaal’ Hoewel uit de voorgaande paragrafen weliswaar naar voren komt dat messen in de beleving van jongeren gebruikelijk zijn binnen Rotterdam, werd in de gesprekken overduidelijk dat de geïnterviewde leerlingen het bezit van steekwapens verre van normaal vinden: RI: ‘Ik vind dat niet normaal, want als je een wapen bezit dan zorgt dat er alleen maar voor dat je hem gaat gebruiken. En als je wil vechten kan dat ook gewoon met een vuist, daar heb je geen wapen voor nodig.’ RII: ‘Ja. Want waarvoor heb je een wapen nodig? Ja oké ik snap wel dat je ruzie hebt, maar je hoeft toch niet per se iemand gelijk te vermoorden?’

Net als in de bovenstaande passage gaven ook andere respondenten aan het bezit en gebruik van wapens buitenproportioneel te vinden en conflicten onnodig uit de hand te laten lopen. Zij stelden dat confrontaties bij voorkeur mondeling, maar desnoods met de vuisten zouden moeten worden beslecht. Met name het argument dat je geen echte man bent als je een wapen nodig hebt om je te verdedigen, werd in de gesprekken veelvuldig naar voren gebracht. De geïnterviewde jongeren zien het bezit en gebruik van (steek)wapens als iets lafs, schaamtevols en als ‘dom gedrag’. Het merendeel van de gesproken leerlingen liet zich expliciet lacherig en denigrerend uit over jongeren die wapens bij zich dragen, een thema waar in de bespreking van motieven voor wapenbezit nader op zal worden teruggekomen. Toch kwamen tijdens de gesprekken een aantal specifieke vormen van wapenbezit naar voren die de goedkeuring van sommige respondenten konden wegdragen. In de eerste plaats gaf een aantal respondenten aan het verzamelen van wapens geen probleem te vinden, zolang de verzamelaar zijn of haar wapens maar niet mee zou nemen buiten de deur. Ook wapenbezit 94

dat aantoonbaar bedoeld is voor zelfverdediging – en waarbij de “drager” hiervoor in hun ogen een goede reden heeft – werd niet per se afgekeurd, zoals het volgende voorbeeld illustreert: ‘Maar ehh.. Kijk als je het met een reden doet, want hij [wijst naar respondent die eerder mishandeld is] hij heeft een reden waarom hij met iets loopt, hij heeft iets meegemaakt snap je, dat is anders. Maar ik ga nu niet opeens met een mes lopen, ik denk van “eh ja iedereen loopt met mes dan ga ik ook met mes lopen”…Dat slaat nergens op.’

Vergelijkbaar was de toelichting van een van de vrouwelijke respondenten die stelde dat zij het normaal vond dat ze een scherpe sleutel in haar hand houdt als ze zich buiten onveilig voelt. Het bezit van ‘grote wapens’ zoals een mes of een pistool keurt ze echter af. ‘Het is een probleem, maar niet voor mij’ Tijdens de gesprekken hebben we de geïnterviewde leerlingen ook expliciet gevraagd of zij vinden dat wapenbezit onder Rotterdamse jongeren een probleem is. In eerste instantie leken vrijwel alle jongeren deze vraag bevestigend te beantwoorden: in hun beleving heeft Rotterdam een messenprobleem. ‘Ja, het is sowieso wel een probleem. Het is gewoon onveilig als je daar [in Rotterdam] loopt, bijvoorbeeld met je kinderen of met je gezin, dan zou ik het niet fijn vinden als dan bijvoorbeeld een groep mensen met een mes of wat dan ook steeds dichterbij komen. Het wordt gewoon echt, ja, onveilig. Het is wel jammer, want het is een hele mooie stad.’

Net als bleek in de vorige paragraaf, hoeven de jongeren die doelbewust wapens bij zich dragen en in ruzies verzeild raken, niet op de sympathie van de respondenten te rekenen: ‘Het is een probleem want het zorgt voor onnodig geweld en daar gaan mensen aan dood. Dat vind ik niet eens het ergste, maar ik vind het ergste voor onschuldigen en mensen die er dan trauma aan overhouden en bijvoorbeeld familieleden en zo. Die boys die doen het zelf. Als je een mes bij je hebt, ben je voor mij ook al schuldig. Ook al heb je niet gestoken. Ook al word je dan gedood: dan ben je voor mij schuldig. Ik vind het zielig, maar ik vind het niet erg. Het is je eigen schuld, je zoekt het zelf.’

Uit bovenstaand citaat wordt duidelijk dat de respondenten wel medelijden kunnen opbrengen voor de families van daders en slachtoffers, maar slechts in beperkte mate voor degenen die zelf bij geweldsdelicten betrokken raken. Opvallend genoeg stelden vrijwel alle jongeren dat Rotterdam in hun beleving een messenprobleem heeft, maar leek geen van hen zich ook echt zorgen te maken over zijn of haar eigen veiligheid: RI: ‘Nee, het is voor mijzelf eigenlijk niet zo’n probleem.’ RII: ‘Als ik niks verkeerds doe.’ RI: ‘Ja precies, als ik niks heb gedaan hoef je eigenlijk ook niet per se..’ RII: ‘Dan hoef ik niet bang te zijn. Ik weet dat niemand nu op straat… als ik hier de school uitloop dat ze dan niet zomaar op mij af komen rennen met een mes.’

95

Met andere woorden: zij vinden wel dat er in Rotterdam sprake is van een probleem, maar niet zozeer voor zichzelf. Uit de gesprekken kwam bovendien naar voren dat school door vrijwel alle respondenten als veilige plek wordt ervaren. Hoewel de leerlingen zeggen te weten dat er jongeren bij hen op school wapens bij zich dragen – en bovendien precies te weten wíe dit zijn – zeggen zij zich hierdoor niet onveilig te voelen. De leerlingen voelden zich zonder uitzondering bijzonder veilig op school. Respondenten lijken niet zozeer bezorgd om hun eigen veiligheid, maar eerder over de algehele onveiligheid in de stad, die met name invloed zou kunnen hebben op onveiligheidsgevoelens van volwassenen en ouderen.

5.3 De manier waarop Rotterdamse jongeren omgaan met wapens en geweld Uit de vorige paragraaf werd duidelijk dat de door ons geïnterviewde jongeren messen zien als het probleem in het Rotterdamse, maar dat zij tevens het gevoel hebben dat wapens en geweld in hun leven niet altijd direct een probleem (hoeven te) zijn. In deze paragraaf geven we een beschrijving van hoe respondenten zeggen om te gaan met de aanwezigheid van wapens en geweld in Rotterdam. Op basis van de gesprekken blijken jongeren verschillende manieren te hebben om deze fenomenen in hun dagelijks leven het hoofd te kunnen bieden, waarmee het overigens niet gezegd is dat zij ook daadwerkelijk (succesvol) afstand kunnen houden van wapens en geweld. Het herkennen van jongens die (mogelijk) wapens dragen In de gesprekken kwam veelvuldig naar voren hoe respondenten de jongeren die betrokken zijn bij rivaliserend groepsgedrag – en waarvan zij verwachten dat deze wapens bij zich dragen – zeggen te kunnen herkennen in het straatbeeld. Volgens de geïnterviewde leerlingen begeven deze jongens zich nadrukkelijk in groepen, maar zijn ze vooral te onderscheiden aan de manier waarop ze zich in de publieke buitenruimte profileren: RI: ‘En je ziet het ook. Ja kijk, weet je, het is wel stereotypering, maar je ziet meestal wel wat voor mensen een mes...

Gewoon je ziet het aan hen dat ze een mes bij zich dragen.’ RII: ‘Kijk je kan zeggen "is racisme, is stereotypering, dit dat", maar iedereen heeft dat: je ziet het gewoon…’ RIII: ‘Ja het gaat gewoon automatisch.’ RII: ‘Het zit gewoon zo in je hoofd.’ RI: ‘Je kan het gewoon zien aan hoe iemand eruit ziet.’

Een aantal geïnterviewde jongeren gaf aan eigenlijk niet zo goed onder woorden te kunnen brengen waaraan ze dergelijke jongens herkennen, maar dat het hen eigenlijk altijd lukt om ze te onderscheiden. Veel andere respondenten wisten de wijze waarop ze bewapende jongeren denken te kunnen identificeren echter wel degelijk concreet te maken. In de eerste plaats zijn deze jongeren 96

volgens de respondenten te herkennen aan de manier waarop zij zich uitdossen. De geïnterviewde leerlingen beschrijven hoe jongeren die messen dragen volgens hen vaak donkere trainingspakken of andere vrijetijdskleding dragen, schoudertasjes (meestal van het merk Gucci) om hebben hangen, in veel gevallen capuchons, bivakmutsen of andere gezichtsbedekking op hebben en in sommige gevallen handschoenen aan hebben. Daarnaast zijn de jongens volgens respondenten te herkennen aan de manier waarop zij bewegen. Jongeren die messen bij zich dragen zouden vaak gebogen lopen, een beetje naar beneden kijken, maar soms door het mes dat ze bij zich hebben ook scheef, ongemakkelijk en langzaam lopen. Volgens een van de respondenten valt niet alleen aan de manier waarop jongeren lopen, maar ook waarop zij zitten te zien of zij bewapend zijn. ‘Wij kijken meestal naar hier zo [wijst naar heup en borst] of er iets uitsteekt. En loopstijl. Als zijn been gestrekt is, dan weet je: hij heeft daar iets. Meestal heeft ‘ie dan iets langs bij zich. Meestal als hij iets kleins bij zich heeft, merk je het aan hoe hij zit. Als het klein is gaat ‘ie fucked up zitten, omdat het gaat prikken in zijn zij. Je merkt het dan. Als je het zelf hebt meegemaakt omdat je hiermee in aanraking bent gekomen, merk je het gelijk.’

Bovendien stelden de respondenten dat deze jongeren vaak een hand in hun zak hebben om aan anderen de boodschap af te geven dat zij een wapen bij zich hebben. Tot slot gaven de door ons gesproken leerlingen aan dat zij jongeren die wapens bij zich hebben denken te kunnen herkennen aan de manier waarop zij uit hun ogen kijken: ‘Je kan het ook merken aan dat hij naar je gaat kijken. Hij gaat zich groot voelen, zeg maar. Omdat hij weet: ik heb dit bij me, hij gaat geen kans hebben’.

In de beleving van een van de respondenten kijken jongens die wapens bij zich dragen niet alleen boos en stoer, maar juist ook angstig. Volgens deze respondent kun je aan de gezichtsuitdrukking van deze jongens zien dat zij tegelijk heel bang zijn om (met een wapen) gepakt te worden. Het voorgaande kan beschouwd worden als belangrijke kennis en ervaring om geweld en slachtofferschap te vermijden, in het bijzonder omdat het jongeren waakzaam maakt als zij zich in de publieke buitenruimte van Rotterdam begeven. De jongeren gebruikten hiervoor termen als ‘alert’-, ‘oplettend’- en ‘op hun hoede’ zijn. Hoewel vrijwel alle leerlingen aangeven zich in Rotterdam niet vaak bang of onveilig te voelen, stellen zij wel goed op hun omgeving te letten: “ik voel me wel veilig, maar alsnog blijf ik alert”. Een aantal jongeren vertelde dat zij vooral alert zijn als zij in een wijk lopen die zij niet zo goed kennen. Uit de verhalen van andere respondenten wordt echter duidelijk dat jongeren ook in hun eigen lokale context waakzaam blijven. Zo vertelde een leerling dat hij in zijn eigen wijk altijd “een beetje actief” is, om zich heen blijft kijken en bij mensen in de buurt blijft zodat hij niet alleen loopt. Een andere respondent gaf een vergelijkbaar voorbeeld: ‘Nou bijvoorbeeld, gewoon zelfs in m’n eigen buurt.

Eerst had ik dat niet, maar bijvoorbeeld als ik alleen loop weet je wel, kijk ik automatisch gewoon tien keer achterom. Ik check gewoon achter

97

auto’s. Dat gaat zo automatisch, echt serieus. Je denkt er gewoon niet over na. Maar als ik bijvoorbeeld op m’n hoede moet lopen [als hij het gevoel heeft dat er gevaar dreigt], dan pak ik hem zeg maar lang [maakt hij een lange bocht], zodat ik dan meer kan zien wat erachter zit. Dat is gewoon heel automatisch zeg maar.‘

Hoewel jongeren – zeker in de setting van de focusgroepen – niet direct benoemden zich onveilig of angstig te voelen in de buitenruimte, wierpen hun beschrijvingen – zoals de bovenstaande – de vraag op waar waakzaamheid en alertheid eindigen en onveiligheidsgevoel begint. De manier waarop sommige jongeren in de buitenruimte bezig zijn met het analyseren van hun omgeving lijkt immers, ondanks dat zij dit niet als zodanig benoemen, zicht te geven op dat jongeren zich niet altijd veilig voelen in Rotterdam. Mensen kennen en weten wat er speelt Een andere manier om geweld en wapens in Rotterdam te kunnen navigeren is aan de hand van het ‘kennen van mensen’. Jongeren blijken het belangrijk te vinden om te weten met wie zij op straat te maken hebben, omdat ze hiermee een inschatting kunnen maken van of deze persoon een gevaar kan vormen voor hun veiligheid. Jongeren geven aan vooral in hun eigen wijk precies te weten “wie wie is”. Het online domein blijkt een belangrijke rol te vervullen in het ‘kennen’ van mensen. Social media stellen jongeren in staat veel meer mensen te ‘kennen’ dan alleen de mensen die ze in de fysieke buitenruimte tegenkomen: ‘Je herkent gezichten. Ik ken sommige boys gewoon van social media. Ik weet gewoon wie ze zijn. Je kunt gewoon onderzoeken via Facebook, je kunt zien wie iemand en zijn familie is. Daardoor weet ik in mijn eigen wijk sowieso wie wie is.’

Respondenten gaven aan zich minder zorgen te maken over wapens en geweld als zij zich in een omgeving begeven waar zij ook door anderen gekend worden. Met andere woorden: een groot sociaal netwerk kan jongeren in hun beleving behoeden voor slachtofferschap. ‘Dat is mijn eigen buurt. Dus ik weet gewoon, in de 9 jaar dat ik daar nu al woon ken ik iedereen wel en iedereen daar kent mij ook. Dus ik weet dat ze niets gaan doen. Omdat ik ze ken, ik ken ze heel goed.’

Ook in dit proces spelen social media een belangrijk rol, omdat jongeren aan de hand hiervan hun (veilige) sociale netwerk kunnen uitbreiden. Platforms als Snapchat en Instagram stellen jongeren in staat zichzelf online bekend te maken bij anderen, maar ook om contacten aan te gaan met andere Rotterdamse jongeren. Volgens de respondenten navigeren Rotterdamse jongeren wapens en geweld ook door op de hoogte te zijn van wat er in de stad – en meer specifiek in bepaalde wijken – speelt. Tijdens de gesprekken vertelden de leerlingen over hoe zij op de hoogte proberen te blijven van geweldsincidenten die hebben plaatsgevonden, maar ook van specifieke ruzies die gaande zijn tussen rivaliserende groepen. Ook hierin blijken op basis van de groepsgesprekken social media een belangrijke rol te vervullen. Zo geven jongens en meiden aan specifieke social 98

mediapagina’s te volgen om te weten wat er in de verschillende delen van de stad gebeurt met betrekking tot wapens en geweld, zoals het volgende voorbeeld illustreert: ‘Als ik dan dingen op social media lees dan denk ik; daar ga ik dan liever niet meer heen. Als ik erheen moet, dan moet ik erheen, maar ik zou er dan niet sneller heen gaan als ik dat heb gezien’.

Ook beschreven respondenten namen van specifieke delen van de stad op social media op te zoeken om te bekijken wat er in hun buurt aan de hand is. Met betrekking tot het monitoren van rivaliserende groepen – “je moet gewoon weten wie ruzie heeft en wie niet” – vertelden de respondenten dat videoclips op YouTube en platforms als Snapchat hen helpen bij het op de hoogte blijven van actuele conflicten. Volgens de geïnterviewde jongeren kan informatie over deze vetes ‘overal online’ worden gevonden. Het vermijden van specifieke personen en plaatsen De meest duidelijke manier waarop jongeren proberen wapens en geweld te navigeren is door bepaalde personen en plaatsen uit de weg te gaan. Respondenten gaven aan specifieke delen van de stad op bepaalde tijdstippen te vermijden. Veel jongeren schetsen “wanneer het donker is” liever niet in bepaalde wijken te komen: ‘Ja daar durf ik zelf ook gewoon na een bepaalde tijd niet meer over straat. En als ik dan bijvoorbeeld bepaalde mensen zie dan weet ik gewoon: daar moet je voor oppassen.’

Meerdere respondenten – meiden en jongens – benoemden dat zij Rotterdam in de avond in zijn geheel als onveilig beschouwen en op deze momenten de publieke buitenruimte zoveel mogelijk te vermijden. Een van de geïnterviewde jongeren schetste bovendien dat het nadenken over welke kleding of sieraden je draagt kan helpen bij het vermijden van geweld: ‘Je moet gewoon geen dure kleding dragen als je buiten alleen loopt. Of in de nacht. Of ja, horloge moet je gewoon allemaal afdoen. Dan word je niet overvallen.’

Tijdens de gesprekken gaven de respondenten echter ook zicht op hoe zij jongeren waarvan zij denken dat zij wapens bij zich dragen proberen te ontlopen. Dit geldt in de eerste plaats voor jongeren die verzeild zijn in rivaliserend groepsgedrag, een thema dat in volgende hoofdstuk nader zal worden uitgediept: ‘Als je je niet bemoeit met die dingen, dan heb je geen problemen. Dus als je erin meegaat, dan zorg je er zelf voor. Dan kan je je onveilig voelen. Als je niet met die gangs en die groepen mee gaat doen, hoef je je niet onveilig te voelen. Zolang je je er gewoon van distantieert, dan heeft het ook geen effect of iets dergelijks. Als je je gewoon net als wij met school bezighoudt, is er niets aan de hand.’

De geïnterviewde jongeren gaven zicht op hoe zij jongens die wapens dragen niet alleen vermijden om geen slachtoffer te worden van geweld, maar ook omdat zij niet in andere problemen willen raken. Zo stelden zij niet betrokken te willen worden bij rivaliteit tussen 99

groepen, maar ook geen risico wilden lopen om aangehouden te worden of zelfs een strafblad te krijgen. Meerdere respondenten schenen tijdens de focusgroepen licht op hoe zij om deze reden ook bewust afstand bewaarden van hun eigen vrienden wanneer zij wisten dat deze wapens bij zich droegen: ‘Ik heb ook weleens vrienden gehad die met messen op straat liepen en dan ging ik meestal gewoon ergens anders heen. Als ik gepakt word met hun erbij dan ben ik toch betrokken…’

Uit de gesprekken kwam ook duidelijk naar voren dat het volledig ontlopen van mensen waarvan respondenten vermoeden dat zij wapens bij zich dragen in de praktijk niet altijd lukt. In sommige gevallen passeerden zij in de buitenruimte iemand waarvan zij op basis van zijn houding, gedrag en uiterlijke verschijningsvormen – of doordat zij ze betreffende persoon kennen – aannemen dat diegene bewapend is. Respondenten bleken eensgezind over dat het geen goed plan is de jongens in kwestie lange tijd aan te kijken (“dan worden ze al boos”) of “tegen die jongens te gaan doen alsof je stoer bent” omdat zij zich dan uitgedaagd zouden voelen. Verder (b)leken respondenten er echter verschillende aanpakken op na te houden wanneer zij dergelijke jongens in de buitenruimte treffen: ‘Ik ben echt van; ik kijk liever niet, want ik hoor altijd dat mensen schreeuwen “Waarom kijk je me te lang aan?” of zo. Dus ik heb liever iets van; ik zoek geen ruzie of ik probeer niks te doen waarbij men gaat denken dat ik ruzie zoek.’

Een aantal respondenten stelde de jongeren kort aan te kijken en dan weer snel weg te kijken, terwijl weer andere respondenten de jongeren in kwestie juist zeggen te groeten. In deze beschrijvingen herkennen we elementen uit het klassieke werk van ‘the code of the street’ van Anderson (1999: 33-34) om geweld en slachtofferschap in de publieke ruimte van de stad te vermijden. Een van de respondenten lichtte echter toe hoe het ontwijken van oogcontact ook een averechts effect kan sorteren: ‘Ik weet niet, ligt eraan. Of ze gaan jou misschien laten, of ze gaan naar jou toe komen omdat je het oogcontact hebt vermeden. Misschien gaan ze denken dat je een sukkel bent. Stel je voor ze kijken naar je en je kijkt niet terug.’

Volgens de respondenten werkt het vermijden van specifieke personen in het online domein eigenlijk hetzelfde. Door zich online niet te bemoeien met jongeren die zijn betrokken bij rivaliserend groepsgedrag, zeggen zij wapens en geweld ook in deze context betrekkelijk gemakkelijk te kunnen navigeren.

5.4

Conclusies

Op basis van de hierboven besproken inzichten kunnen een aantal conclusies worden getrokken over de manier waarop Rotterdamse jongeren kijken naar wapens en geweld. In de 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=8f9f78f0-5703-45c6-b05a-d2bad77d82cd