[22bb005978] Bijlage behorende bij 22bb5977 - rapport “HET IS EEN PROBLEEM, MAAR NIET VOOR MIJ” Een onderzoek naar de achtergronden van wapens en wapengeweld onder jongeren in Rotterdam
Tekst van het document
Met name in de eerste ronde hebben ze dat regelmatig gezien bij vrienden, maar nog relatief weinig over gehoord en ook niet opvallend vaak gezien op social media. De jongeren die wapens hebben gedragen of gebruikt lijken ook vaak vrienden te hebben die betrokken zijn bij wapens, een kwart tot een 69
ruim een derde heeft dat gezien bij vrienden of er van hen over gehoord. Bij de online observatie van wapens is er weer een duidelijk verschil tussen degenen die wapens hebben gebruikt en degenen die wapens hebben gedragen: de eerste groep heeft dat aanmerkelijk vaker op social media gezien bij hun vrienden, bij ruim een derde van deze groep is dat het geval. Tabel 4.16: Offline/online observatie en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen Gebruik wapens wapens wapens wapens Wapens gezien bij vrienden 1e ronde (n=919) 8.0 % 28.6 % 39.5 % 39.3 % e 2 ronde (n=694) 6.2 % 0.0 % 33.3 % 44.0 % Over wapens gehoord bij vrienden 1e ronde (n=919) 8,0 % 14.3 % 26.3 % 21.4 % e 2 ronde (n=694) 4.4 % 7.1 % 31.0 % 28.0 % Wapens online gezien bij vrienden 1e ronde (n=919) 7.1 % 10.7 % 18.4 % 35.7 % e 2 ronde (n=694) 3.9 % 14.3 % 14.3 % 36.0 % In tabel 4.17 is weergeven in hoeverre jongeren uit de verschillende categorieën deel uitmaken van een relatief groot netwerk van leeftijdgenoten of van een informele of zelfs ‘problematische jeugdgroep’. Uit deze tabel komt naar voren dat er weinig grote verschillen zijn wat betreft de omvang van de vriendengroep op school. De jongeren die alleen wapens bezitten hebben iets minder vaak veel vrienden op school, jongeren die wapens hebben gedragen iets meer, maar overall zijn de verschillen statistisch niet significant.
Er zijn wel verschillen wat betreft de vriendengroep op straat en op social media. Jongeren die wapens hebben gedragen of gebruikt hebben duidelijk vaker een grote vriendengroep in de buurt en op internet. Dat geldt in nog sterkere mate voor de jongeren die wapens hebben gebruikt, bijna de helft van hen heeft meer dan tien vrienden op straat en meer dan de helft meer dan tien online vrienden. Tabel 4.17: Groepsomgeving en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen wapens wapens wapens Meer dan 10 vrienden op school 1e ronde (n=914) 23.4 % 14.2 % 30.4 % Meer dan 10 vrienden op straat 1e ronde (n=912) 18.4 % 17.8 % 30.3 % Meer dan 10 vrienden social media 1e ronde (n=913) 22.7 % 25.0 % 38.1 % Deel van informele jeugdgroep 1e ronde (n=910) 29.5 % 39.3 % 46.1 % Deel van problematische jeugdgroep 1e ronde (n=919) 4.3 % 7.1 % 13.2 %
Gebruik wapens 22.2 % 44.4 % 55.5 % 51.9 % 21.4 %
70
Verder komt uit de tabel naar voren dat jongeren die betrokken zijn bij wapens vaker deel uitmaken van een groep jongeren ‘die elkaar kent en veel met elkaar omgaat zonder dat het iets georganiseerds is'. Dat geldt ook voor het horen bij een ‘problematische jeugdgroep’, waarbij jongeren aangeven dat het een informele jeugdgroep is die veel rondhangt in het openbaar, waarbij het overtreden van de wet normaal wordt gevonden en waarbij jongeren dat ook samen doen. Slechts enkele procenten van de groep zonder wapens maakt deel uit van zulke groepen, maar jongeren die wapens bezitten wat meer, jongeren die wapens dragen en gebruiken nog meer (van de laatste groep zelfs meer dan 20%). Dat suggereert dat betrokkenheid bij wapens mogelijk ook samenhangt met groepsproblematiek in buurten. Al met al zien we hier dat ook de leeftijdsgenoten kunnen bijdragen aan de verklaring van verschillen tussen jongeren met betrekking tot wapens. Zien en horen van wapens met vrienden hangt samen met wapens, en online zien van wapens zelfs met het gebruik ervan. Jongeren die wapens dragen of gebruiken lijken ook meer gericht op een grotere vriendengroep op straat en social media dan andere jongeren, en ook het horen bij jeugdgroepen lijkt van belang.
Thuissituatie, band met ouders, band met school Aan de nu besprokene verklarende factoren liggen verder mogelijk onderliggende problemen ten grondslag in het gezin, op school, in de buurt en in de leefomstandigheden van jongeren, zoals we uiteen hebben gezet in hoofdstuk 2. Hier hebben we naar gevraagd in de tweede onderzoeksronde. Deze mogelijk meer indirecte oorzaken komen aan de orde in deze en de volgende subparagraaf. In tabel 4.18 is weergegeven wat de woonsituatie is bij de jongeren in de vier categorieën die we hebben onderscheiden. Tabel 4.18: Woonsituatie van de jongeren in de vier categorieën (percentages) Geen Bezit Dragen Gebruik wapens wapens wapens wapens Gezin twee ouders / verzorgers Gezin met één ouder / verzorger Afwisselend ouders / verzorgers Woont alleen Woont met vrienden Woont in internaat of instelling Anders
64.9 % 16.8 % 5.9 % 1.5 % 0.7 % 0.0 % 10.3 % n=612
92.9 % 0.0 % 0.0 % 0.0 % 0.0 % 0.0 % 7.1 % n=14
64.3 % 19.0 % 2.4 % 0.0 % 0.0 % 0.0 % 14.3 % n=42
48.0 % 20.0 % 16.0 % 4.0 % 0.0 % 4.0 % 8.0 % n=25
Uit deze tabel komen enkele opvallende verschillen naar voren tussen de categorieën. Jongeren die alleen een wapen bezitten wonen relatief vaker in een gezin met twee ouders dan de andere categorieën. Hier past overigens wel de kanttekening dat het om relatief kleine aantallen gaat in de tweede ronde van het onderzoek. Jongeren die een wapen hebben gedragen, blijken in gezinssituatie maar weinig te verschillen met jongeren die geen wapen 71
droegen of bezaten. Dat is anders voor de jongeren die een wapen hebben gebruikt in de periode voor de tweede onderzoeksronde: deze jongeren wonen minder vaak in een gezin met twee ouders en verzorgers, maar wat vaker afwisselend bij de ene of de andere ouder/verzorger, en wat vaker alleen of in een instelling. In tabel 4.19 is voor verschillende schalen over de thuissituatie en de opvoeding weergegeven wat de gemiddelde scores zijn voor de vier verschillende categorieën. Tabel 4.19: Band ouders/opvoeding en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen Gebruik wapens wapens wapens wapens Conflicten thuis (range 4-20) 2e ronde (n=682) 8.2 9.6 9.1 11.4 Band met ouders (range 9-45) 2e ronde (n=675) 39.5 35.2 37.6 32.3 Toezicht/betrokken (range 6-30) 2e ronde (n=682) 25.0 23.8 23.4 21.5 Uit deze tabel komen grotere en kleine verschillen naar voren. Jongeren die wapens gebruiken ervaren de thuissituatie als het minst positief, zo lijkt het: zij hebben gemiddeld meer conflicten thuis, een zwakkere band met ouders, en ervaren minder toezicht en betrokkenheid dan anderen3. Jongeren die wapens alleen bezitten hebben een iets slechtere band met ouders en meer conflicten dan jongeren zonder wapens (én dan jongeren die alleen wapens dragen). Jongeren zonder wapens ervaren meer toezicht en betrokkenheid van ouders dan de andere categorieën.
In tabel 4.20 zijn de gemiddelde scores vermeld voor een aantal schalen die te maken hebben met school. Tabel 4.20: Schoolfactoren en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen wapens wapens wapens Band met school (range 5-25) 2e ronde (n=686) 17.6 16.2 15.7 Inzet op school (range 5-25) 2e ronde (n=680) 18.0 15.3 15.6 Band met klasgenoten (range 5-20) 2e ronde (n=681) 16.2 16.5 16.0 Band met docenten (range 5-20) 2e ronde (n=681) 15.3 14.5 14.3
Gebruik wapens 14.5 15.4 13.7 11.9
3
De laatste schaal had een lage alpha-waarde voor interne consistentie en daarom zijn ook de afzonderlijke items bekeken. Daaruit bleek dat de verschillen tussen de gebruikers van een wapen en de rest vooral zichtbaar zijn bij de items die gaan over ouders die vaak afwezig zijn en over het ontbreken van regels.
72
Uit deze tabel komt naar voren dat zowel jongeren die wapens dragen als jongeren die wapens hebben gebruikt een gemiddeld zwakkere band hadden met school. Alle drie de categorieën hebben ook minder inzet op school dan de categorie jongeren zonder wapens. Verder valt op dat alleen de groep jongeren die wapens hebben gebruikt een gemiddeld zwakkere band heeft met zowel klasgenoten als docenten. Verder zijn er geen grote verschillen waarneembaar. Al met al komt dus naar voren dat ook de binding met ouders en school gerelateerd is aan wapens onder jongeren, al zijn de verschillen niet altijd heel groot. Jongeren met wapens lijken iets zwakkere bindingen te hebben met ouders en school, maar daarboven hebben jongeren die wapens hebben gebruikt ook vaker een afwijkende thuissituatie, afwezige ouders en conflicten thuis, en een slechtere band met anderen op school. Buurtomgeving en leefsituatie In tabel 4.21 is weergegeven hoe de respondenten uit de verschillende categorieën aankijken tegen hun woonbuurt. We hadden in de vragenlijst aangegeven dat deelnemende jongeren moesten denken aan hun huis (of meerdere huizen/woonplekken) en de straten daaromheen waarheen ze binnen 5 minuten kunnen lopen.
Tabel 4.21: Ervaring van de buurt en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen Gebruik wapens wapens wapens wapens Ervaren buurtcohesie (range 5-25) 2e ronde (n=679) 18.1 18.5 17.7 17.7 Verbonden met buurt (range 5-25) 2e ronde (n=686) 17.9 19.1 18.2 18.4 Verdedigen van buurt (range 5-25) 2e ronde (n=676) 10.7 11.5 11.7 15.3 Uit de tabel komen geen opvallende verschillen naar voren met betrekking tot de ervaren buurtcohesie en de band met de buurt. De jongeren uit de vier categorieën voelen zich gemiddeld ongeveer evenveel verbonden met de buurt, degenen met wapenbezit iets meer dan de anderen). Jongeren die wapens dragen of gebruiken ervaren gemiddeld slechts iets minder buurtcohesie dan anderen. Er is wel een opvallend verschil met betrekking tot het verdedigen van de buurt: jongeren die wapens hebben gebruikt, zijn hiertoe gemiddeld duidelijk vaker bereid dan de andere categorieën4. Tot slot geven we in tabel 4.22 weer in hoeverre de deelnemers aan het onderzoek armoede en achterstelling ervaren bij hen thuis of in hun woonbuurt.
4
Dit was een schaal met een lage alpha-waarde voor interne samenhang. Nadere analyse laat zien dat jongeren die een wapen hebben gebruikt vooral hoger scoren op de items over het belachelijk maken van anderen, boos worden en daadwerkelijk vechten voor de buurt, en niet op de items over identificatie met de buurt.
73
Uit deze tabel komt naar voren dat jongeren die wapens hebben gedragen en (nog iets meer) wapens hebben gebruikt, thuis gemiddeld meer armoede ervaren dan de andere jongeren. Dat geldt ook, maar iets minder duidelijk, voor de ervaring van achterstanden in de buurt. Ook hier is de hoogste score te vinden bij de jongeren die wapens hebben gebruikt. Jongeren die wapens alleen bezitten wijken wat dit betreft niet af van jongeren zonder wapens. Tabel 4.22: Ervaren achterstanden en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen Gebruik wapens wapens wapens wapens Armoede thuis (range 4-20) 2e ronde (n=683) 8.2 8.0 9.5 10.0 Achterstanden in buurt (range 4-20) 2e ronde (n=679) 9.0 9.7 10.5 10.7 Over het geheel genomen zijn er dus weinig grote verschillen in hoe jongeren met en zonder wapens de buurt ervaren, maar zien we wel dat jongeren die wapens hebben gebruikt meer buurtachterstand zien en tegelijkertijd hun buurt willen verdedigen tegenover anderen. Het meest opvallend hier zijn de verschillen met betrekking tot de thuissituatie: hier ervaren jongeren die een wapen hebben gedragen en gebruikt meer armoede en moeite om rond te komen dan beide andere categorieën. Dit is dus mogelijk een belangrijke achterliggende factor.
4.4 Individuele veranderingen in de onderzoeksperiode Tot slot is nagegaan welke veranderingen er in de onderzoeksperiode zijn geweest bij de onderzochte jongeren wat betreft wapens en een aantal mogelijk samenhangende factoren. We hebben daarbij gebruik gemaakt van de respondenten uit de steekproef die in allebei de onderzoeksrondes hebben deelgenomen. Bij deze groep is nagegaan wat er is veranderd tussen de eerste en tweede onderzoeksronde wat betreft betrokkenheid met wapens: wie dat zijn gaan bezitten, dragen of gebruiken of wie dat juist niet meer deden. Vervolgens is nagegaan in hoeverre eventuele veranderingen samenhangen met veranderingen in veiligheid, activiteiten en leeftijdsgenoten, factoren die waren opgenomen in de vragenlijsten van beide onderzoeksronden. Prevalentie van veranderingen onder jongeren wat betreft wapens Om te beginnen geven we een overzicht van veranderingen tussen de eerste en tweede onderzoeksronde in het totale niveau van wapenbezit, dragen van wapens en gebruiken van wapens onder de jongeren die tweemaal meededen. Dit is weergegeven in figuur 4.8.
74
Figuur 4.8: Veranderingen bezit, dragen en gebruik wapens in de steekproef 10,0%
9,0% 8,0% 7,0% 6,0%
Bezit
5,0%
Dragen
4,0%
Gebruik
3,0% 2,0% 1,0% 0,0% Ronde 1
Ronde 2
Uit de figuur komt naar voren dat het dragen van wapens in zijn totaliteit is afgenomen. In de periode van vier maanden voor de eerste onderzoeksronde droeg ruim 8 procent van de deelnemers die twee keer meededen een wapen, in de vier maanden daarna was dat gedaald tot bijna 6 procent. Ook het bezit van wapens is gedaald in deze periode, van ruim 3 procent naar iets onder de 2 procent. Daarentegen is het totale gebruik van wapens redelijk stabiel gebleven, in beide ronden rapporteerde ongeveer 3 procent van de jongeren in de voorgaande vier maanden een mes, vuurwapen of ander wapen te hebben gebruikt. Deze totale veranderingen zeggen nog niet iets over hoe vaak verandering met betrekking tot wapens voorkomt bij individuele deelnemers aan het onderzoek. Daarvoor moet op individueel niveau worden gekeken naar het aandeel respondenten bij wie iets is veranderd. Dit is weergegeven in tabel 4.23a t/m 4.23c; voor zowel bezit, dragen als gebruiken van wapens. De dikgedrukte percentages en aantallen betreffen de jongeren bij wie een verandering is geweest in de tweede ronde ten opzichte van de eerste: zij zijn wapens gaan bezitten, dragen, of gebruiken; of zijn daarmee juist gestopt. Uit de tabellen komt naar voren dat er zowel continuïteit is als dynamiek met betrekking tot wapens.
Het overgrote deel van de jongeren dat niet betrokken was bij wapens in de eerste ronde, was dat ook niet in de tweede ronde (percentages linksboven). Maar die continuïteit geldt niet voor de jongeren die in de eerste wel een wapen bezaten, droegen of gebruikten (dikgedrukte cijfers linksonder). De meerderheid van hen doet dat namelijk niet meer in de tweede ronde. Slechts een paar jongeren blijven wapens bezitten, dragen of gebruiken. Kennelijk is betrokkenheid bij wapens vaak iets van tijdelijke aard.
75
Tabel 4.23a: Individuele ontwikkelingen in wapen bezitten Geen bezit T2
Wel bezit T2
Totaal
Geen bezit T1
98.7 % (517)
1.3 % (7)
96.7 % (524)
Wel bezit T1
83.3 % (15)
16.7 % (3)
3.3 % ( 18)
Totaal
98.2 % (532)
1.8 % (10)
100% (542)
Tabel 4.23b: Individuele ontwikkelingen in wapen dragen Niet dragen T2 Wel dragen T2 Niet dragen T1 94.6 % (459) 5.4 % (26)
Totaal 89.5 % (485)
Wel dragen T1
68.4 % (39)
31.6 % (3)
10.5 % ( 57)
Totaal
91.9 % (498)
8.1 % (44)
100% (542)
Tabel 4.23c: Individuele ontwikkelingen in wapen gebruiken Geen gebruik T2 Wel gebruik T2
Totaal
Geen gebruik T1
97.2 % (459)
2.8 % (15)
97.2 % (527)
Wel gebruik T1
86.7 % (13)
13.3 % (2)
2.8 % (15)
Totaal
96.9 % (498)
3.1 % (44)
100% (542)
De meeste veranderingen komen naar voren bij het dragen van wapens. Er zijn 39 respondenten die in de eerste ronde rapporteerden wel een wapen te hebben gedragen, maar in de tweede ronde niet; en er zijn 26 jongeren die in de eerste ronde aangaven geen wapen te hebben gedragen, maar in de tweede ronde wel. In totaal zien we dat er bij 12% van de jongeren een verandering is geweest tussen de eerste en tweede onderzoeksronde in het dragen van wapens (de dikgedrukte 39 + 26 gedeeld door het totaal van 542). Samenhang met veranderingen in slachtofferschap Om na te gaan hoe verandering in betrokkenheid bij wapens gerelateerd is aan de onderzochte factoren, hebben we onderscheid gemaakt tussen drie groepen respondenten: zij bij wie er geen verandering heeft plaatsgevonden tussen de twee onderzoeksronden, jongeren die in ronde 1 wel betrokken waren bij wapens maar in ronde 2 niet (‘gestopt’), en jongeren die in de eerste ronde niet betrokken waren bij wapens maar in de tweede wel (‘begonnen’). In de tabellen 4.24a t/m 4.24c is weergegeven in hoeverre verandering in betrokkenheid bij wapens is gerelateerd aan gerapporteerd slachtofferschap van geweld of bedreiging daarmee.
Uit de tabellen wordt duidelijk dat bij de categorie jongeren zonder verandering in betrokkenheid bij wapens er ook weinig dynamiek was in slachtofferschap; er was bij de overgrote meerderheid geen verandering tussen de 1e en 2e ronde (dus in beide ronden geen slachtoffer geweest of in beide ronden wel). Ook bij de meeste jongeren die in de tweede ronde zijn gestopt met het bezitten, dragen of gebruiken van wapens, is er bij de meerderheid van de jongeren niets veranderd.
76
Bij de jongeren die zijn begonnen met dragen of gebruiken van wapens blijkt er juist wel vaak iets veranderd te zijn in slachtofferschap. De meerderheid van deze jongeren blijkt namelijk in de maanden voorafgaand aan de tweede ronde een slachtofferervaring te hebben gehad (dikgedrukte percentages rechtsonder). Met name bij het dragen van wapens en in iets mindere mate het gebruiken van wapens blijkt er een duidelijk verband met recent slachtofferschap. Bij maar liefst twee derde van degenen die een wapen zijn gaan gebruiken in de tweede ronde was er een recente slachtofferschapservaring terwijl er geen ervaring was met geweld in de eerste ronde. Het verband tussen veranderingen en recent slachtofferschap is er niet zo duidelijk bij het bezitten van wapens. Zowel bij de jongeren die zijn gestopt met het bezitten van een wapen, als bij de jongeren die een wapen hebben aangeschaft voorafgaand aan de tweede ronde, blijkt er bij de meerderheid niks te zijn veranderd in slachtofferschap. Er waren wel enkele jongeren die een recente ervaring hadden met geweld, zowel bij de jongeren die wapens hebben weggedaan of hebben aangeschaft, maar gezien de kleine aantallen is niet te zeggen of dit verschilt van de jongeren bij wie geen verandering in bezit is opgetreden.
Tabel 4.24a: Ontwikkeling in wapen bezitten en verandering recent slachtofferschap Geen Gestopt Begonnen verandering met bezitten met bezitten Niet meer slachtofferschap
6.2 % (32)
0.0 % (0)
0.0 % (0)
Geen verandering
84.6 % (440)
86.7 % (13)
71.4 % (5)
Recent slachtofferschap
9.2 % (48)
13.3 % (2)
28.6 % (2)
Totaal
100 % (520)
100 % (15)
100 % (7)
Tabel 4.24b: Ontwikkeling in wapen dragen en verandering recent slachtofferschap Geen Gestopt Begonnen verandering met dragen met dragen Niet meer slachtofferschap
5.5 % (15)
15.4 % (6)
0.0 % (0)
Geen verandering
87.6 % (418)
71.8 % (28)
46.2 % (12)
Recent slachtofferschap
6.9 % (33)
12.8 % (5)
53.8 % (14)
Totaal
100 % (477)
100 % (39)
100 % (26)
Tabel 4.24c: Ontwikkeling in wapen gebruiken en verandering recent slachtofferschap Geen Gestopt Begonnen verandering met dragen met dragen Niet meer slachtofferschap
5.8 % (30)
7.7 % (1)
6.7 % (1)
Geen verandering
86.4 % (444)
76.9 % (10)
26.7 % (4)
Recent slachtofferschap
7.8 % (40)
15.4 % (2)
66.7 % (10)
Totaal
100 % (514)
100 % (13)
100 % (15)
77
Samenhang met veranderingen in activiteiten en middelengebruik In de figuren 4.9a t/m 4.9c is weergegeven hoe de tijdsbesteding aan verschillende activiteiten en het middelengebruik is veranderd tussen de eerste en tweede onderzoeksronde. We maken weer steeds een vergelijking tussen de groep jongeren waarbij er niet iets is veranderd, jongeren die zijn gestopt met wapens en jongeren die zijn begonnen. De figuren geven voor deze groepen weer wat de gemiddelde verandering was in de tijdsbesteding ten opzichte van het eerste meetmoment; en deze veranderingsscore is gestandaardiseerd om een goede vergelijking mogelijk te maken (dat hebben we gedaan door de scores te delen door de standaardafwijking op het eerste meetmoment). Figuur 4.9a: verandering activiteiten/middelengebruik en verandering in bezit wapens 1 0,8 0,6 0,4 0,2
Geen verandering
0
Gestopt Bezit
-0,2
Begonnen Bezit
-0,4 -0,6 -0,8 -1
Figuur 4.9a heeft betrekking op het bezit van wapens. Uit deze figuur wordt in één oogopslag duidelijk dat er weinig verschillen zijn tussen de drie categorieën met betrekking tot de ontwikkeling van activiteiten en de veranderingen in middelengebruik. Met één grote uitzondering: jongeren die een wapen zijn gaan bezitten voorafgaand aan de tweede onderzoeksronde gingen in deze periode ook aanmerkelijk meer tijd besteden aan social media, terwijl dat bij de andere jongeren niet het geval was. Mogelijk hebben zij zich laten inspireren door bepaalde posts of uitingen op social media of zijn zij zelf meer gaan posten. De jongeren die een wapen hebben aangeschaft, lijken ook iets meer tijd te zijn gaan besteden aan gamen, maar dat verschil is statistisch niet significant. Figuur 4.9b heeft betrekking op het dragen van wapens. Hier valt vooral op dat de jongeren die een wapen zijn gaan dragen in de tweede ronde aanmerkelijk meer middelen zijn gaan gebruiken (alcohol en/of drugs). Dit kan wijzen op een verandering in leefstijl of meer uitgaansgedrag, maar het toegenomen middelengebruik kan ook een reactie zijn op iets wat er in het leven van de jongeren is gebeurd (zoals bijvoorbeeld slachtofferschap). Verder valt op dat de jongeren die een wapen zijn gaan dragen wat minder tijd aan gamen zijn gaan besteden en ook aan huiswerk.
Bij de jongeren waar geen verandering is opgetreden en de jongeren die gestopt zijn met wapens dragen, is er weinig verandering in activiteiten. Jongeren die zijn gestopt, zijn iets meer tijd op social media gaan doorbrengen en iets minder middelen gaan gebruiken. 78
Figuur 4.9b: verandering activiteiten/middelengebruik en verandering dragen wapens 1 0,8 0,6 0,4 0,2
Geen verandering
0
Gestopt Dragen
-0,2
Begonnen Dragen
-0,4 -0,6 -0,8 -1
Figuur 4.9c gaat over het gebruik van wapens. Het patroon lijkt op dat bij veranderingen in activiteiten en middelengebruik bij het dragen van wapens, want ook hier zien we dat het middelengebruik sterk is gestegen bij de jongeren die in de tweede ronde een wapen zijn gaan gebruiken. Daarnaast zijn er nog wat kleinere veranderingen die opvallen. Bij de jongeren die zijn begonnen met het gebruiken van een wapen is de tijdsbesteding aan alle activiteiten licht afgenomen. Deze jongeren zijn bijvoorbeeld minder gaan sporten, maar ook minder tijd gaan besteden aan rondhangen en gamen; minder ontspannende activiteiten dus. Bij de jongeren die zijn gestopt met het gebruiken van een wapen zien we juist een duidelijke afname in middelengebruik en een lichte toename in de tijd besteed aan huiswerk, indicaties van een relatief meer conventionele levensstijl. Figuur 4.9c: verandering activiteiten/middelengebruik en verandering gebruik wapens 1 0,8 0,6 0,4 0,2
Geen verandering
0
Gestopt Gebruik
-0,2
Begonnen Gebruik
-0,4 -0,6 -0,8 -1
Samenhang met veranderingen in observatie van wapens bij vrienden Tot slot laten we in de figuren/tabellen 4.10a t/m 4.10c de ontwikkelingen zien met betrekking tot blootstelling van wapens bij vrienden en leeftijdsgenoten. Hier is op drie manieren naar gekeken in de vragenlijst: met de vraag of jongeren wapens bij hun vrienden hebben gezien in 79
de afgelopen periode, hebben gehoord over wapens bij vrienden of online hebben gezien dat hun vrienden wapens hadden. Steeds is nagegaan of hier een verandering was geweest in de tweede ronde (niet meer geobserveerd bij vrienden of juist in de tweede ronde nieuw ten opzichte van de eerste) en of de percentages verschilden tussen de drie categorieën op basis van ontwikkeling met betrekking tot wapens. Figuur 4.10a: verandering observatie wapens vrienden en verandering bezit wapens 100% 80%
60% 40%
Geen verandering
20%
Gestopt Bezit
0%
Begonnen Bezit
In figuur 4.10a is de informatie weergegeven voor het bezit van wapens. Hieruit wordt om te beginnen duidelijk dat bij het grootste deel van de jongeren er geen verandering is geweest in het observeren van wapens bij vrienden (steeds de middelste categorie), met name niet wat betreft horen over wapens bij vrienden en online observatie. Verder valt op dat er bij de jongeren die zijn gestopt met het bezitten van wapens het relatief vaak voorkwam dat zij in de tweede ronde geen wapens meer zagen bij vrienden, waar dat in de eerste ronde nog wel het geval was. Dit kwam overigens ook nog wat vaker voor bij de jongeren die in de tweede ronde een wapen hebben aangeschaft. Op het eerste gezicht onlogisch, maar het kan ook betekenen dat deze jongeren nog aan het eind van de eerste periode een wapen hebben gezien bij vrienden en aan het begin van de tweede periode een wapen hebben aangeschaft. Verder zijn er geen duidelijke verschillen te zien tussen de drie categorieën. In figuur 4.10b zijn de gegevens te zien met betrekking tot het dragen van wapens. Ook hier is er bij de meeste jongeren geen verandering en zijn er geen grote verschillen. Wel komt het bij de jongeren die zijn begonnen met dragen iets vaker voor dat zij in de tweede ronde wapens nieuw hebben gezien of gehoord bij vrienden of juist niet meer gezien.
Bij hen is er dus iets vaker sprake van dynamiek in observatie van wapens bij vrienden, al gaat het nog steeds om een minderheid. Jongeren die geen wapen meer dragen hebben wapens ook minder vernomen bij vrienden, maar het gaat om kleine verschillen.
80
Figuur 4.10b: verandering observatie wapens vrienden en verandering dragen wapens 100% 80% 60% 40%
Geen verandering
20%
Gestopt Dragen
0%
Begonnen Dragen
In figuur 4.10c staan tot slot de gegevens voor het gebruiken van wapens. Ook hier is veel continuïteit en iets meer verandering bij de jongeren die in de tweede ronde zijn begonnen. Wat vooral opvalt is dat jongeren die in de tweede ronde een wapen hebben gebruikt en eerder niet, op social media in de tweede ronde nieuw (of opnieuw) wapens hebben gezien bij hun vrienden. Verder valt op dat bij degenen die zijn gestopt met het gebruik van wapens, er enkelen zijn die pas in de tweede ronde over wapens hebben gehoord van hun vrienden of dat bij hen hebben gezien. Figuur 4.10c: verandering observatie wapens vrienden en verandering gebruik wapens 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
Geen verandering Gestopt Gebruik Begonnen Gebruik
Al met al zijn er wel enkele verschillen te zien tussen de categorieën, maar lijkt het verband tussen verandering in observatie en verandering in betrokkenheid bij wapens niet zo duidelijk als bij slachtofferschap/onveiligheid, activiteiten en middelengebruik.
81
4.5 Conclusies Op basis van de resultaten uit de vragenlijsten kunnen verschillende conclusies worden getrokken over de prevalentie van wapens, verschillen tussen categorieën, samenhangende oorzakelijke factoren, en veranderingen in wapenbezit bij jongeren gedurende de onderzochte periode. Een eerste belangrijke conclusie is dat alleen een minderheid van de ondervraagde jongeren betrokken is geweest bij wapens in de onderzochte periode, ongeveer een op de vijf. Wat dat betreft lijkt er geen reden tot paniek met betrekking tot wapens onder de jeugd in het algemeen. De meerderheid van de Rotterdamse leerlingen die wij hebben ondervraagd wil niks van wapens weten, vindt dat niet nodig en is zich ook bewust van de negatieve consequenties van wapens. Er is wel een kleine maar substantiële groep jongeren die wapens draagt, vooral op straat en in de vrije tijd, soms ook op school. Deze groep brengt vooral defensieve redenen naar voren om dat te doen, anders dan de meerderheid voelen zij zich vaak onveilig en bedreigd. Het is daarbij opmerkelijk dat er meer jongeren zijn die wapens dragen dan bezitten; jongeren krijgen ook wapens van anderen, of lenen die van anderen of van thuis.
Een kleine groep jongeren bezit alleen wapens zonder deze mee te nemen, en deze groep voert ook vaker redenen aan die te maken hebben met de esthetische waarde van wapens: zij verzamelen wapens of vinden wapens leuk. Daarnaast is er ook een kleine groep die wapens niet alleen heeft gedragen maar ook heeft gebruikt om zichzelf te verdedigen, te dreigen of anderen te verwonden. Deze groep heeft naast defensieve redenen vaak ook meer expressieve motieven (wapens laten zien) en soms instrumentele redenen (bijvoorbeeld dingen afpakken van anderen). Uit de analyses komt naar voren dat wapens niet beperkt zijn tot een bepaalde groep jongeren: in alle onderzochte categorieën zien we respondenten die een wapen bezitten, dragen of gebruiken. Wel komt het relatief vaker voor onder jongens; meisjes dragen wapens bijna twee keer zo weinig, en gebruiken en bezitten het relatief nog minder dan jongens. Desalniettemin is toch een substantieel deel van alle jongeren met wapens een meisje, naar schatting ongeveer een derde van alle jongeren die een wapen dragen. Meisjes zijn wel in grote meerderheid vanwege defensieve redenen betrokken bij wapens, omdat ze zich onveilig voelen. Bij jongens is dat ook belangrijk, maar zijn er ook regelmatig expressieve of instrumentele redenen om wapens te hebben, te dragen of te gebruiken.
Verder komen wapens relatief vaker voor bij de relatief jongere groep deelnemers aan het onderzoek, en de groep die nog op het voortgezet onderwijs zit. Bij de oudere deelnemers op het mbo lijkt het dragen en gebruik van wapens minder te zijn, het bezit ligt op ongeveer hetzelfde niveau. Verder valt op dat het dragen en gebruik van wapens relatief vaker voorkomt op het vmbo en mavo dan op havo/vwo en mbo, wat betreft bezit is er weinig verschil. Tussen de verschillende categorieën op basis van etniciteit zijn er geen grote verschillen in betrokkenheid bij wapens. 82
Wel lijkt het gebruik van wapens relatief vaak voor te komen bij jongeren die zich helemaal niet-Nederlands voelen in vergelijking met andere categorieën. Verder viel op dat het enkel bezitten van wapens vooral voorkwam onder jongeren die niet in Rotterdam wonen. In het onderzoek vonden we veel verbanden tussen de door ons onderzochte verklarende factoren en betrokkenheid bij wapens. Daarbij vallen niet zozeer de verschillen op tussen jongeren zonder en met wapens in het algemeen, maar met name de verschillen onderling tussen jongeren die alleen wapens bezitten, wapens dragen en wapens gebruiken. De jongeren die alleen een wapen bezitten, lijken op een beperkt aantal eigenschappen te verschillen van de jongeren zonder wapens. Ze voelen zich ten opzichte van die laatste groep wat minder gebonden aan regels en vinden stelen wat vaker acceptabel, zijn wat meer geneigd tot het nemen van risico’s, hebben een wat slechtere band met ouders (maar komen wel vaker uit een traditioneel gezin), tonen minder inzet voor school, gebruiken wat meer alcohol en softdrugs, gamen vaker, zien meer wapens bij hun vrienden en zijn vaker in het verleden slachtoffer geweest van geweld. Al met al komt het beeld naar voren van een groep jongeren die niet een heel problematische achtergrond heeft, maar tegelijkertijd ook wat minder regelgetrouw en meer vrijgevochten is dan gemiddeld.
Jongeren die wapens dragen wijken in een aantal opzichten af van zowel de jongeren die geen wapens hebben als de jongeren die alleen wapens bezitten. Zij zijn vaker recent slachtoffer van geweld, zijn impulsiever, hebben een grotere vriendengroep op straat en social media en zien en horen vaker over wapens van hun vrienden. Zij hebben een grotere acceptatie van het gebruik van wapens en geweld dan die twee andere categorieën, en voelen zich minder gebonden aan regels. Zij ervaren ook dat er thuis meer moeite is om de eindjes aan elkaar te knopen. Al met al lijkt dit een categorie te zijn die overeenkomsten heeft met de groep jongeren met alleen bezit van wapens, maar wat meer is gericht op vrienden buiten school, het gebruik van wapens en geweld wat meer acceptabel vindt en thuis wat minder welvarend is. De categorie jongeren die een wapen heeft gebruikt in de onderzoeksperiode is het meest afwijkend: hun score op de verschillende schalen is vaak aanmerkelijk hoger of lager dan dat van de andere groepen, én ze verschillen op veel meer kenmerken van de anderen. Ook zij ervaren meer financiële achterstand thuis, maar lijken ook vaker een problematische opvoedingssituatie te hebben. Ze zijn veel meer gericht op de wereld buiten school, zien meer wapens online en horen vaker bij een problematische jeugdgroep.
Ze zijn nog impulsiever en eerder geneigd risico te nemen dan anderen, en gebruiken ook vaker lachgas en andere drugs, naast alcohol en wiet. Daarnaast hebben ze veel sterkere opvattingen die passen bij het straatleven en het gebruik van geweld en staan ze vijandiger tegenover de politie. Ook hebben ze recent relatief vaak geweld ervaren. Al met al lijkt dit een categorie waar veel mee aan de hand is op het gebied van de thuissituatie, persoonlijkheid en middelengebruik, en een groep die zich deels heeft afgekeerd van de traditionele samenleving.
83
In de onderzochte periode was het bezit en het dragen van wapens in de onderzochte groep jongeren iets afgenomen, wat mogelijk verband houdt met de situatie rond corona voorafgaand aan de tweede onderzoeksronde (met een korte periode van lockdown). Opvallend was dat er relatief veel jongeren zijn die in de tweede ronde waren gestopt met het bezitten, dragen en gebruiken van wapens, kennelijk is dit vaak van tijdelijke aard. Daarnaast was er ook een kleine groep die pas in de tweede ronde betrokken was bij wapens. De individuele veranderingen met betrekking tot wapens bleken sterk samen te hangen met slachtofferschap van geweld. Bij de meerderheid van degenen die wapens zijn gaan dragen of gebruiken was er sprake van een recente bedreiging of daadwerkelijk ervaren geweld. Dat suggereert dat het direct ervaren van onveiligheid een belangrijke directe oorzaak is voor jongeren om iets met wapens te gaan doen. Er was een minder duidelijk verband met verandering in activiteiten en observatie van wapens bij anderen. Jongeren die een wapen zijn gaan dragen of gebruiken bleken wel aanmerkelijk meer alcohol en andere middelen te zijn gaan gebruiken, wat mogelijk wijst op een veranderende levensstijl of reactie op ervaren onveiligheid. Jongeren die een wapen gingen aanschaffen waren meer tijd op social media gaan doorbrengen, maar zagen daar niet vaker wapens bij vrienden.
Jongeren die een wapen gingen dragen, zagen dat wel wat vaker bij hun vrienden, en jongeren die een wapen gingen gebruiken, zagen dat ook duidelijk vaker op social media bij andere jongeren die zij kenden. Ook hier zien we dus weer verschillen tussen categorieën op basis van type betrokkenheid bij wapens.
84
HOOFDSTUK 5 | ERVARINGEN, PERCEPTIES EN OMGANG MET WAPENS EN GEWELD ONDER ROTTERDAMSE JONGEREN In de volgende twee hoofdstukken doen we verslag van de focusgroepgesprekken die we in het kader van dit onderzoek hebben gevoerd met jongeren op verschillende scholen in Rotterdam. In dit hoofdstuk richten we ons in het bijzonder op de ervaringen en de omgang van Rotterdamse jongeren met wapens en geweld. Paragraaf 5.1 geeft een overzicht van de ervaringen met wapengebruik en -bezit in de levens van de Rotterdamse jongeren. In paragraaf 5.2 behandelen we wat de perceptie van de Rotterdamse jongeren in onze studie is met betrekking tot wapens en geweld. Hoe het deze jongeren vervolgens lukt om hiermee om te gaan, belichten we in paragraaf 5.3. We besluiten dit hoofdstuk met de belangrijkste conclusies die vallen te trekken op basis van de ervaring, perceptie en omgang van de Rotterdamse jongeren in dit onderzoek met wapens en geweld (paragraaf 5.4).
5.1
De ervaringen van Rotterdamse jongeren met wapens en geweld
Tijdens de focusgroepgesprekken hebben we jongeren gevraagd naar hun ervaringen met wapens en geweld in Rotterdam. Hierbij waren we geïnteresseerd in of ze zelf wel eens een wapen hebben gedragen of gebruikt, maar ook of ze dit wel eens bij anderen hebben gezien. Op basis van de inzichten die de jongeren met ons hebben gedeeld, zien we nadrukkelijke verschillen in de nabijheid van wapenbezit en -gebruik: sommige respondenten hebben directe ervaringen met wapens als slachtoffer of als bezitter van een wapen, terwijl de ervaring van anderen veel indirecter van aard is. Slachtofferschap, wapengebruik en andere ervaringen met geweld Geen van de geïnterviewde jongeren tijdens de focusgroepen gaf aan zelf ooit een wapen te hebben gebruikt, bijvoorbeeld voor bedreiging of een steekincident. Wel kwamen er in de focusgroepen regelmatig geweldsincidenten ter sprake waarbij de geïnterviewde jongeren direct betrokken waren, in veel gevallen als slachtoffer. Opvallend was het ogenschijnlijke gemak waarmee sommige respondenten op betrekkelijk nonchalante wijze bijzonder heftige voorbeelden oprakelden. Zo vertelde een van de jongeren het volgende: ‘Ik heb ook bijvoorbeeld dat ik gewoon een keer liep ergens bij mij in mijn eigen buurt. In een soort skatepark in ieder geval. En ik zag een jongen op me af komen rennen al.
En hij had een bivakmuts op zeg maar en die had toen een mes op mijn keel gezet en zei “als je de volgende keer hier loopt, dan pak ik je” of zo en toen rende hij weer weg. Dat was heel vaag of zo.’
Ook een andere respondent deelde zijn ervaring met een bedreiging met een steekwapen: ‘Dus er was gewoon zo een gevecht. Het was eigenlijk één tegen één, en het was gewoon een vriend van mij. Toen, hij had dat gevecht gewonnen, en toen opeens keek ik zo achter me, zag ik allemaal jongens, gewoon 20 boys, van die jongens waartegen mijn vriend ging vechten, zag ik
85
allemaal aan komen rennen. En wij waren maar met zijn vieren of zo, dus toen moesten we wegrennen. En toen werd er zo een mes aan hem [de jongen die zijn vriend vlak daarvoor verslagen had] gegeven, en toen gingen ze met dat mes achter mijn vriend aanrennen. En toen zijn we gewoon opgesplitst en toen gingen we gewoon wegrennen. Ze gingen hem zelfs achtervolgen in de bus.’
Op vergelijkbare wijze beschreef een andere respondent hoe hij op straat ruzie kreeg met een aantal jongens uit een andere buurt. Nadat de jongeren elkaar enige tijd bleven aankijken, zei hij: “wat kijk je me de hele tijd aan broer? Haal je kankergezicht van me weg!”. Even later kwam hij neven van de jongen in kwestie tegen op straat: ‘Ik draai me om en ik zie ineens twee jongens met bivakmutsen op me aflopen. Ze zeggen: “hee wat is die tori [verhaal]?”. Ik zeg: “hoe bedoel je? Wat is er gebeurd man?” Hij zegt: “ik hoor dat iemand mijn neefje wil steken”. Ik zeg: “nee nee nee man, laat me je het verhaal uitleggen”. Dus ik begin te praten, terwijl ik op een Felyx-scooter zit. Ineens voel ik BAM. Ik denk: “ok, we gaan beginnen”. Dus ik doe mijn tas af en ik begin stoten te geven. Twee tegen één. Ik was aan het winnen. Toen hebben ze shi [een] boksbeugel gepakt en hebben ze me op m’n hoofd geslagen. BAM.’
Naar aanleiding van dit voorval heeft de respondent zich moeten laten hechten in het ziekenhuis. Tijdens de focusgroepen was er een respondent die meerdere ervaringen deelde met wapens en geweld. Eerst vertelde hij over een vriend die betrokken was bij een steekincident na een gevecht: ‘Om daarna te laten zien dat hij niet had verloren, ging hij hem steken. Want als je klappen krijgt dan ben je eigenlijk voor hun een loser en toen heeft hij zelf gestoken. Hij lag toen een weekje in het ziekenhuis en toen ging hij er gewoon weer uit. En de jongen die gestoken heeft is ook gewoon een vriend van ons. Ze waren alle twee ook vrienden. En toen, ja je merkt het ook niet als je wordt gestoken. Door de adrenaline. Je merkt het niet, want hij ging eerst ook gewoon achter hem aan rennen en toen begon hij slomer te worden en toen ging hij een school binnen. Daar kwamen ze erachter dat hij was gestoken en toen is de ambulance gebeld. En toen ging die andere jongen wegrennen en die is toen de volgende dag opgepakt.’
Later in het gesprek gaf de jongeman aan zelf ook een keer gestoken te zijn, maar ook dat aanwezig te zijn geweest toen een andere vriend werd neergestoken. Hij vertelde dat hij samen met deze vriend op straat stond toen er ogenschijnlijk uit het niets iemand kwam aanrijden met een mes van 20 centimeter, die zijn vriend stak vlakbij zijn lever: ‘Ja die heeft wel echt denk ik meer dan een maand in het ziekenhuis gelegen toen. Ze dachten eigenlijk dat hij het niet zou overleven. En na een tijdje mocht hij weer eruit zeg maar en toen heeft hij een ontsteking opgelopen en toen was hij weer bijna overleden.’
Gevraagd naar de aanleiding van deze steekpartij, gaf de jongeman de volgende gedetailleerde toelichting:
86
‘Een dag later werd mijn beste vriend gesnapt [gecontact via Snapchat] zeg maar. Dat hij moest komen weet je wel, dat ze hem zouden pakken en zo. En toen waren ze in het park zeg maar, een heel groot park zeg maar in ieder geval en toen hadden we.. Toen was het ook uit de hand gelopen en hadden we ook groep tegen groep gevochten zeg maar. Iedereen had wel iets [een wapen] bij zich. Toen is het wel flink uit de hand gelopen. Ik ben er echt goed van weg gekomen. Ik moest echt rennen voor m’n leven. Ik had ook zes, zeven scooters achter me aan. Iedereen. Toen hebben we denk ik echt de hele avond gerend, door stegen heen gerend en zo. Verstopt in andermans tuinen. Ja, het was gewoon.. Er is die nacht wel veel gebeurd, zeg maar.’
De bovenstaande voorbeelden illustreren dat een aantal jongeren slachtofferervaringen heeft met het gebruik van wapens. Over hun mogelijke ervaringen als dader van geweld met wapens lieten de respondenten zich in de focusgroepen niet uit, waarbij opgemerkt dient te worden dat de setting van de gesprekken – op school, met klasgenoten en twee onbekende onderzoekers – hier waarschijnlijk invloed heeft gehad. Naast meer ervaringen als slachtoffer, werden er tijdens de focusgroepen ook voorbeelden gedeeld van wapengeweld waarbij mensen nabij de respondenten betrokken waren. Zo vertelde een respondent over de broer van een buurmeisje die zou zijn doodgestoken. Daarnaast vertelde meerdere jongeren verhalen van andere jongeren die zijn beroofd: ‘Een vriend van mij is een keer bedreigd nadat een vriend van hem – wat ook een vriend van mij is – beroofd was van zijn portemonnee. Die vriend van mij wist wie de daders waren en had dit gewoon tegen de ouders van het slachtoffer gezegd. Hij is daarna van zijn fiets gerukt en bedreigd. Ze zeiden: “je moet oppassen” en als ze erachter komen dat hij dat gezegd had dat hij dan de lul was. Hij voelde zich niet meer veilig en kon niet meer normaal door zijn eigen wijk. Dus hij liep vanaf toen ook gewoon met wat [een steekwapen] rond’.
Opvallend hierbij was dat in verschillende focusgroepen – gehouden op verschillende scholen in verschillende gebieden – werd gerefereerd aan een specifiek steekincident bij metrostation Slinge, waarbij een 12-jarige betrokken zou zijn. Dit incident had zich in de periode vlak voor het afnemen van de focusgroepen afgespeeld en had kennelijk indruk gemaakt op de ondervraagde jongeren. De nabijheid van wapens Naast wapengebruik, ging het in de focusgroepen ook nadrukkelijk over het bezit van wapens. In de verhalen van de respondenten viel een gradatie in de nabijheid van wapenbezit waar te nemen. Allereerst waren er jongeren die tijdens de gesprekken aangaven ervaring te hebben met het bezitten of dragen van wapens. Zo vertelde een jongeman dat hij in zijn leven al veel verschillende wapens bij zich heeft gedragen: ‘We gaan niet dom doen. Messen, kleine machete, vuurwapen. Alle soorten wapens. Vorige week had ik een machete in mijn broek. Als mensen stoer tegen jou praten…dan gaat het om je eigen leven.’
87
Dezelfde respondent gaf aan zich in het verleden ook wel eens te hebben bewapend om met vrienden op een zogenaamde ‘oppblock tour’ te gaan, waarbij jongeren de wijk die zou toebehoren aan een rivaliserende groep betreden om daar te ‘jagen’ op hun opponenten. ‘Gewoon paar keer met die jongens op tour…Dat is oppblock tour, zeg maar. Je gaat meeten met al je matties, trekt zwart aan, iedereen neemt wat [wapens] mee. We gaan bus pakken, met z'n allen richting hun kant. Eerste beste die we zien, die slaan we of die doen we iets aan, je weet toch. Gewoon dat. Maar dat is voorbij.’
Een ander voorbeeld kwam van een jongeman die naar aanleiding van een eerder incident aangaf te allen tijde een wapen bij zich te dragen. Bij dat incident is de jongeman naar eigen zeggen door “vier grote jongens” die hij niet kende zonder aanwijsbare reden aangevallen op straat en in elkaar geslagen, toen hij alleen op een tram stond te wachten. Hij heeft vlak na de mishandeling de politie gebeld, maar toonde zich in de focusgroep gefrustreerd over het feit dat hij zich niet had kunnen verdedigen op het moment zelf – en over het feit dat dat politie niets meer kon doen omdat de jongens zich inmiddels uit de voeten hadden gemaakt. Om te voorkomen dat de jongen ooit weer in een dergelijke situatie belandt, draagt hij naar eigen zeggen vanaf dat moment iedere dag een steekwapen bij zich. Deze twee voorbeelden van jongeren die messen dragen vallen te koppelen aan hun eerdere ervaringen met geweld. In andere gesprekken kwam het thema wapenbezit eveneens ter sprake, maar dan niet omwille van zelfverdediging, maar primair gericht op het verzamelen van deze objecten: “ik heb er denk ik een stuk of 40, waaronder machetes en dat soort dingen allemaal maar het ligt op mijn kamer ik doe er niks mee”. Ook andere respondenten vertelden over het recreatieve bezit van wapens, zoals bijvoorbeeld zakmessen.
Een tweede categorie directe ervaringen die besproken werden door de jongeren had betrekking op het bezit van wapens bij mensen in hun nabije omgeving. Opvallend was dat er op dit specifieke punt grote verschillen bestonden tussen de geïnterviewde jongeren. Waar sommige jongeren nooit in hun leven een steekwapen hadden gezien, leek dit in andere focusgroepen voor jongeren betrekkelijk gangbaar. Een van de respondenten vertelde het volgende: ‘Ik zag het bij mijn eigen familie. Ik ging iets halen voor m'n moeder en in die buurt woont mijn neefje. Hij denkt dat hij een grote jongen is. Hij is elf jaar pas, hij denkt dat 'ie groot is, dat 'ie dingen kan doen die hij wil. Dus ik kwam daar en ik zag opeens een mes in z'n handen. Ik had 'm gelijk aangesproken. Dit was buiten op straat. Hij liep daar met een keukenmes.’
Waar dit voorbeeld betrekking had op familie, beschreven de respondenten hoe jongeren soms in aanraking komen met wapens omdat hun vrienden deze met zich meedragen. Volgens deze jongere gaat het in dit geval om jongens die het ‘tof’ vinden om een wapen bij zich te dragen, maar die niet de intentie hebben om er iemand mee te bedreigen of verwonden, want het zijn volgens deze jongeren “niet zulke jongens”. In andere gevallen stellen respondenten wapens te zien bij mensen die zij kennen uit de buurt, zoals de volgende respondent uitlegt:
88
R: ‘Ja ik heb zelfs een pistool ook gezien. Ja zeg maar die jongens – ik was gewoon thuis en hun waren dan daar aan het chillen. En dan lieten ze bijvoorbeeld zo een pistool zien. Maar gewoon aan elkaar.’ I: ‘Social media heb je het over?’ R: ‘Nee, nee, nee, gewoon in het echt gewoon. Dat ik het zeg maar gewoon zag, dat ze het pistool lieten zien, op zak.’ I: ‘Maar was jij daarbij, kende jij die boys?’ R: ‘Ik kende ze wel, maar ik zag het zeg maar van een afstand. Want ik mag van mijn moeder niet met hen praten.’
Een aantal respondenten gaf ook aan wel eens een vuurwapen te hebben gezien, al stelden de jongeren dat dit aanmerkelijk minder voorkomt. Naast de eerder genoemde keukenmessen, vertelden de jongeren in hun directe omgeving zakmessen, vlindermessen, ‘rambo-messen’, machetes, tasers en boksbeugels te hebben gezien. In één geval werd gesproken over een hakbijl, die door iemand ‘even voor de grap’ zou zijn meegenomen. In de focusgroepen viel ten slotte nog ook derde categorie te ontwaren die kan worden getypeerd als een directe ervaring met wapenbezit, namelijk bij jongeren die ze niet kennen. Een jongedame vertelde hoe zij wel eens langs een groep jongens loopt of fietst en dan ziet hoe deze jongeren onderling wapens aan elkaar tonen door deze even kort uit hun zak te halen. Een andere respondente deelde hierop een ervaring die zij had, waarbij zij er door anderen op werd gewezen dat iemand een wapen bij zich droeg: ‘Nou, we waren een keer in het park hier en er kwam een jongen naar ons toe die zei dat er drie andere jongens met wapens liepen en ons gingen vermoorden of zo. En toen zijn we naar een andere plek gegaan en toen kwam er een jongen voorbij. Hij liep op een bijzondere manier en die jongens waar we toen mee waren zeiden dat hij een mes in z'n zak had of zo. […] Later was hij hier ook een keer op school en toen had 'ie ook een mes getrokken.
Het is precies dezelfde jongen.’
In de focusgroepen viel aldus een zekere gradatie in de nabijheid van wapens in de levens van jongeren waar te nemen, waarbij een enkeling zelf directe ervaring had met wapens, maar aanzienlijk meer jongeren wapens hebben gezien bij jongeren die ze kennen, maar ook bij jonge mensen die ze niet kennen. In grote lijnen komen deze bevindingen overeen met de resultaten uit de vragenlijsten. Online blootstelling aan wapengebruik en -bezit In voorbeelden van de respondenten tot nu toe richt het wapenbezit en -gebruik zich vrijwel exclusief op de fysieke, offline ruimtes van de stad. Recente studies naar straat- en gangculturen illustreren, zoals we beschreven in het tweede hoofdstuk, dat er ook op social media het nodige geweld wordt gecommuniceerd in de vorm van (bewegende) beelden van wapenbezit en -gebruik. Zo werd door de jongeren benoemd dat zij veelvuldig vechtfilmpjes voorbij zien komen, waarbij soms steekwapens worden gebruikt. Een aantal respondenten verwees ook nadrukkelijk naar de coronarellen die in Rotterdam hebben plaatsgevonden en
89
de video’s die van het geweld en de verwondingen online verschenen – waarbij met name een losgekomen vinger indruk bleek te hebben gemaakt. De respondenten gaven echter ook zicht op wapenbezit dat zich (vrijwel) volledig in het online domein afspeelde. Bovendien stellen de respondenten online met grote regelmaat jongeren te zien die steek- en vuurwapens tonen. Hierbij werd vooral Snapchat en in iets mindere mate Instagram benoemd als platform waarop dit wapenvertoon plaatsvindt: ‘Op mensen hun verhaal zetten ze dan van “kijk dit” en laten ze pistolen zien. Of dan doen ze dat zo in de camera, zo dat pistool zo [respondent maakt schietgebaar].’
Een van de respondenten stelde dat dit fenomeen uitsluitend onder mannen voorkomt en “nog nooit een vrouw te hebben gezien die een wapen laat zien”, iets dat (unaniem) werd beaamd door de andere deelnemers aan dat betreffende groepsgesprek. Hoewel het op deze manier tonen van wapens vooral bedoeld lijkt om in algemene zin indruk te maken op andere jongeren, wordt het online domein volgens respondenten ook gebruikt voor meer gerichte bedreigingen. Iemand bedreigen met een mes betekent in dat geval een foto naar iemand sturen waarop je een mes vasthoudt, in sommige gevallen begeleid door een dreigend bijschrift. Volgens een respondent vinden bedreigingen met messen zelfs vrijwel altijd plaats via het online domein – en in veel mindere mate in de offline buitenruimte. Daarbij merkten verschillende respondenten op dat online bedreigingen met wapengeweld soms ook plaatsvinden zonder dat hier beeldmateriaal bij wordt gedeeld. Zij beschreven hoe jongeren elkaar geschreven bedreigingen sturen als “ik ga je steken” of “ik ga je pakken”. Een respondente gaf hier een voorbeeld van: ‘Ja, ik heb ooit een keer gehad dat iemand mij DM'de via Insta, die vroeg of 'ie me mocht volgen. En ja, ik heb niet echt bijzondere foto's, dus ik dacht; dan voeg ik hem wel toe. Maar toen begon 'ie me te appen met “Ja, ik weet waar je woont, ik weet dit”, dingen die je dan zeg maar in mijn bio kon zien.
Maar ik had net Insta dus ik wist dat niet. Het was aan het begin van dat ik Instagram had. Ik denk dat ik toen acht jaar was. […] En toen zij hij zo van “Ja, ik kom echt naar je huis, ik ga je vermoorden” en zo. En ik was zo bang eigenlijk, omdat ik echt nog jong was. Dus ik ging toen ook naar m'n moeder en die zei dat hij niet kon weten waar ik woonde. Nadat ik het had geblokkeerd heb ik er verder niets meer van gehoord. Maar ik zie dat ook veel bij andere mensen terugkomen, dat ze proberen iemand over te halen om filmpjes te sturen, foto’s, of privéinformatie.’
Ondanks deze online voorbeelden was het opvallend dat de respondenten minder snel uit zichzelf leken te beginnen over de blootstelling aan geweld op social media. De voorbeelden die tijdens de focusgroepen werden gegeven hadden in eerste instantie betrekking op fysiek geweld, maar na expliciet doorvragen bleken jongeren ook (veelvuldig) blootgesteld te worden aan online vormen van wapenbezit- en gebruik.
90
5.2
De perceptie van Rotterdamse jongeren mbt wapens en geweld
De directe en meer indirecte ervaringen van jongeren met wapenbezit en -gebruik die beschreven zijn in de vorige paragraaf hebben invloed op de manier waarop zij naar wapens en geweld kijken. In deze paragraaf geven we een overzicht van de percepties die er bij de door ons gesprokken Rotterdamse jongeren leven als het gaat om wapens en geweld in Rotterdam.
‘Het komt steeds meer voor’ en ‘ze worden steeds jonger’ In de eerste plaats viel het in de gesprekken op dat leerlingen het idee hebben dat veel jongeren in Rotterdam wapens bij zich dragen. In het bijzonder zouden veel jongeren een steekwapen op zak hebben. Hoewel een aantal respondenten erop wijst dat het dragen van wapens onder jongeren van alle tijden is – en dat dit aan de hand van de opkomst van smartphones en social media hooguit zichtbaarder is geworden – was het overgrote merendeel van de geïnterviewde leerlingen ervan overtuigd dat het bezit van messen onder Rotterdamse jongeren de afgelopen jaren is toegenomen. Volgens veel van hen is het dragen – maar ook het tonen van messen inmiddels gebruikelijk: ‘Ik denk dat het gewoon een beetje normaal is in Rotterdam, dan laat je het gewoon automatisch zien. Meer alsof je een nieuwe Playstation haalt, dan laat je het toch ook even aan je vrienden zien? Zo van “Kijk, ik heb een Playstation gehaald”. Zo gaat dat met messen ook.’
Voor een deel van respondenten, zoals blijkt uit de vorige paragraaf, is deze perceptie een product van hun ervaringen met het zien van wapengebruik of -bezit. Maar tijdens de focusgroepen werd ook nadrukkelijk duidelijk dat de mediaberichtgeving over wapens en geweld onder jongeren hierbij een belangrijke rol speelt: ‘Ja, je hoort het veel in het nieuws. Ik kijk altijd met m’n ouders het journaal en dan hoor je er ook veel over.’
Regelmatig benoemden respondenten dat zij op het nieuws dingen hadden gehoord die hun beeld over hun eigen veiligheid en de omvang van de problematiek beïnvloeden. Om meer zicht te krijgen op de perceptie van de respondenten met betrekking tot de aanwezigheid van steekwapens, vroegen wij hen tijdens de focusgroepen een inschatting te maken van hoeveel jongeren in Rotterdam een mes bij zich dragen. Vrijwel iedere respondent antwoordde hierop te verwachten dat dit aantal hoger ligt dan 1 op de 10, waarbij sommige leerlingen zelfs de inschatting maakten dat 6 op de 10 jongeren in Rotterdam een steekwapen bij zich draagt. Bij het doorvragen brachten de respondenten vaak enige nuance aan in deze inschattingen, door bijvoorbeeld te stellen dat deze cijfers zouden gelden voor specifieke gebieden in Rotterdam die zij als onveilig beschouwen. Bovendien zou wapenbezit in de beleving van de door ons geïnterviewde jongeren in de avond – ‘wanneer het donker is’ – aanmerkelijk vaker voorkomen dan overdag. Ook brachten de geïnterviewde jongeren met betrekking tot het bezit van wapens heel duidelijk een onderscheid aan tussen jongens en meiden. Volgens de 91
respondenten komt het bezit van steekwapens onder meiden aanzienlijk minder voor, waarbij inschattingen uiteenliepen van 1 op de 20 tot 1 op de 50. Wapenbezit is in hun ogen voornamelijk een jongensding. Over de kans dat jongeren die een wapen bij zich dragen dit ook daadwerkelijk zouden gebruiken, liepen de percepties uiteen. Waar sommige jongeren ervan overtuigd zijn dat een groot percentage van de jongeren die bewapend zijn er niet voor zou terugdeinzen hun wapen te gebruiken, schatten anderen respondenten, zoals de volgende discussie laat zien, deze kans veel lager in: RI: ‘Ik denk dat veel het wel zouden gebruiken.’ RII: ‘Het zijn meer van die messentrekkers. Het zijn er weinig die er tussen lopen die echt zouden steken, maar het is toch dat… als eentje een mes op je trekt dan ja…’ RI: ‘Je weet niet wat er gebeurt op een moment van adrenaline soms gaan mensen gewoon domme dingen doen.’ RIII: ‘Ja ik denk wel een paar mensen, maar ik denk niet dat veel mensen hem gebruiken. Ook drillers bijvoorbeeld lopen ermee om clips te maken bijvoorbeeld. Je hebt ook wel mensen die overvallen doen en je hebt ook mensen die gewoon om stoer te doen… Ik denk dat de kans iets van 25% is dat ze ook echt steken zeg maar.’
Uit de gesprekken kwam ook duidelijk naar voren dat leerlingen de perceptie koesteren dat vooral jonge jongens met messen op pad gaan. Een van de respondenten stelde dat het ‘wel lijkt alsof jonge kinderen het méér dragen [dan oudere jongeren]’. De geïnterviewde leerlingen gaven aan het gevoel te hebben dat het dragen van steekwapens vooral iets is van jongens van onder de 16: ‘Het zijn meestal die jongens van 12, 13, 14, 15, ik heb zelden gehoord dat een jongen van 17 of 18 een mes draagt.’
Volgens de geïnterviewde leerlingen past dit in een trend waarbij jongeren die wapens dragen “steeds jonger worden”. Opvallend veel respondenten – in verschillende focusgroepen – stellen zelfs dat jongeren van 11 jaar tegenwoordig al messen in hun bezit hebben. Tijdens de gesprekken kwam duidelijk naar voren dat wapenbezit wordt gezien als iets dat vanaf een bepaalde leeftijd niet langer “gepast” is en waar bovendien door leerlingen op wordt neergekeken. Een respondent scheen uitgebreid licht op de manier waarop het dragen van messen tegenwoordig lijkt te zijn verworden tot iets “van kleine jongens”. ‘Een mes, meneer, een mes was toen ik 15 jaar was. Nu we zijn op [vuur]wapen, meneer. Een mes kan echt niet meer, wat is dat. Mijn neefje loopt nu met mes. Ik kan niet meer met een mes lopen. Kleine boys dragen het nu. Ik ben nu 18 geworden. Ik kan niet meer met een mes. Ik wil ook niet eens opgepakt worden met een mes. Het is schande toch als je wordt gepakt met een mes. Wat is dat? Ik ben een grote jongen aan het worden, dan loop ik toch niet met een mes. Ik laat dat voor die kleine jongens. Dat is wat zij willen, toch. Ze voelen zich heel wat met dat mes. Mensen gaan anders naar ze kijken, ze blijven met één hand in hun tas. Die dingen. Ik ben ouder geworden, heb die dingen een beetje gelaten.’
92
‘Je kunt in een handomdraai aan een wapen komen’ Tijdens de gesprekken kwam, ten tweede, duidelijk naar voren dat leerlingen het gevoel hebben dat het betrekkelijk gemakkelijk is om aan een wapen te komen. Een aantal respondenten noemde hierbij in de eerste plaats de keuken(lade) van het ouderlijk huis als plaats waar moeiteloos een steekwapen kan worden verkregen. Daarbovenop werd door een aantal respondenten echter gerefereerd aan het gemak waarmee (jonge) jongeren ook in winkels messen zouden kunnen aanschaffen. Een aantal keer werd hierbij expliciet een winkel op de Oude Binnenweg genoemd. Volgens verschillende respondenten zijn ook de messen van de Action populair. ‘Weet je wat echt orgi[neel] is? Die van Action, dat keukenmes, die je uit de verpakking kunt halen met dat hoesje eraan. Die is hayek orgi [echt een klassieker]. Die hebben boys veel bij zich. Ja man, met die lopen ze meestal.’
Verschillende respondenten gaven aan zich te verbazen over het gemak waarmee (jonge) jongeren messen in de winkel zouden kunnen aanschaffen: ‘Je kan gewoon de Action binnenlopen, je koopt gewoon een mes, je kan gewoon weer weglopen zonder een probleem. Vraag dan tenminste ID. Bij bepaalde winkels vragen ze wel een ID voor energydrank, maar niet voor een mes...’
Los van de fysieke winkels, zijn wapens volgens de geïnterviewde leerlingen ook gemakkelijk legaal via internet te verkrijgen. Zo stelt een van de respondenten dat je voor 1 euro al een mes van AliExpress kunt bestellen, dat vervolgens wordt thuisbezorgd. Volgens een aantal leerlingen zijn er ook buiten reguliere winkels om manieren waarop jongeren gemakkelijk aan wapens kunnen komen. De respondenten stelden dat mensen hierbij hun sociale netwerk inzetten om een wapen te bemachtigen: RI: ‘Je woont in Rotterdam, dus je hebt altijd wel een vriend die wat verkoopt of die iemand kent. Ja aan een vuurwapen kom je meestal gewoon via via.’ RII: ‘Als jij oudere vrienden hebt, stel je voor, je hebt bijvoorbeeld een neef van vijfentwintig, die heeft echt wel vrienden waar je dat van kan kopen.’