[22bb005978] Bijlage behorende bij 22bb5977 - rapport “HET IS EEN PROBLEEM, MAAR NIET VOOR MIJ” Een onderzoek naar de achtergronden van wapens en wapengeweld onder jongeren in Rotterdam
Tekst van het document
Gerapporteerd wordt dat ongeveer 20% van de jongeren ‘wel eens’ een wapen meeneemt bij het uitgaan, rondhangen op straat of op school. Het grootste deel daarvan doet dat als middel ter verdediging in uiterste nood. Slechts 2% van de jongeren geeft aan een wapen mee te hebben om het ook te gebruiken. Meestal om de andere partij in een gevecht ontzag in te boezemen, een enkele keer voor een beroving. De auteurs geven ook een aantal dieperliggende motieven aan om wapens te dragen, zoals angst, willen imponeren, of functioneel gebruik. Wapens zouden vaker worden meegenomen op straat en in het uitgaansleven dan op school en daarbij gaat het meestal om een steekwapen (precieze cijfers worden echter niet gegeven in deze publicatie). Interessant is verder dat ongeveer een derde van de jongeren met een wapen in bezit dat ook wel eens heeft gebruikt om mee te dreigen of iemand mee te verwonden. Rond 2010 publiceerden Dijkstra en collega’s enkele studies over het dragen van wapens en vriendschapsrelaties tussen jongeren (Dijkstra e.a., 2010; 2012), maar dit betrof secundaire analyses van databestanden over jongeren in de Verenigde Staten.
Interessante bevindingen waren onder meer dat jongeren die wapens droegen vaker werden genoemd als vriend door klasgenoten en dat het hebben van agressieve vrienden en vrienden met wapens gerelateerd was aan een grotere kans om zelf later wapens te dragen. Helaas is onduidelijk of deze resultaten ook geldig zijn voor het dragen van wapens in ons eigen land. Verder verscheen recent een relevante scriptie uit Rotterdam naar aanleiding van het actieplan Wapens en Jongeren (Lebbink, 2022). Voor deze scriptie zijn enkele jongeren geïnterviewd en werd gebruik gemaakt van deels kwalitatieve vragenlijsten waarin jongeren ook konden ingaan op hun redenen en motieven om messen te dragen. Daarbij bleek het meestal te gaan om 23
ervaren onveiligheid en behoefte om zichzelf te willen beschermen, en dit was vaak versterkt door een gewelddadige gebeurtenis bij henzelf of in hun directe omgeving. Opvallend was dat sommige jongeren met messen zich oneerlijk behandeld voelden in de maatschappij en onvoldoende respect ervaarden van volwassenen. Verder is in deze scriptie ook gevraagd naar redenen om niet een mes te dragen. Dit bleek sterk te variëren. Bij een deel van de jongeren was het nooit bij hen opgekomen om dit te doen, anderen noemden de strafbaarheid van wapens of de schade die het kan opleveren als reden, en weer anderen vonden het niet praktisch. Sommige jongeren gaven aan dat het meenemen van messen voor hun gevoel juist zou zorgen voor gevaarlijkere situaties. Behalve deze studies zijn in Nederland geen onderzoeken gedaan die zich specifiek hebben gericht op wapens onder jongeren. Wel zijn regelmatig publicaties verschenen over geweld in het algemeen onder jongeren, vooral op basis van literatuuronderzoek (zie bijvoorbeeld De Haan e.a,. 1999; Loeber e.a., 2001; Schuyt, 2003). In deze publicaties wordt een heel scala aan risicofactoren genoemd, variërend van persoonlijke problemen en stoornissen en opvoedingstekorten, tot aan buurtomstandigheden, maatschappelijke ongelijkheid en culturele ontwikkelingen.
Verschillende auteurs die schreven over geweld onder jongeren pleiten voor een interdisciplinaire benadering van het probleem en een aanpak die is gebaseerd op resultaten van wetenschappelijk onderzoek.
2.2 Eerder internationaal onderzoek naar wapens onder jongeren In het buitenland is al wel behoorlijk wat onderzoek verschenen over wapenbezit en wapengebruik onder jongeren. In de Verenigde Staten betreft het vooral onderzoek naar vuurwapens (‘guns’ of ‘firearms’) onder jongeren (zie bijvoorbeeld Brown, 2004; Wilkinson & Fagan, 2001; Johnson e.a., 2013). Pistolen en geweren worden daar relatief veel gebruikt door jongeren, en dat hangt uiteraard samen met de grote beschikbaarheid van dit soort wapens in dat land. Onderzoek in de Verenigde Staten laat ook zien dat er een duidelijk verband is tussen het bezit van vuurwapens onder jongeren en hoe makkelijk vuurwapens voor hen verkrijgbaar zijn in een bepaalde regio of periode (Blumstein & Cork, 1996). Onderzoek in de Verenigde Staten naar wapenbezit en wapengebruik laat zien dat een deel van de jongeren met vuurwapens ook betrokken is bij allerlei vormen van criminaliteit (Brown, 2004; Johnson e.a., 2013). Veel van de risicofactoren (daarover meer in de volgende paragraaf) voor ‘gun ownership’ daar overlappen daarom ook voor een groot deel met die voor delinquent gedrag in het algemeen. Specifiek voor de Verenigde Staten is de relatie tussen bezit en gebruik van vuurwapens en lidmaatschap van ‘gangs’ (zie onder andere Bjerregaard & Lizotte, 1995; Pardini e.a., 2021).
Vuurwapens worden daar ook regelmatig ingezet bij het beslechten van conflicten tussen verschillende gangs en gangleden onderling, wat met name in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw een golf aan moord en doodslag tot gevolg had in de grote steden van de VS. Daarnaast wordt er een duidelijke relatie gelegd tussen het bezit en gebruik van vuurwapens en de drugshandel in de Verenigde Staten. In perioden waarin de 24
handel in drugs toeneemt, blijkt er ook in toenemende mate gebruik te worden gemaakt van vuurwapens onder jongeren. Er is in de Verenigde Staten echter ook een categorie jongeren die vuurwapens bezit, maar helemaal niet betrokken is bij criminaliteit of geweld (Brown, 2004; Johnson e.a., 2013). Veel jongeren hebben ook een wapen voor ‘recreatieve’ redenen, zij beoefenen er schietsport mee of gaan ermee op jacht (wat in de Verenigde Staten veel gewoner is dan in Nederland). Het gaat daarbij wel vaker om geweren en andere wapens die niet zo makkelijk zijn te verbergen. Pistolen en andere ‘concealable weapons’ zijn meer gerelateerd aan criminaliteit en geweld. Een ander motief dat veel wordt genoemd in Amerikaans onderzoek naar wapens is zelfverdediging of bescherming. Dat geldt dan bij uitstek voor jongeren die wonen in de meer achtergestelde wijken in de grote steden van de Verenigde Staten, al wordt er in onderzoek geen duidelijk verband gevonden tussen wapenbezit en de angst om slachtoffer te worden van geweld. Gesprekken met jonge daders laten zien dat ook voor hen zelfbescherming vaak de primaire reden is om een wapen te hebben of te dragen. Na verloop van tijd worden die wapens dan ook op een meer instrumentele manier ingezet, om conflicten te beslechten of gewelddadige vermogensdelicten te plegen (Marano, 2014).
In het Verenigd Koninkrijk zijn de afgelopen jaren op het gebied van wapens veel studies verschenen over messencriminaliteit. Vanaf de eeuwwisseling en met name rond 2008 en later weer vanaf ongeveer 2014 was daar sprake van veel aandacht voor geweldscriminaliteit waarbij messen werden gebruikt. Beleidsmakers en journalisten spraken zelfs regelmatig van een ‘knife crime epidemic’ (Hern e.a., 2005; Squires, 2009; Hitchcock, 2010; Ward, 2019). Tussen 2000 en 2008 waren er verschillende aanwijzingen dat het messenbezit en het aantal steekpartijen onder jongeren waren toegenomen (zie Squires, 2009). Daarna was er weer een geleidelijke daling totdat na 2013 het aantal mesincidenten onder jongeren weer begon te stijgen (Grimshaw & Ford, 2018). De toegenomen aandacht voor messencriminaliteit leidde in het Verenigd Koninkrijk tot veel overheidsmaatregelen en plannen, net als in Nederland een mix van repressieve en preventieve maatregelen (zie bijvoorbeeld Hitchcock, 2010). Mede door de toegenomen aandacht voor messencriminaliteit in het Verenigd Koninkrijk zijn daar meerdere factsheets en literatuuroverzichten verschenen over de betrokkenheid van jongeren bij messengeweld (bijvoorbeeld Haylock e.a., 2020; Silvestri e.a., 2009; Grimshaw & Ford, 2018; Eades e.a., 2007).
Deze overzichten maakten gebruik van eerder onderzoek naar wapenbezit en wapengebruik, maar betrokken vaak ook criminologische literatuur over geweld en ganglidmaatschap onder jongeren in bredere zin. Zo kwamen in het recente literatuuroverzicht over onderzoek dat was verricht in het Verenigd Koninkrijk naar messencriminaliteit onder jongeren en jongvolwassenen zestien studies naar voren, maar was daarvan slechts één specifiek gericht op het dragen van wapens bij jongeren. De andere onderzoeken gingen primair over ganglidmaatschap en/of ernstige geweldsmisdrijven onder jongeren. Gemeenschappelijk in deze overzichten is de boodschap dat het gaat om een complex probleem waarbij meerdere factoren zijn betrokken. Het gaat niet alleen om de 25
aanwezigheid van messen en wapens, maar ook om de individuele kenmerken van jongeren én om de sociale en maatschappelijke context waarin jongeren leven. Daadwerkelijk onderzoek naar de oorzaken van het dragen en gebruiken van (steek-)wapens onder jongeren is echter ook in het Verenigd Koninkrijk nog weinig verricht. In verschillende grootschalige onderzoeken onder jongeren in Engeland en Schotland werd ook gevraagd naar wapenbezit en de redenen daarvoor (McKeganey & Norrie, 2000; MORI, 2003; Wilson e.a., 2006). Deze studies bevestigen dat het in de Verenigd Koninkrijk bij wapens meestal gaat om messen en andere steekwapens, en niet om vuurwapens. Gevoelens van onveiligheid, eerder slachtofferschap en eigen verdediging komen als belangrijkste motieven naar voren voor het hebben of dragen van een wapen. Ook bleek er een verband te zijn tussen het gebruik van drugs en het dragen van wapens (McKeganey & Norrie, 2000). Uit een andere studie met een relatief kleine steekproef (Barlas & Egan, 2006) kwam naar voren dat jongeren die wapens dragen relatief vaak betrokken zijn bij crimineel gedrag in het algemeen. Daarnaast waren het hebben van een agressieve identiteit, laag niveau van moreel redeneren en interesse in militaire activiteiten onderscheidend voor jongeren met wapens. Palasinksi e.a.
(2019) deden een vragenlijststudie onder ruim 200 jongvolwassen mannen (19-25 jaar oud) die online waren geworven via de sneeuwbalmethode. Uit dit onderzoek kwamen twee overkoepelende factoren naar voren die samenhingen met het dragen van messen, namelijk het belang dat jonge mannen hechten aan masculiene waarden (zoals het verdedigen van de eer) en het hebben van sociaaleconomische achterstanden. In het Verenigd Koninkrijk is ook een aantal kwalitatieve studies verricht waarbij met professionals en jongeren is gepraat over wapens en redenen voor bezit en gebruik daarvan. Zo interviewden Palanski & Riggs (2012) zestien jongens van 16 en 17 jaar uit het centrum van Londen die aangaven wel eens een wapen te hebben gedragen. Hieruit kwam naar voren dat jongeren vaak messen dragen omdat ze het gevoel hebben dat autoriteiten in onveilige buurten slecht in staat of bereid zijn hen te beschermen of omdat messen masculiniteit uitstralen en ervoor kunnen zorgen dat je respect kan krijgen van anderen. Harding (2020) interviewde achttien mesdragende Londens jongens die behoorden bij een gang en betrokken waren bij drugshandel. Ook hieruit komt naar voren dat deze jongens messen dragen om zichzelf te beschermen bij afwezigheid van autoriteiten.
Voor hen vormen deze wapens ook een manier om het leven in eigen controle te houden en te laten zien dat ze beschikken over ‘straatkapitaal’ (Sandberg en Pedersen, 2011). Williams & Squires (2021) hielden interviews met twintig professionals en tien focusgroepgesprekken met in totaal achtenzeventig jongeren in Londen, en spraken over de betekenis van messen voor de jongeren zelf en over de mogelijke achtergronden daarvan. De toename in messencriminaliteit rond 2007 linken zij aan de grotere betrokkenheid van jongeren in de drugshandel nadat de politie grote misdaadorganisaties hadden aangepakt, en de toename van problematische jeugdgroepen in probleemwijken in die periode, waar de ongelijkheid steeds duidelijker zichtbaar werd als gevolg van gentrificatie. De jongeren noemden in de 26
gesprekken ook de verleidingen van de drugseconomie en het contrast tussen snel geld van de misdaad en de lage beloningen in de legale economie. Desondanks zagen de deelnemende jongeren het messenprobleem als iets dat vooral voor zou komen bij een kleine minderheid van ‘gang bangers’. De meesten van hen konden weerstand bieden en hun impulsen beheersen. Tot slot: in de genoemde publicaties wordt een heel scala aan mogelijke oorzaken, invloeden en risicofactoren genoemd. Bijlage I geeft een overzicht van de beschreven publicaties over wapens bij jongeren en de daarin genoemde factoren, gerangschikt naar het land waarin het onderzoek is uitgevoerd en het jaar van uitgave. De genoemde factoren in deze tabel zijn deels gebaseerd op onderzoek dat specifiek is verricht naar wapens, maar ze zijn ook voor een belangrijk deel overgenomen uit onderzoek naar geweld of crimineel gedrag onder jongeren in het algemeen. Onduidelijk is ook in hoeverre er sprake is van een causale relatie met het dragen of gebruiken van wapens onder jongeren of met geweld in het algemeen, of alleen van een samenhang die wordt geconstateerd. Dat betekent dus dat de genoemde factoren niet automatisch kunnen gelden als mogelijke oorzaken van of invloeden op wapens en geweld onder jongeren.
Deels zal het ook gaan om zaken die wel samenhangen met wapens onder jongeren of met probleemgedrag in het algemeen maar die geen direct (of zelfs indirect) oorzakelijk effect hebben op het dragen of gebruik van wapens. In de volgende paragraaf gaan wij nader in op wat wij zien als de belangrijkste mogelijke invloeden op het bezit en gebruik van wapens onder jongeren, en op de meer algemene theoretische aannames die wij hanteren om de verschillende factoren die worden genoemd in de literatuur te kunnen duiden.
2.3 Theoretische uitgangspunten bij het huidige onderzoek In deze paragraaf bespreken we de uitgangspunten en aandachtspunten die het huidige onderzoek naar wapens onder jongeren in Rotterdam hebben vormgegeven. Deze zijn deels gebaseerd op het eerdere onderzoek dat hierboven is beschreven, maar deels ook op eerdere criminologische theorieën en inzichten over geweld en crimineel gedrag onder jongeren in het algemeen. De motieven die jongeren hebben voor wapens en wapengeweld zijn uiteenlopend Een eerste uitgangspunt is dat er niet één enkele eenduidige reden is voor jongeren om wapens te hebben of te gebruiken. Uit eerdere onderzoeken naar wapens onder jongeren komen verschillende motieven naar voren (zie bijvoorbeeld Nijboer & Timmerman, 1992; McKeganey & Norrie, 2000; Beke & Schreuder, 2002; Marano, 2014). Door sommige jongeren worden wapens gezien als een instrument om anderen mee te kunnen aanvallen of om te gebruiken in een conflict. Een instrumenteel motief is ook het gebruik van wapens om iemand te kunnen beroven of te overvallen. Een andere belangrijk deel van de motieven die worden genoemd in de literatuur is echter gericht op de eigen veiligheid. Wapens worden door een 27
deel van de onderzochte jongeren gezien als een zelfverdedigingsmiddel of als een manier om aanvallers te bedreigen of af te weren. Het hebben of dragen van wapens kan ook bedoeld zijn als proactieve boodschap dat iemand in staat en bereid is om voor zichzelf op te komen. Maar daarnaast kan het ook bedoeld zijn om te laten zien dat je behoort tot een bepaalde groep of categorie, als een uitingsvorm van mannelijkheid of als een signaal voor een criminele of onconventionele levensstijl. Kortom, wapens zijn voor jongeren niet alleen instrumenteel bedoeld (voor criminele doeleinden of voor de eigen veiligheid), maar kunnen voor hen ook een symbolische functie hebben, zoals door verschillende auteurs op dit terrein wordt benadrukt (bijvoorbeeld Palanski & Riggs, 2012; Harding, 2020). Dat betekent ook dat de achterliggende oorzaken en invloeden uiteen kunnen lopen voor verschillende jongeren, al naar gelang de motieven die zijn hebben om wapens te dragen of te gebruiken. Het is van belang om met jongeren zelf in gesprek te gaan om meer zicht te krijgen op wat zij zien als redenen en motieven om wapens te hebben of te gebruiken (Clement, 2010; Lebbink, 2022). Daarbij gaat het niet alleen om de directe motivatie voor het dragen of gebruiken van messen en andere wapens, maar ook om de achterliggende betekenis die wapens hebben voor verschillende jongeren.
Daarnaast is het ook belangrijk om na te gaan welke redenen en motieven jongeren hebben om géén wapens te dragen of te gebruiken (Lebbink, 2022). Deze redenen kunnen ook heel divers zijn en bieden mogelijke aanknopingspunten voor beleid om wapenbezit en -gebruik te voorkomen.
Er lijkt een onderscheid tussen jongeren die wapens bezitten, dragen en gebruiken In het overgrote deel van het besproken onderzoek wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende manieren waarop jongeren betrokken zijn bij wapens. Er wordt meestal alleen gekeken naar één manier: gewoonlijk het bezitten of dragen van wapens. Het maakt echter nogal uit of je alleen thuis ergens een wapen hebt liggen, of het meeneemt op school of op straat, of het daadwerkelijk gebruikt in een conflict of om een delict te plegen. Om te beginnen is de mogelijke impact heel anders. Wapens die alleen thuis liggen, zullen minder snel worden gebruikt dan wapens die daadwerkelijk worden meegedragen op straat of elders. Zelfs als een mes of ander wapen in eerste instantie wordt meegenomen als verdedigingsmiddel, is de kans aanwezig dat conflicten escaleren en dat er gewonden vallen als een mes of pistool tevoorschijn komt. Bij daadwerkelijk gebruik van een mes of ander wapen is de impact vaak nog groter. Veel slachtoffers van bedreiging of verwonding met een wapen raken getraumatiseerd, bij daadwerkelijk steken of schieten is gewoonlijk ziekenhuisbehandeling nodig en regelmatig zijn de gevolgen zelfs fataal. Het gebruik van een wapen gaat dus veel verder dan alleen het dragen of bezitten van een wapen.
Het is ook te verwachten dat de motieven en oorzaken voor deze drie verschillende soorten gedragingen van elkaar verschillen. Degenen die alleen wapens bezitten maar niet dragen of gebruiken zullen dit mogelijk alleen achter de hand hebben ‘voor het geval dat’ of andere redenen hebben om wapens te bezitten. Bij degenen die wapens dragen maar het niet 28
gebruiken, zullen de motieven gezocht moeten worden op het gebied van veiligheid of gaat het om de symbolische betekenis van wapens. Instrumenteel gebruik, voor het beslechten van conflicten of het mogelijk maken van berovingen, ligt dan minder voor de hand. De jongeren die een wapen hebben gebruikt zijn een stap verder gegaan en hebben de grens naar geweldsgebruik overschreden. Ook hier kunnen de motieven gelegen zijn geweest in zelfverdediging of veiligheid, maar meer instrumentele motieven zijn ook goed mogelijk. Bovendien kunnen deze jongeren wapens hebben gebruikt om te laten zien dat ze bereid zijn tot ernstig geweld. Daarmee is het ook te verwachten dat het om een relatief ‘zware groep’ gaat van jongeren waarbij de oorzaken van wapengeweld prominenter aanwezig zullen zijn dan bij de andere groepen.
Persoonlijke en omgevingsfactoren zijn van belang voor wapens bij jongeren In de eerdere nationale en internationale literatuur over wapens bij jongeren is een groot scala aan samenhangende factoren genoemd. Deze factoren variëren van persoonlijke kenmerken, omgevingsfactoren tot maatschappelijke achterstanden en trends in de samenleving. Deels zijn ze ook gebaseerd op criminologische kennis over geweld en jeugdcriminaliteit in het algemeen. Het is niet altijd duidelijk in hoeverre we kunnen spreken van daadwerkelijke directe oorzaken van messenbezit of –gebruik, indirecte achterliggende factoren of wellicht zaken die wel samenhangen met wapens maar gemeenschappelijke oorzaken hebben. Om overzicht en inzicht te krijgen in de veelvoud aan factoren, kan het nuttig zijn gebruik te maken van criminologische theorieën. Daarvan zijn er vele, zoals de sociale bindingstheorie, sociale leertheorie en gelegenheidstheorie. Een recente theorie die meerdere van deze bestaande benaderingen integreert én een overzichtelijke indeling maakt van verschillende typen oorzaken van crimineel gedrag is de Situationele Actietheorie (zie onder andere Wikström, 2010; 2012). Het voert te ver om deze theorie hier in detail te bespreken maar we noemen enkele hoofdpunten die toepasbaar zijn in dit onderzoek naar wapens onder jongeren.
In de theorie wordt gesteld dat crimineel gedrag en regelovertreding in het algemeen het resultaat is van een wisselwerking tussen persoonlijke kenmerken en de omgeving waarin mensen zich begeven. De omgevingskenmerken zorgen voor situationele verleidingen en uitdagingen om regels te overtreden, de persoonlijke kenmerken bepalen in hoeverre het overtreden van de regels een optie is. De belangrijkste persoonlijke kenmerken die volgens de theorie direct van belang zijn bij de (al dan niet bewuste) keuze om regels te overtreden zijn iemands moraliteit en iemands mogelijkheden tot zelfcontrole. Als iemand een heel sterke moraliteit heeft, dan wordt regelovertreding nooit als alternatief gezien, maar het kan ook zo zijn dat regels worden overtreden uit gewoonte of overtuiging. Wanneer de morele houding ergens in het midden zit, kan regelovertreding (of crimineel gedrag) wel worden gezien als mogelijk alternatief. Dan wordt zelfcontrole belangrijk, als dat van voldoende niveau is kan iemand zichzelf in toom houden als er verleidingen of uitdagingen zijn. Bij minder mogelijkheden tot zelfcontrole zal 29
iemand echter sneller zwichten voor de verleidingen of druk van buitenaf om regels te overtreden. Toegepast op wapens bij jongeren betekent dit om te beginnen dat het van belang is om na te gaan hoe jongeren denken en zich voelen over het gebruik van wapens en over geweld in het algemeen. Jongeren kunnen in meer of mindere mate het gebruik van geweld accepteren in bepaalde omstandigheden, inclusief het inzetten van messen, pistolen of andere wapens, en dat is mogelijk ook van groot belang bij de vraag welke jongeren daadwerkelijk wapens gebruiken. Die opvattingen worden overigens weer gevormd door de directe leefomgeving van jongeren, het gezin waarin ze opgroeien, hun vriendenkring en ook bredere culturele invloeden vanuit de buurt en samenleving, waarover later meer. Bij de mogelijkheden tot zelfcontrole gaat het bij wapens onder meer over de mate waarin iemand geneigd is toe te geven aan impulsen, risico’s zoekt en agressief reageert op anderen. Deze factoren dragen mogelijk bij aan het hebben of dragen van wapens, maar zijn mogelijk nog belangrijker om te verklaren wanneer jongeren met wapens die ook daadwerkelijk gebruiken. Een aanvullende factor die voor wapens wellicht ook van belang is, is de mate waarin jongeren weerstand kunnen bieden aan groepsdruk van leeftijdsgenoten en op die manier al dan niet toegeven aan impulsen van buitenaf om wapens te hebben of te dragen.
Bij de omgevingskenmerken gaat het in de Situationele Actietheorie vooral om de mate waarin iemand zich in situaties bevindt waarin er verleidingen of impulsen bestaan om de regels te overtreden. Voor jongeren gaat het onder meer om uitgaan en rondhangen met vrienden op straat. Ook de omgang met delinquente anderen zorgt voor situaties waarin verleidingen en uitdagingen ontstaan voor regelovertreding. Dit soort omgevingsfactoren zullen ook van groot belang zijn voor het begrijpen van het dragen en gebruik van wapens bij jongeren. Hoe en waar jongeren hun tijd doorbrengen bepaalt mede hoe veilig of onveilig ze zich voelen en daardoor druk ervaren om wapens te dragen of mee te nemen naar een bepaalde plek. Het is ook van belang voor de kans om daadwerkelijk in een gevecht of conflict te raken en verleid te worden om met een aanwezig wapen te dreigen of dat te gebruiken om iemand te verwonden. Naast het activiteitenpatroon van jongeren is ook de aard van de vriendengroep van belang. Delinquente vrienden en vrienden die zich al eerder hebben beziggehouden met messen of andere wapens vormen een omgeving die het bezit en gebruik van wapens kan stimuleren.
Ook deel uitmaken van een problematische jeugdgroep die veel tijd doorbrengt in publieke ruimtes verhoogt de kans op conflicten met andere groepen jongeren maar ook binnen de groep zelf, en daarmee de kans op het dragen of gebruiken van wapens. Tot slot kan ook alcohol- en drugsgebruik worden gezien als een situationele factor die kan leiden tot meer aanleidingen voor conflicten en geweld, en het inschakelen van wapens. Daarnaast kan dat ook leiden tot een tijdelijke daling van iemands zelfcontrole (ontremming) waardoor aanwezige aanleidingen voor conflict en geweld sneller kunnen escaleren naar het gebruik van wapens.
30
Er zijn ook indirecte invloeden en andere samenhangen met wapens bij jongeren De Situationele Actietheorie maakt verder onderscheid tussen de directe en de indirecte oorzaken van crimineel gedrag en regelovertreding in het algemeen. De directe oorzaken zijn de hiervoor genoemde persoonlijke kenmerken die te maken hebben met moraliteit en zelfcontrole en de mate waarin iemand is blootgesteld aan situationele verleidingen en uitdagingen. De indirecte oorzaken, of in de woorden van de theorie de ‘causes of the causes’, zijn de achterliggende omstandigheden en kenmerken die invloed uitoefenen op de meer directe oorzaken. Hierbij is onder meer te denken aan gezins- en opvoedingssituaties en de band met ouder(s) of verzorger(s). Deze factoren kunnen tijdens de ontwikkeling naar volwassenheid grote invloed uitoefenen op iemands morele houding ten opzichte van regelovertreding en criminaliteit, iemands vaardigheden tot zelfcontrole, en de levensstijl en activiteitenpatronen tijdens de adolescentie. Ook allerlei kenmerken van de school- en buurtomgeving kunnen gelden als achterliggende oorzaken. Deze bepalen mede de mate waarin iemand wordt blootgesteld aan verleidingen en uitdagingen, maar ook aan delinquente anderen met morele opvattingen die regelovertreding en criminaliteit toelaten.
Verder kunnen ook maatschappelijke achterstanden en problemen in deze theorie worden gezien als een indirecte oorzaak van crimineel gedrag, als onderliggende verklaring van gezinsproblemen, persoonlijke achterstanden en negatieve omgevingsinvloeden. Veel van de eerder gevonden risicofactoren voor messencriminaliteit en wapens onder jongeren kunnen gelden als indirecte oorzaken. Dat geldt in de eerste plaats voor allerlei problematische gezinsomstandigheden die in het verleden zijn genoemd als belangrijke oorzaak. Met name ineffectieve opvoedingsstijlen kunnen bijdragen aan persoonlijke kenmerken die geweld en agressie bevorderen. Maar ook gezinsomstandigheden die te maken hebben met achterstanden en armoede kunnen indirect bijdragen aan messenbezit en wapengeweld bij jongeren. Dat is geen noodzakelijke uitkomst van sociaaleconomische achterstand – veel jongeren die in moeilijke omstandigheden moeten leven krijgen het wel voor elkaar om zonder problemen en politiecontacten op te groeien. Daarvoor zijn echter wel persoonlijke vaardigheden en/of ondersteuning en mogelijkheden van buitenaf nodig. Als die niet aanwezig zijn, kunnen achterstandssituaties en armoede allerlei gevolgen hebben die indirect van invloed zijn op de kans dat jongeren te maken krijgen met wapens.
Die hebben deels te maken met de maatschappelijke mogelijkheden die jongeren voor zichzelf zien en de aantrekkingskracht van criminaliteit en ‘de straat’ als alternatief. Het heeft ook te maken met de huisvesting en de buurten waar jongeren kunnen wonen en opgroeien. Jongeren met een relatief lage sociaaleconomische positie of andere maatschappelijke achterstanden en problemen wonen relatief vaker in buurten met veel delinquente leeftijdsgenoten en problematische jeugdgroepen of conflicten op straat. Dat leidt tot een grotere blootstelling aan zowel opvattingen van buurtgenoten die geweld en het gebruik van wapens ondersteunen als aan daadwerkelijke situaties van conflicten en onveiligheid.
31
Eerder is ook een relatie gevonden tussen het bezit en gebruik van messen en andere wapens en geweld en crimineel gedrag in het algemeen. Hier zal het deels gaan om een samenhang en niet zozeer een oorzakelijke relatie. Veel van de directe en indirecte oorzaken van wapens bij jongeren zijn immers ook factoren die van belang zijn bij het ontstaan van geweld bij jongeren en crimineel gedrag in het algemeen. Dat geldt bijvoorbeeld voor meerdere van de gevonden risicofactoren op het gebied van ouders, school, leeftijdsgenoten en de buurt – daarvan worden ook verbanden gevonden met jeugdcriminaliteit en geweldsmisdrijven (zie voor een overzicht Servaas e.a., 2021). Het is daarnaast echter mogelijk dat betrokkenheid bij criminaliteit leidt tot een verhoogde blootstelling aan onveilige situaties en contacten met leeftijdsgenoten die positief staan tegenover wapens en deze ook beschikbaar hebben. Dit geldt wellicht nog het meest voor de kleine maar groeiende categorie jongeren die betrokken raakt bij georganiseerde en zware vormen van misdaad (zie Weijers e.a., 2021). Het gaat daar vaak om grote bedragen, en geweld en bedreiging worden dan sneller geaccepteerd als methode om winst te behalen en conflicten te beslechten. Van belang is dus ook om aandacht te schenken aan deze vormen van misdaad onder jongeren.
Tot slot zijn in de literatuur ook allerlei samenhangen gerapporteerd met demografische factoren zoals leeftijd, geslacht en etniciteit. Dit zijn uiteraard geen echte ‘oorzaken’ van messencriminaliteit en wapens bij jongeren. Dat je een bepaalde leeftijd hebt, jongen bent of een bepaalde afkomst hebt, ‘zorgt’ er niet voor dat je een wapen gaat dragen of gebruiken. De relatie met wapens is te verklaren doordat het kenmerken zijn die in verband staan met de hiervoor genoemde directe en indirecte oorzaken. Bij leeftijd gaat het bijvoorbeeld om de relatie met het niveau van zelfcontrole en activiteiten in de vrije tijd: adolescenten kunnen moeilijker de lange termijngevolgen van hun daden overzien en gaan steeds meer tijd met vrienden doorbrengen buitenshuis (zie bijvoorbeeld Warr, 2002). Geslacht hangt ook samen met zelfcontrole en activiteitenpatronen; daarnaast bestaan er ook allerlei masculiene gedragsverwachtingen in de maatschappij die jongens onder druk zetten om stoer en agressief over te komen en krachtig te reageren op uitdagingen en beledigingen. Bij etnische afkomst gaat het waarschijnlijk mede om de maatschappelijke positie die relatief slecht is en ervoor zorgt dat jongeren in minder goede buurten wonen en vaker in problematische omstandigheden opgroeien.
Dit soort demografische factoren hangen dus mogelijk wel samen met wapenbezit en -gebruik onder jongeren, maar die samenhang zou grotendeels verklaard kunnen worden door andere oorzakelijke factoren.
32
De context en cultuur van ‘de straat’ is van belang bij wapens onder jongeren Met betrekking tot het bezit en gebruik van wapens onder jongeren verwachten wij dat de context en cultuur van de ‘straat’ van extra belang is. Uit de literatuur over wapens en meer algemeen recente studies in de criminologie blijkt dat de straat op twee manieren van belang kan zijn. Enerzijds is de straat van belang als plek waarmee jongeren zich verbonden voelen en waar ze soms groepen vormen die zichtbaar verbonden zijn met de straat. Voor sommige jongeren, met name jongeren voor wie de thuisomgeving en school weinig te bieden heeft, is de buurtomgeving een plek waar ze veel tijd doorbrengen, waarmee ze zich verbonden voelen en waaraan zij soms trots ontlenen. De straat is ook een plek waar sommige jongeren deel uitmaken van meer of minder samenhangende jeugdgroepen, die in conflict kunnen komen met andere buurtbewoners of met andere jeugdgroepen. Groepsdynamiek in combinatie met buurtverbondenheid kan ook leiden tot conflicten met groepen uit andere buurten of zelfs andere steden. In andere landen is deze dynamiek een stimulans voor territoriale conflicten tussen problematische jeugdgroepen, waarbij ook regelmatig zware wapens worden ingezet. Deze ‘gang violence’ heeft in de Verenigde Staten in het verleden tot veel doden en gewonden geleid.
In Nederland is de situatie uiteraard onvergelijkbaar, vanwege de minder ernstige ongelijkheid en geringe beschikbaarheid van vuurwapens. Toch zou ook hier het horen tot problematische jeugdgroepen in combinatie met sterke buurtverbondenheid kunnen leiden tot meer conflicten en het bezit en gebruik van wapens kunnen stimuleren. Een andere manier waarop ‘de straat’ van belang kan zijn voor wapens en geweld onder jongeren, is via de ontwikkeling van afwijkende en alternatieve waardensystemen en culturen die daarmee verbonden zijn. Zo is in de Verenigde Staten de theorie ontwikkeld dat sommige omstandigheden ertoe leiden dat mensen die zijn aangewezen op een leven op straat in de achterstandswijken van grote steden een ‘code of the street’ ontwikkelen (Anderson, 1999, zie ook Brezina e.a., 2004). Die stelt hen in staat zich te handhaven in de onveilige en onzekere omstandigheden waarin zij leven. In deze straatcode staat het krijgen van respect door hard en direct te reageren op uitdagingen en bedreigingen centraal. Door te laten zien dat je bereid en in staat bent geweld te gebruiken, kunnen mensen hun positie veiligstellen. Hoewel in Nederland de omstandigheden in achterstandsbuurten minder beroerd zijn dan in de Verenigde Staten, kunnen ook hier elementen van de straatcode aanwezig zijn en worden overgedragen tussen buurtbewoners en soms ook over generaties heen.
Daarnaast zullen jongeren die veel tijd doorbrengen op straat ook wat betreft andere aspecten van hun leven eigen opvattingen en codes ontwikkelen. In een onderzoek onder jongeren in Amsterdam West bleek dat dat er sprake kan was van een aantal specifieke ‘straatwaarden’ (De Jong, 2007), waaronder autonomie, loyaliteit, het tonen van durf en lef, hard zijn en een reputatie hebben. Deze waarden droegen bij aan overlastgevend gedrag en geweld. Het bezit en gebruik van wapens zou ook goed passen binnen deze straatwaarden, die kunnen laten zien dat iemand lef heeft en hard is, en ze kunnen bijdragen aan een reputatie als iemand voor wie je moet uitkijken. 33
Wapens en geweld lijken ook meer algemeen een rol te spelen in wat wordt aangeduid als ‘straatcultuur’. Dit is een begrip dat niet alleen staat voor bepaalde straatnormen en -waarden van de straat maar ook voor een breed scala aan symbolen (inclusief ‘straattaal’), en stijlelementen (waaronder kleding en muziek) die zijn geassocieerd met het leven van jongeren ‘op straat’, met name van jongeren in relatief marginale posities (Van den Broek, 2013; Roks & Van den Broek, 2017). Aan de ene kant gaat het hierbij om de adoptie van uiterlijke stijlen en symbolen door een substantieel deel van de jongeren, en is het ook te zien als een meer algemene uitingsvorm van jeugdcultuur. Aan de andere kant zijn er jongeren die niet alleen in uiterlijk laten zien dat ze zich verbonden voelen met de straat, maar ook opvattingen hebben en gedragingen laten zien die passen bij het leven op straat (zie Ilan, 2015). Onderdeel van deze straatcultuur is het rondhangen in publieke ruimtes, stoer gedrag en ook de suggestie van criminaliteit gedrag en een wild ‘gangsta’-leven. Het etaleren van dure spullen en een luxueuze levensstijl zijn hier onderdeel van, en ook messen en wapens kunnen worden gezien als symbolen van een gevaarlijk leven op straat.
Kortom, het fenomeen van messen en wapens bij jongeren heeft waarschijnlijk ook te maken met de mate waarin zij zich verbonden voelen met de straat en de straatcultuur. Verschillende van de hiervoor beschreven straatwaarden en de ‘code of the street’ zorgen er immers voor dat het bezit en gebruik van wapens een aanvaardbaar of zelfs gewenst ‘gedragsalternatief’ is.
Ook de online wereld is van betekenis voor wapens bij jongeren Tot slot is het van belang om extra aandacht te geven aan de rol van social media en meer in het algemeen de online wereld bij dit onderzoek. Door de opkomst van internet en smartphones is de tijdbesteding van jongeren ingrijpend veranderd. Veel jongeren zitten dagelijks uren achter een beeldscherm, deels voor games en video’s maar ook om berichten en posts op social media te bekijken en te versturen (zie o.a. Kanne e.a., 2019). Jongeren die voorheen een groot deel van hun tijd rondhingen op straat zijn nu vaker actief op social media, en voor sommige jongeren is het internet een soort ‘digital street’ geworden (Lane, 2019). De contacten met leeftijdsgenoten online zullen voor een deel een verlengstuk zijn van de contacten die zij offline hebben (zie McCuddy, 2021), maar de online wereld voegt ook nieuwe contacten toe en maakt het voor jongeren makkelijker om in contact te komen met geestverwanten wereldwijd. Het fenomeen internet bubble kan er daarbij voor zorgen dat al aanwezige opvattingen en gedragingen verder worden versterkt. Interessant met betrekking tot mogelijke online invloeden op wapenbezit en –gebruik is dat sommige jongeren op social media zich laten zien met wapens, zowel messen als vuurwapens.
Vaak wordt hiermee ook betrokkenheid met (winstgevende) criminaliteit gesuggereerd en/of een levensstijl als ‘gangster’ dan wel iemand die de weg weet in het leven op straat. Een sprekend voorbeeld van dit soort uitingen zijn te vinden in drillrapvideo’s, waarover uitgebreid is geschreven in een vorig rapport over de relatie tussen drillrap en geweld (Roks & Van den Broek, 2020). Daaruit kwam overigens over het algemeen geen directe relatie met 34
steekincidenten naar voren, maar dat betekent niet dat het zonder belang is. Indirect kan het ook bijdragen aan het bezit en gebruik van wapens door de positieve boodschap die het geeft aan jongeren die clips bekijken en doordat sommige online provocaties/conflicten in de (online) drillrapcultuur kunnen doorwerken in de offline wereld. Meer in het algemeen is het online vertoon van messen en wapens vooral te zien als een uiting van de straatcultuur waarmee sommige jongeren zich verbonden voelen (zie Roks & Van den Broek, 2020). Met dit soort posts kunnen jongeren aan de buitenwereld een straatimago laten zien. Het vormt overigens niet altijd een getrouwe afspiegeling van de werkelijkheid. Zo bleek in een eerder onderzoek onder jongeren uit Rotterdam-Zuid dat jongeren vaak foto’s posten die niet van henzelf zijn maar afkomstig van elders op het internet (Willink, 2018). Desondanks kunnen online posts over wapens en geweld wel effect hebben op wat er offline gebeurt. Eerder onderzoek heeft laten zien dat provocaties en bedreigingen onder jongeren op internet kunnen leiden tot geweld in de offline wereld, met ernstige of zelfs fatale gevolgen (zie bijv. Peterson & Densley, 2017).
Jongeren die online een gewelddadig en gevaarlijk beeld van zichzelf hebben neergezet, lopen het gevaar dat ze dat in daadwerkelijke conflicten op straat moeten gaan bewijzen als ze worden uitgedaagd (zie bijvoorbeeld Roks & Van den Broek, 2020). Conflicten die online beginnen, kunnen zo escaleren en uiteindelijk leiden tot fysieke vormen van geweld. Verder zullen niet alle jongeren heen kunnen kijken door grootspraak rond wapens en geweld op internet en mogelijk gaan geloven dat dit de standaard is onder jongeren in de buurt. Bovendien kan er ook aantrekkingskracht uitgaan van het beeld van succes en rijkdom dat online wordt gelinkt aan een gangsterachtig leven, met name voor jongeren die in het werkelijke leven minder succesvol zijn en minder kansen ervaren op conventioneel succes. Kortom, de manier waarop jongeren zich online bewegen is mogelijk van belang voor hun betrokkenheid bij wapens en geweld. Dat kan enerzijds doordat social media zorgen voor een omgeving waarin conflicten ontstaan en jongeren elkaar uitdagen en bedreigen. Anderzijds kan het online zien en consumeren van posts en video’s met wapens en geweld ook bijdragen aan een normalisering daarvan en het voor jongeren acceptabeler of zelfs gewenst maken ook zelf wapens te dragen of zelfs te gebruiken.
Dat laatste geldt wellicht nog sterker voor jongeren die extra gevoelig zijn voor groepsdruk of die op grond van andere factoren een verhoogd risico op probleemgedrag hebben.
35
Resumerend Kort samenvattend zien wij het fenomeen van wapens onder jongeren in Rotterdam als een complex probleem, waarbij we verwachten dat er een relatie is met meerdere oorzakelijke factoren, zowel direct als indirect. We verwachten dat jongeren ook verschillende motieven kunnen hebben voor betrokkenheid bij wapens, en dat het daarbij belangrijk is om onderscheid te maken tussen het bezitten van wapens, het dragen van wapens en het gebruiken van wapens. Naar onze verwachting is de groep jongeren die wapens ook daadwerkelijk gebruiken ‘zwaarder’, in de zin dat bij hen meer oorzakelijke factoren aanwezig zullen zijn dan bij de andere jongeren. Bovendien hebben zij naar verwachting vaker (maar niet alleen) instrumentele redenen om een wapen bij zich te hebben en ook daadwerkelijk te gebruiken. Bij de jongeren die wapens bezitten en dragen, maar niet gebruiken, verwachten we eerder dat de motieven te maken hebben met veiligheid (zich kunnen verdedigen) of de symbolische betekenis van wapens (voor de fun of om mee op te scheppen). Het motief van veiligheid zal worden versterkt wanneer jongeren zelf slachtoffer zijn geworden van of bedreigd worden met geweld of zich onveilig voelen doordat ze voorbeelden van geweld hebben gezien in hun omgeving of in de media. In navolging van criminologische theorieën maken wij onderscheid tussen persoonlijke en omgevingsfactoren.
Wat betreft persoonlijk factoren zijn vooral de opvattingen en houdingen van jongeren van belang, niet alleen over wapens, maar ook over geweld en regelovertreding in het algemeen. Daarnaast verwachten wij dat opvattingen die passen binnen de brede noemer van ‘straatcultuur’ (straatwaarden en de ‘code of the street’) bevorderlijk zijn voor de bereidheid wapens te dragen of te gebruiken. We verwachten ook dat persoonlijke kenmerken die te maken hebben met de mogelijkheid weerstand te bieden tegen verleidingen en impulsen vanuit de omgeving samenhangen met het al dan niet hebben, dragen of gebruiken van wapens. Bij de omgevingskenmerken verwachten we dat het rondhangen met vrienden op straat, blootstelling aan wapens en delinquent gedrag bij vrienden gerelateerd zijn aan wapens onder jongeren. Ook het horen bij problematische jeugdgroepen kan conflicten met anderen of binnen de groep bevorderen en draagt daardoor bij aan betrokkenheid bij wapens. We hebben daarbij in het bijzonder aandacht voor de online omgeving en leefwereld van jongeren. Deze omgeving kan niet alleen bijdragen aan het normaliseren van geweld en wapens, maar er ook voor zorgen dat conflicten ontstaan of eraan bijdragen dat conflicten uit de offline wereld worden versterkt en escaleren.
De persoonlijke- en omgevingskenmerken die direct in verband staan met wapens onder jongeren, worden op hun beurt weer beïnvloed door indirecte oorzaken. Deze zullen ook in verband staan met wapens onder jongeren, maar waarschijnlijk in iets minder sterke mate. Bij de indirecte oorzaken gaat het om een ongunstige opvoedingssituatie van jongeren en slecht functioneren op school, en om nog dieperliggende maatschappelijke problemen zoals buurtachterstanden en armoede of gebrek aan kansen in de thuissituatie. 36
HOOFDSTUK 3 | METHODEN VAN ONDERZOEK In dit hoofdstuk lichten we in meer detail de drie gebruikte onderzoeksmethoden toe (ze zijn al kort aan bod gekomen in paragraaf 1.3). We hebben gebruik gemaakt van vragenlijsten onder een groot aantal jongeren (zelfrapportage met betrekking tot wapenbezit, dragen, en het gebruik), groepsgesprekken met kleine groepen jongeren voor verdieping en politieregistraties over steekincidenten die uitgebreid zijn geanalyseerd. Daarmee heeft dit onderzoek een zogeheten mixed-method onderzoeksdesign, waarmee is te profiteren van grootschalige, generaliseerbare kwantitatieve data in combinatie met gedetailleerde, rijke inzichten van kwalitatieve data (Heap & Waters, 2019). Per onderzoeksmethode wordt hieronder toelichting gegeven over de manier van werven/werken, de inhoudelijke opzet en de ethische aspecten.
3.1 Vragenlijstonderzoek onder jongeren: opzet, steekproef en meetinstrumenten Dit onderzoek ging van start met de werving van scholen in de zomer van 2021. Meerdere scholen in verschillende delen van Rotterdam, en van verschillende niveaus zoals mbo, vmbo/havo/vwo, en speciaal onderwijs, ontvingen een brief vanuit de gemeente Rotterdam met informatie over dit onderzoek. Vervolgens zijn 48 scholen benaderd door het onderzoeksteam met de vraag of er een mogelijkheid was tot een kennismakingsgesprek. Van deze scholen ging ongeveer de helft met ons in gesprek. In digitale gesprekken (in verband met restricties vanwege de coronapandemie) met een of twee onderzoekers werd de opzet en het belang van het onderzoek besproken en werd overlegd over de beste werkwijze en aanpak. In totaal zijn er uiteindelijk na toestemming op 19 verschillende scholen vragenlijsten afgenomen. Er is geprobeerd een goede spreiding te bereiken van verschillende gebieden in Rotterdam en verschillende
opleidingsniveaus.
Ook
wilden
we
verschillende
leeftijdscategorieën
vertegenwoordigd zien in de steekproef. Daarom is ons onderzoek zowel op het voortgezet onderwijs als op het middelbare onderwijs uitgevoerd. We hebben ons daarbij met name gericht op jongeren uit het 3e en 5e schooljaar van het vo, en het 1e en 2e schooljaar van het mbo, met enige variatie in overleg met de deelnemende scholen. Tabel 3.1 geeft een overzicht van een de basiskenmerken van de participerende Rotterdamse scholen, locatie en schooltype. Duidelijk wordt dat de beoogde spreiding over verschillende regio’s van de stad en leerniveau’s redelijk is bereikt. Van de scholen stonden er 5 in Prins Alexander, 4 in Charlois, 3 in Feijenoord, 2 in Noord, 2 in Delfshaven, 1 in Hillegersberg, 1 in het Centrum en 1 in Hoogvliet. Er zijn zes mbo-locaties bereid gevonden om mee te doen, één mbo-schakelklas en 12 scholen voor voortgezet onderwijs. Binnen het voortgezet onderwijs waren er 10 locaties met vmboonderwijs, 2 met specifieke mavo-klassen, 5 met havoleerlingen en 4 met vwo. Overigens verschilden de scholen sterk in het aantal leerlingen dat mee konden doen, van slechts vier 37
leerlingen tot meer dan 100 per school. In bijlage II zijn de uiteindelijke respondentenaantallen per school per onderzoeksronde vermeld. Tabel 3.1: Basiskenmerken van de deelnemende scholen Aantal
Aantal Locatie Prins Alexander Charlois Feijenoord Noord Delfshaven Hillegersberg Centrum Hoogvliet
*
5 4 3 2 2 1 1 1
Schooltype vmbo mavo havo vwo mbo schakelklas mbo
10 2 5 4 1 6
* Op sommige scholen waren meerdere schooltypen vertegenwoordigd
Om te voldoen aan ethische normen (zie o.a. Israel & Hay, 2011), regels rond privacy en aan de Europese AVG-regelgeving waren er extra voorzorgsmaatregelen nodig. Deelnemers boven de 16 jaar dienden expliciet toestemming te geven voor deelname nadat zij uitgebreid werden geïnformeerd over het doel van het onderzoek, de manier waarop met de onderzoeksgegevens wordt omgegaan en over hun recht om sommige vragen niet te beantwoorden of voortijdig te stoppen met het onderzoek. Voor leerlingen onder de 16 jaar moest ook expliciet toestemming worden verkregen van ouders of verzorgers nadat zij waren geïnformeerd over doel en werkwijze van het onderzoek. Daarom werd er voor alle leerlingen tot 16 jaar een digitale informatiebrief inclusief toestemmingsformulier via de onderwijsinstelling naar de ouders/verzorgers gestuurd (zie bijlage III voor de inhoud van de informatiebrieven en toestemmingsformulieren). In de informatiebrieven stond meer informatie met betrekking tot dit onderzoek: het belang van het onderzoek, wanneer de onderzoekers op school langskwamen, hoe de vragenlijstafname in zijn werk ging en wat er met de resultaten werd gedaan. Ouders van kinderen tot 16 jaar konden op papier of digitaal toestemming (informed consent) geven zodat hun zoon/dochter (vrijwillig) kon participeren aan dit onderzoek.
Deze procedure verliep op de ene school makkelijker en beter dan op de andere. Op scholen met veel leerlingen van ouders met een migratieachtergrond was er relatief vaak sprake van een taalbarrière en viel ook de reactiebereidheid van ouders/verzorgers soms tegen. Een deel van de ouders/verzorgers stuurde de brief niet terug of gaf het niet mee, ondanks herhaalde oproepen vanuit de school. Zo was er een school waarbij we de mogelijkheid hadden om minstens 80 leerlingen te bevragen, maar waar slechts ongeveer 20 ouders/verzorgers toestemming gaven voor dit onderzoek. Alle leerlingen en mbo-studenten ontvingen van tevoren informatie over dit onderzoek en gaven aan het begin van de vragenlijst zelf digitaal toestemming om mee te doen aan het onderzoek. Daarbij was er toelichting waarover het onderzoek ging, dat ze ieder moment 38
kunnen stoppen, dat het onderzoek vrijwillig is, dat gegevens veilig worden opgeslagen en hun privacy beschermd wordt, en waar de onderzoeksgegevens voor gebruikt worden. Dit werd zowel in de eerste als in de tweede onderzoeksronde gedaan. De eerste wave van data verzamelen heeft plaatsgevonden vanaf oktober 2021 t/m december 2021 en een laatste school deed nog mee in maart 2022. De tweede wave van data verzamelen vond plaats in het voorjaar van 2022: vanaf maart t/m mei werden alle scholen die ook in de eerste ronde hadden meegegaan opnieuw bezocht. De scholen konden in deze periodes in persoon worden bezocht zonder coronarestricties. In de tussenperiode waren er wel restricties geweest, met nog een harde lockdown rond de kerstvakantie. Dit heeft de dataverzameling echter niet gehinderd. Tijdens de dataverzameling op school waren altijd een en meestal twee medewerkers van het onderzoek aanwezig; de coördinator van de dataverzameling en/of een of meer onderzoeksstagiaires die uitvoerig waren geïnstrueerd over het onderzoek. Bij de afname werd eerst een korte introductie gegeven door de onderzoeksmedewerkers, en werd meestal een introductievideo vertoond over het onderzoek. Daarna konden deelnemers digitaal de vragenlijst invullen in de klas (meestal op een laptop, soms op een computer of smartphone). Leerlingen
konden
tijdens
de
afname
vragen
stellen
aan
de
aanwezige
onderzoeksmedewerkers. Na afloop konden ze online wat voor zichzelf gaan doen. Leerlingen die aanwezig waren maar niet mee wiIden of konden doen, mochten ook online wat voor zichzelf doen. Voor het respecteren van de belangen van deelnemers en om te voldoen aan ethische grondbeginselen is het naast informed consent ook van belang om dat de gegevens niet terug te leiden zijn naar degenen die het hebben ingevuld (Israel & Hay, 2011). De privacy van de respondenten werd binnen dit onderzoek gewaarborgd doordat de data werden opgeslagen met alleen respondentnummers en geen namen of persoonsgegevens van de deelnemers. Iedere participerende school kreeg een respondentlijst toegestuurd waarop voldoende respondentnummers
stonden.
Iedere
participant
ontving
vervolgens
een
eigen
respondentnummer, die bij wave 1 en 2 hetzelfde bleef. Op die manier is longitudinaal per respondent te onderzoeken of er veranderingen in antwoorden ontstonden (ongeveer) vier maanden laten. In de vragenlijst werd als eerste vraag het respondentnummer van de participant gevraagd. De respondentlijsten werden door de scholen (beveiligd) tot de tweede afname bewaard, zodat de onderzoeksdata en de namen gescheiden bewaard bleven en de privacy van respondenten niet geschonden kon worden. Tijdens de afname kwam het enkele keren voor dat dezelfde respondent op een later tijdstip nog een keer aanwezig was bij een afname van de vragenlijst en niet doorhad al te hebben meegedaan. Na verloop van tijd werd dan wel duidelijk dat de vragenlijst al recent was ingevuld en werd de afname afgebroken. Wel kwam een deelnemer dan meermalen in de dataset voor. In deze gevallen is de tweede afname verwijderd uit het uiteindelijke databestand 39
(“ontdubbeld”). Daarnaast kwam het voor dat respondenten een verkeerd nummer invulden, soms hun eigen leerlingnummer maar ook willekeurig gekozen cijfers. De antwoorden van de eerste en tweede ronde zijn bij deze respondenten daardoor niet meer te koppelen. In een enkel geval waren er ook deelnemers met hetzelfde nummer waarbij geen sprake was van herhaalde afname maar waarbij een van de twee een verkeerd nummer heeft ingevuld. In dat geval zijn de antwoorden wel bruikbaar voor de analyse van een onderzoeksronde, maar was het ook niet meer mogelijk om de data uit beide onderzoeksronden met elkaar te koppelen. In tabel 3.2 staan de aantallen respondenten die op de verschillende scholen voor voortgezet onderwijs en mbo op de een of andere manier hebben meegedaan aan het onderzoek, en in ieder geval begonnen zijn aan de vragenlijst (nadat was gecontroleerd op dubbel invullen). Dit betreft dus de ruwe steekproef, nog voordat een extra opschoning heeft plaatsgevonden om onvoldoende en niet serieus ingevulde vragenlijsten te verwijderen. Tabel 3.2: Respondentaantallen voor opschoning van de data, per type onderwijs
voortgezet onderwijs mbo Totaal
Wave 1 (najaar 2021)
Wave 2 (voorjaar 2022)
654 350 1004
454 319 773
Tabel 3.2 laat zien dat er in de eerste ronde ruim 1.000 leerlingen hebben meegedaan aan het onderzoek. Daarvan zat ruim tweederde op het voortgezet onderwijs en bijna een derde op het mbo. De tweede afname van de vragenlijst (wave 2) heeft wat kleinere respondentaantallen dan de eerste afname (wave 1). Dat komt doordat een deel van de respondenten afwezig waren bij de tweede afname (bijvoorbeeld door ziekte of stagelopen op het mbo) en ook doordat enkele respondenten van school waren gegaan. Ook was er een school die wel meedeed aan het eind van de eerste ronde maar in de tweede ronde niet meer participeerde vanwege drukte met examens en het naderende einde van het schooljaar. Leerlingen die wel aanwezig waren op school en in de eerste ronde hadden meegedaan, waren in meerderheid bereid om nogmaals te participeren aan het onderzoek. Daarnaast was er een kleine groep leerlingen die bij de eerste afname niet aanwezig was maar bij de tweede afname alsnog meedeed. Uiteindelijk hebben 773 leerlingen meegedaan aan de tweede ronde, met in verhouding een iets kleiner aantal bevraagde respondenten bij de vo-scholen ten opzichte van de mbo-scholen.
Het databestand is nog verder opgeschoond door deelnemers te verwijderen die buiten de gewenste leeftijdsrange vielen, respondenten waarvoor het duidelijk was dat zij de vragenlijst niet serieus hebben ingevuld en respondenten die de vragenlijst voor een te klein deel hadden doorlopen. Wat betreft leeftijd hebben wij ervoor gekozen om alleen deelnemers mee te nemen in de analyse die vallen in de leeftijdsrange tussen 12 tot en met 22 jaar. Deze range 40
komt overeen met de groep adolescenten en jongvolwassenen waarover door de politie wordt gerapporteerd met betrekking tot steekincidenten (zie tabel 1.1) en met de indeling van jongeren die in aanmerking komen voor het jeugdstrafrecht en jongvolwassenen die in aanmerking komen voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Op het mbo bleken er enkele leerlingen te hebben meegedaan die nog ouder waren dan 22 jaar, die hebben wij weggelaten uit de steekproef van de eerste ronde. Voor leerlingen die alleen in de tweede ronde hebben meegedaan, hadden we geen beschikking over informatie over de leeftijd, daar hebben we deze opschoning niet kunnen uitvoeren. Om deelnemers eruit te filteren die de vragenlijst niet serieus hebben ingevuld, hebben wij gekeken naar de tijdsduur en naar het invullen van gelijke series waar dat eigenlijk niet mogelijk is. Gemiddeld deden leerlingen bijna 20 minuten over de vragenlijst, maar er waren ook leerlingen die sneller of langzamer klaar waren. Sommige leerlingen hadden de lijst echter dusdanig snel ingevuld, dat het niet geloofwaardig was dat zij de vragen zorgvuldig en eerlijk hebben beantwoord. We hebben de grens gelegd op 5 minuten: deelnemers die eerder klaar waren konden de vragenlijst redelijkerwijs niet op een serieuze manier hebben ingevuld.
Verder zijn we nagegaan in hoeverre respondenten vragenseries die hoorden bij een schaal ‘serieel’ hebben ingevuld, dus overal bijvoorbeeld ‘mee eens’ of juist ‘mee oneens’ hebben ingevuld. Bij deze reeksen waren de vragen of stellingen vaak tegenstrijdig aan elkaar waardoor zulke series niet logisch en geloofwaardig zijn. Enkele leerlingen die de meeste of alle van zulke series hetzelfde hebben beantwoord hebben wij verwijderd. Dat is niet gedaan bij leerlingen die een enkele reeks van tegenstrijdige vragen hetzelfde hebben beantwoord (dan kan het gaan om een vergissing), of bij sommige reeksen steeds de middencategorie hebben gekozen (dan is iemand steeds neutraal). Tot slot hebben we respondenten verwijderd die de vragenlijsten slechts voor een klein deel hadden ingevuld. We wilden in ieder geval dat alle leerlingen de vragen hadden ingevuld tot en met de vragen over wapens, het onderwerp van deze studie. Na deze opschoning waren er uiteindelijk in de steekproef van onderzoeksronde 1 (de eerste afname) 919 respondenten over, en in de steekproef van de onderzoeksronde 2 waren er nog 694 respondenten. Deze omvang biedt ruime mogelijkheden voor de analyses van dit onderzoek. Vervolgens is er ook een steekproef geconstrueerd van respondenten die aan beide onderzoeksronden
meededen
en
die
konden
worden
gekoppeld
op
basis
van
respondentnummer. Helaas konden niet alle deelnemers van wave 2 worden gekoppeld. Een deel van de jongeren uit wave 2 had eerder niet meegedaan en viel daardoor af. Daarnaast was op een van de deelnemende scholen de koppellijst van respondentnummers met namen van de leerlingen (die wij uit privacy-overwegingen niet zelf hebben bewaard) niet meer aanwezig. Uiteindelijk waren er in de gekoppelde steekproef nog 542 respondenten over die in beide onderzoeksronden hebben meegedaan. In tabel 3.3 zijn de demografische basiskenmerken weergegeven van de deelnemers in de uiteindelijk gebruikte steekproef in de verschillende onderzoeksrondes (waves). De 41
basiskenmerken geslacht, leeftijd en etniciteit waren alleen in de eerste onderzoeksronde bevraagd, vandaar dat niet van alle jongeren uit de tweede steekproef deze kenmerken bekend waren. Van de jongeren die aan beide waves meededen en gekoppeld konden worden, zijn de basiskenmerken wel bekend. Tabel 3.3: Basiskenmerken van de respondenten in de steekproef Wave 1 % (aantal) Schooltype vo mbo Geslacht Jongen Meisje Anders Wil niet zeggen Onbekend Leeftijd 12 of 13 jaar 14 jaar 15 jaar 16 jaar 17 jaar 18 jaar 19 of 20 jaar 21 of 22 jaar Onbekend Etnische identiteit Alleen Nederlands Gemengd Nederlands - anders Alleen niet Nederlands Meerdere andere afkomsten Onbekend Woont in Rotterdam? Ja Nee Onbekend Totaal
Wave 2 % (aantal)
In beide waves % (aantal)
66.3 % (609) 33.7 % (310)
63.9 % (443) 36.1 % (251)
63.1 % (342) 36.9 % (200)
44.5 % (409) 52.1 % (479) 1.1 % (10) 2.3 % (21)
32.3 % (224) 43.5 % (302) 0.6 % (4) 1.7 % (12) 21.9 % (152)
41.3 % (224) 55.7 % (302) 0.7 % (4) 2.2 % (12)
1.8 % (16) 15.8 % (145) 11.0 % (101) 27.8 % (256) 22.6 % (208) 9.4 % (86) 8.0 % (74) 3.6 % (33)
1.7 % (12) 13.8 % (96) 9.7 % (67) 21.2 % (147) 17.3 % (120) 6.5 % (45) 5.6 % (39) 2.4 % (16) 21.9 % (152)
2.2 % (12) 17.7 % (96) 12.4 % (67) 27.1 % (147) 22.1 % (120) 8.3 % (45) 3.9 % (39) 3.0 % (16)
50.9 % (468) 12.1 % (111) 27.1 % (249) 9.9 % (91)
44.4 % (308) 8.9 % (62) 18.2 % (126) 6.6 % (46) 21.9 % (152)
56.8 % (308) 11.4 % (62) 2.,2 % (126) 8.5 % (46)
60.9 % (560) 39.1 % (359)
52.3 % (363) 47.6 % (330) 0.1 % (1)
55.0 % (560) 45.0 % (359)
100 % (919)
100 % (694)
100 % (542)
Uit de tabel wordt duidelijk dat bijna twee derde van de steekproef in de eerste ronde bestaat uit jongeren die op het vo zaten, een derde van de respondenten is afkomstig van mboscholen. Er deden iets meer meisjes mee in de eerste ronde dan jongens, daarnaast waren er ook nog enkele jongeren die zich wat anders dan alleen een jongen of meisje voelden of op de vraag geen antwoord wilden geven. Verder waren alle leeftijden tussen 12 tot en met 22 42