[22bb005812] Bijlage 1 behorende bij 22bb5822 - Ontwerpbestemmingsplan Schiekadeblok
Tekst van het document
Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
Op 24 augustus 2021 is het advies van de Veiligheidsregio (VRR) ontvangen. Hieronder volgt een samenvatting van de geadviseerde maatregelen. De volledige brief is opgenomen als Bijlage 2 Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. De VRR stelt dat voor het bepalen van het effect en voor het bepalen van maatregelen met betrekking tot zeer kwetsbare bestemmingen wordt uitgegaan van de 1% letaliteitscontour (LC01) van het worst case scenario. En dat voor het bepalen van het resteffect en voor het bepalen van gewenste maatregelen voor (beperkt) kwetsbare bestemmingen de 1% letaliteitscontour van het meest geloofwaardige scenario is gebruikt. De VRR kan zich vinden in de uitwerking van de paragraaf 'Verantwoording groepsrisico' van de toelichting op het bestemmingsplan en de maatregelen die daarin worden beschreven. Wel adviseert de VRR nog de volgende aanvullende maatregelen: Omgevingsmaatregelen Het is van belang dat de hulpdiensten in geval van een incident op het spoor, met eventuele escalatie richting de omliggende objecten, op kunnen treden. Daarvoor dienen de objecten in het effectgebied (tweezijdig) bereikbaar te zijn voor hulpdiensten en dient er voldoende bluswater aanwezig te zijn. Voor de verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid' van de VRR.
Bouwkundige maatregelen Construeer de te realiseren gebouwen met een verblijfsgebied-vloer hoger dan 70 meter boven meetniveau conform de 'Handreiking brandveiligheid in hoge gebouwen'. Organisatorische maatregelen Draag zorg voor dat de BHV-organisaties van de verschillende gebruikers van het Schiekadeblok op de hoogte zijn van de aanwezige risico's en een duidelijk beeld hebben van het handelingsperspectief voor de aanwezigen bij het optreden van deze risico's. Gezien het feit dat het Schiekadeblok een groot aantal gebruikers heeft, is het van belang dat de BHV-organisaties elkaar informeren en ondersteunen tijdens een incident. Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Doorgaans is schuilen in een (nabijgelegen) gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website "www.rijnmondveilig.nl" staat meer informatie over wat te doen in geval van een incident. 6.6.3
Verantwoording groepsrisico
De verantwoording van het groepsrisico vindt plaats conform het Beleidskader Groepsrisico Rotterdam. Hierin is opgenomen dat er een 'zware' verantwoording noodzakelijk is bij ontwikkelingen waarbij het groepsrisico groter is dan 1 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de huidige situatie is 0,47 maal de oriëntatiewaarde. Als gevolg van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan stijgt het groeprisico naar 1,33 maal de oriëntatiewaarde. Door het college van B&W is op 27 september 2011 een expliciet besluit genomen ten aanzien van het groepsrisico van de gehele gebiedsontwikkeling in de omgeving van het station Rotterdam Centraal
57
(destijds het gebied RCD genoemd, niet te verwarren met het plangebied RCD waarvoor in maart 2021 door de Raad een bestemmingsplan heeft vastgesteld). Het college heeft besloten dat het toekomstige groepsrisico na realisatie van alle bouwlocaties binnen het gebied RCD, waar het Schiekadeblok een onderdeel van is, niet meer mag bedragen dan 5,4 maal de oriënterende waarde, gelet op het belang van de ontwikkelingen en de maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid en hulpverlening. In het bestemmingsplan zijn functies waar zeer kwetsbare groepen verblijven, uitgesloten. De zelfredzaamheid van werknemers in het gebied is groot. De zelfredzaamheid van de bewoners van de woontorens is ook groot. Er zullen ook jonge kinderen in de woontorens verblijven maar er mag vanuit worden gegaan dat zij daar onder toezicht van een volwassene zijn. Om de effecten van een incident op het spoor te verkleinen zijn extra eisen opgelegd aan de verschillende gebouwen. In regel 18.1.1 is opgenomen dat kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen 120 meter vanaf het spoor een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem en lekwerende voorzieningen bij raam- en deuropeningen, dan wel een tijdelijke vluchtruimte dienen te hebben. Daarmee wordt de zelfredzaamheid van de mensen die in deze gebouwen verblijven vergroot. Het kantorencomplex (Gemengd-5) ligt binnen het plasbrandgebied.
Aan de regels van deze ontwikkeling is toegevoegd dat het bouwwerk moet voldoen aan de constructieve eisen uit artikel 2.4 tot en met 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012. Deze eisen gelden tot 30 meter vanuit het spoor en vanaf het maaiveld tot minimaal 30 meter hoog. Hierbinnen valt onder andere ook dat er minimaal 1 uitgang van het gebouw van het spoor afgekeerd dient te zijn. Deze eisen zorgen ervoor dat in geval van een ongeval op het spoor, waarbij een plasbrand ontstaat, het gebouw zodanig ontworpen is dat iedereen het tijdig en veilig kan ontvluchten. In de bestemming 'Gemengd-1', 'Gemengd-2' en 'Gemengd-5' is opgenomen dat er een uitgang moet zijn die van het spoor af gericht is. Het bestemmingsplan en het onderzoek naar externe veiligheid zijn besproken in het Dienstbreed externe veiligheidsoverleg (DEVO) en is akkoord bevonden. Hiermee is het groepsrisico van dit bestemmingsplan volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord. Het groepsrisico als gevolg van de ontwikkeling Schiekadeblok en Pompenburg kan stijgen naar 3.2 maal de oriënterende waarde. Ook in deze bestemmingsplannen worden extra maatregelen voorgesteld om de effecten van een ongeval op het spoor te verkleinen. Binnen het plasbrandaandachtsgebied worden constructieve eisen gesteld en binnen de 100% letaliteitscontour worden geen bestemmingen waar zeer kwetsbare groepen verblijven, toegestaan.
De VRR is reeds in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming.
6.7
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.7.1
Conclusie
Uit Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam blijkt dat in het Schiekadeblok de contactzone (de bovenste meter van de bodem) slechts zeer licht verontreinigd is. De bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld is mogelijk licht verontreinigd. Op de site van de DCMR is te zien dat op verschillende locaties in het verleden bodemonderzoek is gedaan in het gebied. Hieruit volgt dat er op enkele locaties sprake is van verontreinigde grond zonder gezondheidsrisico's in de huidige situatie.
58
Het bestemmingsplan voorziet in nieuwbouw waarvoor ingrepen in de bodem nodig zijn. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning is nader bodemonderzoek noodzakelijk en indien nodig moet de verontreinigde grond worden afgevoerd of gesaneerd. Het milieuaspect bodemverontreiniging speelt geen rol bij de functiewijzigingen van bestaande panden en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
6.8
Natuur
De Europese Unie heeft richtlijnen opgesteld om de biodiversiteit te behouden. Nederland heeft hieraan uitwerking gegeven in de Wet Natuurbescherming. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Bij vaststelling van het bestemmingsplan dienen de resultaten van het natuuronderzoek derhalve bekend te zijn om hier uitsluitsel over te kunnen geven. De aard van het bestemmingsplan bepaalt in zekere mate de manier van toetsing. In bepaalde gevallen maakt een bestemmingsplan concrete ontwikkelingen mogelijk die getoetst moeten worden. Andere bestemmingsplannen zijn consoliderend van aard. Het bestemmingsplan maakt echter altijd indirect (kleine) ontwikkelingen mogelijk. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient daarom tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden een flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.8.1
Beschermde natuurgebieden
Het Schiekadeblok ligt niet in of direct grenzend aan onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een belangrijk weidevogelgebied. En ook niet binnen een op de Natuurkaart Rotterdam aangewezen groenstructuur. Het Natura 2000-gebied Oude Maas ligt het dichtst bij het plangebied. De afstand tot het plangebied is ongeveer 9,5 kilometer. Op 11,5 kilometer afstand ligt het Natura 2000-gebied buiten Boezems Kinderdijk. De sloop, aanleg en het gebruik van de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan Schiekadeblok kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitats liggen op circa 24 kilometer ten zuidoosten (Biesbosch) of circa 20,5 km ten westen van het plangebied (Solleveld & Kapittelduinen). Met het programma AERIUS Calculator 2022 is een berekening uitgevoerd voor de beoogde eindsituatie met bijhorende verkeersgeneratie en de aanlegfase, om inzicht te geven in de eventuele bijdrage van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets blijkt dat het bij het slopen in het worst case scenario 886 kg NOx wordt uitgestoten. Tijdens de aanlegfase wordt in totaal 1510 kg NOx uitgestoten. Tijdens de gebruiksfase is er wel uitstoot van NOx door het verkeer maar geen uitstoot van de nieuwe gebouwen omdat die niet worden verwarmd door middel van aardgas.
De conclusie is dat er zowel in de sloop- en aanlegfase als in de gebruiksfase in de omliggende Natura 2000-gebieden geen bijdrage van stikstofdepositie is als gevolg van de emissie van het plan, ofwel niet meer dan 0,00 mol/ha/jr. De ontwikkelingen van het bestemmingsplan Schiekadeblok hebben gezamenlijk geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Van verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten of een significant verstorend effect op soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, is geen sprake. De voortoets is bijgevoegd in Bijlage 7 Voortoets.
59
6.8.2
Beschermde soorten
In februari 2021 is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar de natuurkwaliteit en -kwantiteit van het plangebied en is gelet op de aanwezigheid van en potenties voor beschermde soorten. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 8 Flora- en faunatoets. De effecten op in het plangebied aanwezige beschermde flora en fauna door toekomstige, nu nog niet voorziene, ruimtelijke ingrepen die passen binnen de huidige bestemmingen dienen voorafgaand aan de uitvoering getoetst te worden. Hierbij is te denken aan sloopwerkzaamheden, renovatiewerkzaamheden (zoals gevelisolatie, vervangen van het dak, boeiborden of kozijnen), herinrichting van het terrein, het herinrichten van de groenstructuren of verandering. Jaarrond beschermde nesten In de natuurdatabase zijn in het bestemmingsplangebied geen waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Direct grenzend aan het plangebied zijn waarnemingen bekend van foeragerende slechtvalk. Daarnaast zijn op verdere afstand van het plangebied waarnemingen bekend van huismus. Huismus is tevens aanwezig in kleine clusters rondom het Centraal Station van Rotterdam. De exacte locatie van de verblijfplaatsen van de vogels is niet bekend.
Nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebied van huismus is noodzakelijk De bebouwing binnen het bestemmingsplangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen, zoals huismus. In de bebouwing zijn meerdere openingen bij boeiborden, regenpijpen en grotere spleten tussen overgangen van materialen aanwezig die door de soort gebruikt kunnen worden als vaste rust- en verblijfplaats. Daarnaast zijn mogelijk vogelnestkasten aanwezig op de bebouwing of daktuin. Essentieel functioneel leefgebied voor huismus kan aanwezig zijn in de bomen en het groen binnen het plangebied van het Schiekadeblok of de taluds van het spoor. Voor overige vogels met een jaarrond beschermde verblijfplaatsen in gebouwen is het bestemmingsplangebied ongeschikt wegens de stedelijke ligging of afwezigheid van geschikte voortplantingsplaatsen. De aanwezige hoogbouw is ongeschikt voor slechtvalk. Er zijn geen geschikte randen of nestkasten op de dakrand aanwezig die door deze soort gebruikt kunnen worden als verblijfplaats.
Voor de gierzwaluw ontbreken geschikte openingen met een goede aanvliegroute en zijn er geen mogelijkheden tot kolonievorming aanwezig wegens de ligging in hoofdstedelijk gebied en een tevens voor de soort ongeschikte aangrenzende bebouwing Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Hoge bomen in de vorm van populieren zijn binnen het plangebied aanwezig echter ontbreken hier horsten of geschikt nestgelegenheden voor soorten zoals ransuil, buizerd, sperwer en havik. Tevens zijn de bomen aanwezig in een enkele rij zonder beschutting en binnen hoogstedelijk gebied zonder nabijgelegen foerageergebied. Niet jaarrond beschermde nesten In het plangebied is broedhabitat aangetroffen voor soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. In het bestemmingsplangebied kunnen soorten verwacht worden zoals spreeuw, zwarte roodstaart, koolmees, pimpelmees, boomkruiper, zwarte kraai en ekster. Deze kunnen tot broeden komen in de bebouwing, mogelijk aanwezige nestkasten en de aanwezige populieren. Ten tijde van het veldbezoek was een ekster bezig met nestbouw in een in een plantenbak aanwezige lei-esdoorn.
Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette voortplantingsplaatsen van algemene vogels en categorie 5 soorten vogels (jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen) zijn te voorkomen door onder andere buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 31 juli). Deze periode kan langer of korter zijn op basis van de soort en de weersomstandigheden. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, is voorafgaand aan de werkzaamheden een inspectie door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Bij het aantreffen van een broedgeval zullen werkzaamheden moeten worden uitgesteld en/of mag in een ruime afstand rondom de nestlocatie niet worden gewerkt, dit is afhankelijk van de soort en zal worden bepaald door de ecoloog. (Algemene) broedvogels Het bestemmingsplangebied is geschikt voor diverse boom-, struweel- en gebouwbroedende
60
vogelsoorten. Waargenomen in het bestemmingsplangebied zijn onder andere kleine mantelmeeuw, merel en Turkse tortel. 6.8.3
Soorten Habitatrichtlijn
Vleermuizen Volgens de natuurdatabase van de Gemeente Rotterdam zijn in het bestemmingsplangebied geen waarnemingen van vleermuizen bekend. Verspreid over de omgeving van het plangebied zijn wel waarnemingen bekend. Ten oosten van het plangebied, aan de Haagseveer en de Goudsesingel zijn waarnemingen bekend van foeragerende gewone dwergvleermuizen en baltsende ruige dwergvleermuizen. Tevens zijn ten noorden van het spoor, ter hoogte van de Provenierssingel, waarnemingen bekend van foeragerende gewone dwergvleermuizen en baltsende gewone dwergvleermuizen. De meeste gegevens zijn afkomstig vanuit onderzoeken uitgevoerd in het kader van de flora- en faunawet of Wet natuurbescherming voor specifieke plangebieden. Deze waarnemingen geven daarom geen compleet beeld van de aanwezige populaties vleermuizen en verblijfplaatsen. Het bestemmingsplangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. In de bebouwing zijn openingen aanwezig zoals open stootvoegen, openingen onder waterslagen, wijkende gevelbeplating, openingen onder boeiborden, metalen dakstrips, openingen rondom kozijnen, openingen rondom regenpijpen en spleten en scheuren in de muren. Hier is potentie voor (massa-) winter-, zomer-, paar- en kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en laatvlieger.
Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. In de binnen en direct aan het gebied grenzende bomen zijn geen holten zoals spechtengaten of diepe scheuren aangetroffen die door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Binnen het bestemmingsplangebied bevinden zich structuren die geschikt zijn als essentiële vliegroute en/of essentieel foerageergebied. Met name de rij populieren binnen het gebied heeft de potentie als essentiële vliegroute, essentieel foerageergebied en als essentieel onderdeel van mogelijk in de bebouwing aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen (onderdeel van baltsterritoria). De hoge populieren kunnen daarnaast geschikt zijn als hop-over, over het spoor voor ten noorden gelegen foerageergebieden. Vissen Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor beschermde vissen. Open water is geheel afwezig. Grondgebonden zoogdieren Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren, opgenomen in de Habitatrichtlijn. Het plangebied is niet gelegen in of grenzend aan groengebieden als rivieren, bossen of anderzijds natuurlijke terreinen. Reptielen en amfibieën Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor soorten reptielen en amfibieën van de Habitatrichtlijn.
Geschikt habitat voor rugstreeppad in de vorm van zand- of veengronden met ondiepe, visarme of visloze poelen of slootjes ontbreekt. Geschikt habitat voor zandhagedis, heikikker of kamsalamander in de vorm van zandgronden, ondiepe poelen, veenweidegebied met sterk begroeide oevers of bospoelen is afwezig. Het plangebied ligt tevens buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van deze soorten. Overige soortgroepen Overige Habitatrichtlijnsoorten worden op basis van habitatvereisten en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht binnen het bestemmingsplangebied. Het overgrote deel van het bestemmingsplangebied ligt binnen stedelijk gebied en/of buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van deze soorten.
61
6.8.4
Nationaal beschermde soorten
Grondgebonden zoogdieren Het bestemmingsplangebied is ongeschikt als voor nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt in de provincie Zuid-Holland. Geschikt habitat in de vorm van aaneengesloten bosgebied, nat veenweidegebied of anderzijds ecologisch beheerde terreinen ontbreekt wegens de hoogstedelijke ligging. Tevens is rondom het plangebied geen functioneel leefgebied voor dergelijke soorten aanwezig. Het gebied is nagenoeg volledig verhard. In het bestemmingsplangebied kunnen mogelijk Nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren worden verwacht waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Dit betreffen met name muizen zoals huisspitsmuis. Geschikt habitat voor deze soort is aanwezig in het schaars aanwezige groen. Tevens kunnen deze soorten inpandig aanwezig zijn. Vaatplanten Het bestemmingsplangebied is potentieel geschikt voor beschermde vaatplanten, te weten schubvaren. Binnen het bestemmingsplangebied zijn op meerdere locaties muurdelen met hoge aantallen muurvarens aangetroffen. Ten tijde van het veldbezoek werden enkel muurvarens aangetroffen, echter is aanwezigheid van schubvaren niet uitgesloten. Nader onderzoek naar de groeiplaats van de schubvaren is noodzakelijk. Vissen Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor beschermde vissen. Open water is geheel afwezig.
Reptielen en amfibieën Het plangebied is ongeschikt voor nationaal beschermde reptielen en amfibieën zowel vrijgesteld als niet vrijgesteld van ontheffing. Geschikte voortplantingswateren zijn in en direct rondom het bestemmingsplangebied afwezig en geschikte groenstructuren om te schuilen zijn eveneens afwezig. Overige soortgroepen Overige nationaal beschermde soorten worden op basis van habitatvereisten en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht binnen het bestemmingsplangebied. 6.8.5
Bomen
In het plangebied zijn geen bomen met een bijzondere beschermingswaarde aanwezig.
62
Uitsnede uit digitale kaart 'Bijzondere bomen'
6.8.6
Conclusie
In het bestemmingsplangebied zijn potenties aanwezig voor vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig, te weten huismus. In het bestemmingsplangebied zijn potenties aanwezig voor de Habitatrichtlijnsoorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en laatvlieger. In het bestemmingsplangebied zijn potenties aanwezig voor de Nationaal beschermde soort schubvaren. Deze is niet vrijgesteld van ontheffingsplicht. In het bestemmingsplangebied zijn potenties aanwezig voor van ontheffing vrijgestelde Nationaal beschermde zoogdieren. Door de voorgenomen ontwikkelingen kunnen groeiplaatsen van schubvaren, vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied van huismus en vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied van gebouwbewonende vleermuizen verloren gaan. Nader onderzoek naar groeiplaatsen van schubvaren en van vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebied van huismus is noodzakelijk. Voor vleermuizen dient nader onderzoek uitgevoerd te worden voor de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en laatvlieger voor de functies zomer- kraam-, paar-, (massa-) winterverblijfplaats en essentieel functioneel leefgebied zijnde foerageergebied en vliegroute.
Voor de mogelijk aanwezigheid van beschermde muurflora, vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van huismus wordt redelijkerwijs verwacht dat indien noodzakelijk een ontheffing kan worden verkregen door middel van het nemen van de juiste maatregelen. Het bestemmingsplangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor Nationaal beschermde soorten die in de provincie Zuid- Holland zijn vrijgesteld van ontheffingsplicht. Nader onderzoek naar Nationaal beschermde soorten vrijgesteld van ontheffing is niet noodzakelijk, wel
63
geldt te allen tijde de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het ongeschikt maken van het terrein voorafgaand aan de werkzaamheden, het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij voorafgaand of tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, of het werken in één richting waarbij de dieren een vlucht mogelijkheid hebben. Bij de daadwerkelijke realisatie van de nieuwe ontwikkelingen zullen ambities worden meegegeven aan de marktpartijen om natuurinclusief te bouwen. Ook voor de inrichting van de Delftsehof zal bij het Programma van Eisen een natuurinclusieve ambitie worden meegegeven. Platte daken met groene inrichting, voorzieningen aan gevels en ook de Delftse Hof bieden immers mogelijkheden. Geadviseerd wordt om bij renovatie of nieuwbouw gebouwen geschikt te maken voor medebewoning door bijvoorbeeld vleermuizen, gebouwbewonende vogels of bijen (natuurinclusief bouwen). De nieuwbouw (woontoren) is geschikt voor plaatsing van nestkasten voor slechtvalk. Het areaal daktuin en groene daken kan in de nieuwe situatie vergroot worden. Het bestemmingsplangebied is sterk verhard. Groene ruimten en beplantingen zijn, buiten plantbakken, nagenoeg niet aanwezig.
Er kan voor gekozen worden om meer locaties in te richten met beplantingen zoals lage bomen of struiken. Het bestemmingsplan, met inbegrip van bovenstaande, is 'aanvaardbaar' vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
6.9
Bezonning
Voor de geplande bebouwing binnen bestemmingsplan Schiekadeblok is een bezonningsonderzoek uitgevoerd in de ontwerpfase van het stedenbouwkundig plan voor het Schiekadeblok. Doel van het onderzoek is de schaduwwerking van de geplande hoogbouw te toetsen aan de bezonningscriteria van de Hoogbouwvisie 2019 van de gemeente Rotterdam. In verband met specifieke criteria voor de bezonning van de woningen in de Provenierswijk is tevens de bezonning van de bestaande woningen in de Provenierswijk onderzocht.
Nieuwe bebouwing in het gehele gebied Rotterdam Central District
De Provenierswijkregel moet worden toegepast voor het toetsen van de effecten van de bezonning van ontwikkelingen in het gebied Rotterdam Central District. Bij het bepalen van de effecten van het Schiekadeblok, zijn de ontwikkelingen in bestemmingsplan Rotterdam Central District meegenomen. Hiermee zijn de cumulatieve schaduweffecten van de nu planologisch mogelijk gemaakte projecten met hoogbouw zoals het Tree House op het Delftseplein en de uitbreidingsmogelijkheden van Delftsepoort en Unilever in beeld gebracht.
64
De effecten van de nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van het Schiekadeblok zullen worden onderbouwd aan de hand van het Afwegingskader bezonning. Omdat de Provenierswijkregel en het Afwegingskader bezonning niet vergelijkbaar zijn, is er geen cumulatief bezonningsonderzoek uitgevoerd voor alle ontwikkelingen in de omgeving. In het bezonningsonderzoek zijn om te beginnen 2 grove modellen berekend. Het verschil tussen beide modellen is de locatie van de toren op of achter het bestaande Schieblock. De afmetingen van de twee modellen zijn af te lezen in onderstaande figuren.
model 1
model 2
Op een later moment is er nog een derde model toegevoegd aan het onderzoek, model 3.
65
model 3
De resultaten van de onderzoeken zijn opgenomen in paragrafen 6.9.1 en 6.9.2. 6.9.1
Conclusie Hoogbouwvisie
Voor gebouwen hoger dan 70 meter is in Rotterdam de Hoogbouwvisie 2019 van toepassing. Hierin is een rekenmethode voor bezonning beschreven. Bij de toetsing wordt gerekend met door de gemeente opgestelde referentiemodellen. In deze modellen is de planologische bebouwingssituatie geprojecteerd voor de referentiejaren 2011 en 2019. De eisen voor bezonning in de Hoogbouwvisie richten zich op de bezonning op gebiedsniveau in de openbare ruimte. Hiervoor zijn 3 verschillende aspecten gedefinieerd met een eigen toetsingskader: sunspots, representatieve ruimtes en openbare ruimte met een basiskwaliteit. Zie ook 2.3.6 Hoogbouwvisie 2019.
In het bestemmingsplan Schiekadeblok en in de directe nabijheid liggen geen 'sunspots' waar géén verslechtering mag plaatsvinden. De nieuwbouw die mogelijk wordt gemaakt in dit bestemmingsplan heeft geen invloed op de sunspots. In gebieden met de aanduiding 'representatieve ruimte' mag op de toetsingsdata 21 juni en 21 september een geringe verslechtering van de bezonning plaats vinden en geldt een eis voor een
66
minimale gemiddelde bezonningsduur. De schaduwwerking van de geplande hoogbouw voldoet aan de eisen voor gebieden met de aanduiding 'representatieve ruimte'. De Provenierswijk valt buiten het te toetsen gebied van de Hoogbouwvisie. Gezien de ligging in het potentiële invloedsgebied van de te toetsten hoogbouw is de Provenierswijk voor de volledigheid in de beoordeling van het gebied met een 'basiskwaliteit' meegenomen. De witte gebieden op de bovenstaande kaart zijn locaties met een basiskwaliteit. Hier mag maximaal 2 uur extra in de schaduw vallen op de data 21 juni en 21 september. De schaduwwerking van de geplande hoogbouw voldoet aan de eisen voor gebieden met een 'basiskwaliteit'. 6.9.2
Conclusie Provenierswijkregel
De leidraad voor de bezonning van de Provenierswijk gaat uit van de maatgevende periode tussen 21 maart en 23 september. De extra schaduw op de woningen van de Provenierswijk mag in deze periode maximaal 1 uur bedragen. De bezonningsduur ter plaatse van de woningen in de Provenierswijk is getoetst aan de hand van meetpunten op de voor- en achtergevels van individuele woningen. De meethoogte bedraagt 0,75 meter boven vloerniveau. In het bezonningsonderzoek is geconcludeerd dat voor de modellen 1 en 2 de woningen aan Schiekade 161 aan de achterzijde meer dan 1 uur extra schaduw krijgen. Hierdoor voldoen de doorgerekende modellen niet aan de Provenierswijkregel. Bij alle andere woningen in de Provenierswijk blijft de schaduw binnen de grens van maximaal 1 uur. Voor model 3 geldt dat deze voldoet aan de Provenierswijkregel en binnen de grens van maximaal 1 uur blijft. In het onderzoek is door Peutz aangegeven welke aanpassingen doorgevoerd moeten worden voor de modellen 1 en 2 zodat ook de woningen aan de Schiekade 161 voldoen. Hierop is het ontwerp van modellen 1 en 2 van de Schieblocktoren en de spoorstrook aangepast. De benodigde aanpassingen zijn weergegeven in de figuur hieronder en luiden als volgt: Om te voldoen aan aanpassing A is een gedeeltelijke verlaging van de bebouwing van ca. 1 meter vereist.
In het onderzoek is uitgegaan bebouwing op de spoorstrook van 52,2 meter hoog. De hoogte van deze bebouwing is in het bestemmingsplan gemaximeerd op respectievelijk 45 en 39 meter. Hiermee wordt ruim voldaan aan aanpassing A. Om te voldoen aan aanpassing B is - bij beide modellen - vereist dat de aangegeven hoek van de bovenbouw van de toren minder scherpt wordt. De bebouwingsmogelijkheid in het bestemmingsplan is hierop aangepast.
Verder wordt opgemerkt dat in modellen 1 en 2 is gerekend met een hoogte van 204,1 meter. In model 3 is gerekend met een hoogte van 201 meter. De maximale bouwhoogte bedraagt 200 meter. De modellen, inclusief de benodigde aanpassingen, zijn zorgvuldig vastgelegd in het bestemmingsplan. Hiermee is geborgd dat de verschillende varianten van de bebouwing op de spoorstrook en van de Schieblocktoren in alle gevallen passen binnen de norm van de Provenierswijkregel.
67
De drie verschillende toren varianten zijn vastgelegd met de specifieke bouwaanduidingen sba-1 (model 1), sba-2 (model 2) en sba-3 (model 3). Een ontwerp dat niet binnen één van deze modellen past, past ook niet in het bestemmingsplan. De bijbehorende planregels zijn vastgelegd in lid 5.2.2. Het bezonningsonderzoek is bijgevoegd in Bijlage 9 Bezonningsonderzoek.
6.10
Windhinder
De windhinder is onderzocht op basis van een 1:300 schaalmodel van het Schiekadeblok van de geplande bebouwing in een windtunnel. Hiermee is het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing beoordeeld. Voor de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. 6.10.1 Conclusie In de bestaande bebouwingssituatie is op de meeste plaatsen in en rond het plangebied sprake van een goed of soms matig windklimaat. Op twee plekken krijgt het windklimaat een beoordeling slecht, dat is bij de bestaande bebouwing ter hoogte van Central Post en bij de benzinepomp aan de oostzijde van de Schiekade. Schieblocktoren Er zijn twee scenario's voor de positie van de Schieblocktoren onderzocht. De situatie waarbij de Schieblocktoren niet op het Schieblock staat maar direct ten westen daarvan blijkt voor het windklimaat
68
het best uit te pakken. Desondanks is aan de noordzijde van de Schieblocktoren, in de Schiestraat, een slecht windklimaat te verwachten. De optimalisatie van het windklimaat wordt bereikt door het onderste deel van de Schieblocktoren tot circa 65 meter hoogte 8 meter in zuidelijke richting te verschuiven. De valwind ten gevolge van de Schieblocktoren komt dan bij de dominante windrichting zuidwest deels op het verhoogde maaiveld bij de noordwesthoek van de Schieblocktoren waardoor een slecht windklimaat en een beperkt risico op windgevaar in de lager gelegen Schiestraat wijzigt naar een matig windklimaat. De verschuiving van het onderste deel van de Schieblocktoren is op de verbeelding aangegeven met 'specifieke bouwaanduiding - 4'. In de regels is aangegeven dat ter plaatse van deze bouwaanduiding een bouwhoogte geldt van 5 meter, met dien verstande dat de gronden vanaf 40 meter overkraagd mogen worden ten behoeve van een toren. Op deze manier is bredere opening geborgd. Wel is er in de regels een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om de opening minder breed te maken, indien aangetoond kan worden dat het windklimaat niet verslechterd. Op het verhoogde maaiveld dient nabij de noordwesthoek zeer plaatselijk rekening gehouden te worden met een slecht windklimaat. Dit kan met maatregelen in de vorm van bijvoorbeeld een scherm nader worden verbeterd.
In de doorgang door het Schieblock richting de Luchtsingel is plaatselijk sprake van een als slecht te beoordelen windklimaat en een beperkt risico op windgevaar. Doordat dit wordt veroorzaakt door luchtdrukverschillen als gevolg van de Schieblocktoren is met plaatselijke maatregelen nauwelijks een verbetering van het windklimaat te verkrijgen, anders dan de doorgang dicht te zetten met een sluisconstructie of tourniquet (draaideur). Dit vereist aandacht bij de uitwerking. In de regels is geborgd dat met onderzoek inzicht wordt geboden in de mogelijke gevolgen van windhinder in de omgeving van het gebouw en de eventueel daaruit voortvloeiende maatregelen die moeten worden genomen en/of aan te leggen voorzieningen. Het college kan indien nodig voorwaarden verbinden aan de vergunning. Dakakker Op de dakakker is door de situering naast de Schieblocktoren sprake van een toename van windhinder. Met behulp van 3 meter hoge schermen is een deel van de verslechtering te compenseren maar er blijft ook dan een matig tot slecht windklimaat te verwachten. Het heeft nauwelijks effect de schermen te verhogen. In regel 5.2.2 is een aangeven dat op het dak een kas mag worden geplaatst. Plein Op het centrale plein is op de meeste plaatsen een goed windklimaat voor de categorie 'doorlopen' te verwachten.
Bij toekomstige windgevoelige functies zal met het slentercriterium, zonder additionele afscherming, zeer plaatselijk op het plein sprake zijn van een matig windklimaat. Met de toevoeging van de geplande begroeiing of schermen is een beoordeling 'goed' op het plein ook met dit criterium haalbaar. Dit wordt meegenomen bij het ontwerp van de inrichting van de buitenruimte. Perrontoren In de Schiestraat is aan de noordzijde van de Perrontoren plaatselijk sprake van een matig windklimaat. Dit geldt ook voor de westgevel van de Perrontoren en in de onderdoorgang ten zuiden van deze toren. De breedte van de onderdoorgang heeft geen effect op het plaatselijke windklimaat. Ter plaatse van de bestaande onderdoorgang van de Delftsestraat naar het centrale plein blijft ten gevolge van een gunstige oriëntatie ten opzichte van de dominante windrichting een goed windklimaat aanwezig in de geplande situatie. Het windonderzoek is bijgevoegd in Bijlage 10 Windonderzoek. Luchtsingel Op de Luchtsingel is in de bestaande situatie aan de oostzijde van de Schiekadeblok plaatselijk sprake van een (zeer) matig windklimaat. Ten gevolg een geringe verslechtering in de geplande situatie is zonder nadere maatregelen sprake van een slecht windklimaat. Dit kan effectief worden voorkomen met een plaatselijke afscherming, dit is onderdeel van het ontwerp van de nieuwe Luchtsingel.
In verband met het globale karakter van het onderzoek in deze fase is in de weergave van de meetresultaten uitgegaan van minst strenge beoordelingscriterium voor doorlopen. Voor windgevoelige functies zoals gebouwentrees (hoofdentrees) en verblijfsgebieden wordt geadviseerd een beoordeling goed voor slenteren te hanteren. In een latere fase wordt op basis van het definitief ontwerp voor de (her)ontwikkeling van een locatie opnieuw een windonderzoek gedaan.
69
6.11
Duurzaamheid en energie
Voor de gebiedsontwikkeling in dit plangebied is ook duurzaamheid een thema. Rotterdam streeft naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De Rotterdamse Woningkwaliteit' (RWK) is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit 2012 en bestaat uit de zes thema's oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Algemeen kan worden opgemerkt dat de beoogde woningen worden gebouwd conform het huidige Bouwbesluit. Daardoor dient voldaan te worden aan de hierin opgenomen duurzaamheidseisen. Dit betekent onder andere dat de woningen gasloos worden uitgevoerd. De ambitie ligt echter hoger. Voor dit plangebied gaat specifieke aandacht gaat uit naar energietransitie, klimaatadaptieve omgeving en mobiliteitstransitie. Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw.
Om bij deze gebiedsontwikkeling een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam is op gebiedsniveau en op gebouwniveau rekening te houden met de duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie-eisen. In het proces van het gaan samenwerken met marktpartijen om de woningbouw, de kantoorontwikkeling en de renovatie en transformatie van de bestaande bouw te realiseren zullen deze thema's een rol spelen. Het zijn thema's die niet of slechts in geringe mate een plek hebben in de planregels van dit bestemmingsplan. Zij zullen een plek krijgen in onder andere selectiedocumenten voor marktpartijen of op andere wijze. In relatie tot energieprestatie leent deze ontwikkeling bijvoorbeeld zich uitstekend voor het slim omgaan met warmte- en koudebehoefte. Tijdens de ver(bouw) zal aandacht moeten worden besteed aan compact en tevens flexibel bouwen, en het toepassen van gerecyclede en tevens emissieloze bouwmaterialen. Aan klimaatadaptie en over mobiliteitstransitie is in vorige hoofdstukken aandacht besteed.
6.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). 6.12.1 Ontwikkeling Schiekadeblok De planvorming voor herontwikkeling van het Schiekadeblok is jaren geleden begonnen. In maart 2011 is de structuurvisie Rotterdam Central District en het bijbehorende plan-MER vastgesteld. Voor de uitwerking van het deelgebied Schiekadeblok is destijds gestart met een bestemmingsplan en een project-MER waarin enkele varianten zouden worden onderzocht. Hiervoor is een Notitie reikwijdte en detailniveau gepubliceerd in november 2011. De ontwikkeling ging uit van de sloop van alle bestaande bouwwerken en de nieuwbouw van 240.000 m2 bvo voorzieningen, kantoren en woningen. Dit plan is door de kredietcrisis nooit tot wasdom gekomen. In 2018 is de cultuurhistorische verkenning "Schiekadeblok en Rotterdam Central District" vastgesteld en daarmee steeg de aandacht voor de cultuurhistorische waarde van het ensemble en de beeldbepalende panden.
Voor de herontwikkeling van het Schiekadeblok is vervolgens de Nota van Uitgangspunten de keuze gemaakt om een groot deel van de bestaande panden te behouden. Het stedenbouwkundig plan dat in grote lijnen de onderlegger is voor dit bestemmingsplan is tot stand gekomen na uitgebreid milieuonderzoek. Door de resultaten van dit onderzoek zijn het programma en de volumes maximaal geoptimaliseerd. Het grootste deel van de bestaande panden wordt behouden en daarmee is het totaal programma voor het Schiekadeblok een stuk lager dan in de plan-MER in 2011 is onderzocht. In dit bestemmingsplan worden in totaal circa 140.000 m2 nieuwe voorzieningen, waaronder
70
werkruimtes, kantoren (circa 50.000 m2) en woningen (maximaal 650) en circa 230 ondergrondse parkeerplaatsen (9.000 m2) mogelijk gemaakt. Het Schiekadeblok is bijzondere locatie in de stad, dicht bij het Centraal Station, metrohaltes, trams en bussen. Het Schiekadeblok leent zich voor het gebruik van het OV en deelmobiliteit. Daarom is voor deze ontwikkeling gekozen om een parkeergarage te maken met slechts 230 parkeerplaatsen en huidige parkeerplaatsen op het maaiveld te verwijderen. Ook bestaat de mogelijkheid om de auto te parkeren in de Kruispleingarage. De bereikbaarheid van het gebied blijft ongewijzigd. Voor autoverkeer vormen Weena en Schiekade de hoofdontsluiting. Via Poortstraat of de route Delftse Poort/Delftseplein bereikt men vervolgens het Schiekadeblok. Het wegrijden verloopt ook langs Delftseplein/Delftse Poort. Voor de bevoorrading is de mogelijkheid om de route Poortstraat, Delftsestraat, Schiekade, Schiestraat te gebruiken. Voor fietsers en voetgangers is er een fijnmaziger netwerk. Dit netwerk sluit gaan op de hoofdroutes Weena en Schiekade. De Schiestraat wordt een autoluwe weg. Het grootste deel van de gebouwen en grond is in handen van de gemeente waardoor er door middel van een tenderprocedure voorafgaand aan de verkoop van de grond veel ruimte om de ontwikkelaar uit te dagen voor een plan met extra ambitie en kwaliteit.
6.12.2 m.e.r.-beoordeling Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De bedrijfsvloeroppervlakte van nieuwe ontwikkelingen in het bestemmingsplan is minder dan 200.000 m2 en het aantal te realiseren woningen is lager dan 2000. Het bestemmingsplan is om die reden niet formeel m.e.r.-beoordelingsplichtig. Mogelijk is de ontwikkeling van het Schiekadeblok wel m.e.r.-plichting als belangrijke nadelige gevolgen op het milieu het gevolg zijn. In de bovenstaande paragrafen zijn alle milieuonderzoeken en de resultaten beschreven. 6.12.3 Effecten van het ontwikkeling op het milieu Voor het bepalen van de effecten van de ontwikkeling op het milieu is ook gekeken naar de ontwikkelingen in de directe omgeving van het Schiekadeblok. Aan de oostzijde wordt gewerkt aan de herontwikkeling van Pompenburg, aan de zuidzijde zijn grote woningbouwontwikkelingen en aan de westzijde is het bestemmingsplan Rotterdam Central District vastgesteld met ruimte voor nieuwe ontwikkelingen.
Er is geen samenhang tussen deze ontwikkelingen met betrekking tot de fasering en financiering, ook is er geen onderlinge afhankelijkheid, de nieuwbouwplannen kunnen afzonderlijk van elkaar worden ontwikkeld. Door de nabijheid van de verschillende ontwikkelingen hebben ze wel gezamenlijk effect op het verkeersmodel en op de populatiegegevens. In dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van het verkeersmodel waarin alle nieuwe ontwikkelingen in de omgeving van het Schiekadeblok zijn opgenomen zodat gerekend wordt met de maximale toename van verkeer. In het verkeersmodel zijn de ontwikkelingen die mogelijk zijn gemaakt in bestemmingsplan Rotterdam Central District opgenomen en de ontwikkelingen waarvan de planvorming op dit moment in uitvoering is: Pompenburg, Rise en Lumière. Voor het berekenen van het groepsrisico zijn de ontwikkelingen in bestemmingsplan Rotterdam Central District, Schiekadeblok en Pompenburg bij elkaar opgeteld en onderbouwd. Geluid Uit de akoestisch onderzoeken is gebleken dat het Schiekadeblok door het spoor, de Schiekade en de horeca een geluidbelast gebied is. Aan de zijde van het spoor wordt de maximale ontheffingswaarde overschreden.
In de regels is opgenomen dat woningen alleen zijn toegestaan met een dove gevel of als met een akoestisch onderzoek kan worden aangetoond dat het ontwerp van de woningen zodanig is dat er geen overschrijding van de maximale ontheffingswaarde meer op gevel is. De toekomstige ontwikkelaar wordt hierdoor uitgenodigd om een slim ontwerp te maken. Omdat de woningen eenzijdig georiënteerd zullen zijn, is het niet mogelijk dat elke woning een geluidluwe zijde heeft. De woningen
71
voldoen niet aan het Ontheffingenbeleid en er is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af te wijken van het beleid. Als compensatie voor de geluidbelaste gevel en buitenruimte wordt in beide woontorens een collectieve geluidluwe buitenruimte gemaakt. Bovendien wordt in de regels gesteld dat een omgevingsvergunning voor bouwen slechts wordt verleend indien met een studie is aangetoond dat is gestreefd naar een optimale inrichting van de woningen in het gebouw waarbij aandacht is besteed aan de hoge geluidbelasting ter plaatse. Ook hier wordt de ontwikkelaar uitgedaagd om een gebouw te ontwerpen met aandacht voor de akoestische situatie. Om de gewenste horeca en terrassen in de toekomst voldoende ruimte te bieden, is in het bestemmingsplan opgenomen aan welke eisen de isolatie van de horeca moet voldoen maar ook aan welke eisen de gevels van de nieuwe woningen moeten voldoen. De geluidbronnen om de nieuwe woningen zorgen voor nadelige effecten in de vorm van een hoge geluidbelasting op de gevel van de gebouwen. Op deze locatie is het belang van het toevoegen van nieuwe woningen erg groot en daarom is ervoor gekozen om voornamelijk te kijken naar een goede binnenwaarde voor de woningen.
Trillingen In dit bestemmingsplan is in de regels opgenomen dat alleen een vergunning voor het bouwen van woningen kan worden verleend als is aangetoond dat wordt voldaan aan de streefwaarden uit de SBR richtlijn deel B met betrekking tot het aspect trillingshinder. Hierdoor zijn er geen nadelige effecten te verwachten. Luchtkwaliteit De ontwikkeling van het Schiekadeblok valt onder het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. In de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Netto zijn er geen nadelige effecten te verwachten. Externe veiligheid De ontwikkeling van het Schiekadeblok ligt buiten de contour van het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico stijgt van 0,47 maal de oriëntatiewaarde naar 1,33 maal de oriëntatiewaarde en uiteindelijk stijgt het groepsrisico naar maximaal 3,2 maar de oriëntatiewaarde als alle ontwikkelingen langs het spoor gereed zijn. De stijging van het groepsrisico valt binnen maximale stijging van 5,4 maal de oriënterende waarde die in de Uitvoeringsovereenkomst (UOK) is afgesproken. De stijging van het groepsrisico is verantwoord door het uitsluiten van functies waar zeer kwetsbare groepen verblijven.
Om de kans op grote effecten te verkleinen zijn via de regels allerlei maatregelen opgelegd waar nieuwe gebouwen langs het spoor aan moeten voldoen. Het nadelige effect is dat het groepsrisico stijgt maar dit is mogelijk binnen de gemaakte afspraken. Bodem De bodem ter plaatse van het Schiekadeblok is in de huidige situatie zeer licht verontreinigd. Er is geen reden om aan te nemen dat de nieuwe ontwikkeling zal leiden tot bodemvervuiling dus er zijn geen nadelige effecten te verwachten. Water De ontwikkellocatie is vrijwel volledig verhard waardoor er geen compensatieopgave in het gebied is voor de nieuwbouw. Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen eist de gemeente dat 50 mm hemelwater op eigen terrein wordt opgevangen. In de regels is opgenomen hoeveel m3 dit per nieuwbouwlocatie is, daarmee hebben de ontwikkelingen geen nadelige effecten op het oppervlaktewater in de omgeving. Natuur Door de voorgenomen ontwikkelingen kunnen groeiplaatsen van schubvaren, vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied van huismus en vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied van gebouwbewonende vleermuizen verloren gaan. Hiervoor zal nader onderzoek moeten worden gedaan en mogelijk mitigerende maatregelen worden getroffen voordat er een omgevingsvergunning verleend kan worden.
Bij de ontwikkeling van concrete bouwplannen en bij de inrichting van de Delftsehof wordt de ambitie meegegeven om natuurinclusief te bouwen. Het is op voorhand niet te zeggen of er nadelige gevolgen
72
optreden, nader onderzoek zal dit moeten uitwijzen. De herinrichting van de buitenruimte biedt ook veel kansen om nieuwe natuur toe te voegen. Bezonning De ontwikkeling van het Schiekadeblok voldoet aan de bezonningsregel voor de Provenierswijk. Door het toevoegen van hoogbouw neemt de bezonning af, maar in totaal zal nergens meer dan een uur extra schaduw zijn vanwege de ontwikkelingen in het gebied Rotterdam Central District. Er zijn geen onaanvaardbare nadelige gevolgen te verwachten. De bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan Rotterdam Central District zijn in samenhang met het Schiekadeblok bekeken. Windhinder In de huidige situatie is in het Schiekadeblok sprake van een goed tot matig windklimaat. Door het toevoegen van twee torens wordt in de noordwesthoek het windklimaat slechter. In de regels is aangegeven dat ter plaatse van de Schiestraat een brede opening verplicht is. In de regels is ook ruimte geboden om de dakakker af te dekken met een kas en om luifels aan de gebouwen te maken. Bovendien is in de regels opgenomen dat voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met een hoogte van 30 meter of meer verleend kan worden de aanvrager een windhinderonderzoek dient te overleggen conform NEN 8100.
Dit onderzoek moet inzicht bieden in de mogelijke gevolgen van windhinder in de omgeving van het gebouw en de eventueel daaruit voortvloeiende te nemen maatregelen en/of aan te leggen voorzieningen voor het definitieve ontwerp. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Duurzaamheid en energie De nieuwe gebouwen worden gebouwd conform het huidige Bouwbesluit en voldoen aan de daar in opgenomen duurzaamheidseisen. Bij de ontwikkeling van het Schiekadeblok spelen duurzaamheid en energie op verschillende schaalniveaus een rol. Voor beide thema's zijn de ambities hoog maar om de ontwikkelaars in de uitwerking de ruimte te geven, is in het bestemmingsplan niet voorgeschreven aan welke ambitie of prestatie de gebouwen moeten voldoen. Dit zal een belangrijk selectiecriterium zijn bij de tenderprocedure. Er zijn voor duurzaamheid en energie geen nadelige gevolgen te verwachten. Cultuurhistorie Ten behoeve van de ontwikkeling Schiekadeblok is een uitgebreide cultuurhistorische verkenning opgesteld. In tegenstelling tot het eerste plan voor de herontwikkeling waarbij alle bestaande bebouwing gesloopt zou worden, is bij de huidige planvorming gekozen voor behoud van het grootste deel van de bebouwing. Voor de bouw van nieuwe woningen is afgewogen dat het Perronpand en mogelijk een deel van de achterkant van het Schieblock gesloopt mogen worden.
Behoud van de huidige gebouwen zou leiden tot ingrijpende constructieve maatregelen waarbij de cultuurhistorische waarde aangetast wordt. De bouw van nieuwe woningen wordt technisch lastiger en duurder waardoor het niet meer haalbaar is in de gewenste segmenten te bouwen. De vorm van de nieuwe bebouwing is met oog voor het oorspronkelijke stedenbouwkundige ensemble ontworpen. Ook de hoogte van de bestaande bebouwing wordt versterkt door de onderbouw van de nieuwe torens van gelijke hoogte te maken. Door de mogelijk op te nemen om cultuurhistorisch waardevolle panden te slopen is dit een nadelig effect voor het aspect cultuurhistorie. Maar dit is zeer goed afgewogen tegen de wens voor nieuwe woningbouw. De nadelige effecten worden deels voorkomen door het stedenbouwkundig ontwerp dat recht doet aan het oorspronkelijke ensemble. Het college heeft, tegelijk met het besluit tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. De strekking van dit besluit is dat er, gezien de vormvrije m.e.r.beoordeling, vanwege het bestemmingsplan Schiekadeblok geen grote negatieve effecten op het milieu worden verwacht. Daarom heeft het college besloten dat er voor dit bestemmingsplan geen milieueffectrapport zal worden opgesteld.
Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, zie Bijlage 11 M.e.r-beoordelingsbesluit.
73
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2017 - 2021, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
74
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 lid 2 Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeenteraad verplicht is een exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten van grondexploitatie niet anderszins is verzekerd, dat wil zeggen ofwel via gemeentelijke gronduitgifte ofwel via een anterieure overeenkomst met grondeigenaren. In het plangebied zijn enkele percelen in eigendom bij particuliere eigenaren waarmee de gemeente geen anterieure overeenkomst van grondexploitatie heeft gesloten. Op deze percelen is de Wet voorkeursrecht gemeenten gevestigd. Tevens zijn deze gronden aangemerkt als moderniseringsgebied. Op grond van Artikel 7c lid 10 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet kan de gemeenteraad bij vaststelling van het bestemmingsplan besluiten af te wijken van artikel 6.12, eerste en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, met dien verstande dat een exploitatieplan door burgemeester en wethouders kan worden vastgesteld bij een omgevingsvergunning voor het bouwen. In dit bestemmingsplan wordt hiervan gebruik gemaakt. Het gehele plangebied is aangewezen als exploitatiegebied, door middel van de aanduiding 'overige zone - exploitatiegebied'.
75
Hoofdstuk 9 9.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Het bestemmingsplangebied is al vele jaren onderwerp van studie naar een beste gebiedsontwikkeling met daarbij behorende participatie. Participatie over de in dit bestemmingsplan ingezette vorm van gebiedsontwikkeling heeft plaatsgevonden sinds 2019. Sinds 2019 zijn er diverse klankbordbijeenkomsten geweest en enkele participatiebijeenkomsten met respectievelijk bewoners en ondernemers geweest. Adviezen uit deze bijeenkomsten zijn meegewogen in het planvormingsproces. Ondernemers en bewoners hebben tot nu toe positief gereageerd op de plannen. De huidige bewoners willen dat het gebied levendig blijft met een rauw randje, hechten veel belang aan een groene buitenruimte en willen zo min mogelijk overlast van (nacht)horeca. Ondernemers hechten zeer aan het ondernemersklimaat in het Schiekadeblok. Tegelijkertijd begrijpen zij ook dat er met de ontwikkeling zaken veranderen. In oktober/november 2021 zijn de gebiedscommissie Centrum en de wijkraden Provenierswijk, Agniesebuurt en Oude Noorden geïnformeerd over het concept stedenbouwkundig plan. Over het onderwerp “combinatie wonen met uitgaansleven” is een expertmeeting geweest tussen horecaondernemers, gemeente Rotterdam, DCMR, geluidstechnisch bureau, vertegenwoordiging bewoners en Vereniging RCD. Uit de reacties blijkt dat er draagvlak is voor de gebiedsontwikkeling.
In 2022 is een toelichting gegeven aan een groep van bewoners van de Provenierswijk. Reacties uit het wettelijk vooroverleg zijn verwerkt. Tijdens het wettelijk vooroverleg is het concept bestemmingsplan ook toegezonden aan belanghebbende eigenaren. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal eenieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond georganiseerd worden waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.
9.2
Vooroverleg
In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie Ruimte en Milieu Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond TenneT, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit K.P.N. Telecom N.V. Nederlandse Gasunie Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Rijkswaterstaat West-Nederland Luchtverkeersleiding Nederland ProRail Evides Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) Metropoolregio Rotterdam Den Haag Monet, beheerder telecommunicatiemasten VWS Pipelinecontrol Warmtebedrijf Rotterdam Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed
76
NS Er is een reactie ontvangen van de in de volgende paragrafen genoemde overlegpartners. 9.2.1
Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard
Het Hoogheemraadschap laat weten dat ze het concep ontwerpbestemmingsplan hebben bekeken en dat de met het waterbeheer verbonden belangen voldoende gewaarborgd. Zij hebben geen bezwaar tegen de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Schiekadeblok’. 9.2.2
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
De VVR heeft gereageerd in het kader van het vooroverleg. De reactie is bijgevoegd in Bijlage 2 Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. De opmerkingen zijn verwerkt en beschreven in paragraaf 6.6.2. 9.2.3
Luchtverkeersleiding Nederland
De Luchtverkeersleiding concludeert dat de locatie Schiekadeblok zich niet bevindt in het deel van het toetsingsvlak welke enkel van toepassing is op windturbines en zien geen aanleiding om te reageren. 9.2.4
ProRail
Beleidskader In hoofdstuk 5 (Water) wordt aangehaakt bij het beleidskader van decentrale overheden zoals het Hoogheemraadschap. Echter wordt nergens in het concept ontwerpbestemmingsplan aangehaakt bij het wettelijk kader en beleidskader van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en/of ProRail met betrekking tot de beperkingen die gelden voor (gebruik van) bebouwing in de nabijheid van de hoofdspoorweginfrastructuur. ProRail verzoekt dit ook te verwerken in het bestemmingsplan. Reactie: De volgende tekst is opgenomen in 4.2.6: Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de nabijheid van de spoorbaan dient rekening te worden gehouden te met het bepaalde in artikel 19 van de Spoorwegwet. Voor initiatieven binnen het beperkingengebied hoofdspoor is de gemeente het bevoegd gezag voor meervoudige aanvragen waarbij vergunning alleen verleend kan worden nadat ProRail haar gemandateerde advies met instemming heeft gegeven bij enkelvoudige aanvragen blijft de minister bevoegd gezag en zal ProRail namens de minister vergunning verlenen. Emplacement In verband met het in de nabijheid gelegen emplacement Rotterdam CS, waarvoor een omgevingsvergunning milieu is verleend, verzoekt ProRail om het aspect Industrielawaai (met in achtneming van de verleende omgevingsvergunning milieu) te onderzoeken en de resultaten van het onderzoek te verwerken in het onderhavige bestemmingsplan.