[22bb004999] Bijlage 2 behorende bij 22bb4997 - NPRZ, tot hier en nu verder
Tekst van het document
23 -
Veranderingen in de context Invloed coronacrisis en lerarentekort
De coronacrisis en de lock-down hebben invloed op zowel de pijlers School, Thuisbasis op orde als op de pijler Werk gehad. Bij Werk gaat het daarbij niet alleen om de inhoudelijke resultaten. Er vielen, bijvoorbeeld in de evenementenbranche, zoals bij Ahoy, banen weg. Het gaat ook om de netwerkvorming die gebaat is bij ontmoeting. Professionals spraken elkaar nog via MS-Teams, maar de informele 'smeerolie' verminderde. Op scholen heeft de lock-down kansenongelijkheid vergroot. Wie het thuis niet breed heeft en bijvoorbeeld klein behuisd is, heeft een extra prijs betaald voor thuisonderwijs. Als het thuis minder stabiel is, bijvoorbeeld als gevolg van stress door wegvallende inkomsten, was dit te merken in de sociale en cognitieve ontwikkeling van het kind. Ook het lerarentekort heeft zijn sporen getrokken in de ontwikkeling van kinderen. Dit is een landelijk probleem, maar op scholen met relatief veel leerlingen met een achterstand, doet zich dit probleem extra stevig voor. Die scholen lijken ook een achterstand op de arbeidsmarkt te hebben. Veranderingen in de woningmarkt
We lichten er hier drie grote bewegingen op de woning markt uit die relevant zijn voor het programma. De eerste beweging is van een grote financiële crisis op Europees niveau in 2011 naar een oververhitte huizenmarkt in 2021. Deze ontwikkeling heeft bijgedragen aan een situatie waarin enerzijds woningen steeds moeilijker betaalbaar zijn geworden en anderzijds de huizenmarkt is overspoeld met
klein kapitaal. Dat laat zich voelen in VVE's, waar kers verse huisjesmelkers weinig aandacht hebben voor beheer en onderhoud, laat staan verduurzaming. Dat laat zich ook voelen in de krimpende kansen voor de middenklasse op een passende woning. De tweede beweging gaat niet één kant op, maar is eerder een pendulebeweging. Na het kleiner maken van de rol van woningcorporaties in de eerste helft van de jaren '10, is nu een voorzichtige kentering op gang gekomen. Een bredere rol, ook voor middenhuur en -koop, is weer denkbaar. De derde beweging is van die van wonen als vrije markt naar erkenning van het belang van regulering en handhaving. De markt kan wellicht veel, maar niet zichzelf beteugelen. Zelfbewoningsplicht en het verruimen van mogelijkheden tot opkopen zijn hier voorbeelden van, maar een deel van het vraagstuk is daarmee nog niet opgelost. Te vaak nog zijn juist de huurders in zwakke posities degenen van wie het meest wordt gevraagd om een scheve situatie recht te trekken. Bij de doorbraak op het gebied van wonen, is het versterken van handhaving en regulering dan ook één van de bouwstenen. Deze ontwikkelingen, tezamen met de opgave juist de particuliere voorraad op te knappen, vertaalt zich in de preview (deel 2) in een voorstel voor een doorbraak in de aanpak. Van werkloosheid naar een tekort aan arbeidskrachten
De aard van werkloosheid is aan het veranderen en de verwachting is dat deze verandering zich de komende jaren zal doorzetten (tenzij we weer in zwaar economisch weer komen). Werkloosheid heeft steeds vaker andere
redenen dan een kwantitatief gebrek aan arbeidsvraag. Er is op dit moment zelfs meer vraag dan aanbod. Het is steeds meer een sociale kwestie: hoe ontstaat aansluiting en uitsluiting? Aan werkgeverszijde vraagt dit het geschikt maken van werk voor de beschikbare arbeidskrachten (denk onder andere aan job carving). Van werkzoekenden wordt verwacht dat zij zich kwalificeren voor werk dat er
wel is. De brug tussen beiden zal steeds meer bestaan uit ontzorgen, ontwikkelen, opleiden en leren werken. De aanpak van de wijkwerktafels sluit hierop aan. Dit is arbeidsintensiever dan bemiddeling. De richting die nu op Zuid wordt ingeslagen (verlagen caseload/verhogen aandacht per werkzoekende) zal hoogstwaarschijnlijk voor heel Nederland van belang worden.
Ambities en maakbaarheid Zoals in de inleiding aangegeven, hebben we deze review niet opgevat als een plek waarin oordelen over een foto worden geveld, maar wel als een gelegenheid om lessen te trekken uit de film. Als je sec kijkt naar de gerealiseerde ambities kun je concluderen dat veel is gerealiseerd in termen van wat er concreet is geleverd. Op het niveau van maatschappelijk effect ligt dat verhaal genuanceerder. Ja, de woningprijzen zijn gestegen, maar de huizenprijzen in de vier grote steden zijn sterker gestegen. Ja, er zijn veel mensen aan een baan geholpen, maar de effecten van corona laten zien hoe snel zo'n resultaat weer terugvalt. En ja, het is gelukt om verlengde schooldagen aan te bieden, maar een lerarentekort en thuisonderwijs door de lock-down komen extra aan in Rotterdam-Zuid. Er kan dus ook een zuinig oordeel over de gerealiseerde ambities worden geveld, maar belangrijker is om lessen te trekken uit de beweging die op gang is gebracht en uit de werking van de ambities. De eerste les is dat de ambities het programma mede hebben gedragen. Daarmee bedoelen wij dat met de
ambities het programma heeft gewonnen aan focus en urgentie en dat tien jaar lang. Die werking is belangrijk om vast te houden. Een tweede les is dat de ambities steeds weer aanleiding zijn geweest om, aan de hand van de voortgangsrapportages, opnieuw scherpte aan te brengen in de aanpak. Het was dus een belangrijk instrument om het programma lerend te organiseren. Een derde les is dat met de ambities ook de suggestie van maakbaarheid ontstaat. Daarmee bedoelen we dat de buitenwereld naar die ambities kan gaan kijken alsof een programma die zonder meer kan realiseren. Die maakbaarheidsblik doet geen recht aan de complexiteit van de opgaven en de situaties. De paradox is dat die maakbaarheidsblik ook effectief is: dat kinderen kansarmer worden geboren, omdat hun ouders 'in de verkeerde wijk' terecht zijn gekomen, is een onacceptabele situatie en daar gaan we wat aan doen. Afstand nemen van dat voornemen, komt neer op cynisme.
JU-iLL-.
nrii ii i —
EO r Ttt
'Ņ. I ŕW.
Wijk Feijenoord, drijvende woningen Nassauhaven
-
24 -
25 -
4. De structuur van het programma Met het NPRZ hebben overheid en partners gekozen voor een bijzonder publiek-privaat
Structuur Na de ondertekening van het Nationaal Programma is er parallel aan het opstellen van een eerste uitvoeringsplan, op hoofdlijnen een governancestructuur uitgewerkt. Deze structuur heeft door de tijd heen goed gewerkt en is, met een paar kleine aanpassingen, door de tijd heen gehandhaafd.
De status van het bestuur en het programmabureau is bewust niet juridisch geregeld. De positie van het bestuur is daarmee principieel anders dan het bestuur van een juridisch vormgegeven publieke of private organisatie. In de zelfevaluatie van 22 augustus 2016 formuleerde het bestuur de eigen positie als volgt: "het bestuur geeft richting en is buitenboordmotor, forceert doorbraken en vormt coalities. Het bestuur maakt ruimte in het veld voor de samenwerking met de partners en bevordert daarmee de integraliteit van de aanpak". Daarbij geeft het bestuur aan geen behoefte te hebben aan het juridisch formaliseren van de eigen rol en het institutionaliseren van het programmabureau.
samenwerkingsverband. De vormgeving van het bestuur is zeldzaam in Nederland: een vorm van een 'multi-level governancestructuur' van overheid (gemeente, Rijk), publieke uitvoeringsorganisaties (Politie, Openbaar Ministerie) en vertegenwoordigers van publiekprivate en private organisaties (woningcorporaties, onderwijsinstellingen, bedrijfsleven, zorginstellingen en bewoners). Kernkwaliteiten van de organisatievorm zijn gezamenlijke visie, slagkracht en een herkenbare boodschap en uitvoering.
Bij de inrichting van de governance is een aantal uitgangspunten geformuleerd: * een breed gedragen samenwerking met voldoende slagkracht voor de dagelijkse aansturing; * een programmadirecteur die uitvoering waar kan maken door met gezag en doorzettingsmacht te kunnen opereren.
De bijzonderheid zit 'm ook in de wijze waarop de uitvoering is georganiseerd. Bewust is gekozen voor een programmaorganisatie, geleid door een krachtige en gezaghebbende programmadirecteur. Deze keuze heeft als consequentie dat bestuur en programmadirecteur samen optrekken; niet in een klassieke hiërarchische relatie, maar één waar er sprake is van gezamenlijk optrekken: bestuur en programmadirecteur werken samen voor het programma.
Het programma functioneert nu ruim tien jaar. Periodiek staat het bestuur stil bij het eigen functioneren en bepaalt het op basis daarvan welke mogelijke verbeteringen dienen te worden doorgevoerd.
Rolverdeling bestuur en programmadirecteur Kijkend naar wat deze rolopvatting betekent voor de relatie bestuur en programmadirecteur en teruggrijpend op een van de twee uitgangspunten die bij de inrichting van de governance zijn geformuleerd ('een programmadirecteur die uitvoering waar kan maken door met gezag en doorzettingsmacht te kunnen opereren'), is de conclusie dat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van bestuur en programmadirecteur enerzijds duidelijk zijn te onderscheiden, maar dat anderzijds in de activiteiten van het bestuur en van de directeur onvermijdelijk een grote overlap zit. Daarmee zit in de wisselwerking een zekere parallelliteit. Het bestuur stelt de koers vast en is de opdrachtgever van de programmadirecteur en het programmabureau. De koers en de opdracht zijn vastgelegd in een door het bestuur geaccordeerd vierjarig uitvoeringsplan. Daarnaast beoordeelt het bestuur het functioneren van de programmadirecteur. De programmadirecteur doet het voorstel voor de koers en de opdracht richting het bestuur, draagt na accordering verantwoordelijkheid voor het doen uitvoeren van het uitvoeringsprogramma en wordt daarbij ondersteund door een bureau dat hij zelf direct aanstuurt. In de kern zit hier het onderscheid.
De overlap zit 'm in het optreden in het veld, in het onderhouden van relaties en in de communicatie over het programma of zaken die daaraan gerelateerd zijn. Hier wordt de vraag over hoe de verhoudingen precies liggen, relevant. Overigens ligt in de praktijk van het NPRZ deze vraag niet continu 'op tafel'; het gaat in bijna alle gevallen vanzelf goed. Waar het spannend wordt,
-
26 -
-
betreft het vraagstukken of dossiers waar gevoeligheid in zit, binnen het bestuur en/of naar buiten. De rolinvulling die van bestuur en programmadirecteur gevraagd wordt, maakt het onmogelijk en onverstandig om de bevoegdheden over deze twee partijen op papier te verdelen. Met de huidige beschrijving van de governance zou kunnen worden volstaan. Aanvullend hierop is een beperkt aantal duidelijke spelregels nodig die ervoor zorgen dat de samenwerking 'gedoebestendig' kan worden ingevuld. Er is immers om goede redenen gekozen voor de huidige vormgeving van het programma, ook wat betreft de governance; inzet was te werken buiten (doch met) de staande structuren en ook buiten de klassieke, hiërarchische sturingslijnen. Dat zit ook besloten in de keuze voor het innovatieve model van multi-level governance. Het aantal spelregels is overigens overzichtelijk: * Vertrekpunt is dat bestuur en programmadirecteur onderkennen dat er onderscheidende rollen zijn en tegelijkertijd de overlap een gegeven is. Ten aanzien van de verschillende rollen, betekent dit dat: - het vastgestelde Nationaal Programma Zuid Werkt! (2011) en de op basis daarvan vastgestelde uitvoeringsplannen voor zowel bestuur als directeur leidend zijn; - het bestuur als opdrachtgever en escalatieniveau bestuurt en tegelijkertijd als toezichthouder beziet hoe de uitvoering gestalte krijgt.
Een koersbepalende en actieve rol van het bestuur derhalve die enerzijds op inhoud besluitnemend en adviserend is en richting programmadirecteur (in de beslotenheid van overleg van het bestuur en programmadirecteur) beoor delend is (en daarmee de inhoudelijke kant van de
27 -
-
werkgeversrol vervult). Anderzijds waar nodig en/of nuttig in het veld meewerkend is; de programmadirecteur van het bestuur de ruimte krijgt voor het uitoefenen van gezag en doorzettingsmacht en tevens grote ruimte heeft in de wijze waarop hij dit invult; hij de eerst aangewezene is om het programma in het veld te vertegenwoordigen en de opdracht heeft om als 'honest broker' al hetgeen te doen dat nodig is om de opgaven, zoals die zijn vastgelegd in het uitvoeringsplan, te doen realiseren. De programmadirecteur onderhoudt hiertoe zelf standig de relevante contacten, zonder dat daartoe toestemming van het bestuur voor hoeft te worden verkregen.
evidente verdeling van de te onderhouden relaties met achterbannen van bestuursleden valt, is vooraf moeilijk te bepalen. In de bestuursvergaderingen dient hiervan een actueel beeld te worden gevormd en kunnen op basis daarvan goede afwegingen gemaakt worden. In combinatie met een open en proactieve houding zowel binnen als buiten de bestuurs vergaderingen, moeten keuzes hieromtrent zorgvuldig gemaakt kunnen worden, waarbij gezien de gewenste uitoefening van doorzettingsmacht blokkades richting de programmadirecteur moeten worden voorkomen van wie anderzijds wijsheid wordt betracht in de uitoefening daarvan. *
*
De opgave tot tijdige afstemming over 'wie wat doet' op strategische of kritische dossiers; dit heeft zowel betrekking op de vraag of het bestuur en/of de programmadirecteur het voortouw neemt bij een strategisch dossier, als op wie namens het NPRZ over een strategisch of kritisch dossier de woordvoering doet. Wat strategisch of kritisch is, en buiten de
Het bij voorbaat accepteren dat het soms niet loopt zoals gewenst en dat het in de relatie tussen bestuur en programmadirecteur kan schuren. Opgave hierbij is deze zaken tijdig en in openheid met elkaar te bespreken, soms in de collectiviteit (het gehele bestuur of delen daarvan met de programmadirecteur), soms een-op-een.
19
tussen
Ofi/OFR-HO ľD WoP/WCrEfV
NPRZ
U
w --"
APRIL
*cur
RECHT OP PE
flsiE-r
S TñO
R0t?s r cŕ
ví-ćTH M/P/DtR
wet [AA CA
lis
W IJKEN
OnhrZĪ\VAİtfyVfP^Oy ^
in 20 JacP!t
sfOĉl'b ŵlí
K]b(PST6ľVS JVOlOKr on
Afi Ifĩľlo
CrRûľt fCb
80
pôE HEEĴ/VnAEN
Mrr
laTÛ W M/y E TE p.ŕQrtiĉN
Positie bestuursleden
W1 UIEN ft^UVEN)
IN MIMS
ice^xS fc
Ál
3
2. fWATEM
öVEi^V/AU
ON^N'E'T
2.0
^ 5erí
Over het algemeen zijn de leden van het bestuur afkomstig uit kringen van de partnerorganisaties van het NPRZ. In de uitwerking van de governance is hun rolinvulling als volgt omschreven: "De leden van dit bestuur opereren mede namens de andere organisaties uit hun pijler, zorgen voor mandaat en zijn aanspreekpunt voor de dagelijkse aansturing, zodat patstellingen worden voorkomen en doorbraken mogelijk zijn". De praktijk leert dat aan deze opgave verschillende interpretaties gegeven worden. Niet alle leden van het bestuur zijn werkzaam bij of voor een specifieke deelnemende organisatie of sector (zie bijvoorbeeld de positie van de vertegenwoordiger van het bedrijfsleven). Daar waar dit wel het geval is (zoals bij de woning corporaties), hebben de bestuurders te maken met autonome zusterorganisaties. Voor het Rijk, het onderwijs, de zorgwerkgevers, en de gemeente gelden vergelijkbare vraagstukken. De vraag kan rijzen wat 'het opereren namens de andere organisaties uit de pijler' en 'het hebben van mandaat' precies betekenen.
bepalen wat de inbreng namens de pijler als geheel is en dat zij op basis van hun formele rol en op basis van gezag, netwerk en draagvlak de benodigde inzet moeten organiseren. De combinatie van gezag, netwerk en draag vlak moet de bestuurder van een pijler in het bestuur enige vrijheid bieden om tot op onderdelen afwijkende afspraken te komen als de gezamenlijkheid daarom vraagt. Voor bestuursleden die niet namens aanwijsbare organisaties in het bestuur zitting hebben, ligt de invulling van de vertegenwoordiging anders. In dit geval ontbreekt het formele mandaat om de achterban te vertegenwoordigen. Niettemin kunnen deze bestuursleden hun vertegenwoordigende rol met mandaat vervullen, mits zij - gelijk hun collega's - met gezag, met een goed netwerk en met stevig draagvlak in/richting hun achterban opereren.
-
AJĩVAs
djM
fOopnMu-.
Mr 10 0
NřRZ
Richting de achterban van de verschillende bestuursleden is overigens een goed samenspel van een individueel bestuurslid, de programmadirecteur en de voorzitter van bestuur zeer belangrijk. Indien noodzakelijk kan door een goed getimede inzet van de burgemeester als voorzitter van het bestuur, de kans op het realiseren van de gewenste impact veelal vergroot worden.
28 -
zĉâ9
(
L&s
WtVr
JS
van po I i ŕtek ?
kg PĈL&AI VAM
Buk (re&ŗroĵĹ'
NVLAK
ã/bWčTV
nstpi
ínoo
N'urAf
'ĄK-erJ
h
iř het
MOFIĹÜK
VI r
iedź cć-ES)
nodìcj
Pu
~VJeiA
v*u
ŗ\ OÁÃ ö' ļ
^'Letup toĄfivX,!-
İH dJL sfkjjXZ
elc
bole
vcznìevwfa-jt
I Jře*n
y kín hĉr —. vŴA
aa/is o! IA S
Van belang is om de verschillende posities die bestuurs leden hebben te onderkennen en oog te hebben voor de verschillen in rolinvulling die dit met zich meebrengt.
, Ä
Û yycLíNll k-U iwi*
OVZ
u^ţv\oeitŕ Het zijn van vertegenwoordiger en het hebben van mandaat is voor de bestuursleden die namens een bepaalde sector spreken, relatief overzichtelijk: zij zitten met instemming van de betreffende organisaties in het bestuur van het NPRZ, hebben mandaat om mede namens hen een vooraf overeengekomen inbreng te leveren of toezegging te doen. Daarmee is ook direct duidelijk dat deze vertegenwoordigers nooit eigenstandig kunnen
sÌ/AUA
rrdLAįZ'rt'
rntnĵwi 1 j /wjtAfnn \M)r -ímj V JKZ/L cİũ ÁA.A, 'flt/yyJn WOOA yjL/řC yì'j .
WAT
CO ŕA 6l KtE'E'N X no /jaĵ1 ì ÇC'fĻ
Ş ţVPWĘ
V kV kus
-
29 -
lang-
Tfc Ktflÿ/V
Voor het Rijk treedt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) als verbindende schakel op. Hiervoor geldt ook dat het Nationaal Programma direct van belang is voor betrokken ministeries, zoals Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen (O^&W) en Sociale Zaken. In de preview doen wij een voorstel om op maat de betrokkenheid van deze portefeuillehouders en bewindspersonen te versterken.
Collegiaal bestuur en eenheid van kabinetsbeleid
De positie van de bestuursleden vanuit de gemeente verschilt. De burgemeester bewaakt als voorzitter het functioneren van het bestuur. Voor de coördinerend wethouder geldt dat hij in het bestuur ook de wethouders Onderwijs, Wonen, enzovoort vertegenwoordigt. Tegelijkertijd raakt het NPRZ de hele gemeente, dus moet het NPRZ als programma van de hele gemeente en het gehele college worden beschouwd.
Werkwijze Startpunt voor het NPRZ vormde het rapport van Deetman/ Mans, waarin de hoge urgentie voor de aanpak van de vraagstukken in Rotterdam-Zuid bevestigd werd. Op basis van een uitvoeringsplan wordt in termijnen van vier jaar gewerkt aan de realisatie van een nieuw perspectief voor Rotterdam-Zuid. Een perspectief waarin opleidingsniveau, arbeidsparticipatie en woonkwaliteit in 2030 stijgen naar het gemiddelde van de vier grote steden in Nederland. Jaarlijks wordt de voortgang van het uitvoeringsplan in een schriftelijke voortgangsrapportage in beeld gebracht en verantwoord. Deze jaarlijkse rapportage bevat ook de inzet voor de bijsturing. Het effect van het uitvoeringsplan en de jaarlijkse terug- en vooruitblik kan voor het NPRZ worden versterkt wanneer deze een stevigere positie krijgen in de werkwijze van het NPRZ. Ook als het gaat om de rolverdeling tussen bestuur en programmadirecteurAbureau. Een scherpere inhoudelijke bespreking ervan, met name op hetgeen daarin is afgesproken, geeft duidelijkheid en een grond aan partijen om elkaar aan te spreken, ook in de bestuursvergaderingen. Het bovenstaande sluit aan bij een van de bevindingen uit de zelfevaluatie van het bestuur. Hierin kwam het verhogen van het commitment en het opereren over de grenzen van de individuele sectoren heen als verbeterpunt naar voren. Dit werd door het bestuur als volgt geformuleerd:
-
"Zonder bevoegdheden in elkaars domein te willen hebben is het [voor bestuursleden onderling] wel gewenst om met elkaar mee te denken, elkaar uit de wind te houden en elkaar te steunen in het vinden van de ruimte in eigen achterbannen".
DEEL 2
Het gebruik van meerjarige uitvoeringsplannen en een jaarlijkse bespreking en bijsturing van de voortgang, zijn in de bestaande programma's die een multi-levelgovernance-opzet kennen (zoals bij de Deltacommissaris en de Nationaal Coördinator Groningen) samen met onder andere het hebben van een stevige trekker en voldoende financiële middelen, bepalende randvoorwaarden voor het slagen van deze vorm van samenwerking en het realiseren van de doelstellingen die hiermee worden beoogd. Voor het NPRZ volstaat de huidige systematiek van het vierjaarlijkse uitvoeringsplan en de jaarlijkse voortgangsrapportage. Het toevoegen van een nieuwe rapportage is niet nodig; voorkomen moet worden dat het programma zich verliest in het scheppen van een papieren werkelijkheid. Het gaat met name om gebruik van de bestaande documenten: deze moeten scherper worden besproken en gericht zijn op het verkrijgen van commitment. Hiermee kan de sturing van de uitvoering beter geschieden; onder andere omdat meer bewust een kader en een mandaat worden afgegeven aan de programmadirecteur en het programmabureau.
30 -
-
31 -
PREVIEW
Zuid in ontwikkeling
5. Wat is nodig? In dit deel - de preview - staan we stil bij de vraag 'wat is nodig?'. Het antwoord op die vraag hangt af van de maatschappelijke ontwikkeling op Zuid, van de ambities, van de werking van de staande praktijken binnen het NPRZ en van een coherente bestuurlijke basis onder de aanpak. Aan de hand van de reeks gesprekken met stakeholders, de uitkomsten van de wijkgesprekken en de burgertop en de pijleronderzoeken geven we daar in dit inleidende hoofdstuk een globaal antwoord op. In de volgende hoofdstukken werken we vervolgens op vijf punten de opgaven uit om de volgende stap te zetten in de ontwikkeling van het Nationaal Programma. Dit zijn het betrekken van bewoners (hoofdstuk 6), een doorbraak op de pijler Wonen (hoofdstuk 7), Kansrijk opgroeien op Zuid (hoofdstuk 8), het programmatisch aanpakken van ondermijning (hoofdstuk 9) en het benutten van wijken om samenhang in de aanpak te versterken (hoofdstuk 10).
Op de burgertop van 2022 is gesproken over de ambities van het programma en wat goed zou zijn voor Zuid. Aan de hand van die gesprekken kwam ook naar boven wat mensen ervaren als een zorgelijke ontwikkeling. De vraag kwam aan de orde of het succes ook de huidige bewoners gaat bereiken, Katendrecht en Kop van Zuid worden als voorbeelden genoemd. Zijn de huidige bewoners hier welkom of ontstaat verdringing? Ook in het onderzoek naar wonen wordt deze beleving geagendeerd. Het antwoord dat daar wordt gegeven, is vooral om sterker de verbinding met de bewoners te zoeken. Op deze ontwikkeling, zoals ervaren door bewoners, zullen we op drie plaatsen nader ingaan: in hoofdstuk 6, onder 'bewoners bondgenoten', in hoofdstuk 7 bij een doorbraak voor wonen en in het slothoofdstuk, 'het nationaal programma de wijken in'. Tien jaar geleden viel in het gesprek over de ontwikkeling van Zuid nog wel eens het woord krimp, in vergelijking met de problematiek in het zuiden van Limburg. De vergelijking kan qua problematiek nog steeds worden gemaakt, maar krimp is niet meer van toepassing. Een deel van de oplossing voor stedelijke groei zal moeten worden gevonden op Zuid. Dat schept nieuwe verplichtingen en
mogelijkheden, zoals groei voor middengroepen, zonder verdringing van kwetsbare inwoners. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) voorspelt in haar rapport Samenleven in verscheidenheid (2020) dat de komende decennia Nederland blijvend te maken zal hebben met immigratie. Een deel daarvan is tijdelijke arbeidsmigratie die ook op Zuid merkbaar zal zijn. De commissie Roemer agendeert in haar conclusies (Geen tweederangsburgers) op indringende wijze de misstanden rond huisvesting van arbeidsmigranten. In ons gesprek in Carnisse met bewoners kwam nadrukkelijk naar voren dat inwoners hier een optredende overheid verwachten. Een vierde ontwikkeling, die in de gesprekken en onder zoeken naar voren komt, is het effect van verduurzaming. Dat heeft impact op de langetermijnontwikkeling van de economie, denk aan de raffinaderijen in Pernis. Het leidt ook tot vraagstukken voor inwoners, denk daarbij aan energie-armoede. Tot slot vraagt die verduurzaming extra investeringen van bijvoorbeeld woningcorporaties in hun woningbezit.
Aansprekende ambities In hoofdstuk 3 hebben we stilgestaan bij de betekenis van de centrale ambities in het programma. Uit de vele gesprekken komt duidelijk naar voren dat de ambities werken. De partners van het NPRZ beschouwen de ambities op het gebied van wonen, werken en school als belangrijk en als een stevige inhoudelijke legitimatie om in te zetten en door te zetten op Zuid. Tegelijkertijd wordt erkend dat de lat voor de komende tien jaar hoog ligt. Het zogeheten 'hockeystick-effect' (de eerste tien jaar 25% van de ambities realiseren, de tweede tien jaar de resterende 75%) zal niet vanzelf op gang komen. De werking van de ambities leidt tot vier hoofdconclusies voor de komende tien jaar.
^[Verboden
""voor bouwverkeer
1. Behoud de werking en betekenis van de ambities: we accepteren niet dat je minder kansen hebt in Nederland en in Rotterdam door de plek waar je woont en dat rechtvaardigt dat we van alle partners vragen hun uiterste best te doen daar verandering in te brengen. Het betekent ook dat geen van de betrokkenen een tweederangs stadsdeel accepteert, in een ongedeelde stad worden lusten en lasten eerlijk verdeeld. 2. Voeg aan de ambitie bij wonen toe dat je werkt aan een woningmarkt die voor iedereen werkt. Dat betekent
concreet dat in Rotterdam-Zuid de onderwijzer een woning kan kopen, een gezin ruimte vindt om op te groeien en degenen met weinig inkomen een goede verhuurder treffen. 3. Kies voor de ambities rond 'Thuisbasis op orde' en 'School' vanuit het perspectief van het kind: op Zuid groei je van geboorte tot volwassenheid kansrijk op. Dat vraagt veel van de scholen, maar ook van een aanpak tussen 0-4 jaar, van een kindvriendelijke buiten ruimte, van aanpak van ondermijning. 4. Stel in de ambitie rond veiligheid het tegengaan van ondermijning centraal: de oorzaken van criminaliteit tegengaan, de negatieve gevolgen verminderen en de aantrekkingskracht verkleinen. Geef daarbij voorrang aan die vormen van ondermijning die kinderen en jongeren treffen. Tot slot is in diverse gesprekken met inwoners (ook op de burgertop) het belang van de woonomgeving naar voren gebracht. We gaan op het belang van die woonomgeving op twee plekken nader in, onder 'Kansrijk opgroeien' en bij het 'Nationaal Programma de wijken in'.
IJsselmonde, nieuwbouw Smeetsland
-
32 -
-
33 -
De praktijk van het bureau NPRZ "Wij gaan het maar doen, want jullie gaan toch niet weg". "Als Marco irritant wordt, dan hebben wij vaak iets laten liggen". Deze twee uitspraken uit de gesprekkenreeks tekenen de werking van het programma. Vasthoudend, niet bang voor ongemak, met een lange adem en met een duidelijke focus. Het is belangrijk om die werking te koesteren, maar tegelijkertijd niet op deze werking te gaan leunen. Met dat leunen bedoelen we dat erop wordt gerekend dat het programmabureau de scherpte wel zal opzoeken, zal aanjagen of de olifantspaadjes wel zal vinden om een lastig vraagstuk toch geregeld te krijgen. Dan krijgt de kleine programma-organisatie de rol om te trekken en te sleuren en ontstaan op den duur slijtplekken in het kleed. Dan komt het programmabureau van kracht naar valkuil. De scherpte 'van programma naar lijn' vraagt om een wederzijds proactieve relatie. Hier gaan we onder 'Een coherente bestuurlijke basis onder de aanpak' en 'het Nationaal Programma de wijken in' (hoofdstuk 10) nader op in.
Analoog aan het Nationaal Programma Rotterdam Zuid krijgen inmiddels in 20 stedelijke vernieuwingsgebieden een nationaal programma vorm. Het NPRZ vormt een voorbeeld voor de aanpak in die 19 overige stedelijke vernieuwingsgebieden. Het zal belangrijk zijn om de komende tijd met deze gebieden samen op te trekken vanuit een gedeeld belang: het versterken van de agenderingskracht en het behartigen van belangen van kwetsbare gebieden en inwoners. Omgekeerd is het belangrijk om te voorkomen dat de gebieden naar het Rijk toe langs elkaar heen gaan werken. Dan wordt de wisselwerking die nu is vormgegeven met het Rijk, onmogelijk om vol te houden. Ook het uitwisselen van praktijken is belangrijk om het leren ten behoeve van de ontwikkeling van de aanpak verder te versnellen.
nodig blijkt om in het programma resultaten te boeken. Tegelijkertijd zou het goed zijn wanneer de trekkracht van het programma meer wordt benut vanuit beleid. Dat betekent dat beleidsmakers een intrinsiek belang krijgen bij het welslagen van de aanpak op Zuid. Een voorbeeld kan dit verhelderen. De minister die werk wil maken van een goede aanpak van huisvesting van arbeidsmigranten in het kader van de aanbevelingen van de commissie Roemer, vindt op Zuid een bewezen programmastructuur die helpt om aanpakken stevig in de praktijk te brengen. De portefeuillehouder en minister die jeugdzorg in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd gerichter willen inzetten op de écht kwetsbare jongeren, vinden rond de pijlers 'Thuisbasis op orde' en 'School' een mogelijkheid sneller van papier naar praktijk te komen.
*
Lokaal vraagt het iets van de burgemeester en coördinerend portefeuillehouder NPRZ. Welke ont wikkeling bij collega's is mogelijk ondersteunend aan de ontwikkeling van Rotterdam-Zuid? Omgekeerd, trekt bijvoorbeeld de portefeuillehouder Wonen mee aan de ambities voor Wonen door verbinding te maken met het Nationaal Programma, hoe kan bijvoorbeeld het NPRZ bijdragen aan de realisatie van de prestatie afspraken tussen gemeente en corporaties? Zo snijdt het mes aan twee kanten. * Op rijksniveau coördineert het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op dit moment de inzet in de gebieden. Dat heeft de afgelopen tien jaar, mede door veel persoonlijke inzet, goed gewerkt. Tegelijkertijd biedt het Nationaal Programma ook een structuur om landelijke inzet, bijvoorbeeld aanpak van het lerarentekort, sneller van de grond te trekken en zo versneld effect te laten hebben op die plekken waar de schoen op dit moment het meeste wringt.
Die aansluiting vraagt ook iets van de bestuurlijke verbindingen. In onderstaand schema is die rond de betreffende opgave verbeeld als kwadrant. Dat betekent praktisch dat bestuurders en bewinds personen ('de bovenleiding') structureler worden betrokken in het Nationaal Programma. Dit heeft in twee typen praktijken betekenis, lokaal en landelijk:
Op beide niveaus snijdt het mes zo aan twee kanten: beleid komt sneller van papier én de praktijk bereikt eerder de groepen die dit beleid het hardste nodig hebben.
Coherente bestuurlijke basis onder de aanpak Een bestuurlijke basis gaat over de set aan afspraken die onder de samenwerking ligt, dit loopt van de positie van het bestuur, financiering van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid als geheel en de werkwijze van het bestuur rond de belangrijkste opgaven van het programma. Positie van het bestuur klopt met beoogde werkwijze
Op dit moment markeert de positie van het bestuur het partnerschap dat het Nationaal Programma draagt. De bestuurders representeren (met uitzondering van de burgemeester, de coördinerend wethouder en de bewonersvertegenwoordiger) ook een onderdeel van het programma. Soms is dit samen met andere bestuurders (de hele driehoek draait mee in de pijler Veilig), soms als 'éénpitter' (cultuur ligt bij één bestuurder). Met het splitsen van het voorzitterschap van het bestuur en het portefeuillehouderschap NPRZ is de politiek-bestuurlijke verantwoordelijkheid op gemeentelijk niveau duidelijk georganiseerd. De bestuurders zijn ook verantwoordelijk voor de relatie met hun 'achterban'. Zo informeert de directeur-bestuurder van Havensteder, die momenteel namens de corporaties in het NPRZ-bestuur zitting heeft, haar collega's en moet zij zich ervan vergewissen dat haar inbreng steun heeft bij de andere woningcorporaties. Dit is soms spannend als de belangen binnen de achterban uiteen kunnen lopen, maar heeft zich in de afgelopen jaren ook steeds geplooid. Er is kortom ruim voldoende reden om de huidige positie van het bestuur te koesteren. Financiële basis moet werkwjze ondersteunen
De financiële basis moet ondersteunend zijn aan de
-
werkwijze van het NPRZ. Dat wil zeggen dat de partners binnen de pijlers hun 'fair share' leveren. Voor de overheid (Rijk en gemeente) betekent dit dat zij zich voor langere termijn committeren aan een integrale co-financiering. Het is dan ook verheugend dat de gemeente, dit keer als eerste, haar deel van de financiering heeft toegezegd in het coalitieakkoord. De afgelopen tien jaar was het Rijk steeds degene die als eerste over de brug kwam. Eind 2022 houdt de huidige financiële basis onder het NPRZ op als de regiodeal afloopt. Het zou passen bij de ambitie van dit kabinet als het lukt om voor de komende jaren opnieuw vanuit Rijkzijde in de integrale financiering te voorzien. Dat zou kunnen als de verschillende departementen tot één fonds komen, met één verantwoordingssysteem. Mocht dat voor het eerst in het bestaan van het NPRZ niet lukken, dan wordt het belangrijk afspraken te maken tussen de departementen zodat het programma zekerheid krijgt op de lange termijn en een verantwoordingscircus bespaard blijft. Dat laatste kan door één verantwoordingssysteem voor de verschillende gelden over de gehele breedte van het programma (Wonen, Thuisbasis op orde, Veiligheid, School, Werk) af te spreken.
Lid bestuur NPRZ
KortefeuMteho^iy bewindspersoon
OPGAVE
Adviseur
Beleidsmakers 'in de lijn'
programmabureau
van de partnerorganisatie
Werkwjze in het programma in aansluiting op ontwikkeling nieuw beleid
Om de aanpak op Zuid (en in de andere stedelijke vernieuwingsgebieden) te versterken, is het van belang om de wisselwerking tussen programma en beleid (inclusief wetgeving) te versterken. Onder de praktijk van het bureau NPRZ hebben we beschreven dat het bureau sterk is in het trekken, sleuren, ritselen en regelen dat soms
34 -
-
35 -
6. Bewoners bondgenoten Gedurende de midterm gebeurden verschillende dingen tegelijkertijd. Het hof in Arnhem veroordeelde de Belastingdienst voor het bijhouden van een 'zwarte lijst' van bewoners, de kiezers op Zuid zijn de grote afwezige bij de gemeenteraadsverkiezingen en bij de burgertop in mei blijft de opkomst ver achter bij de verwachtingen. Het zijn gebeurtenissen van verschillende orde en deels hebben ze beperkt te maken met de opgaven van het NPRZ. Tegelijkertijd merken wij dat in de discussies over betrokkenheid van bewoners maatschappelijke thema's met hoofdletters worden geagendeerd: Vertrouwen. Erkenning. Macht. Legitimiteit. Verbinding. De kunst is om van die grote thema's weer terug te keren naar de opgave waar het programma voor staat. Dat vraagt om een (v)erkenning van het mogelijk bondgenootschap tussen bewoners en het programma. Die (v)erkenning geven we in deze preview in twee vragen vorm: de eerste vraag is: wat stellen we centraal in het bondgenootschap met bewoners? Hoe sluiten de vragen van bewoners en opgaven van het NPRZ op elkaar aan? De tweede vraag is: hoe ziet dat bondgenootschap er in de praktijk uit?
Aansluiten om eigenaarschap van bewoners te versterken Om scherp te krijgen waar bewonersbetrokkenheid om draait, is het belangrijk om zowel te benoemen wat het wel is, als wat het niet is. Er worden veel verwachtingen en beelden op het meedoen van bewoners geprojecteerd en wie niet kiest, organiseert teleurstelling. Bij die keuze is richtinggevend wat voor bewoners op het spel staat. Bij alle pijlers van het NPRZ staan essentiële aspecten van het leven van inwoners centraal. Hoe doen mijn kinderen het op school? Weet ik mijn baan vast te houden? Kunnen we in ons buurtje blijven als we kinderen krijgen? Het zijn thema's dicht op de huid van inwoners, vaak gepaard gaande met kwetsbaarheid. Het is dan niet passend om bewoners te benaderen om een 'draagvlakvinkje' op te halen voor je eigen beleid. Het is evenmin behulpzaam in te zetten op 'u-klaagt-wij-draaien-avonden'. Dan doe je geen recht aan de opgave bewoners te helpen de kwetsbare vragen in hun leven op te pakken. Wat leidend zou moeten zijn in het bondgenootschap van het NPRZ met bewoners is het versterken van het eigenaarschap over de belangrijkste vragen waar zowel bewoners als het NPRZ voor staan. Uit de verkenning rond dit thema bleek dat hier ook al ervaring mee is opgedaan. Een medewerker van het bureau NPRZ beschreef een avond met ouders over de zorgen die zij hebben bij het opgroeien van hun kinderen.
Niet een nieuwe methodiek voor positief opvoeden, beleidskaders of logica van instellingen stonden centraal, maar de dilemma's van ouders. Deze keuze voor 'eigenaarschap is richtsnoer' sluit nauw aan bij de trits 'eigenaarschap, zeggenschap en participatie' die Stadsluisteren teruggeeft aan het bureau van NPRZ op basis van de burgertop en de wijkgesprekken.
Ook hier wordt bij eigenaarschap begonnen. Deze aanpak kent een aantal kenmerken. * Luisteren zonder plan: werkende verbindingen tussen bewoners en organisaties beginnen met een open gesprek waarin van beide kanten alles gehoord kan worden. Dat noemen we hier 'luisteren zonder plan': het is nog niet bepaald wat je ermee moet of dat je er mee aan de slag moet. Dat komt in een volgende stap. a Gelijkwaardigheid: dat luisteren is de eerste stap naar gelijkwaardigheid. Die gelijkwaardigheid heeft kans van slagen doordat organisaties en bewoners naast elkaar gaan staan en naar hetzelfde vraagstuk kijken. a Eigen logica ter discussie: van het loslaten van de organisatielogica en -vragen gaat een ondermijnende werking uit in de goede zin van het woord. De eigen aannames komen ter discussie te staan. a Oefenen in kwetsbare kwesties: in deze aanpak oefenen bewoners en organisaties zich in het gezamen lijk bespreken van kwetsbare kwesties, dicht op de huid. Dit is geen sinecure. Systematisch inzetten op dit type bondgenootschap vraagt om een programmatische aanpak. Hierbij is het belangrijk ruimte te houden voor pionieren.
Tot slot heeft het bondgenootschap een belangrijke lerende functie voor het programma zelf: hoe landen de projecten en programma's bij degenen voor wie wij het uiteindelijk doen? Hoe ervaren bewoners de inzet? Uiteindelijk wil je ook vanuit het perspectief van bewoners twee vragen met het gezag van ervaring kunnen beantwoorden: doen we de goede dingen en doen we de dingen goed?
Zingen tijdens burgertop
-
36 -
-
37 -
13
V5-OrJ fa ř.e
F
lÄrföć^5 ^ Oe'dfêM&Ù
ŕy ft aOEtieu ŗviTi^oûioeiÿ
(ow
Mef(
J rç-
OöT/v L
im
oe
W lĴ
K EENZAAMHEID
WöOEÜEN weAl/J
(rAANÍ * VlMALj
ĴOŐ'HIA*
rv
\ 'fctiOjVT HUI
Het ÉfC KTfc
i.1 m r
6^T
SċUM-Kyv
WAAS- dŕ Nirr flvrR NIET &OE0 J»RAAT ^
Hl/ IS
IS
O Pr IV/
ĉrř S ć OTPW
e\c*HivĄAÁotì 1 6r r —
xC^
onkbrvaïXk
iKllĩlfìT t FKR/ICffT
flu^ bćĉ Ifl
V/ERtC^M ft/tN RELATIE
A f '5 ee/i
íd/U.
/ME I
ha
(yo-m į^Coítlclj- u
KčNMEA/
LOSSE
saven
Ĉ4/U
meom \
ćLsuas
jg moer Jf
m[lODXL
Als het versterken van eigenaarschap leidend is in het bondgenootschap, dan is de praktische vraag hoe je dat bondgenootschap organiseert. Belangrijk gegeven is daarbij dat het NPRZ een klein programmabureau heeft en om die reden vaak niet zelf deze vragen kan oppakken. Dat betekent in de eerste plaats dat het NPRZ niet moet overnemen van, maar waar relevant kan aansluiten bij verbindingen die partners hebben met bewoners als huurders, leerlingen, ouders, studenten, werkzoekenden, enzovoort.
L- imĉ.ĉJ’C-' S S/zWíL'(JlOCn
Een tweede praktisch uitgangspunt is het benutten van de aansluiting tussen de vragen van bewoners en de ambities van het programma. Dan gaat het bij wonen bijvoorbeeld om het ruimte geven aan VVE's die willen verduurzamen of senioren die een veerkrachtig netwerk ontwikkelen door in collectief particulier opdrachtgeverschap samen seniorenwoningen in een buurt te realiseren. Daarbij is ook aandacht nodig voor het verbinden van dit soort initiatieven met de buurt. Bij Kansrijk opgroeien gaat het om het ondersteunen van initiatieven rond het delen van opvoedingsvragen. Bij ondermijning kan een thema als foute vrienden of 'niet-pluis-gevoel' een ingang vormen. Bij toeleiding naar werk kan het benutten van buurtinitiatieven voor werkervaring of stages behulpzaam zijn. Anders gesteld, de vorm van betrokkenheid volgt op de inhoudelijke vragen. In de huidige praktijk kan een project als 'Onwijze moeders' als inspiratie dienen. Zulke initiatieven zijn te verkiezen boven 'feestje-zoekt-gastenparticipatie'.
Voor het bondgenootschap met bewoners ligt een alliantie met anderen in de wijken voor de hand. Denk aan de stadsmariniers, wijkmanagers, de wijkraden en Wijk aan zet. Dat helpt ook om te voorkomen dat het inhoudelijke werk dat voortkomt uit de verbindingen met bewoners op het verkeerde bord terecht komt, denk aan beheer openbare ruimte. Het verder ontwikkelen van deze aanpak vergt ook aansturing vanuit het bestuur van het NPRZ. Het ligt voor de hand om hier de bewonersvertegenwoordiger te beschouwen als de 'primus' voor deze aanpak. Tegelijkertijd is het goed om ook inhoudelijk aansluiting te organiseren. Daarbij zou het goed zijn om Wonen en Thuisbasis op orde aan te laten sluiten. Wonen, omdat hier in de afgelopen periode het gevoel van eigenaarschap bij groepen op het spel heeft gestaan (denk aan de Tweebosbuurt); het zou goed zijn juist hier het leren op te organiseren. Thuisbasis op orde, omdat hier de vragen spelen die het meest dicht op de huid van bewoners zitten. Bij het bondgenootschap met bewoners hoort ook het gesprek over adequate en - waar nodig - strenge handhaving. Met optreden tegen uitwassen, bijvoorbeeld in het exploiteren van particuliere voorraad, ga je als overheid naast goedwillende bewoners staan. Hier gaan wij in het volgende hoofdstuk dieper op in.
informatie
MŌOmiEl^JiMCr
(v\oW 0 VlOvűEN
KOrr 0F ĨETR. om t'ĉrve&e bîMiíía-Jc tó,
\,
(C/t/l/JfT/t.
FLOOPSS
VíüI ŕr
ka ia íHm,
Cžōmōl, uwr
Aţff 'Er EćTG-fMA(ÇrA/
t\!tN WJUc Z ^
rkMí^
y
JOMCrfìLfU
m
Praktisch organiseren van bondgenootschap met bewoners
hļd ũIodí/
0/mN
ĨRlIMIA/A-
0^
i 'Zt'cA
o^iXt-v
lift
T'tvç 2-AlceA/ OükAj
Cw.^
äjL
PřA UflRS
Aí er iNvŗĵ.j 'ÇyiiNbe-w \f yoüų Z\ziû Jll\VEEL NE GA nìEt
ñ?R\L-
ļ IS CT '6«
ĆUtrnoc
irvcKfL/
-tvî^U ,-HjĴİo iaİŴ)
SAittVHtfliLKrtťTlO
ļVUW- )
rmuT/r'1
ũ O
c c?0 0 O ű*J
/'ÅH. ^rdL (Kjl. (LLáaJï. \ trp I
\i\f \if
o
w e?
c
"/O stut* rŗA/
yTśò.
Va-
1/(2,
N Pk2 bi//^ íe ftieEsre
-
38 -
tEroP
PS: vee meuren K de. tobb y S5*í burg KMMVì/vJĨllen/ Avrveo Klief
39 -
7. Een doorbraak voor wonen De maatschappelijke opgave Onderdeel van de gespreksronde was een avond met inwoners van Carnisse die, op uitnodiging van de Stadmarinier, waren gekomen om hun ervaringen, vooral op het gebied van wonen te delen. "Het water in de Aldi is steeds uitverkocht", benoemde één van de deelnemers een stil signaal van ernstige gevolgen van slecht onderhoud. Kinderen krijgen te veel lood binnen als zij leidingwater drinken. Degene die het zich kan veroorloven, koopt pakken water bij de Aldi. Een ander, van origine Pools, gaf aan hoe veel arbeidsmigranten klem zitten door een koppeling van arbeidsovereenkomst en huurovereenkomst. Als het gaat over opknappen, dan gaat het dus ook over het opknappen van de omstandigheden waarin mensen verkeren tot een menswaardig bestaan. Daar is nog veel te winnen. Zoals in deel 1, de review, duidelijk is gemaakt, blijkt dit juist in de particuliere voorraad een lastige maatschappelijke opgave. Het goed huizen van kwetsbare groepen in de samenleving is een belangrijke taak waar gemeente, Rijk en corporaties ieder een belangrijke maatschappelijke opgave in hebben. Voor een doorbraak zijn alle drie partijen nodig.
Ons voorstel kent drie, onderling samenhangende, elementen: ' Reguleren ' Handhaven ' Aanpak van particuliere voorraad naar publieke voorziening Uitgangspunt bij deze aanpak is drieledig: 1. Per wijk wordt ingezet op een mix van opknappen en differentiatie (toevoegen koop, grotere woningen en middenhuur). De aantallen in de particuliere voorraad, waarmee we beginnen, zeggen iets over de bereidheid om op korte termijn verschil te maken. Niet over de omvang van de totale opgave. Dit uitgangspunt wordt nader uitgewerkt bij hoofdstuk 10. 2. Het bezit van woningcorporaties vergroot doordat de corporaties woningen overnemen van de gemeente, nadat deze woningen heeft verworven. Zij gaan deze woning opnemen in hun regulier onderhoudsprogramma. 3. Iedereen die wil, kan in zijn of haar wijk blijven wonen.
Reguleren, handhaven, opkopen en opknappen Reguleren en handhaven
Opkopen en opknappen
Misstanden in de particuliere verhuur moeten worden bestreden. In het project Goed Huren/Verhuren zet de gemeente al instrumenten in als huurteams, verhuurdersvergunningen en opkoopbescherming. Dit project moet krachtig worden doorgezet.
De gemeente koopt woningen in de particuliere voorraad. Woningcorporaties nemen aanpalend bezit over vanuit hun maatschappelijke rol en betrokkenheid. In lijn met het handelingsperspectief per wijk (zie hierover hoofdstuk 10) wordt bepaald of deze woningen grondig worden opgeknapt, samengevoegd of gekozen wordt voor sloopnieuwbouw. Deze aanpak is nieuw. Er wordt daarom gestart met circa 1.000 woningen in de eerste twee jaar. Op basis van monitoring en evaluatie wordt vastgesteld hoe de aanpak uitwerkt en hoe deze vervolg krijgt.
Meer instrumentarium is nodig om misstanden in particuliere verhuur te bestrijden met name voor uitvoering van de aanbevelingen van de commissie Roemer, voor de mogelijkheid van de gemeente om sancties op te leggen bij te hoge huren en het verminderen van de mogelijkheden om tijdelijk huurcontracten af te sluiten. Actieve handhaving die minder afhankelijk is van de signalen van huurders in zwakke positie, is gewenst. Handhavingsmogelijkheden en gronden voor inspectie moeten worden verruimd. Ook in andere stedelijke vernieuwingsgebieden speelt deze handhavingsproblematiek en de behoefte aan extra instrumentarium. We zien voor het Rijk als partner van het NPRZ en het programma Leefbaarheid en Veiligheid hierin een voorwaardenscheppende en stimulerende rol weggelegd. Het gaat bij reguleren en handhaven om meer dan alleen de aanpak van de misstanden. Hans Boutellier, bijzonder hoogleraar Polarisatie en Maatschappelijke Veerkracht, onderscheidt drie gronden voor vertrouwensverlies bij bewoners: Ik zie de overheid niet (1). De overheid ziet mij niet (2). De overheid presteert niet (3). Als in bepaalde gebieden misstanden hebben plaatsgevonden, begint herstel van vertrouwen bij een aanwezige overheid die optreedt tegen de verantwoordelijken voor die misstanden en naast de kwetsbare bewoners gaat staan.
Samenhang met differentiatie in de wijk
In hoofdstuk 10 staan we stil bij de aanpakken per wijk. Op deze plek is het van belang om nog stil te staan bij de samenhang tussen deze aanpak en differentiatie in de wijk. Deze samenhang is tweeledig. Een grotere rol voor woningcorporaties hangt samen met de ambitie om, ook als wijken aantrekkelijker te worden, woningen bereikbaar te houden voor zowel sociale huur als middenklasse. In het verlengde van deze doorbraak blijft het maken van een pakket aan afspraken over de totale opgave per gebied, zodat Zuid echt voor iedereen is, noodzakelijk. De opgave die Deetman/Mans al schetsten en die in Zuid Werkt! zijn bekrachtigd, is nog steeds actueel. Regulering (een puntensysteem dat goed wordt gehandhaafd) draagt hieraan bij. Met wijkgericht handhaven kan vertrouwen in een wijk groeien, doordat (toekomstige) inwoners zien dat misstanden worden aangepakt en notoir slechte verhuurders worden aangepakt.
Écfctí
Carnisse
-
40 -
-
41 -
8. Kansrijk opgroeien op zuid Voor de kansen van kinderen is iedere fase in het leven van belang, dat begint al voor de geboorte en gaat door tot en met de stageplek. Ook ieder moment op de dag is relevant, dat begint bij de nachtrust, via het ontbijt, de tijd op school en na school, tot en met de bedtijd. Ook iedere plek en ieder persoon die zij op die plekken tegenkomen, draagt bij aan hun ontwikkeling. Zowel de positieve resultaten van de pijler School als de terugval door de lock down en het lerarentekort laat zien hoe groot de reikwijdte is van het kansrijk opgroeien. Met het oog op die enorme reikwijdte stellen wij hier drie gerichte versterkingen van het programma voor. Daarbij gaan wij ervan uit dat de bestaande aanpak met onverminderde inzet en ambitie wordt voortgezet, want die aanpak maakt al een verschil.
Een goede start: goed op school komen Hoe komen kinderen voor het eerst op het schoolplein? In één van de interviews wordt een beeld geschetst van een jochie van vier met een lolly in zijn mond die hangend in zijn buggy het plein wordt opgeduwd. Die jongen begint met een achterstand op motorisch gebied en niet zelden ook op andere gebieden. In de schets zitten ook de eerste lijnen van de rest van het leven van die jongen. Het landelijk programma 'Kansrijke start' maakt zichtbaar dat door het hele 'ecosysteem' van het kind mee te nemen, een groot verschil kan worden gemaakt in de eerste 1.000 dagen. Vanaf 2019 doet Rotterdam mee aan dat programma en hier kan verder op worden gebouwd om iedereen een goede start te geven. Daarvoor zijn niet
alleen de partners van het NPRZ nodig (gemeente, scholen, zorg), maar ook andere uitvoerende organisaties zoals verloskundigen, jeugdzorg en consultatiebureaus. Het programma Kansrijke start loopt de eerste 1.000 dagen, wat betekent dat het eindigt voor het kind op school komt. Door middel van voorschoolse educatie kan dit worden verlengd tot en met de eerste keer dat het kind het schoolplein oploopt. Uiteindelijk is de ambitie dat ieder kind taalvaardig, mentaal gezond en motorisch goed ontwikkeld de eerste keer groep 1 binnenloopt. Om te markeren dat het om een verbreding van de aanpak gaat, kan het goed zijn om dit binnen het bestuur van het NPRZ te beleggen bij de vertegenwoordiger van de zorgsector.
Scholen ontzorgen Op scholen op Zuid komt veel af. Tegelijkertijd hebben we in de review gezien dat het is gelukt om beter te presteren dan scholen van gelijk gewicht in andere gebieden. De ambitie dat kinderen en jongeren op Zuid dezelfde kansen hebben als in andere grote steden vraagt een aanpak waarbij leerkrachten zoveel mogelijk 'bij de les kunnen blijven'. Dat betekent dat zij zorgsignalen goed kunnen overdragen aan bijvoorbeeld jeugdzorg. Waar fysiek mogelijk, is het dan van belang om zorg letterlijk in de school te brengen. Doorzetten op betere samenwerking tussen verschillende professies, beter en consequenter voorzien in preventie, vroegsignalering en lichtere hulpverlening op scholen zijn noodzakelijk en verdienen doorzetten. Betere samenwerking heeft alleen kans van slagen als die professies beschikbaar en bereikbaar zijn. Beschikbaar vraagt om meer schoolmaatschappelijk werk, orthopedagogen en wijkteamleden. Bereikbaar wil zeggen dat deze zorg bij voorkeur fysieke aanwezigheid is op school. Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan als er geen structurele aanpak voor het lerarentekort komt. De aanpak van het lerarentekort, zoals 'Beste leraren' verdient intensivering voor Zuid. Gezien de urgentie moeten ook
meer onorthodoxe maatregelen worden overwogen. Zo zou het denkbaar moeten zijn dat scholen en corporaties gaan samenwerken om onderwijzerswoningen te gaan realiseren. Het mes zou hier aan drie kanten snijden: de beschikbaarheid van woningen vergroot de aantrekkingskracht van het onderwijs. De komst van onderwijzers draagt bij aan de differentiatie in de wijk (meer dragers in de buurt) en dicht bij het werk wonen, verlaagt wellicht de doorstroming. Doorontwikkeling wijkteams
Als het thuis onrustig is, bijvoorbeeld door veel stress over schulden, is het moeilijk om de aandacht erbij te houden op school. In het derde uitvoeringsplan krijgt Thuisbasis op orde een samenhangende aanpak onder de titel 'De Brug', waarin onder andere de aspecten een fijn huis, grip op je geld en toekomst voor je kind in samenhang samenkomen. De effectiviteit van dit concept is mede afhankelijk van de uitvoeringskracht van de wijkteams. In het licht van de wenselijkheid om leerkrachten te hebben die 'bij de les kunnen blijven', is het gewenst om te blijven inzetten op de samenwerkingskracht en professionele kwaliteit van de wijkteams. Dat mag niet afhankelijk blijken van NPOmiddelen.
Aanvullende maatregelen Als een goede basis is gelegd, zou het jammer zijn als de jongere vol goede moed kiest voor een opleiding die zijn of haar kansen juist vermindert. Daarom is het belangrijk in te zetten op het verminderen van aanbod van perspectiefarme opleidingen en het vergroten van de aantrekkingskracht van perspectiefrijke opleidingen. Eén van de methoden daarvoor kan zijn het uitbreiden van mogelijkheden om werk en leren te combineren.
-
42 -
Niet alleen de school en thuis hebben invloed op de ontwikkeling van het kind. Ook de straat heeft invloed op de ontwikkeling. Bij de ontwikkeling van wijken is het ook vanuit het NPRZ goed om te kijken naar de woonomgeving, niet zozeer vanuit de pijler Wonen, maar vanuit de pijler School: wat is de pedagogische kwaliteit van de openbare ruimte: welke kansen biedt de buitenruimte en tot welk gedrag nodigt de openbare ruimte uit?
43 -
Programmatische aanpak
9. Ontwikkeling ondermijnd? Het belang van veiligheid Veiligheid is een voorwaarde voor een leefbare samenleving. Het is de basis voor een goede toekomst voor kinderen en nodig voor de economische ontwikkeling van een gebied. De combinatie van sociaaleconomische problematiek in wijken van Zuid en de aanwezigheid van criminele structuren maakt jongeren kwetsbaar voor het afglijden naar criminaliteit. Een integrale, programmatische aanpak op veiligheid is daarmee inherent onderdeel van het NPRZ. Jonge mensen steunen bij het volgen van een opleiding en het vinden van werk is immers minder effectief als je niet tegelijkertijd aandacht hebt voor de verlokkingen van het snelle geld in de criminaliteit. Sociaal wijkenbeleid verliest aan kracht als Justitie er niet bij aanhaakt. Maar ook het omgekeerde geldt. Preventiezonder repressie is tandeloos en omgekeerd is repressie zonder preventie harteloos.
Het tegengaan van jonge aanwas en het doorbreken van criminele carrières is een van de belangrijkste opgaven in de veiligheidsaanpak van het NPRZ. Gelet op het klimaat op Rotterdam-Zuid waar jongeren bovengemiddeld risico lopen om slachtoffer te worden van mensenhandel of om geronseld te worden voor criminele activiteiten is het van belang om te werken aan de weerbaarheid van kinderen. Ook is het van belang om de deskundigheid ten aanzien van Licht Verstandelijke Beperking (LVB) te bevorderen. Het percentage mensen met LVB-problematiek is met name in Rotterdam-Zuid hoog. Hierdoor lijken zij kwetsbaarder te zijn voor het plegen van criminele activiteiten.
ļr
Inherent aan het veiligheidsdomein, waar ondermijning vaak toe wordt gerekend, is de kracht van het incident. Een avondklokopstand, een steekincident of een gewelddadige overval trekken al snel alle aandacht. Dat maakt het zowel lastiger als belangrijker om een programmatische aanpak vorm te geven. De volgende vijf bouwstenen kunnen behulpzaam zijn om hier vaart en voortgang aan te geven:
3. Lerend van pilot naar staande praktijk: aanpakken als de Beijerlandselaan blijken aansprekend, ook als signaal aan de inwoners, maar hoe vertalen de lessen uit deze aanpak zich naar een staande praktijk? De vertaalslag naar een meer structurele aanpak is een terugkerende vraag aan de tafel Veiligheid. 4. Van repressief naar preventief: een tweede terug kerende vraag gaat over de slag van repressie naar preventie. Als een aantal incidenten optelt tot een patroon: welk verschijnsel moeten we dan voorkomen en welke oorzaak kunnen we tackelen?
1. Een scherpe focus: stel het significant verminderen van de kans dat jongeren dader of slachtoffer worden van criminaliteit centraal. 2. Doelstellingen op wijkniveau: ondermijnende dynamiek is niet zelden stedelijk, regionaal en zelfs landelijk. Toch laat het doorbreken van die dynamiek zich wel vertalen naar doelen op wijkniveau. Het voordeel daarvan is dat ook op dat niveau (bijvoorbeeld in het sociaal domein) netwerkpartners kunnen worden aangesproken. Wanneer uit de analyse van de wijk blijkt dat een bepaalde straat als broeinest voor ondermijning werkt, kan hier met relevante partijen, zoals woningeigenaren, het Openbaar Ministerie, de politie, de gemeente, jongerenwerk en de Belasting dienst gezamenlijk worden opgetreden.
5. Verbinden met School en Werk: in de eerder beschreven aanpak van het toegankelijk maken van rechtsbijstand is al een impliciete verbinding met de pijler Thuisbasis op orde. Zulke verbindingen zijn ook van belang met School (heb je een vertrouwde band met schoolleiding? Weten ze je te vinden als hun leerlingen van het pad dreigen te raken?) en werk (in het kader van straffen met zorg: ontstaat er een alternatief voor een carrière in de criminaliteit?)
V*
/- v*
5' i vV3
Veiligheid in samenhang met partners in de wijk 'L^A Met 'ontwikkeling ondermijnd?' doelen we op het effect dat veiligheid kan hebben op de ontwikkeling van juist de kwetsbare wijken op Rotterdam-Zuid. In de inleiding hebben we genoemd dat vooral het tegengaan van jonge aanwas en het doorbreken van criminele loopbanen belangrijk is om een wijk aantrekkelijk te houden of te krijgen. Voor veel partijen die betrokken zijn bij het NPRZ, is het niet eenvoudig om dit vraagstuk zelf op te pakken. Wat kun je als school in je eentje doen aan ronselpraktijken onder jouw leerlingen in de buurt van je school? Wat zijn je
mogelijkheden als je ziet dat een jonge leerling 'even op de uitkijk' staat? Het is dan belangrijk dat je een netwerk hebt dat jij kent en waarin je wordt gekend. Dat wil zeggen waar je de weg weet en je partners jouw signalen samen met jou weten op te pakken. Dit is ook een belangrijk belang van een gebiedsgerichte aanpak, niet omdat het probleem zich aan de grenzen van het gebied houdt, maar omdat op wijkniveau een veerkrachtig netwerk, samen met inwoners, ouders, schoolhoofden enzovoort, het verschil kan maken.
F» ÜU.-
-L
V
!' ĵvį.
Beverwaard
-
44 -
-
45 -
10. Het Nationaal Programma de wijken in Het Nationaal Programma kent een aansprekend en mobiliserend schaalniveau. Alleen al door
Agenda per wijk De agenda per wijk geeft aan alle aspecten van het Nationaal Programma aandacht. Daarnaast wordt stil gestaan bij thema's die bewoners belangrijk vinden voor de ontwikkeling van hun buurt. In de Burgertop is bijvoorbeeld openbare ruimte veel genoemd. We staan hier bij de drie pijlers en de woonomgeving expliciet stil.
niet in de eigen buurt naar school brengen, wordt de school daar meer eenzijdig van, maar het heeft ook effect op de veerkracht in de wijk. Het is bovendien een belangrijk signaal voor de onderlinge samenhang en scheidslijnen in de wijk.
Agenda voor wonen in de wjk
Zoals aangegeven in hoofdstuk 3 verandert de aard van werkloosheid. Begeleiding en toeleiding winnen aan belang. Om de kansen in de wijk goed te benutten, is het van belang om aan te sluiten op het beschikbare netwerk. De agenda heeft betrekking op de samenstelling en ontwikkeling van zowel het bestand van werkzoekenden als de beschikbare mogelijkheden in de wijk om te begeleiden en toe te leiden. Ook kunnen hier dwarsverbanden met andere pijlers worden gevonden. Denk aan voorlezen op maandagochtend om weer een dag- en weekritme te ontwikkelen of inwoners die in de wijk zelf zinvolle dagbesteding vinden.
Buurtnetwerk voor werk
die schaal is het mogelijk om onder andere het Rijk, schoolbesturen, woningcorporaties, het Openbaar Ministerie, de politie en de gemeente aan één tafel te krijgen. Vervolgens zijn er op verschillende plekken aanpakken op buurt- en wijkniveau van de grond gekomen (denk aan aanpak ondermijning Beijlerlandselaan, herstructurering Tweebosbuurt). Ook de aanpak voor de Children's Zone kent een gebiedsgericht karakter. Het is om verschillende redenen de moeite waard om die aanpak in de wijken op juist dat niveau verder te versterken. We noemen er hier drie: 1. Het benutten van samenhang tussen vraagstukken, zoals het opknappen van woningen en de kwaliteit van de woonomgeving. 2. Het schakelen met partijen die in de buurten en wijken aan het werk zijn, zoals Wijk aan zet, Stadsmariniers en Wijkbeheer. 3. Het beter aansluiten op beleving van bewoners.