CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb004834] Bijlage 1 behorende bij 22bb4833 over ontwerpbestemmingsplan plus verbeelding "Kavel De Machinist"

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 24 augustus 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen15.837 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN KAVEL DE MACHINIST

31 mei 2021

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN KAVEL DE MACHINIST

concept ontwerp ontwerp vaststelling

20 juli 2020 31 mei 2021

direct

pers

creatief

oonli

jk vlot

betrokken atisch

pragm

kundig

held

er

dyna

misc

h

BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl

INHOUDSOPGAVE I.

TOELICHTING

II.

REGELS

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV.

VERBEELDING

I.

TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.

2.

3.

4.

INLEIDING........................................................................................................................... 11 1.1

Aanleiding ............................................................................................................................... 11

1.2

Ligging en begrenzing ............................................................................................................. 11

1.3

Vigerend bestemmingsplan .................................................................................................... 11

1.4

Gekozen planopzet ................................................................................................................. 12

BELEIDSKADER .................................................................................................................... 13 2.1

Nationaal beleid ...................................................................................................................... 13

2.2

Provinciaal beleid .................................................................................................................... 13

2.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 15

2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................... 17

BESCHRIJVING VAN HET PLAN ............................................................................................. 19 3.1

Omgeving en huidig gebruik ................................................................................................... 19

3.2

Projectbeschrijving ................................................................................................................. 21

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN ............................................................................... 23 4.1

Water ...................................................................................................................................... 23

4.2

Milieuzonering ........................................................................................................................ 25

4.3

Geluid ...................................................................................................................................... 26

4.4

Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 29

4.5

Externe veiligheid ................................................................................................................... 29

4.6

Bodem ..................................................................................................................................... 31

4.7

Archeologie ............................................................................................................................. 31

4.8

Ecologie ................................................................................................................................... 32

4.10 Duurzaamheid en energie ...................................................................................................... 33 4.11 Besluit m.e.r. ........................................................................................................................... 35 5.

6.

JURIDISCHE ASPECTEN ........................................................................................................ 37 5.1

Inleiding .................................................................................................................................. 37

5.2

De opzet van de planregels..................................................................................................... 37

UITVOERBAARHEID ............................................................................................................. 41 6.1

Financiële uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 41

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ............................................................................................ 41

Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

-9-

- 10 -

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding Kavel De Machinist is gelegen op het Coolhaveneiland, dat vanaf het centrum van Rotterdam de meest zuidelijke entree vormt tot het stadsdeel Delfshaven. Door de strategische ligging biedt de locatie dermate veel potentie dat de gemeente heeft besloten om een tender uit te schrijven met het oog op de ontwikkeling van een woongebouw, bestaande uit maximaal 60 woningen die zich hoofdzakelijk bevinden in het middenhuur-segment. Het huidige bestemmingsplan “Delfshaven” staat de realisatie echter niet toe (zie § 1.3), vandaar dat is gekozen voor een herziening daarvan.

1.2

Ligging en begrenzing Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door het water van de Coolhaven. Aan de zuidzijde vormt de Willem Buytewechstraat de begrenzing. Direct ten westen ligt het gemeentelijk monument De Machinist, nu in gebruik voor horeca en als zalencentrum. Aan de oostzijde ligt het toekomstige monument Gemaal Parksluizen. De directe omgeving kent daarmee een sterk gemengd karakter, want naast bovengenoemde functies bevinden zich direct ten zuiden van het plangebied ook woningen in het voormalige belastinggebouw aan de Puntegaalstraat.

Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in Rotterdam (links) en in de directe omgeving (rechts).

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van de locatie is momenteel het bestemmingsplan "Delfshaven" het geldende juridisch-planologisch kader. Dit plan is door de gemeenteraad van Rotterdam vastgesteld op 29 november 2012. Ter plaatse van het plangebied (zie afbeelding 2) is één hoofdbestemming van kracht; ‘Verkeer - Verblijfsgebied’. Deze gronden zijn in hoofdzaak bedoeld voor voorzieningen ten behoeve van wandelen, spelen, fietsen en gemotoriseerd verkeer. De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot bijvoorbeeld bouwwerken voor kleinschalige openbaar nutsvoorzieningen en geluidswerende voorzieningen; ook uitstekende delen aan gebouwen die zijn toegelaten krachtens een aangrenzende bouwbestemming passen binnen deze bestemming.

Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 11 -

Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Delfshaven” (plangebied oranje omkaderd).

Het gehele plangebied is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’, waarmee eventuele in de ondergrond aanwezige archeologische relicten worden beschermd. Dit betekent, dat voorafgaand aan bodem verstorende activiteiten met een omvang groter dan 200 m2 en die dieper reiken dan drie meter beneden maaiveld een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Een klein deel van het plangebied bevindt zich binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat Waterkering’. Deze bestemming dient ervoor om de waterstaatkundige belangen te borgen. Het te ontwikkelen woongebouw is in strijd met de huidige bestemming. Het bestemmingsplan kent geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden om het beoogde bouwplan te realiseren. 1.4

Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de gronden voor woningbouwdoeleinden met bijbehorende voorzieningen in te kunnen zetten. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

- 12 -

2.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder die voor dit plan.

2.1

Nationaal beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) vastgesteld. Dit document beschrijft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Door vaststelling van de SVIR geldt voor de ruimtelijke ordening in brede zin dat een aanzienlijk deel van de Rijkstaken is gedecentraliseerd. Alleen voor een beperkt aantal onderwerpen wordt de bevoegdheid om algemene regels te stellen ingezet. Het gaat hierbij om nationale belangen. Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn deze nationale belangen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden. Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Deze is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen.

Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Conclusie nationaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Op basis van het Rijksbeleid kunnen de decentrale overheden maatwerk leveren en inspelen op specifieke wensen. Daarnaast blijkt uit paragraaf § 2.4 dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee aan de SER-ladder. Geconcludeerd wordt, dat het plan in overeenstemming is met het nationaal beleid.

2.2

Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta.

Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 13 -

• Naar een nieuwe economie: the next level. • Naar een levendige meerkernige metropool. • Energievernieuwing. • Best bereikbare provincie. • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 1 juli 2020 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 augustus 2020 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stadsen dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren.

Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal.

Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. • Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is. - 14 -

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie.

Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stads- en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De ontwikkeling van het plangebied draagt hieraan bij. De woningen - in hoofdzaak middenhuur - passen binnen de woningbouwbehoefte van de gemeente Rotterdam, die is aanvaard door het college van Gedeputeerde Staten. De ontwikkeling van het plangebied past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee ook binnen het provinciaal beleid (zie ook § 2.4). 2.3

Gemeentelijk beleid Stadsvisie Rotterdam 2030 De Stadsvisie Rotterdam 2030 is vastgesteld op 27 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de periode tot 2030 en heeft als missie te komen tot een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op het gebied van wonen en economie. Werkgelegenheid ontwikkelt zich namelijk alleen wanneer de stad een aantrekkelijk vestigingsklimaat vormt voor werknemers, met goede woningen inclusief de bijbehorende voorzieningen en buitenruimten: complete woonmilieus die aansluiten bij de wensen van de woonconsumenten. Vandaar dat extra wordt geïnvesteerd in aantrekkelijke groenstedelijke, rustig stedelijke en centrumstedelijke woonmilieus. Bijzondere architectuur en herontwikkeling van erfgoed worden daarbij ingezet als katalysator. In de Stadsvisie zijn op basis van effectmetingen gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad'; de zogenoemde VIP-gebieden. Delfshaven - en daarmee ook het plangebied behoort niet tot één van deze VIP-gebieden. Wel is in de directe nabijheid het VIP-gebied Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 15 -

'EMC-Hoboken' gelegen, waar ruimte wordt geboden aan medische bedrijvigheid en onderzoek, wonen, voorzieningen en onderwijs. Delfshaven maakt in de Stadsvisie deel uit van het “Van Haven naar Stad”- gebied. Speerpunt hierbij is een gemengd, uniek haven en stadsmilieu met maritieme bedrijvigheid, creatieve economie en woningbouw. Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020 De in december 2016 vastgestelde Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld: • Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: o de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; o te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en o woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid.

• Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: o een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad, o ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden, en o energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen. • De basis op orde houden door: o het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; o betaalbaarheidsproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; o goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; o toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt, en o woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. Met de vaststelling van een addendum op de woonvisie en de intrede van de Gebiedsatlas (augustus 2020) is de visie gebiedsgericht van aard geworden. Op basis van de gebiedsatlas wordt gestreefd naar het in balans brengen van de woningvoorraad. Die balans wordt niet zozeer in woningtypologie uitgedrukt, als wel in verhouding tussen prijssegmenten. Daarbij is grote behoefte aan kwalitatief hoogwaardige woningen voor de juiste doelgroepen op de juiste plek. Stadsbreed wordt gestreefd naar de bouw van 18.000 woningen in de huidige collegeperiode: 20% daarvan zijn sociale woningen, 30% middensegment, 30% hoger segment en 20% topsegment.

De visie betreft tevens een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren.

- 16 -

Ontwikkelingsvisie Coolhaveneiland De ontwikkelingsvisie voor het Coolhaveneiland is in 2004 vastgesteld door de deelraad van de voormalige deelgemeente Delfshaven. De ontwikkelingsvisie is bedoeld om de koers uit te zetten en mogelijkheden aan te reiken voor publieke en private initiatieven en deze te stimuleren. In 2010 is deze visie herijkt, waarbij bleek dat het beeld van een interessant gebied met potentie en deelgebieden met een verschillend profiel, nog altijd actueel is: het Coolhaveneiland vormt een schakel tussen het Lloydkwartier, Hoboken, Historisch Delfshaven, het Nieuwe Westen en Middelland. Het gebied is geliefd als plek om te wonen, maar zeker ook om te werken, te ondernemen en te ontspannen. Het profiel van het Coolhaveneiland wordt gedragen door drie pijlers, te weten: kennis, historie en cultuur. Het gebied is gunstig gelegen tegen de centrumrand aan. In de nabije omgeving voltrekken zich op dit moment ingrijpende veranderingen, waardoor de dynamiek van kleur verschiet. Welstandsnota Rotterdam Het welstandsbeleid is op 11 oktober 2012 door de gemeenteraad vastgelegd in de 'Welstandsnota Rotterdam'. Deze nota is een geactualiseerde versie van de 'Koepelnota Welstand Rotterdam' uit 2004 die hiermee is komen te vervallen. Op de kaart 'Welstandsniveaus' behorende bij deze nota is aangegeven welk welstandsregiem van toepassing is: vrij, regulier of bijzonder.

Het plangebied valt binnen het welstandsregiem 'regulier' en binnen het gebiedstype ‘planmatige stedelijke uitbreidingen’. In deze delen van de stad vormen de afzonderlijke bouwblokken met elkaar grotere architectonische eenheden die in (symmetrische) ensembles zijn gerangschikt. Daardoor is sprake van een sterke samenhang tussen stedenbouw en architectuur. Hierbij is het collectieve aspect (herhaling, hiërarchie) sterk aanwezig en is de expressie van het individuele object ondergeschikt. Het accent ligt op de compositie van het blok als geheel. Uitgangspunt in deze gebieden is het herkenbaar houden van de sterke samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en groenstructuur. Iedere ingreep, zowel bij beheer en onderhoud als bij nieuwbouw, dient te worden beoordeeld op de gevolgen voor de architectonische eenheid en de stedenbouwkundige compositie. Bij nieuwbouw is het van belang om per bouwblok te streven naar complexmatige bouw onder één architectuur, zoals dat bij de oorspronkelijke bouw ook gebeurde. Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Gesteld wordt dat het plan aansluit op de doelstellingen zoals die omschreven zijn in het gemeentelijk beleid.

De ontwikkeling draagt bij aan het terugdringen van de woningnood in Rotterdam en is gelegen op een locatie die, mede vanuit stedenbouwkundig oogpunt, wenselijk is om te benutten voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening, in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking, in werking getreden. Met deze aanpassing zijn drie leden van artikel 3.1.6 van het Bro gewijzigd. In deze leden worden eisen gesteld aan de toelichting op een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Het nieuwe derde lid maakt het mogelijk dat bij bestemmingsplan kan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt opgenomen in de toelichting van het wijzigings- of het uitwerkingsplan. Daarnaast is het begrip

Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 17 -

‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. In de huidige situatie zijn binnen het plangebied géén woningen aanwezig , waarmee het bestemmingsplan dus toeziet op de toevoeging van nieuwe woningen met een woonoppervlak van gemiddeld 60 m2. Daarbij richt het bestemmingsplan zich op de realisatie van betaalbare middenhuur, al zal een deel van de woningen (maximaal 10) zich ook bevinden in het topsegment. Het aantal te realiseren woningen zal niet meer zal bedragen dan 60. Dat er behoefte is aan de beoogde woningen blijkt uit de meest actuele provinciale Woningbehoefteraming (WBR2019). Deze provinciale prognose is bedoeld als “neutrale” kwantitatieve basis voor het provinciale woningbouwbeleid. Voor elke regio is berekend hoeveel extra woningen er nodig zijn, voor het huisvesten van nieuwe huishoudens. WBR2019 is een scenarioberekening van een demografisch model, waarbij (o.a.) wordt gerekend met ‘binnenlands migratiesaldo nul’ per gemeente. Op basis van deze raming blijkt de woningbouwproductie ten opzichte van de afgelopen jaren flink naar boven is bijgesteld.

Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt evenwel dat het uitgangspunt “binnenlands migratiesaldo nul” in Rotterdam niet opgaat; de groei van Rotterdam wordt immers voor een belangrijk deel óók veroorzaakt door de vestiging van mensen van buiten de stad. De vraag naar woningen is in werkelijkheid dan ook groter, vandaar dat in het Rotterdamse coalitieakkoord het opschroeven van de woningbouwproductie een belangrijk beleidsvoornemen is. Aanvullend op het woonprogramma wordt op de beganegrond en laag -1 (wat in verband met de verdiepte ligging aan de noordzijde van het project als beganegrond wordt ervaren) voorzien in de mogelijkheid voor de realisatie van een meer gemengd programma, waaronder horeca, commerciële of maatschappelijke functies. Deze zijn echter dermate kleinschalig en ondersteunend aan het woonprogramma en een leefbare en sociaal veilige plint, dat deze zondermeer als passend worden gezien binnen de (stedelijke) behoefte. Gezien het bovenstaande wordt gesteld dat geen sprake is van strijdigheid met het Rijks- en provinciaal beleid op het gebied van de ‘ladder voor duurzame verstelijking’. De realisatie van maximaal 60 woningen voorziet in de behoefte en de ontwikkeling past daarmee geheel binnen het nationaal en provinciaal beleid.

- 18 -

3.

BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens in te gaan op de beoogde nieuwe situatie, wordt eerst aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis van Delfshaven, alsook de bestaande situatie en het huidig gebruik.

3.1

Omgeving en huidig gebruik

3.1.1

Delfshaven Rond 1380 besloot Delft een eigen kanaal aan te leggen, dat halverwege het huidige Schiedam en Rotterdam in de Maas uitmondde. Om de grotere zeegaande schepen te kunnen bedienen en om te concurreren met Rotterdam werd aan de monding van de Maas een zeehaven gebouwd. Rond 1400 vestigden zich hier vissers waardoor een nederzetting ontstond: Delfshaven. Uiteindelijk werd Delfshaven bekend om zijn branderijen en jeneverstokerijen, visvangst en hieraan gerelateerde bedrijvigheid, zoals scheepsbouw. Zo was de scheepswerf van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in Delfshaven gevestigd.

Afbeelding 3: Plattegrond van Delfshaven rond 1400.

Aan het begin van de 19e eeuw werd Delfshaven onafhankelijk van delft en kreeg het stadsrechten. De zelfstandige status bracht Delfshaven echter geen succes. Door toenemende werkeloosheid en armoede doet het stadsbestuur in 1841 het verzoek om te worden geannexeerd door Rotterdam. Omdat Rotterdam zelf ook problemen kent, wordt aan dit verzoek pas in 1886 gehoor gegeven. Na de annexatie breidt de dan Rotterdamse wijk Delfshaven zich gestaag uit. Door de aanleg van de Coolhaven, een nieuwe scheepsroute van de Delfhavense Schie naar de Maas, ontstaat in 1922 een nieuw 'eiland'. De wijk bestaat vanaf dat moment uit Historisch Delfshaven en het Coolhaveneiland, de locatie waar het plangebied is gelegen. Tot aan de Tweede Wereldoorlog reikte de wijk tot aan de Pieter de Hoochweg. Pas na de Tweede Wereldoorlog wordt het Coolhaveneiland afgebouwd en krijgt het aan de oostzijde een beeldbepalende afsluiting met de gereedkoming van het (voormalig) belastingkantoor aan de Puntegaalstraat.

Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 19 -

3.1.2

Huidige situatie omgeving plangebied Het plangebied is gelegen op het Coolhaveneiland, dat wordt begrensd door de Coolhaven, Puntegaalstraat, Westzeedijk en Achterhaven. Anders dan Historisch Delfshaven - waar veel musea, galeries en horecagelegenheden te vinden zijn, is het eiland tegenwoordig vooral een ontwikkelgebied voor creatieve ondernemers. Daarnaast heeft Coolhaveneiland een stedelijke functie voor culturele opleidingen en voorzieningen. Voorbeelden zijn Centrum voor wereldmuziek en dans, Hogeschool Rotterdam, de Theaterschool en De Machinist (direct ten westen van het plangebied).

Afbeelding 4: Het Coolhaveneiland, met links Historisch Delfshaven (plangebied omcirkeld).

Voor het Coolhaveneiland is een cultuurhistorische verkenning 1 uitgevoerd waaruit onder ander blijkt dat de aanwezige bebouwing op het eiland divers is. Zo zijn hier middenstands- en arbeiderswoningen uit de jaren twintig, appartementencomplexen uit de jaren vijftig en sociale woningbouw uit de jaren tachtig aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied is echter sprake van grootschalige school- en kantoorgebouwen. De Machinist is een dergelijk voormalig schoolgebouw, nu in gebruik voor horeca, culturele activiteiten en kleinschalige evenementen. De eveneens in de nabijheid gelegen belasting- en douanekantoren, zijn allemaal (recentelijk) omgebouwd tot woongebouwen.

Afbeelding 5: De bebouwing in de directe omgeving (plangebied omcirkeld).

1 Cultuurhistorische verkenning Coolhaveneiland, 26 mei 2020.

- 20 -

Het plangebied Zoals aangegeven is het plangebied op dit moment niet bebouwd. Het terrein is deels verhard en in gebruik als parkeerplaats. Het aanwezige groen doet in de zomer veelal dienst als terras ten behoeve van de hier dan aanwezige horeca. De bestaande bebouwing in de directe omgeving heeft duidelijke karakteristieken. Aan de ene kant gaat het om stoere, monumentale gebouwen met verfijnde detaillering (zoals De Machinist) en aan de andere gaat het over gesloten bouwblokken gehecht aan de stedenbouwkundige structuur. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich, aan het water nabij de ingang van het sluizencomplex, een toekomstig monument dat volledig uit beton is opgetrokken en nu antikraak is bewoond.

Afbeelding 6: Zicht op het plangebied.

3.2

Projectbeschrijving Kavel de Machinist kan worden gezien als samenhangend deel van de nieuwe ontwikkelingen aan de Coolhaven en omgeving. Het gebouw vormt een schakel tussen de Müllerpier, het bestaande Coolhaveneiland en het nu in ontwikkeling zijnde Little C aan de G.J. de Jonghweg. Voor het plot is de bouwhoogte vastgesteld op 50 meter, waarbij de rooilijn aan de Willem Buytewechstraat zodanig is gekozen dat deze terugligt ten opzichte van de gevel van het monument De Machinist, zodat de kenmerkende schoorsteen zichtbaar blijft. Aan de noordelijke zijde wordt het te bebouwen gebied begrensd door het warmtetracé, waarop (en over) niet gebouwd mag worden. Om het gebouw op gepaste wijze aan te sluiten bij De Machinist, is het van belang dat de gevel aan de Willem Buytewechstraat ter hoogte van de daklijst van De Machinist een duidelijke aansluiting krijgt. Dit maakt deel uit van de architectonische uitwerking van het gebouw en zal bereikt worden in de vorm van een setback of door het tot uiting te laten komen in de gevel. De beoordeling daarvan vindt plaats op grond van welstandscriteria in samenhang met de Nota van uitgangspunten. Het bestemmingsplan zelf doet hier geen uitspraken over en legt uitsluitend de functie en bouwregels vast.

Zo biedt het bestemmingsplan de flexibiliteit voor een gevarieerd woningaanbod, aangevuld met een publiektoegankelijke plint waarmee de gebruikswaarde op lange termijn gewaarborgd wordt. Daarnaast zal rond het gebouw een publiektoegankelijk dek komen, met daaronder de voor de ontwikkeling vereiste parkeerplaatsen. Het dek vormt het nieuwe maaiveld dat aansluit op het souterrain van De Machinist. De combinatie van een gemengde plint en woningbouw omarmt de gedachte van de inclusieve Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 21 -

stad. Het gemeenschappelijk dek en de publieke plint vervullen de rol van een ontmoetingsplek. Indien bij de horecafunctie ook terrassen zijn gewenst, staat het bestemmingsplan die feitelijk niet in de weg. Daarvoor zal per geval echter een aparte exploitatievergunning vergunning noodzakelijk zijn op basis waarvan dan ook nadere eisen worden gesteld met het oog op het voorkomen van overlast voor de omgeving. Deze wordt verleend door B&W en is daarmee dus geen beslisbevoegdheid van de gemeenteraad. In § 4.2 wordt nader aandacht besteed aan terrasgeluid.

Afbeelding 7: inpassing van het gebouw in de bestaande omgeving.

Het definitieve bouwplan is nog niet vastgesteld. Dit bestemmingsplan legt daarom enkel de kaders vast. Het wordt aan de markt overgelaten hoeveel woningen exact gerealiseerd gaan worden, maar het maximaal aantal woningen mag niet meer mag bedragen dan 60. Daarnaast zal op straatniveau (de plint) sprake zijn van enkele afwijkende functies, zoals een licht vorm van horeca, die bij zullen dragen aan een leefbare en stedelijke omgeving. Parkeren Vanaf 1 februari 2018 is de nieuwe parkeernorm in Rotterdam van kracht gegaan onder de naam ‘Beleidsregeling parkeernormen (Gemeente Rotterdam 2018)’. De locatie is gelegen binnen Zone B - Stadswijken. Voor het ontwerp van het gebouw moet de nieuwe norm worden gehanteerd; binnen deze norm kan worden gekeken naar vrijstellingen die verder worden beschreven in het beleidsdocument. In de planregels is daartoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De verdere uitwerking is in overleg met de gemeente.

- 22 -

4.

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.

4.1

Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2 & Rotterdams Weerwoord). Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft zijn beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit beheerplan vormt een leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap. Bij de uitvoering staan de kerntaken van Delfland voorop: de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Deze kerntaken staan niet op zichzelf, maar vormen een integrale opgave voor een toekomstbestendig watersysteem. Delfland heeft daarom vier richtinggevende integrale thema’s gedefinieerd die in de planperiode worden uitgewerkt tot een strategie. 1.

Een zelfvoorzienend gezond en schoon watersysteem; Delfland heeft in 2017 een strategie vastgesteld om op een toekomstbestendige wijze kringlopen te sluiten en (nagenoeg) zelfvoorzienend te kunnen zijn in de waterbehoefte. 2. Interactie tussen watersysteem en waterketen; Delfland vervult zijn zorgplichten door de kerntaken integraal uit te voeren en de werkzaamheden te koppelen aan een steeds sneller veranderende omgeving. 3. Stedelijk waterbeheer en klimaatadaptatie; Delfland gaat in nauwe samenwerking met gemeenten en andere belanghebbenden de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie nader uitwerken en uitdragen, waardoor de sponswerking in het sterk verharde gebied van Delfland toeneemt en bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaat adaptief wordt gehandeld. 4. Iedereen bewust van water; in 2021 zijn de inwoners van Delfland zich bewust van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen handelingsperspectieven. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft daarnaast speciaal voor ruimtelijke plannen de 'Handreiking watertoets voor gemeenten' opgesteld. Deze handreiking geeft inzicht in hoe Delfland de watertoets procedureel en inhoudelijk invult. De watertoets is erop gericht ruimtelijke functies en waterhuishoudkundige mogelijkheden optimaal op elkaar aan te laten sluiten.

Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 23 -

Beschrijving watersysteem Het Coolhaveneiland maakt vanuit waterstaatkundig oogpunt onderdeel uit van de Delflandse Boezem. Het boezemgebied bestaat uit een sterk samenhangend netwerk van watergangen die met elkaar in open verbinding staan. Het boezemland watert hierbij rechtstreeks op de boezem af. Ter hoogte van het plangebied wordt de boezem gevormd door de Delfhavense Schie en de hieraan gekoppelde havens. Het Coolhaveneiland is ten opzichte van deze wateren hoog gelegen en bevat nauwelijks oppervlaktewater. Het waterpeil in de boezem bedraagt 0,43 meter beneden NAP. Op het Coolhaveneiland is overwegend sprake van een gemengd rioolstelsel, dat onderdeel uitmaakt van het rioleringsdistrict 'Westen'. Ook ter plaatse van het plangebied is een dergelijk systeem aanwezig. De hoofdbemaling van dit district bevindt zich aan het Heemraadsplein. Hiervandaan wordt het afvalwater afgevoerd naar afvalwaterzuivering Dokhaven. Het rioleringsstelsel is met het oppervlaktewaterstelsel verbonden door middel van een aantal overstorten. Het complex Parksluizen maakt als kunstwerk deel uit van de primaire waterkering Delflandsedijk. Rondom dit kunstwerk is op grond van de legger van het hoogheemraadschap sprake van de zones ‘waterstaatswerk’ (rood in afbeelding 8) en ‘beschermingszone’ (groen). Alleen laatstgenoemde zone ligt deels over het plangebied.

Afbeelding 8: Uitsnede legger Delfland (plangebied oranje omkaderd).

Wateropgave Dit bestemmingsplan is erop gericht om binnen de bestemming “Gemengd” een woningbouwontwikkeling te realiseren. Het bestemmingsvlak mag hierbij 100% bebouwd worden, waardoor sprake is van een bebouwd oppervlak van zo’n 469 m2. De overige gronden binnen het plangebied zijn, net als in het huidige bestemmingsplan, voorzien van de bestemming “Verkeer – Verblijfsgebied”. Deze gronden zullen heringericht worden, waarbij op huidig maaiveldniveau de benodigde parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. Daarboven wordt op de huidige hoogte van de Willem Buytewechstraat rond het beoogde gebouw een publiektoegankelijk dek gerealiseerd. Dit dek wordt daar waar mogelijk als ‘groen’ uitgevoerd. In totaal wordt ruim 865 m2 aan onverhard stedelijk gebied gerealiseerd (groene daken - 24 -

meegerekend). Uit een uitgevoerde watersleutel 2 blijkt, dat het treffen van compenserende maatregelen daardoor niet aan de orde is. Ter bescherming van de waterkerende functie van het sluizencomplex is het deel van de bijbehorende beschermingszone dat binnen het plangebied ligt, voorzien van de dubbelbestemming “Waterstaat – Waterkering”. Aangezien deze dubbelbestemming ook deels over de bestemming “Gemengd” ligt, dient voor eventuele bouwwerkzaamheden een watervergunning verkregen te worden. In overleg met het hoogheemraadschap zal bepaald moeten worden welke maatregelen benodigd zijn om de waterkerende functie te waarborgen. Het te realiseren gebouw wordt voorzien van een gescheiden rioolstelsel en wordt aangesloten op het reeds aanwezige rioolstelsel. Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd naar de Coolhaven. Het is bij de bouw van nieuwe bebouwing wel wenselijk om duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen. PAK´s-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Dit voorkomt diffuse verontreinigingen van water en bodem. Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de watertoets.

In dit kader worden de waterbeheerders betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan. 4.2

Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Uit de geldende bestemmingsplannen blijkt dat in de omgeving van het plangebied hinder veroorzakende functies aanwezig (mogen) zijn. Het betreffen hier de activiteiten binnen de bestemmingen ‘Gemengd (nr)’, ‘Cultuur en ontspanning’ en ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’, zoals dienstverlening, kantoorfuncties, horeca, voorzieningen ten behoeve van cultuur en ontspanning, bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2. Zo betreft het pand met de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ een rioolgemaal. Al deze activiteiten worden op grond van de VNG-uitgave worden aangemerkt als ten hoogste milieucategorie 2. Hierdoor is sprake van een hindercontour van 30 meter. Omdat het plangebied aan de zuidzijde wordt begrensd door wegen die behoren tot de hoofdverkeersontsluiting en doordat diverse functies in de omgeving aanwezig zijn, wordt (de omgeving van) het plangebied aangemerkt als een ‘gemengd gebied’.

Dit betekent, dat de hinderafstand met één afstandsstap verkleind mag worden. Voor categorie 1-inrichtingen geldt in dat geval een hindercontour van 0 meter en voor categorie 2-inrichtigen een contour van 10 meter. Voor alle toegestane functies geldt, dat aan de hinderafstand voldaan kan worden. Daarnaast worden dergelijke inrichtingen op grond van het geldende bestemmingsplan toelaatbaar geacht in een woonomgeving.

2 Watersleutel Kavel De Machinist, april 2021.

Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 25 -

Direct ten westen van het plangebied bevindt zich het horecabedrijf De Machinist. Ondanks dat dit horecabedrijf voldoet aan de geldende hinderafstand, is gekeken naar de effecten van de exploitatie op de nieuwbouw. De machinist beschikt namelijk over maatwerkvoorschriften om in diverse zalen versterkte muziek te kunnen afspelen. Hieruit is gebleken dat de huidige exploitatie van De Machinist overschrijdingen van de normen van het Activiteitenbesluit veroorzaakt op de gevels van de beoogde nieuwbouw. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen zijn daarom maatregelen benodigd. Dit zonder de exploitatie van De Machinist te belemmeren. Om te waarborgen dat deze maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, is in artikel 3, lid 2 onder 4 een voorwaardelijke verplichting opgenomen met het oog op het in gebruik nemen van de woningen. Deze ziet tevens toe op het terrasgeluid. Met het rekenmodel is immers ook de geluidbelasting van stemgeluid van alle terrassen gezamenlijk (bestaand en nieuw te realiseren) berekend 3 op de bestaande woningen in de omgeving. Daaronder ook de nieuwe woningen die behoren tot Little C. Uit deze berekening blijkt dat als gevolg van deze terrassen sprake is en blijft van een goed woon- en leefklimaat. Er is in de omgeving van het plangebied ook een hindervolle activiteit aanwezig, die op grond van de VNG-uitgave in een hogere milieucategorie valt.

Het betreft hier een timmerwerkfabriek op het perceel Willem Buytewechstraat 65a. Dit bedrijf wordt in de VNG-uitgave aangemerkt als een categorie 3.1-inrichting, waardoor sprake is van een hindercontour van 50 meter. Aangezien de beoogde woningbouwontwikkeling zich op meer dan 110 meter afstand bevindt, wordt aan de gestelde hinderafstand voldaan. Dit bestemmingsplan maakt in de plint diverse inrichtingen mogelijk, waarvoor op grond van de VNG-uitgave een hindercontour geldt. Het gaat hierbij onder meer om kantoren, dienstverlening, horeca en maatschappelijke voorzieningen. In alle gevallen gaat het echter om ten hoogste categorie 2-inrichtingen. Deze worden op grond van de Rotterdamse systematiek als passend in een gemengd gebied ervaren. Voor horeca is in de planregels bovendien geborgd dat uitsluitend een lichte vorm van horeca is toegestaan. De realisatie van deze inrichtingen leidt dan ook niet tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat van de huidige woningen in de omgeving. Ook voor de toekomstige woningen geldt, dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het thema 'milieuzonering' leidt dan ook niet tot belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied. 4.3

Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk woningen en maatschappelijke voorzieningen. Deze liggen binnen de toetsingszone van enkele zoneplichtige wegen, alsook binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Vandaar dat een akoestisch onderzoek 4 is uitgevoerd. De rekenresultaten worden hieronder uiteengezet. 3 dBVision, Notitie – Kavel De Machinist – stemgeluid van terrassen op bestaande woningen, mei 2021, kenmerk

GEM103-31-094sp.

4 dBvision, Kavel De Machinist; Akoestisch onderzoek geluid op gevels, april 2021, projectnummer GEM103—31-

066rvz.

- 26 -

Wegverkeerslawaai De voorziene woningen bevinden zich binnen de toetsingszone van de volgende zoneplichtige wegen: Willem Buytewechstraat, Puntegaalstraat, G.J. de Jonghweg, ’s-Gravendijkwal, Maastunnel, Pieter de Hoochweg, Rochussenstraat en Westzeedijk (inclusief tram). Uit de rekenresultaten blijkt, dat alleen vanwege het wegverkeer op de Willem Buytewechstraat, de G.J. de Jonghweg en de Westzeedijk de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De berekende geluidsbelastingen bedragen namelijk respectievelijk 55, 49 en 51 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Industrielawaai In december 2010 is door diverse partijen, waaronder de gemeente Rotterdam, het ‘Convenant geluidruimte Waal-/Eemhaven’ ondertekend. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd over de geluidsruimte en –verdeling bij vergunningverlening op basis van de Wabo en de geluidseffecten hiervan op de ruimtelijke ordening in de omgeving. In dit convenant wordt onderscheid gemaakt tussen het communicatiegebied (gebied binnen de 55 dB(A)contour) en het ‘gebied voor standaard onderzoek’ (gebied dat gelegen is buiten de 55 dB(A)contour). Indien een nieuwe geluidsgevoelige ontwikkeling is gelegen in eerstgenoemd gebied, dient een open planproces te worden gevolgd, zoals bijvoorbeeld de Stad- en milieubenadering (afspraak 14).

Daarnaast dient in een zo'n vroeg mogelijk stadium van de planvorming overleg plaats te vinden met Deltalinqs en het Havenbedrijf Rotterdam (afspraak 13). Omdat het plangebied gelegen is buiten de 55 dB(A)-contour en daarmee niet in het communicatiegebied, zijn deze afspraken niet aan de orde. Op basis van het convenant is een handreiking vastgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze de geluidsbelasting berekend moet worden. Uit deze handreiking blijkt, dat het plangebied tussen de 51 dB(A)- en de 52 dB(A)-contour ligt. De geluidsbelasting is derhalve gelijk aan de ‘bovenliggende’ contour en bedraagt dus 52 dB(A). Wel dient vanaf de vierde bouwlaag een correctie toegepast te worden. Gebouwen met een grotere hoogte ondervinden namelijk een hogere geluidsbelasting dan op grond van de contouren wordt bepaald, omdat sprake is van minder afscherming.

Voor de woningen binnen het plangebied betekent dit, dat: • voor de eerste drie bouwlagen geen toeslag geldt, waardoor sprake is van een maximale geluidsbelasting van 52 dB(A); • voor de vierde bouwlaag een correctie toegepast moet worden van + 1 dB(A), waardoor sprake is van een maximale geluidsbelasting van 53 dB(A); • voor de vijfde bouwlaag een correctie toegepast moet worden van + 2 dB(A), waardoor sprake is van een maximale geluidsbelasting van 54 dB(A); • voor alle hogere bouwlagen een correctie toegepast moet worden van + 3 dB(A), waardoor sprake is van een maximale geluidsbelasting van 55 dB(A). Aangezien de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai in de Wet geluidhinder is vastgesteld op 50 dB(A), wordt deze op alle bouwlagen overschreden. Dit geldt niet voor de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Overige aan wetgeving gebonden geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen een toetsingszone van een zoneplichtige spoorweg. Ook de geluidscontouren van Rotterdam - The Hague Airport zijn niet over het plangebied gelegen. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbronnen niet aan de orde is.

Niet-aan wetgeving gebonden geluidbronnen Ten behoeve van een goede ruimtelijke onderbouwing en conform het ontheffingsbeleid van gemeente Rotterdam, is ook onderzoek gedaan op de invloed van andere relevante, maar nietOntwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 27 -

wettelijke geluidbronnen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Voor deze locatie betreft dit het geluid afkomstig van varende schepen van en naar Spaanse Polder door de Coolhaven en de parksluis, het nestgeluid en een naast de locatie gelegen parkeerterrein. Dit parkeerterrein, bestaande uit circa 60 parkeerplaatsen, wordt opgeheven en vervangen door een parkeergarage. De ontsluiting van deze garage vind plaats richting de Coolhaven, een 30 km/u weg met een lage etmaalintensiteit. Omdat het gaat om een overdekte garage met een opening op grote afstand van de toren, gericht op het noorden is dit voor het plan akoestisch niet relevant. Voor nestgeluid is een aparte notitie opgesteld 5 op basis waarvan geconcludeerd wordt dat op twee rekenpunten 1 dB extra geluidwering nodig is. Vanaf de 10e bouwlaag (rekenhoogte 28,5 m) is conform de huidige wetgeving een minimale geluidwering van 22 dB nodig. Door vanaf de 8e bouwlaag (rekenhoogte 22,5 m) dezelfde constructie toe te passen, wordt voor dit rekenpunt voldoende geluidwering gerealiseerd. Voor rekenpunt 3 is vanaf de 9e bouwlaag (rekenhoogte 25,5 m) conform de huidige wetgeving een minimale geluidwering van 22 dB nodig. Ook hier geldt dat door vanaf de 8e bouwlaag (rekenhoogte 22,5 m) dezelfde constructie toe te passen voor dit rekenpunt voldoende geluidwering wordt gerealiseerd.

Wat betreft het geluid dat afkomstig is van de varende schepen betreft de maximale geluidbelasting 48 dB, waarmee de geluidbelasting lager is dan de hoogst berekende waarden voor de aan wetgeving gebonden geluidbronnen. Gesteld wordt, dat de niet-wettelijke geluidbronnen niet leiden tot een onaanvaardbaar woonen leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Conclusie De geluidsbelasting vanwege de wegen Willem Buytewechstraat, G.J. de Jonghweg en Westzeedijk, als ook vanwege het gezoneerde industrieterrein “Waal-/Eemhaven”, overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat het treffen van geluidsreducerende maatregelen vanuit financieel, stedenbouwkundig en/of akoestisch oogpunt niet redelijk, wenselijk dan wel onvoldoende effectief is. Vandaar dat een ontheffing van de Wet geluidhinder noodzakelijk is. Het ontwerpbesluit van deze ontheffing ligt gelijktijdig ter visie met het ontwerpbestemmingsplan. Het gemeentelijk ontheffingsbeleid schrijft onder andere voor dat alle verblijfsruimten zich bevinden aan minimaal één geluidluwe gevel. Omdat er nog geen concreet bouwplan is, is niet duidelijk of aan deze voorwaarde voldaan kan worden. Het ontheffingenbeleid kent echter de mogelijkheid om van deze voorwaarde af te wijken. In dat geval moet ingezet worden op een zo optimaal mogelijke leefomgeving.

In de directe omgeving van de woningen zijn geluidsluwe buitenruimten (bijvoorbeeld Het Park) en/of daktuinen aanwezig. Bovendien krijgt het plan een groene inrichting. Ook wordt het profiel van de G.J. de Jonghweg zodanig aangepast, dat de auto hier te gast is. Tevens draagt de bouw van deze toren bij aan de ambitie om het woningtekort in Rotterdam te verlagen. Hogere waarden kunnen verleend worden waardoor voldaan wordt aan de Wet geluidhinder. Het aspect geluid staat de realisatie van de beoogde woningen niet in de weg.

5 dBvision, MEMO – kavel De Machinist - nestgeluid afgemeerde schepen Waal Eemhaven en geluidwering, oktober

2020, projectnummer GEM103-31-060.

- 28 -

4.4

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het plangebied zijn maximaal 60 woningen voorzien. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook als niet in betekenende mate beschouwd. Omdat de geplande woningen op gepaste afstand zijn gelegen van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2-contouren van deze wegen niet over het projectgebied. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Rotterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2020) ter hoogte de dichtstbijzijnde rekenpunten (Willem Buytewechstraat, Coolhavenbrug en Puntegaalstraat) lager is dan 35 μg/m3. Dit geldt ook voor de PM10-concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.5

Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd.

Ontwerpbestemmingsplan Kavel De Machinist – Toelichting

- 29 -

In de omgeving van het bestemmingsplangebied is een aantal risicobronnen gelegen. Het betreffen hier zowel stationaire bronnen als transportroutes van gevaarlijke stoffen. Stationaire bronnen Ten noordoosten van het plangebied is aan de ’s-Gravendijkwal een benzineservicestation zonder LPG-doorzet gevestigd. De afstand van deze inrichting tot aan het plangebied bedraagt circa 230 meter. Omdat deze risicobron niet binnen het toepassingsbereik van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) valt, wordt verondersteld dat de bijbehorende risicocontouren niet tot aan het plangebied reiken. Aan de noordoostzijde van het plangebied bevindt zich tevens een vestiging van de Hogeschool Rotterdam en aan de oostzijde is het Erasmus Medisch Centrum gesitueerd. Ondanks dat deze inrichtingen niet als een risicobron zijn aangemerkt op www.risicokaart.nl, wordt verondersteld dat hier wel gevaarlijke stoffen opgeslagen liggen. Het betreffen echter zodanig kleine hoeveelheden, dat dit geen gevaar voor de omgeving oplevert. Geen van deze stationaire risicobronnen vormt dan ook een belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen Zowel over de ’s-Gravendijkwal als over het Droogleever Fortuynplein worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Deze wegen bevinden zich in de directe nabijheid van het plangebied en kennen beide een maximum snelheid van 50 km/h.

Op grond van de Handleiding Risicoanalyse Transport beschikken dergelijke wegen binnen de bebouwde kom niet over een risicocontour. Het eventuele gevaarlijk transport dat plaatsvindt, is namelijk de aanvoer van LPG naar tankstations. Aangezien in de omgeving van het plangebied geen LPG-vulpunten aanwezig zijn, worden hier geen problemen verwacht. Ook over de Nieuwe Maas worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. In het Basisnet Water is deze watergang aangemerkt als ‘binnenvaartverbinding chemische clusters & achterlandverbindingen met toetsafstand’ (zwarte vaarweg). De 10-6 plaatsgebonden risicocontour ligt daarbij tot op de waterlijn. Tevens is sprake van een plasbrandaandachtsgebied, dat zich vanaf de waterlijn 25 meter landinwaarts uitstrekt. Aangezien de kleinste afstand tussen de Nieuwe Maas en het plangebied zo'n 700 meter bedraagt, vormen deze contouren geen belemmering. De herontwikkeling van het plangebied leidt naar verwachting niet tot een groepsrisico dat de oriëntatiewaarde overschrijdt. In de huidige situatie is namelijk al sprake van een hoge populatiedichtheid en een zeer laag groepsrisico (factor 2.000 lager dan de oriëntatiewaarde). Ook de Coolhaven maakt onderdeel uit van een transportroute over water. Deze route is in het Basisnet Water aangemerkt als ‘binnenvaartcorridor zonder toetsafstand’ (groene vaarweg).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=88fc3e51-7b46-4ba5-ad31-0489fbf54296