CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb003993] Bijlage 1 behorende bij 22bb3992 over Ontwerpbestemmingsplan "Benno Premselastraat" toelichting

Tijdelijke commissie Fysiek (2022-2026) 29 juni 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen15.032 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Aan welke eisen het water, sluizen, gemalen, wegen en bruggen in onze regio moeten voldoen; Wat HHSK wil bereiken tot en met het jaar 2021. Welk onderhoud is het belangrijkst, hoe gaan we beter met energie om, wat doen we om de kosten te besparen; Hoe HHSK dat wil bereiken. Welke wegen en bruggen worden vervangen, hoe wordt het water gereinigd met zo min mogelijk kosten en zo veel mogelijk opbrengst.

Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn: het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. Tevens worden eisen gesteld aan de watercompensatie: bij een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m2 moet er compensatiewater gegraven worden. Dit is een percentage van het verhard oppervlak.

5.2 Huidige watersysteem

5.2.1. Oppervlaktewater Het gebied Prins Alexander (waar het plangebied onderdeel van vormt) bestaat voor het grootste deel uit voormalig polderlandschap. Vanaf de jaren '60 tot op heden is het gebied ontwikkeld tot het huidige stedelijk gebied. Waterhuishoudkundig hoort het gebied grotendeels tot de Prins Alexanderpolder, die is ontstaan door de drooglegging van een groot plassengebied die het resultaat is van het eeuwenlang afgraven van veen. De deelgemeente vormt één van de diepst gelegen gebieden van Nederland. In droge tijden of ten behoeve van verversing kan water ingelaten worden vanuit de Rotte (NAP -1,0 meter). Nesselande watert deels af via de Prins Alexanderpolder en deels via de Eendragtspolder. Vanuit Zevenkamp wordt het water afgevoerd via de Schollevaartse tocht. 5.2.2 Waterkering en waterveiligheid Binnen het bestemmingsplangebied zijn overige watergangen aanwezig. Deze overige watergangen zijn in beheer bij het hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Er geldt hier geen dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering. De boezemkade 'Zuideinde', in beheer bij Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, volgt ter hoogte van de oostzijde van het plangebied de gemeentegrens Rotterdam-Zuidplas. Rondom de waterkeringen worden verschillende beschermingszones gehanteerd. Deze zone valt buiten de grens van dit bestemmingsplan.

26

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Figuur 8 - Ligging waterkeringen (bron: HHSK)

5.3 De wateropgave 5.3.1 Oppervlaktewater Het plan voorziet in het dempen van de sloot, gelegen tussen deelperceel 2 en 3 (zie kaartje in paragraaf 2.2.1 en onderstaande figuur). Dit heeft te maken met het gegeven, dat het aan te kopen perceel 2 direct toegankelijk dient te zijn vanaf het huidige bedrijf (perceel 3). Perceel 2 wordt deels verhard met een open en waterdoorlatende steensoort. Het te compenseren wateroppervlak als gevolg van het dempen van de sloot bedraagt 512 m2, volgens opgave van de gemeente Rotterdam3. Deze compensatie wordt gerealiseerd door het verbreden van de bestaande watergang tussen deelperceel 1 en 2 (zie figuur 9). Het deelperceel 2 wordt weliswaar verhard met een waterdoorlatende steensoort, maar HHSK heeft aangegeven4 dat na enkele jaren van gebruik de verharding zo verdicht wordt dat water niet meer kan infiltreren. Hierdoor zal de halfverharding gaan acteren als volledige verharding met versnelde afvoer. Voor het aanbrengen van verharding van meer dan 500 m2 op deze locatie vraagt HHSK een compensatie van 5% in open water. De eerste 500 m2 zijn vergunningsvrij. Aldus eist HHSK aanvullende watercompensatie t.b.v. het toepassen van halfverharding van 185 m2. Deze aanvullende eis zal worden gerealiseerd door het verbreden van de overige watergang (OWA3678), welke is gelegen aan de Onderweg – ten noordoosten van het plangebied.

HHSK heeft hiermee ingestemd5. Nadat de gronden door Reijm zijn verworven, zal de aanvraag voor verbreding van deze overige watergang worden ingediend.

Smp_dgb9_reijm.dwg – 24 sept. 2015 Email HHSK dd 21 april 2021 aan AJM Kroon Advies 5 Email HHSK dd. 8 juni 2021 aan AJM Kroon Advies

3

4

27

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Figuur 9 – Verbreden watergang tussen deelperceel 2 en 3 (512 m2)

5.3.2 Waterveiligheid De ontwikkelingen in het plangebied hebben geen invloed op het veiligheidsrisico binnendijks en dragen beperkt of niet bij aan de totale waarde binnen dijkringgebied 14. 5.3.3 Riolering De ontwikkeling in het bestemmingsplangebied leidt niet tot een toename van het aantal vierkante meters bedrijfsbebouwing of andere bebouwing. Er is derhalve evenmin sprake van toename van afvalwaterproductie.

5.4 Onderzoek Reijm is voornemens om de inrichting uit te breiden met het aansluitend braakliggend terrein (deelperceel 2 – figuur 6). Deze gronden wordt ingericht ten behoeve van het parkeren en stallen van personenauto’s, rijdend materieel en lege containerbakken. Dit terrein wordt voorzien van een halfverharding. Ter verbinding van het bestaande en nieuwe terrein wordt de tussenliggende watergang gedempt. In het bestemmingsplan is 512 m2 watercompensatie voorzien door de verbreding van de bestaande watergang tussen het (nieuwe) terrein van Reijm en Benno Premselastraat 90/Onderweg 1. Het huidige terrein wordt vervolgens heringericht voor de optimalisering van de bedrijfsprocessen. Direct aansluitend aan de bedrijfshal is een moderne wasplaats voorzien. Deze wordt uitgevoerd op een vloeistofkerende vloer en watert af naar een olie- en vetafscheider. Het gezuiverde water wordt afgevoerd naar het gemeentelijk rioleringsstelsel. Om stofhinder te voorkomen wordt een vernevelingsinstallatie geplaatst. Deze maakt gebruik van opgevangen hemelwater, aangevuld met oppervlakte water (indien noodzakelijk). De installatie wordt alleen in werking gesteld, tijdens en kort na het lossen/laden van afval. Hierdoor wordt het waterverbruik geminimaliseerd.

De gronden ter plaatse van de vernevelingsinstallatie, uitgevoerd als vloeistofdichte/kerende vloer en wateren af naar de olie- en vetafscheider van de wasplaats. Hierdoor wordt bodemverontreiniging voorkomen. 28

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Voor de ontwikkeling is de digitale watertoets ingevuld. Deze is als bijlage opgenomen (kenmerk rapport 20200303-40-, van 3 maart 2020 – Bijlage 10). Op basis van de watertoets geldt de uitkomst: ‘geen belang’. Er zijn geen heemraadsbelangen in het geding.

Figuur 10 – Digitale watertoets

29

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Hoofdstuk 6. Milieu 6.1 Inleiding In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. De voor dit plan relevante thema's zijn hieronder verder uitgewerkt.

6.2 Stad- en milieubenadering De Interimwet stad-en-milieubenadering richt zich op het realiseren van een optimale leefkwaliteit en een effectief ruimtegebruik in de stad. De wet is ontwikkeld om bouwen mogelijk te maken op plekken in de stad waar dat erg gewenst is, maar waar dit vanwege de milieunormen niet mogelijk lijkt. Essentieel is dat milieuaspecten vanaf het begin worden meegenomen in ruimtelijke plannen en daarmee een integraal onderdeel vormen van het plan. Voor de integrale planvorming (inclusief milieuaspecten) is de stad en milieubenadering ontwikkeld, die in drie stappen verloopt en waarin vanaf het begin alle betrokkenen participeren. • Stap 1: het in een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming op lokaal niveau integreren van milieubelangen, in combinatie met het zoveel mogelijk treffen van brongerichte maatregelen. • •

Stap 2: het maximaal benutten van de ruimte die de bestaande wetgeving reeds biedt: maatwerk. Stap 3: het afwijken van wettelijke milieunormen voor bodem, geluid, lucht, stank en ammoniak. Stap 3 is alleen mogelijk met compenserende maatregelen binnen het problematische milieuthema, binnen een ander milieucompartiment en ten slotte binnen andere leefkwaliteitsaspecten en in deze volgorde.

6.2.1 Plangebied Het overslagstation Nesselande ligt binnen het bestemmingsplan ‘Zevenkamp en Nesselande’. Dit plan staat in de gebruiksregels wel een afvalinzameldepot toe, maar geen vuiloverslagstation. Door deze verandering wijzigt de milieucategorie van 3.2 naar 4.2. Wel biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid af te wijken van deze gebruiksregels, wanneer de bedrijfsactiviteiten naar ‘aard en invloed op de omgeving’ gelijk te stellen zijn. Ten behoeve van deze gewenste ontwikkeling worden de volgende stappen doorlopen: • Opstellen (vormvrije) m.e.r.-aanmeldnotitie • Wijzigen vigerend bestemmingsplan • Aanvragen revisie omgevingsvergunning milieu. De m.e.r.-beoordeling omvat alle voor het bedrijf en de omgeving relevante milieucomponenten.

6.3 Milieu effectrapportage Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige 30

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.3.1 m.e.r.-beoordeling Het voornemen betreft de capaciteitsvergroting van het vuiloverslagstation van 51.470 ton naar 60.000 ton/jaar. De capaciteitsvergroting kan worden aangemerkt als wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, welke valt onder categorie D 18.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Door de DCMR (milieudienst Rijnmond) is geadviseerd voor deze ontwikkeling een m.e.r.beoordeling op te stellen. Doordat de beoogde ontwikkeling, conform afspraak met de gemeente Rotterdam, moet passen binnen de milieuruimte van het geldende bestemmingsplan, wordt volstaan met een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Vormvrije mer-beoordeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling en ten behoeve van dit bestemmingsplan is een zogenaamde aanmeldnotitie (vormvrije) mer-beoordeling' opgesteld. De aanmeldnotitie concludeert dat gezien de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten er geen sprake is van belangrijke negatieve milieugevolgen.

Dit blijkt uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de aanmeldnotitie en in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat voor dit bestemmingsplan dan ook geen MER nodig is. Het college van B&W heeft voor dit bestemmingsplan een mer-beoordelingsbesluit genomen. Zie bijlage 11 voor het mer-besluit.

6.4 Milieuzonering Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). Hiermee wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties.

Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

6.4.1 Algemeen Het plangebied wordt in de Rotterdamse systematiek voor milieuzonering getypeerd als gemengd gebied. Er is sprake van grote afstand (ca. 160 meter) tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing. Direct naast het projectgebied ligt de Rijksweg A20. Op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn ter 31

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

plaatse van het plangebied bedrijven in milieucategorie 2 t/m 3.2 toegestaan. De toegestane bedrijvigheid is opgenomen in een vaste Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit nieuwe bestemmingsplan maakt geen extra milieuruimte mogelijk. De bestaande bestemmingen en bestemmingssystematiek wordt gehandhaafd. Ten behoeve van een vuiloverslagstation wordt een maatwerkbestemming gecreëerd. Deze bestemming staat de bedrijfsvoering van Reijm toe in afwijking van de toegestane bedrijven conform de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Ten behoeve van het creëren van de maatwerkbestemming is onderzoek gedaan naar de milieueffecten van deze bedrijfsactiviteit. Hierbij is beoordeeld of de milieueffecten van het vuiloverslagstation vergelijkbaar zijn met de reeds toegestane milieueffecten conform de basisbestemmingen en toegewezen milieucategorieën In navolgende paragrafen wordt per milieuaspect bepaald of het voorgenomen gebruik door een vuiloverslagstation (Reijm) passend is. 6.4.2 Onderzoek bedrijven en milieuzonering In het kader van bedrijven en milieuzonering is onderzoek gedaan naar de aspecten: • Geur; • Geluid • Gevaar (Externe veiligheid) • Stof Naar deze aspecten is nader onderzoek gedaan. Dit onderzoek is opgenomen in de paragrafen: 6.5 Geur, 6.6 Geluid, 6.7 Gevaar (Externe veiligheid) en 6.8 Stofhinder. In paragraaf 6.9 zijn de conclusies getrokken m.b.t.

de milieuzonering in dit bestemmingsplan.

6.5 Geur Toetsingskader Toetsing van het aspect Geur geschied in lijn met het toetsingskader Bedrijven en milieuzonering. Bij Bedrijven en milieuzonering wordt per aspect beoordeeld of in de directe nabijheid hinder veroorzakende objecten aanwezig zijn, die eventueel het initiatief zouden kunnen belemmeren en vice versa. Zo dient een gepaste afstand te worden gehouden tussen woningen en andere functies. Voor de afstemming tussen milieugevoelige (woningen) en milieuhinderlijke functies (bedrijven), wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Hiermee wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Gebiedstypering In de VNG-publicatie zijn er 2 gebiedstyperingen mogelijk, namelijk ‘rustige woonwijk’ of ‘gemengd gebied’. De omgeving van het bedrijf kan worden getypeerd als omgevingstype gemengd gebied door de functiemenging van bedrijven en woningbouw en de nabijgelegen rijksweg A20 (zie onderstaande figuur). De A20 kent ter hoogte van het bedrijf Reijm 6 rijstroken, waarmee de geluidszone van deze weg tot 600 meter vanaf de as van de weg reikt.

Los van de overige omgevingskenmerken liggen het bedrijf en de nabijgelegen woningen en woonbestemmingen daarmee binnen de geluidszone van de snelweg. Daarnaast ligt het bedrijf op een soort van bedrijventerrein, waar de woningen en woonbestemmingen omheen liggen. Voor de maatgevende woningen en woonbestemmingen kan daarmee niet gesproken worden van een gebiedstypering ‘rustige woonwijk’. Gemengd gebied is daarmee een passende gebiedstypering, zoals ook blijkt uit de omschrijving.

32

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Figuur 11 – Ligging bedrijf Reijm (rood=bestaande locatie; geel=uitbreidingslocatie) ten opzichte van omliggende woonbestemmingen.

Het omgevingstype gemengd gebied wordt als volgt omschreven in de VNG-publicatie: ‘Omgevingstype gemengd gebied’ Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde geluidsbelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Door de gebiedstypering ‘gemengd gebied’ dienen voor de verschillende milieuaspecten geur, stof en gevaar een stap kleinere richtafstanden te worden gehanteerd en kan voor het aspect geluid op de geldende richtafstand een hogere normstelling worden gehanteerd. Specifiek voor geur Voor het aspect geur geldt dat te allen tijde geurhinder dient te worden voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Gekoppeld aan milieuzoneringen zijn voor het aspect geurzones en normen vastgesteld. Deze zones, normen en vaste afstanden (waarop de normen gelden) zijn zodanig gekozen dat: 1.

Op de grens van de woonomgeving sprake is van het voldoen aan een scherpe norm voor geur per bedrijf (zones 1 en 2); a. Geurruimte zone 1 is de basiswaarde; b. Geurruimte zone 2 wordt toegekend op een afstand vanaf 50 meter vanaf een woongebied (rustig en gemengd); 2. Voor bedrijven op een grotere afstand van de woonomgeving (tenminste 100 meter) er sprake is van standaard meer geurruimte, zonder dat dit de grens van de woonomgeving bereikt (zone 3). 33

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

a. Geurruimte zone 3 wordt toegekend op een afstand van tenminste 100 meter vanaf een woongebied (rustig en gemengd); Schematisch wordt dit als volgt weergegeven (zie figuur 12):

Figuur 12: Ligging van de verschillende zones van rustige woonwijk en gemengd gebied

De genoemde zones zijn gekoppeld aan de in tabel 1 opgenomen geurruimte per bedrijf: Tabel 1: Gebruiksruimte geur per bedrijf

Onderzoek Ten aanzien van het aspect geur is door Buro Blauw onderzoek gedaan6 (zie rapport met kenmerk BL2019.9498.02-V01, van 26 augustus 2019, zie bijlage 7). De dichtstbijzijnde gelegen woningen ten opzichten van Reijm, liggen op het woonwagencentrum ten zuiden van rijksweg A20. De afstand tot de bijbehorende woonbestemming bedraagt 175 meter, de afstand tot de woningen 180 meter. Hier wordt getoetst aan de geurruimte zone 3 met een richtafstand van 100 meter. Op basis van de te verwerken afvalstoffen binnen de inrichting is vastgesteld hoeveel geuremissies Reijm creëert, zowel in huidige als in de nieuwe situatie. Op basis van de berekende geuremissies zijn verspreidingsberekeningen uitgevoerd met het Nieuw Nationaal Model (NNM) met het softwarepakket Geomilieu Stacks-G. De berekeningen tonen aan dat de contouren van 1 en 4 ou E/m3 als, respectievelijk, 98 en 99,9 percentiel, wordt voldaan aan de geurruimte van geurruimte zone 3, evenals aan de richtafstand van categorie 3.2 bedrijven.

6

Rapport met kenmerk BL2019.9498.02-V01, van 26 augustus 2019, zie bijlage 7)

34

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Conclusie Ten aanzien van het aspect geur geldt dat geen sprake van significante negatieve effecten. De geuremissie van Reijm komt overeen met de emissie van een categorie 3.2 bedrijf. Daardoor kan worden gesteld dat zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van een acceptabel woon en leefklimaat. Derhalve is het doorlopen van een volledige m.e.r.-beoordelingsprocedure, een plan- of projectMER niet nodig.

6.6 Geluid Toetsingskader Het toetsingskader voor het aspect geluid is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh beoogt de burger te beschermen tegen hoge geluidbelastingen. Hierin zijn onder meer normen voor geluid van wegverkeers- en spoorweglawaai vastgelegd. Bij ruimtelijke plannen dient daarom rekening te worden gehouden met de in de Wgh genoemde grenswaarden en bepalingen. Daarnaast geldt dat bedrijvigheid kan leiden tot relevante geluidbelastingen. Dit valt niet onder de Wgh tenzij het bedrijf is gesitueerd op een voor de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Dit is heir niet het geval. Voor bedrijvigheid buiten een gezoneerd industrieterrein is voor ruimtelijke ontwikkelingen het kader omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Daarin zijn ook richt- en grenswaarden voor geluid opgenomen. Onderzoek Het effect van de activiteiten van Reijm op het eigen perceel voor het aspect geluid naar de omgeving is nader onderzocht in een akoestisch onderzoek 7. Door het vergroten van de volumestroom valt het bedrijf onder de milieucategorie 4.2 afvaloverslagstation, waar het voorheen als milieucategorie 3.1 afvalinzameldepot werd aangemerkt. Het vigerende bestemmingsplan ‘Zevenkamp en Nesselande’, vastgesteld op 19 november 2014 door de gemeente Rotterdam, staat op deze locatie alleen bedrijven toe die vallen onder milieucategorie 3.2 en lager.

Het bestemmingsplan geeft wel de (afwijkings-)mogelijkheid om een hogere categorie toe te staan. Als randvoorwaarde geldt hiervoor dat het bedrijf, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de geldende milieucategorie conform het bestemmingsplan. In het onderzoek is onderzocht of Reijm aan deze voorwaarde kan voldoen. Het toetsingskader wordt daarbij gevormd door de VNG-Publicatie Bedrijven en milieuzonering. Daarbij is uitgegaan van de gebiedstypering ‘Gemengd gebied’, wegens de korte afstand van het bedrijf en de omliggende woningen of woonbestemmingen tot de snelweg A20 en het feit dat er meerdere bedrijven in de omgeving zijn beoogd, waarmee sprake is van een gemengd gebied. In de onderstaande figuur wordt dit weergegeven.

7

Akoestisch onderzoek - Reijm BV afvaloverslagstation te Nesselande Rotterdam, DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V., versie 002, rapport M.2019.0445.14.R001.v2, d.d. 6 oktober 2020 - zie bijlage 4.

35

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Figuur 13 - Overzicht van het plangebied binnen het bestemmingsplan Zevenkamp en Nesselande met de bestaande locatie van Reijm (rode kader) en de beoogde uitbreidingslocatie (gele kader).

In de onderstaande figuur 14 staat de maximale milieucategorie voor de kavels van Reijm weergegeven.

Figuur 14 - Overzicht van de toegestane bedrijfscategorieën op de (beoogde) kavels van Reijm conform bestemmingsplan Zevenkamp en Nesselande.

Op basis van de verschillende richtafstanden voor milieucategorieën conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is de maatgevende contour vastgesteld, waarop het aspect geluid is getoetst op gelijkwaardigheid. Daarbij is uitgegaan van een volledige invulling van de beoogde activiteiten. De contour staat in de onderstaande figuur weergegeven. 36

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Figuur 15 - Overzicht van de ligging van de 100 meter-contour rondom Reijm op basis van de maatgevende richtafstand van 100 meter voor 3.2 categorie bedrijven

37

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Figuur 16 - Overzicht van de ligging van de 100 meter-contour rondom Reijm op basis van de maatgevende richtafstand van 100 meter voor 3.2 categorie bedrijven.

De kavels met categorie 3.2 bestemming zijn de maatgevende kavels voor het bedrijf Reijm voor de geldende richtafstand. Deze afstanden overlappen de richtafstanden vanaf de grenzen van de kavels met bestemming categorie 2 en 3.1. Uit de bovenstaande figuren blijkt dat de inpasbaarheidstoets plaats vindt op locaties bestemd voor bedrijven of functioneel groen (border- en waterbergingsfunctie), niet op woningen of woonbestemmingen. Deze liggen op een grotere afstand. Conclusie Representatieve bedrijfssituatie Uit het onderzoek volgt dat het bedrijf in de representatieve bedrijfssituatie met de uitbreiding van de goederenstroom en gebruik van de naastgelegen percelen voor stalling van voertuigen en containers aan de gestelde norm voldoet voor inpasbaarheid binnen het bestemmingsplan. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT) wordt op alle contourpunten voldaan aan de normstelling. Voor het maximale geluidniveaus (L Amax) geld eveneens dat wordt voldaan aan de normstelling, uitgezonderd in de nachtperiode op 2 contourpunten. De overschrijding in de nachtperiode wordt uitsluitend veroorzaakt door het opladen van losse containerbakken voor de verhuur door de vrachtwagens die deze voor 7:00 uur wegbrengen. Door het opladen de dag- of avond ervoor te doen, wordt de overschrijding weggenomen en voldoet het bedrijf ook op deze contourpunten aan de normstelling.

38

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Het bedrijf is daarmee voor het milieuaspect geluid inpasbaar binnen het bestemmingsplan, ondanks dat de activiteiten als milieucategorie 4.2 worden aangemerkt. Op de maatgevende richtafstand (100 meter) wordt voor het aspect geluid voldaan aan de geldende voorwaarden, namelijk dat de impact van de activiteiten vergelijkbaar is met een milieucategorie 3.2 bedrijf. Zie ook bijlage 1 voor het volledige akoestische onderzoek.

6.7 Externe veiligheid Regelgeving Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR.

Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.7.1. Transport gevaarlijke stoffen over de weg en rail Als harde afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van tenminste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijden ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het groepsrisico (GR) weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, 39

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

geldt ook voor de verantwoordingsplicht.

hiermee

samenhangende

toename

van

het

GR

een

bestuurlijke

Bij het verantwoorden van het GR moeten de volgende aspecten worden betrokken en gemotiveerd: • Het aantal personen binnen het invloedsgebied; • De hoogte van het GR en een eventuele toename daarvan; • De mogelijkheden tot risicovermindering aan de risicobron; • De alternatieven voor het ruimtelijk plan; • De mogelijkheden om de omvang van een ramp of zwaar ongeval te beperken; • De mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. In verband hiermee moet de (regionale) brandweer (VRR) in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen over het GR en de mogelijkheden tot voorbereiding van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Conclusie plangebied Het plangebied ligt op een afstand van ca. 100 meter vanaf de as van rijksweg A20 waarover transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op een afstand van ca. 1.300 meter ligt het spoor Rotterdam-Utrecht met transport gevaarlijke stoffen. Voor het transport van LPG over de rijksweg A20 ten zuiden van het bestemmingsplangebied is in het vigerende bestemmingsplan Zevenkamp en Nesselande een risicoberekening uitgevoerd. De 10 -6 /jr. contour is voor de situatie 2013 berekend op 14 m en voor 2023 berekend op 16 m uit het hart van de weg. In het Basisnet weg is de veiligheidszone berekend op 32 meter uit het hart van de weg. De 10-6 /jr.

contour evenals het Plasbrand Aandacht Gebied van 30 meter uit de rand van de weg leveren, gelet de ligging van het plangebied, geen ruimtelijke beperking op. Er wordt in de huidige en autonome situatie voldaan aan de oriënterende waarde voor het GR. Voor de spoorlijn Rotterdam-Gouda geldt een PR-contour van 12 m, voor het GR invloedsgebied geldt een zone van 200 m vanaf het spoor. Er wordt in de huidige en autonome situatie voldaan aan de oriënterende waarde voor het GR. 6.7.2 Leidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb bevat o.m. regels voor gemeenten over het opnemen van buisleidingen in bestemmingsplannen. De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft op deze manier een grondslag in de Wet milieubeheer (Wm) en in de Wro. Het Bevb gaat uit van grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoordingsplicht van het groepsrisico. (GR). Plangebied

Figuur 17 - Ligging gasleidingen

40

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Ten westen van het plangebied ligt een leiding van de Gasunie:

De 10-6 plaatsgebonden risicocontour levert, gelet de ligging van het plangebied geen ruimtelijke beperking op. Het groepsrisico blijft in alle situaties onder de oriënterende waarde en de planbijdrage is minimaal. 6.7.3. LPG -tankstations

Figuur 18 - Locatie LPG tankstations

Het meest nabijgelegen LPG-station ligt op een afstand van ca. 800 meter van het plangebied LPG Maatveld). Het plaatsgebonden risicocontour 10-6/jr. van het vulpunt ligt op ruim voldoende afstand van kwetsbare bestemmingen en vormen daardoor geen belemmering voor het nieuwe bestemmingsplan. 6.7.4. De inrichting Reijm is niet aangemerkt als risicovolle inrichting. Ter plaatse zijn geen voorzieningen aanwezig met een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Reijm beschikt niet over een eigen dieseltank voor het aftanken van het wagenpark. Door de beoogde ontwikkeling (herinrichting terrein en verhogen capaciteit) verandert dit uitgangspunt niet.

41

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

6.7.5. Conclusie externe veiligheid Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beperkte ontwikkeling die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

6.8 Luchtkwaliteit en stofhinder In de Wet luchtkwaliteit (Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 2) zijn normen (grenswaarden en plandrempels) vastgesteld voor onder andere de concentraties zwaveldioxide (SO 2), stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (fijnstof, PM10), koolmonoxide (CO), benzeen (C6H6) en ozon (O3) in de lucht. In Nederland zijn in relatie tot wegverkeer de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De concentraties van deze twee stoffen liggen in Nederland over het algemeen dichtbij of boven de gestelde grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Overschrijdingen van de andere stoffen uit de Wet komen in Nederland slechts in uitzonderlijke gevallen voor. Dit luchtonderzoek richt zich daarom op de toetsing van de concentraties van stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). In onderstaande tabel is de normstelling opgenomen. Tabel - Grenswaarden Wet luchtkwaliteit Stof Type norm Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie in µg/m 3 24-uurgemiddelde dat 35 keer per jaar overschreden mag worden in µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde: concentratie in µg/m 3 Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie in µg/m3 24-uurgemiddelde dat 18 keer per jaar overschreden mag worden in µg/m3

Grenswaarden 40 50 25 40 200

6.8.1 Onderzoek luchtkwaliteit Het effect van de activiteiten van Reijm voor het aspect luchtkwaliteit zijn onderzocht in een luchtkwaliteitsonderzoek8. Voor het aspect fijn stof PM10 en stikstofdioxide NO2 is onderzocht wat het effect is van het bedrijf in de toekomstige situatie. Daarbij is uitgegaan van volledige invulling van de beoogde uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten en volumestroom van afvalverwerking (60.000 ton per jaar). Conclusies luchtkwaliteit Uit het onderzoek volgt dat met de bijdrage van het bedrijf op alle omliggende woningen en woonbestemmingen wordt voldaan aan de grenswaarden uit hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Daarnaast volgt uit het rapport dat de bijdrage van het bedrijf zowel bij de woningen als op de 100 meterpunten aan het criterium voor Niet In Betekenende Mate bijdragen aan de luchtkwaliteit (NIBM) voldoet. De bijdrage aan de luchtkwaliteit in de omgeving van het bedrijf is daarmee zeer beperkt en het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen beperking voor de doorgang van de plannen.

6.8.2 Onderzoek stofhinder Toetsing van het aspect (grof) stof geschiedt in lijn met het toetsingskader Bedrijven en milieuzonering. Zie paragraaf 6.5 voor nadere toelichting ten aanzien van gebiedstypering en omgevingstype gemengd gebied. Specifiek voor (grof) stof In Nederland wordt stofdepositie gezien als een hinderkwestie, geen gezondheidskwestie. Er is dan ook geen wettelijk toetsingskader voor. In 2007 heeft Nederland het wettelijk kader voor toetsing van stofdepositie laten vervallen. Hoewel voor stof geen wettelijk kader geldt voor de beoordeling, zijn er in het Activiteitbesluit middelvoorschriften opgenomen. Deze voorschriften zijn er op gericht dat geen stofhinder buiten de inrichtingsgrens optreed. 8

Onderzoek luchtkwaliteit – DGMR - kenmerk M.2019.0445.17.R001 Datum 17 november 2020 ( zie bijlage 1)

42

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Onderzoek stofhinder Naar het aspect (grof)stofhinder is een notitie opgesteld9 (zie bijlage 3). Hierin is de werking van de inrichting beschouwd ten aanzien van de in het Activiteitenbesluit opgenomen middelvoorschriften. Reijm treft de nodige maatregelen voor het voorkomen van stofvorming: 1 Binnen de inrichting worden uitsluitend stoffen uit de stuifklassen S4 en S5 op- en overgeslagen. 2 Een deel van de stuifgevoelige stoffen worden inpandig op- en overgeslagen, zoals bouw- en sloopafval en veegvuil. De inpandige opslag vakken worden voorzien van een vernevelingsinstallatie om eventuele stofvorming tegen te gaan. 3 Op het terrein worden buiten schoon puin en zand en grond alleen stoffen uit de stuifklasse S5 open overgeslagen. De opslag voor schoon puin wordt voorzien van en vernevelingsinstallatie, net als de vakken voor de opslag van zand of grond. 4 Maximaal 12 keer per jaar wordt hout geshredderd. Daarbij wordt uitsluitend (een bedrijf met) een installatie ingehuurd voorzien van een vernevelingsinstallatie. 5 Het terrein wordt regelmatig schoon geschoven om vervuiling van het terrein met mogelijk stofvorming tot gevolg te voorkomen. 6 Het bedrijf legt rondom het terrein (tussen het bedrijf en de woningen) een 5 meter brede groenstrook aan. Dergelijke groenstroken zijn effectief in het afvangen van (een deel van het) stof, mocht er van stofvorming sprake zijn.

7 Tot slot zijn de voorschriften uit het Activiteitenbesluit ten aanzien van het voorkomen van stofhinder rechtstreeks geldend voor het bedrijf. Bij eventuele stofvorming dient het bedrijf gelijk maatregelen te treffen. Conclusies stofhinder Op basis van de bovenstaande werkwijzen en maatregelen en de afstand tot de dichtstbijzijnde woningen (minimaal 145 meter) kan worden uitgesloten dat de groei van het bedrijf zal leiden tot stofhinder bij de omliggende woningen.

6.9 Bedrijven en milieuzonering Ten aanzien van de diverse aspecten van bedrijven en milieuzonering, geldt dat geen van de aspecten hinder en/of nadelige gevolgen oplevert voor bestaande bedrijven en omliggende woningen. De hindercontour, behorende bij milieucategorie 3.2 bedrijven wordt voor geen enkel aspect overschreden met de respectabele grenswaarden. Hiermee kan worden gesteld dat de milieueffecten van Reijm vergelijkbaar zijn met de milieueffecten van een 3.2 bedrijf. Op basis van deze conclusie is gekozen om een maatwerkbestemming op te nemen voor de vestiging van een vuiloverslagstation.

6.10 Bodem De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energieopslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

9 Onderbouwing aspect stofhinder – DGMR, kenmerk M.2019.0445.15.N001, 7 mei 2020.

43

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Plangebied Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwbouw waarvoor ingrepen in de bodem nodig zijn. Het milieuaspect bodemverontreiniging speelt geen rol bij de functiewijzigingen van bestaande panden en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Voor de door Reijm aan te kopen deelkavel 2 (figuur 6) is een actualisatie-onderzoek uitgevoerd naar de bodemsituatie10. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning milieu zal een nulsituatiemeting worden uitgevoerd.

6.11 Natuur Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De Wet natuurbescherming vereist natuuronderzoek om mogelijke bedreiging van (verblijfplaatsen van) zwaarder beschermde soorten flora en fauna vast te stellen. Bij aanwezigheid dienen daartoe maatregelen worden genomen, waaronder het (zonodig) aanvragen van een ontheffing.

De Wet Natuurbescherming (Wnb) en het provinciaal natuurbeleid verplichten een initiatiefnemer om bij ruimtelijke ingrepen de daardoor veroorzaakte effecten op (mogelijk) aanwezige zwaarder beschermde planten en dieren, nader te onderzoeken. Dit onderzoek moet leiden tot beoordeling van de eventueel te verwachten natuurschade en bestaat uit de volgende onderdelen: • Er moet worden aangetoond in hoeverre ontheffingsplichtige soorten Wnb verstoring of bedreiging van de ingreep ondervinden of daarvan kunnen worden uitgesloten. • Er moet worden aangetoond in hoeverre gebiedsbescherming met betrekking tot Natura 2000 of met betrekking tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) in het geding is. • Volgens het in de Wnb opgenomen Besluit natuurbescherming moet er tevens aangegeven worden of er uitstoot van stikstof als gevolg van het project is te verwachten en hoeveel (nieuwe Aerius-berekening). Bescherming flora & fauna Voor de toetsing van die mogelijke effecten op flora & fauna is in de Wnb onderscheid gemaakt in twee typen bescherming: ‘gebiedsbescherming’ (hoofdstuk 2 Wnb, ‘Natura 2000-gebieden’) en ‘soortbescherming’ (hoofdstuk 3 Wnb, ‘Soorten’). Met betrekking tot soorten zijn vervolgens drie beschermingsregiems onderscheiden: dat van de ‘Vogelrichtlijn’, van de ‘Habitatrichtlijn’ en van ‘andere soorten’.

Op basis van het onderzoek gelden de volgende verplichtingen: Soortbescherming: Bij eventuele aanwezigheid en kans op bedreiging of verstoring van ontheffingsplichtige soorten dient een ontheffing Wnb te worden aangevraagd. Gebiedsbescherming: • Indien de ingreep (een deel van) een habitat van een ‘aangewezen soort’ uit een Natura 2000gebied aantast, dient (tevens) een vergunning Natura 2000 te worden aangevraagd. • Indien door de ingreep en/of het nieuwe gebruik extra stikstofemissie optreedt, dient bij overschrijding van de daartoe regionaal nog vast te leggen grenswaarden een vergunning te worden aangevraagd; indien er géén overschrijding plaats vindt zal er wellicht nog wel een meldingsplicht komen. • Indien de aangegeven natuurwaarden van een gebied in het kader van de NNN worden aangetast, vergt dat tevens aanvraag van een provinciale vergunning.

10 Notitie DCMR – Actualisatie onderzoek locatie nabij Onderweg 1 en Benno Premselastraat 100 Rotterdam,

projectcode 2015-0251B

44

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Er is een onderzoek natuurwetgeving uitgevoerd11 voor dat deel van het plangebied waar ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden: deelperceel 2 (zie figuur 6). Op dit perceel vindt uitbreiding plaats van de bedrijfsactiviteiten van Reijm. In samenhang tussen literatuuronderzoek, veldverkenning en habitatbeoordeling en voor een deel tevens veldinventarisatie, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1) Vigerende regelgeving gebiedsbescherming • Natura 2000: Op de planlocatie zijn geen condities aanwezig welke gebruik door aangewezen soorten uit Natura 2000-gebied mogelijk maken: de regelgeving van de ‘externe werking Natura 2000’ is dus niet van toepassing. • Stikstof / Besluit natuurbescherming: • Natuurnetwerk Nederland: Het plangebied vormt géén onderdeel van het NNN of van ‘bijzondere weidevogelgebieden’. 2) Broedvogels Broedende vogels kunnen tijdens het broedseizoen (eind februari tot eind augustus) worden verwacht in slootbermen. Ze mogen tijdens het broeden niet worden verstoord. 3) Overig faunagebruik Ontheffingsplichtige soorten kunnen deels op basis van verspreiding en deels ook op basis van habitat worden uitgesloten. 4) Uitvoering Met het in acht nemen van de wettelijke zorgplicht en de beperkingen in de voorgenomen ingreep zijn geen directe belemmeringen door flora of fauna aan de orde.

Stikstofdepositie In het kader van de capaciteitsuitbreiding is voor Reijm een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd 12. De bijdrage ten gevolge van de beoogde uitbreiding van het bedrijf met alle bijbehorende activiteiten genereren een stikstofdepositie lager als 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende stikstofdepositie gevoelige Natura 2000 gebieden. Er is daarmee geen sprake is van significante stikstofdepositie. Het bedrijf is daarmee niet vergunningplichtig voor de Wet natuurbescherming voor het aspect stikstofdepositie.

Hoofdstuk 7. Uitvoerbaarheid 7.1 Financiële uitvoerbaarheid Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake. De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is verzekerd door de anterieure overeenkomst. Gelet hierop is het plan financieel uitvoerbaar.

11

Onderzoek Natuurwetgeving perceel 4585 - GroenTeam, Moordrecht, 27 februari 2020

12

Rapport DGMR - kenmerk: M2019044516R001v2, 20 november 2020 zie bijlagen 2 en 3.

45

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

7.2 Wettelijk vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is een overlegreacties binnengekomen van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) Het plan heeft geen nadelige invloed op het watersysteem. Er zijn in het gebied geen bijzondere waterhuishoudkundige belangen. Het hoogheemraadschap heeft daarom geen bezwaar tegen de vaststelling van het plan. Verder heeft HHSK de volgende aandachtspunten: Verhard oppervlak zorgt voor een versnelde afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater of riool. Bij een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m 2 moet er compensatiewater gegraven worden. Dit is een percentage van het verhard oppervlak. Voor het (half-verharden) van de middelste kavel wordt een watercompensatie geëist van 185 m 2. Dit wordt gerealiseerd door middel van het verbreden van de sloot langs de Onderweg (op terrein van de initiatiefnemer). De overlegreactie van HHSK is verwerkt in het definitieve ontwerpbestemmingsplan.

Hoofdstuk 8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie Inspraak Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond georganiseerd worden waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het ter inzage liggende ontwerpbestemmingsplan.

46

Bestemmingsplan Benno Premselastraat, Rotterdam

Bijlagen:

1. Luchtkwaliteit onderzoek, kenmerk: M2019044517R001v2, 20 november 2020 uitgevoerd door DGMR; 2. Stikstofdepositie onderzoek, kenmerk: M2019044516R001v2, 20 november 2020 uitgevoerd door DGMR; 3. Uitdraai AERIUS Calculator, kenmerk RPB9uqrAm9ZA, 20 november 2020, uitgevoerd door DGMR; 4. Akoestisch onderzoek - Reijm afvaloverslagstation, kenmerk: M.2019.0445.14.R001. v2, 6 oktober 2020, uitgevoerd door DGMR; 5. Stofhinderonderzoek, actualisatie onderzoek locatie nabij Onderweg 1 en Benno Premselastraat 100 te Rotterdam, 7 mei 2020 uitgevoerd door DGMR; 6. Geuronderzoek Reijm B.V. kenmerk: BL2019.9498.02.V01, 26 augustus 2019, uitgevoerd door Buro Blauw; 7. Onderzoek natuurwetgeving (flora en fauna) Quick Scan perceel 4585, Benno Premselastraat 100 Nesselande – Rotterdam, 27 februari 2020 uitgevoerd door Adviescentrum voor Natuurontwikkeling, Landschapsplanning en Groenontwerp. 8. Bodemonderzoek, Actualisatie onderzoek locatie nabij Onderweg 1 en Benno Premselastraat 100 te Rotterdam kenmerk: 2015-0251B uitgevoerd op 12 november 2015. 9. NRB-toets, kenmerk: M20190445 Reijm Nieuwerkerk Transport B.V., datum 22 juli 2020. 10. Watertoets (20200303-40-, 3 maart 2020) 11. Aanmeldnotitie mer-beoordeling – DGMR M.2019.0445.012.R001 – 7 april 2021.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e23faeca-5115-4a9e-8ded-966fbe73130d