CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb003826] Bijlage 1 behorende bij 22bb3828 over bestemmingsplan ‘Nicolaasschool’ met bijlagen

Tijdelijke commissie Fysiek (2022-2026) 8 juni 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen24.265 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Rotterdam Stadsontwikkeling

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN NICOLAASSCHOOL

24 november 2021

n BOdG

ruimtelijk advies

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN NICOLAASSCHOOL

concept ontwerp ontwerp vaststelling

22 maart 2021 24 november 2021

- - ' ' érect

creatief

P&ľţs00l

'nHjk

betrokken

r ' 'ķúnď"3

'pragma'

-ķhe.

ŵn,’any. 'sch

BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl

INHOUDSOPGAVE

I.

TOELICHTING

II.

REGELS

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV.

VERBEELDING

I.

TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.

2.

3.

4.

INLEIDING................................................................................................................................11 1.1

Aanleiding................................................................................................................................11

1.2

Ligging en begrenzing..............................................................................................................11

1.3

Vigerend bestemmingsplan.....................................................................................................11

1.4

Gekozen planopzet..................................................................................................................12

BELEIDSKADER.........................................................................................................................13 2.1 Nationaal beleid..................................................................................................................... 13 2.2

Provinciaal beleid................................................................................................................... 13

2.3

Gemeentelijk beleid.................................................................................................................15

BESCHRIJVING VAN HET PLAN................................................................................................ 17 3.1

Omgeving en huidig gebruik....................................................................................................17

3.2

Projectbeschrijving..................................................................................................................19

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN................................................................................... 23 4.1 Water ..................................................................................................................................... 23 4.2

Milieuzonering.........................................................................................................................25

4.3

Geluid.......................................................................................................................................26

4.4

Luchtkwaliteit..........................................................................................................................29

4.5

Externe veiligheid....................................................................................................................29

4.6

Bodem......................................................................................................................................30

4.7

Archeologie ............................................................................................................................ 31

4.8

Ecologie....................................................................................................................................32

4.10 Duurzaamheid en energie.......................................................................................................34 4.11 Besluit m.e.r.............................................................................................................................35 5.

JURIDISCHE ASPECTEN............................................................................................................ 37 5.1 Inleiding ................................................................................................................................. 37 5.2

6.

De opzet van de planregels ................................................................................................... 37

UITVOERBAARHEID................................................................................................................ 41 6.1

Financiële uitvoerbaarheid......................................................................................................41

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro............................................................................................ 41

Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

-9-

- 10 -

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding De Nicolaasschool is een basisschool in de wijk Bospolder-Tussendijken. Het onderwijs wordt op dit moment gegeven op vier locaties, waarvan Schiedamseweg 227 de hoofdlocatie betreft. Op de Korfmakerststraat bevinden zich twee dependances die vanuit het huidige onderwijsperspectief niet goed bruikbaar meer zijn. Vanwege capaciteitsgebrek maakt de school op dit moment ook gebruik van een aantal lokalen in een leegstaand pand aan de Schiedamseweg. Vanuit de wens om het onderwijs centraal te organiseren is besloten om drie van de vier locaties af te stoten. De hoofdlocatie blijft behouden omdat deze goed functioneert en zich bovendien goed leent voor uitbreiding. Dat is mogelijk door de naastgelegen bebouwing aan de Korfmakerststraat te vervangen door nieuwbouw. Daarmee kan het gewenste programma worden gerealiseerd en het schoolplein worden vergroot. Het huidige bestemmingsplan "Bospolder - Tussendijken" staat de realisatie van de nieuwbouw niet toe. Om het bouwplan te kunnen realiseren, dient een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld.

1.2

Ligging en begrenzing Het plangebied bevindt zich in de zuidwesthoek van de wijk Bospolder-Tussendijken. Deze wijk betreft één van de zeven wijken van het meest westelijke stadsdeel van Rotterdam: Delfshaven. De school is gelegen in de oksel van de Schiedamseweg en de Korfmakersstraat. Respectievelijk vormen zij ook de zuidelijke en oostelijke plangrens. De noordelijke en westelijke plangrens wordt niet gevormd door omliggende wegen, maar aangrenzende percelen aan de Korfmakersstraat en de daarachter gelegen (woon)bestemmingen.

. itírJ\İ 'f ï

y*'

'VV

ļ-řO

— -

Mil

-

Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in Delfshaven (links) en in de directe omgeving (rechts).

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van de locatie is momenteel het bestemmingsplan "Bospolder-Tussendijken" het geldende juridisch-planologisch kader. Dit plan is door de gemeenteraad van Rotterdam vastgesteld op 25 februari 2009. Momenteel is ook een nieuw bestemmingsplan met dezelfde naam in procedure. Omdat het ontwerp daarvan reeds is gepubliceerd vormt dit tevens het toetsingskader. Onderstaand wordt dan ook ingegaan op de in dat plan geldende bestemmingen en de strijdigheid daarmee. Ter plaatse van het plangebied (zie afbeelding 2) geldt een tweetal hoofdbestemmingen: 'Maatschappelijk - 1' en 'Maatschappelijk - 2'. Deze gronden zijn in hoofdzaak bedoeld voor Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 11 -

maatschappelijke voorzieningen met daarbij behorend erf. Onder maatschappelijke voorzieningen worden alle voorzieningen bestaan op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. Het gebruik als school is alleen binnen de bestemming 'Maatschappelijk - 1' toegestaan. Daar waar de bestemming 'Maatschappelijk - 2' van kracht is, behoort het gebruik als school niet tot de mogelijkheden. Voor beide bestemmingen geldt tevens dat de bouwmogelijkheden nu geheel zijn toegeschreven op wat op dit moment aan bebouwing aanwezig is, waardoor uitbreidingen niet mogelijk zijn. Het bestemmingsplan kent daartoe wel een algemene afwijkingsbevoegdheid, maar die is niet toereikend om het beoogde bouwplan te realiseren.

+ +V+ 4Maatschappelijk - 1

4 4 4 4 y 4 t4 4 +Į+

Y+ + Maatschappelijk - 2

4 + 4 4 . 4 4/V 4 4/4 4"4. 4 4 ™ .ŕ J 1 r 4 'K

4 4/4 4 4-14 4

4 4' 4 4 4 '4-. 4 4 4 -r J 4 4 4 4 4 4 4 4 4' 4 4 4 4. 4 4 4-, 4 4 V4 4 4 4 4 4 4'

4 4/4 4 4 4 4 /4 4/4 4

Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding ontwerpbestemmingsplan "Bospolder-Tussendijken" (plangebied oranje omkaderd).

Het gehele plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', waarmee eventuele in de ondergrond aanwezige archeologische relicten worden beschermd. Dit betekent, dat bouw- en/of graafwerkzaamheden met een oppervlak van meer dan 100 m2 en die dieper reiken dan 2 meter beneden maaiveld, door Archeologie Rotterdam (BOOR) moeten worden getoetst op de noodzaak van onderzoek. 1.4

Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit voor het gebruik als school. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

- 12 -

2

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder die voor dit plan. Voorop wordt gesteld dat het functioneel gebruik als school geen strijdigheid kent met het geldend planologisch kader en het huidige gebruik van de panden. De wijziging van het bestemmingsplan richt zich in hoofdzaak op de wijziging van de bouwregels, waardoor een efficiënter gebruik van de gronden en het bestaande schoolgebouw mogelijk wordt gemaakt.

2.1

Nationaal beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) vastgesteld. Dit document beschrijft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Door vaststelling van de SVIR geldt voor de ruimtelijke ordening in brede zin dat een aanzienlijk deel van de Rijkstaken is gedecentraliseerd. Alleen voor een beperkt aantal onderwerpen wordt de bevoegdheid om algemene regels te stellen ingezet. Het gaat hierbij om nationale belangen. Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn deze nationale belangen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden. Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Deze is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen.

Daarnaast is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door 'behoefte'. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Conclusie nationaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Op basis van het Rijksbeleid kunnen de decentrale overheden maatwerk leveren en inspelen op specifieke wensen. De beoogde ontwikkeling betreft het samenvoegen van enkele schoollocaties, waardoor sprake is van een efficiënter grondgebruik en het bestaande hoofdgebouw van de Nicolaasschool meer mogelijkheden biedt om alle leerlingen op één locatie van onderwijs te voorzien. Het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee de SER-ladder. Het voornemen is derhalve in overeenstemming met het nationaal beleid.

2.2

Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd.

Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 13 -

Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: ^ Naar een klimaatbestendige delta. ^ Naar een nieuwe economie: the next level. ^ Naar een levendige meerkernige metropool. ^ Energievernieuwing. • Best bereikbare provincie. • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 1 juli 2020 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 augustus 2020 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stads­ en dorpsgebied.

Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.

Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: ^ De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. - 14 -

^

Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.

Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg.

De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stads- en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De beoogde ontwikkeling draagt hieraan bij, omdat het feitelijk de uitbreiding betreft van het bestaande hoofdgebouw van een basisschool. Hierdoor kunnen de onderwijsactiviteiten op de dependances worden gestaakt en deze activiteiten efficiënter op één locatie ontplooit kunnen worden. Door het samenvoegen van de onderwijsactiviteiten op één locatie komen de andere locaties vrij, zodat ook hier mogelijkheden ontstaan voor efficiënter gebruik van deze gronden. Bijvoorbeeld door deze in te zetten voor andere functies.

Zoals ook aangeven in Ş 2.1 wordt hiermee tevens voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het voornemen vertoont dan ook geen strijdigheid met het provinciaal beleid. 2.3

Gemeentelijk beleid Stadsvisie Rotterdam 2030 De Stadsvisie Rotterdam 2030 is vastgesteld op 27 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de periode tot 2030 en heeft als missie te komen tot een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 15 -

uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op het gebied van wonen en economie. Werkgelegenheid ontwikkelt zich namelijk alleen wanneer de stad een aantrekkelijk vestigingsklimaat vormt voor werknemers, met goede woningen inclusief de bijbehorende voorzieningen en buitenruimten: complete woonmilieus die aansluiten bij de wensen van de woonconsumenten. Vandaar dat extra wordt geïnvesteerd in aantrekkelijke groenstedelijke, rustig stedelijke en centrumstedelijke woonmilieus. In iedere wijk, en daarmee ook in Bospolder-Tussendijken, moet straks een compleet aanbod zijn van goede basisscholen, gezondheidscentra, wijkgebouwen en sportfaciliteiten. Onderwijs is een cruciale schakel, omdat het een belangrijke factor is bij de woningkeuze en het creëren van een evenwichtige bevolkingssamenstelling. In de Stadsvisie zijn op basis van effectmetingen gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad'; de zogenoemde VIP-gebieden. Delfshaven - en daarmee ook het plangebied behoort niet tot één van deze VIP-gebieden. Wel is in de directe nabijheid het VIP-gebied 'EMC-Hoboken' gelegen, waar ruimte wordt geboden aan medische bedrijvigheid en onderzoek, wonen, voorzieningen en onderwijs. Delfshaven maakt in de Stadsvisie deel uit van het "Van Haven naar Stad"- gebied.

Speerpunt hierbij is een gemengd, uniek haven en stadsmilieu met maritieme bedrijvigheid, creatieve economie en woningbouw. Welstandsnota Rotterdam Het welstandsbeleid is op 11 oktober 2012 door de gemeenteraad vastgelegd in de 'Welstandsnota Rotterdam'. Deze nota is een geactualiseerde versie van de 'Koepelnota Welstand Rotterdam' uit 2004 die hiermee is komen te vervallen. Op de kaart 'Welstandsniveaus' behorende bij deze nota is aangegeven welk welstandsregiem van toepassing is: vrij, regulier of bijzonder. Het plangebied valt binnen het welstandsregiem 'regulier' en binnen het gebiedstype 'planmatige stedelijke uitbreidingen'. In deze delen van de stad vormen de afzonderlijke bouwblokken met elkaar grotere architectonische eenheden die in (symmetrische) ensembles zijn gerangschikt. Daardoor is sprake van een sterke samenhang tussen stedenbouw en architectuur. Hierbij is het collectieve aspect (herhaling, hiërarchie) sterk aanwezig en is de expressie van het individuele object ondergeschikt. Het accent ligt op de compositie van het blok als geheel. Uitgangspunt in deze gebieden is het herkenbaar houden van de sterke samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en groenstructuur. Iedere ingreep, zowel bij beheer en onderhoud als bij nieuwbouw, dient te worden beoordeeld op de gevolgen voor de architectonische eenheid en de stedenbouwkundige compositie.

Bij nieuwbouw is het van belang om per bouwblok te streven naar complexmatige bouw onder één architectuur, zoals dat bij de oorspronkelijke bouw ook gebeurde. Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Gesteld wordt dat het plan aansluit op de doelstellingen zoals die omschreven zijn in het gemeentelijk beleid. Voorop staat dat bij de ontwikkeling geen sprake is van een nieuwe functie, het bestaande gebouw is al jaren in gebruik als school en is in die hoedanigheid ook reeds een maatschappelijke bestemming toegekend in het nu geldende bestemmingsplan. De ontwikkeling behelst enkel een uitbreiding van het bestaande gebouw, zodat een meer efficiënt gebruik mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan de welstandseisen vindt plaats in het kader van de bouwaanvraag. - 16 -

3.

BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens in te gaan op de beoogde nieuwe situatie, wordt eerst aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis van Delfshaven, alsook de bestaande situatie en het huidig gebruik.

3.1

Omgeving en huidig gebruik

3.1.1

Delfshaven Rond 1380 besloot Delft een eigen kanaal aan te leggen, dat halverwege het huidige Schiedam en Rotterdam in de Maas uitmondde. Om de grotere zeegaande schepen te kunnen bedienen en om te concurreren met Rotterdam werd aan de monding van de Maas een zeehaven gebouwd. Rond 1400 vestigden zich hier vissers waardoor een nederzetting ontstond: Delfshaven. Uiteindelijk werd Delfshaven bekend om zijn branderijen en jeneverstokerijen, visvangst en hieraan gerelateerde bedrijvigheid, zoals scheepsbouw. Zo was de scheepswerf van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in Delfshaven gevestigd. ī 'Vťl

J IIL1I ‘l------

.

ļļjGĽiJJ-

Afbeelding 3: Plattegrond van Delfshaven rond 1400.

Aan het begin van de 19e eeuw werd Delfshaven onafhankelijk van Delft en kreeg het stadsrechten. De zelfstandige status bracht Delfshaven echter geen succes. Door toenemende werkeloosheid en armoede doet het stadsbestuur in 1841 het verzoek om te worden geannexeerd door Rotterdam. Omdat Rotterdam zelf ook problemen kent, wordt aan dit verzoek pas in 1886 gehoor gegeven. Na de annexatie breidt de dan Rotterdamse wijk Delfshaven zich gestaag uit. Rond 1910 werd het gebied direct ten westen van de grachtenpanden aan de Aelbrechtskolk en Schans aangelegd. De gemeente legde hier de Schans, Watergeusstraat en Spanjaardstraat aan, alsmede riolering en waterleidingen, waarna particuliere bouwers en grondeigenaren binnen de gemeentelijke rooilijnen huizen moesten bouwen. In de (overwegend liberale) politieke en ambtelijke kring leefde in Rotterdam een sterke voorkeur voor particulier bouwondernemerschap. De woningen die hier rond 1910 verrezen waren dan ook voornamelijk het werk van particulieren of aannemers. De bebouwingstypologie rond de drie

Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 17 -

genoemde straten is onder andere het resultaat van de Rotterdamse bouwverordeningen en bouwpraktijk. De panden zijn gebouwd in gesloten bouwblokken op het stramien van het gemeentelijke stratenplan, waar ik de Schiedamseweg deel van uitmaakte. In 1913 werd voor het gebied ten noorden van deze weg het eerste ontwerp voor de wijk Tussendijken ontworpen, in sterke samenhang met het ontwerp voor Spangen. Omdat de gronden in Tussendijken echter niet in eigendom waren van de gemeente is, is dit deel van Delfshaven uiteindelijk anders uitgevoerd dan gepland en sterk afwijkend van de gedachte achter Spangen. Daarbij is ook het idee van scholen op binnenterreinen losgelaten, anders dan in Bospolder, Spangen en vele andere Rotterdamse wijken. In Tussendijken koos men ervoor de scholen te bouwen op prominente plekken, als belangrijke stedenbouwkundige bouwstenen.

Uitlaas*'

iimssu

| ş g ĵggtëgj

Afbeelding 4: Beeld van het bestaande schoolgebouw op de planlocatie.

3.1.2 Huidige situatie omgeving plangebied Voor het bepalen van de cultuurhistorische waarden binnen de wijk, is in 2009 de 'Cultuurhistorische Verkenning Bospolder-Tussendijken' opgesteld. In deze verkenning is een waardering opgenomen voor de verschillende gebouwen en complexen. Voor de architectonische waardering is een onderscheid gemaakt tussen objecten met een reeds bestaande beschermde status (Rijksmonument, toekomstig monument en beschermd stadsgezicht) en overige bebouwing. De waardering (beeldbepalend, beeldondersteunend, indifferent of detonerend) is gebaseerd op een aantal criteria: de architectuurhistorische, cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarde van een object en de gaafheid of herkenbaarheid van het gebouw/ complex. Beeldbepalend zijn vooral de gebouwen langs de voegen en de randen van Bospolder-Tussendijken, zoals de complexen aan de Mathenesserweg. De bebouwing aan de Mathenesserdijk is beeldbepalend door de bijzondere gebouwtypologie en de architectonische uitstraling van de panden. De bebouwing aan de noordzijde van de Grote Visserijstraat en aan de zuidzijde van de Schiedamseweg zijn net beeldbepalend door de gaafheid en herkenbaarheid van de complexen. Een aantal gebouwen zijn beeldbepalend omdat ze van belang zijn voor het verhaal van de experimentele woningbouw in Rotterdam, zoals de complexen aan de Schans, de Watergeusstraat en de

- 18 -

Spanjaardstraat. Bij de als beeldondersteunend aangegeven gebouwen gaat het vooral om het ontwerp en de architectonische uitstraling. Wanneer gebouwen als indifferent zijn aangeduid betekent dit dat vervanging eerder voor de hand ligt dan bij beeldbepalend of beeldondersteunend, maar dat dat altijd afhangt van de schaal en de maat van het bouwinitiatief en de architectonische uitwerking. Detonerend wil zeggen: qua architectuur of stedenbouwkundige situering niet passend in het weefsel. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het bestaande schoolgebouw en de kerk als indifferent zijn aangemerkt.

v\ x ļ

H Rijksmonument H Toekomstig monument

Wl Beschermd stadsgezicht M Beeldbepalend M DUUIUUiiilmsteunend Indifferent J

Afbeelding 5: In de CV is het bestaande gebouw aangeduid als indifferent.

Het plangebied Zoals aangegeven is het plangebied op dit moment reeds bebouwd en in gebruik als school (zie afbeelding 4). Het terrein is geheel verhard, deels vanwege de bebouwing en deels omdat het in gebruik is als speelplaats voor de leerlingen. 3.2

Projectbeschrijving Voor de ontwikkeling is door de gemeente een Nota van Uitgangspunten opgesteld, die als basis dient voor dit bestemmingsplan. Deze uitgangspunten vormen tevens de basisvoorwaarden bij de nadere uitwerking van het bouwplan. Onderstaand worden deze beknopt toegelicht. De leslocaties van de Nicolaasschool bevinden zich op dit moment aan de Korfmakersstraat en de Schiedamseweg. Laatstgenoemde betreft de hoofdlocatie van de school. Op de Korfmakerststraat is sprake van twee dependances die beide vanuit het huidige Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 19 -

onderwijsperspectief niet meer goed bruikbaar zijn. Daarnaast kampen de gebouwen met achterstallig onderhoud. Vanwege capaciteitsgebrek maakt de Nicolaasschool op dit moment ook gebruik van een aantal lokalen in het leegstaande schoolpand op Schiedamseweg 280-282. De school is opgenomen in de 1e tranche van het Rotterdamse Integrale HuisvestingsPlan (IHP) en heeft daarmee budget om te investeren in de benodigde huisvesting. Vanuit de wens om het onderwijs centraal te organiseren is besloten om drie van de vier locaties af te stoten en de hoofdlocatie uit te breiden met nieuwbouw.

Korfmakersstraat 127-129 Park 1943 Trafo

gymzaal

hoofdlocatie

Legenda der ĵ. ::eTransfomneren lopen Kad astra te grens --------------- Toekomstig plangebied

Afbeelding 6: Overzicht bestaande bebouwing.

Het plangebied voor de nieuwbouw bestaat uit de kavel van de huidige hoofdlocatie, aangevuld met de kavels van de gymzaal van het Sportbedrijf, het kerkgebouw aan de Korfmakersstraat en de daarachter gelegen transformatorruimte van Stedin. De bebouwing van de hoofdlocatie blijft behouden, omdat deze goed functioneert. Het voornemen is dan ook om deze uit te breiden ter vervanging van de benoemde dependances. De huidige dependance aan de Korfmakersstraat 127-129 (zie afbeelding 6) zal na het oplevering van de nieuwbouw worden afgestoten en in de nabije toekomst worden getransformeerd naar een woonfunctie. Dit valt buiten de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan. Dat geldt ook voor de in deze gebouwen aanwezige gymzalen: deze worden ondergebracht in een nieuwe sporthal die op korte termijn zal worden gerealiseerd aan het Visserijplein. Het kerkgebouw aan de Korfmakersstraat wordt gesloopt om plaats te maken voor de

- 20 -

nieuwbouw van de school. De kerk stond al enige tijd leeg en door dit plot ontstaat de mogelijkheid de nieuwbouw te koppelen aan het bestaande gebouw. De transformatorruimte van Stedin zal eveneens worden gesloopt. Omdat de voorziening voor de omgeving wel behouden moet blijven, wordt in het ontwerp van de uitbreiding van het schoolgebouw rekening gehouden met het inpandig integreren van een nieuwe transformatorruimte.

Park 1943

PlHÍlUUlUMK

Legenda te behouden schoolgebouw nieuwbouw

f

bestaand i vergroten schoolplein

f —

te bebouwen i flexibele rooilijn Versterven langzaamverkeerroute relatie met Park 1943

--------------- plangebied

-------- te volgen rooilijnen ©

N

.ŗ

aantal verplichte bouwlagen

Afbeelding 7: De bouwenveloppe. Uitgangspunt voor de bouwenvelop is dat de nieuwbouw maximaal drie bouwlagen hoog wordt. Hiermee sluit het aan op de hoogte van de bestaande scholen en krijgt de nieuwe gevel voldoende massa om de straatwand een duidelijker profiel te geven. Aan de noordzijde ligt het volume in lijn met de bebouwing van de Gijsinglaan. Zo ontstaat enige ruimte tussen de school en de voormalige dependance aan de Korfmakerstraat 127-129. Zodra dat pand is getransfor­ meerd naar woningen, ontstaat daar ruimte om in de gevel raamopeningen te realiseren. Het bestemmingsplan doet geen uitspraak over de uiteindelijke uitwerking van de nieuwbouw, maar het legt wel de uiterste grenzen vast waarbinnen gebouwd mag worden. Het draagt er toe bij om de Korfmakersstraat een duidelijker profiel te geven. Daarbij is het van belang dat de nieuwbouw ook een adres krijgt aan de Korfmakersstraat door middel van een nieuwe entree. Op de hoek van de Schiedamseweg met de Korfmakersstraat biedt het bestemmingsplan ruimte om in lijn met de rest van het gebouw een derde bouwlaag te realiseren.

Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 21 -

Met het vergroten van het schoolgebouw wordt ook het schoolplein vergroot. De L-vormige vorm van de uitbreiding biedt ruimte om een praktische schoolplattegrond te realiseren die daarnaast het plein op een logische manier vorm geeft.

PvERVKO: 2,500 m2BVQ - basisschool - 1B lokalen - peuterspeelzaal - 2 lokalen - aula + logistiek

Schoolplein ca. 1.600 m2

Trafo Stedin - separate toegang vereist

BOUWHMVELOP

verdiepīngsoppervlakte:

ca. 900 - 1 .ūOOrrŕ BVO

bouwenvelop:

ca, 3.Ü00 rrr’ BVO (3 verdiepingen)

Afbeelding 8: De maximale massa die dit bestemmingsplan mogelijk maakt en het programma (dit betreft niet het ontwerp). De Nicolaasschool is een grote school (3-4 klassen per leerjaar), waar veel kinderen weinig ruimte delen. Daarom is het van belang dat de school praktisch is ingedeeld, over goede verkeersruimtes beschikt en logische routing. De uitbreiding die het bestemmingsplan mogelijk maakt wordt vastgelegd door het bouwvlak in combinatie met de bouwhoogte. Dit komt neer op de toevoeging van maximaal 3.000 m2 BVO, verdeeld over drie verdiepingen. De exacte verdeling van de benodigde ruimtes is iets dat thuishoort in de uitwerking van het bouwplan. In dat kader worden de randvoorwaarden opgesteld die aansluiten op de behoefte van de school. Het bestemmingsplan dient er uitsluitend toe dat het de realisatie functioneel en bouwkundig niet in de weg staat.

Bereikbaarheid en parkeren De Nicolaasschool is een buurtschool. Veel kinderen komen lopend of met de fiets naar school. De openbare ruimte zal zodanig vormkrijgen dat dit veilig kan, bijvoorbeeld door voldoende ruimte te geven aan langzaam verkeer en door auto's langzamer te laten rijden. In het ontwerp wordt tevens rekening gehouden met kiss & ride, zowel voor auto's als voor fietsers. Vanaf 1 februari 2018 is de nieuwe parkeernorm in Rotterdam van kracht gegaan onder de naam 'Beleidsregeling parkeernormen (Gemeente Rotterdam 2018)'. De locatie ligt binnen Zone B - Stadswijken. Voor het ontwerp van het gebouw moet de nieuwe norm worden gehanteerd; binnen deze norm kan worden gekeken naar vrijstellingen die verder worden beschreven in het beleidsdocument. In de planregels is daartoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De verdere uitwerking is in overleg met de gemeente en wordt getoetst bij de bouwaanvraag.

- 22 -

4

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.

4.1

Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2). Ook het hoogheemraadschap heeft zijn eigen beleid. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft zijn beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit beheerplan vormt een leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap. Bij de uitvoering staan de kerntaken van Delfland voorop: de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Deze kerntaken staan niet op zichzelf, maar vormen een integrale opgave voor een toekomstbestendig watersysteem. Delfland heeft daarom vier richtinggevende integrale thema's gedefinieerd die in de planperiode worden uitgewerkt tot een strategie. 1.

Een zelfvoorzienend gezond en schoon watersysteem; Delfland heeft in 2017 een strategie vastgesteld om op een toekomstbestendige wijze kringlopen te sluiten en (nagenoeg) zelfvoorzienend te kunnen zijn in de waterbehoefte. 2. Interactie tussen watersysteem en waterketen; Delfland vervult zijn zorgplichten door de kerntaken integraal uit te voeren en de werkzaamheden te koppelen aan een steeds sneller veranderende omgeving. 3. Stedelijk waterbeheer en klimaatadaptatie; Delfland gaat in nauwe samenwerking met gemeenten en andere belanghebbenden de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie nader uitwerken en uitdragen, waardoor de sponswerking in het sterk verharde gebied van Delfland toeneemt en bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaat adaptief wordt gehandeld. 4. Iedereen bewust van water; in 2021 zijn de inwoners van Delfland zich bewust van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen handelingsperspectieven. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft daarnaast speciaal voor ruimtelijke plannen de 'Handreiking watertoets voor gemeenten' opgesteld. Deze handreiking geeft inzicht in hoe Delfland de watertoets procedureel en inhoudelijk invult. De watertoets is erop gericht ruimtelijke functies en waterhuishoudkundige mogelijkheden optimaal op elkaar aan te laten sluiten.

Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 23 -

Beschrijving watersysteem Het plangebied maakt vanuit waterstaatkundig oogpunt deel uit van de Delflandse Boezem. Het boezemgebied bestaat uit een sterk samenhangend netwerk van watergangen die met elkaar in open verbinding staan. Het boezemland watert hierbij rechtstreeks op de boezem af. Het waterpeil in de boezem bedraagt 0,43 meter beneden NAP. Rondom het plangebied is sprake van een gemengd rioolstelsel, dat deel uitmaakt van het rioleringsdistrict 'Tussendijken'. Het afvalwater wordt via district 'Het Westen' afgevoerd naar afvalwaterzuivering Dokhaven. Het rioleringsstelsel is met het oppervlaktewaterstelsel verbonden door middel van een aantal overstorten. Bij een te groot aanbod aan afvalwater kan daarmee geloosd worden op de Nieuwe Maas en/of Delfshavense Schie. De dichtstbijzijnde waterkering ligt op zo'n 150 meter ten zuiden van de locatie. Het betreft hier de Delflandsedijk die als primaire waterkering is aangemerkt. Ter hoogte van het plangebied is deze waterkering geïntegreerd in het dakpark langs de Vierhavenstraat. Uit onderstaande afbeelding valt op te maken dat het plangebied niet binnen het waterstaatswerk, de bijbehorende beschermingszone en/of het profiel van vrije ruimte ligt. Voor deze waterkering geldt een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar; dit betekent dat de kans op overstromen per jaar is vastgesteld op 1:100.000.

Bsscharnr ngszone

Waterstaatswerk ProFe van vrijs’■uimte

Afbeelding 9: Uitsnede legger Delfland (plangebied oranje omkaderd).

Wateropgave Dit bestemmingsplan is erop gericht om binnen de bestaande maatschappelijke bestemming de ligging van het bouwvlak en de toegestane hoogte iets aan te passen. Het bestaande schoolgebouw blijft daarbij behouden, maar wordt uitgebreid door het naastliggende perceel erbij te betrekken. Daarvoor zal een bestaand kerkgebouw op dat perceel worden gesloopt. Met uitzondering van een geveltuin met enkele bomen aan de zijde van de Schiedamseweg, zijn de gronden binnen het plangebied op dit moment volledig verhard door de bestaande bebouwing, de aanwezigheid van het speelterrein en het pad dat toegang biedt tot dit speelterrein. De geveltuin zal niet wijzigen door de nieuwe ontwikkeling. Door vervangende nieuwbouw en de mogelijke optopping van de bestaande school, zal evenmin sprake zijn van toevoeging van extra verharding. Het treffen van compenserende maatregelen is dan ook niet aan de orde.

- 24 -

In de door de gemeente opgestelde Nota van Uitgangspunten voor het ontwerp van de school worden echter wel vanuit de klimaatdoelstelling duurzaamheidsvoorwaarden gesteld aan de hand van het Rotterdamse Duurzaamheidscompas (zie ook Ş 4.6). Daarin wordt gesteld, dat het gebouw en de omgeving dient bij te dragen aan het vasthouden van regenwater en het reduceren van hittestress. Richtlijn hierbij is het kunnen bergen van een regencapaciteit van 50 mm water over het gehele perceeloppervlak, bijvoorbeeld via een waterbergend daklandschap of een groen schoolplein. Ook liggen er kansen in het vergroenen van de daken. Dit reduceert de hittestress gedurende de warme dagen en zorgt voor een betere waterafvoer tijdens natte dagen. Bij de omgevingsvergunningaanvraag zullen deze uitgangspunten nader uitgewerkt worden. Het te realiseren gebouw wordt voorzien van een gescheiden rioolstelsel en aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Rotterdam heeft bij nieuwe ontwikkelingen als uitgangspunt dat gebouweigenaren zelf hun hemelwater moeten verwerken. Omdat nog geen sprake is van een concreet bouwplan is nog niet duidelijk hoe aan dit uitgangspunt vorm wordt gegeven; dit wordt in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag nader uitgewerkt. Het is bij de bouw van nieuwe bebouwing wel wenselijk om duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen.

PAK's-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Dit voorkomt diffuse verontreinigingen van water en bodem. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op de waterkerende functie van de Delflandsedijk; ook eventuele toekomstige noodzakelijke dijkverzwaringen worden door deze ontwikkeling niet belemmerd. Daarnaast heeft de beoogde ontwikkeling geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks.

Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de watertoets. In dit kader worden de waterbeheerders betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan.

4.2

Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de woningbouwlocatie en de bedrijven in de omgeving. Dit kan oplopen tot de maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 6 en die bedraagt 1.500 meter tot omgevingstype rustige woonwijk. In de huidige situatie is het gehele plangebied voorzien van een maatschappelijke bestemming. Ter plaatse van het huidige schoolgebouw is sprake van de bestemming 'Maatschappelijk - 1',

Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 25 -

op grond waarvan de onderwijsfunctie is toegestaan. De maatschappelijke bestemming grenst in de huidige situatie aan de woonbestemmingen aan de westzijde van het plangebied. Dit betekent, dat niet voldaan kan worden aan de hinderafstand die op grond van de VNG-uitgave aan een schoolgebouw wordt gekoppeld (30 meter; SBI-code 852). Voor het perceel waar nu een kerkgebouw staat, geldt dat de onderwijsfunctie op basis van de geldende bestemming niet is toegestaan. Met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt dat dit wel mogelijk is. Ook hier geldt dat direct ten westen een woonfunctie aanwezig is, waardoor niet voldaan kan worden aan de gewenste hinderafstand uit de VNG-uitgave. De hinderafstanden uit de VNG-uitgave betreffen echter richtafstanden, waarvan gemotiveerd afgeweken mag worden. Voor de onderhavige situatie worden de kleinere afstanden acceptabel geacht, aangezien een schoolgebouw als categorie 2-inrichting wordt aangemerkt en dergelijke inrichtingen op grond van de Rotterdamse systematiek als passend binnen een woonomgeving worden ervaren. Daarnaast geldt voor een groot deel van het plangebied, dat de gronden reeds in gebruik zijn als speelterrein. De huidige bewoners aan de Schiedamseweg en zijn dan ook gewend aan geluidbelastingen afkomstig van de school (bijvoorbeeld stemgeluid van kinderen, wegrijdende auto's e.d.).

Voor de woningen langs de Schiedameweg geldt daarbij, dat de onderwijsfunctie op dezelfde afstand tot de betreffende woningen blijft. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen veranderd niet. Ook voor de woningen langs de Mathenesserweg 190a-218c geldt dat zij momenteel gewend zijn aan de geluidbelastingen afkomstig van de school. Immers grenzen de huidige achtertuinen van deze woningen nu reeds aan het huidige schoolperceel. Door de beoogde functieverruiming op het perceel van het kerkgebouw blijft de afstand ongewijzigd. Ook voor de woningen Mathenesserweg 168a-186c geldt, dat de onderwijsfunctie wel op ruimere afstand komt. Nu bedraagt de afstand tussen de schoolfunctie en de deze woningen 0 meter, aangezien deze woningen aan de oostzijde grenzen aan één van de depedance-locaties. In de toekomstige situatie komt de onderwijsfunctie om minimaal 10 meter te liggen. Daarnaast valt uit afbeelding 8 valt op te maken, dat de toekomstige speelterreinen aan de noordzijde worden afgeschermd door het nieuwe schoolgebouw. Dit betekent, dat eventuele geluidhinder grotendeels zal worden afgeschermd. Mogelijk kan door de beoogde ontwikkeling door omwonenden toch extra hinder van spelende kinderen worden ervaren. Dit wordt acceptabel geacht, omdat door de beoogde ontwikkeling meerdere schoollocaties worden samengevoegd tot één onderwijslocatie.

Dit heeft tot gevolg dat efficiënter onderwijs gegeven kan worden, maar ook dat een veiligere situatie voor kinderen ontstaat (minder bewegingen tussen de verschillende schoolgebouwen). Daarnaast komt de onderwijsfunctie ter plaatse van de andere locaties te vervallen, waardoor eventuele hinderlijke situaties op die plekken komt te verdwijnen. Tevens kan gesteld worden dat de beoogde school een belangrijke buurtfunctie vervult. Op grond van jurisprudentie (uitspraak van ABRS 200603295/1) gaat dit belang boven het individuele belang. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'milieuzonering' geen belemmering vormt voor de beoogde functieverruiming.

4.3

Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals

- 26 -

woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk een (uitbreiding van een) schoolgebouw. Dit gebouw ligt binnen de toetsingszone van enkele zoneplichtige (spoor)wegen, alsook binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Vandaar dat een akoestisch onderzoek1 is uitgevoerd. De rekenresultaten worden hieronder uiteengezet.

Wegverkeerslawaai Het beoogde schoolgebouw bevindt zich binnen de toetsingszone van de volgende zoneplichtige wegen: Vierhavenstraat, Marconiplein, Schiedamseweg en Mathenesserweg (deels). Uit de rekenresultaten blijkt, dat alleen vanwege het wegverkeer op de Schiedamseweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De berekende geluidsbelastingen bedraagt hierbij 59 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. In de omgeving van het plangebied zijn ook nog enkele 30 km/h-wegen gelegen, zoals Korfmakersstraat, Gijslinglaan, Hudsonstraat en Mathenesserweg (deels). Deze wegen vallen dan ook buiten het aandachtsgebied van de Wet geluidhinder, waardoor toetsing aan de in deze wet opgenomen normen voor wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening berekend wat de gezamenlijke geluidsbelasting van deze wegen is. De gezamenlijke geluidsbelasting van deze wegen bedraagt ten hoogste 51 dB. Wanneer deze belasting wordt vergeleken met de normen uit de Wet geluidhinder ligt de berekende geluidsbelasting boven de in deze wet opgenomen richtwaarde van 48 dB echter ruim onder de maximale ontheffingswaarde.

Om voor de toekomstige gebruikers van het schoolgebouw een goed werk- en leefklimaat te realiseren, wordt geadviseerd om de geluidbelasting van de niet-gezoneerde wegen te betrekken bij het treffen van geluidwerende gevelvoorzieningen.

Spoorweglawaai Ter hoogte van de Schiedamseweg ligt een tramlijn die onderdeel uitmaakt van het spoorwegtraject 622. Daarmee dient deze tramlijn getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder die gelden voor railverkeer. Uit de rekenresultaten blijkt, dat de maximaal berekende geluidbelasting 61 dB bedraagt. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde va 55 dB overschreden; dit geldt niet voor de maximale ontheffingswaarde van 68 dB.

Industrielawaai Waal-ZEemhaven In december 2010 is door diverse partijen, waaronder de gemeente Rotterdam, het 'Convenant geluidruimte Waal-ZEemhaven' ondertekend. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd over de geluidsruimte en -verdeling bij vergunningverlening op basis van de Wabo en de geluidseffecten hiervan op de ruimtelijke ordening in de omgeving. In dit convenant wordt onderscheid gemaakt tussen het communicatiegebied (gebied binnen de 55 dB(A)1 LBP |Sight, LBP|SIGHT, Nicolaasschool in Rotterdam; Akoestisch onderzoek, April 2021, kenmerk R072457aa.21345QQ.mvb.

Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 27 -

contour) en het 'gebied voor standaard onderzoek' (gebied dat gelegen is buiten de 55 dB(A)contour). Indien een nieuwe geluidsgevoelige ontwikkeling is gelegen in eerstgenoemd gebied, dient een open planproces te worden gevolgd, zoals bijvoorbeeld de Stad- en milieubenadering (afspraak 14). Daarnaast dient in een zo'n vroeg mogelijk stadium van de planvorming overleg plaats te vinden met Deltalinqs en het Havenbedrijf Rotterdam (afspraak 13). Omdat het plangebied buiten de 55 dB(A)-contour ligt en daarmee niet in het communicatiegebied, zijn deze afspraken niet aan de orde. Uit eerder benoemd onderzoek blijkt dat de geluidbelasting in de dagperiode vanwege het gezoneerde industrieterrein Waal- en Eemhaven ten hoogste 45 dB(A) bedraagt. Hiermee is de geluidbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Vanuit de Wet geluidhinder zijn hiermee vanuit dit gezoneerde industrieterrein geen bezwaren tegen de realisatie van de nieuwbouw van de Nicolaasschool. Havens Noordwest - Oost Frankenland (Merwe- en Vierhavensgebied) Het plangebied ligt ook in z'n geheel binnen de geluidszone behorende tot het gezoneerde industrieterrein "Havens Noordwest - Oost Frankenland". Vandaar dat in het akoestisch onderzoek ook aan deze geluidsbron aandacht is besteed.

De berekende geluidbelasting bedraagt ten hoogste 48 dB(A), waardoor de maximale ontheffingswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden. Vanuit de Wet geluidhinder zijn hiermee vanuit dit gezoneerde industrieterrein geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling.

Overige aan wetgeving gebonden geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen de geluidscontouren van Rotterdam - The Hague Airport. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbron niet aan de orde is.

Niet-aan wetgeving gebonden geluidbronnen Ten behoeve van een goede ruimtelijke onderbouwing en conform het ontheffingsbeleid van gemeente Rotterdam, is ook onderzoek gedaan op de invloed van andere relevante, maar niet­ wettelijke geluidbronnen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Voor deze locatie betreft dit het nestgeluid afkomstig van afgemeerde schepen in het havengebied. De maximale geluidbelasting is berekendop 49 dB(A), waarmee de geluidbelasting lager is dan de voorkeursgrenswaarde voor gezoneerde industrieterreinen. Gesteld wordt, dat de niet-wettelijke geluidbronnen niet leiden tot een onaanvaardbaar woonen leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.

Conclusie De geluidsbelasting vanwege de Schiedamseweg (wegverkeer en tramverkeer) overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat het treffen van geluidsreducerende maatregelen vanuit financieel, stedenbouwkundig en/of akoestisch oogpunt niet redelijk, wenselijk dan wel onvoldoende effectief is. Vandaar dat een ontheffing van de Wet geluidhinder noodzakelijk is. Omdat in de bouwregels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat voldaan moet worden aan het hogere waardenbesluit, zijn de eventueel hierin opgenomen voorwaarden juridisch geborgd. Tot slot wordt opgemerkt dat het voornemen door de interne werkgroep 'Nestgeluid' is getoetst, maar dat nader onderzoek naar dat aspect niet noodzakelijk is bevonden. Daarmee staat het aspect 'geluid' de realisatie van de beoogde uitbreiding van de school niet in de weg.

- 28 -

4.4

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3^! van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het plangebied is een uitbreiding van een schoolgebouw voorzien. De verkeersaantrekkende werking van deze ontwikkeling is vele malen lager dan de verkeersaantrekkende werking van een woonwijk bestaande uit 1.500 wooneenheden. Vandaar dat de voorgenomen ontwikkeling als niet in betekenende mate wordt beschouwd. Omdat het schoolgebouw op gepaste afstand ligt van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2-contouren van deze wegen niet over het projectgebied. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Rotterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2020) ter hoogte het dichtstbijzijnde rekenpunt (hoek Schiedamseweg - Korfmakersstraat) lager is dan 35 ^g/m3. Dit geldt ook voor de PMi0-concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het plan voldoet tevens aan de gemeentelijke beleidslijn luchtkwaliteit bij scholen en kinderdagverblijven (Buitenklimaat), omdat de Schiedamseweg vanwege het aantal motorvoertuigen (max 8.092 per etmaal) niet wordt aangemerkt als drukke stadsweg.

4.5

Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-Vjaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo'n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 10At letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen

Ontwerpbestemmingsplan Nicolaasschool - Toelichting

- 29 -

geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. In de omgeving van het plangebied zijn enkele risicobronnen gelegen. Het betreffen hier zowel stationaire bronnen als transportroutes van gevaarlijke stoffen.

Stationaire bronnen Ten westen van de wijk Bospolder ligt het Merwe- en Vierhavensgebied. In dit havengebied staan diverse risicobronnen, zoals de koel- en vrieshuizen van Hiwa en Continental Juice aan de IJsselhaven. Voor deze bedrijven gelden 10-6 plaatsgebonden risicocontouren vanwege de aanwezige ammoniak koelinstallaties (Regeling externe veiligheid inrichtingen). Gezien de afstand tot het plangebied vormen deze 10-6 plaatsgebonden risicocontouren geen belemmeringen. Op grond van de Regeling externe veiligheid inrichten kennen deze risicobronnen geen groepsrisico's. Ook de 10-6 plaatsgebonden risicocontouren en groepsrisicogebieden van andere risicovolle bedrijven in dit havengebied liggen op ruime afstand van het plangebied. De risicocontouren vormen dus geen beperking voor de beoogde ontwikkeling.

Transport gevaarlijke stoffen Over de Nieuwe Maas worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. In het Basisnet Water is deze watergang aangemerkt als 'binnenvaartverbinding chemische clusters & achterlandverbindingen met toetsafstand' (zwarte vaarweg). De 10-6 plaatsgebonden risicocontour ligt daarbij tot op de waterlijn. Tevens is sprake van een plasbrandaandachtsgebied, dat zich vanaf de waterlijn 25 meter landinwaarts uitstrekt. Aangezien de kleinste afstand tussen de Nieuwe Maas en het plangebied zo'n 950 meter bedraagt, vormen deze contouren geen belemmering. De herontwikkeling van het plangebied leidt naar verwachting niet tot een groepsrisico dat de oriëntatiewaarde overschrijdt. In de huidige situatie is namelijk al sprake van een hoge populatiedichtheid en een zeer laag groepsrisico (factor 2.000 lager dan de oriëntatiewaarde). Ook de Delflandse Schie maakt onderdeel uit van een transportroute over water. Deze route is in het Basisnet Water aangemerkt als 'binnenvaartcorridor zonder toetsafstand' (groene vaarweg). Dit zijn routes van binnenvaart zonder frequent vervoer, waarbij geen sprake is van een 10-6 plaatsgebonden risicocontour en een plasbrandaandachtsgebied. Het uitvoeren van een groepsrisicoberekening is volgens het Basisnet niet noodzakelijk, omdat nauwelijks merkbare verschillen optreden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=a8480592-19fc-4a39-9b45-31aa1a614f15