CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb003610] Bijlage behorende bij 22bb3609 over Onderzoeksrapport Rotterdamse aanpak radicalisering, extremisme en polarisatie

Commissie Bestuur, Organisatie, Financiën en Veiligheid (2022 - 2026) 15 september 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken17.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het is met andere woorden hun sociale positie die ervoor zorgt dat zij kunnen voorzien in aanvullende informatie, signalen kunnen helpen duiden én dat ze ook impact hebben binnen die achterban om de radicalisering of polarisering te stoppen. Het gaat daarbij doorgaans over sleutelpersonen in heel specifieke niches in de samenleving waarbij men het gevaar voor conflict, radicalisering of polarisering hoger inschat. Heel vaak is deze aanpak gericht op minderheden in de stad. Kortom, het is het radicaliseringdiscours dat richting geeft aan het netwerk dat opgebouwd is. Het netwerk van sleutelpersonen als informatievergaringsnetwerk Die veiligheidslogica heeft een fundamenteel effect op de concrete Rotterdamse praktijk van de inzet van het sleutelpersonennetwerk. Ondanks de genoemde sociale doelstellingen laat de praktijk zien dat de informatievergaring een belangrijk deel uitmaakt van de functie van het netwerk. Deze sleutelpersonen zijn, zoals de gemeente dit noemt, de ‘ogen en oren’ in de stad. Die metafoor dook in de gesprekken met het team meermaals op en is dus toevallig noch triviaal. Metaforen sturen het denken en de praktijk. Deze metafoor onderstreept hier het belang van informatie voor het team en niet verwonderlijk wordt de methodiek in belangrijke mate gedacht en geëvalueerd in termen van informatie-inwinning.

Van sleutelpersonen wordt verwacht dat zij ongeveer vier contactmomenten per jaar in een 23

gesprek van ongeveer een uur praten over de stand van zaken van de “temperatuur” in de stad. Denk hierbij aan het delen van signalen van polarisatie of maatschappelijke spanningen, of het uiten van zorgen over de situatie van jongeren in een bepaalde wijk. Samen wordt dan gekeken wat de beste aanpak is voor de situatie: ‘wat kunnen we samen doen? Wat kunnen we op korte termijn en wat op de lange termijn organiseren en hoe gaan we van ongewenste naar gewenste situatie in de stad?’13 Sleutelpersonen geven niet alleen uit zichzelf signalen door, maar worden ook door teamleden ‘uitgevraagd’ 14 op specifieke onderwerpen. Het team vraagt sleutelpersonen dan te peilen wat er binnen de eigen gemeenschap leeft opdat de gemeente eventuele oplopende spanningen snel kan signaleren en depolariserend kan optreden. Dit uitvragen gebeurt o.a. bij plotselinge internationale, landelijke of lokale gebeurtenissen. Met de informatie die zij verstrekken wordt ‘de temperatuur in de stad’ gemeten wat betreft eventuele spanningen en polarisatie tussen groepen. Het instrument betreft dus een uitvraag bij sleutelpersonen om snel informatie op te halen en spanningen nader te kunnen duiden. Ook zijn maatschappelijke partners, zoals het Jongerenwerk op Zuid, periodieke verslagen gaan opstellen, over met name online signalen, trends van polarisatie, en spanningen.

Deze informatie wordt verwerkt in quick scans die naar de burgemeester worden gestuurd ter informatie. Het is in die dialectiek tussen concrete dreigingen of risico’s, de behoefte aan informatie, de druk op de politiek en de ‘efficiëntie’ van het sleutelpersonennetwerk dat de commissie ziet hoe het sleutelpersonennetwerk de facto fungeert als een informatievergaringsnetwerk van de gemeente. Een voorbeeld hiervan is het peilen van de reactie binnen Rotterdamse gemeenschappen op de gewelddadige dood van IS-leider Al-Baghdadi. Die peiling vond plaats op grond van een verzoek van de burgemeester om informatie. Ook bij de oplopende spanningen tussen Turken en Koerden in oktober 2019 in Rotterdam na aanvallen van Turkije op Koerden in Noordoost Syrië werden sleutelpersonen ‘uitgevraagd’. Toen de spanningen uitliepen op een demonstratie van jonge Koerden en een gelijktijdige tegendemonstratie van Turkse jongeren (uitlopend op gebruik van geweld en 24 aanhoudingen door de politie), vroeg het team een sleutelpersoon om een interveniërende rol te spelen door aanwezig te zijn tijdens de demonstratie en jongeren uit eigen kring tot kalmte te manen en zo te pogen het conflict te de-escaleren. De sleutelpersonen fungeren dus enerzijds als bronnen van informatie, anderzijds komen zij zelf in actie om de polarisatie in de stad te helpen tegengaan.

Een ideale sleutelpersoon is daarom niet alleen goed ingevoerd in de lokale context maar heeft ook oog voor bedreigingen voor de sociale stabiliteit en weet wat daaraan te doen. Naast het ophalen van informatie uit hun omgeving, kunnen sleutelpersonen ook informatie aan hun omgeving aanbieden. Zij zijn hiervoor geschikt omdat zij ook wel beschreven worden als “betrouwbare en geloofwaardige mensen binnen een gemeenschap met een grote achterban” (Gielen, 2015). Om deze taken te vervullen kunnen zij (media)training en ondersteuning krijgen. Hier wordt een van de angels van de methodiek zichtbaar: enerzijds moet de sleutelpersoon aanzien hebben om zijn achterban te beïnvloeden, anderzijds ondermijnt hij mogelijk dat aanzien en vertrouwen door de facto te functioneren als verstrekker van informatie ten 13 Informatiemap sleutelpersonennetwerk Gemeente Rotterdam 14

De term ‘uitvragen’ komt uit de notitie van het team over de methodiek van de quick scan.

24

behoeve van openbare orde aangelegenheden. Er is in de praktijk dus sprake van een ambigu tweerichtingsverkeer: enerzijds geven de sleutelpersonen uit eigen beweging signalen door over hetgeen in hun gemeenschap speelt; anderzijds worden ze ook door het team ‘uitgevraagd’ op specifieke onderwerpen en worden ze verondersteld ook activiteiten te ondernemen om polarisatie tegen te gaan. Merk op dat in beide richtingen informatievergaring de basis is en dat deze informatie past binnen de logica van antiradicalisering en veiligheid. Het is op basis van informatie-inwinning dat uiteindelijk ook ingegrepen wordt. Het bij aanvang 60 personen tellende netwerk is nu uitgebreid tot een netwerk van 200 personen. Door het netwerk van sleutelpersonen gestaag uit te breiden, heeft de gemeente een eigen informatievergaringsystem opgebouwd. Informatievergaring, normaliteit en het sleutelpersonennetwerk Dit sleutelpersonennetwerk werd en wordt grotendeels verantwoord in een ‘sociaal’ discours. Het netwerk was er om van onderaf en dus ook zelfstandig zaken te signaleren. Die logica is zoals hierboven aangegeven – onder het mom van veiligheid en media-aandacht – steeds meer zoekgeraakt. Het sleutelpersonennetwerk fungeert nu meer en meer vanuit een veiligheidslogica en vanuit een top-down benadering.

Een aantal andere gemeenten heeft mede hierom hun sleutelpersonenaanpak verlaten of doorontwikkeld. Ook in Rotterdam heeft de praktijk een hele ontwikkeling doorgemaakt. De reden lag net bij die informatie vergarende rol: ‘In Rotterdam waren er eerst vertrouwenspersonen. Die zijn afgeschaft, omdat het team niet als meldlijn wilde fungeren. Het zijn nu niet meer individuen die onder de aandacht staan bij het netwerk. De sleutelpersonen geven signalen door over groepen. (interview) Deze wijziging is toe te juichen, immers de focus op groepen sluit aan bij de doelstelling van het netwerk, namelijk het versterken van de eigen gemeenschappen. In de gesprekken die de commissie met de leden van het team risicogroepen voerde, bleek de praktijk echter weerbarstiger. Zo gaf het team aan dat er soms wordt afgeweken van de notie sleutelpersonen niet te gebruiken als verstrekker van informatie ten behoeve van openbare orde aangelegenheden, zeker als de vraag om informatie afkomstig is van het stadhuis en kennelijk als urgent en belangrijk wordt beoordeeld. Bij de bespreking van dit thema heeft de commissie aangegeven dat hier mogelijk de rechtmatigheid in het geding was. De leden van het team stonden open voor deze feedback en realiseerden zich dat zij in de dagelijkse praktijk deze invalshoek te weinig in beschouwing nemen.

De commissie wijst erop dat ook de leiding van de directie Veiligheid hier een verantwoordelijkheid heeft. Rechtmatigheidsvragen behoren deel uit te maken van het proces van handelen van het team. Ook wijst de commissie erop dat er geen structurele validering wordt toegepast op de informatie van de sleutelpersonen. In een eerdere externe evaluatie van de actielijn ‘Tegengaan polarisatie en voorkomen van maatschappelijke spanningen’ van de gemeente Rotterdam, werd het sleutelpersonennetwerk geprezen. Niet alleen stelt de scan dat de gemeente beschikt over ‘een kwalitatief goed netwerk van sleutelfiguren’, ze prijst ook het feit dat de gemeente via die sleutelpersonen bij incidenten kan beschikken over quick scans, die onder meer worden 25

gebaseerd op informatie uit het sleutelpersonennetwerk, want ‘Zo konden signalen tijdig aan de driehoek worden doorgegeven en kon als gevolg daarvan op spanningen en demonstraties geanticipeerd worden.’ Die capaciteit tot snelle informatievergaring wordt dus gezien als aanwijzing voor de kracht van dit netwerk. Die beoordeling wordt breed gedeeld, ook door het team en gezien de vragen die uit de gemeente komen ook op andere schaalniveaus. Nergens kon de commissie vaststellen dat de huidige invulling van het sleutelpersonennetwerk wordt geproblematiseerd. Deze appreciatieve beoordeling van de aanpak door het team, de politiek en de NCTV is vanuit een praktisch oogpunt niet verrassend. De inzet van sleutelpersonen kan vanuit beleidsperspectief gezien worden als een manier om beleidsdoelen te bereiken, en in deze zin kan de sleutelpersoon begrepen worden als een instrument om situaties te verbeteren, problemen te verminderen of op te lossen (Bekker, 2018). Het is erkend dat de methodiek het mogelijk maakt om informeel contact te zoeken en te leggen met individuele bewoners in de wijken van de stad, zonder meteen in een professionele hulpverleningssetting terecht te komen. Een sleutelpersonenaanpak is een bewezen manier om succesvol contacten te leggen en verbindingen aan te gaan (Bolhaar in Dinia & Renzenbrink, 2017, p.7).

Maar de sleutelpersonenaanpak wordt hier gebruikt in een veiligheids-en informatieinwinningslogica. Het is dus niet de methodiek zelf die problematisch is, maar de instrumentalisering ervan. De commissie ziet door de praktijken en discoursen van het team, maar ook van de politiek, academici en de NCTV dat een normaliteit is ontstaan waarin informatievergaring door middel van een sleutelpersonennetwerk ten dienste van de gemeente gezien wordt als een goede en efficiënte praktijk binnen een antiradicaliseringbeleid. Die normaliteit is niet zonder problemen, in tegendeel. Ze normaliseert naar de mening van de commissie een ongewenste praktijk. Ondanks de intuïtieve kracht die uitgaat van het betrekken van burgers om maatschappelijke spanningen tegen te gaan, en de positieve evaluatie van dergelijke praktijken door bepaalde onderzoekers, komt uit het schaarse beschikbare onderzoek naar voren dat de term sleutelpersonen een beladen begrip is en dat de instrumentele inzet ervan niet zonder problemen aangewend kan worden (Bekker, 2018).

2.3.2. Casus 2: De rol van de gemeente in het casusoverleg Voor de persoonsgerichte aanpak van radicalisering en terrorisme is binnen het Zorg- en Veiligheidshuis Regio Rijnmond een casusoverleg ingericht. Rotterdam en omliggende gemeenten maken hiermee deel uit van de 70% van alle gemeente in Nederland die een lokaal casusoverleg hebben georganiseerd.15 Deelnemende partijen zijn behalve de gemeente Rotterdam, de politie, het OM, de NCTV, de reclassering en de Raad voor de kinderbescherming, zo nodig aangevuld met de ggz, de AIVD en andere instellingen. De gemeente vervult voor het overleg de regiefunctie, te weten het afstemmen van maatregelen ten aanzien van een persoon van wie mogelijk een dreiging uitgaat. Daartoe zorgt de gemeente ervoor dat overleg tussen de deelnemende partijen kan plaatsvinden en monitort zij de voortgang. Naast de regiefunctie geeft de gemeente vanuit haar Meld- en Adviespunt Radicalisering (MAR) meldingen door van (mogelijke) radicalisering aan het 15

Inspectierapport evaluatie actieprogramma jihadisme, Kamerstukken II 2016/2017, 29754, nr.432, bijlage.

26

casusoverleg. Dit MAR is onderdeel van het team Risicogroepen en het zijn de medewerkers van het MAR die ook belast zijn met het vervullen van de regiefunctie in het casusoverleg. Binnen het casusoverleg vindt het overleg in twee stappen plaats. Eerst wordt een melding besproken in de zgn. weegploeg, bestaande uit gemeente, politie en OM (de Driehoekpartners). Indien er voldoende informatie over de betreffende persoon beschikbaar is en de melding voldoende serieus wordt bevonden, gaat deze door naar het casusoverleg. De samenwerking tussen de instanties in het overleg is vastgelegd in een Samenwerkingsconvenant, waarvoor de NCTV een model heeft opgesteld voor alle Zorg- en Veiligheidshuizen. Tot op heden ontbreekt een wettelijke basis voor de regierol van de gemeente in het overleg. Daarom is een wetsvoorstel ‘Persoonsgerichte aanpak en meldingen over radicalisering en terroristische activiteiten’ in voorbereiding.16 Dit betekent dat de activiteiten van de gemeente nu zonder toereikende juridische grondslag worden uitgevoerd. Informatie-inwinning In de gesprekken tussen de leden van het team en de commissie en in de schriftelijke informatie van de gemeente valt het de commissie op dat de medewerkers van mening zijn dat de gemeente zélf informatie dient in te winnen ter bespreking in het casusoverleg.

Eigen informatie-inwinning over personen ten behoeve van de duiding van de dreiging in het casusoverleg speelt een belangrijke rol in de werkzaamheden van de medewerkers. Zij willen ‘zicht houden’ op personen en zelf actief eraan bijdragen ‘dat het plaatje compleet is’. De leden van het team spreken daartoe ook zelf met personen die mogelijk onderwerp van gesprek zijn in het casusoverleg. In de beschrijving van de ‘Aanpak radicalisering, extremisme en polarisatie 2018-2022’ is ook het belang terug te vinden dat de gemeente hecht aan de eigen informatiepositie.: ‘De professionals van het GER [Gemeentelijk Expertpool Radicalisering] zijn in staat gebleken intensief contact te bereiken met casussen en families. Dit is waardevol gebleken voor de duiding van het radicaliseringsproces, het voorkomen van verdere radicalisering en voor de informatiepositie van de gemeente.’ (Aanpak, pag. 5) Voor de informatie-inwinning door de gemeente heeft de commissie geen juridische basis kunnen vinden in de kaderstellende documenten op basis waarvan het casusoverleg wordt gevoerd.

Zo wordt in het convenant ‘Persoonsgerichte aanpak voorkoming radicalisering en extremisme’ alleen gesproken over informatiedeling en afstemming: ‘Vanuit hun eigen rol en gelet op hun eigen taak en verantwoordelijkheden, dragen deze organisaties [participanten in het casusoverleg] bij aan de verdediging en versterking van de democratische rechtsorde (…) De deelnemende partijen wisselen waar nodig en mogelijk informatie uit, schatten het risico in dat van een persoon uitgaat en stellen aan de hand daarvan een persoonsgericht pakket met effectieve maatregelen samen.’ (Convenant, pag. 3)

16

De internetconsultatie van het voorstel is op 9 april 2020 afgerond.

27

Wetsvoorstel Persoonsgerichte aanpak Ook in het eerdergenoemde wetsvoorstel is geen bevoegdheid opgenomen voor de gemeente om (in de toekomst) ten behoeve van het casusoverleg informatie in te winnen. Het wetsvoorstel voorziet in het creëren van een rechtmatige grond voor participanten om informatie te verwerken en te delen, maar niet om in te winnen. Daarbij wordt vermeld dat er geen beslissingen worden genomen over bevoegdheden van partijen. Met andere woorden, het casusoverleg kan niet dicteren dat partijen overgaan tot een verbreding van hun bevoegdheden, of activiteiten ontplooien die buiten hun bevoegdheid vallen: ‘Er worden geen beslissingen door het casusoverleg als geheel genomen over de aanpak van personen of de aanwending van bevoegdheden door deelnemende partijen. Die bevoegdheid berust immers telkens exclusief bij één van de deelnemers. Het casusoverleg strekt uitsluitend tot afstemming.’ Over gemeenten stelt het wetsvoorstel expliciet dat ze een regiefunctie vervullen: ‘Van gemeenten wordt verwacht dat zij in dit verband als een ‘spin in het web’ optreden, omdat het nodig en gewenst is dat gemeenten partijen bijeenbrengen, die ieder voor zich slechts een deelverantwoordelijkheid hebben bij de persoonsgerichte, integrale aanpak.’ (….) ‘Het gaat enkel om een faciliterende rol.

Het college wordt in feite gevraagd het casusoverleg in stand te houden.’(Memorie van Toelichting) Ook voor meldingen bij het MAR zien we in de Memorie van Toelichting dat aan de gemeente geen bevoegdheden wordt toegekend om meer informatie in te winnen: ‘Indien een melding nog geen direct handelen rechtvaardigt, maar wel om nader onderzoek vraagt, is het aan de instantie waar de melding aan wordt doorgezonden (bijvoorbeeld de politie) om die afweging te maken. De onderhavige regeling biedt het college zelf in die gevallen geen bevoegdheden.’ Het bovenstaande betekent dat in het casusoverleg niet alle partijen over dezelfde informatie beschikken en ook niet alle informatie kan worden gedeeld. Dit betekent dat op de casustafel sprake kan zijn van een incompleet beeld. Bij het verschil in informatiepositie tussen partijen is de informatiepositie van de gemeente doorgaans minder compleet dan die van andere partijen, zoals de politie en het OM, aangezien zij operationele onderzoeken (mogen) verrichten en de gemeente niet. Dit past overigens bij een partij die volgens de formele kaders de regierol vervult en dient te fungeren als partij die anderen bij elkaar brengt.

Het zijn andere partijen aanwezig in het casusoverleg, te weten opsporings- en inlichtingendiensten, bij wie de taak is belegd om ‘zicht te houden ’op personen van wie mogelijk een dreiging uitgaat en daartoe informatie in te winnen. Aan deze diensten zijn hiervoor bij wet bijzondere bevoegdheden toegekend en deze zijn voorzien van een strikt verantwoordingskader. Dit alles overziend, is de commissie van mening dat de gemeente de grenzen van haar taken en verantwoordelijkheden overschrijdt door zelf actief informatie over personen in te winnen. De commissie zet ook vraagtekens bij de rechtmatigheid van deze informatieinwinning. 28

Transparantie Een ander aspect dat de commissie onder de aandacht wil brengen bij de informatieinwinning, is de plicht van de gemeente tot transparantie in haar handelen naar haar burgers.17 In de gesprekken met de commissie gaven teamleden aan dat zij zelf gesprekken voeren met personen die in het casusoverleg worden besproken. Teamleden doen dit om na te gaan op welke terreinen de gemeente zorg en ondersteuning kan bieden en mede hierdoor verdere radicalisering kan tegengaan. Aan de persoon in kwestie wordt echter niet altijd medegedeeld dat de informatie die hij of zij verstrekt mogelijk in het casusoverleg gebruikt wordt. De gemeente geeft aan niet altijd kenbaar te kunnen maken aan betrokkene dat hij of zij in het casusoverleg wordt besproken. Hierover transparant zijn kan volgens de gemeentemedewerkers pas nadat betrokkene op de hoogte is gesteld via een zgn. notificatie. Maar deze notificatie kan alleen plaatsvinden na toestemming van politie en OM, toestemming die zij alleen verlenen indien het hun onderzoek naar betrokkene niet doorkruist. Zonder notificatie winnen teamleden desondanks informatie in. De betreffende informatie kan via het casusoverleg in politie- en inlichtingendossiers terecht komen. De betrokkene die de informatie zelf verstrekt, kan zichzelf daarmee schaden zonder dat hij of zij daarvan op de hoogte is gesteld.

De problematiek rondom transparantie zien we ook terug in een interne notitie van de gemeente (2019): ‘Van de 36 casussen zijn er bij 10 subjecten één of meerdere gesprekken geweest waarin vragen zijn gesteld die een beeld kunnen geven met betrekking tot de duiding van de mate van radicalisering of extremisme. (…) Omdat de gemeente in geen enkel geval de subjecten heeft genotificeerd blijken dergelijke gesprekken vaak ingewikkeld omdat de gemeente niet voldoende transparant kan zijn. [Voetnoot:] Men wil de subjecten hulp aanbieden en tegelijkertijd duiden. Een subject mag niet achterdochtig worden over het doel van het gesprek en dus kan er niet altijd goed worden doorgevraagd’. Teamleden geven aan dat de gemeente zich inmiddels naar de politie en het OM sterker maakt voor het notificeren en dit inmiddels vaker plaatsvindt. In die gevallen kunnen teamleden transparant zijn omdat de personen in kwestie op de hoogte zijn gebracht van het feit dat zij onderwerp van overleg zijn. De commissie constateert echter dat het team weinig oog heeft voor het belang van transparantie in alle gevallen en de rechtmatigheidsvraag die hierachter ligt. Zelfs in geval van notificatie dringt zich het beeld op dat het team notificatie ook ziet als middel om achter de voordeur te komen om informatie in te winnen.

De commissie wijst erop dat door gebrek aan transparantie het sociaal-maatschappelijke domein en het veiligheidsdomein oneigenlijk door elkaar heenlopen. Soms gaan leden van het team in gesprek vanuit hun sociaal-maatschappelijke verantwoordelijkheid en doen dan onbedoeld ook veiligheidsrelevante informatie op die zij gebruiken ter duiding van een potentiële dreiging, ook aan de casustafel. Maar het gebeurt ook dat deze sociaalmaatschappelijke titel als voorwendsel wordt gebruikt om bij iemand binnen te komen teneinde informatie voor veiligheidsdoeleinden te vergaren. De commissie heeft in het gesprek waar dit gebruik van een voorwendsel aan de orde kwam, haar afkeuren hierover 17

Zie hoofdstuk 1, par. 1.3 voor de toelichting.

29

uitgesproken. In de discussie heeft de commissie er op gewezen dat ‘verveiliging’ dan aan de orde is en teamleden het vertrouwen verspelen dat hun op basis van hun zorg- en ondersteunende taak wordt toegekend. Bovendien is dan de rechtmatigheid ernstig in het geding. Het team heeft laten weten dat het de gewraakte methode niet meer toepast vanaf medio 2020 toen afspraken zijn gemaakt over de werkwijze notificatie. Informatiedeling Inzake het delen van informatie in het casusoverleg gaf het team aan zich weliswaar te realiseren dat de wettelijke grondslag voor de persoonsgerichte aanpak ontbreekt, maar hier een spagaat te ervaren: enerzijds heeft de rijksoverheid de verantwoordelijkheid voor de lokale aanpak van radicalisering en zijn - naar de mening van het team - ook interventies op de casuïstiek bij de gemeente belegd, maar anderzijds ontbreekt het de gemeente aan informatie om te interveniëren omdat politie en OM niet in alle gevallen informatie kunnen delen. Het team ervaart deze tegenstelling als onwerkbaar. Zoals eerder aangegeven, vervult de gemeente (i.c. de leden van het team Risicogroepen) de regiefunctie in het casusoverleg, niet meer en niet minder. Elke partij in dit overleg heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en zijn eigen werkkader; in dit overleg kunnen geen verantwoordelijkheden worden overgedragen, noch opdrachten worden gegeven.

De commissie wijst erop dat de gemeente aan het casusoverleg derhalve geen rechtmatige grondslag kan ontlenen voor het doen van eigen persoonsgerichte interventies. Personen en organisaties Uit een interne rapportage blijkt dat de gemeente via de persoonsgerichte aanpak ook bijhoudt met welke organisaties mensen die besproken worden in het casusoverleg, relaties onderhouden. Of van deze relaties een dreiging uitgaat, wordt niet vastgesteld, maar de organisaties worden wel als ‘hoog risico’ gelabeld. Het idee was dat het MAR deze organisaties verder zou onderzoeken om ‘contacten inzichtelijk te maken van deze Rotterdamse hoogrisico-organisaties’ met organisaties in andere steden. ‘Hier zou dan op G4-niveau mogelijk aandacht aan kunnen worden besteed’. Het team Risicogroepen heeft hier na intern beraad geen verdere stappen in gezet. De rechtmatige grondslag voor zo’n onderzoek naar deze organisaties zou ook zeer twijfelachtig zijn geweest. Ook andersom neemt het team initiatieven: via de informatie aanwezig over organisaties wil het informatie over personen boven tafel krijgen. MAR-medewerkers overleggen met hun collega’s binnen het team die over informatie over organisaties beschikken. MARmedewerkers constateren: ‘dat het MAR een knelpunt ervaart in ( de samenwerking) bij de aanpak van organisaties.

Informatie over organisaties lijkt nu vooral gebruikt te worden ter analyse en niet of nauwelijks om te beoordelen of er personen bij de organisaties betrokken zijn waar we via de

30

lokale PGA (persoonsgerichte aanpak) meer mee kunnen doen. Deze scheiding lijkt te strik te zijn.’18 De commissie meent dat de hiergenoemde ambitie niet past binnen de taak en verantwoordelijkheid van het team en ziet ook hier ‘verveiliging’ en het risico op onrechtmatig handelen optreden. Ethiek Een andere, ethische kwestie is dat de gemeente haar ambtenaren mogelijk blootstelt aan risicovolle situaties door hen zelf contact te laten zoeken met personen die worden besproken in het casusoverleg. Vanwege hun beperkte bevoegdheden tot het duiden van de dreiging beschikken deze ambtenaren niet over alle informatie om te kunnen inschatten of personen een fysieke dreiging kunnen vormen. Ook is onduidelijk of de betrokken medewerkers een passende opleiding en training hebben genoten. Nogmaals rechtmatigheid In de gesprekken met het team komt naar voren dat het MAR in tenminste één geval verder onderzoek heeft gedaan naar personen van wie eerder in het casusoverleg al is vastgesteld dat verder onderzoek niet meer proportioneel zou zijn. De commissie begrijpt de behoefte die ten grondslag ligt aan dit handelen, het team voelt immers de verantwoordelijkheid om dreiging te voorkomen en er op tijd bij te zijn. Echter, zodra de gemeente het onderzoek toch voortzet terwijl dit op grond van het casusoverleg al is afgesloten, vergroot zij het risico van onrechtmatig handelen.

De beslissing niet verder te onderzoeken is immers door de partijen in het casusoverleg beargumenteerd en vastgelegd. De commissie vindt de rechtmatigheid van het casusoverleg om principiële en pragmatische redenen cruciaal. Principieel: het overleg beoogt niet alleen directe dreigingen te voorkomen, maar ook de democratische rechtsorde te beschermen, waaronder individuele vrijheden, zoals het recht op privacy en het recht op een voorspelbare overheid. Daarnaast geldt dat de inbreng van de gemeente van mogelijk onrechtmatig verkregen informatie eventuele latere strafrechtelijke onderzoeken kan frustreren. De commissie maakt uit de gesprekken met teamleden en schriftelijke informatie op dat bij hen onvoldoende kennis aanwezig is van de wettelijke kaders en de rechtmatigheidsprincipes van wat wel en niet tot de verantwoordelijkheden van de gemeente behoort. In gesprek met de commissie gaf het team aan dat in de dagelijkse praktijk weinig aandacht en tijd is ingeruimd om te reflecteren op de rechtmatigheid en proportionaliteit van de eigen inzet, maar dit zeker zinvol te achten.

2.4. Effectiviteit Wetenschappers constateren met enige regelmaat dat over de effectiviteit en doelmatigheid (efficiëntie) van interventieprogramma’s gericht op het bestrijden van radicalisering en 18 Notulen Voorbereiding 2e MAR-sessie, 29-10-20, pag. 1. Afgesproken wordt dat medewerkers belast met

organisaties overleg voeren met medewerkers van het MAR om te bespreken hoe zij elkaar kunnen versterken.

31

(gewelddadig) extremisme nog altijd te weinig kennis beschikbaar is. Ze worden zelden geëvalueerd volgens de minimale (wetenschappelijke) kwaliteitstandaarden (Lub 2013; Köhler 2017b; Ministry of the Interior, Baden-Württemberg 2018; RAND Europe 2018). De (wetenschappelijke) kennis en aanbevelingen op dit gebied die wel voorhanden zijn, bereiken de professionals in het veld slechts sporadisch en worden onvoldoende systematisch benut in de uitvoering van programma’s en projecten (Köhler 2017b). Het valt dan ook te prijzen dat de gemeente Rotterdam in 2017 een tussentijdse scan heeft laten uitvoeren van de Rotterdamse Aanpak voor de periode 2015-2018 om zich extern te laten adviseren over de vraag: doen we de goede dingen en doen we ze goed?’ . De conclusie van deze scan was dat de gemeente met de vier gekozen programmalijnen goed heeft aangesloten bij wat zowel nationaal als internationaal als goede praktijken werd beschouwd. Ook werd geconstateerd dat binnen die gekozen aanpak veel zaken goed gaan, maar er uiteraard ook genoeg ruimte voor verbetering is. De meeste aanbevelingen uit de tussentijdse scan heeft de commissie teruggezien in de Rotterdamse Aanpak voor de periode 2018-2022. Dit onderstreept opnieuw dat de medewerkers van het team Risicogroepen bereid zijn tot kritische reflectie en tussentijdse aanpassing van de gekozen trajecten.

Toch vraagt de commissie aandacht binnen de directie Veiligheid voor kritische reflectie op basis van wetenschappelijke en toegepaste kennis en evaluatie.

32

3. Conclusies en aanbevelingen 3.1 Conclusies De commissie is dit onderzoeksrapport gestart met haar visie op radicalisering en het kader waarbinnen een anti-radicaliseringsbeleid volgens haar vorm kan krijgen. Zij heeft betoogd dat radicalisering een dialogisch proces is waarin vele actoren een rol spelen en zowel de lokale, nationale als de internationale context van invloed zijn op dit proces. Daarbij heeft ze aangegeven dat een goed antiradicaliseringsbeleid idealiter slechts een onderdeel is van een bredere aanpak gericht op het bouwen van een stad waar het voor iedereen goed leven is. De veiligheidsbril is daarbij niet de dominante lens, maar slechts een van de perspectieven van waaruit het beleid tot stand zou moeten komen. De commissie merkt hierbij ook op dat het succes van het lokale beleid mede wordt beïnvloed door bovenlokale, Europese en zelfs mondiale ontwikkelingen. Betrokken instituties – zoals politie, gemeente, inlichtingendiensten, etc. – hebben hierbij een eigen te respecteren rol en verantwoordelijkheid. De commissie heeft hieraan toegevoegd dat de beleidsontwikkeling en - uitvoering plaatsvinden binnen de gemeentelijke taak om de democratische rechtsstaat te beschermen. Dit vereist dat de gemeente de beginselen van rechtmatigheid, proportionaliteit en transparantie bij het uitvoeren van interventies zelf ook in acht neemt.

Tegelijkertijd realiseert de commissie zich dat in toenemende mate gemeenten verantwoordelijk worden gehouden voor het kennen van hun inwoners, inclusief het gedrag van individuen daarbinnen. De ambitie die verantwoordelijkheid ten volle waar te maken wordt niet gesteund door aanvullende, passende juridische mogelijkheden. Het is dan ook de vraag in welke mate die ambitie reëel is, en anderen zoals politie, openbaar ministerie en de AIVD een (grotere) rol hebben te vervullen. Dit vraagt overleg tussen de hoofdrolspelers lokaal en nationaal- bij het zoeken van mogelijke oplossingen en het wellicht ook erkennen van de grenzen ervan. De Rotterdamse Aanpak Binnen de gemeente Rotterdam ziet de commissie een team aan het werk met een sterk engagement, een leergierige en open houding en beschikkend over een groot netwerk. Teamleden geven met daadkracht uitvoering aan de ‘Aanpak radicalisering, extremisme en polarisatie 2018-2022’ die is ingebed in het bredere veiligheidsbeleid, zoals neergelegd in de nota Veilig@Rotterdam 2018-2023. Het valt de commissie op dat de missie van het team in de Aanpak erg ruim geformuleerd is. Het team neemt de opdracht aan om (potentieel) gewelddadig gedrag, dat ideologisch gedreven is, tegen te gaan om zo ontwrichting van de samenleving en bedreiging van de democratische rechtsorde en ook polarisatie tegen te gaan.

Hiermee neemt het team een verantwoordelijkheid op zich die de eigen invloedssfeer overstijgt. Het accepteren van die rol is mogelijk het gevolg van de ambities van het team, maar deze past uiteraard in een beleid dat vorm gegeven wordt op verschillende niveaus, van het lokale tot het nationale. Het team zelf is dus zeker niet de enige speler in dit beleid en het zou dus fair noch realistisch zijn de verantwoordelijkheid voor dit beleid louter bij het team te leggen. 33

Bij het onderzoek naar de uitvoering van de Aanpak heeft de commissie zich gefocust op (1) het netwerk van sleutelpersonen binnen de actielijn ‘Depolarisatie en verminderen van spanningen en (2) de rol van de gemeente in het casusoverleg binnen de actielijn ‘Disengagement en deradicalisering’. De commissie heeft geconstateerd dat in de alledaagse praktijk van het team Risicogroepen de veiligheidsagenda en de zoektocht naar informatie veelvuldig de overhand hebben en de sociaal-maatschappelijke agenda overvleugelen. De commissieleden geven hier mee aan dat de praktijken van het team passen binnen een gelaagde realiteit die door veel meer spelers gevormd wordt dan enkel het team. Deze vormen een maatschappelijke fenomeen en vinden ingang in het brede denken over veiligheid. Ze worden uitgedragen door verschillende actoren in de samenleving, van de media, de NCTV tot en met de gemeentelijke en nationale politiek. Deze toenemende dominantie van veiligheid (‘verveiliging’) brengt ongewenste effecten mee. Ten eerste ligt verlies van vertrouwen van burgers in de overheid op de loer, omdat zij vooral als veiligheidsrisico lijken te worden gezien, in plaats van als bewoners die op positieve wijze mee (kunnen) bouwen aan een bloeiende stad. Ten tweede brengt dit het risico van onrechtmatig handelen door de gemeente met zich mee.

In de zoektocht naar informatie loopt de gemeente zelf het risico om wettelijke grenzen te overschrijden, zo constateert de commissie. Het is de commissie opgevallen dat het team onvoldoende bekend is en zich bewust is van het belang van de rechtmatigheidsvragen die bij de interventies van het team spelen. Dit geldt zowel bij het casusoverleg als bij het sleutelpersonennetwerk. De commissie zet vraagtekens bij de rechtmatigheid van de informatie-inwinning in het kader van het sleutelpersonennetwerk en informatie-inwinning over personen en organisaties door het team ten behoeve van het casusoverleg. Bovendien vindt de commissie dat deze inwinning niet binnen de taak van de gemeente past. De gemeente heeft in het casusoverleg tot taak de regiefunctie te vervullen, te weten het zorgdragen voor afstemming tussen partijen die deelnemen aan het overleg. De gemeente lijkt inmiddels het inwinnen van informatie om ‘het dreigingsplaatje compleet te krijgen’ ook als taak te zien, ten onrechte, zo meent de commissie. Het team beantwoordt aan vragen van ‘bovenaf‘ (denk aan de vraag naar informatie-inwinning vanuit de politiek) of continueert gangbare en aanbevolen praktijken die door andere actoren zijn aangedragen.

Een andere, ethische kwestie is dat de gemeente haar ambtenaren mogelijk blootstelt aan risicovolle situaties door hen zelf contact te laten zoeken met personen die worden besproken in het casusoverleg. Vanwege het ontbreken van training en het ontbreken van bijzondere bevoegdheden, zijn deze ambtenaren niet toegerust om dreigingen te onderkennen en zich daartegen te verdedigen. Bij de casus netwerk van sleutelpersonen signaleert de commissie een steeds verder gaande verschuiving vanuit het team naar gericht informatie opvragen. Hiermee worden sleutelpersonen meer en meer als verstrekker van informatie ten behoeve van openbare orde aangelegenheden gebruikt, wat niet rechtmatig is. De commissie wijst op het risico dat als gevolg daarvan mogelijk afbreuk wordt gedaan aan het vertrouwen in de sleutelpersonen binnen hun gemeenschap. Ook gaat de aandacht voor ‘uitvragen’ mogelijk ten koste van aandacht voor signalen die sleutelpersonen uit eigen beweging afgeven over wat er leeft binnen hun gemeenschap of omgeving. En daarmee laat de gemeente kansen liggen om via het netwerk het sociale kapitaal binnen Rotterdamse gemeenschappen te benutten voor de 34

uitdagingen waar de stad zich voor gesteld ziet. De commissie meent dat de gemeente er goed aan doet om de doelen van de aanpak niet louter te herformuleren, maar fundamenteel te herzien. De commissie adviseert om het netwerk te gebruiken binnen een langetermijnstrategie waarbinnen sleutelpersonen samenwerken aan het versterken van sociaal kapitaal en het positief bespreekbaar helpen maken van maatschappelijke vraagstukken. Sluipende uitbreiding taken en rollen Het is de commissie gebleken dat het politiek-bestuurlijke domein waarin de teamleden werken hectisch en gepolariseerd is. Ze ervaren druk vanuit de gemeenteraad om te voldoen aan de grote ambities om zowel radicalisering effectief tegen te gaan als de sociale cohesie te bevorderen. Deze druk leidt tot een sluipende uitbreiding van taken en rollen (mission creep), waarbij ook wettelijke grenzen kunnen worden overschreden. Dit speelt onder meer bij de ambitie van het team om steeds meer inlichtingen te verzamelen. Deze druk kan ook uitmonden in een toenemende kloof tussen de verwachtingen van raadsleden, professionals en burgers en de daadwerkelijke mogelijkheden van het team om de ambities te verwezenlijken. Hierdoor ligt afnemend vertrouwen in de (gemeentelijke) overheid op de loer.

En dat terwijl bekend is dat onderling vertrouwen tussen de betrokken spelers en in de gemeente voor de meeste lokale interventies een cruciale factor is voor de kansen op succes (RAN 2019).

3.2 Aanbevelingen De volgende aanbevelingen vloeien voort uit de conclusies die de commissie heeft getrokken uit haar onderzoek.

3.2.1 Rechtmatigheidstoets De bijzondere aard van het werk van het team Risicogroepen levert een spanningsveld op tussen maximaal innovatief willen zijn in het verminderen van dreiging en de wettelijke ruimte die de gemeente hiervoor heeft. De commissie is van mening dat het team zich onvoldoende bewust is en onvoldoende kennis heeft van rechtmatigheidsvragen die het werken in dit spanningsveld met zich meebrengen. Zij meent dat de medewerkers van het team soms buiten de wettelijke kaders treden waarbinnen de gemeente dient te opereren. Daarmee is de rechtmatigheid van hun handelen in het geding. Daarom beveelt de commissie aan: a. een rechtmatigheidstoets te laten uitvoeren op de activiteiten van het Team Risicogroepen door een externe partij; b. het kennisniveau te verhogen bij medewerkers over de juridische kaders waarbinnen zij dienen te handelen en de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke afbreukrisico’s als zij zich niet aan deze kaders houden. De commissie meent dat het bewaken van de rechtmatigheid in het werk van de teamleden niet alleen hen regardeert. Het is een taak van de directie Veiligheid hier toezicht op te houden en waar nodig bij te sturen. Ook voor de politiek-bestuurlijke leiding van de 35

gemeente behoort het in acht nemen van de rechtmatigheid in het werk van gemeente ambtenaren een aandachtsgebied te zijn. 3.2.2. Netwerk van sleutelpersonen De commissie beveelt aan de fundamentele keuze te maken om het netwerk van sleutelpersonen te benutten ter versterking van het sociale kapitaal van gemeenschappen en hiertoe te focussen op hetgeen sleutelpersonen uit eigen beweging doorgeven over wat er leeft binnen hun gemeenschap of buurt. Deze keuze impliceert dat het gebruiken van leden uit het netwerk sleutelpersonen voor opportunistische veiligheidsissues achterwege blijft. Ter ondersteuning van bovengenoemde keuze adviseert de commissie de werkzaamheden inzake het sleutelpersonennetwerk te verplaatsen van de directie Veiligheid naar een onderdeel van de gemeentelijke organisatie waarin de bovengenoemde sociaalmaatschappelijke doelstelling beter binnen het takenpakket past.

3.2.3. Rol gemeente in het casusoverleg De rol van de gemeente in het casusoverleg binnen het Zorg- en Veiligheidshuis Regio Rijnmond beperkt zich tot het voeren van de regie ervan. Dit is vastgelegd in een samenwerkingsconvenant. De noodzakelijke wettelijke basis ontbreekt nog immer; wel is er inmiddels een wetsvoorstel aanpak en meldingen over radicalisering en terroristische activiteiten beschikbaar. De afronding van dit voorstel laat op zich wachten. De commissie meent dat snelle voortgang geboden is bij het afronden van het wetsvoorstel om een wettelijke basis te hebben voor het belangrijke maar ook kwetsbare overleg. Ze adviseert de politiek-bestuurlijke leiding van de gemeente Rotterdam dit te agenderen in de daarvoor beschikbare gremia. De gemeente legt haar rol ten onrechte extensief uit: leden van het team risicogroepen doen zelf onderzoek naar personen die (mogelijk) in aanmerking komen om in het casusoverleg te worden besproken. Zij spreken daartoe ook met betrokkenen. De commissie adviseert deze onderzoeken niet langer uit te voeren.. Bij deze vorm van informatie-inwinning kan de rechtmatigheid ervan in het geding zijn. Bovendien is in het wetsvoorstel de positie van de gemeente beperkt tot de regierol.

3.2.4 Effectiviteit De gemeente Rotterdam heeft in 2017 een tussentijdse scan laten uitvoeren van de Rotterdamse Aanpak voor de periode 2015-2018). Tegelijkertijd heeft de commissie ook gezien dat de medewerkers relatief weinig tijd en ondersteuning is gegund voor kritische reflectie op basis van wetenschappelijke en toegepaste kennis en evaluatie. Daarom beveelt ze aan de verbinding tussen de betrokken medewerkers en professionals onderling en tussen beide groepen en de relevante nationale en internationale (wetenschappelijke) deskundigen systematischer te verankeren in de gemeentelijke Aanpak. Hiervoor schetst ze twee opties: 1. Benut de aanwezige kennisbronnen beter en doe dit gezamenlijk met andere gemeenten en de nationale overheid. 36

2. Ga aan de slag met een ‘Verandertheorie‘ om meer voortschrijdend inzicht te verwerven in de onderliggende vooronderstellingen omtrent de werking van interventies, hun impact op de samenleving, de eventuele spanningen tussen verschillende interventies en mogelijkheden tot synergie. Ad 1. Benut de aanwezige kennisbronnen beter Ten eerste kan de gemeente meer investeren in het actiever benutten van de kennisbronnen over veelbelovende en bewezen effectieve interventies die de laatste jaren beschikbaar worden gesteld. Voorbeelden zijn het periodiek herijken van programma’s en experimenten op basis van de lessen die worden ontsloten door het Radicalisation Awareness Network van de Europese Commissie (RAN 2018). Deze publicaties geven uiteraard geen vaste receptuur of blauwdruk over wat effectief is in welke specifieke context, maar ze bieden meestal wel inzicht in welke interventies meer of minder kans van slagen hebben en de minimale voorwaarden waaraan potentieel succesvolle interventies dienen te voldoen. Gezamenlijke aanpak nationale en lokale overheden De commissie is zich ervan bewust dat de direct bij de Aanpak betrokken medewerkers en de professionals in het veld veelal zelf over onvoldoende tijd, middelen en distantie beschikken voor kwalitatief hoogwaardig onderzoek naar de effectiviteit en relevantie van hun interventies.

De gemeente Rotterdam, andere gemeenten met een lokale aanpak en de nationale overheid kunnen echter wel gezamenlijk meer investeren in een betere benutting van de beschikbare lokale, nationale en internationale kennis in de ontwerpfase van het beleid en gedurende de uitvoering. Ook kunnen ze meer investeren in kwalitatief hoogwaardige evaluaties van de eigen inspanningen en het delen van de lessen van evaluaties. Ad 2. Ga aan de slag met een ‘Verandertheorie’ Het team opereert in een complex en dynamisch veld. Meer grip op de weerbarstige materie is mogelijk door het ontwerpen en periodiek actualiseren van een zgn. Verandertheorie voor het overkoepelende Rotterdamse beleid gericht tegen radicalisering, extremisme en polarisatie en de uiteenlopende onderliggende programma’s, projecten en interventies die vallen onder de Rotterdamse Aanpak.19 Dit helpt doelstellingen scherper te formuleren, aannames te expliciteren en toetsen en de keuze van interventies en hun impact op de samenleving te verbeteren. Hierdoor kunnen de teamleden en de andere betrokken spelers ook dilemma’s, spanningen en onbedoelde positieve en negatieve effecten van het beleid sneller op het spoor komen. Aan de slag gaan met deze theorie heeft bovendien als voordeel dat inzichtelijker wordt waar je als team (of directie) wel en niet ‘van bent’ (prioriteiten, invloedssfeer, capaciteiten etc.).

Daarmee kan ook duidelijker over de Aanpak worden gecommuniceerd naar de gemeenteraad, burgers en andere stakeholders.

19

Zie bijvoorbeeld: Centre for Research on Violence and Security Threats, Countering violent extremism II: a guide to good practice, https://crestresearch.ac.uk/download/2393/18-039-01.pdf

37

Bijlage 1 Instellingsbesluit Externe expertcommissie Rotterdamse aanpak radicalisering, polarisatie en extremisme Gemeenteblad 2019 Instellingsbesluit Externe expertcommissie Rotterdamse aanpak radicalisering, extremisme en polarisatie van de gemeente Rotterdam

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van directeur Veiligheid van 2 juli 2019; registratienummer 19bb17822; gelet op artikel 84 van de Gemeentewet; overwegende, dat het gewenst is een commissie op te richten die het college adviseert over de aanpak van radicalisering, extremisme en polarisatie; besluit vast te stellen: Instellingsbesluit Externe expertcommissie Rotterdamse aanpak radicalisering, extremisme en polarisatie Artikel 1 Algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam; commissie: commissie bedoeld in artikel 2, eerste lid. Artikel 2 Expertcommissie 1. Er is een Externe expertcommissie Rotterdamse aanpak radicalisering, extremisme en polarisatie. 2. De commissie heeft tot taak het college gevraagd en ongevraagd van aanbevelingen te voorzien ten aanzien van de Rotterdamse aanpak van radicalisering, extremisme en polarisatie. Artikel 3 Samenstelling en benoeming commissie 1. De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste zeven leden, de voorzitter daaronder begrepen. 2. In de commissie worden personen benoemd die deskundig zijn op het gebied van radicalisering, extremisme of polarisatie dan wel hieraan verwante thematiek. De leden worden op persoonlijke titel benoemd. 38

3. De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door het college benoemd voor een door het college vast te stellen termijn. Herbenoeming is mogelijk. 4. De voorzitter en de andere leden kunnen door het college worden geschorst of ontslagen. 5. Het lidmaatschap van de commissie eindigt op eigen verzoek van het lid, door het verstrijken van de benoemingsperiode of door overlijden. 6. De commissie benoemt uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter. Artikel 4 Incompatibiliteiten Het lidmaatschap van de commissie is niet verenigbaar met: a. lidmaatschap van een gebiedscommissie, wijkraad of wijkcomité als bedoeld in de Verordening op de gebiedscommissies 2014; b. een dienstbetrekking bij de gemeente Rotterdam. Artikel 5 Taken voorzitter 1. Tot de taken van de voorzitter behoren in ieder geval: a. het zorgdragen voor het naar behoren functioneren van de commissie; b. het vaststellen van de agenda, in overleg met de secretaris; c. het leiden van de vergadering. 2. Het contact tussen de commissie en de media verloopt via de voorzitter. Artikel 6 De secretaris 1. Het college voorziet in externe secretariële ondersteuning van de commissie. 2. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. De secretaris is geen lid van de commissie maar neemt wel deel aan de vergaderingen. 3. Tot de taken van de secretaris behoren in ieder geval: d.

het in overleg met de voorzitter opstellen van de agenda; e. het versturen van de agenda en bijbehorende stukken aan de voorzitter en de overige leden; f. het na afstemming met de leden van de commissie, bepalen van dag, uur en locatie van de vergadering; g. het bijhouden van de presentielijst; h. de verslaglegging van de vergadering; i. het opstellen van conceptadviezen; j. het schriftelijk aanbieden van een advies van de commissie aan het college. Artikel 7 Vergaderorde en openbaarheid 1. De commissie kan in overleg met de secretaris derden uitnodigen de vergadering geheel of gedeeltelijk bij te wonen voor het geven van een deskundige voordracht, toelichting of advies. 2. Aan de commissie wordt ambtshalve of op haar verzoek de informatie beschikbaar gesteld die zij, naar het oordeel van het college, nodig heeft voor een goede uitoefening van haar taken. Het college kan op grond van artikel 86 Gemeentewet geheimhouding opleggen op de stukken. De opgelegde geheimhouding op stukken of de vertrouwelijkheid van stukken wordt in acht genomen. 3. De commissie vergadert ten minste twee en ten hoogste drie keer per jaar. 4. Ieder lid heeft het recht een voorstel betreffende de orde van de vergadering te doen, dat vervolgens door de voorzitter in stemming wordt gebracht. 5. De vergaderingen van de commissie zijn besloten.

39

6. De adviezen van de commissie zijn openbaar, met dien verstande dat hierin geen gegevens worden opgenomen die naar hun aard vertrouwelijk zijn. De commissie kan in dat geval besluiten een vertrouwelijk of geheim advies uit te brengen. 7. Het college kan ten aanzien van de om advies voorgelegde aangelegenheden geheimhouding opleggen. Artikel 8 Besluitvorming 1. Besluiten van de commissie worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. 2. Adviezen van de commissie worden alleen vastgesteld indien ten minste twee derde van de leden bij de vergadering aanwezig is. De aanwezigheid blijkt uit de voor de aanvang van de vergadering getekende presentielijst. 3. Indien bij een stemming de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd. 4. Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter. 5. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de stemming over een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken. Artikel 9 Vergoeding De voorzitter en de leden ontvangen een vergoeding voor de vergaderingen die zij bijwonen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van bijlage 1 bij de Verordening Rechtspositie raads- en commissieleden Rotterdam 2019. Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het gemeenteblad. 2.

Dit besluit wordt aangehaald als Instellingsbesluit Externe expertcommissie Rotterdamse aanpak radicalisering, extremisme en polarisatie. Aldus vastgesteld in de vergadering van 2 juli 2019. De secretaris,

De burgemeester,

V.J.M. Roozen

A. Aboutaleb

Dit gemeenteblad is uitgegeven op 4 juli 2019 en ligt op dins-, woens- en donderdagen van 9.00 tot 13.00 uur ter inzage bij het Bestuurlijk Informatiecentrum Rotterdam (BIR), locatie Wachtruimte Timmerhuis, Halvemaanpassage 1 (trap op, melden bij Informatiebalie) (Zie ook: www.bis.rotterdam.nl – Regelgeving of Gemeentebladen chronologisch)

40

Bijlage 2 Leden Externe expertcommissie Rotterdamse aanpak radicalisering, extremisme en polarisatie Sybrand van Hulst (voorzitter) Voormalig korpschef politie en hoofd AIVD (1997-2007) Dr. Wendy Asbeek Brusse Directeur onderzoek Auditdienst Rijk, voorheen directeur Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en voormalig secretaris/directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Drs. Renske van der Veer Directeur OpleidingsInstituut Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) bij het ministerie van Justitie en Veiligheid, voorheen werkzaam als directeur International Centre for Counter-Terrorism (ICCT) en bij de ministeries van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dr. Ico Maly Associate professor aan de Universiteit van Tilburg en docent Digital Media & Politics, Digital Ethnography, Discourse analysis and Digital Media, and Knowledge in the digital World en auteur van diverse publicaties over o.a. nieuw rechts, cultuur en politiek. Prof. dr. Niels Mulder Hoogleraar openbare geestelijk gezondheidszorg Erasmus MC en psychiater, publiceert nationaal en internationaal over acute psychiatrie, openbare geestelijke gezondheidszorg, bemoeizorg, drang en dwang. Dr. Stijn Sieckelinck Lector Youth Spot – jongerenwerk Hogeschool Amsterdam.

Auteur van pedagogische publicaties over radicalisering, polarisatie en burgerschap. Tevens betrokken bij het Radicalisation Awareness Network van de Europese Commissie Drs. Diet van Borselen (secretaris, geen lid, tot en met april 2021). Bij het ministerie van BZK heeft zij verschillende leidinggevende functies bekleed.

41

Bronnenlijst AIVD (2018) Rechts-extremisme in Nederland. Een fenomeen in beweging. Algemene Rekenkamer (2015). Bezuinigingen en intensiveringen bij de AIVD. Gevolgen van de budgettaire turbulentie in de periode 2012-2015. Appadurai, A. (2006) Fear of small numbers. An essay on the geography of anger. Durham & London: Duke University Press. Auger, V.A. (2020). ‘Right-wing terror: a fifth global wave?’, Perspectives on Terrorism, vol. 14, nr. 3, p.87-97. Bamberger, M, Vaessen, J. &Raimondo, E. (2015) (eds.) Dealing with complexity in development evaluation, Washington D.C.: Sage Publications. Blommaert, J. , Beyens K., Meert, H., Hillewaert, S. Verfaille, K., Stuyck, K., & Dewilde, A. (2005). Grenzen aan de solidariteit. Formele en informele patronen van solidariteit in het domein van migratie, huisvesting en veiligheid. Gent: Academia Press. Blommaert, J & Dong J. (2010). Ethnographic Fieldwork. A beginner’s guide. Bristol, Buffalo, Toronto: Multilingual Matters. Bulcaen, J & Blommaert, J. (1997). Eindrapport. V.F.I.K-Project 307. Begeleiding van migrantenvrouwen en meisjes in centra voor residentieel welzijnswerk. Antwerpen: IPRA. Centre for Research on Violence and Security Threats, Countering violent extremism II: a guide to good practice, https://crestresearch.ac.uk/download/2393/18-039-01.pdf Colaert, ‘L. (2017).

Radicalisation’: Complex phenomenon, ambiguous concept’ p.13-22, in: L. Colaert‘ ‘De-radicalisation’. Scientific insights for policy. Brussel: Flemish Peace Institute. Coolsaet, R. (2004). De mythe Al-Qaeda. Terrorisme als symptoom van een zieke samenleving. Van Halewyck. Daase, C. (2013). ‘Von der nationalen zur menschlichen Sicherheit: politische und rechtliche Konsequenzen des erweiterten Sicherheitsbegriff’, p. 11-42, in: A. Fischer-Lescano, P. Payer (eds.) Recht und Politik globaler Sicherheit. Bestandaufnahme und Erklärungsansätze, Frankfurt/New York: Campus Verlag. Dijkman, A. (2021), ‘Preventie Radicalisering. Van pionieren naar professionaliseren’, JEP Magazine, Platform JEP 8 maart. Fadil. N. (2017). Tegen radicalisering. Pleidooi voor een postkoloniaal Europa. Brussel: VUBPress.

42

Fadil, N., de Koning, M. & Ragazzi, F. (eds.) (2019). Radicalization in Belgium and the Netherlands: critical perspectives on violence and security, London: I.B. Tauris. Gielen, A.J. (2015). De rol van gemeenten in de aanpak van radicalisering. A.G. Advies, in opdracht van Vereniging Nederlandse Gemeenten. Gielen, A. en Dijkman, A. (2019) ‘Evidence-based informed policy design for support groups for families of foreign fighters: ex ante application of realistic evaluation and review’, p.232271, Journal for Deradicalization, nr.20. Hymes, D. (1972). The Use of Anthropology: Critical, Political, Personal. In: D. Hymes (ed.). Reinventing Anthropology. New York: Pantheon Books. Hymes, D. (1996). Ethnography, linguistics, narrative inequality. Toward an understanding of voice. London: Taylor & Francis. Jaminé, S. en Fadil, N. (2019). Tussen Preventie en Veiligheid. De Belgische aanpak in de strijd tegen radicalisering. Onderzoeksrapport. Faculteit Sociale Wetenschappen, KU Leuven. Khan, (2018) Citizenship, Securitization and Suspicion in UK ESOL Policy. in Arnaut e.a. (2018) Engaging Superdiversity. Recombining Spaces, Times and Language Practices. De Gruyter pp. 303-321 Köhler, D. (2017a). ‘How and why we should take deradicalization seriously’, p.1-3, Human Nature Behaviour 1, 0118. Köhler, D. (2017b).

‘Preventing violent radicalization: programme design and evaluation’, p.91-98, in: D. Muro (eds.), Resilient cities. Countering violent extremism at local level, Barcelona: CIDOB. Lub, V. (2013) ’Polarisation, radicalisation and social policy: evaluating the theories of change’, p.165-183, Evidence & Policy, vol.9., no.3. Ico Maly (2015) Detecting social changes in times of superdiversity: an ethnographic linguistic landscape analysis of Ostend in Belgium, Journal of Ethnic and Migration Studies, 42:5, 703-723, DOI: 10.1080/1369183X.2015.1131149 Maly, I. (2018). Nieuw Rechts. Epo: Berchem. Maly, I. (2019). New Right Metapolitics and the Algorithmic Activism of Schild & Vrienden. Social Media + Society. https://doi.org/10.1177/2056305119856700 Ministry of the Interior, Digitisation and Migration, Baden-Württemberg (2018) Structural quality standard to work with and counter violent extremism. NCTV, Ministerie V&J, Ministerie SZ&W (2014) Actieprogramma integrale aanpak Jihadisme.

43

NTA (2018). De nieuwe generatie extreemrechts en haar online schaduw. Nuance door training en advies. Optiki Gonia, (2020). Extreemrechts & extreemlinks in de gemeenten Schiedam, Rotterdam, Vlaardingen & Maassluis. Radicalisation Awareness Network (2018) Ex post paper Engaging with communities. Collaboration between local authorities and communities in PVE, 22-23 February, Praag. Radicalisation Awareness Network (2018) Ex post paper Guideline evaluation of PCVE programmes and interventions, July. Radicalisation Awareness Network (2019) Ex post paper Evaluating disengagement, deradicalisation and resocialisation efforts, 8 November, Madrid. Radicalisation Awareness Network (2019) Preventing radicalisation to terrorism and violent extremism. Community engagement and empowerment, Brussel. RAND Europe (2018) Evaluating interventions that prevent or counter violent extremism. A practical guide. RMO (2009) Polarisatie: bedreigend en verrijkend, Amsterdam: Uitgeverij SWP. Schulzman, (1986). Those Who Understand: Knowledge Growth in Teaching. Educational Researcher, Vol. 15, No. 2. (Feb., 1986), pp. 4-14. Van der Aa, J. & Blommaert, J. (2015). Ethnographic Monitoring and the study of complexity. Tilburg Papers in Culture Studies. https://www.academia.edu/19401097/TPCS_123_Ethnographic_Monitoring_and_the_study _of_complexity_by_Jef_Van_der_Aa_and_Jan_Blommaert Veilig@Rotterdam.

Veiligheidsprogramma 2018-2023. https://rotterdam.raadsinformatie.nl/document/6859656/2/s18bb007136_7_51509_tds

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=b6dcb322-5261-4f3f-be33-bc730fda2477