CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb002680] Bijlage 1 behorende bij 22bb2619 over Bestemmingsplan “Insulindestraat 240-248”

Gemeenteraad 2 juni 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Insulindestraat 240-248’14.807 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeente Rotterdam

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN INSULINDESTRAAT 240 - 248

17 augustus 2021

n BOdG

ruimtelijk advies

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN INSULINDESTRAAT 240 - 248

concept ontwerp ontwerp vaststelling

16 april 2021 17 augustus 2021

- - ' ' érect

PĉfţSoO, Wijk betrokken

'pragma'

creatief

r ' 'ķúnď"3 ŵn,'arniļ 'sch

BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl

INHOUDSOPGAVE I.

TOELICHTING

II.

REGELS

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV.

VERBEELDING

I.

TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.

INLEIDING................................................................................................................................11 1.1

Aanleiding.............................................................................................................................................11

1.2

Ligging en begrenzing.........................................................................................................................11

1.3

Vigerende bestemmingsplannen...................................................................................................... 11

1.4

Gekozen planopzet............................................................................................................................. 12

2.

BELEIDSKADER.........................................................................................................................13 2.1

Nationaal beleid................................................................................................................................. 13

2.2

Provinciaal beleid............................................................................................................................... 14

2.3

Gemeentelijk beleid............................................................................................................................ 16

2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking............................................................................................ 18

3.

BESCHRIJVING VAN HET PLAN.................................................................................................21 3.1

Omgeving en huidig gebruik..............................................................................................................21

3.2

Projectbeschrijving ............................................................................................................................ 23

4.

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN.................................................................................. 27 4.1

Water.................................................................................................................................................... 27

4.2

Milieuzonering .................................................................................................................................... 28

4.3

Geluid................................................................................................................................................... 28

4.4

Luchtkwaliteit......................................................................................................................................29

4.5

Externe veiligheid............................................................................................................................... 30

4.6

Bodem.................................................................................................................................................. 31

4.7

Archeologie ......................................................................................................................................... 32

4.8

Ecologie................................................................................................................................................ 33

4.10 Duurzaamheid en energie ................................................................................................................ 34 4.11

5.

Besluit m.e.r..........................................................................................................................................35

JURIDISCHE ASPECTEN............................................................................................................ 37 5.1

Inleiding .............................................................................................................................................. 37

5.2

De opzet van de planregels................................................................................................................37

6.

UITVOERBAARHEID................................................................................................................. 41 6.1

Financiële uitvoerbaarheid................................................................................................................41

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro .................................................................................................... 41

BIJLAGEN 1. 2.

Akoestisch onderzoek, februari 2021 Vooronderzoek (VO) Wet natuurbescherming, juni 2020

3. 4.

Voortoets Natura 2000-gebieden, november 2020 Nader onderzoek beschermde soorten, november 2020

Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

-9-

- 10 -

1

INLEIDING

i.i

Aanleiding Op het perceel Insulindestraat 240-248, gelegen binnen de zogenoemde spoordriehoek in Bergpolder-Zuid, bevindt zich een gemeentelijk pand met een industrieel karakter. Het pand staat op de nominatie om te worden gesloopt ten behoeve van de realisatie van maximaal 28 woningen, gecombineerd met een entree tot het Hofbogenpark. Hoewel het huidige bestemmingsplan "Blijdorp-Bergpolder" voorziet in een gemengde bestemming waarbinnen de realisatie van woningen zondermeer is toegestaan, is ten aanzien van de toegestane bouwhoogte sprake van strijdigheid (zie Ş 1.3). Om tot realisatie te kunnen overgaan, dient hiervan te worden afgeweken of kan ervoor gekozen worden specifiek voor deze locatie een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Omdat voor nu slechts sprake is van een Nota van Uitgangspunten en nog geen concreet bouwplan, is voor de laatste optie gekozen.

1.2

Ligging en begrenzing Het plangebied betreft alleen het kavel Insulindestraat 240-248 en is, zoals aangegeven, gelegen binnen de spoordriehoek in Bergpolder-Zuid. De noordelijke en zuidelijke perceelsgrens wordt gevormd door de kavelgrens met de naastgelegen bebouwing. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan het viaduct van de voormalige Hofpleinlijn. Aan de westzijde bevindt zich de Insulindestraat zelf.

V vV

■-I®:;

■ş

vVî

ť Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in Rotterdam (links) en in de directe omgeving (rechts).

1.3

Vigerende bestemmingsplannen Ter plaatse van de locatie is op dit moment het bestemmingsplan "Blijdorp-Bergpolder" van kracht. Dit plan is door de gemeenteraad van Rotterdam vastgesteld op 1 november 2016, waarna het onherroepelijk is geworden op 2 februari 2017. Voor het gehele perceel geldt de bestemming 'Gemengd - 5' (zie afbeelding 2). Deze bestemming is destijds gekozen om hier een breed scala aan functies toe te staan. Zo kan binnen de op het perceel aanwezige bebouwing op alle verdiepingen worden gewoond. Op de begane grond zijn tal van stedelijke functies toegestaan, zoals lichte bedrijvigheid, maatschappelijke-, culturele- en sportvoorzieningen. De bebouwing mag zich uitstrekken over het gehele perceel, maar voor de

Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 11 -

hoogte daarvan gelden wel enkele beperkingen. Die beperkingen vloeien voort uit de aard van de het bestemmingsplan "Blijdorp-Bergpolder", waarbij de keuze is gemaakt om de bestaande bebouwing zoveel mogelijk vast te leggen in de hoedanigheid waarin het verkeerde bij vaststelling van het plan. Dit betekent dat het deel van de bebouwing binnen het plangebied dat direct grenst aan de Insulindestraat maximaal 8 meter hoog mag zijn. Iets terug liggend daarvan is bebouwing tot 14 meter mogelijk, terwijl die hoogte nabij de achterzijde (nagenoeg grenzend aan de het toekomstige Hofbogenpark) niet meer dan 7,5 meter mag bedragen.

g

^

^ 4/4444444444^44 +

44 + 4

444444444\-H

4- -I- -f- 4- -I- V

7,5 meter 14 meter

.+ + + +NÍ+ + +/

8 meter

44 4,^44444444

4- 4 4 4y*

444444y44 4\4 4 ^4- 4

ŕ—4—4—4-^^--fe^4—4—4—4—4-4-

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan "Blijdorp-Bergpolder" (plangebied oranje omkaderd). Het gehele plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', waarmee eventuele in de ondergrond aanwezige archeologische relicten worden beschermd. Dit betekent dat bouw- en/of graafwerkzaamheden met een oppervlak van meer dan 200 m2 en die dieper reiken dan 2,5 meter beneden NAP, door Archeologie Rotterdam (BOOR) moeten worden getoetst op de noodzaak van onderzoek. Zoals aangegeven is de herontwikkeling van het perceel niet in strijd met de beoogde functies (met name wonen). De strijdigheid beperkt zich tot de nu toegestane bouwhoogte. Het bestemmingsplan kent daartoe wel een algemene afwijkingsbevoegdheid, maar daarbij kan alleen worden afgeweken van de hoogte met het oog op de architectonische afwerking en/of technische installaties op het dak. Daarmee zijn de nu geldende regels niet toereikend voor de realisatie van een woongebouw op basis van de nu geformuleerde uitgangspunten. Daarbij is immers sprake van een bouwplan met een maximale hoogte van 23 meter.

1.4

Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de gronden voor woningbouwdoeleinden met bijbehorende voorzieningen in te kunnen zetten. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

- 12 -

2

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder die voor dit plan.

2.1

Nationaal beleid Nationale omgevingsvisie De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en is vanaf 12 februari 2021 bindend voor het Rijk als geldende visie onder de Wro. De NOVI vervangt daarmee de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat.

In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: ^ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ^ een duurzaam en economisch groeipotentieel; ^ sterke en gezonde steden en regio's; ^ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken zijn in de NOVI 21 nationale belangen benoemd waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Aangezien een visie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn deze nationale belangen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden.

Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Deze is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen. Daarnaast is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door 'behoefte'. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling.

Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 13 -

Conclusie nationaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Op basis van het Rijksbeleid kunnen de decentrale overheden maatwerk leveren en inspelen op specifieke wensen. Daarnaast blijkt uit paragraaf Ş 2.4, dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee aan de SER-ladder. Geconcludeerd wordt, dat het plan in overeenstemming is met het nationaal beleid.

2.2

Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: ^ Naar een klimaatbestendige delta. ^ Naar een nieuwe economie: the next level. ^ Naar een levendige meerkernige metropool. ^ Energievernieuwing. ^ Best bereikbare provincie. ^ Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven.

Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 1 juli 2020 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 augustus 2020 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stads­ en dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied.

- 14 -

Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: ^ De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. ^ Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.

Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg.

De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden.

Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan

De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stads- en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De beoogde herontwikkeling van het plangebied Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 15 -

draagt hieraan bij. De woningen passen binnen de provinciale woningbouwbehoefte. Daarmee wordt ook voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking (zie ook Ş 2.4).

2.3

Gemeentelijk beleid Stadsvisie Rotterdam 2030 De Stadsvisie Rotterdam 2030 is vastgesteld op 27 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de periode tot 2030 en heeft als missie te komen tot een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op het gebied van wonen en economie. Werkgelegenheid ontwikkelt zich namelijk alleen wanneer de stad een aantrekkelijk vestigingsklimaat vormt voor werknemers, met goede woningen inclusief de bijbehorende voorzieningen en buitenruimten: complete woonmilieus die aansluiten bij de wensen van de woonconsumenten. Vandaar dat extra wordt geïnvesteerd in aantrekkelijke groenstedelijke, rustig stedelijke en centrumstedelijke woonmilieus. Bijzondere architectuur en herontwikkeling van erfgoed worden daarbij ingezet als katalysator. Op basis van effectmeting zijn diverse gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad'; de zogenoemde VIP-gebieden. Deze grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit. De omgeving van de Insulindestraat maakt daar zelf geen deel van uit. In de Stadsvisie wordt dan ook niet concreet ingegaan op het projectgebied of directe omgeving.

Als uitgangspunt voor een 'aantrekkelijke woonstad' gelden de woonwensen van alle (potentiele) Rotterdammers, in elke levensfase. Met betrekking tot Blijdorp-Bergpolder wordt gesteld, dat hier een goede basis qua woningen aanwezig is. Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020 De in december 2016 vastgestelde Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld: ^ Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: o de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; o te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en o woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid.

^ Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: o een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad, o ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden, en o energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen. ^ De basis op orde houden door: o het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; o betaalbaarheidsproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; - 16 -

o o o

goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt, en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

Met de vaststelling van een addendum op de woonvisie en de intrede van de Gebiedsatlas (augustus 2020) is de visie gebiedsgericht van aard geworden. Op basis van de gebiedsatlas wordt gestreefd naar het in balans brengen van de woningvoorraad. Die balans wordt niet zozeer in woningtypologie uitgedrukt, als wel in verhouding tussen prijssegmenten. Daarbij is grote behoefte aan kwalitatief hoogwaardige woningen voor de juiste doelgroepen op de juiste plek. Stadsbreed wordt gestreefd naar de bouw van 18.000 woningen in de huidige collegeperiode: 20% daarvan zijn sociale woningen, 30% middensegment, 30% hoger segment en 20% topsegment. De visie betreft tevens een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Gebiedsplan Noord In maart 2016 heeft de gebiedscommissie het gebiedsplan Noord vastgesteld als vervolg op het in 2014 vastgestelde gebiedsplan 2015-2018. In dit document wordt een sterkte- en zwakteanalyse met kansen en bedreigingen voor het gebied Noord gegeven. Ook wordt specifiek ingezoomd op de aanwezige wijken. De ambitie voor deze wijk betreft het realiseren van een vitale, spannende stadswijk vol ondernemerschap, creativiteit en diversiteit.

Dit trekt nieuwe bezoekers en bewoners. Daarnaast is het ook een wijk die met haar voorzieningen bewoners, jong en oud, ondersteunt en aanmoedigt. Dat leidt tot sociale stijging; deze sociale stijgers moeten in de wijk blijven. Om deze ambitie te realiseren zijn enkele doelen gesteld. Zo dient sprake te zijn van een aantrekkelijk en divers voorzieningenniveau en is het zeer wenselijk dat de sociale stijgers in het gebied wonen. Een derde doelstelling betreft de wens om meer kapitaalkrachtiger en/of hoger opgeleide instromers te trekken. De instroom van wat meer draagkrachtiger bewoners versterkt het economisch draagvlak voor allerlei voorzieningen. Dit kan gerealiseerd worden met een aanbod van nieuwbouw, kluswoningen en transformatie en verkoop van corporatiewoningen. Ontwikkeling Hofbogenpark Het dak van voormalig spoorviaduct de Hofbogen doorkruist verschillende stadswijken en is met een lengte van twee kilometer het langste dak van Nederland. Op dit dak komt een groen stadspark, het zogenoemde Hofbogenpark. Het gaat de verschillende wijken met elkaar verbinden en via een slim en circulair watersysteem bijdragen aan een oplossing voor klimaatverandering. Ook de omliggende straten en pleinen worden onderdeel van een brede groene strook met verblijfsplekken en ruimte voor sport en spel. Daarbij zijn ook opgangen noodzakelijk om het park te kunnen bereiken.

Eén van die opgangen is voorzien ter plaatse van Insulindestraat 240-248. Welstandsnota Rotterdam Het welstandsbeleid is op 11 oktober 2012 door de gemeenteraad vastgelegd in de 'Welstandsnota Rotterdam'. Deze nota is een geactualiseerde versie van de 'Koepelnota Welstand Rotterdam' uit 2004 die hiermee is komen te vervallen. Op de kaart

Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 17 -

'Welstandsniveaus' behorende bij deze nota is aangegeven welk welstandsregiem van toepassing is: vrij, regulier of bijzonder. Het plangebied valt binnen het welstandsregiem 'regulier' (niet-planmatig). Het bebouwingspatroon is pandsgewijs of in kleinere ensembles. Vrijstaande zelfstandige bebouwing heeft daarbij een herkenbare hoofdvorm. Straathoeken worden architectonisch verbijzonderd (afgeschuinde hoek, afwijkende vormgeving) en in- en uitspringende delen van de gevel (balkons, erkers en loggia's) dienen ondergeschikt te blijven aan de hoofdmassa.

Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Gesteld wordt dat het plan aansluit op de doelstellingen zoals die omschreven zijn in het gemeentelijk beleid. De ontwikkeling draagt bij aan de vraag naar meer woningen in Rotterdam. Het betreffen in dit geval huurwoningen waarvan op grond van het Actieplan Middenhuur (2019) minimaal 12 woningen behoren tot de categorie Middenhuur. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de doelstelling uit de Woonvisie tot voldoende differentiatie binnen de wijk. Het project is gelegen op een locatie die, mede vanuit stedenbouwkundig oogpunt, wenselijk is om te benutten voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Tevens kan deze locatie toegang bieden tot het Hofbogenpark, waarmee het een belangrijke toegevoegde waarde heeft voor de directe omgeving. Toetsing aan de welstandsnota zal plaatsvinden bij de uitwerking van het bouwplan.

2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening, in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking, in werking getreden. Met deze aanpassing zijn drie leden van artikel 3.1.6 van het Bro gewijzigd. In deze leden worden eisen gesteld aan de toelichting op een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Het nieuwe derde lid maakt het mogelijk dat bij bestemmingsplan kan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt opgenomen in de toelichting van het wijzigings- of het uitwerkingsplan. Daarnaast is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door 'behoefte'. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Vooropgesteld wordt dat het huidige bestemmingsplan reeds de realisatie van woningen toestaat, zonder dat een beperking is opgelegd aan het aantal. De locatie is bovendien reeds bebouwd/verhard waardoor feitelijk geen sprake is van nieuw ruimtebeslag. Ook is de locatie binnenstedelijk gelegen op een goed bereikbare locatie. Van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 1.1.1 Bro, is dan ook geen sprake.

Wat betreft het aantal te realiseren woningen is weliswaar sprake van een toename ten opzichte van het aantal woningen dat nu binnen het plangebied aanwezig is, maar één van de doelstellingen binnen het Rotterdamse woningbeleid is dan ook om extra woningen toe te voegen aan de binnenstad. Dat er behoefte is aan de beoogde woningen blijkt uit de meest actuele provinciale Woningbehoefteraming (WBR2019). Deze provinciale prognose is bedoeld als "neutrale" kwantitatieve basis voor het provinciale woningbouwbeleid. Voor elke regio is berekend hoeveel extra woningen er nodig zijn, voor het huisvesten van nieuwe huishoudens. WBR2019 is een scenarioberekening van een demografisch model, waarbij (o.a.) wordt gerekend met 'binnenlands migratiesaldo nul' per gemeente. Op basis van deze raming blijkt de - 18 -

woningbouwproductie ten opzichte van de afgelopen jaren flink naar boven is bijgesteld. Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt evenwel dat het uitgangspunt "binnenlands migratiesaldo nul" in Rotterdam niet opgaat; de groei van Rotterdam wordt immers voor een belangrijk deel óók veroorzaakt door de vestiging van mensen van buiten de stad. De vraag naar woningen is in werkelijkheid dan ook groter, vandaar dat in het Rotterdamse coalitieakkoord het opschroeven van de woningbouwproductie een belangrijk beleidsvoornemen is. Gezien het bovenstaande wordt gesteld dat geen sprake is van strijdigheid met het Rijks- en provinciaal beleid op het gebied van de 'ladder voor duurzame verstelijking'. De realisatie van maximaal 28 woningen, zoals dit bestemmingsplan mogelijk maakt, voorziet in de behoefte en de ontwikkeling past daarmee geheel binnen het nationaal en provinciaal beleid.

Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 19 -

- 20 -

3

BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens in te gaan op de beoogde nieuwe situatie, wordt eerst aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis, alsook de bestaande situatie en het huidig gebruik.

3.1

Omgeving en huidig gebruik

3.1.1

Geschiedenis van de locatie Tijdens de snelle expansie van Rotterdam aan het einde van de 19e-eeuw, bleven de noordelijk van het centrum gelegen Blijdorpsche- en Bergpolder onbebouwd. De gemeentegrens liep tot de Beukelsdijk/Bergweg en de genoemde polders behoorden respectievelijk tot de gemeentes Overschie en Hillegersberg. In 1899 en 1901 ontwikkelden de Bouwmaatschappijen 'Immobilia' (later 'Nieuwerschie') en 'Insulinde' hier enkele bouwplannen op door hun aangekochte grond, met eenvoudige stratenplannen, gebaseerd op de aanwezige polderslootverkaveling. Kort daarna (1902/1903) werden de delen van de Blijdorpsche polder en Bergpolder gelegen binnen de Ceintuurbaan, door Rotterdam geannexeerd ten behoeve van stadsuitbreiding met woningbouw voor de werkende stand.

1

«if rtoù(*Ümĩm

hrfVv WuViUtrf

ffiwŵľ

W/Qŕtïi

•te'CJw PoY

©îBí»

mm

WiïfuMï 7' ft! ' i

ii

Uierv.'VřřţJ - ÎĴ*

Afbeelding 3: Kaart uit 1850, met in rood de contouren van het huidige BlijdorpBergpolder. Op grond van de Woningwet (1901) werd in 1906 een Algemeen Uitbreidingsplan voor de gemeente Rotterdam goedgekeurd. Binnen het noordelijk en noordwestelijk deel van dit uitbreidingsplan (Blijdorp en Bergpolder) werd een aansluiting gemaakt op de plannen van Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 21 -

Immobilia en Insulinde. De noodzaak een verbindingskanaal aan te leggen tussen de Delfshavensche Schie en de Rotte en de wens voor meer groen en sportterreinen - op aandrang van de Gemeentelijke Gezondheidscommissie - veroorzaakten een aanpassing van het plan in 1909. Later diende zich een nieuw programmapunt aan: de Spoorwegen verlangden zuidelijk in de Blijdorpsche polder een nieuw (hoofd)spoorwegstation, wat uiteindelijk leidde tot de aanleg van de zogenoemde Hofpleinlijn. 3.1.2

Huidige situatie omgeving plangebied De stedenbouwkundige aanleg van Blijdorp/Bergpolder is uitgevoerd volgens het oorspronkelijke ontwerp dat voorzag in de realisatie van een harmonieuze, grootstedelijke woonwijk. Deze is structuur is nog in grote mate intact. De heldere structuur en ruimtelijke opbouw zijn geconstrueerd op een logisch stramien van hoofdverkeerswegen en gevarieerde patronen van secundaire straten en pleinen en bestaat uit een symmetrische en geometrische ordening van architectonische eenheden, overwegend in de vorm van ensembles van (bijna) gesloten (woning)bouwblokken. Groenstroken, laanbeplanting van de (hoofd)wegen, plantsoenen in de vorm van groene 'assen' in een regelmatige spreiding over de wijk en het Vroesenpark en Diergaarde Blijdorp voegen een ruime hoeveelheid groen toe. De hoofdverkeersstructuur bestaat uit de Gordelweg, Schieweg, Stadhoudersweg en Statenweg, thans prominente verkeersaders. De oorspronkelijke bebouwing - merendeels tot stand gekomen in de periode 1932-1941 - is nog grotendeels intact en heeft door de lange, overwegend plat afgedekte blokken met vaak terugspringende bovenverdiepingen, doorlopende balkons, langgerekte vensterstroken of linten van identieke ramen een sterk horizontaal karakter. Repeterende verticale motieven zijn de vensters of openingen van de gemeenschappelijke portieken.

Kappen komen vooral voor in de centrale delen van de woonbuurten. Het principe van de architectonische homogeniteit is gerealiseerd doordat bouwblokken of stroken steeds door één architect zijn ontworpen. Op verschillende centrale plaatsen zijn zelfs meerdere blokken door één architect of architectenteam ontworpen.

rTaedden’ *J strassen

X

Afbeelding 4: De Insulindestraat bestaat aan de zijde van het plangebied uit diverse (voormalige) bedrijfspanden. Het witte bedrijfspand op de voorgrond is reeds gesloopt. In de Insulindestraat was dat feitelijk niet anders, al bevinden zich van oudsher aan de zijde van het spoor diverse bedrijfspanden. Ook deze panden zijn grotendeels nog aanwezig, zo ook

- 22 -

die ter plaatse van het adres Insulindestraat 240-248. De bebouwing is hier divers en elk pand is afwijkend in hoogte. Ook wat betreft functies is sprake van een mix aan voorzieningen, van bedrijven tot educatieve instellingen. Stadsgezichten en monumenten De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium - Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie". Hoewel een groot deel van BlijdorpBergpolder als beschermd stadsgezicht is aangemerkt, geldt dat niet voor het deel binnen dit bestemmingsplan. In dit plangebied zijn evenmin monumenten of beeldbepalende objecten aanwezig.

3.2

Projectbeschrijving Voor de ontwikkeling is door de gemeente een Nota van Uitgangspunten opgesteld, die als basis dient voor dit bestemmingsplan. Ook voor de ontwikkelcombinatie die het gebouw uiteindelijk zal realiseren, vormen deze uitgangspunten de basisvoorwaarden. Onderstaand worden deze beknopt toegelicht. Voorop staat dat nieuwbouw passend moet zijn binnen de bestaande situatie. Dat betekent niet dat het wat betreft hoogte moet aansluiten op de bestaande situatie, aangezien de straat nu reeds diverse afwijkende gebouwhoogten kent. Net als bij het buurpand zal de begane grond van voldoende hoogte moeten zijn om een aantrekkelijke plint te kunnen vormen. De onderste bouwlaag zal daarom een minimale hoogte krijgen van 3,5 meter.

m.

Afbeelding 5: Inpassing van het gebouw met de doorgang naar het park en de bouwhoogtes.

Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 23 -

Het bestemmingsplan biedt voor deze onderste laag (de plint) de flexibiliteit om een publieke of collectieve functie te realiseren die uitnodigend is vormgegeven. Binnen de nieuwbouw zal voorzien worden in een 4 meter brede opgang die leidt naar het park op het dak van de Hofbogen. Deze doorgang kan zowel aan de zijde van de Insulindestraat, als aan de zijde van het Hofbogenpark worden afgesloten met een hekwerk dat is mee-ontworpen met de nieuwbouw en is afgestemd op de inrichting van het Hofbogenpark. De nieuwbouw bevindt zich aan de zuidoostzijde van deze doorgang, maar niet over de volledige diepte. Zo zal de bebouwing aan de zijde van het Hofbogenpark niet direct aansluiten op het park. Daarnaast zal het gebouw vanaf straatniveau gevoelsmatig lager ogen, omdat de dakrand aan de voor- en achterzijde reikt tot ongeveer de hoogte van het pand Insulindestraat 236. Daarna is sprake van een terug liggend volume, waarbij de hoogte oploopt tot maximaal 23 meter.

Insulindestraat 236

Afbeelding 6: Inpassing van het gebouw in de bestaande omgeving (links is het zicht vanaf de Insulindestraat, rechts vanaf de zijde van het Hofbogenpark). Het totaal aantal woningen dat wordt gerealiseerd is binnen het bestemmingsplan gemaximeerd op 28 woningen met een minimale grootte van 60 m2 aan gebruiksvloeroppervlak (GBO). Op basis van het Actieplan Middenhuur (2019) zullen minimaal 12 woningen zich binnen de middeldure huurcategorie bevinden. Een dergelijke verplichting komt niet terug in de planregels van het bestemmingsplan, maar wordt als voorwaarde gebruikt bij de aanbesteding en daarmee de uiteindelijke overdracht van de grond in het kader van de realisatie. Parkeren Vanaf 1 februari 2018 is de nieuwe parkeernorm in Rotterdam van kracht gegaan onder de naam 'Beleidsregeling parkeernormen (Gemeente Rotterdam 2018)'. De locatie is gelegen binnen Zone A - Hoogstedelijk gebied. Voor het ontwerp van het gebouw moet de nieuwe norm worden gehanteerd; binnen deze norm kan worden gekeken naar vrijstellingen die verder worden beschreven in het beleidsdocument. In de planregels is daartoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De verdere uitwerking is in overleg met de

- 24 -

gemeente en toetsing aan de parkeernormen vindt plaats in het kader van het bouwplan. Uitgangspunt is het beperken van autogebruik en de parkeermogelijkheden. Het doel is om andere vormen van mobiliteit maximaal in te zetten. Mogelijkheden voor voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer hebben de prioriteit. Het parkeren dient geheel binnen het plangebied gerealiseerd en van het verlenen van vergunningen voor het parkeren op straat zal géén sprake zijn. Het zoekgebied voor parkeren ligt minimaal zes meter achter de voorgevelrooilijn en is gebouwd vormgegeven op maaiveldniveau of lager. De parkeervoorziening ligt daarmee uit het zicht, zodat de plint zelf voorzien kan worden van (gemeenschappelijke) functies of wonen. De entree van de parkeergarage is zal dan ook zo smal mogelijk moeten zijn, zodat er maximale ruimte is voor entrees, woningen en het niet-woonprogramma op de begane grond. Ten aanzien van fietsparkeren wordt uitgegaan van een gebouwde, gemeenschappelijke scooter- en fietsenstalling op de begane grond (i.c.m. individuele bergingen). De stalling zal eenvoudig toegankelijk moeten zijn vanaf de straat (zo min mogelijk tussendeuren) en tevens bereikbaar moeten zijn via de centrale ontsluiting/hoofdentree.

Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 25 -

- 26 -

4

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.

4.1

Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, dat zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het oppervlaktewater beheert. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2). Ook het hoogheemraadschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Met dit beheerplan staat het hoogheemraadschap voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Meer nog dan in de huidige situatie wil het hoogheemraadschap haar kerntaken uitvoeren samen met bedrijven, burgers, belangenorganisaties, mede-overheden en andere samenwerkingspartners in het beheergebied. Het plangebied ligt binnendijks en maakt onderdeel uit van het peilgebied GPG-177. Hier wordt een oppervlaktewaterpeil van 2,4 meter beneden NAP gehanteerd.

In de wijk Bergpolder zijn echter nauwelijks oppervlaktewaterlichamen aanwezig. Alleen aan de oostzijde van de wijk bevindt zich de Statensingel; deze bevindt zich buiten het plangebied. Dit bestemmingsplan is erop gericht om in het plangebied 28 woningen te realiseren. De bestaande bebouwing wordt hiervoor gesloopt. Deze herontwikkeling leidt niet tot een toename van het verhard oppervlak, aangezien in de huidige situatie het gehele plangebied bebouwd of verhard is (zie onderstaande afbeelding). Het treffen van compensatiemaatregelen is daardoor niet aan de orde. Tevens wordt opgemerkt, dat het wenselijk is om de nieuw op te richten bebouwing natuurinclusief te bouwen met waar mogelijk gevelgroen en een groen dak. Dit betekent, dat hierdoor ter plaatse meer water vastgehouden/geborgen kan worden, wat het watersysteem ten goede komt. Het plangebied ligt niet in een waterkering, noch binnen de bij een kering behorende beschermingszone. De dichtstbijzijnde waterkering ligt ter hoogte van de Gordelweg, op zo'n 715 meter ten noorden van het plangebied. Het betreft hier een regionale waterkering. Het plangebied valt binnen rioleringsdistrict Blijdorp. Het afvalwater wordt via diverse gemalen naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Dokhaven pompt.

In de omgeving van het plangebied is sprake van een gemengd rioolstelsel, wat inhoudt dat het zowel regenwater als afvalwater gelijktijdig wordt afgevoerd. In het plangebied liggen geen overstorten. Het beoogde bouwplan wordt uitgerust met een aansluiting voor een gescheiden stelsel, maar wordt aangesloten op het huidige gemengde stelsel. Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te

Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 27 -

voorkomen, is het voor de nieuwe bebouwing van belang om duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen. Zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets. In dit kader worden de waterbeheerders betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan.

4.2

Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Uit de geldende bestemmingsplannen blijkt, dat in de omgeving van het plangebied hinder veroorzakende functies aanwezig (mogen) zijn. Het betreffen hier de activiteiten binnen de bestemming 'Gemengd (nr)', zoals bedrijvigheid tot en met categorie 2, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, voorzieningen ten behoeve van cultuur en ontspanning, sportvoorzieningen en/of detailhandel. Het betreffen hier activiteiten die op grond van de VNG-uitgave worden aangemerkt als ten hoogste milieucategorie 2. Hierdoor is sprake van een hindercontour van 30 meter. Omdat de omgeving van het projectgebied aangemerkt wordt als 'gemengd gebied', mag deze hindercontour met één afstandsstap verkleind worden tot 10 meter. Voor categorie 1-inrichtingen geldt in dat geval een hindercontour van 0 meter.

Omdat enkele bestemmingsvlakken 'Gemengd' direct grenzen aan het plangebied, kan niet in alle gevallen voldaan worden aan de gewenste hinderafstand. Desondanks is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. De op grond van de bestemming 'Gemengd' toegestane functies worden namelijk als passend in een woonomgeving ervaren. Dit blijkt ook uit de geldende bestemmingsplannen, waar de voor 'Gemengd' aangewezen gronden naast de hiervoor genoemde hinderveroorzakende functies mede bestemd zijn voor woningen. In het beoogde bouwplan zijn geen commerciële/publieke ruimten voorzien. De realisatie leidt dan ook niet tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat van de huidige woningen in de omgeving. Ook voor de toekomstige woningen geldt, dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op grond van zowel de VNG-uitgave als de Rotterdamse systematiek wordt gesteld, dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de vergunde rechten van de aanwezige bedrijven niet ingeperkt. Het thema 'milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied.

4.3

Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet

- 28 -

onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk woningen. Deze liggen binnen de toetsingszone van enkele zoneplichtige wegen. Vandaar dat een akoestisch onderzoek1 is uitgevoerd. De rekenresultaten worden hieronder uiteengezet. Wegverkeerslawaai De voorziene woningen bevinden zich binnen de toetsingszone van een aantal zoneplichtige weg, namelijk Bergweg, Schieweg, Stadhoudersweg, Walenburgerweg en Schiekade. De berekende geluidsbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren woningen bedraagt hierbij in alle gevallen minder dan 48 dB (inclusief reductie). De voorkeursgrenswaarde wordt dan ook niet overschreden, waardoor het niet noodzakelijk is om een ontheffing van de Wet geluidhinder te verlenen. De Insulindestraat maakt onderdeel uit van een 30 km/h-zone. Deze weg valt dan ook buiten het aandachtsgebied van de Wet geluidhinder. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening berekend wat de geluidsbelasting is van deze weg. Uit de rekenresultaten blijkt, dat de hoogst berekende geluidsbelasting 52 dB bedraagt. Gesteld wordt, dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Overige geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen een toetsingszone van een zoneplichte spoorweg of binnen de 50 dB(A)-contour behorende bij een gezoneerd industrieterrein. Ook de geluidscontouren van Rotterdam - The Hague Airport zijn niet over het plangebied gelegen. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbronnen niet aan de orde is. Conclusie De geluidsbelasting vanwege alle relevante zoneplichtige wegen en tramsporen voldoet aan de wettelijke voorkeurswaarde. Het treffen van geluidbeperkende maatregelen en/of het verlenen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Het aspect 'geluid' staat realisatie van de beoogde woningen niet in de weg.

4.4

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3^! van de grenswaarde voor de 1 Ingenieursbureau gemeente Rotterdam, Bestemmingsplan Insulindestraat 240, Akoestisch onderzoek, februari 2021, projectcode 20200018.

Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 29 -

jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het plangebied zijn maximaal 28 woningen voorzien. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook als niet in betekenende mate beschouwd. Omdat de geplande woningen op gepaste afstand zijn gelegen van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2-contouren van deze wegen niet over het projectgebied. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Rotterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2020) ter hoogte het dichtstbijzijnde rekenpunt (Insulindestraat) lager is dan 35 pg/m3. Dit geldt ook voor de PMi0-concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.5

Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-67jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo'n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 10At letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. In de directe omgeving van het bestemmingsplangebied zijn volgens de risicokaart2 enkele risicobronnen gelegen.

Het gaat hierbij zowel om stationaire bronnen als om transportroutes van gevaarlijke stoffen. Stationaire risicobronnen De dichtstbijzijnde stationaire risicobron ligt op zo'n 715 meter en betreft een chloorbleekloogtank met een inhoud van 1.100 liter op het perceel Benthemplein 10. Andere stationaire risicobronnen in de omgeving van het plangebied betreffen twee brandstofservicestations aan de Gordelweg (nummers 121 en 260). In beide gevallen vindt geen LPG-doorzet plaats. De afstand van deze risicobronnen tot aan het plangebied bedraagt circa 1.110 meter respectievelijk 745 meter. Voor al deze risicobronnen geldt, dat de bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontouren en invloedsgebieden groepsrisico niet tot

2 www.risicokaart.nl

- 30 -

over het plangebied reiken. Gesteld wordt, dat de in de omgeving aanwezige stationaire bronnen geen belemmering vormen. Transportroutes gevaarlijke stoffen Op ongeveer 840 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich de dichtstbijzijnde transportroute, namelijk de rijksweg A20, wegvak Z125 (Afslag 14 Rotterdam Centrum Terbregseplein). De 10-6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt hier 11 meter; ook is sprake van een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Gezien de afstand van de rijksweg tot aan het plangebied, vormen deze contouren geen belemmeringen. De spoorlijn van Rotterdam Centraal naar Gouda ligt ter hoogte van het plangebied direct ten noorden van de Rijksweg A20. De afstand tot aan de beoogde ontwikkeling bedraagt zo'n 875 meter. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt maximaal 7 meter uit het hart van de spoorbundel. Daarnaast is sprake van een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Voor de transportroutes over spoor en weg geldt, dat op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, artikel 8, lid 1) een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is, als het projectgebied binnen een afstand van 200 meter van de transportroute ligt. Omdat dit voor de genoemde transportroutes niet het geval is, is een nadere groepsrisicoverantwoording niet aan de orde.

Conclusie Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat de aanwezige risicobronnen niet leiden tot belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied ligt bij een eventuele rampsituatie wel binnen de invloedsfeer van de rijksweg A20 en van de spoorlijn Rotterdam - Gouda. Vanuit planologisch opzicht zijn geen beperkingen aanwezig, maar bij de uitwerking van het bouwplan is het verstandig afsluitbare deuren, ramen en ventilatieopeningen toe te passen, in combinatie met een met één druk op de knop uit te schakelen ventilatiesysteem. Bovendien kan worden ingezet op goede voorlichting en instructie om toekomstige bewoners voor te bereiden op een eventuele ramp.

4.6

Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico's voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerstgenoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Uit de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart blijkt, dat de bovengrond (0 tot 1 meter beneden maaiveld) aangemerkt kan worden als klasse 'Industrie'. Dat betekent, dat de aanwezige bodem naar verwachting ten hoogste matig verontreinigd is. De ondergrond (1 tot 2 meter beneden maaiveld) is op deze kaart aangemerkt als klasse 'Wonen'. Hier zijn ten hoogste lichte verontreinigingen te verwachten. In het verleden (2006) is het plangebied aan een bodemonderzoek onderworpen. Hieruit is gebleken dat de grond plaatselijk sterk verontreinigd is met minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), koper, lood en zink.

Ook het grondwater is licht tot sterk Ontwerpbestemmingsplan "Insulindestraat 240-248" - Toelichting

- 31 -

verontreinigd met minerale olie en/of PAK. Ook is in het plangebied een bovengrondse opslagtank aanwezig geweest. De bodem is hier hooguit licht verontreinigd met koper, kwik, lood en PAK. Onder andere vanwege de aanwezigheid van de huidige bebouwing heeft geen nader onderzoek naar de omvang van de verontreiniging plaatsgevonden en heeft ook geen sanering plaatsgevonden. Ten behoeve van de realisatie van het beoogde bouwplan zullen bodemverstorende activiteiten plaatsvinden. Voorafgaand aan deze werkzaamheden wordt een bodemkundig onderzoek uitgevoerd, mede om de omvang van een eventuele aanwezige verontreiniging te bepalen. Mocht uit dit onderzoek blijken dat sprake is van een saneringsopgave, dan wordt hieraan gehoor gegeven. Hiervoor zijn tevens financiële middelen beschikbaar.

4.7

Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.

De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Archeologische verwachting Het plangebied wordt op de gemeentelijke Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) aangemerkt als een gebied met een redelijk tot hoge archeologische verwachting direct onder maaiveld of dieper. Hierdoor is het noodzakelijk dat bouw- en graafwerkzaamheden worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Bescherming van de archeologische waarden Op grond van de archeologische verwachting en om mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen, is in het bestemmingsplan "Blijdorp-Bergpolder" aan de gronden van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Dit betekent, dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, voor bouw- en graafwerkzaamheden met een oppervlak van meer dan 200 m2 en die dieper reiken dan 2,5 meter beneden NAP. Dit is door middel van een vergunningstelsel in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' vastgelegd en eveneens opgenomen in dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=49b40602-b6f7-4ba4-8226-18f296de658a