CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb001401] Bijlage behorende bij 22bb1400 - Rapport Risbo Gescheiden wereldenEen fenomeenonderzoek naar EU-arbeidsuitbuiting, veiligheidsbeleving ensociale cohesie in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 23 november 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Voortgang actieprogramma EU-arbeidsmigranten35.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Gescheiden werelden Een fenomeenonderzoek naar EU-arbeidsuitbuiting, veiligheidsbeleving en sociale cohesie in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk

Y. Seidler K. van der Schans M. van San Met medewerking van N. Zaharieva, P. Jarmakowicz & S. Staszewska

Colofon Gescheiden werelden. Een fenomeenonderzoek naar EU-arbeidsuitbuiting, veiligheidsbeleving en sociale cohesie in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk Y. Seidler, K. van der Schans & M. van San. Met medewerking van N. Zaharieva, P. Jarmakowicz & S. Staszewska Rotterdam: Risbo BV / Erasmus Universiteit Rotterdam Januari 2022 Erasmus Universiteit Rotterdam/Risbo Postbus 1738 3000 DR Rotterdam tel.: 010-4082124 fax: 010-4081141

2

Inhoudsopgave Voorwoord .............................................................................................................................................. 5 Samenvatting .......................................................................................................................................... 7 1.

Inleiding......................................................................................................................................... 13

2.

Onderzoeksopzet .......................................................................................................................... 15

3.

4.

5.

2.1

Doel en vraagstelling ............................................................................................................. 15

2.2

Onderzoeksmethoden .......................................................................................................... 16

Literatuurverkenning .................................................................................................................... 19 3.1

Inleiding................................................................................................................................. 19

3.2

Arbeidsuitbuiting .................................................................................................................. 19

3.3

Sociale cohesie ...................................................................................................................... 22

3.4

De woon- en werkpositie van EU-arbeidsmigranten in Rotterdam...................................... 23

3.4

Conclusie ............................................................................................................................... 26

Wijkschetsen ................................................................................................................................. 27 4.1

Profiel en wijkkenmerken ..................................................................................................... 27

4.2

Tarwewijk .............................................................................................................................. 30

4.3

Carnisse ................................................................................................................................. 30

4.4

Oud Charlois .......................................................................................................................... 31

4.5

Conclusie ............................................................................................................................... 32

Professionals en bewoners aan het woord................................................................................... 33 5.1

Werken .................................................................................................................................. 35

5.2

Wonen................................................................................................................................... 43

5.3

Leven ..................................................................................................................................... 47

5.4

Sociale cohesie ...................................................................................................................... 49

5.5

Conclusie ............................................................................................................................... 54

6

Conclusie ....................................................................................................................................... 55

7

Handelingsperspectieven.............................................................................................................. 63

Geraadpleegde literatuur ..................................................................................................................... 67 Bijlage 1: interviewleidraden ................................................................................................................ 71 Bijlage 2: respondententabel ................................................................................................................ 81 Bijlage H4 .............................................................................................................................................. 83

Voorwoord Voor u ligt het rapport ‘Gescheiden werelden. Een fenomeenonderzoek naar EU-arbeidsuitbuiting, veiligheidsbeleving en sociale cohesie in drie Rotterdamse wijken’. Dit onderzoek gaat dieper in op de verschijnselen arbeidsuitbuiting, sociale cohesie en EU-arbeidsmigratie in drie Rotterdamse wijken en onderzoekt de samenhang tussen die fenomenen. Het is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Rotterdam.

De studie is gebaseerd op de ervaringen van professionals, experts, EU-arbeidsmigranten en bewoners. Wij willen alle respondenten die hieraan hebben meegewerkt hartelijk danken voor het delen van hun kennis en ervaringen. Extra dank zijn we verschuldigd aan de medewerkers van de gemeente Rotterdam die ons tijdens inloopspreekuren in contact hebben gebracht met EU-arbeidsmigranten. Wij waren onder indruk van hun geduld, expertise en bereidheid om EU-arbeidsmigranten te helpen. Dankzij hun introductie waren veel EU-arbeidsmigranten bereid om met ons te spreken. Onze dank gaat ook uit naar de EU-arbeidsmigranten die zo moedig waren om hun verhaal te delen.

Tot slot zijn wij veel dank verschuldigd aan de leden van de klankbordgroep. Zij hebben het onderzoek met grote toewijding begeleid en van inhoudelijk commentaar voorzien. Hun aanvullingen en opmerkingen is de kwaliteit van het onderzoek ten goede gekomen.

Voor ons als onderzoekers heeft het uitvoeren van het onderzoek getoond hoe complex en relevant grootstedelijke vraagstukken zijn. Keer-op-keer blijkt dat grootstedelijke problematiek niet een zwartwit verhaal is met een begin- en eindpunt, maar dat er sprake is van geleidelijke processen die langzaam kunnen groeien totdat er problemen aan de oppervlakte komen. Wij hopen dat ons rapport de gemeente Rotterdam en andere professionals nieuwe inzichten verschaft die hen helpen om effectief beleid te maken.

Namens de onderzoekers,

Youri Seidler Rotterdam, januari 2022

Samenvatting Dit onderzoek is ingesteld naar aanleiding van de motie ‘Uitbuiting ondermijnt de sociale cohesie op Zuid’. Aanleiding voor de motie waren de zorgen binnen de gemeenteraad over arbeidsuitbuiting1, met name onder EU-arbeidsmigranten2 en de mogelijke relatie met de sociale cohesie in Carnisse, de Tarwewijk, en Oud Charlois. Met dit als doel zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: 1. Hoe is het gesteld met de sociale cohesie, scores op de veiligheidsindex en de veiligheidsbeleving in Carnisse, Tarwewijk en Oud Charlois? 2. In hoeverre komt arbeidsuitbuiting voor onder EU-arbeidsmigranten in Carnisse, Tarwewijk en Oud Charlois? 3. Is er een samenhang tussen de leef- en woonomstandigheden en arbeidsuitbuiting van EUarbeidsmigranten? Zo ja, wat is de aard van deze samenhang en welke mechanismen spelen daarbij een rol? 4. Is er sprake van een verband tussen de sociale cohesie en veiligheidsbeleving enerzijds en EU-arbeidsuitbuiting in deze wijken anderzijds? Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, is een literatuurverkenning gecombineerd met interviews met wijkprofessionals, experts op het gebied van arbeidsuitbuiting, EU-arbeidsmigranten en overige wijkbewoners. In totaal hebben we met 67 personen gesproken, verdeeld over verschillende respondentgroepen.

Het is dan ook een kwalitatief onderzoek dat niet pretendeert een representatief beeld te schetsen, maar in de eerste plaats bedoeld is om tot dieperliggende inzichten te komen over de structuren en fenomenen die samenhangen met arbeidsuitbuiting van EU-arbeidsmigranten en de sociale cohesie in Oud Charlois, Carnisse en Tarwewijk. Voordat we de onderzoeksvragen beantwoorden, merken we op dat de manier waarop we respondenten behorende tot de groep EU-arbeidsmigranten hebben geworven, via spreekuren van de gemeente Rotterdam, ertoe geleid kan hebben dat er sprake is van een vertekening in de data. Zo weten veel van de gesproken arbeidsmigranten de weg naar de spreekuren te vinden omdat zij al langere tijd in Nederland wonen. Hoe is het gesteld met de sociale cohesie, scores op de veiligheidsindex en de veiligheidsbeleving in Carnisse, Tarwewijk en Oud Charlois? Gelet op de uitkomsten van het wijkprofiel (2020) valt op dat de focuswijken onder gemiddeld scoren in het bijzonder voor wat betreft de sociale index en veiligheidsindex ten opzichte van de rest van Rotterdam. Tevens zien we dat met name de sociale index is verslechterd sinds de meting in 2018. Hoewel in het algemeen de score op de veiligheidsindex tussen 2016 en 2020 is verbeterd, blijven ook deze scores in de focuswijken achter bij de rest van Rotterdam.

Voor de fysieke index speelt het voorzieningenniveau en de woningvoorraad een belangrijke rol. Gelet op de samenstelling van de

1

In dit onderzoek hanteren we een brede definitie van arbeidsuitbuiting waaronder ook (ernstige) arbeidsbenadeling. Men spreekt van (ernstige) benadeling als er geen sprake is van arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin, maar werknemers nog altijd te maken hebben met een combinatie van intimidatie, zeer slechte arbeidsomstandigheden, onderbetaling en veel te lange werktijden. 2 Met EU-arbeidsmigranten bedoelen we alle arbeidsmigranten die vanuit een land in de Europese unie naar Nederland zijn gekomen. Omdat de Poolse en Bulgaarse arbeidsmigranten in absolute zin de grootse groepen in de wijken zijn, hebben we voor de interviews met arbeidsmigranten op deze groepen gefocust.

Samenvatting woningvoorraad valt op dat in de wijken relatief veel particuliere huurwoningen zijn en de woningvoorraad relatief oud is. Tijdens het veldwerk hebben we onder andere getoetst of het beeld dat uit het wijkprofiel naar voren komt, in de praktijk ook zo beleefd wordt. Dit lijkt grotendeels het geval. In met name Carnisse maakt een substantieel deel van de respondenten zich zorgen over de criminaliteit en andere incidenten in de wijk. Van de groep EU-arbeidsmigranten die we spreken, ontvangen we dezelfde signalen als van de andere buurtbewoners. Hoewel een deel zich veilig voelt in de buurt is er, met name onder vrouwelijke respondenten, een relatief groot deel waarbij dat niet het geval is. De arbeidsmigranten die zich zeggen onveilig te voelen in de wijk, verwijzen vaak naar plaatselijke criminaliteit als oorzaak. Voor wat betreft overlast merken professionals en respondenten op dat er op specifieke locaties, zoals pleintjes en voor bepaalde winkels, sprake is van overlast. Een deel van deze overlast zou veroorzaakt worden door EU-arbeidsmigranten in combinatie met drankgebruik. Er zijn weinig buurtbewoners die overbewoning of burenoverlast als probleem benoemen. Over het algemeen lijken gevoelens van onveiligheid en overlast niet te maken te hebben met de aanwezigheid van EU-arbeidsmigranten.

Het is vooral de criminaliteit in de wijk die tot een gevoel van onveiligheid leidt bij bewoners. De sociale cohesie in alle drie de wijken is zwak. Dit lijkt een fenomeen dat al langer speelt en niet is ontstaan als gevolg van de aanwezigheid van EU-arbeidsmigranten in de wijken. Veel buurtbewoners geven aan dat het goed gaat in de wijk wanneer mensen zich niet met elkaar bemoeien. Wat dat betreft past de groep EU-arbeidsmigranten goed in de wijken. Zij zijn op zichzelf gericht, werken veel en gaan voornamelijk om met mensen met dezelfde achtergrond. Ook maken zij veel gebruik van buurtvoorzieningen die gericht zijn op EU-arbeidsmigranten. Als gevolg van deze in zichzelf gekeerde mentaliteit in de wijken, lijkt er sprake van gescheiden samenlevingen waarbij er vooral sprake is van binding binnen de afzonderlijke groepen en geen tot amper groepsoverstijgende contacten plaatsvinden. Het bestaan van een infrastructuur gericht op EUarbeidsmigranten in de vorm van winkels, kappers en tandartsen versterkt de binding binnen deze groep en leidt ertoe dat EU-arbeidsmigranten zich in hun eigen taal redden. Hierdoor is de drempel om Nederlands te leren verhoogd. Daarbij lijkt het spreken van verschillende talen een belangrijke barrière voor het ontstaan van groepsoverstijgend contact.

Hoe wonen, werken en leven EU-arbeidsmigranten in Carnisse, de Tarwewijk en Oud Charlois? De grootste groepen EU-arbeidsmigranten in Carnisse, Tarwewijk en Oud Charlois zijn momenteel Polen en Bulgaren. Enkele andere, kleinere, onderscheiden groepen zijn Roemenen, Slowaken, Letten, Litouwers en andere groepen Oost-Europese arbeidsmigranten die extra kwetsbaar lijken vanwege hun korte verblijfsduur, het gebrek aan kennis en hun vaak kansarme achtergrond. Tot slot zijn er arbeidsmigranten die met een in Oost-Europa vergeven werkvergunning via een detacheringconstructie in Nederland werken. Deze groep is eveneens een risicogroep omdat zij zich in een schimmige wereld bevinden en via ondoorzichtige constructies in Nederland werken. De EU-arbeidsmigranten komen in de focuswijken terecht, niet omdat zij specifiek kiezen voor deze wijken, maar vanwege het beschikbare aanbod. Het is nagenoeg onmogelijk voor (pas gearriveerde) EU-arbeidsmigranten om aanspraak te maken op sociale huurwoningen of om een woning te kopen. Dit betekent dat zij afhankelijk zijn van particuliere verhuurders. Gezien de achtergrond van de overgrote meerderheid van EU-arbeidsmigranten zoeken zij met name woningen in het lagere segment. Hierdoor is het logisch, gezien de woningvoorraad in de focuswijken, dat zij daar terecht komen.

Zij betalen vaak echter woekerprijzen voor kleine slecht onderhouden woningen/kamers. Daarnaast is er een zelfversterkend fenomeen ontstaan waarbij de vestiging van relatief veel EUarbeidsmigranten in de wijk ervoor gezorgd heeft dat juist in die wijken een groot informeel netwerk is ontstaan van winkels, verhuurders en huurders.

8

Gescheiden werelden De grote meerderheid van de arbeidsmigranten werkt buiten de buurt waar zij wonen en zelfs buiten de gemeente Rotterdam. Zij werken veelal in de glastuinbouw, vleesverwerkingsindustrie of distributiecentra. Ook is een substantieel deel als ZZP’er actief in de bouw. Bij de verschillende groepen lijkt sprake te zijn van afzonderlijke circuits waarmee ze naar Nederland komen om te werken. In de meeste gevallen blijkt er facilitering vanuit het land van herkomst plaats te vinden, in de vorm van tussenpersonen die met (louche) uitzendbureaus of ondernemers contact hebben en werknemers aanleveren. Daarnaast vindt veel mond-tot-mondreclame plaats: migranten die al wat langer in Nederland wonen en werken informeren anderen over de te bewandelen wegen om in Nederland te komen werken. Eenmaal in Nederland vinden EU-arbeidsmigranten vaak werk via hun netwerk of via de vele Poolse winkeltjes. Gekeken naar de leefomstandigheden, lijkt het met een deel van de arbeidsmigranten in de wijken goed te gaan. Zij investeren in hun toekomst door Nederlands te leren en lijken definitief gekozen te hebben voor een bestaan in Nederland. Deze personen hebben inmiddels een redelijk stabiel leven en zijn over het algemeen tevreden voor wat betreft hun woon- en werkomstandigheden.

Toch is er weinig opwaartse mobiliteit zichtbaar: men blijft afhankelijk van arbeidscircuits die weinig zekerheid bieden. Een verklaring hiervoor is hun opleidings- en taalniveau, maar het kan ook samenhangen met het netwerk waarin ze verkeren. Er is echter ook een substantieel deel dat kwetsbaar is. Deze personen zijn vaak kort in Nederland, spreken de taal niet en zijn niet op de hoogte over de regels en rechten die zij hebben. Ook kan het voorkomen dat zij sterk afhankelijk zijn van een werkgever voor woonruimte of zorgverzekering. Dit maakt personen kwetsbaar voor uitbuiting. Wat is de aard en omvang van arbeidsuitbuiting onder EU-arbeidsmigranten in Carnisse, Tarwewijk en Oud Charlois? De vormen van arbeidsuitbuiting die binnen dit onderzoek genoemd zijn, sluiten aan bij het bestaande beeld. Malafide uitzendbureaus en schimmige tussenpersonen lijken daarbij een centrale rol te spelen. Arbeidsuitbuiting komt tot uiting via de huisvesting, arbeidsomstandigheden en contractuele onrechtmatigheden. Wanneer het gaat over contractuele onrechtmatigheden betreft het veelal onterechte inhoudingen op het salaris, een te laag loon, etc. De arbeidsomstandigheden hangen vaak samen met de veiligheid en werkdruk. Omdat veel EU-arbeidsmigranten die in de focuswijken wonen niet binnen de gemeente werken, is het lastig voor de gemeente Rotterdam om deze vormen direct aan te pakken.

Veel vormen van arbeidsuitbuiting lijken echter samen te hangen met de huisvesting. Volgens professionals maken de uitbuiters met name winst via de huisvesting. Door veel te hoge huren te vragen en zoveel mogelijk mensen in een kleine ruimte te zetten wordt er veel geld verdiend. Een deel van de arbeidsmigranten zou, als gevolg van de hoge huren, zelf hun kamer onderverhuren aan een bekende of familie om minder kosten te hebben. Overbewoning kan indirect tot grote gevolgen hebben. Het betreft vaak slecht onderhouden panden waar veel mensen op een kleine oppervlakte samenleven. Zij delen beperkte voorzieningen en ruimtes. Als gevolg hiervan kan overlast ontstaan, bijvoorbeeld in de vorm van geluidsoverlast en een toename van afval. Dit kan op zijn beurt de sociale cohesie onder druk zetten. Ook zijn er verhalen bekend over EU-arbeidsmigranten die buitensporig hoge boetes opgelegd krijgen voor kleine vergrijpen zoals het kwijtraken van de sleutel of het hoger zetten van de thermosstaat. Hoewel de EU-arbeidsmigranten op papier de woning vaak niet via de werkgever huren, hebben veel professionals sterke vermoedens dat er vaak een link is tussen de particuliere verhuurder en de werkgever. Het informele netwerk waar veel EU-arbeidsmigranten zich op baseren speelt daarbij een belangrijke rol bij de totstandkoming van contacten.

De omvang van arbeidsuitbuiting blijft zeer moeilijk in te schatten. De professionals die wij gesproken hebben, geven aan zich veel zorgen te maken over de werkomstandigheden en de daarmee 9

Samenvatting samenhangende woon- en leefomstandigheden. Zij komen in hun dagelijkse praktijk wel voorbeelden en aanwijzingen tegen, maar zien naar eigen zeggen slechts het topje van de ijsberg en hebben geen totaalbeeld van de omvang. De meeste voorbeelden van arbeidsuitbuiting die we zijn tegengekomen was tijdens gesprekken met Bulgaarse arbeidsmigranten. Veel professionals merken dan ook op dat er sprake lijkt van een verschuiving waarbij Poolse arbeidsmigranten door hun langere aanwezigheid in Nederland meer bewust lijken van hun rechten en als gevolg mondiger zijn geworden. Hoewel dat laatste natuurlijk niet geldt voor de Poolse arbeidsmigranten die hier nog maar recent zijn. Vermoedelijk is de verblijfsduur in Nederland en het sociale netwerk van EU-arbeidsmigranten dan ook een betere voorspeller voor de kans op arbeidsuitbuiting dan herkomst. Personen die hier korter aanwezig zijn, een beperkter sociaal netwerk hebben en minder rechten hebben, lopen het grootste risico om uitgebuit te worden. De arbeidsmigranten die hier al langer wonen hebben vaak al meer ervaring en zijn beter op de hoogte van de regels. Ook is de gedachte dat een deel van de arbeidsmigranten, die geen stabiel bestaan weet op te bouwen, ervoor kiest om terug naar het land van herkomst te gaan of naar een andere bestemming in de EU reist. Dit lijkt maar deels waar.

Er is ook een deel van de arbeidsmigranten dat na verlies van baan niet terug kan of wil en dakloos wordt. Over deze groep maken professionals zich eveneens zorgen. Is er een samenhang tussen de leef- en woonomstandigheden en arbeidsuitbuiting van EUarbeidsmigranten? Zo ja wat is de aard, richting van deze samenhang en hoe ziet dit mechanisme er in de praktijk uit? De hoofdvraag van dit onderzoek is of de afname van sociale cohesie en andere negatieve ontwikkelingen, die uit het wijkprofiel naar voren komen, verklaard kunnen worden als gevolg van arbeidsuitbuiting die in de focuswijken plaatsvindt. Het is lastig om deze vraag op basis van dit onderzoek te beantwoorden. Wel kan er gesteld worden dat er sprake is van samenhang tussen lage sociale cohesie en arbeidsuitbuiting. In figuur 1 staat schematisch weergegeven welke factoren een rol spelen bij het beantwoorden van de onderzoeksvraag. We onderscheiden daarbij drie factoren die van invloed zijn op de wijk en de positie van EU-arbeidsmigranten daar, namelijk ‘Arbeidsuitbuiting van EU-arbeidsmigranten’, ‘lage sociale cohesie en fysieke wijkkenmerken’ en ‘de concentratie van EU-arbeidsmigranten’.

10

Gescheiden werelden

Figuur 1: model samenhang arbeidsuitbuiting en lage sociale cohesie Carnisse, Tarwewijk en Oud Charlois Bron: Risbo, eigen bewerking

Het model toont een samenhang tussen de verschillende factoren en welke variabelen onder andere van invloed zijn op de situatie in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk. Welke richting deze samenhang heeft en welk verband het sterkst is, valt moeilijk te bepalen. Zo kan beredeneerd worden dat de lage sociale cohesie, waaronder een beperkte sociale controle en laag vertrouwen in instanties, ertoe leidt dat uitbuiting in de vorm van huisvesting plaats kan vinden. Doordat in de wijken een mentaliteit bestaat waarbij mensen zich niet met elkaar bemoeien, kunnen misstanden langer bestaan en zal er vanwege een laag vertrouwen in de overheid minder snel gerapporteerd worden. Ook weten uitbuiters dat in deze wijken ook weinig omgekeken wordt naar elkaar en de meldingsbereidheid laag is. Met andere woorden een lage sociale cohesie kan een faciliterende factor zijn van arbeidsuitbuiting. Tegelijkertijd zien we dat arbeidsuitbuiting kan leiden tot een verslechtering van de sociale cohesie. Uitbuiting in de vorm van slechte huisvesting en overbewoning kan ertoe leiden dat mensen overlast ervaren, er meer afval op straat ligt en het leefklimaat in de wijken achteruitgaat. Daarnaast leiden criminaliteit en overlast tot een laag veiligheidsgevoel in de wijken. Arbeidsuitbuiting lijkt dan ook niet de oorzaak of belangrijkste reden voor de lage sociale cohesie in de focuswijken.

Deze lijkt al jaren zwak. Maar we kunnen wel stellen dat het een versterkende factor is. Zoals eerder gezegd, is er afgezien van delen in Oud Charlois sprake van een lage sociale cohesie als gevolg van de hoge doorstroom in de wijken en een in zichzelf gekeerde mentaliteit. Bewoners lijken nauwelijks groepsoverstijgende contacten te hebben en ook het contact met buren lijkt beperkt. Hoewel de aanwezigheid van EU-arbeidsmigranten veelal niet als een probleem wordt gezien, houdt hun concentratie in de wijken, onbedoeld wel de lage sociale cohesie in stand. De belangrijkste factor daarbij is de taalbarrière. Uit het onderzoek blijkt duidelijk dat een taalbarrière een van de – of zelfs de belangrijkste – belemmeringen is in het contact met buren van andere herkomstgroepen. Het leidt ertoe dat men in eerste instantie terugvalt op familie, vrienden en in sommige gevallen buren uit dezelfde herkomstgroep wanneer er hulp nodig is.

11

Samenvatting Door de grote concentratie van EU-arbeidsmigranten in de wijken zijn van elkaar gescheiden samenlevingen ontstaan waardoor er voor veel arbeidsmigranten geen noodzaak is om Nederlands te leren. Zij kunnen nagenoeg alles regelen in de eigen taal bij voorzieningen die in de wijken beschikbaar zijn. De arbeidsmigranten zijn in deze geen schuldige of te lui om de taal te leren, maar dit is eerder een gevolg van de manier waarop het leven en werken in Nederland is ingericht. Alles lijkt er door zowel bonafide werkgevers als (potentiële) uitbuiters bewust en onbewust op gericht te zijn om de groepen gescheiden en op zichzelf gericht te houden. Zo werken veel arbeidsmigranten alleen samen met landgenoten en worden zij in het land van herkomst geworven. In sommige gevallen zijn dit logische keuzes, bijvoorbeeld om goed te kunnen communiceren op de werkvloer. Door de concentratie van EU-arbeidsmigranten in een aantal specifieke wijken is het niet meer dan logisch dat als gevolg van vraag en aanbod ook meer voorzieningen gericht op EU-arbeidsmigranten zijn ontstaan. Tot slot geven veel arbeidsmigranten aan dat zij veel werken en weinige vrije tijd hebben. De beschikbare vrije tijd brengen zij vaak door met vrienden of familie buiten de wijken.

Middels dit onderzoek hebben wij getracht een eerste aanzet te geven voor de manier waarop sociale cohesie en arbeidsuitbuiting elkaar beïnvloeden in een klein gedeelte van Rotterdam. De uitkomsten wijzen erop dat er sprake is van een wisselwerking waarbij het niet eenvoudig is om een oorzaakgevolg aan te wijzen of om te bepalen welke verbanden er zijn, hoe sterk die verbanden zijn en welke richting ze opgaan. Bij het opstellen van nieuw beleid zou er daarom gekozen moeten worden voor een integrale aanpak. De focus ligt daarbij op het versterken van de sociale cohesie wijkbreed, het tegengaan van negatieve kanten van de informele netwerken, het vergroten van kennis en zelfredzaamheid onder EU-arbeidsmigranten en het slechten van de taalbarrière. Misstanden die betrekking hebben op de werkomstandigheden en contracten spelen op nationaal niveau. Vanuit het Rijk zou het goed zijn als er werk wordt gemaakt van het reguleren van de uitzendbranche, bijvoorbeeld door het opzetten van een betekenisvol keurmerk. Op de manier kunnen ook bedrijven die uitzendbureaus verantwoordelijk worden gehouden wanneer zij met malafide uitzendbureaus in zee gaan.

12

1.

Inleiding Op 6 september 2021 maakte Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, Herman Bolhaar, bekend in Nieuwsuur dat het aantal meldingen van arbeidsuitbuiting de afgelopen jaren enorm was toegenomen. In 2020 werden 449 meldingen geregistreerd, in 2019 waren dat er nog 261: een toename van ruim 70 procent. Een opvallende stijging vond Bolhaar, omdat er al jaren sprake was van een duurzame trend: het aantal schommelde altijd tussen de 200 en 250 meldingen. Maar ook de 449 meldingen van het afgelopen jaar zouden volgens hem maar een topje van de ijsberg zijn. "Veel uitbuiting is onzichtbaar” zei hij, “omdat de slachtoffers er vaak niet meteen belang bij hebben om naar voren te komen. Ze zijn bijvoorbeeld bang hun baan kwijt te raken. Het probleem is veel groter dan deze cijfers aangeven." 3 Het Coördinatiecentrum tegen mensenhandel (Comensha) verzamelt jaarlijks de cijfers over uitbuiting van de politie, inspectie SZW en hulporganisatie Fairwork. Volgens hen had de grote toename waarover Bolhaar sprak onder andere te maken met de coronacrisis. Tijdens de coronacrisis zou de problematiek namelijk veel zichtbaarder zijn geworden. Maar daarnaast zou de media-aandacht voor arbeidsuitbuiting ervoor hebben gezorgd dat meer mensen melding maakten van misstanden.

Bij de gemeente Rotterdam ontstonden ook zorgen over arbeidsuitbuiting, met name onder EUarbeidsmigranten. De stad heeft een steeds groter aandeel arbeidsmigranten met een EUachtergrond. Deze kwetsbare arbeidsmigranten wonen vaak geconcentreerd in Rotterdamse wijken die eveneens kwetsbaar zijn, zoals blijkt uit lager dan gemiddelde scores op de veiligheidsindex en het wijkprofiel. De combinatie van het wijkprofiel (bijvoorbeeld samenstelling qua type woningen) met de zwakke positie en de lage binding van een deel van de EU-arbeidsmigranten met Nederland, leidde bij de Rotterdamse gemeenteraad tot zorgen over de sociale cohesie in kwetsbare gebieden in Rotterdam. Naar aanleiding van de motie Uitbuiting ondermijnt de sociale cohesie op Zuid wilde de gemeente door middel van fenomeenonderzoek inzicht krijgen in de relatie tussen arbeidsuitbuiting en -benadeling enerzijds en de mate van sociale cohesie anderzijds. Daarnaast wilde zij onderzocht hebben waarom de veiligheidsindex in wijken op Zuid (bijvoorbeeld Carnisse) achterloopt ten opzichte van andere wijken, en of dit ‘achterlopen’ samenhangt met arbeidsmigratie en ondermijnende criminaliteit op Rotterdam-Zuid. Dit vormt de aanleiding voor het huidige onderzoek.

3

NOS, Meldingen arbeidsuitbuiting met 70 procent toegenomen, 6 september 2021.

2.

Onderzoeksopzet

2.1 Doel en vraagstelling De gemeente wenst inzicht te krijgen in factoren die van invloed zijn op de sociale cohesie in wijken die slecht scoren op de veiligheidsindex en wil weten in hoeverre dit samenhangt met de mate van arbeidsuitbuiting4 in wijken waar relatief veel EU-arbeidsmigranten wonen. Deze combinatie maakte dit tot een complex onderzoek. Zo dient ervoor gewaakt te worden dat de resultaten niet gestuurd worden. Onze ervaring is dat wanneer respondenten bevraagd worden over negatieve aspecten van EU-arbeidsmigratie, zoals uitbuiting, en het gesprek vervolgens over sociale cohesie gaat, de perceptie van de respondenten beïnvloed kan zijn. Het is natuurlijk goed mogelijk dat de aanwezigheid van EUarbeidsmigranten van invloed is op de sociale cohesie in Rotterdamse wijken. Dit hoeft echter niet de enige of belangrijkste verklarende variabele te zijn. De onderzoekers dienen daarom een objectieve benadering te bewaken. We hebben er daarom voor gekozen om de ontwikkeling van de sociale cohesie en EU-arbeidsuitbuiting als op zichzelf staande fenomenen te beschouwen. Nadat we deze in kaart hebben gebracht, onderzoeken we de verbanden daartussen. Om deze reden hebben wij de onderzoeksvraag opgedeeld in vier delen: 5.

Hoe is het gesteld met de sociale cohesie, scores op de veiligheidsindex en de veiligheidsbeleving in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk? • Hoe kunnen de cijfers over sociale cohesie en veiligheidsbeleving in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk uit het Wijkprofiel 2020 worden geduid? • In hoeverre voelen wijkbewoners zich veilig en welke factoren hebben invloed op de beleving van veiligheid? 6. Wat is de aard en omvang van arbeidsuitbuiting onder EU-arbeidsmigranten in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk? • Wat is er bekend over arbeidsuitbuiting van EU-arbeidsmigranten in Rotterdam? • Waar doet het zich voor? • Welk deel van de EU-arbeidsmigranten heeft ermee te maken? • Op welke wijze vindt het plaats? • Welke mechanismen en factoren spelen een rol bij arbeidsuitbuiting? • Welke andere factoren spelen een rol bij EU-arbeidsuitbuiting? 7. Is er een samenhang tussen de leef- en woonomstandigheden en arbeidsuitbuiting van EUarbeidsmigranten? Zo ja wat is de aard, richting van deze samenhang en hoe ziet dit mechanisme er in de praktijk uit? • Wat is er bekend over de wijze waarop EU-arbeidsmigranten in Rotterdam(-Zuid) wonen, werken en leven? • Wat is er bekend over de positie van EU-arbeidsmigranten op de woningmarkt? Is er een beeld over de “doorstroom”,

4

In dit rapport sluiten we met het begrip arbeidsuitbuiting aan bij de definitie zoals deze door de opdrachtgever geformuleerd is, namelijk: diverse vormen van benadeling en dan vooral in de vorm van slechte arbeidscontracten, slechte huisvesting, overbewoning, hoge huren, geen of slechte huurcontracten. Wanneer er wordt gesproken over arbeidsuitbuiting wordt daar dus ook (ernstige) benadeling mee bedoeld.

Hoofdstuk 2 • • •

In welke mate nemen EU-arbeidsmigranten in Rotterdam-Zuid deel aan het economisch verkeer (verrichten van arbeid)? Wat is er bekend over hun positie in de maatschappij en hun maatschappelijke inzet5? In hoeverre zijn eventuele slechte leef- en woonomstandigheden van EUarbeidsmigranten een gevolg van factoren die samenhangen met arbeidsuiting?

8. Is er sprake van samenhang tussen de sociale cohesie en veiligheidsbeleving en EUarbeidsuitbuiting in deze wijken? • Zo ja, wat voor samenhang? Welke gevolgen heeft dit voor de sociale cohesie en veiligheidsbeleving en voor wie?

2.2 Onderzoeksmethoden Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, hebben we een literatuurverkenning gecombineerd met interviews en gebiedsanalyses in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk. In dit hoofdstuk lichten we toe op welke manier deze verschillende onderzoeksmethoden zijn toegepast. Literatuurverkenning In het (recente) verleden heeft de gemeente Rotterdam verschillende onderzoeken laten uitvoeren naar de positie van EU-arbeidsmigranten. Daarnaast zijn er verscheidende landelijke onderzoeken die inzicht verschaffen in het leven van EU-arbeidsmigranten. Ook naar sociale cohesie en veiligheidsbeleving zijn talloze lokale en landelijke onderzoeken verricht. We hebben deze kennis gebundeld en presenteren deze in wat volgt kort en bondig. Bij het uitvoeren van de literatuurverkenning lag de focus op twee aspecten. Ten eerste hebben we geïnventariseerd wat er bekend is over arbeidsuitbuiting in Rotterdam en over de positie van EUarbeidsmigranten op de arbeids- en woningmarkt en in het overige maatschappelijke leven. We hebben daarvoor geput uit een groot aantal onderzoeken en rapporten. Ten tweede hebben we getracht om een beeld te krijgen van relevante begrippen als sociale cohesie en veiligheidsbeleving en aan de hand van welke aspecten deze gemeten kunnen worden.

Onderdeel hiervan waren de werking van de veiligheidsindex te doorgronden en de ontwikkelingen door de tijd te duiden. Om een indicatie te kunnen geven van (veranderingen in) de sociale cohesie en veiligheidsbeleving, zijn de cijfers hierover uit het Wijkprofiel en andere beschikbare bronnen bestudeerd.4 Veldwerk Vervolgens hebben we een theoretisch kader opgesteld waarin de belangrijkste aspecten van arbeidsuitbuiting en sociale cohesie benoemd zijn. Dit kader vormde de basis voor de interviewleidraden die werden ingezet tijdens het veldwerk. Gaandeweg het onderzoek zijn de interviewleidraden doorontwikkeld op basis van de uitkomsten van de gesprekken. De leidraden voor de interviews zijn te vinden in bijlage 1. Het veldwerk bestond uit drie fases. De eerste fase richtte zich op het verkrijgen van een indruk van de wijken om latere data goed te kunnen interpreteren. Aan de hand van interviews met professionals die actief zijn in de wijk, wijkbezoeken en gegevens uit onder andere het wijkprofiel, hebben we een beeld gevormd van de wijken in het algemeen (de sfeer, problematiek, relevante locaties, et cetera).

5

Met maatschappelijke inzet bedoelen we hier: actieve deelname aan het verenigingsleven, hulp aan buren, zorg voor hulpbehoevende naasten, sociale steun aan buurtgenoten en inzet voor maatschappelijke doelen. Dit sluit aan bij verschillende aspecten van sociale cohesie, zoals solidariteit en buurtrelaties.

16

Onderzoeksopzet Waar mogelijk zijn we specifiek ingegaan op de sociale cohesie en de invloed hierop van het relatief grote aantal aanwezige EU-arbeidsmigranten in de wijken. Hiervoor hebben we eerst gesproken met de initiatiefnemers van de motie ‘Uitbuiting ondermijnt de sociale cohesie op Rotterdam-Zuid’. Aan hen hebben we gevraagd wat de herkomst van de motie was en waar de signalen over arbeidsuitbuiting en de gevolgen daarvan voor de sociale cohesie specifiek vandaan kwamen . Vervolgens hebben we geprobeerd zelf een beeld te krijgen van de wijken waar het om gaat. Hiervoor hebben we gesproken met wijkmanagers, handhavers en andere professionals die actief zijn in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk. In de tweede fase van het veldwerk hebben we interviews gedaan met experts op het gebied van EUarbeidsmigranten en arbeidsuitbuiting, waarbij we hebben gevraagd naar de werksituatie, woonsituatie en signalen of voorbeelden van arbeidsuitbuiting. In deze interviews vroegen we naar zo concreet mogelijke voorbeelden van arbeidsuitbuiting, de omvang van het probleem en of er kenmerken te benoemen zijn van EU-arbeidsmigranten die ermee te maken krijgen. Daarnaast hebben we gevraagd naar het beeld dat de experts hebben van het sociale leven van de EU-migranten.

Bij de interviews met experts hebben we een mix gezocht van zowel lokale experts (maatschappelijk middenveld actief in de wijk) als experts op het gebied van arbeidsrecht/-uitbuiting. Er is met verschillende maatschappelijke instanties gesproken en met verschillende medewerkers van de gemeente. Een aantal gespreken met medewerkers van de gemeente leerden ons meer over de wijken alsook over de situatie van arbeidsmigranten.5 Bij het spreken met nationale instanties hebben we in de gesprekken zoveel mogelijke gefocust op de Rotterdamse situatie. In de eerste en tweede fase hebben we in totaal 27 gesprekken met experts gevoerd. Tot slot hebben wij in de derde fase concrete ervaringen van buurtbewoners in kaart gebracht, onder wie een deel EU-arbeidsmigranten en een deel overige bewoners. Het doel van deze gesprekken was om een beeld te krijgen van het sociale leven en de sociale samenhang binnen de wijken en om voorbeelden van de woon- en werksituaties van EU-arbeidsmigranten te verzamelen. Deze voorbeelden zijn vooral bedoeld om een verdiepend (in plaats van representatief) beeld te geven. Voor het bereiken van EU-arbeidsmigranten zijn we vindplaatsgericht te werk gegaan, door mensen te benaderen bij spreekuren die de gemeente faciliteert in (de buurt van) de wijken.

Bij het uitvoeren van de interviews met EU-arbeidsmigranten is ernaar gestreefd om een veilige situatie te creëren waarin EU-arbeidsmigranten zich veilig genoeg voelden om hun verhaal te doen over dit gevoelige onderwerp en ook durfden te vertellen over eventuele misstanden. Dit betekent dat gesprekken privé uitgevoerd werden en anonimiteit gewaarborgd was. Daarnaast wilden we respondenten de mogelijkheid wilden bieden om hun verhaal in hun eigen taal te doen. Met dit doel zijn twee Poolssprekende en een Bulgaarssprekende studentassistenten ingezet om tijdens de gesprekken te mediëren. Om de gesprekken bondig te houden zodat mensen gemotiveerd bleven mee te doen, hebben we in de gesprekken met EU-migranten gefocust op vragen die betrekking hebben op de sociale cohesie, zoals hoe zij het leven in Rotterdam, het contact met de buren, de veiligheid in de buurt, en eventuele overlast en spanningen ervaren. Ervaringen van arbeidsmigranten die te maken hebben met de arbeids- en woonsituatie zijn gebruikt als voorbeelden ter aanvulling op data uit de gesprekken met experts. Wanneer respondenten toestemming gaven, zijn de gesprekken opgenomen en door de studentassistenten uitgewerkt tot een samenvatting. In andere gevallen zijn aantekeningen gemaakt en is op basis hiervan een samenvatting gemaakt.

Om overige buurtbewoners te spreken te krijgen, hebben we per wijk op openbare plekken (parken, bushaltes, etc.) mensen benaderd voor een kort gesprek. Deze gesprekken zijn niet opgenomen, in plaats daarvan zijn aantekeningen gemaakt. Wederom lag de focus op sociale cohesie. Om de antwoorden van de respondenten zo min mogelijk te sturen maar toch een beeld te krijgen van hun ervaringen met de aanwezigheid van EU-migranten in de wijk, zijn hier pas aan het eind van de gesprekken enkele korte vragen over gesteld. 17

Hoofdstuk 2 Het is mogelijk dat de manier waarop wij arbeidsmigranten hebben geworven voor deelname aan dit onderzoek, , van invloed is geweest op de data. Zo weten veel van de arbeidsmigranten die wij spraken de weg naar de spreekuren te vinden omdat zij al langere tijd in Nederland wonen. Deze gesprekken lijken daarom voornamelijk een beeld te geven van de situatie van EU-arbeidsmigranten die al langere tijd in Nederland verblijven. Verslaglegging en analyse De Nederlandstalige interviews met wijkprofessionals en experts zijn met toestemming opgenomen en getranscribeerd. In één geval zijn in plaats daarvan gedetailleerde aantekeningen gemaakt. De gesprekken met EU-migranten die niet in het Nederlands zijn gevoerd, zijn door studentassistenten samengevat. Van de straatinterviews met bewoners zijn gedetailleerde aantekeningen gemaakt. De gespreksopnames, aantekeningen en verslagen dienden als naslag voor de onderzoekers bij het schrijven van de rapportage. De uitwerkingen zijn gecodeerd aan de hand van een codelijst (gebaseerd op de gebruikte interviewleidraden) in het programma Atlas.ti, dat is ontwikkeld om structuur aan te brengen in de codering en analyse van kwalitatieve data.

Tijdens de analysefase hebben verschillende onderzoekers afzonderlijk van elkaar de data geanalyseerd om vervolgens met elkaar in overleg tot de conclusies en een antwoord op de onderzoeksvragen te komen (het vier-ogen principe).

18

3.

Literatuurverkenning

3.1 Inleiding In dit onderzoek wordt gekeken naar arbeidsuitbuiting van EU-arbeidsmigranten en de eventuele invloed daarvan op de sociale cohesie in drie Rotterdamse wijken. Eerst wordt ingegaan op de definities van arbeidsuitbuiting en sociale cohesie. Vervolgens wordt kort besproken wat er bekend is over de positie van EU-arbeidsmigranten in Nederland.

3.2 Arbeidsuitbuiting Het is bekend dat er in Nederland en andere Europese landen sprake is van misstanden op de arbeidsmarkt. Wat echter onduidelijk is, is in hoeverre er sprake is van arbeidsuitbuiting, vooral omdat de reikwijdte van arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin niet helder is. Wel bestaat er een redelijk beeld van de mechanismen die werknemers en sectoren kwetsbaar maken voor uitbuiting. Toch is het de vraag of die kennis voldoende wordt benut om slachtoffers en daders van arbeidsuitbuiting te identificeren. Daarom, zo stelt de Nationaal Rapporteur, moet er op lokaal niveau veel meer worden geïnventariseerd welke sectoren en werknemers kwetsbaar zijn voor uitbuiting (Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, 13). Dit onderzoek is een poging in die richting. Het is niet eenduidig wat arbeidsuitbuiting precies is Er is de laatste jaren veel geschreven over arbeidsuitbuiting, maar er is geen eenduidige definitie van wat het precies is. In de (internationale) literatuur worden verschillende termen gebruikt, zoals arbeidsuitbuiting (Bogaerts, Plooij & Zoetekouw, 2010), slavernijachtige uitbuiting (Van der Leun & Vervoorn, 2004), labor exploitation, labor trafficking, forced labor en modern slavery (Van Meeteren & J. Hiah, 2019).

De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld bij Kinderen omschrijft arbeidsuitbuiting als ‘een vorm van mensenhandel waarbij sprake is van gedwongen of verplichtte arbeid of dienstverlening zonder seksuele component’ (Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld bij Kinderen, 2021).6 Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid spreekt over een ‘combinatie van ernstige en vaak onmenselijke situaties op de werkvloer zoals onderbetaling en fysieke/psychische druk’ (Ministerie van SzW, 2010). De kern van arbeidsuitbuiting bestaat vaak uit het creëren van een financiële binding door arbeidskrachten in een permanente afhankelijkheidspositie te houden. Dwang, geweld, dreiging, afpersing, fraude en misleiding spelen daarbij vaak een rol (Inspectie SZW 2019, 7). Bij dergelijke problematische werkomstandigheden is echter niet altijd strikt sprake van dwang. In de literatuur wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen arbeidsuitbuiting en (ernstige) benadeling. Men spreekt van (ernstige) benadeling als er geen sprake is van arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin, maar werknemers nog altijd te maken hebben met een combinatie van intimidatie, zeer slechte arbeidsomstandigheden, onderbetaling en veel te lange werktijden (Inspectie SZW 2019, 35).

Het Rotterdamse gemeentebestuur spreekt over arbeidsuitbuiting wanneer ‘mensen onder dwang tegen geen of geringe vergoeding arbeid verrichten’. Dit hangt mede af van de aard en de duur van de werkzaamheden, de dwang, de mate van beperkingen en financieel gewin. Wanneer dit niet kan worden bewezen, maar er wel sprake is van onderbetaling en/of te lange werkdagen, wordt gesproken over ‘ernstige benadeling’ (Inspectie SZW 2019, 18). Voor dit onderzoek is gekozen voor een brede definitie van arbeidsuitbuiting waaronder ook (ernstige) arbeidsbenadeling valt en komen arbeidsuitbuiting en -benadeling vaak samen of afgewisseld voor. Daaronder vallen in elk geval 6

Seksuele arbeidsuitbuiting (zoals illegale prostitutie) wordt als een apart fenomeen gedefinieerd en behandeld.

Hoofdstuk 3 vormen van mensenhandel waarbij sprake is van diverse vormen van benadeling, bijvoorbeeld in de vorm van slechte arbeidscontracten, slechte huisvesting, overbewoning, hoge huren en geen of slechte huurcontracten. Wanneer in dit rapport gesproken wordt over arbeidsuitbuiting wordt daar ook arbeidsbenadeling mee bedoeld. Er is weinig zicht op de omvang van arbeidsuitbuiting De omvang van arbeidsuitbuiting is op basis van de beperkt beschikbare jurisprudentie lastig in te schatten. Door het beperkte aantal zaken van vermoedelijke arbeidsuitbuiting dat door het huidige systeem van toezicht, handhaving en opsporing naar boven komt en voor de rechter wordt gebracht, is de invulling van het begrip nog onvoldoende helder. Er is daardoor geen goed beeld van de manier waarop misstanden in de relatie tussen werkgever en werknemer leiden tot het delict arbeidsuitbuiting. Met name de scheidslijn tussen ernstige benadeling en arbeidsuitbuiting is niet helder. Bij ernstige benadeling gaat het vaak om gevallen van malafide werkgevers die hun werknemers ernstig onderbetalen, hen laten werken in slechte omstandigheden of andere grove overtredingen van de arbeidswetten begaan, terwijl er geen sprake is van aantoonbaar fysiek geweld of misbruik van een kwetsbare positie (NCTV 2017, 47).

Enkel aan de hand van het beperkt aantal zaken waarin de rechter een uitspraak heeft gedaan kan geen duidelijk beeld worden verkregen van de omvang en uitingsvormen van arbeidsuitbuiting in Nederland. Bovendien komen waarschijnlijk veel gevallen van arbeidsuitbuiting niet aan het licht vanwege de lage zelfidentificatie onder de slachtoffers (Tielbaard, Van Meeteren & Commandeur, 2016; Van Meeteren & J. Hiah, 2019). Er is weinig zicht op wie de slachtoffers zijn van arbeidsuitbuiting De Slachtoffermonitor mensenhandel 2015-2019 laat zien dat er weinig zicht is op wie de slachtoffers zijn van arbeidsuitbuiting (Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, 2020). Wel zijn er aanwijzingen dat vooral arbeidsmigranten er slachtoffer van worden door hun zwakke arbeidsmarktpositie. Ze hebben vaak een laag loon, een onzeker (tijdelijk) contract, en zijn voor hun werk veelal afhankelijk van uitzendbureaus. Daarmee zijn zij in potentie kwetsbaarder voor uitbuiting. Vaak worden ze voor werk in Nederland geworven met misleidende of leugenachtige voorlichting (Inspectie SZW, 2019, 36). De arbeidsmigranten zijn vaak afhankelijk van hun werkgever en verkeren in slechte werk-, woon- en leefomstandigheden. Dit is aantrekkelijk voor de werkgever, omdat hij op deze manier relatief goedkoop kan produceren of diensten kan leveren.

De werknemers schikken zich vaak lange tijd in hun lot omdat zij niet beter weten of vanwege hun kwetsbare positie onder druk worden gezet met subtiele dwangmiddelen. Bovendien kan een voortdurende uitbuitingssituatie de kans vergroten dat slachtoffers na verloop van tijd ook met (de dreiging van) fysieke dwangmiddelen geconfronteerd worden (Postman & Van Wijk, 2012). Dwyer et al (2011) laten zien dat het immigratiebeleid in het algemeen – en met name de sociaaljuridische status – bepaalde immigranten kwetsbaarder maakt voor arbeidsuitbuiting. Zij spreken over een complexe ‘hiërarchie van kwetsbaarheid’ die de mogelijkheden van bepaalde groepen immigranten aanzienlijk beperkt. Immigranten wier basisrechten in het gastland afhankelijk zijn van specifieke regels die betrekking hebben op hun immigratiestatus, kunnen kwetsbaar zijn voor arbeidsuitbuiting. Het betreft voornamelijk immigranten wiens verblijfsrecht afhangt van het hebben van betaald werk, migranten die in mindere mate op de hoogte zijn van hun rechten of migranten die niet gemachtigd zijn om te werken op grond van het nationale migratierecht.

Zo heeft in de EU het vrije verkeer van werknemers invloed op het arbeidsaanbod in de ontvangende lidstaten en worden lokale werknemers soms vervangen door immigranten, wat een negatieve invloed kan hebben op de lokale arbeidsomstandigheden; EU-arbeidsmigranten, die vaak aan de genoemde risicofactoren voldoen, zijn hiermee kwetsbaar voor uitbuiting. 20

Literatuurverkenning Hoewel de kwetsbaarheid voor arbeidsuitbuiting zich niet beperkt tot migranten en niet alle migranten kwetsbaar zijn voor arbeidsuitbuiting, lopen bepaalde categorieën migranten, zoals irreguliere migranten, het grootste risico hiermee te maken te krijgen. Toch zijn er ook steeds meer aanwijzingen dat migranten die te maken krijgen met arbeidsuitbuiting op een legale manier gemigreerd zijn naar de landen waar de misstanden plaatsvinden. Daarnaast neemt de kennis toe over de manier waarop arbeidsuitbuiting gefaciliteerd wordt door tijdelijke arbeidsprogramma’s die de toegang tot de arbeidsmarkt en de sociale rechten voor migranten beperken (Van Meeteren & Heideman, 2021). Wat deze groep betreft bestaat er bovendien bewijs dat werkgevers hun arbeidsrechten schenden (Wagner & Berntsen, 2016). Als we specifiek kijken naar EU-arbeidsmigranten, is opmerkelijk dat we niet goed weten hoeveel van hen er in Nederland wonen en werken. Volgens de meest recente cijfers zijn er momenteel 532.660 EU-arbeidsmigranten in Nederland aanwezig (Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten, 2020). Het daadwerkelijke aantal in Nederland aanwezige EU-arbeidsmigranten zal echter hoger zijn.

Het is bekend dat een deel van de EU-arbeidsmigranten niet geregistreerd staat terwijl dit gezien de duur van hun verblijf wel zou moeten (in de BRP of RNI), waardoor zij in het bijzonder meer risico lopen uitgebuit/benadeeld te worden op het gebied van arbeid en wonen (Seidler et al 2017). Vermoedelijk is met name bij nieuwe EU-bewoners, die tijdelijke huisvesting en werk hebben gevonden, sprake van vormen van (arbeids)uitbuiting, intimidatie en onbekendheid met hun rechten en plichten, en minder bij de inmiddels geïntegreerde EU-migranten (Gemeente Rotterdam, 2021, 6). Er is weinig zicht op wie de daders zijn van arbeidsuitbuiting Post en Van Wijk (2012) deden een dossieranalyse van alle opsporingsonderzoeken naar arbeidsuitbuiting die de ISZW-DO tussen 2005 en 2011 uitvoerde. Zij concludeerden dat vooral mannelijke ondernemers van middelbare leeftijd met een buitenlandse achtergrond, relatief jonge mannelijke landgenoten uitbuiten. Dit doen zij met name in de horeca, land- en tuinbouw en huishoudelijk werk, door werknemers veel en lange werkdagen te laten maken. Ook uit onderzoek van Van Meeteren en Heideman (2021) blijkt dat immigranten de overgrote meerderheid van de slachtoffers van mensenhandel vormen, maar ook een groot deel van de daders.

Van Meeteren en Van der Leun (2018; 2021) concludeerden dat er veel gevallen zijn waarin particulieren, huishoudens of kleine bedrijven verantwoordelijk zijn voor arbeidsuitbuiting. Zij merkten op dat arbeidshandel in vergelijking met andere vormen die bestempeld worden als georganiseerde misdaad, zoals drugshandel, niet dusdanig veel organisatie lijkt te vereisen dat er meerdere mensen bij betrokken moeten worden. Volgens hen is het relevant om een onderscheid te maken tussen arbeidshandel die voortkomt uit economisch opportunisme en arbeidshandel die plaatsvindt in criminele omgevingen. Volgens Van Meeteren en Heideman (2021) moet het grootste deel van de arbeidshandel worden gezien als een bijproduct van arbeidsmigratie en komt arbeidshandel veel vaker voort uit economisch opportunistische motieven van bedrijven dan in criminele omgevingen. Het lijkt erop dat het grootste deel van de arbeidshandel in Nederland genesteld is in legitieme markten en wordt gepleegd door legitieme bedrijven en hun eigenaren, vanuit economisch opportunistische motieven (Van Meeteren & Heideman 2021). In welke sectoren vindt arbeidsuitbuiting plaats? Arbeidsuitbuiting lijkt vooral voor te komen in sectoren waar behoefte is aan ongeschoolde en goedkope arbeidskrachten.

De sectoren waarin het plaatsvindt worden ook weleens omschreven als plaatsen waar als ‘dirty, dangerous en degrading’ aangeduide werkzaamheden worden verricht (Inspectie SZW, 2019). Het gaat vaak om laagbetaalde, laaggeschoolde en flexibele arbeid in sectoren 21

Hoofdstuk 3 zoals de bouw, land- en tuinbouw, distributie, schoonmaak of de vleesverwerkende industrie. Recente cijfers van CoMensha geven een overzicht van de sectoren waar arbeidsuitbuiting het meeste voorkomt (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1: Bij CoMensha gemelde slachtoffers van arbeidsuitbuiting naar sector (totaal 2015-2019, n=1.088)

In Nederland werken vooral arbeidsmigranten in deze sectoren (Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld bij Kinderen, 2020). Het is dan ook aannemelijk dat zij vooral het slachtoffer worden van arbeidsuitbuiting.

3.3 Sociale cohesie In dit onderzoek wordt gekeken of misstanden op de arbeidsmarkt ook van invloed zijn op de sociale cohesie in wijken die vaak al te maken hebben met verschillende soorten problematiek. Zo scoren de wijken waar we ons op focussen, al jaren beneden het Rotterdamse gemiddelde op het wijkprofiel. Om een mogelijk relatie tussen arbeidsuitbuiting en sociale cohesie te kunnen onderzoeken, dienen we sociale cohesie eerst te definiëren. Sociale cohesie is een paraplubegrip dat vanaf het midden van de jaren negentig in zwang raakt in Europese context. Aanvankelijk wordt sociale cohesie van belang geacht om de (sociale) stabiliteit te waarborgen, wat de economische groei ten goede komt. In de loop der jaren verandert de definitie van het construct en wordt het een meer opzichzelfstaand begrip dat gebruikt wordt om verbondenheid en samenhang in de maatschappij te duiden. Volgens de momenteel gangbare definitie heeft sociale cohesie betrekking op wat een gemeenschap bij elkaar houdt en op het vermogen van burgers om samen te leven en werken. Het is het sociale 22

Literatuurverkenning cement van de samenleving. In dit onderzoek sluiten we aan bij de definitie die De Hart (2002: 12) gaf in de SCP-publicatie Zekere banden: sociale cohesie is “…de mate waarin bewoners gemeenschappelijke waarden delen, er sprake is van een zekere sociale controle, van de aanwezigheid en interdependenties van sociale netwerken (...), van vertrouwen in andere bewoners en de bereidheid om samen met hen te zoeken naar oplossingen voor collectieve problemen.” Deze definitie volgend, zien we dat sociale cohesie zowel een gedragscomponent als een houding(attitude) of opvattingscomponent heeft. Bij gedrag gaat het bijvoorbeeld om de onderlinge sociale relaties binnen een groep of gemeenschap en de onderlinge steun (emotioneel of materieel) die binnen het netwerk daadwerkelijk wordt uitgewisseld. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen onderlinge steun binnen een bepaalde groep of gemeenschap (bonding) en groepsoverstijgende steunrelaties (bridging; Putnam, 2000). Bij de houding- of opvattingscomponent van sociale cohesie gaat het bijvoorbeeld om de mate van vertrouwen in elkaar en in instituties en de gepercipieerde kwaliteit van sociale relaties in een groep of gemeenschap maar ook om de mate waarin bewoners spanningen of problemen in hun directe leefomgeving ervaren.

Daarnaast kijken we bij het beschouwen van sociale cohesie op verschillende dimensies naar de binding van personen. Zo kan iemand zich verbonden voelen met de plek waar hij leeft maar bijvoorbeeld niet met mensen die niet tot de eigen groep gerekend worden. Ook is het voor de eenheid in de wijk van belang om te kijken naar de mate waarin er verbinding is tussen en binnen verschillende groepen bewoners. Over een aantal aspecten waarvan wordt verondersteld dat deze samenhangen met sociale cohesie (namelijk ‘vertrouwen (in elkaar en de overheid)’, ‘solidariteit’, ‘kwaliteit van buurtrelaties’ en ‘veiligheidsgevoelens en overlast’) zijn respondenten in dit onderzoek bevraagd.

3.4 De woon- en werkpositie van EU-arbeidsmigranten in Rotterdam Uit onderzoek van Snel blijkt dat het stereotype beeld van de EU-arbeidsmigrant die naar Nederland komt om laagbetaald en onzeker werk te verrichten lang niet altijd klopt (Snel et al., 2014). Het beeld is gevarieerder: een deel van de EU-arbeidsmigranten heeft zich in Nederland gevestigd en verricht arbeid, draagt bij aan de maatschappij en maakt carrière op de woningmarkt. Engbersen et al. maakten daarom onderscheid naar vier typen EU-arbeidsmigranten: circulaire migranten, vestigingsmigranten, transnationale migranten en footloose migranten. De verschillen tussen deze migranten worden verdeeld langs twee dimensies: de binding met Nederland en de binding met het herkomstland. Met name van de twee groepen die weinig binding hebben met Nederland (circulaire en footloose migranten) kan verondersteld worden dat hun aanwezigheid gevolgen heeft voor de sociale cohesie in een wijk. Tegelijkertijd weten we dat deze twee groepen vaak laagbetaalde arbeid uitvoeren en in onzekerheid verkeren over hun woon- en arbeidsmarktpositie (Engbersen et al., 2011), waardoor zij kwetsbaar zijn voor uitbuiting. Zimmerman deed in 2018 al onderzoek naar de gevolgen van arbeidsmobiliteit op de sociale cohesie in wijken.

Hij beargumenteerde dat arbeidsmigratie en sociale cohesie niet in conflict met elkaar hoeven te staan (Zimmerman, 2018). De aanwezigheid van arbeidsmigranten die werk hebben, kan juist voor een positieve economische impuls zorgen waar ook de oorspronkelijke bewoners van profiteren. Verschillende factoren zijn van invloed op de migratie van EU-arbeidsmigranten naar Rotterdam (Snel et al., 2014). Ten eerste zijn de werkomstandigheden van belang: het aanbod, werkomstandigheden en loon. Dit zou vooral voor Polen gelden. Ten tweede zijn, zoals gezegd, communale factoren in het bijzonder voor Bulgaren van belang: de aanwezigheid van familie, vrienden en landgenoten. De derde factor heeft betrekking op het (sociale) voorzieningenniveau, bijvoorbeeld op het gebied van huisvesting en onderwijs. Een laatste invloedrijke factor is taal. Voor veel EU-arbeidsmigranten is taal 23

Hoofdstuk 3 een factor waarmee rekening gehouden wordt bij de migratie. Doordat veel Rotterdammers Engels en/of Duits spreken, is Rotterdam een aantrekkelijke plek voor EU-arbeidsmigranten om zich te vestigen. Werken Over het algemeen zijn buitenlandse werknemers voornamelijk werkzaam binnen arbeidsintensieve beroepen met gestandaardiseerde werkzaamheden. Ook wordt er bij deze beroepen internationaal sterk geconcurreerd en is een beheersing van de Nederlandse taal onbelangrijk. Uit onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) komt naar voren dat relatief veel laagopgeleide EU-arbeidsmigranten naar Nederland trekken (Kremer & Schrijvers, 2014). Volgens Strockmeijer et al. onderscheiden Oost-Europese arbeidsmigranten zich van andere arbeidsmigranten doordat zij vaak via uitzendbureaus naar Nederland komen en daardoor in een afhankelijkheidspositie verkeren. Dit zorgt ervoor dat zij in minder aantrekkelijke banen terechtkomen die zich kenmerken door beperkte mogelijkheden tot opwaartse mobiliteit en inkomensstijging. Bovendien is arbeid vaak seizoensgebonden en zijn veel migranten vooraf niet van plan om zich te vestigen, waardoor ze mogelijk genoegen nemen met minder aantrekkelijke banen en werkgevers minder geneigd zijn in hen te investeren (Strockmeijer et al., 2017). Uit verschillende onderzoeken (o.a.

Berkhout et al., 2014, Snel et al., 2014, OECD, 2013) blijken de sectoren waarin veel EU-arbeidsmigranten actief zijn voornamelijk de lagere beroepsrichtingen binnen de agrarische sector, transportsector en bouwsector te betreffen. Het gaat vaak om sectoren die gevoelig zijn voor seizoenschommelingen waardoor sprake is van tijdelijke contracten. Het feit dat veel EU-arbeidsmigranten jong zijn, laaggeschoold (of geschoold in een vak dat niet aansluit bij het werk) en op basis van tijdelijke contracten in onzekere sectoren werken, zorgt ervoor dat zij relatief veel kans lopen hun baan te verliezen (Strockmeijer et al., 2021) en in het algemeen een zwakke financiële positie te hebben (OECD, 2013). Zo zijn Oost-Europese arbeidsmigranten volgens Strockmeijer et al. viermaal zo vaak werkloos als Nederlandse werknemers, wat gedeeltelijk te verklaren is door verschillen in baankenmerken. Snel et al. (2014) merkten op dat relatief veel Poolse respondenten (38 procent) via een uitzendbureau werken. Onder Roemeense arbeidsmigranten was destijds een relatief groot aandeel (19 procent) zelfstandigen. Dit werd toegeschreven aan het feit dat dit de manier was voor de groep zonder werkvergunning om aan formeel werk te komen. Ook blijken Poolse arbeidsmigranten vaker via een (in het thuisland) georganiseerde manier naar Rotterdam te komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=16f00be9-d5cd-42b7-a2e7-7b5143d9bd3a