21bb7959 Bijlage 1 behorende bij 21bb7963 over Ontwerpbestemmingsplan Dagbesteding Doggersbank
Tekst van het document
Figuur 4.6 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Vanwege de aanwezigheid van vleermuizen is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Met deze ontheffing vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de uitvoering van het project.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
33
4.11
Kabels en leidingen
Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. Onderzoek In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.
4.12
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek
Figuur 4.7 Uitsnede professionele risicokaart met plangebied zwart omcirkeld Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
34
Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden (figuur 4.7). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via buisleidingen. Weg Ten noorden van het plangebied ligt de rijksweg A15 en de Groene Kruisweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De maatgevende stof over deze wegen is GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. De A15 ligt op een afstand van circa 2,4 kilometer en de Groene Kruisweg op een afstand van circa 1,1 kilometer. Er reikt geen invloedsgebied over het plangebied heen. Spoor Ten noorden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoortraject Pernis – Botlek. Het plangebied is gelegen buiten de PR 10‐6 contour en het plasbrandaandachtsgebied van het spoortraject. Het invloedsgebied reikt tot een afstand van meer dan 4.000 meter. Het plangebied is gelegen op circa 2,6 kilometer afstand en valt daarmee binnen het invloedsgebied. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter gelegen is, hoeven er geen beperkingen worden gesteld aan het ruimtelijk gebruik. Water Ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 820 meter worden er gevaarlijke stoffen vervoerd over de vaarwegroute Corridor Rotterdam – Moerwijk.
Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10‐6 contour en het plasbrandaandachtsgebied van de vaarwegroute. Het invloedsgebied wordt bepaald door de stof LT3 en reikt tot 1.070 meter. Hiermee reikt het invloedsgebied tot het plangebied. Op grond hiervan is een beknopte verantwoording van het groepsrisico nodig. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Doggersbank die via een lus aansluit op de Aveling. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Hoogvliet. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
35
Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal een dagactiviteiten‐ en belevingscentrum gerealiseerd worden. De aanwezige personen zullen over het algemeen uit de cliënten bestaan die in de naastgelegen nieuwbouw wonen, zij zijn verminderd zelfredzaam gezien zij beperkingen hebben. Ook eventueel aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt er echter van uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de cliënten, kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water of het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Bij een incident op het water geldt dat een overdrukscenario met een wolkbrand of een explosiescenario het meest aannemelijk is. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.
Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Pernis – Botlek en de vaarwegroute Corridor Rotterdam – Moerwijk waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
36
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
37
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische toelichting
Algemeen
In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks‐ en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw‐ en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting.
Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
5.2
Opzet regels
De regels van het plan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs‐ en slotregels. ad. 1 In de Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. ad. 2 In de Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
38
ad. 3 Algemene regels bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti‐dubbeltelbepaling of de algemene bouwregels. ad. 4 Overgangs‐ en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.
5.3
Beschrijving bestemmingen
Het hoofdstuk Bestemmingsregels bevat de regels die specifiek gelden voor de bestemmingen in dit plan. Maatschappelijk De bestemming maatschappelijk wordt gebruikt voor gronden waar maatschappelijke voorzieningen zoals de dagbesteding, fysiotherapeuten, zorgverleners en overige ondersteunende voorzieningen. Daarnaast zijn rechtstreeks met de maatschappelijke voorzieningen samenhangende ondergeschikte detailhandels‐ en/of horeca‐activiteiten toegestaan. Er is geen onderscheid gemaakt naar het soort maatschappelijke voorziening. Binnen de bestemming Maatschappelijk is een bouwvlak opgenomen waarbinnen gebouwen zijn toegestaan. Tevens is de maximum bouwhoogte (12m) aangegeven. Ter afwijking van het vorige bestemmingsplan geldt er geen maximum bebouwingspercentage binnen dit bouwvlak. Waterstaat ‐ Waterkering Ter bescherming van de regionale waterstaatswerken en de bijbehorende beschermingszones wordt de dubbelbestemming 'Waterstaat ‐ Waterkering' opgenomen. In gebieden met deze aanduiding moet extra aandacht worden besteedt aan de bescherming van de regionale waterstaatswerken en de beschermingszones. Het is verboden om te bouwen in gebieden met deze aanduiding met uitzondering van vervangende nieuwbouw, zoals het wordt voorgedragen in dit plan. Groen Om de groene strook langs de toekomstige bebouwing te waarborgen is voor deze gronden de bestemming 'Groen' opgenomen.
Op gronden met de groenbestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Ook kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer zijn toegestaan, evenals ontsluitingswegen en ‐paden. Groen – Belevingstuin Om het groen van de belevingstuin te behouden zijn deze gronden bestemd met 'Groen ‐ Belevingstuin'. Deze bestemming is grotendeels overeenkomstig met de bestemming 'Groen' met de toevoeging dat er maximaal 50 m2 aan gebouwen zijn toegestaan. Ook kleinschalige voorzieningen voor verkeer en vervoer zijn toegestaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
39
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept van het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan alle relevante overlegpartners en overheidsinstanties. De resultaten van het vooroverleg worden in deze paragraaf samengevat en van beantwoording voorzien. DCMR 1. In de tekst wordt regelmatig de afkorting Bro gebruikt. Graag deze afkorting de eerste keer uitschrijven. 2. De regels voor de bestemming 'maatschappelijk' maken juridisch gezien geluidgevoelige maatschappelijke bestemmingen wel mogelijk ook al wordt in de toelichting de functie dagbesteding genoemd. De regels moeten geluidsgevoelige bestemmingen uitsluiten of er moet alsnog onderzoek worden gedaan naar met name metrolawaai. Het gaat hier om een gezoneerde spoorweg. 3. De motivering leunt op een verwijzing naar de huidige situatie maar kan uitgebreider worden toegelicht. Het nabijgelegen metrostation (milieucategorie 3.2, richtafstand 100 meter) kan hinder veroorzaken. Het betreft hier echter een klein metrostation met beperkt aantal installaties (lift, roltrap). Voornaamste bron van hinder zal worden bepaald door rijdende metrotreinen.
Het geluid hiervan valt onder de Wet Geluidhinder. Voorgesteld wordt de tekst hierop aan te passen. 4. In de toelichting is geen motivatie gegeven dat de sloop en nieuwbouw van het dagbestedingscentrum geen nadelige stikstofdepositie geven op nabij gelegen natuurgebieden. Verzocht wordt middels Aerius‐berekeningen aan te tonen dat de bouw‐ en gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in gevoelige natuurgebieden. Reactie gemeente: 1. De tekst is hierop aangepast. 2. Aan artikel 5.1 is toegevoegd dat uitsluitend maatschappelijke voorzieningen die niet vallen onder Geluidsgevoelige objecten zijn toegestaan. 3. De motivatie over het metrostation is overgenomen in paragraaf 4.5. 4. Naar aanleiding van de reactie van DCMR is een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke stikstofdepositie op omliggende Natura 2000‐gebieden. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. De bijbehorende berekening zijn opgenomen in bijlage 3 (gebruiksfase en bijlage 4 (aanlegfase). BOOR Er is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen in de regeling van het bestemmingsplan. Weliswaar heeft Archeologie Rotterdam (BOOR) in 2019 het noordelijk deel van de locatie voor een bepaald bouwplan vrijgegeven, maar hierdoor vervalt de archeologische dubbelbestemming niet.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
40
Reactie gemeente: Naar aanleiding van de vooroverlegreactie is Artikel 6 Waarde ‐ Archeologie toegevoegd aan de regeling. Gasunie Op grond van deze toetsing komen wij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van onze dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Reactie gemeente: De reactie is ter kennisgeving aangenomen. Veiligheidsregio Rotterdam‐Rijnmond (VRR) 1. De VRR adviseert zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. 2. Construeer het pand conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012, zodat het gebouw veilig is om in te schuilen in geval van een toxisch incident op de Nieuwe Maas. 3. Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Doorgaans is schuilen in een gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen.
Op de website "www.rijnmondveilig.nl" vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident. Reactie gemeente: Dit advies valt niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en kan niet in een bestemmingsplan worden geregeld. Waterschap Hollandse Delta Het waterschap heeft geen bezwaren en adviseert positief op dit plan. Reactie gemeente: De reactie is ter kennisgeving aangenomen. Zienswijze Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Mogelijk ingediende zienswijzen worden in deze paragraaf behandeld. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
41
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Het beoogde bouwplan betreft een initiatief van ASVZ. Voor het kostenverhaal wordt een anterieure overeenkomst opgesteld tussen de gemeente en de initiatiefnemer. In deze overeenkomst wordt geregeld op welke wijze de kosten verdeeld zijn en welke ten laste van de initiatiefnemer komen. Omdat het verhaal van de kosten via een anterieure overeenkomst wordt geregeld is een exploitatieplan niet nodig.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
42
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
bijlagen bij de Toelichting
Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Rho adviseurs voor leefruimte
20191040
Rotterdam Dagbesteding Doggersbank Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
2
Dagbesteding Doggersbank
Rotterdam
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling
identificatie
planstatus
projectnummer: 20191040
datum: 04‐12‐2020
projectleider: I. de Feijter
opdrachtgever: ASVZ
auteur(s): S.E.H. Lie MSc ing. T. Hartemink
aangesloten bij:
Weena 505 3013 AL Rotterdam RBOI - Rotterdam (Delftsebv Poort) Verd. 35/36 Delftseplein 27b postbus 150 Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl
© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
3
Inhoud 1.
2.
3.
4.
Inleiding
5
1.1.
Aanleiding
5
1.2.
Wat houdt een m.e.r.‐beoordeling in?
5
1.3.
Leeswijzer
5
Plaats en kenmerken van het project
7
2.1.
Plaats van het project
7
2.2.
Kenmerken van het plan
9
Kenmerken van de milieueffecten
11
3.1.
Bodem en water
11
3.2.
Risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid
11
3.3.
Natuur
12
3.4.
Cultuurhistorie en archeologie
13
3.5.
Wegverkeerslawaai
13
3.6.
Luchtkwaliteit
14
3.7.
Verkeer en parkeren
14
3.8.
Risico’s voor de menselijke gezondheid
14
3.9.
Sloop‐ en aanlegwerkzaamheden
14
3.10.
Cumulatie van projecten
15
3.11.
Mitigerende maatregelen
15
Conclusie
Bijlagen Bijlage 1 – Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2 – Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 3 – AERIUS‐berekening gebruiksfase Bijlage 4 – AERIUS‐berekening sloop/aanlegfase Bijlage 5 – Quickscan ecologie Bijlage 6 – Nader onderzoek vleermuizen Bijlage 7 – Archeologie
17
4
5
1. Inleiding
1.1.
Aanleiding
Aan de Doggersbank 56 bevindt zich een dagactiviteiten‐ en belevingscentrum voor cliënten van ASVZ. De initiatiefnemer ASVZ wil dit gebouw vervangen door een nieuw belevingscentrum. Dit nieuwe gebouw zal ook ruimte bieden aan behandelaren (ergo, fysio en artsen). En verder zal het kantoorruimte bieden voor het management van ASVZ, ondersteunend personeel en aan ambulante dienstverlening. Deze ontwikkeling past niet binnen de regeling van het geldende bestemmingsplan 'Hoogvliet Maasranden' van de gemeente Rotterdam. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 2.000 woningen of 100 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling betreft de aanleg van een dagbestedingsgebouw van circa 1.760 m2 en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling'. Dit document bevat deze beoordeling. 1.2.
Wat houdt een m.e.r.‐beoordeling in?
De wettelijke regeling voor de m.e.r.‐beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.‐procedure is alleen noodzakelijk als er sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: de plaats van het project; de kenmerken van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). 1.3.
Leeswijzer
Deze m.e.r.‐beoordelingsnotitie: beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en kenmerken van het project; licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.‐beoordeling.
6
7
2. Plaats en kenmerken van het project
2.1.
Plaats van het project
Het plangebied is gelegen aan de Doggersbank 56 in Hoogvliet. De grenzen van het plangebied worden gevormd door de Doggersbank en een parkeerplaats. Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door een metrolijn en het metrostation Zalmplaat. Aan de noord‐ en oostzijde grenst de locatie aan een fietspad en de woonwijk Zalmplaat. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan het recreatieve groengebied “De groene voegen”. Ook vormt de lus van Doggersbank een belangrijke route voor de metro.
Figuur 2.1 Ligging plangebied rood omlijnd Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Oude Maas ligt op circa 730 meter. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied Voornes Duin ligt op circa 17,9 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid‐Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN/NNZH betreft het Natura 2000‐gebied Oude Maas (figuur 2.2).
8
Figuur 2.2 Plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000‐gebieden en Natuurnetwerk Zuid‐Holland (bron: provincie Zuid‐Holland) Op basis van de archeologische waarden‐ en beleidskaart Rotterdam kan er geconcludeerd worden dat het plangebied een archeologische waarde heeft beneden 0 meter NAP (figuur 2.3). In het plangebied zijn geen elementen aanwezig die cultuurhistorisch waardevol zijn, zoals beschermde monumenten.
Figuur 2.3 Uitsnede archeologische waarden‐ en beleidskaart Rotterdam met plangebied zwart omcirkeld
9 2.2.
Kenmerken van het plan
De initiatiefnemer wil ter plaatse van het plangebied het bestaande dagbestedingscomplex herontwikkelen door het bestaande gebouw te slopen en te vervangen door nieuwbouw. Dit nieuwe gebouw zal ook ruimte bieden aan behandelaren (ergo, fysio en artsen). Verder zal het kantoorruimte bieden voor het management van ASVZ, ondersteunend personeel en aan ambulante dienstverlening. Ook zal aan de zuidzijde, waar het gebouw grenst aan een groengebied wat deel is van de Groene Voegen, gebruik gemaakt worden van de reeds bestaande belevingstuin. Het nieuwe pand zal minder bouwlagen hebben dan de huidige bebouwing, maar een grotere bedrijfsvloeroppervlakte(BVO). Het gebouw wordt maximaal 3 bouwlagen hoog. Het huidige BVO is 1.408 m2. Het toekomstige BVO is nog niet bepaald, maar op basis van de het kadastrale perceel en het maximum aantal bouwlagen is een oppervlak van maximaal 3.462 m2 mogelijk. De herontwikkeling van deze dagbesteding biedt de initiatiefnemer de kans om een gebouw neer te zetten wat voldoet aan de moderne eisen van gezondheidszorg. Hiernaast vormt de herontwikkeling het laatste element in de vernieuwing van de Doggersbank met een gebouw wat beter aansluit op zijn groene omgeving en nabijgelegen metrostation.
Figuur 2.4 Beoogde bouwvlak ontwikkeling
10
11
3. Kenmerken van de milieueffecten
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief de effecten van ontwikkelingen in de omgeving waarvan de realisatie zeker is (autonome ontwikkelingen). Het plangebied omvat momenteel een gebouw van 5 lagen hoog wat gebruikt wordt als dagbestedingslocatie voor diverse woonzorgunits van ASVZ. 3.1.
Bodem en water
Bodem Voor het plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 1). Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaat geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de locatie. De beoogde ontwikkeling voorziet in maatschappelijke voorzieningen. Deze functies voorzien niet in bodembedreigende activiteiten. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat op het gebied van bodem geen nadelige milieueffecten optreden. Water Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta. In de directe omgeving van het plangebied is er een primaire waterkering aanwezig. Het plangebied is dan ook gelegen binnen de kern‐ of beschermingszone van een waterkering. Hiervoor dient een watervergunning bij het Waterschap Hollandse Delta worden aangevraagd. Verder ligt het gebied niet in een drinkwaterbeschermingsgebied. Bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 (in stedelijk gebied) of 1.500 m2 (in landelijk gebied) is compensatie door aanleg van waterberging nodig. Ten opzichte van de huidige situatie is sprake van een toename van circa 350 m². Dit valt onder de grens van 500 m2, een compensatie voor de toename in verharding is niet nodig. Er zijn geen nadelige effecten op de waterhuishouding als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 3.2.
Risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid
Externe veiligheid Uit de professionele risicokaart Nederland blijkt dat er in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen. Verder vindt er ook geen transporten van gevaarlijke stoffen door buisleidingen plaats. Ten noorden van het plangebied ligt de rijksweg A15 en de Groene Kruisweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De maatgevende stof over deze wegen is GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. De A15 ligt op een afstand van circa 2,4 kilometer en de Groene Kruisweg op een afstand van circa 1,1 kilometer. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van deze wegen. Ten noorden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoortraject Pernis – Botlek. Het plangebied is gelegen buiten de PR 10‐6 contour en het plasbrandaandachtsgebied van het spoortraject. Het invloedsgebied reikt tot een afstand van meer dan 4.000 meter. Het plangebied is gelegen op circa 2,6 kilometer afstand en valt daarmee binnen het invloedsgebied. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter gelegen is, hoeven er geen beperkingen worden gesteld aan het ruimtelijk gebruik. Ten slotte ligt ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 280 meter de vaarwegroute Corridor Rotterdam – Moerwijk waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10‐6 contour en het plasbrandaandachtsgebied van de vaarwegroute. Het invloedsgebied wordt bepaald door de stof LT3 en reikt tot 1.070 meter. Hiermee reikt het invloedsgebied tot het plangebied. Op grond hiervan is een beknopte verantwoording van het groepsrisico nodig. Deze is in het bestemmingsplan te vinden.
12 De beoogde ontwikkeling betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Wel valt het plangebied binnen het invloedsgebied van het spoortraject Pernis – Botlek en de vaarwegroute Corridor Rotterdam – Moerwijk waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Risico’s op rampen door klimaatverandering De beoogde ontwikkelingen zijn niet relevant wat betreft risico’s op rampen door klimaatadaptatie. 3.3.
Natuur
Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Oude Maas ligt op circa 730 meter. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied Voornes Duin ligt op circa 17,9 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid‐Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN/NNZH betreft het Natura 2000‐gebied Oude Maas. Hierdoor kunnen directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling zelf heeft gedurende de gebruiksfase geen emissie in verband met het ontbreken van een gasaansluiting. Wel kan de bijbehorende verkeersgeneratie voor een emissie zorgen. Verder kan de sloop‐ en aanlegfase van de ontwikkeling effect hebben op de stikstofemissie. Een berekening geeft inzicht in de mate van de stikstofemissie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. De berekening is uitgevoerd met Aerius Calculator (versie oktober 2020) en is in de bijlage van voorliggende aanmeldnotitie toegevoegd (bijlagen 2 (memo), 3 (gebruik) en 4 (sloop/aanleg)). Zowel voor de gebruiksfase als voor de sloop/aanlegfase wordt geen depositiebijdrage binnen Natura 2000‐gebieden berekend.
Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Soortenbescherming Gelet op de sloop en nieuwbouw die met het project gemoeid is, is een ecologische quickscan (bijlage 5) uitgevoerd om de mogelijke effecten op beschermde soorten in beeld te brengen het plangebied. Op basis van de ecologische quickscan wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling mogelijk vaste rust‐ en verblijfsplaatsen van vleermuizen aantast. Er zijn geen overige beschermde soorten in het plangebied aanwezig. Wel is de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming van toepassing. Vanwege de mogelijke aantasting van rust‐ en verblijfsplaatsen van vleermuizen is aanvullend onderzoek uitgevoerd (bijlage 6). In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat in het plangebied drie zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis geconstateerd zijn. Grenzend aan het plangebied is een vliegroute van vleermuizen vastgesteld. Wanneer er tijdens de bouwactiviteiten verlichting wordt gebruikt kan niet uitgesloten worden dat de vliegroute voor vleermuizen verstoord wordt. Er is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren.
Ten aanzien van gebiedsbescherming heeft het project geen negatieve consequenties voor aangewezen Natura 2000‐gebied, wat tevens blijkt uit de uitgevoerde stikstofberekening, of op gronden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland. Ten aanzien van soortenbescherming is er ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig vanwege de aanwezigheid van vleermuizen.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat op het gebied van ecologie geen belangrijke nadelige milieueffecten optreden.
13 3.4.
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie
Figuur 3.1 Uitsnede archeologische waarden‐ en beleidskaart Rotterdam met plangebied zwart omcirkeld Ter plaatse van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Ook in de directe nabijheid zijn geen waardevolle objecten aanwezig. Het planvoornemen heeft dan ook geen nadelige invloed op cultuurhistorische waarden. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied. Archeologie Het plangebied bevindt zich in een zone waar, volgens de gemeentelijk archeologische verwachtingskaart, een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt. Archeologie Rotterdam (BOOR) heeft aangegeven dat voor de beoogde ontwikkeling een archeologisch onderzoek niet nodig is omdat de grond reeds geroerd is. Deze brief is opgenomen als bijlage 7. Deze uitspraak gaat uitsluitend het deel van het plangebied waar de beoogde ontwikkeling van de dagbesteding plaatsvindt. Het planvoornemen voorziet in negatieve effecten op mogelijke archeologische waarden ter plaatse. 3.5.
Wegverkeerslawaai
De ontwikkeling maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Daarnaast voorziet de ontwikkeling niet in de aanleg van nieuwe openbare wegen of in aanpassingen van bestaande wegen. Zodoende kan onderzoek naar wegverkeerslawaai in het kader van de Wet geluidhinder achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel onderzoek gedaan naar het uitstralingseffect van de ontwikkeling. Het gaat daarbij om de effecten van de ontwikkeling met betrekking tot wegverkeerslawaai langs de wegen waarover het verkeer wordt afgewikkeld, daar waar sprake is van een verkeerstoename als gevolg van de daadwerkelijke ontwikkelingen. Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. In dit onderzoek is als uitgangspunt gehanteerd, dat alle wegen waar sprake is van een intensiteitstoename van meer dan 25% en waarlangs geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn, onderzocht moeten worden. Bij een toename van meer dan 25% is er namelijk pas een significant effect op de geluidsbelasting. Bij een toename van de verkeersomvang met minder dan 25% is er sprake van een geluidtoename van minder dan 1 dB. Verder is aangesloten bij het toetsingskader dat geldt bij reconstructiesituaties. Wanneer sprake is van een geluidtoename van afgerond 2 dB
14 of meer dient maatregelonderzoek plaats te vinden en/of dient onderbouwd te worden dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Op basis van de berekende verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling en de verdeling daarvan over het wegennet is achterhaald dat voor de relevante wegen geen sprake zal zijn van een verkeertoename van meer dan 25% ten opzichte van de autonome situatie. Zodoende zal als gevolg van de ontwikkeling ook geen sprake zijn van een significante geluidtoename langs deze wegen. 3.6.
Luchtkwaliteit
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Hierin worden grenswaarden genoemd die in de onderstaande tabel zijn weergegeven. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
De beoogde ontwikkeling betreft de sloop en herbouw van de dagbestedingsgebouw. De beoogde ontwikkeling zal naar verwachting niet of nauwelijks leiden tot extra verkeer. De cliënten van de ASVZ worden hoofdzakelijk ten noorden van het plangebied gehuisvest en zullen te voet de afstand tussen de woongebouwen en het dagbestedingsgebouw overbruggen. Hierdoor valt de ontwikkeling onder het Besluit niet in betekenende mate. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast blijkt uit de NSL‐monitoringstool dat ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan. 3.7.
Verkeer en parkeren
De beoogde ontwikkeling zal naar verwachting niet of nauwelijks leiden tot extra verkeer en/of toename van de parkeerbehoefte. De cliënten van ASVZ worden hoofdzakelijk ten noorden van het plangebied gehuisvest en zullen te voet de afstand tussen de woongebouwen en het dagbestedingsgebouw overbruggen. Het personeel en eventuele bezoekers parkeren in de huidige situatie nabij de bestaande woongebouwen ten noorden van het plangebied en zullen samen met de bewoners de afstand tot het dagbestedingsgebouw te voet afleggen, waardoor de parkeerbehoefte niet of nauwelijks zal toenemen. Ook gaan wij er vooralsnog vanuit dat ook als gevolg van de behandelruimten geen of nauwelijks sprake is van toename. 3.8.
Risico’s voor de menselijke gezondheid
Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit en verkeer blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit. 3.9.
Sloop‐ en aanlegwerkzaamheden
Gelet op de tijdelijkheid van sloop‐ en aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid‐ en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.
15 3.10. Cumulatie van projecten In het naastgelegen perceel wordt de zorglocatie van ASZV tevens ook herontwikkeld. Voor deze ontwikkeling zijn de milieueffecten onderzocht. Hieruit blijkt dat er geen aanzienlijke negatieve effecten te verwachten zijn ten aanzien van deze ontwikkeling. Beide projecten zijn beperkt van omvang en hebben tezamen een beperkte impact op het milieu. Daarbij wordt opgemerkt dat de projecten op grote afstand van natuurgebieden zijn gelegen. Er worden geen knelpunten ten aanzien van cumulatie verwacht. 3.11. Mitigerende maatregelen Voor het voorgenomen plan zijn de volgende mitigerende maatregelen noodzakelijk: Omdat er vleermuizen verblijven dient een ontheffing voor de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Omdat het plangebied in de kernzone van een waterkering gelegen is, dient een watervergunning bij het Waterschap Hollandse Delta te worden aangevraagd.
16
17
4. Conclusie
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.‐procedure is niet noodzakelijk.
18
Bijlagen
Bijlage 1 – Verkennend bodemonderzoek
RAPPORT Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Doggersbank 56 te Hoogvliet Rotterdam
Kenmerk Datum
: 1908M871/JHA/rap1 : 10 september 2019
Opdrachtgever : Rho Adviseurs Mevr. S. Sies Delftseplein 27b 3013 AA Rotterdam
Goedkeuring
Datum
Dhr. J. van Haaster BBE (Adviseur)
Opsteller, auteur
10-09-2019
Dhr. J. Wijnands (Projectleider)
2e lezerschap, vrijgave rapportage
10-09-2019
Handtekening
BRL SIKB 2000 VKB-protocol 2001, 2002
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ........................................................................................................................................... 3
2.
MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK ......................................................................................... 5
2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK............................................................................................. 5
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................... 5
2.3
POTENTIELE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING ................................................... 6
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST ............................................................................................... 6
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................................ 7
2.6
BEINVLOEDING ......................................................................................................................... 7
2.7
BODEMVERONTREINIGING ...................................................................................................... 8
2.8
TERREINVERKENNING ............................................................................................................. 8
2.9
BEOORDELING .......................................................................................................................... 9
2.10
CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING ................................................................................. 9
3.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK ............................................................................................. 10
3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE ..................................................................................................... 10
3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK ........................................................................................... 10
3.3
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK ........................................................................ 12
3.4
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN ......................................................................... 13
3.5
INTERPRETATIE ...................................................................................................................... 15
3.6
TOETSING HYPOTHESE ......................................................................................................... 15
3.7
CONCLUSIES ........................................................................................................................... 16
3.8
AANBEVELINGEN .................................................................................................................... 16
4.
BETROUWBAARHEID ...................................................................................................................... 17
Bijlagen Milieuhygiënisch vooronderzoek 1 Kaarten en tekeningen 1.1 Topografische kaart 2 2.1 2.2 2.3
Informatie vooronderzoek Beknopte weergave voorgaand onderzoek Fotoreportage Kaartmateriaal
Verkennend bodemonderzoek 3 Situatietekening 4.
Formulieren veldonderzoek
5.
Boorstaten en legenda
6. 6.1 6.2
Analysecertificaten Certificaten grond Certificaten grondwater
7 7.1 7.2
Toetsingstabellen Toetsingsresultaten grond Toetsingsresultaten grondwater
1908M871/JHA/rap1 Pagina 2 van 17
1.
INLEIDING
In opdracht van Rho Adviseurs is een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie betreft Doggersbank 56 te Hoogvliet Rotterdam.
Afbeelding 1: Onderzoekslocatie
Aanleiding en doelstelling Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De doelstelling van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Milieuhygiënisch vooronderzoek Voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740+A1;2016 dient een milieuhygiënisch vooronderzoek te worden uitgevoerd conform de NEN 5725;2017. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd.
De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de locatie waar het vooronderzoek betrekking op heeft.
1908M871/JHA/rap1 Pagina 3 van 17
Verkennend bodemonderzoek Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740+A1;2016 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond. Op basis van de informatie uit het milieuhygiënisch vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Elke uit het milieuhygiënisch vooronderzoek resulterende onderzoekshypothese over de aan- of afwezigheid van bepaalde verontreinigende stoffen en de wijze van verspreiding wordt getoetst met een locatie specifieke onderzoeksstrategie. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het milieuhygiënisch vooronderzoek stapsgewijs besproken. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bestaat achtereenvolgens uit het vaststellen van de aanleiding en de afbakening van het onderzoeksgebied. Vervolgens wordt informatie verzameld van de voorgeschreven onderzoeksaspecten en worden de onderzoeksvragen beantwoord. Op basis hiervan worden conclusies getrokken en wordt de hypothese voor de onderzoekslocatie vastgesteld. In hoofdstuk 3 wordt het verkennend bodemonderzoek stapsgewijs besproken.
Als eerste stap wordt, op basis van de bij het milieuhygiënisch vooronderzoek voor de locatie vastgestelde hypothese, de onderzoeksstrategie vastgesteld. Vervolgens worden de uitvoering en resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek apart besproken. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de vastgestelde hypothese getoetst en worden indien van toepassing, aanbevelingen gedaan met betrekking tot eventueel te nemen vervolgstappen. In hoofdstuk 4 wordt de betrouwbaarheid van het uitgevoerde onderzoek toegelicht.
1908M871/JHA/rap1 Pagina 4 van 17
2.
MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK
2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK
Afhankelijk van de aanleiding voor het verrichten van het vooronderzoek moet antwoord worden verkregen op een aantal onderzoeksvragen. Als eerste stap in het vooronderzoek dient derhalve de aanleiding te worden vastgesteld. In de NEN 5725 zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Opgemerkt wordt dat er sprake kan zijn van een combinatie van meerdere aanleidingen. In dat geval dienen de onderzoeksvragen voor elke afzonderlijke aanleiding te worden beantwoord. Voor onderhavig onderzoek is de volgende aanleiding vastgesteld: A. opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. De onderzoeksvragen, behorende bij de vastgestelde aanleiding, zijn in de navolgende paragrafen in tabelvorm aangegeven. Per onderzoeksvraag is, direct onder de betreffende vraag, het antwoord opgenomen. 2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED
Vraag: Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? De globale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de overzichtskaart die in bijlage 1.1 is opgenomen. In tabel 2.1 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.1: afbakening onderzoeksgebied Vraag
Bronnen
Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? Adres
Doggersbank 56
Plaats
Hoogvliet Rotterdam
Gemeente
Rotterdam
Provincie
Zuid-Holland
RD-coördinaten
Omschrijving: globaal middelpunt onderzoekslocatie X: 84.414
Kadastraal
Kadaster / BAG-viewer / www.gpscoördinaten.nl
Y: 430.035
Gemeente
Rotterdam
Sectie
D
Nummer
1133
Hoogte maaiveld
Circa 1,0 m + NAP
Dinoloket
Oppervlakte
Circa 1.154 m²
Belendingen
Noord
Doggersbank (openbare weg)
Oost
Wonen met tuin
Zuid
Park
West
Metro(station)
Afbakening VO
25 meter buiten kadastrale grenzen
Afbakening voldoende
Ja
Kadaster / Google Maps
1908M871/JHA/rap1 Pagina 5 van 17
2.3
POTENTIELE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING
Vraag: Is sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de verdachte parameters? In tabel 2.2 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.2: potentiële bronnen van bodemverontreiniging Vraag
Bronnen
Huidig gebruik
De locatie is gelegen in de woonwijk genaamd ‘’Zalmplaat’’ in de deelgemeente Hoogvliet. De locatie is momenteel in gebruik als wonen met tuin. Potentiële bronnen aanwezig?
Voormalig gebruik
Nee
Op basis van de beschikbare informatie uit het gemeente archief van Rotterdam blijkt dat het dorp Hoogvliet sinds 1884 al bestaat. De locatie is in het verleden in gebruik geweest als landbouwperceel, waarbij een boerderij aanwezig is geweest. Vanaf 1961 is het gebied ten westen van de onderzoekslocatie bebouwd en is een metrostation aangelegd ten noordwesten van de onderzoekslocatie. De huidige bebouwing stamt uit 1994.
Google Maps / Topotijdreis / Informatie opdrachtgever / Historisch en indicatief bodemonderzoek Fugro (1993)
Voor zover bekend hebben geen tanks gelegen op het terrein. De locatie betreft geen (voormalige) stortplaats. Potentiële bronnen aanwezig?
Ja
Mogelijk gebruik en opslag bestrijdingsmiddelen (OCB’s) Toekomstig gebruik
Wonen met tuin
Conclusie van potentiele bronnen
De locatie heeft in het verleden een agrarisch gebruik gekend, waar mogelijk bestrijdingsmiddelen (OCB’s) zijn gebruikt en opgeslagen. De locatie wordt derhalve als verdacht aangemerkt op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB’s). Verder zijn geen potentiële bronnen van bodemverontreiniging aanwezig.
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST
Vraag: Is de bodem asbestverdacht? Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? In tabel 2.3 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.3: bodemkwaliteit en asbest Vraag Asbest
Bronnen Vanwege de lange gebruikshistorie van het perceel kunnen bijmengingen in de bodem, waaronder de aanwezigheid van asbest, niet uitgesloten worden.
Topotijdreis / BAG-viewer
Er is geen informatie beschikbaar over de aanwezigheid van asbest in de bodem. Bodemkwaliteit
Conclusie bodemkwaliteit en asbest
Bodemfunctieklasse
Wonen (licht verontreinigd)
Bodemkwaliteit 0 – 1 m-mv
Natuur (schoon)
Bodemkwaliteit 1 – 2 m-mv
Natuur (schoon)
DCMR Milieudienst Rijnmond
Op de locatie is geen informatie beschikbaar over de aanwezigheid van asbest in de bodem. Naar verwachting is de bodem niet tot licht verontreinigd.
1908M871/JHA/rap1 Pagina 6 van 17
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Vraag: Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? In bijlage 2.3 is kaartmateriaal van de periode 1949 – 2018 opgenomen. In tabel 2.4 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.4: Bodemopbouw en geohydrologie Vraag
Bronnen
Bodemopbouw
Circa 0,0 - 3,0 m-mv
Zand en/of klei
Grondwater (lokaal)
Grondwaterstand freatisch
Circa 1,85 m-mv
Een eenduidige stromingsrichting van het grondwater is niet bekend.
Dinoloket / Waterschap Hollandse Delta / Bodematlas provincie Zuid-Holland
Voor zover bekend wordt het grondwater op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie niet beïnvloed door menselijk handelen. De onderzoekslocatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Geohydrologie
Doordat de grondwaterstand door middel van de slootpeilen op een vast peil wordt gereguleerd, is er nauwelijks sprake van een horizontale stromingsrichting van het grondwater. Een (tijdelijke) optredende horizontale stromingsrichting wordt veroorzaakt door regenoverschot en zal naar de omliggende sloten gericht zijn. Op de locatie is sprake van infiltratie.
Bodemvreemde lagen
Ter plaatse van de locatie zijn voor zover bekend geen gedempte sloten of opgehoogde terreindelen aanwezig.
Conclusie ten aanzien van vigerend bodemonderzoek
Ter plaatse van de locatie worden geen bijzonderheden verwacht met betrekking tot de bodemopbouw en geohydrologie.
2.6
Google Earth / Topotijdreis
BEINVLOEDING
Vraag: Is sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? In tabel 2.5 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.5: beïnvloeding Vraag
Bronnen
Beïnvloeding
Er wordt op basis van de beschikbare informatie geen beïnvloeding vanuit de omgeving verwacht.
conclusie
Naar verwachting hebben de activiteiten op de omliggende percelen de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie niet negatief beïnvloed.
Bodemloket / Milieudienst DCMR Rijnmond
1908M871/JHA/rap1 Pagina 7 van 17
2.7
BODEMVERONTREINIGING
Vraag: Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? Het beschikbare voorgaande milieukundig onderzoek is opgenomen in bijlage 2.1. In tabel 2.6 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.6: bodemverontreiniging Vraag
Bronnen
Zijn er in het verleden milieukundige bodemonderzoeken verricht op de onderzoekslocatie? Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in het verleden een historisch en indicatief bodemonderzoek uitgevoerd door Fugro, d.d. 22-01-1993 (kenmerk 991301-10). Betreffend onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen nieuwbouw op de locatie.
Historisch en indicatief bodemonderzoek Fugro (1993) / Milieudienst DCMR Rijnmond
In betreffend onderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie op basis van het uitgevoerde historisch onderzoek als onverdacht kan worden beschouwd. Tijdens het veldonderzoek zijn sporen ‘puin’ in de toplaag en diepe laag waargenomen. De bovenen ondergrond is licht verontreinigd met EOX en niet verontreinigd met de overige onderzochte parameters. Opgemerkt dient te worden dat EOX geen onderdeel meer uit maakt van het huidige analysepakket. Het grondwater is niet verontreinigd. De resultaten geven geen bezwaar voor de toekomstige bestemming van de locatie. Conclusie Op de locatie is geen vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
2.8
TERREINVERKENNING
De terreinverkenning heeft tot doel om te controleren of de gedocumenteerde informatie overeenkomt met de daadwerkelijke situatie ter plaatse en deze aan te vullen met relevante waarnemingen. De terreinverkenning is op 22 augustus 2019 uitgevoerd. Op basis van de terreinverkenning blijkt het navolgende: -
Er zijn geen bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Er zijn geen bijzonderheden waargenomen die van invloed kunnen zijn op het uit te voeren bodemonderzoek.
Naar aanleiding van de terreinverkenning hebben zich geen wijzigingen of wel wijzigingen voorgedaan ten opzichte van de reeds verkregen gegevens uit het vooronderzoek. Ter illustratie is in bijlage 2.2 een fotoreportage opgenomen.
1908M871/JHA/rap1 Pagina 8 van 17
2.9
BEOORDELING
Vraag: Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Het vooronderzoek is beoordeeld op afwijkingen ten opzichte van de NEN 5725;2017. Indien er sprake is van afwijkingen zijn deze omschreven en is de reden van afwijking aangegeven. Beoordeeld is in hoeverre de afwijking gevolgen heeft op de betrouwbaarheid en in hoeverre er sprake is van beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen. Vervolgens is beoordeeld in hoeverre de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, op basis van de resultaten van het vooronderzoek, afdoende bekend is, of in hoeverre bodemonderzoek noodzakelijk is. In tabel 2.7 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.7: beoordeling Vraag Zijn er afwijkingen opgetreden ten opzichte van de NEN 5725;2017 Ten opzichte van de NEN 5725:2017 zijn geen afwijkingen opgetreden. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Onvoldoende
2.10
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet afdoende bekend. Het voorgaand onderzoek van Fugro, d.d. 22-01-1993 (kenmerk 991301-10) dient geactualiseerd te worden.
CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING
Vraag: Welke hypothese is van toepassing? Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken over de verwachting van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de aanwezige verontreinigende stoffen. Op basis van de getrokken conclusie is een hypothese geformuleerd. De hypothese betreft voor elke (deel)locatie, in zowel het horizontale als het verticale vlak, de verwachting met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Bij het vervolgonderzoek, zie hoofdstuk 3, dient de hypothesestelling als basis voor de onderzoeksstrategieën uit de desbetreffende normdocumenten. De hypothese en strategie zijn complementair aan elkaar. TABEL 2.8: conclusie en hypothese Vraag Onderzoekslocatie
Doggersbank 56 te Hoogvliet Rotterdam
Oppervlakte
Circa 1.154 m²
Conclusie
Grond
Verdacht Kritische parameter bovengrond: bestrijdingsmiddelen (OCB’s)
Grondwater
Onverdacht
NEN 5740
Verdacht
Hypothese
1908M871/JHA/rap1 Pagina 9 van 17
3.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK
3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE
De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de hypothese zoals deze is vastgesteld op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek, zie hoofdstuk 2. De onderzoeksstrategie is aangegeven in tabel 3.1. TABEL 3.1: onderzoeksstrategie Onderzoeksaspect
Onderzoeksstrategie
Oppervlakte
Algemene bodemkwaliteit
NEN 5740; onverdachte niet-lijnvormige locatie (VED-HE-NL)
Circa 1.154 m²
Opgemerkt wordt dat inpandig geen onderzoek heeft plaatsgevonden. 3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK
Een samenvatting van de tijdens het veldonderzoek uitgevoerde werkzaamheden is opgenomen in de navolgende tabel. De posities van de genoemde meetpunten zijn weergegeven op de situatietekening die in bijlage 3 is opgenomen. TABEL 3.2: samenvatting veldonderzoek Uitvoeringsperiode
22-08-2018
Uitvoerende partij
VeldXpert
BRL SIKB / VKB protocol
BRL SIKB 2000 VKB protocol 2001, 2002
Onderzoeksaspect Algemene bodemkwaliteit
Meetpunten
Codering
Type
Diepte [m-mv]
Boring Boring Boring met peilbuis
1,0 2,0 3,0
02, 03, 04, 05, 07, 08, 09 06 01
Uitvoeringswijze Tijdens het veldonderzoek is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag met daarin de gegevens van het veldwerkbureau en de namen van de veldwerkers is opgenomen in bijlage 4. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Uit oogpunt van onafhankelijkheid verklaart IDDS geen eigenaar te zijn, of in de nabije toekomst te worden, van het terrein waarop het bodemonderzoek en de advisering betrekking heeft. Tijdens het verrichten van het veldonderzoek is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen en is de bodemopbouw beschreven. Bodemopbouw Per meetpunt is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodem nauwkeurig beschreven. Op basis van deze beschrijving is per meetpunt een boorstaat vervaardigd. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5. De globale opbouw van de bodem ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie, gebaseerd op uitgevoerde boringen, bestaat vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 3,0 m-mv uit een afwisseling van matig fijn zand en klei.
1908M871/JHA/rap1 Pagina 10 van 17
Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Het opgeboorde en vrijgegraven bodemmateriaal is visueel geïnspecteerd op afwijkingen en op het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Het materiaal is met name beoordeeld op de aard, grootte en gradatie van voorkomen. Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden beschreven. Indien er sprake is van afwijkingen en/of bijmengingen zijn deze, per meetpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 5. Op basis van de boorstaten blijkt dat in de grond tot een diepte van circa 1,2 m-mv, plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (resten baksteen en plastic) zijn aangetroffen. Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld van de onderzoekslocatie, evenals het opgeboorde bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij opgemerkt dat bij het aantreffen van puin in de bodem, de locatie op voorhand als asbestverdacht dient te worden aangemerkt.